De ruïne in de stad

De sloop van Muziekcentrum Vredenburg is nu echt begonnen. Elke keer als ik naar de stad ga is een ander fietspad afgesloten en dat blijft de komende vijf jaar nog wel zo. Vandaag fietste ik aan de overkant langs de lange wand die de sloopwerkzaamheden aan het oog moet onttrekken. Toch zie je het half afgebroken gebouw erboven uitsteken. Op de voorgrond staat iets wat lijkt op een oude stadsmuur.

Jammer genoeg is er geen plek waar je de aftakeling goed kunt bekijken. Ik vind dat namelijk prachtig. Jaren geleden was het de beurt aan het stadhuis van Utrecht. Op de Ganzenmarkt kon je van dichtbij elke fase meemaken. Daar stonden dan ook vaak een stuk of vijf oude mannetjes met de handen in de zakken, of gewoon gemakkelijk zittend op het plankje van hun rollator de hele dag te kijken. Soms stond ik daartussen. Maar vooral na het uitgaan, als de ochtend begon te schemeren en er niemand op straat was en het werk stillag, ging ik daar graag even de ruïne in me opnemen.

Niet iedereen vind dat mooi. Maar ik sta zeker niet alleen. Eeuwen geleden zetten mensen nieuw gemaakte ruïnes in hun tuin en nog steeds zijn overwoekerde, afbrokkelende gebouwen toeristische trekpleisters. Moderne sloop hoort in dat rijtje thuis.

Wat is de aantrekkingskracht van de bouwput? Of liever, de sloopput? Er zijn meerdere dingen in het spel. Ten eerste is er de reden waarom gepensioneerde mannetjes urenlang ernaar kunnen kijken: dat is een soort technische bewondering. Opeens zie je hoe zo’n gebouw in elkaar zit, hoe dik de muren zijn, dat gevlochten staalkabels het beton bij elkaar houden, waar de leidingen lopen en hoe fundamenten eigenlijk werken. Er is ook zoveel om naar te kijken, het is onaf en je ogen dwalen heen en weer. En dan verandert het ook nog met elke werkdag. Een af gebouw is gesloten, geeft zijn geheimen niet prijs. Daar ben je snel klaar mee. Een gebouw dat gesloopt wordt, is letterlijk opengebroken en laat zijn binnenste zien, nog binnender dan binnenskamers. Daar ben je nooit klaar mee.

Dat brengt de sloopliefhebber weer een stapje verder. Zo’n gebouw waar de voorkant vanaf getrokken is, geeft je de kans om te gluren. Daar houden we immers allemaal van. Kleedkamers van sterren zijn toegankelijk, de kamer van de burgemeester heeft geen deur meer. Soms hangt er hier en daar nog iets aan de muur, of er staat een plantje te verpieteren. Je kijkt niet alleen maar naar een gebouw, maar in een geleefde ruimte.

Inmiddels heeft het gebouw al bijna een persoonlijkheid gekregen. Dan is het einde zoek, het gevoel gaat meedoen. Opeens zie je een gebouw dat niet afgetakeld wordt, maar dat aftakelt. Het heeft de strijd opgegeven. Het gaat eraan. Je kijkt, met je handen diep in je zakken, tussen de oude knarren, de vergankelijkheid in het gezicht. Grote gebouwen als het stadhuis en het Muziekcentrum verliezen hun onaantastbaarheid. Het zijn gebouwen die jou hadden kunnen overleven. Het is ze niet vergund.

Net als bij de romantische namaakruïnes uit de achttiende eeuw komt het genoegen van de sloop neer op een heerlijk melancholisch gevoel. Een veilig memento mori, waar je op een afstandje naar kan kijken. Het begint echter met de bewondering voor vorm en techniek, dat hebben die opa’s goed gezien.

Het stadhuis is uiteindelijk een prachtig gebouw geworden waar ik nog steeds met veel genoegen naar kijk, niet melancholisch maar opgetogen. Laten we hopen dat dat ook voor het nieuwe Muziekpaleis gaat gelden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *