Verschenen: 40, Een fictief smartphone-essay over vriendschap – download gratis of t.e.a.b.

In samenwerking met De Internet Gids – online pendant van Nederlands oudste literaire tijdschrift – is het experimentele e-boekje 40 verschenen. Een fictief essay, speciaal geschreven om gelezen te worden op de smartphone.

Het is de derde editie in de reeks DIG Cahiers, die bestaat uit nieuwe, literaire publicaties van Nederlandse bodem. Ieder werk is rond de 40 pagina’s lang en te lezen gedurende een enkele treinreis of in de rij op het vliegveld. De mogelijkheden van dit nieuwe (digitale) publicatieplatform worden zowel literair als visueel en auditief onderzocht.

Ook met het verdienmodel wordt geëxperimenteerd: de e-boeken worden aangeboden met ‘pay what you want’. Van iedere binnenkomende euro gaat 50 cent naar de auteur. Van de andere 50 cent worden de coverontwerper, typograaf, webbouwer, webhost, corrector en redacteur betaald. De richtprijs is €3,99 maar de publicatie is ook voor €0,00 te downloaden.

40: Een fictief smartphone-essay over vriendschap leidt je binnen in het hoofd en in de telefoon – is er eigenlijk een verschil? – van iemand die probeert te begrijpen hoe vriendschappen ontstaan en schrikbarend genoeg ook weer verdwijnen. Vrienden maken lijkt iets vanzelfsprekends, zeker in tijden van sociale media. Het vanzelfsprekende is echter altijd in potentie hartverscheurend. ‘Dit is niet het verhaal van die vriendschap. Het is het verhaal van alle anderen.’

Lees ook De Grote Internetvragen, waarin ik antwoord geef op drie vragen uit de proustiaanse questionnaire van De Gids: Welke mythe houdt u graag in stand? Wat is de mooiste vorm en/of de lelijkste vorm die u kent of zelf hebt gebruikt? En waarom? Wat verstaat u onder geheim?

Zwemmen in de oceaan: Berichten uit een postdigitale wereld

‘Een diepzinnig boek over de grote verleiding om langs de oppervlakte te blijven scheren. Miriam Rasch laat zien dat die oppervlakte in de digitale cultuur van de eenentwintigste eeuw meer te bieden heeft dan verstrooiing en degradatie tot consument. Ze tovert er een eigentijds soort hevigheid tevoorschijn.’ – Maxim Februari

De Bezige Bij

Bestellen

E-boek

Voorpublicatie

Presentatie

Read one of the essays in English

Alles is online, online is alles. In een paar decennia zijn alle aspecten van het leven door het internet getransformeerd, van onderwijs tot werk, van vriendschap en liefde tot lijden en dood. Een grens tussen een ‘echte’ en een virtuele wereld is al lang niet meer te trekken: het leven is door en door gemedialiseerd. Toch lijkt de digitale revolutie zich haast geruisloos te hebben voltrokken; wie staat er nog bij stil?

Gegidst door schrijvers en filosofen vraagt Miriam Rasch zich af wat het betekent om mens te zijn in een door data geregeerde wereld. Hoe vind je de weg in de uitgestrektheid van het internet, in een oneindige wereld die overweldigend en tegelijkertijd prachtig is?

Miriam Rasch studeerde literatuurwetenschap en filosofie en werkt bij het Instituut voor Netwerkcultuur van de Hogeschool van Amsterdam. Ze schrijft essays en kritiek voor onder meer De Gids, De Groene Amsterdammer en Revisor. In 2015 won ze de Jan Hanlo Essayprijs Klein.

Over de twijfel, of: waar ik ’s nachts van wakker schrik, bij wijze van spreken

Uitgesproken bij de uitreiking van de Jan Hanlo Essayprijzen 2017 in De Balie, 17 mei 2017.

Over de twijfel, of: waar ik ’s nachts van wakker schrik, bij wijze van spreken

Want, hoe heeft het zo ver kunnen komen dat het relativeren van de waarheid, het opvatten van feiten als constructies, de werkelijkheid zien als hoogstens intersubjectief, al die waarden waarmee iemand die is opgeleid in de geesteswetenschappen zo rond de millenniumwisseling zich identificeert – iemand zoals ik dus – hoe kan het dat dat uiteindelijk in ons gezicht is geëxplodeerd?

En is het toeval dat het essay in de lift zit juist in deze tijden, het zo geliefde essay, waarin je persoonlijk mag zijn, en grappig, het niet hoeft te weten, een eigen wereld op kunt bouwen? Het lijkt haast wel alsof dit fundament van essayistische waarden wordt ingepikt en misbruikt voor eigen gewin door mensen die diametraal tegenover diezelfde waarden staan. Ik kom er niet uit. Moeten we nu houden van die persoonlijke waarheid of haar verafschuwen? “Over de twijfel, of: waar ik ’s nachts van wakker schrik, bij wijze van spreken” verder lezen

Denken over het kwaad met Bettina Stangneth

De Duitse filosofe Bettina Stangneth weet hoe ze de gemoederen moet bezighouden. Zo’n zes jaar geleden zorgde ze voor opschudding met haar boek over Adolf Eichmann, Eichmann in Argentinië. Eichmann was geen voorbeeld van Hannah Arendts these van ‘de banaliteit van het kwaad’, betoogde ze daarin, maar juist een overtuigd misdadiger die met behulp van zijn intellect het kwaad zo doelmatig mogelijk wist uit te oefenen. In haar nieuwste boek Het kwade denken (vertaling René van Veen) werkt ze deze intellectuele vorm van immoraliteit nader uit. Niemand ontsnapt daarbij aan haar gesel.

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Het kwaad van ons allemaal

Lees ook mijn column Over de twijfel, of: waar ik ’s nachts van wakker schrik, bij wijze van spreken, uitgesproken bij de uitreiking van de Jan Hanlo Essayprijzen 2017 in De Balie, 17 mei 2017, waarin Stangneth ook voorkomt.

Het redelijke kwaad is universeel

‘Het academische kwaad’ noemt Stangneth deze tweede categorie van het kwaad waarin het instrument van de verlichting – de rede – niet ten goede wordt aangewend maar juist om het tegendeel te bewerkstelligen. We kunnen er allemaal wat van; in de meest onschuldige vorm gaat het om de smoesjes die je aanvoert terwijl je wel weet dat je verkeerd hebt gehandeld, en die je afstemt op degene die je tegenover je hebt. In het ergste geval gaat het om wereldleiders die recht lullen wat krom is om zo hun misdrijven te verbergen.

Juist in die universaliteit zit ’m de crux, zoals we van Kant weten: als mens zijn we met de rede begiftigd en die verschaft ons toegang tot de universele morele wet. Maar als de rede ook tot het tegendeel in staat is, dan delen we als mensen net zozeer een aanleg tot het academische kwaad. Daarom is de mens volgens Kant ‘radicaal kwaad’ en daarom is de banaliteit van het kwaad, zoals beschreven door Hannah Arendt en in Het kwade denken hernomen door Stangneth, zo belangrijk om te onderkennen, ook als Eichmann daar niet echt iets mee te maken heeft. Een derde categorie dus:

‘“Radicaal kwaad” is de benaming voor het inzicht dat de mens niet alleen kennis nastreeft om met behulp daarvan zich een weg te vinden in de wereld, maar ook een tactische houding tegenover die kennis in kan nemen, waarbij hij die alleen wanneer hij dat wil bij zijn handelingen betrekt.’

Denken is altijd moreel geladen

Toch ligt juist in het denken – helder denken dat uit jezelf voortkomt, zelfdenken – de remedie, want uiteindelijk vindt het kwaad ‘zijn oorsprong in het niet-denken, dus in een toestand waarin dit individu ervan overtuigd is dat er geen alternatief is voor zijn handelen’. Denken moet collectief bevorderd, uitgeoefend en getoetst worden, maar is vooral een individuele verantwoordelijkheid. Het moreel goede, ‘de moraliteitseis’, ligt immers voor iedereen onder handbereik, onze rede wijst instinctief aan wat het juiste is. ‘De smoesjes zijn op,’ stelt Stangneth, er zijn geen geldige redenen om je niet met het kwaad bezig te willen houden. Hetzelfde kun je zeggen tegen wie zich excuseert door onwetendheid, een slechte jeugd, misschien zelfs zijn brein: geen smoesjes meer, je zult het zelf moeten doen.

