De ziekte van de bewondering

‘Ik vind dat je de neiging hebt om defensief te doen als ik kritiek heb.’ Of: ‘Je zou wat beter op je presentatie moeten letten, want je komt nogal bazig over.’ We leren allemaal heel netjes tegen elkaar te zeggen wat we van elkaar denken. Of liever: wat we niet zo leuk aan elkaar vinden. Hou het rustig, benadruk dat het jouw mening is, bied opbouwende kritiek, bladiebla. Maar waarom leren we nooit bewondering uitspreken? Hoe formuleer je wat je wel leuk vindt aan iemand, zonder over te komen als een bakvis met een kwijlprobleem? Dat is namelijk veel moeilijker dan in bedekte termen je kritiek op iemand uiten.

Nederlanders kunnen niet bewonderen. Hoppa! Die zit. Persoonlijk acht ik het uitspreken van je bewondering een van de mooiste dingen om te doen. Je maakt de ander misschien verlegen, maar dan wel verlegen van geluk. (Dat is beter dan verlegen omdat je op kritiek altijd wellevend moet reageren.) Ik loop heus niet sinds mensenheugenis complimentjes uit te delen, het is door toeval dat ik de schoonheid van bewondering heb ontdekt. En tegelijkertijd met mijn neus werd gedrukt op de onmacht van veel mensen om te bewonderen, ten overstaan van de bewonderde.

Ik was met een groepje studiegenoten in café De Bastaard. We liepen op weg naar de uitgang langs de wand die is volgehangen met posters van theatergroepen en aankondigingen van poëzieavonden. Ik zag een poster hangen van een toneelstuk door een gezelschap waar ik een jaar eerder ook een uitvoering van had gezien. Een heel goede vertolking van Macbeth, meen ik. Ik wees naar de poster en riep enthousiast: daar moeten we heen, zij zijn zó goed! Maar niemand reageerde, ik hoorde alleen ssshh, sssshhh en kreeg een duwtje in mijn rug, hoppa naar de uitgang. Wat was er aan de hand? De artistiek leider van het gezelschap bleek aan de bar te zitten. ‘Maar ik zei toch niets verkeerd, ik was juist enorm enthousiast?’ vroeg ik, eenmaal buiten. Toch vonden al mijn vrienden het hoogst ongepast en ze voelden zich door mij te kijk gezet.

Dat zette me aan het denken. Ik vond het juist geweldig dat ik mijn bewondering kenbaar had gemaakt aan degene die haar had opgewekt, al was dat dan niet bewust gegaan. Dat moest ik vaker proberen! Na afloop van concerten, als de bandleden in de zaal een biertje dronken, zei ik gewoon ‘Bedankt voor een mooie show, ik heb ervan genoten,’ en ging weer weg. Vreselijk, vonden degenen met wie ik was, was ik een groupie ofzo? Ik ben wel een bakvis, maar geen groupie. Stel je voor, zei ik, dat je als band een leuk optreden achter de rug hebt en je een biertje gaat drinken in de zaal. En niemand zegt tegen je: great show! thanks! Nie-mand. Omdat iedereen dat stom, groupieachtig gedrag vindt. Heb je dan een leuke avond? Of is het goede optreden verpest? Ik denk het laatste.

Later kwam ik erachter dat het niet alleen voor bewondering en leuke dingen geldt. Als je iets echt vreselijks doormaakt, denkt de meerderheid van de mensen: laat ik er maar niets van zeggen, want dat is gênant. Maar stel je eens voor: je maakt iets vreselijks mee en niemand zegt een aardig woordje tegen je, omdat dat stom zou zijn. Voel je je dan beter? Nee, dan voel je je alsof het geen hond interesseert wat je doormaakt. Bewondering en een aardig woordje: beide hebben te maken met erkenning van de ander, aandacht voor iets persoonlijks – of je dat nu hebt gemaakt of dat het je overkomen is.

Aandacht van een onbekende telt dubbel, omdat die geen dubbele bodem heeft. Veel mensen vonden het wel ‘bewonderenswaardig’ dat ik een stukje had geschreven over Arjen Grolleman na zijn overlijden. Waarom? ‘Omdat je dat toch niet doet.’ ’Je’: normale Hollander die zijn neus niet in andermans zaken steekt. Het vereist blijkbaar lef. En dat is ook wel zo, want zowel door je bewondering te uiten als door aandacht te schenken aan iets vreselijks dat iemand is overkomen – en in dit geval ging dat allebei op – stel je ook jezelf open. Je laat je waardering zien door iets persoonlijks over jezelf te vertellen. En door jezelf kwetsbaar op te stellen, zeg je dat de ander dat ook mag doen.

De laatste keer dat ik mijn bewondering uitsprak, was vorige week. En directer dan ooit. Ik had Hans Goedkoop aan de telefoon voor een mogelijke lezing. Hans Goedkoop! Ik bewonder zijn werk Een verhaal dat het leven moet veranderen zeer (zie Een sensatie die het leven verandert). Dat kon ik toch niet níet zeggen? Dus ik zei het. Het is inderdaad niet makkelijk, het is gênant, je stelt je kwetsbaar op en je wordt er allebei verlegen van.

Maar ook gelukkig.

* De titel is een verwijzing naar De ziekte van de bewondering van (Nederlander) Kees ’t Hart, die wel de kunst van het bewonderen verstaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *