Jan Bor - Wat is wijsheid? Een filosofische zoektocht

bor
Jan Bor is een filosoof met warme belangstelling voor de niet-westerse denktraditie, zoals eerder bleek uit Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie en De moed tot het onmogelijke: Kierkegaard en zen. Als hij de vraag stelt Wat is wijsheid? zoekt hij het antwoord dan ook in een verstrengeling van oosterse en westerse wijsbegeerte.

Die twee tradities staan niet tegenover elkaar, want ze houden zich bezig met dezelfde fundamentele vragen, al kan de uitwerking nog zo verschillend zijn. Zelfkennis bijvoorbeeld is cruciaal in elke filosofie. Bij Socrates evengoed als bij de oude zenboeddhisten stond de vraag 'wie ben ik' centraal. Het is ook de vraag die Jan Bor als jongeman op het pad van de wijsbegeerte brengt.

Lees verder op 8WEEKLY: Voorbij de grenzen van het denken



Bookmark and Share
Comments

Zijn wij ons brein? E-book en afscheid

e-bookZijnwijonsbrein-
Zijn wij ons brein? Bij Studium Generale vroegen we verschillende wetenschappers om op deze stelling te reageren en vragen aan elkaar te stellen over de vrije wil, lichaam en geest. Elk vakgebied heeft weer een ander perspectief op de problematiek, trekt andere conclusies, maar bovenal: stelt andere vragen. Die interdisciplinariteit is typisch 'Studium Generale' en het resultaat is precies waarom ik zoveel plezier beleef aan wetenschap en filosofie. Het mooiste is dat het resultaat voor iedereen beschikbaar is. Alle reacties werden verzameld in een e-boek, dat hier gratis te downloaden is.

Gedrag ontstaat dankzij materie, maar kan daar niet uit worden afgeleid.

Dit citaat uit de bijdrage van neuroloog Jan van Gijn schreef ik alweer lang geleden over in mijn notitieboekje. Nog steeds blader ik er regelmatig naar terug (mijn geheugen laat me op dit soort momenten altijd in de steek). In zo'n eenvoudige zin zet Van Gijn de hele discussie neer en geeft meteen de problemen van te ver doorgevoerd reductionisme aan. Het hele boek staat vol met dit soort overwegingen - eenvoudig, niet nodeloos ingewikkeld, maar ook diepgaand en niet nodeloos versimpelend.

Mijn favoriete essay is dat van dr. Martijn van den Heuvel. (Ook weer een neuroloog, opvallend.) Van den Heuvel benadert het brein en al die vurende neuronen die wij zogenaamd zouden zijn vanuit de chaostheorie. In het onderstaande filmpje legt hij uit waarom wij niet ons brein zijn; we zijn de verbindingen in ons brein, het 'connectome'. Een overtuigende theorie als je het mij vraagt.



Juist omdat deze beschrijving van het brein - en daarmee samenhangend de vrije wil en het lichaam-geest-probleem - geworteld is in de materie maar tóch ruimte weet te laten aan chaos, verandering en de beheersing daarvan, spreekt ze zo aan.

Mijn 'ik' is dan misschien niet meer dan functionele interacties tussen anderhalve kilo structurele connecties, maar het zijn wel míjn connecties die leiden tot een uniek, zelfgeorganiseerd evenwicht. Geïnitieerd door mijn genen en gevormd door mijn ervaringen en omgeving. Een prachtige creatie, volledig uniek, onvoorspelbaar en voor elk mens anders.

Nogmaals de link om het e-boek te downloaden met naast de essays van Martijn van den Heuvel en Jan van Gijn ook stukken van filosofen, taalkundigen, juristen et cetera, gratis en voor niks (en ik kan je vertellen dat er heel veel uren in zitten, ook van mij): Zijn wij ons brein?

Veel plezier ermee!

Vandaag is mijn laatste werkdag bij Studium Generale. Per 1 juni ga ik aan de slag bij de Hogeschool van Amsterdam bij het Instituut voor Netwerkcultuur en als docent.



Bookmark and Share
Comments

De 5 paradoxen van authenticiteit

doorman_rousseau
Een lied van schijn en wezen, zo kun je de moderne worsteling met authenticiteit wel noemen. Een lied vol dissonanten. Authentiek zijn willen we allemaal wel en tegelijk snoeven we een beetje over dat modewoord, dat inmiddels behoorlijk besmet is geraakt door al het misbruik ervan. We verlangen ernaar en worstelen ermee. Daar mogen we Jean-Jacques Rousseau voor danken, de achttiende-eeuwse filosoof met een enorme invloed op het denken over politiek, onderwijs en subjectiviteit en bovendien auteur van wat wel de eerste autobiografie wordt genoemd, de Bekentenissen. In zijn boekje Rousseau en ik probeert Maarten Doorman die erfenis te duiden. Lastig, want authenticiteit is in de kern paradoxaal, zoals ze ook zowel verlangen als afkeer oproept.

Eerste paradox: we kennen onszelf niet
Schijn en wezen: daar houden filosofen zich vanaf het ontstaan van de wijsbegeerte mee bezig. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat echt is en wat niet? Kan de geest of de rede raken tot aan de kern der dingen? Is de wereld wel te kennen? 'Maar nieuw is het besef dat schijn en wezen betrekking hebben op ons eigen zelf. Dat is de ontdekking, of uitvinding waarmee Rousseau ons voortaan opzadelt. Wie zijn wij werkelijk? Waar komt ons gevoel van vervreemding vandaan, en kunnen we eraan ontsnappen?' Terwijl zelfkennis ook al sinds de Griekse Oudheid een doel en zelfs gebod was, is het de mogelijkheid van zelfkennis niet eerder zo geproblematiseerd. Niet zozeer de kennis in zelfkennis, maar het zelf.

Tweede paradox: je kunt niet terug, alleen vooruit
Herman Philipse hield onlangs een lezing over de politieke filosofie van Rousseau, waarin vrijheid zo'n belangrijke rol speelt. Rousseau gaat uit van een 'natuurtoestand' waarin de mens waarlijk vrij leefde. De maatschappij met al haar regels en beperkingen beknot hem maar. Toch moet je niet streven naar een terugkeer naar de natuurtoestand, hoe ideaal die ook mag zijn geweest. De vrijheid moet opnieuw geijkt, geherdefinieerd worden in het heden, of in elk geval voor de toekomst. Hetzelfde geldt voor authenticiteit. Doorman: 'Die authenticiteit verwijst uiteindelijk niet zozeer naar een oertoestand, als wel naar een ideaal - een mogelijke toestand.' Dat is wat moderne reclamemakers, muzikanten of politici misverstaan als ze authenticiteit inzetten: die wordt opgevat alsof ze terugverwijst naar iets goeds wat we zijn kwijtgeraakt.

Derde paradox: als we per ongeluk onszelf zijn, lijken we onecht
'Het scheppen van echtheid' - dat is de paradox van authenticiteit in een notendop. Mensen spelen tegenwoordig zo goed mogelijk 'zichzelf'. Als je zegt: 'hij is zichzelf gebleven' veronderstelt dat een oertoestand waarnaar wordt terugverwezen. Dat klopt dus niet. Hij speelt zichzelf. Maarten Doorman verwijst hier naar het boek Youtopia van Menno van der Veen, die het heeft over 'rolintegriteit', het binnen één persoon, jezelf, vatten van alle verschillende rollen die je speelt. Die unieke combinatie van verschillende rollen is misschien hoe we iets als een authentieke persoonlijkheid het dichtst kunnen naderen. Maar ook daarin schuilt een paradoxale valkuil. Want als je uit je rol valt, en dus in feite meer jezelf bent dan ooit, lijk je juist niet jezelf. Authenticiteit betekent daarom eerder oprecht lijken en niet zijn. Authenticiteit is in the eye of the beholder

Vierde paradox: authenticiteit is een kwestie van vorm, niet van inhoud
Dat leidt tot de volgende paradox. Terwijl authenticiteit in het ideale geval verwijst naar de inhoud, die echt en niet kunstmatig moet zijn, heeft ze eigenlijk eerder betrekking op vorm. Doorman noemt dat 'expressieve authenticiteit'. Het is goed om je af te vragen wat je verwacht: moet de inhoud authentiek zijn, of de vorm? Moeten we authentiek zijn, of lijken? Dean MacCannell spreekt van staged authenticity, bijvoorbeeld in het toerisme. Als we op reis op zoek zijn naar een authentieke ervaring, zijn vorm en inhoud dan niet even belangrijk? Het is makkelijk om meteen je voorkeur uit te spreken voor de inhoud, maar is dat wel eerlijk?

Vijfde paradox: wat de oplossing lijkt, is juist de oorzaak van het probleem
Misschien is het tijd voor een definitie van het begrip authenticiteit. Doorman haalt Andrew Potter aan: de zoektocht naar authenticiteit is een poging 'een verloren gewaande eenheid te herstellen die door modernisering verloren heet te zijn gegaan.' Die hele zoektocht berust op een illusie, dat is wel duidelijk. Die eenheid heeft nooit bestaan, het echte en ware is niet iets waar je naar terug kunt keren. Bovendien is dat echte en ware niet een objectieve eigenschap, maar ligt het als gezegd in the eye of the beholder. 'Het begrip authenticiteit verwijst niet naar iets wat bestaat of ooit bestaan heeft, maar naar oordelen, claims en voorkeuren ten opzichte van anderen en de wereld om ons heen.' Conclusie: 'De overal aanwezige hedendaagse strijd om echte, oprechte levensvormen is daarom niet de oplossing voor zo'n verlangen, maar juist de oorzaak ervan.'

Is het dan helemaal niet mogelijk om een positieve invulling te geven aan het streven naar authenticiteit? Jawel, dat is in elk geval wat de levenskunst probeert te doen. Lees daar meer over bij 10 schrijvers en denkers over Levenskunst.



Bookmark and Share
Comments

Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie

levenskunst
Ons leven is gefragmenteerd en we dreigen onszelf kwijt te raken. Dat is de niet erg vrolijke diagnose van de moderne mens die Alasdair MacIntyre stelt. Onder invloed van het liberalisme zijn we alleen nog maar bezig met onze individuele meningen en vieren we het consumentisme. Van een gemeenschappelijke moraal en sociale samenhang is geen sprake meer. Hoe die terug te vinden?

MacIntyre stelt dat het vertellen van verhalen aan elkaar en over jezelf weer voor eenheid kan zorgen. Verhalen zijn doelgericht maar ook onvoorspelbaar – net zoals het leven. Deugden kunnen daarbinnen weer zorgen voor een vorm van continuïteit. Het project om het gemeenschapsdenken weer een plaats te geven in de ethiek verdient waardering, zegt prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing over MacIntyre in de serie Levenskunst. Dat de uitwerking daarvan niet op ieders steun kan rekenen, bewijst de vurige discussie die prof. dr. Maarten van Buuren na afloop met hem aanging. Hoeveel individuele vrijheid ben je bereid in te leveren voor een stevige sociale orde?

Post-morele ethiek
De Schotse filosoof zorgde met zijn in 1981 verschenen boek After virtue voor een revival van de deugdethiek en het gemeenschapsdenken. Wat bijzonder is, is dat hij de moderne opvatting van de mens als individu niet ontkent, maar juist binnen het gemeenschapsdenken een plaats wil geven. Niettemin levert MacIntyre fikse kritiek op dat individualisme waar we onze liberale samenleving en moraal op hebben gebouwd. Niet een erg stevig fundament, vindt MacIntyre. Sterker nog: er heeft zich een ramp voltrokken in de morele cultuur en wat op het spel staat is het redden van de moraal.

De moderne moraal is te formuleren naar John Rawls: recht gaat boven goed. Dat wil zeggen, de verhoudingen tussen burgers moeten wettelijk geregeld zijn, maar de moraal (het ‘goed’) is neutraal, niet van hogerhand opgelegd. Wat goed is, is ieders vrije keuze. MacIntyre noemt dit een ‘post-morele ethiek’. Je hebt daar niets aan, want elke positie is te verdedigen zonder ooit tot overeenstemming te komen. De één is voor oorlog, want de democratie moet bevochten worden; de ander tegen oorlog, want elk mensenleven is doel op zich. Vóór abortus, want de vrouw heeft recht op zelfbeschikking; tégen abortus, want de mens mag niet ingrijpen in kwesties van leven en dood. ‘Dat vind ik nu eenmaal zo,’ is de dooddoener voor elke hedendaagse morele discussie.

Vrijheid en verbondenheid
Hoe nu deze betekenisloze moraliteit weer te reactiveren – zonder echter de gegevenheden van het liberalisme te negeren? Anders gezegd: op welke manier zijn vrijheid en verbondenheid aan elkaar te koppelen?

MacIntyre doet dat door zich te richten op de concrete praktijken van een samenleving. Daarvoor gaat hij terug naar de doelgerichte ethiek van Aristoteles. Ook wij leven ons leven met een doel voor ogen, dat we in de praktijk van ons leven proberen te optimaliseren. Bovendien is dat doel ingebed in een sociale orde en in een traditie. Bijvoorbeeld de praktijk van je beroep – huisarts, schrijver, onderwijzer. Daaraan geef je in je eigen, particulieren leven een persoonlijke betekenis, die echter niet los te zien is van de traditie.

Absolute vrijheid bestaat niet
En de deugden? De deugden van Homerus verschillen van die van Aristoteles, die weer mijlenver verwijderd zijn van die van het christendom. De rode draad is dat ze altijd in dienst staan van het doel en altijd ingebed zijn in de sociale orde. Ook deugden zijn daarom een manier om continuïteit en samenhang te creëren. Maar pas door het vertellen van verhalen komt die echt tot uitdrukking. Letterlijk, namelijk door de conversatie tussen mensen; maar ook door ons eigen leven te zien als een narratieve structuur. Het levensverhaal heeft een begin, midden en eind, personages daarin hebben intenties en zijn ingebed in een setting. En dat verhaal is weer verbonden met een geschiedenis, die voorbij het individu strekt. Je staat in een geschiedenis waarbinnen je speelruimte hebt om je eigen verhaal te maken.

De vraag is zo bezien niet hoeveel vrijheid je bereid bent in te leveren. De absolute vrijheid die we allemaal omarmen en die een erfenis van Sartre kan worden genoemd, bestaat volgens MacIntyre niet – en Joep Dohmen lijkt hem daarin te volgen. Maarten van Buuren verklaart zich daarentegen zeer fel Sartriaan. Welke kant kies jij? Of valt er niets te kiezen?

Kijk de lezing en discussie hier terug: Alasdair MacIntyre – Na de deugd. De laatste lezing van Levenskunst is op dinsdag 5 juni en gaat anders dan in eerste instantie aangekondigd over Richard Rorty en het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Paul Auster – Winterlogboek: The story about what it means to be alive (without wanting to sound pompous)

winterlogboek
Geen richtinggevoel hebben – typisch een vrouweneigenschap. En een eigenschap van Paul Auster. In zijn nieuwste boek Winterlogboek schrijft hij erover hoe hij altijd gedesoriënteerd uit de metro komt, hoe hij in het rechthoekige stratenplan van New York weet te verdwalen, hoe hij zelfs verkeerd loopt als hij rekening houdt met zijn belabberde gevoel voor oost en west, noord en zuid. Herkenbaar, net als die innerlijke gesprekken waarin je je al dan niet niet falende richtinggevoel om de tuin probeert te leiden. (En hoera voor de iPhone met gps.) Ook in zijn lezing zaterdag bij City2Cities kwam Auster erop terug. Later die avond wees ik hem de weg naar de wc. ‘I will come back looking for you!’ zei hij. Ik bleef toch maar op hem staan wachten, want de portier had ook de lichten al uitgedaan.

Winterlogboek bevat Austers memoires geschreven vanuit het lichaam, ‘een catalogus van zintuiglijke gegevens’. Mens zijn, dat is in de eerste plaats: een lichaam zijn, want een lichaam zijn is levend zijn. ‘The story about what it means to be alive.’ Leven, dat begint in het lichaam en eindigt in het lichaam, en pijn en genot – die lichamelijke waarheden – zijn daar de uitdrukking van. De metafoor voor het levende lichaam is: wandelen. Misschien klinkt het raar dat iemand die steevast verdwaalt zoveel houdt van wandelen als Paul Auster. Wie zijn boeken kent, kent ze ook als ode aan de wandeling en aan het verdwalen. Door te verdwalen kom je de essentie op het spoor. Dwalen in een stad is dwalen in jezelf, zoals hij zaterdag zei. Door te verdwalen krijgt het toeval een kans, het toeval dat je iets vindt. 'Zo zie je jezelf telkens wanneer je weer eens nadenkt over wie je bent: een man die loopt, een man die al zijn hele leven door de straten van steden loopt.' Na de lezing hield ik de deur van de Aula voor hem open: ‘I have to smoke,’ zei hij dwingend. ‘I’ll walk with you,’ antwoordde ik, want zelfs in het Academiegebouw kun je hopeloos verdwalen.

Auster is een verstokte roker. Roken is je overgeven aan je lichaam en in die overgave je lichaam naar de knoppen helpen. Het lichaam is uit op zijn eigen ondergang. Rokers kunnen heel intellectueel doen over hun verslaving, maar uiteindelijk is het intellect net zo goed de slaaf van de sigaret als het lichaam zelf. Het intellect is natuurlijk ook maar een deel van het lichaam. Over roken en drinken schrijft hij: het zijn 'krukken om je kreupele ik overeind te houden'. En: 'Je bent zonder enige twijfel een beschadigd en gewond mens, iemand die vanaf het allereerste begin een wond in zich draagt (waarom ben je anders al je hele volwassen leven bezig woorden op papier te bloeden?)'. De concrete beschadiging (een dikke laag teer op de longen) wordt zonder omhaal een symbolische beschadiging (een wond in je dragen), die weer concreet wordt (bloed).

Het bewonderenswaardige en absoluut fantastische hieraan is dat Auster die allereerste wond niet uitmelkt, niet overanalyseert, zelfs niet duidelijk benoemt. Het is een wond uit het verleden, van voor het bestaan van zijn lichaam. Daarom is de keuze voor de geschiedenis van het lichaam zo goed – dat is er pas op het moment dat jij er bent en heeft zogezegd geen voorgeschiedenis. Het maakt zijn eigen geschiedenis. Het verhaal over de moord in de familie (dat in elk geval een deel van de wond zal uitmaken) is vanuit zo'n optiek niet meer relevant, of in elk geval niet allesbepalend. Hier moet ook de keuze voor het jij-perspectief mee te maken hebben. Die creëert afstand in wat een al te intieme setting kan worden (het eigen lichaam, hoewel Auster dat beschrijft als een soort Elckerlyc).

In een interview op Cutting edge zegt Auster over de keuze voor dat perspectief juist het tegenovergestelde. Het creëert intimiteit: ‘Door de tweede persoon enkelvoud te gebruiken, creëerde ik een zeker intimiteit. Ik ben tegen mezelf aan het spreken alsof ik een vreemdeling voor mezelf ben. Het leest alsof ik aan het fluisteren ben. Tegelijkertijd voelt de lezer die steeds ‘jij’ leest zich ook aangesproken en begrijpt hij dat wat hij leest ook over hem gaat. Ik sta dus heel erg achter die misschien ongebruikelijke keuze omdat ze in mijn ogen noodzakelijk was.’

‘Everybody here is so young,’ zei hij terwijl we naar de uitgang liepen voor een sigaartje. Ik vertelde hem mijn leeftijd. ‘That’s what I mean.’ (Dank u, meneer Auster.) Toen Auster even oud was als ik nu zat hij behoorlijk diep in de put. Hij was nog niet de gevierde schrijver die hij nu is (schreef een handvol poëzie voor een handvol poëzielezers), was gescheiden van zijn eerste vrouw, had een dode vader in z’n kop, zat aan de grond en opgescheept met zichzelf. Het is hierom dat je ook als je de winter van je leven nog niet hebt bereikt, herkenning put uit die oudemannenmemoires. Ik ken Paul Auster niet anders dan de beroemde schrijver uit Brooklyn, maar dat is maar de helft van zijn leven.

In een indringende scène beschrijft Auster hoe hij redding vond uit deze impasse. Het zien van een repetitie van een moderne dansvoorstelling – zonder muziek! – betekent het scharnierpunt op weg naar de Auster zoals ik en iedereen hem kent. De dansers brengen hem terug bij zichzelf en daarmee ook bij zijn schrijverschap. De waarheid die hem geopenbaard wordt is opnieuw lichamelijk, het is een woordeloze waarheid. Via die dansers verbindt hij het schrijven weer aan het lichaam:

'op een bepaald moment begon zich iets in je te openen, voelde je jezelf door de spleet tussen woord en wereld vallen, de kloof die het menselijk leven scheidt van ons vermogen om de waarheid van het menselijk leven te bevatten of uit te drukken, en om redenen die je nog steeds verbazen, vervulde die plotselinge val door de ledige, onbegrensde lucht je met een gevoel van vrijheid en geluk, en toen de voorstelling was afgelopen, zat je niet meer vast, was je verlost van de twijfels waaronder je het voorbije jaar gebukt was gegaan.'

Verderop schrijft hij: 'Schrijven begint in het lichaam, het is de muziek van het lichaam' ... 'Schrijven als een mindere vorm van dans.' Dat mag zo zijn, maar schrijven is wel een meer blijvende vorm dan dans. Alle schrijvers schrijven om bewaard te blijven, zo zei Auster ook in het vraaggesprek van zaterdag. Je mag in de winter van je leven zijn gekomen, en steeds dichter het einde naderen, die personages blijven bestaan ook nadat jij er niet meer bent.

Eigenlijk had ik aan Auster willen vragen of hij zich wel eens bezig heeft gehouden met boeddhisme and the likes. Maar dat durfde ik niet, of het kwam er niet van. Maar die leegte en stilte fascineren me, ook omdat mijn eerste reactie na het uitlezen was: ik ben er stil van. Misschien komt het omdat ik nu ook bezig ben in het kleine boek met de grote titel Wat is wijsheid van Jan Bor, waarin hij vertelt over zijn persoonlijke onderzoek naar deze vraag – die hem leidt langs zen en het boeddhisme en uiteindelijk aan de rand van de afgrond, een immense leegte doet belanden. Een woordeloze waarheid, zoals Auster hierboven schrijft. Deze passage beschrijft haast hetzelfde als Bor doet, maar dan vreugdevol in plaats van beangstigend. Dat laat zien dat ‘waarheid’ niets met vreugde of pijn te maken heeft, niet positief of negatief is, niet het goede is of het kwade. Het is. En in dat zijn zitten pijn en genot aan elkaar verknoopt als twee koppen aan hetzelfde lichaam, zoals Socrates op de ochtend van zijn sterfdag zegt (ik lees ook nog eens Faidon erbij).

Ik vroeg Auster daarentegen of hij wel eens van moeder droomt. Het hele boek door gaat het over de dood van zijn moeder en dan, op het eind, vertelt hij over de gesprekken die hij in zijn dromen voert met zijn vader (gesprekken die hij zich niet herinnert – ook weer een stille waarheid). Nee, hij droomde vrijwel nooit van zijn moeder. Maar de dood van zijn vader was ook veel langer geleden, zei hij, alsof het al dan niet van iemand dromen daarmee samenhangt.

Toen uiteindelijk alle tweehonderd mensen hun drie boeken hadden laten signeren, schoof ik mijn exemplaar van The invention of solitude naar voren over de tafel. Het boek, dat deels gaat over de dood van zijn vader, heeft veel voor me betekend. Het exemplaar is een flodderige Penguin-paperback, maar toch wilde ik juist hierin een handtekening hebben. Vooruit, ook in Winterlogboek. Ik vroeg hem of Winterlogboek voor hem verbonden is met The invention of solitude – het ene gaat over zijn vader, het andere, de laatste, over zijn moeder. ‘They are!’ riep hij. Auster pakte de twee boeken en hield ze op schouderhoogte, de armen ver uit elkaar. ‘But they are thirty years apart!’ Wat als je er goed over nadenkt inderdaad bizar is.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Danish rap / Dansk rap / Deense rap

Sinds dag één ben ik fan van Spotify - zoals mijn vrienden zullen getuigen, die ik ermee blijf lastig vallen tot ze zelf ook Spotifyfan zijn. En sinds mijn vakantie in Helsingør vorige zomer ben ik fan van Deense rap (danks-hop?). 1+1=2, luister mee. (Mijn algemene favorietenlijst vind je trouwens hier.)





Bookmark and Share
Comments

Stine Jensen - Dus ik ben weer

dusikbenweer
'De tv-serie is beter.' Dat oordeel hoor je niet al te vaak. Zeker niet als het gaat om een boek dat in de boekwinkel in de kast met het bordje 'Filosofie' terechtkomt. Toch valt na lezing van Dus ik ben weer, Stine Jensens 'nieuwe zoektocht naar identiteit', niet veel anders te concluderen.

Twee jaar geleden verscheen Dus ik ben, waarin Stine Jensen samen met Rob Wijnberg via verschillende varianten op 'ik denk dus ik ben' de moderne identiteit onderzocht. De grondtoon toen: identiteit is maakbaar. Dat idee is inmiddels achterhaald, schrijft Jensen in de proloog van dit tweede deel. Vooral vanwege de financiële crisis, maar ook onder invloed van de neurowetenschappen die stellen dat wij ons brein zijn en de vrije wil als een 'plezierige illusie' terzijde schuiven. Een interessant uitganspunt, dat in de uitwerking echter sterk te wensen overlaat.

Lees verder op 8WEEKLY: Goed denken begint bij nauwkeurig taalgebruik



Bookmark and Share
Comments

Bert Keizer - Waar blijft de ziel?

keizer
Er is iets geks aan de hand met de Maand van de Filosofie, die nog heel april zal duren. Het thema is dit jaar 'de ziel'. Ietwat oubollig? Zeker. Maar eigenlijk is het thema dan ook het überhippe 'brein'.

Waar blijft de ziel? is de titel van het essay dat bij deze gelegenheid wordt uitgegeven. Auteur Bert Keizer is arts en filosoof en schreef onder andere Onverklaarbaar bewoond, waarvoor hij meeliep op een afdeling hersenchirurgie. Nu gaat hij in de geschiedenis van de filosofie op onderzoek in een poging het verband tussen brein en lichaam, geest en ziel te ontrafelen.

Lees verder op 8WEEKLY: Verbeterde onwetendheid



Bookmark and Share
Comments

Mislukking als drijvende kracht

mensendokter
Het is een ontroerende vraag die ene Herman V. deze week in Vrij Nederland aan de mensendokter stelt: 'Hoe kan ik vrede vinden in mijn eigen middelmatigheid?'
Mensendokter Grunberg geeft eigenlijk geen antwoord op deze hartenkreet, maar legt juist uit hoe je kunt ontsnappen aan de middelmatigheid. Om te beginnen: het mislukken omhelzen. 'Alleen door steeds beter te mislukken kan men ontsnappen aan de middelmatigheid.' Mislukking is een veel en veel betere optie dan middelmatigheid. Daar ben ik het roerend mee eens. Mislukking kan juist als drijvende kracht werken.


1. Paradox
Allereerst de paradox van de mislukking: als je streeft naar mislukking en je realiseert je doel, dan ben je gelukt in het mislukt zijn. Het streven naar mislukking draagt gelukt zijn in zich mee, hoe je het ook wendt of keert. (Zie ook Werk aan de winkel III)

2. Wetenschappelijke methode
Streven naar mislukking is de wetenschappelijke methode. Vooruitgang in de wetenschap ontstaat door de mislukking op te zoeken, door het ontkrachten en niet het bevestigen van een hypothese. (Popper light)

3. Online succes
Dat klinkt misschien heel negatief. Maar het is juist door te experimenteren dat je ontdekt wat wel werkt en wat niet. Een experiment moet je niet beginnen als je bang bent dat het zal mislukken. Wat is een van de zeven geheimen van succes van megablog The Huffington Post? Onophoudelijk experimenteren: fail fast, cheap and often.

4. Ruimte voor het persoonlijke
Dat doet denken aan Beckett (dank): 'Ever tried. Ever failed. No matter. Try Again. Fail again. Fail better.' Dit citaat uit het verhaal 'Worstward Ho' (1983) blijkt na een Google-actie gevleugeld te zijn en wordt bijvoorbeeld genoemd als levensmotto door theatermaker Jos Thie (Trouw, 20 juni 2011): 'Geloof nooit een kunstenaar die zegt dat hij geslaagd is. Kunst is permanent falen. Dat is niet leuk om te horen, maar volgens mij is juist dat falen de motor waar het allemaal om draait. Het niet bereiken van perfectie is wat kunst interessant maakt. Volgens mij is mislukking de basis van de moderne kunst. In de middeleeuwen had je schilders die allerlei taferelen perfect na konden schilderen. Totdat het een keer iemand niet lukte. Hij faalde en maakte daarmee ruimte voor het persoonlijke.’

5. De kunstenaar
'Was ever a writer so besotted by failure as F. Scott Fitzgerald? As a young man he craved literary success and achieved it, instantly (…) He was twenty-four and had everything he wanted. (…) "I remember riding a taxi one afternoon between very tall buildings under a mauve and rose sky; I began to bawl because I had everything I wanted and knew I would never be so happy again." That's one way of looking at it; another would be that he was already looking forward to the real business of regret, loss, decline and ruin. Fitzgerald understood that he had to climb to a dizzy height if the fall was going to be spectacular enough to satisfy him. He needed to achieve success in order to be convinced of the colossal scale of his subsequent failure.'
Geoff Dyer in Working the room, over The Beautiful And Damned van F. Scott Fitzgerald

6. Karakter en zelfkennis
Zonder naar de bodem van je karakter af te dalen en daar te bikken in de keiharde rotsgrond, weet je niet wie je bent en waar je toe in staat bent. (Mislukking en het karakter als catastrofe) En dan nog. Zelfs als je alles bent verloren - niet méér zou kunnen mislukken - ben je nog geen mislukkeling. Je bent een tragische held. 'We wouldn't call Hamlet a loser, he is someone who has lost.' (Alain de Botton over mislukking (en succes))

7. Authenticiteit
Maar wat nu als iemand je een mislukking noemt? 'Wat een mislukkeling is hij toch' of 'Zij is nou écht mislúkt.' Dat is toch vreselijk?' Denk dan gewoon eraan dat mislukken het authentiekste is dat je als modern individu kunt doen, en dus het allerhoogste wat je kunt bereiken. Mislukken is de ultieme bevestiging van authenticiteit. Écht!

(Dat zal dan de reden zijn waarom je geen vrede moet zoeken in middelmatigheid.)



Bookmark and Share
Comments

Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode

muzikaal
Iedereen is muzikaal: het is de titel van de jaarlijkse Kunst- en wetenschapslezing, dit keer verzorgd door prof. dr. Henkjan Honing, het is ook de titel van zijn boek over muzikaliteit, én de kortste samenvatting van zijn wetenschappelijke stelling. Muzikaliteit is een heel gewone eigenschap die alle mensen delen; a-muzikaliteit is juist bijzonder. Ongeveer vier procent van de mensen lijdt aan ‘amusie’ – wat betekent dat je moeite hebt om verschillende melodieën te onderscheiden of platter gezegd, ‘toondoof bent.

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?

Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.

We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).

Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).

Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.

De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.

Kaketoe Snowball:


[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

10 keer antwoord op de vraag 'Waarom bloggen?' (en hoe het vol te houden)

Bloggen wordt al lang niet meer geassocieerd met schrijven over je vrijgezellenbestaan of je kat. Bloggen is volwassen geworden en heet curatie, bloggers zijn de curatoren.
1. What is curation?


2. 7 regels voor het nieuwe curatorschap: Doe wat je zegt van Theo Ploeg

Zelf een blog beginnen?
3. Bloggen is voor mij schrijven en het allerbeste boek over schrijven is On writing van Stephen King. Voor praktische tips en een schop onder je kont.
4. Lees hier online Gij zult bloggen van Ernst-Jan Pfauth of een kort overzicht van de inhoud. Het blog van Ernst-Jan Pfauth is sowieso een must-follow voor alle bloggers: pfauth.com
5. Handboek communities van Erwin Blom was voor mij een grote stimulans en heeft uiteindelijk geleid tot het nieuwsblog van Studium Generale
6. Van dit soort lijstjes zijn er talloze te vinden, je hoeft er in feite maar een te lezen als je begint met bloggen om ze vervolgens te laten voor wat ze zijn: 12 Things That Will Kill Your Blog Post Every Time. Hoewel... neem deze er ook bij, vanwege de andere insteek die vooral goed is voor de productiviteit (zoals Lesson #4: Don’t watch TV or go to meetings): 10 Lessons Seth Godin Can Teach You About Blogging

De curator/blogger is niet een onzichtbare archivaris in de kelder van het internet, maar treedt als persoon op de voorgrond. Iets over mijn eigen beweegredenen dus:
7. Verslaafd aan filosofie: waarom een weblog?
8. Na twee jaar bloggen schreef ik Jarig weblog: op naar de volgende twee jaar! Met daarin onder andere de volgende links:
a. 'Zoek uit hoe je de onderwerpen waarin je de meeste expertise hebt te gelde kunt maken en schrijf er een ‘asset’-verhaal over.' Uit: Schrijf artikelen die over jaren nog worden gelezen!
b. 'Concrete tips met een optimistische toon (Zo kan het ook!).' Uit:
Bepaal het speelveld, win de wedstrijd
c. Mik op het hoogste, er zijn al genoeg mensen die gaan voor doorsnee. Zie:
Een onrealistisch doel is de sleutel tot blogsucces

Plaatje!
9. Toffe infographic voor inspiratieloze dagen: 22 manieren om boeiende content te creëren

Ten slotte een kijktip (en de eigenlijke aanleiding om dit lijstje samen te stellen): 
10. de TED-talk van Joris Luyendijk, over het delen van je 'learning curve'. Hoe? Op een blog natuurlijk:


Tips meer dan welkom.



Bookmark and Share
Comments

Objet trouvé

flapuit



Bookmark and Share
Comments

Nietzsche als deugdethicus

levenskunst
Maakt dit mij sterker? Dat is de leidende vraag in de nietzscheaanse levenskunst. Niet: is dit het goede of het ware, want ook het goede en het ware staan slechts in dienst van het vergroten van je eigen kracht. Als een illusie je op een zeker moment sterker maakt dan de waarheid – kies dan voor de illusie. Sommige waarheden kunnen zo hard en onhandelbaar zijn dat ze schadelijk worden – schuif ze dan terzijde. De waarheid en de illusie zijn deugdelijk als ze jou sterker maken en ondeugdelijk als ze je verzwakken, dat is de kern van Nietzsches deugdenethiek. Maar het volgen van de weg omhoog (de wil tot macht, dat wat je sterker maakt), gaat onvermijdelijk gepaard met lijden en zelfopoffering.

Levenskunst voor vergevorderden
Het is een filosofie die moeilijk te behappen is, zo geeft Maarten van Buuren toe. Maar, zegt hij: ‘Nietzsche brengt mij op de goede weg.’ Met levendige en persoonlijke voorbeelden licht Van Buuren de ‘levenslessen’ van Nietzsche toe. De vraag die blijft hangen is wel of het toepassen ervan niet vereist dat je al vergevorderd bent in het vormgeven van je eigen leven. In de deconstructie van ik en waarheid, en de nadruk op overgave en opoffering (voor jezelf natuurlijk, en niet voor een ander) zingt ook een gevaarlijke klank door. Nietzsche stierf krankzinnig – door de syfilis waarschijnlijk. Toch klinkt dat einde ook wel als een waarschuwing. Je mag wel stevig in je schoenen staan wanneer je zoals Van Buuren jezelf voor de spiegel eens goed de waarheid zegt. Ook al kies je er vervolgens voor in de illusie te geloven…

Deconstructie van het ik
Via een analyse van de alledaagse zin ‘Ik wil een kop koffie’ wordt duidelijk hoe de deconstructie van belangrijke begrippen als ‘ik’ en ‘waarheid’ werkt. Als we zeggen dat we een kop koffie willen, gaan we uit van onszelf als een subject dat aan de oorsprong staat van een handeling, die wij als individu willen. Dat klopt niet, stelt Nietzsche. Eerder zijn we een slaaf van onze wil: in plaats van over subject kun je het beter hebben over lijdend voorwerp. Koffieverslaving sleurt je de keuken in voor weer een kop, en ondertussen ben je met jezelf aan het onderhandelen over of je je koffiepauze wel verdiend hebt. Het ‘ik’, oftewel het ongedeelde ‘individu’, is daarom ook een illusie. We worden voortdurend heen en weer geslingerd in onszelf tussen ons willende deel en ons controlerende deel, tussen beheersing en overgave.

Zo deconstrueert Nietzsche (die werd opgeleid als filoloog, dus als taalkundige) het woord ‘ik’. Het is een etiket dat niet klopt met wat eronder zit. Veel later zouden Derrida en andere postmoderne filosofen deze manier van filosoferen door deconstructie overnemen. Naast het ik moet ook de waarheid eraan geloven; nog zo’n etiket dat niet strookt met de werkelijkheid. Waarheden bestaan niet, er zijn alleen opinies waartussen een machtsstrijd woedt. De sterkste opinie wint en gaat dan door voor de waarheid.

Zelfoverstijging gepaard aan zelfopoffering
Ik en waarheid bestaan niet (als duidelijk definieerbare eenheden) en kunnen dus ook niet centrale waarden van de filosofie zijn. Dat verduidelijkt misschien waarom ‘sterker worden’ de kern van Nietzsches levenskunst is (bekend als de ‘Wille zur Macht’). Maar het sterker worden is ook niet enkelvoudig; je wordt sterker en dat is het dan. Ook dat is te deconstrueren. Van Buuren legt uit dat het draait om zelfoverstijging, die altijd gepaard moet gaan met zelfopoffering. Zelfoverstijging door productief te zijn, door te scheppen, boeken te schrijven, kinderen te krijgen of lezingen te geven. Hoe sterker je bent, hoe sneller je groeit, hoe meer je creëert – hoe meer je jezelf ook de vernieling in helpt. Voor een vervuld leven moet je je overgeven aan het dionysische, aan de wilde en gevaarlijke kant van het bestaan die naast vervulling ook lijden brengt. Dat is de controversiële les die Nietzsche als deugdethicus ons meegeeft. Het brengt Maarten van Buuren naar eigen zeggen op de goede weg en bovendien in een zichtbaar goed humeur. Durf jij het aan om hem te volgen?

Volgende keren
Kijk de lezing over Nietzsche als deugdethicus hier terug. De volgende Levenskunstlezing is op dinsdag 1 mei en gaat over Alasdair MacIntyre. De laatste lezing uit deze reeks vindt plaats op 5 juni en gaat (anders dan aangekondigd) over de filosofie van het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig

Men in love, zo zou de roman ook kunnen heten waarmee Patrick Lapeyre de Prix Fémina won, de grote Franse literaire prijs die toegekend wordt door een vrouwelijke jury. Lapeyre wordt geroemd om zijn onderzoek naar 'de verliefde man', zoals Het leven is kort en het verlangen oneindig te lezen is. Twee mannen, één vrouw, nul op het rekest.

Een onderzoek naar de verliefde man, dat doet denken aan wat Milan Kundera schreef over rokkenjagers. De Don Juans van deze wereld zijn er volgens hem in twee soorten: de man die op zoek is naar De Ene, de vrouw aller vrouwen. Na elke verovering is hij teleurgesteld, want De Ene bestaat natuurlijk niet. Door naar de volgende. De andere soort is niet op zoek naar één vrouw, maar wil alle vrouwen leren kennen. Hij geniet van de overvloed en variatie die beschikbaar is, als een kind in een snoepwinkel. Een type dat je vaak tegenkomt ontbreekt in deze classificatie: de rokkenjager die noch de Ene zoekt, noch de veelheid, maar zichzelf. De narcistische rokkenjager kun je hem noemen, die feitelijk niet geïnteresseerd is in de ander, maar op zoek is naar bevestiging.

Lees verder op 8WEEKLY. En lees ook mijn Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten hieronder.



Bookmark and Share
Comments

Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten

lapeyre
Een onderzoek naar 'de verliefde man' in zeven citaten (uit de roman Het leven is kort en het verlangen oneindig van Patrick Lapeyre).* 

1. ‘Het is alsof ze op hem inwerkt als zo’n hallucinerend middel dat je bewustzijn verruimt en tegelijk je hersencellen verwoest.’
Het meisje is zo'n nimfachtig type dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. Waarom eigenlijk? Ze is knap, maar wel iets te dun. Wat doet ze voor werk? Geen idee, niet belangrijk. Ze loopt in de bediening van een restaurant en in de avonduren volgt ze een toneelcursus of zo. Ze is ietwat labiel en onpeilbaar. Altijd blut. Objectief gezien niet veel soeps. Maar in de liefde geldt 'objectief gezien' niet. Je moet het ook niet groter maken dan het is en over Gevoel beginnen. Een uitwisseling van feromonen die de leegte vullen van reeds bestaande frustratie (of die nu met een slecht huwelijk, een stomme baan of innerlijke onrust te maken heeft) - that's it. En dan ben je overgeleverd aan de biologie.

2. ‘Ze is nu zo dichtbij dat Blériot het gevoel heeft dat, mocht hij per ongeluk iets te ver overhellen, hij haar als een slaapwandelaar in de armen zou vallen.’
De slaapwandelaar is zich bewust van zijn lichaam, beweegt en stuurt het, maar verkeert mentaal in een staat van zeer laag bewustzijn, een droomstaat. Alles wat hij doet is in feite per ongeluk, oftewel: hem niet aan te rekenen. Hoe dichtbij zal zij komen? Een slaapwandelaar mag je niet wekken. Hij mag wel in jouw armen ontwaken. Graag zelfs.

3. ‘seks is de reminiscentie aan seks’
Wat er ook gebeurt, we'll always have sex. Overgeleverd aan de biologie als hij is, hallucinerend en/of slaapwandelend, denkt hij eigenlijk maar weinig aan seks. Als hij wakker wordt en in de spiegel kijkt, uit het raam hangend een sigaretje rookt, en objectief gezien niet zoveel moois meer kan ontdekken aan het verwoesten van je hersencellen - juist dan kun je, objectief gezien, net zo goed seks hebben (met wie is niet zo belangrijk, als het maar een herhaling van eerdere seks is). Wie weet kicken de feromonen dan weer in en sla je zo twee vliegen in één klap.

4. ‘Alle mannen verlangen terug naar die eindeloze tijd waarin het leven nog de elasticiteit van het mogelijke heeft.’
Verliefd worden is het openvouwen van oneindige mogelijkheden; verliefd zijn is pendelen tussen hoop en wanhoop; liefde is consolidatie - die zich uiteindelijk samenbalt in frustratie. Milan Kundera verdeelde de Don Juans van deze wereld in twee soorten: zij die in alle vrouwen zoeken naar De Ene - die natuurlijk niet bestaat; en zij voor wie alle vrouwen anders zijn, anderen die ze allemaal willen leren kennen. De derde categorie beschreef hij niet: zij die vooral zoeken naar zichzelf. Niet wie zij nu zijn, maar wie ze ooit beloofden te worden.

5. ‘Persoonlijk houdt hij wel van de verpletterende rust van een zondagmiddag.’
Consolidatie (waar de zondagmiddag het epitome van is), is ergens wel prettig. Het is fijn om de druk ervan op je schouders te voelen, zoals het fijn kan zijn als een lichaam op jouw lichaam ligt te slapen - onbeweeglijk, niet-bewust, warm en zwaar en verpletterend. Tot je naar adem happend bovenkomt natuurlijk. Persoonlijk.

6. ‘Hij staat op het punt te antwoorden dat je niet alles kunt hebben en niet tegelijk aanwezig en afwezig, trouw en ontrouw kunt zijn. Logisch gezien kan ze hem dus niet zijn vrijheid teruggeven, zoals ze heeft gedaan door bij hem weg te gaan, en hem tegelijkertijd vragen om haar gevangene te blijven.’
Marcel Proust schreef over de vrouw als gevangene van haar geliefde, in deze eeuw is de man dat net zo goed. Verliefd zijn is pendelen tussen hoop en wanhoop. Soms kan het makkelijker te zijn om de pendel met een ruk naar beneden stil te laten hangen, ook al is het aan de kant van de wanhoop. De vraag is welke hand de pendel vast heeft: de zijne of de hare? Maakt ook eigenlijk niet uit, ze lopen immers hand in hand.

7. ‘Gezonken, denkt Blériot bij zichzelf alsof het om een zeeslag gaat.’ ‘Buiten sneeuwt het op halve kracht. Het is een dag om onder de dekens te blijven en een boek over Napoleons terugtocht uit Rusland te lezen.’
Liefde is oorlog. (Vul zelf zinnen aan met bijvoorbeeld de woorden loopgraven, wapenstilstand, vredesmissie, heldendom, Bevrijdingsdag, Dodenherdenking et cetera.)

*Waar 'hij' staat, mag ook 'zij' gelezen worden, en vice versa.



Bookmark and Share
Comments

Dingen denken, dingen doen, dingen veranderen: do-it-yourself

underground
‘Hier in Nederland is het té goed.’ Mensen moeten wakker geschud worden, ‘je moet dingen gaan denken, dingen gaan doen … en door dat te gaan doen kunnen we misschien ook wel echt wat veranderen.’ We zijn te gast in punkwinkel No Fun, in het Amsterdam van 1977 (Wonderland, een documentaire over punk in Nederland, 1977). Het is een opvallende uitspraak dat het in Nederland té goed zou gaan. Verzetten de punks zich niet tegen juist tegen werkloosheid en gebrek aan goede woonruimte, tegen een maatschappij zonder toekomstperspectief? Oftewel: No Future nu, zoals Leonor Jonker haar boek over de punk in Nederland noemde. Zij opent de derde avond van de serie Underground met het filmfragment uit de punkdocumentaire.