Vooral journalisten, filosofen en wetenschappers krijgen ervan langs in Het kwade denken: zij die alles wat ernstig is weglachen onder het mom van ironie, zij die verlekkerd breinspelletjes doen met analytische constructies, en zij die doen alsof objectieve theoretische kennis zonder enige morele grondslag mogelijk is. Stangneth slaat met de moker in op zulke nietsnutten die niet inzien dat denken altijd moreel geladen is, dat slimmigheidjes meestal verborgen bedoelingen hebben (anderen imponeren, bijvoorbeeld).

Waarom niet helderder?

Tegelijk blijft Stangneth vaag en algemeen. Zouden er niet wat namen en rugnummers genoemd kunnen worden? Waar gaat het nu precies over? Zit er achter de mokerslagen niet ook een verborgen bedoeling? Vanwege die vaagheid gaat de controverse over dit boek vooral over de kwaliteit. ‘Misschien wel het belangrijkste boek van het jaar,’ vermeldt de omslag. Bas Heijne schreef een lovend artikel in NRC Handelsblad, maar Hans Achterhuis, Marjan Slob en Carel Peeters hadden in hun besprekingen zo hun bedenkingen, vooral bij de uitwerking van het concept ‘academisch kwaad’.

Dat komt door die bij tijd en wijle moeilijk te doorgronden manier van schrijven van Stangneth. Nu mag dat vaker zo zijn (of lijken) bij filosofische teksten, maar wat inderdaad opvalt is de discrepantie tussen de boodschap die Stangneth met zoveel urgentie en felheid verkondigt, en de vorm waarin die is verpakt. Het gaat haar juist erom te laten zien dat het denken in suboptimale vorm veel kwaad kan aanrichten. Waarom dan niet meer klaarheid van gedachten nagestreefd in dit boek zelf?

Waarom ook hier de ironie er soms duimendik bovenop gelegd, zodat de boodschap niet meer serieus kan worden genomen? Een hersenkraker van jewelste, waar misschien maar één antwoord op te geven is. ‘Waarom houden we ons niet aan onze eigen morele eis,’ zo vraagt Stangneth in haar inleiding. Kant wist het al: ‘Omdat de mens daar nu eenmaal toe in staat is.’

Baas in eigen tuin: recensie Kris Pint – De wilde tuin van de verbeelding

In De Groene Amsterdammer mijn recensie van Kris Pint – De wilde tuin van de verbeelding: ‘Het is de paradox van deze tijd: we zijn vrij om ons leven in te richten zoals we willen, maar alleen als het past binnen het ‘kader van het marktdenken’ zoals de Vlaamse cultuurfilosoof Kris Pint dat noemt. En al weten we nog zo goed dat elke foto vijf keer over moest voor hij Instagram-waardig werd bevonden, het blijft moeilijk om niet zo’n glossy leventje voor jezelf te wensen – dat is immers hoe succes eruitziet. Een ieder wordt zijn eigen marketeer.’

Lees hier verder: Baas in eigen tuin

Wat is een volk? Badiou, Bourdieu, Butler, Didi-Huberman en Rancière #recensie

Het volk is terug van weggeweest, kun je wel stellen. De ene politicus na de andere zegt ‘het volk’ te representeren, en het wordt min of meer aan de intuïtie overgelaten om te begrijpen wat dat volk dan is. Dat het niet zo simpel is, blijkt wel uit de aanhoudende debatten over wie tot een volk behoren, waardoor het zich kenmerkt en of er wel echt naar geluisterd dient te worden. In Wat is een volk? (Qu’est-ce qu’un peuple?, vertaald door Joost Beerten) zijn vijf reflecties bijeengebracht over dat zogenaamd eenduidige maar eigenlijk veelvormige wezen waar we allemaal op de een of andere manier toe behoren.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Nadenken over wat een volk is met Badiou en Butler

Fascinerend actueel

De term ‘volk’ staat in een lange geschiedenis van politiek denken, en de waardering ervan beslaat een breed spectrum. Met bijdragen van achtereenvolgens Alain Badiou, Pierre Bourdieu, Judith Butler, Georges Didi-Huberman en Jacques Rancière is de denkrichting van deze uitgave wel enigszins te voorspellen. Een volk, zo valt te concluderen, is een verzameling mensen die zich organiseert en hopelijk ook emancipeert; tot het volk behoren zij die normaal gesproken niet doordringen tot de echelons van de macht en daarom achtergesteld zijn en blijven. Optreden als een volk kan dat soort machtsverhoudingen aan het schuiven brengen. Zoals de (niet aan iemand toegeschreven) opening stelt: ‘In al hun verscheidenheid hebben de hier bijeengebrachte teksten gemeen, dat ze laten zien op welke wijze het begrip volk stevig aan de kant van de emancipatie verankerd blijft.’

De ‘verscheidenheid’ in teksten weerspiegelt precies ook de veelvormigheid van het onderwerp. Badiou betoogt in de eerste tekst scherp dat het volk een politieke fictie is die gebruikt (eigenlijk: misbruikt) wordt om macht te vergaren: ‘Het zijn uitdrukkingen waarin “Frans volk” in feite niets meer betekent dan: “futloos geheel van al degenen aan wie de staat het recht heeft toegekend om zich Frans te noemen.”’ Het zou zichzelf weer nieuw leven in moeten blazen om die staat anders te kunnen inrichten. Het levert bij de actualiteit van de Franse verkiezingen een fascinerende lezing op (de oorspronkelijke Franse uitgave verscheen in 2013, maar dat is niet aan de teksten af te lezen).

Het woord ‘volk’ tastbaar

Ook het stuk van Judith Butler zet aan het denken over de actualiteit. Butler richt zich op de taalhandeling ‘Wij het volk’, die mensen letterlijk bij elkaar brengt, en benadrukt het lichamelijke aspect van zo’n vergadering: het werkt pas als al die mensen ook de straat op gaan. Didi-Huberman onderzoekt vervolgens in een invoelend essay de moeilijkheden van representatie van de veelvormige aard van een volk. Juist het vangen van allerlei verschillende mensen onder één zo’n noemer is wat opnieuw doordacht moet worden, stelt hij, onder verwijzing naar onder andere de foto’s van Walker Evans en de wijze van geschiedschrijving van Walter Benjamin. Zij weten het volk ‘tastbaar’ te maken zoals hij het noemt, en dat is wat hem betreft de taak van de historicus. Rancière ten slotte, gaat in op het populisme en de vooroordelen daarover, die hij binnen een bestek van zes bladzijden uiteenzet.

Toch is er vooruitgang

Blijft over Pierre Bourdieu, wat mij betreft de vreemde eend in de bijt. Sterker nog, waarom het stuk ‘“Volks”, zei u?’ deel uitmaakt van deze verder boeiende bundeling, is me een raadsel. Het stamt uit 1983 en vertoont serieuze ouderdomskwalen. Zonder context of rationale begint de lezer aan dit als tweede opgenomen essay, waarin het draait om taal en de barrière die slechte taalbeheersing kan vormen bij het zich opwerken uit een lagere (volkse) klasse naar een hogere. Voor een artikel over de sterke invloed van taal is de hoeveelheid clichés over arbeiders en migranten niet zonder hoofdschudden te lezen. Het werkt zo onbedoeld als een illustratie van hoe praten over ‘het volk’ ondanks het toegenomen populisme en racisme van de eenentwintigste-eeuw toch veranderd is – ten goede. Wie heeft het nog over ‘met name de beroepsmooipraters en radde tongen die straatventers en marktkramers zijn, maar ook slagers en, al is het in een andere stijl die met andere interactiestructuren overeenstemt, kappers’?