Beste vrienden met je ouders
Misschien kwamen die grote maatschappelijke problemen – jeugdwerkloosheid, leegstand – pas een paar jaar later echt aan de oppervlakte. In het begin van de jaren tachtig verandert ook de punk- en kraakscène; die wordt steeds extremer en de reacties van de autoriteiten verharden mee. Is dat wat ons nu ook te wachten staat? Een steeds terugkerende vraag is waarom jongeren nu, 35 jaar later, zo weinig hun stem laten horen, niet massaal de straat op gaan of zich zelfs maar afzetten tegen de generaties boven hen. Je zou kunnen zeggen dat het ondanks de crisis nog steeds ‘té goed’ is hier in Nederland. Is het weer tijd om de mensen wakker te schudden?

Een stevig (generatie)conflict, waardoor je weer ‘dingen gaat denken, dingen gaat doen’ is misschien precies wat de crisis nodig heeft, lijkt Thomas van Aalten te vinden. Het is de vraag of generatieconflicten nog wel van deze tijd zijn. Tegenwoordig zet je je niet meer af tegen je ouders, maar ben je vrienden van elkaar. Beste vrienden zelfs. Leonor Jonker herkent dat wel. Van Aalten en Jonker schelen minder dan tien jaar, maar tussen hen tekent zich een groot verschil af: ergens in die tien jaar is de verhouding tussen jeugd en ouders totaal veranderd, van conflict naar vriendschap. Dat verandert ook de houding tegenover verzet en protest.

Punk in alle huiskamers
Je kunt je afvragen of de geest van verzet wel echt zo wijd verspreid was in de jaren zeventig en tachtig. Punkers en krakers maakten maar een heel klein deel van de bevolking uit, vormden een echte underground-cultuur, geconcentreerd in de grote stad. Hebben we daar niet een vertekend beeld van? En is het wel eerlijk als we de hele jeugd van nu vergelijken met zo’n kleine groep van toen? Martijn Haas ging op zoek ging naar de mooie, spannende verhalen voor zijn geschiedenis van de Amsterdamse jaren tachtig, verteld aan de hand van losgeslagen en uitzonderlijke types.

Zoals Mike von Bibikov, hoofdpersoon van zijn laatste boek Bibikov for President, die de bestaande politiek wilde ontkennen en een nieuwe staatsvorm bedenken. Met zijn partij De Reagering nam hij deel aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen om zo de politiek van binnenuit te veranderen (met weinig succes). Met de piratenzender Rabotnik TV werd ingebroken op de kabel zodat Bibikov in alle huiskamers te zien was. Toch wel iets anders dan YouTube, waar ook elke zonderling zich kan laten zien, maar niemand ernaar hoeft te kijken.

Do-it-yourself
Het gaat er ook niet zozeer om of de punkmentaliteit representatief was voor de jaren tachtig (natuurlijk was zij dat niet, we kennen ook allemaal de gepolijste muziek uit die tijd, het ‘greed is good’ van Gordon Gekko en de suffige bloemkoolwijken in provinciestadjes). Belangrijker is te luisteren naar wat het meisje in de punkwinkel No Fun zegt: we moeten dingen doen en denken en dan kunnen we misschien wel iets veranderen. Het is die eenvoudige overtuiging – ‘do-it-yourself’, ga niet zitten wachten tot iemand het voor jou doet – die de moeite waard is om weer leven in te blazen. Daar heb je geen idealen of generatieconflict voor nodig. En wat het idee erachter is? Dat bedenken we over een jaar of dertig wel.

Kijk voor meer beeld, verhalen en discussie: Van underground tot commercie in muziek, kunst en tv met Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker. Hans Achterhuis ging eerder in op de achtergronden van de ideologie van de jaren zeventig en tachtig: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten en Caroline Nevejan sprak in een persoonlijk verhaal over kraken en hacken tot ontwerp en bestuur.

Lees ook:
Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen
Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Mark Vernon - Een beetje geluk met filosofie

vernon
Filosofie bedrijven op webloglengte en daar ook nog een interessant boek uit samenstellen, zonder aan zeggingskracht in te boeten. De Britse filosoof Mark Vernon bewijst dat het kan in Een beetje geluk met filosofie.

Rare vertaling, die titel, die oorspronkelijk luidt: 42. Deep Thought on Life, the Universe, and Everything. Een verwijzing naar The Hitchhiker's Guide to the Galaxy, waarin '42' als antwoord uit de computer rolt op de vraag naar, tja, alles. Vernon presenteert 42 korte filosofische overdenkingen, met als vertrekpunt sprekende citaten. Die gaan van Horatius' 'Pluk de dag' tot Woody Allen: 'Ik wil niet onsterfelijk worden door mijn werk; ik wil onsterfelijk worden door niet dood te gaan.' Zo komt inderdaad alles aan bod, niet alleen geluk, en ook niet 'een beetje'.

Lees verder op 8WEEKLY: Filosofie op webloglengte



Bookmark and Share
Comments

Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

underground
‘Het persoonlijke is politiek’: die leus vat zowel de maatschappelijke tendensen als de persoonlijke instelling in de jaren zeventig en vroege jaren tachtig samen. Na de val van de Muur in 1989 lijkt dat te zijn veranderd. Het persoonlijke is na twee decennia durfkapitalisme vooral handelswaar geworden. Hoog tijd om het heft weer in eigen hand te nemen. De praktische idealen van de kraakbeweging, waarin do-it-yourself, het creatieve experiment, vrijheid en transparantie centraal stonden, zijn een heroverweging waard. Caroline Nevejan levert met haar lezing in de serie Underground over kraken en hacken, bestuur en ontwerp voldoende stof daarvoor.

De politiek analyseren en daar je persoonlijke handelen op afstemmen: dat was de dagelijkse consequentie van het persoonlijke dat politiek werd. Dat geeft al aan dat de groep of beweging voorop stond, en niet zoals we nu gewend zijn het individu, zoals Hans Achterhuis in zijn lezing ook stelde. De emancipatie van bepaalde groepen in de bevolking – vrouwen, homoseksuelen – heeft pas later de weg vrijgemaakt voor het hyperindividualisme dat we nu kennen. In het geval van de krakers ging het concreet natuurlijk om woonruimte, leegstand en het behoud van oude stadspanden. Om de kraakbeweging in stand te houden was het nodig om die als groep voorop te zetten en als persoon zo anoniem mogelijk te blijven.

Die anonimiteit binnen een hechte groep lijkt een bijzondere voedingsbodem voor creativiteit en experimenteerdrift te zijn geweest. Belangrijker nog is het behoud van zelfstandigheid. Een voorbeeld zijn de ‘eigen media’. Nevejan vertelt hoe het internet ontstond als een netwerk om elkaar op de hoogte te houden, en later ook om contact te houden met bijvoorbeeld oppositiegroepen in het buitenland. Tegenwoordig zijn de media haast standaard níet ‘eigen media’. Ook al hebben we het idee dat onze profielpagina’s op Facebook en LinkedIn persoonlijk zijn en van onszelf, alle gegevens zijn in handen van commerciële bedrijven. Bovendien is ons ‘persoonlijke’ profiel volkomen gestandaardiseerd naar een eenduidig format.

Het persoonlijke is om die reden nog steeds behoorlijk politiek, aldus Nevejan. We vinden het persoonlijke nu belangrijker dan wat dan ook, terwijl we dus tegelijk steeds meer conformering toestaan. In de jaren tachtig, met haar groepsgevoel en solidariteit, bleef je weliswaar anoniem (krakers kenden elkaar alleen bij de voornaam) en werd het individu dat uit de groep trad niet beschermd. Maar in de ‘vrije ruimte’ die letterlijk en figuurlijk beschikbaar was – in de gekraakte schoolgebouwen met hun grote klaslokalen, en in de vrijheid om niet gehinderd door al te veel regels te experimenteren met kunst en nieuwe samenlevingsvormen – ontstond misschien wel meer ‘eigens’ dan nu mogelijk is.