In deze Nederlandse vertaling ontbreekt de bijdrage van Sadri Khiari, een Tunesische activist, die wel in de Franse (en Engelse) uitgave is opgenomen. Een zoektocht online leert dat Khiari  schrijft over het perspectief van ‘het derde volk’ (zoals hij de bevolking van niet-Franse, niet-witte en niet-christelijke oorsprong noemt in zijn stuk). Khiari’s essay is sterk gericht op de Franse context, maar toch denk ik dat het een welkome aanvulling was geweest. Juist in een bundel over populistische tendensen en het uitsluiten van ‘de ander’, is de stem van de (niet-westerse, niet-witte en niet-christelijke) ander gewenst. Het mag paradoxaal heten dat juist deze bijdrage als ‘te Frans’ kan worden bestempeld.

Thoughts on a post-digital ethics

Mini-lecture written for the G10 for Economics and Philosophy, which in the end I did not attend. The reason why can be found here.

William Turner – Sunrise with Sea Monsters (1845)

Tonight’s theme is ‘Respect’. I will not give an exegesis of the term, but instead want to reflect a little on a broader topic, which in my view comes prior to the notion of respect. That is: how do we relate to ourselves and to the Other, in times that can be characterised as ‘post-digital’? I write about this question in my forthcoming essay collection, ‘Swimming in the ocean, Texts from a post-digital world’, which is due in June from De Bezige Bij publishing house. Since finishing the manuscript, around last November, I have been thinking a lot about what a post-digital ethics could mean in our times, and I want to share some of these thoughts with you tonight. We might then be better equipped to consider how ‘respect’ might fit in this framework. “Thoughts on a post-digital ethics” verder lezen

Recensie: Kwame Anthony Appiah, De erecode

‘Hoe morele revoluties plaatsvinden’ – dat klinkt als de belofte van een inzicht waar de wereld naar op zoek is. Het antwoord dat Kwame Anthony Appiah geeft in De erecode is dat zulke revoluties plaatsvinden door een verschuiving in wat eervol wordt geacht in een zekere situatie. Eer is de hoofdrolspeler in zijn analyse van een aantal historische voorbeelden – het verbod op duelleren in Engeland, het einde van de voetinbinding in China en de afschaffing van de Trans-Atlantische slavernij. Als we de rol van eer doorzien, stelt de filosoof, is het mechanisme misschien ook wel in te zetten als een soort aanjager van vooruitgang, bijvoorbeeld om de praktijk van eerwraak in India te doen stoppen.

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Niemand denkt er nu nog aan om de voeten van z’n dochter in te binden

Vooruitgang

Is er dan toch vooruitgang in de wereld? Een geruststellende boodschap, zeker in tijden als deze waarin geen enkele zekerheid, laat staan een morele, houdbaar lijkt. En Appiah is een uitstekende brenger van die boodschap, met zijn indrukwekkende intellectuele staat van dienst, maar ook vanwege zijn interculturele, Brits-Ghanese achtergrond die hem zowel nabijheid als distantie geeft tot de culturen en tradities waar hij over schrijft.

De erecode past in de lijn van Steven Pinkers Ons betere ik over de menselijke beschaving, die toe blijkt te nemen als je er maar van voldoende afstand naar kijkt. Dat is vooral gemeten naar de afname van geweld; kijken naar morele revoluties vraagt denkelijk een andere benadering. Want wat is een morele revolutie? Ook daarbij gaat het vaak om gewelddadige praktijken die een halt worden toegeroepen, maar die zijn minder eenduidig en moeilijker te meten dan bijvoorbeeld oorlog of moordcijfers.

Terugkijken

Hoe dat kernbegrip te definiëren of interpreteren is de grote vraag die Appiah op de achtergrond opwerpt, zonder er een bevredigend antwoord op te geven. Kenmerkend aan een morele revolutie lijkt vooral te zijn dat we haar pas achteraf herkennen. Een bepaalde gewoonte wordt eerst volkomen normaal gevonden, waarna binnen korte tijd de perceptie ervan 180 graden draait. Na de omwenteling is juist het afkeuren van de gewoonte vanzelfsprekend.

‘Als mensen daarna terugkijken, en dat geldt zelfs al voor de volgende generatie, vragen ze zich af: “Wat dachten we wel niet? Hoe konden we dat al die jaren toch zo doen?”‘

Je kunt je inderdaad goed voorstellen dat we dat in de toekomst zeggen over bepaalde gewoontes die nu bezig zijn te veranderen, zoals de traditie van Zwarte Piet of roken.

Maar kan zo’n verandering van moraal niet voor verschillende individuen, bevolkingsgroepen of culturen iets totaal verschillends betekenen? Voor Appiah is het duidelijk wat vooruitgang inhoudt. Zelfbeschikking, menselijke waardigheid en lichamelijke integriteit zijn cruciale onderdelen ervan, maar vooral: het uitbannen van nodeloos lijden. Slavernij, eerwraak, en ook de Chinese praktijk van voetinbinding waren om die redenen diepgaand immoreel.

Voetinbinding

Nog aan het eind van de negentiende eeuw was voetinbinding een wijdverspreide, duizend jaar oude traditie, die vervolgens binnen een decennium van de aardbodem verdween.

‘In hun strijd tegen het voetinbinden wezen ze erop dat het een gebruik was dat het [sic] in de tijd van Confucius onbekend was, sterker nog, dat gedurende duizend jaar na zijn dood onbekend bleef. Sommigen zeiden ook dat de argumenten en publicaties van de zendelingen en missionarissen, en ook van de Tianzu Hui, grote invloed hadden op hun denken – vooral omdat die lieten zien hoezeer het voetinbinden minachting inboezemde voor China en haar cultuur.’

Niemand zou er nu nog aan denken om de voeten van z’n dochter in te binden, net als voorheen niemand het in zijn hoofd haalde om het niet te doen. Wie garandeert echter dat zo’n gebruik niet weer terugkomt, in deze of een andere vorm? Vooruitgang is in die zin nooit klaar, en niet alleen omdat er altijd nog wel een strijd te strijden is, maar vooral ook omdat zogenaamde morele overwinningen niet als vanzelf tot in het einde der tijden zullen blijven bestaan, maar actief beschermd moeten worden.

Abortus

Als tegenvoorbeeld is het morele gevecht over abortus te noemen, zoals dat weer in alle hevigheid oplaait in de Verenigde Staten nu de Republikeinen met de scepter zwaaien. Dat gevecht wordt op allerlei oneigenlijke manieren ingezet, om zo bepaalde zwakkere groepen extra hard te treffen. Het heeft te maken met verschillen tussen rijk en arm, machthebbers en machtelozen. De discussie is ook terug te brengen tot het morele kader zoals Appiah dat vormgeeft: zelfbeschikking, lichamelijke integriteit, waardigheid. Het heeft te maken met eer, en met nodeloos lijden. Maar van welke kant? Ja, het kan voor mij wel duidelijk zijn dat in de eerste plaats de vrouw autonomie verdient, maar voor anderen is het nodeloos lijden, de integriteit, enzovoorts, juist van toepassing op de foetus en zou de morele revolutie dan ook inhouden dat die de bescherming krijgt die er nu niet is.

Een boek zoals dit, dat een grote verklarende theorie poneert, ontkomt natuurlijk niet aan de tegenvoorbeelden van recensenten. Misschien gaat het er ook niet in de eerste plaats om wie bepaalt wat moreel verantwoord is en wat niet. Appiah stelt namelijk dat de strijd hoe dan ook niet wordt beslecht met morele argumenten. Die argumenten bestaan namelijk al lang voor de revolutie zich daadwerkelijk voltrekt, zonder enig effect te sorteren. Het is de eer die uiteindelijk verandering bewerkstelligt. Bij nader inzien is dat een ontnuchterende, beangstigende conclusie voor de wereld van nu.