Gelijkheid was belangrijk en hiërarchie werd zoveel mogelijk vermeden. Uiteindelijk ontstaan overal machtsverhoudingen en structuren. Het is zaak om die zo transparant mogelijk te houden, iets wat in deze tijd juist niet gebeurt. Zeker in onze gemedialiseerde maatschappij, die ook door en door commercieel is, lopen belangen voortdurend door elkaar. De jongeren die in opstand kwamen tijdens de Arabische Lente, hebben enorm veel te danken aan Facebook en Twitter, maar verzuchten ook dat ze de media niet alleen hadden moeten gebruiken, maar ook hadden moeten proberen over te nemen. Of dat mogelijk is? Dat is de verkeerde vraag, begrijp je uit het verhaal van Nevejan. Het gaat erom hier en nu actie te ondernemen en het mogelijk te maken.

Kijk de lezing van Caoline Nevejan hier terug. Volgende week is het tijd om de jaren zeventig en tachtig te laten herleven in beeld en geluid. Niet alleen punk, maar ook de commercie deed zijn intrede. Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker leiden je rond.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe antwoorden op oude vragen: Welkom in Youtopia - Menno van der Veen

youtopia
'Youtopia' is de naam die Menno van der Veen heeft gemunt voor zijn beschrijving van 'de eenentwintigste-eeuwse way of life'. Dat wil zeggen: van de hoogopgeleide, zelfbewuste en semi-geëngageerde mens die leeft in een door en door gemedialiseerde wereld. Welkom in Youtopia is een merkwaardig boek, dat volkomen uit de bocht vliegt wanneer Van der Veen zijn Youtopia daadwerkelijk als een Utopia gaat beschouwen. Het stamt uit 2010 en lijkt op punten alweer verouderd. Bijvoorbeeld: waar is Facebook? Die alomtegenwoordige grootheid waarover filosofen sinds 2011 niet kunnen stoppen te praten, tot gapens aan toe? Merkwaardig en boeiend om te zien hoe snel het landschap in die gemedialiseerde wereld verandert.

De vragen die filosofen stellen veranderen daarentegen niet. Bij het in kaart brengen van Youtopia draait het om waarden als identiteit, (re)presentatie, narrativiteit, reflectie. Wie ben ik, waar sta ik, hoe geef ik betekenis, wat moet ik doen? Dat laat wel zien wat het middelpunt is van het Youtopische universum: ik, ik, ik en ik.

Wie ben ik? In elk geval niet een persoon die in bezit is van een zelf, 'het ware zelf' dat ergens diep vanbinnen weggestopt zit. Nee, identiteit wordt steeds meer opgevat als een netwerk, zoals bijvoorbeeld ook Julian Baggini in zijn TED-talk doet. Wie je bent is een combinatie van verschillende rollen of persona, die onder invloed van de omstandigheden sterker of juist zwakker naar voren treden. Wie je 'echte ik' of 'ware zelf' is doet er niet toe, die vraag is gewoonweg irrelevant (behalve als je het antwoord beschrijft in termen van meerduidigheid).

De buitenwereld krijgt al gauw een dienende functie in deze opstelling: ze levert het decor voor het rollenspel dat je speelt. Waar sta ik? Nou, in het middelpunt van je eigen belangstelling, als hoofdpersoon van je eigen verhaal. Nu is deze narratieve opvatting van wie je bent en hoe je je verhoudt tot de wereld niet nieuw. Nieuw is het gebruik van media daarbij. De Youtopisten gebruiken de (online) media om hun persoonlijke verhaal te vertellen. Het onderscheid tussen verhaal en wereld is daarbij volkomen verdwenen: het verhaal maakt de wereld en de wereld is stof voor het verhaal.

Hoe geef ik betekenis? Via gemedialiseerde verhalen dus, en meer nog: dat doe je direct. We toetsen onze ervaringen en indrukken in realtime aan beeld- en geluidsopnames die we daarvan maken. Van der Veen noemt dit mediareflectie, een verhelderend begrip. Opnames worden 'onderdeel van ons individuele geheugen en geven onze individuele ervaring vorm. Daarmee bepalen de media steeds meer ons zelfbeeld.' De technologie stelt ons daartoe in staat: 'De digitale camera maakt het mogelijk gevoelens en ervaringen vrijwel meteen te toetsen.' De camera op je telefoon al helemaal, en - daar komt ie - Facebook nog meer. 'Op een ervaring volgt direct het verslag, en als we ons later afvragen hoe we ons voelden ten tijde van die ervaring, lezen we het verslag terug omdat het eerlijker zou zijn dan ons geheugen. Of beter gezegd: het verslag is ons "geheugen". Omdat het zo dicht volgt op onze directe ervaring valt het onderscheid tussen wat we schreven, voelden of dachten meestal nauwelijks meer te reconstrueren.'

'Het probleem begint waar we geen onderscheid meer maken tussen een situatie en het verhaal dat we onszelf erover vertellen. Zodra we onze eigen verhalen gaan geloven als de letterlijke waarheid verliezen we onze verbinding met de wereld.' (Philipp Blomm in De Groene Amsterdammer, 7 december 2011)

Met dien verstande dat de Youtopist allang niet meer gelooft in het bestaan van een 'letterlijke waarheid' (hij is immers ruimschoots door de mangel van het postmodernisme gegaan en gelooft alleen nog maar in een persoonlijke waarheid) - ook Menno van der Veen signaleert een verloren verbinding met de wereld. Wat moet ik doen? Nou, zal iedereen meteen zeggen, ik moet sowieso niks. Ik luister alleen naar mijn persoonlijke waarheid. Ondanks globalisering is de wereld van de Youtopist juist heel klein geworden, in de zin dat hij zich niet bezighoudt met grote maatschappelijke problemen, zeker niet aan de andere kant van de wereld. Hooguit ondersteunt hij een individueel weeskind. Alles draait om de eigen omgeving; voor ethische problemen dan wel collectieve sociale bewegingen is daarin geen plaats, voor een individueel ondersteund project wel.

Ik herken veel in deze post-/hyper-/metamoderne antwoorden op oude filosofische vragen. Helaas vliegt Van der Veen als gezegd uit de bocht. Het tweede en derde deel van Welkom in Youtopia kun je maar liever voor gezien houden. Bovendien denk ik dat hij een miniem deel van de bevolking beschrijft, waartoe ik misschien wel behoor, maar de meeste van mijn vrienden niet. Ik laat maar wijselijk in het midden wie er beter af is.



Bookmark and Share
Comments

Piet Calis - Literaire vriendschappen en andere misverstanden

calis
Literaire vriendschappen en andere misverstanden is de titel van Piet Calis’ gelegenheidsuitgave voor de Boekenweek. Het is niet een overzicht van illustere koppels als Willem Kloos en Jacques Perk of Ter Braak en Du Perron, maar een bundeling van portretten van 62 ‘literaire vrienden’ van de literatuurwetenschapper. Al die schrijvers – en een heel enkele schrijfster – zitten opgepropt in dit dikke rode boekje als een straatklinker. Elk krijgen ze zo’n vijf pagina’s, elk van hen introduceert Calis aan de hand van een interview of een persoonlijker ontmoeting. Dat leidt wel eens tot een herontdekking of een aardig citaat, maar vooral tot heel veel namen, feiten en anekdotes, en niet tot een verhaal.

Lees verder op Athenaeum: Literaire namen, feiten en anekdotes

Goede Boekenweek gewenst!



Bookmark and Share
Comments