Verwassen, nooit bezeten identiteiten

red het chili peppers

Je kleren zijn een kostuum waarmee je je voorkomen kunt benadrukken. Hoewel, als het een kostuum is, doe je iets niet goed. Het zijn hulpmiddelen, zoals de lamp die je richt op een bepaalde kant van je gezicht, om je sexy of juist intelligente oogopslag goed uit te lichten. Waarom is het zo erg dat mensen hun identiteit benadrukken met hun kleding? Zolang je die er niet helemaal aan ophangt, als een kostuum aan een haakje, kun je er maar beter aandacht aan besteden. Mensen zien het namelijk ook zo, of dat nu bewust of onbewust gebeurt. Dus dan kun je er maar beter op inspelen, zodat ze de goede informatie over jou binnenkrijgen. Noem het manipulatie, noem het zelfmarketing of noem het gewoon een goede reden om te winkelen.

Dit weekend was ik op een feestje in Culemborg, met veel mensen die ik al heel lang ken, maar niet zo vaak meer zie. Sommigen zaten bij me op de middelbare school, anderen hingen net als ik elke vrijdagavond aan dezelfde bar in dezelfde jeugdsoos. Ik vertelde over mijn boekenrubriek in high end fashion magazine l’Officiel. Niet het eerste waar je mij mee zou associëren, zeker niet als je me nog kent uit de tijd dat ik zestien was en een identiteit nodig had, liefst een alternatieve. Handig: dan kon je alto worden.

‘Inderdaad,’ zei iemand, ‘als ik me jou herinner in die tijd, zie ik zo’n zwart t-shirt van een band voor me.’ Daar was ik wel even heel makkelijk neergezet, teruggebracht tot een enkel kledingstuk. Oké, dat mag dan misschien wel een essentie van mijn identiteit hebben uitgedrukt, maar het is nou ook weer niet de bedoeling dat men je reduceert tot een verwassen t-shirt van een band die vast langzaam in marginaliteit en vergetelheid is weggegleden. Ik heb ook een keer gehoord (van iemand naast wie ik nog een tijdje zat bij Engels en die ook op dit feest was) dat ik ‘dat ene verlegen maar superintelligente meisje was’ (yes!) en van weer een derde dat hij mij zag als ‘die populaire’ – maar hij zat dan ook een klas lager en wilde vast heel graag bij de bovenbouwers horen. Ik heb mezelf nooit beschouwd als een ‘populaire’.

Hoe dan ook, ik liep inderdaad in van die zwarte t-shirts rond. Ik besloot door te vragen. ‘Ja, zo was ik,’ begon ik. ‘Weet je nog van welke band?’ Ze groef heel diep in haar geheugen, ze groef de groeven op haar voorhoofd. ‘Iets met een P.’ Nee, fout! Ik had Gotcha!, The Doors, Red Hot Chili Peppers en nog een hele vieze van Faith No More, met een dooraderde oogbal die uit een soort groen smurfensnot tevoorschijn sprong. Maar die droeg ik niet, zo was ik toch ook weer niet. De man achter de kassa van de winkel waar ik het oogbalshirt kocht (Many Colours, nu zit daar de Oil & Vinegar, het kan raar lopen) leek erg op Mike Patton vond ik, de zanger van Faith No More, misschien had ik het daarom gekocht. Maar hij miste een van zijn ondervoortanden (stoer!). Zo kun je ook herinnerd worden, die ene die leek op die zanger, maar dan zonder voortand.

‘De P van Peppers?’ probeerde ik. Van hun had ik ook de beroemde poster boven m’n bed hangen, waar alle bandleden alleen een sok droegen. In levensgroot formaat. ‘Primus!’ riep ze. Maar ik had geen t-shirt van Primus, hoewel ik ze heel goed vond. Nu werd ik herinnerd om een zwart verwassen t-shirt dat ik nooit bezeten had.

Op een reünie van school ben ik ook een keer aangesproken met de woorden: ‘Weet jij waar Rik is?’ Bleek dat ik voor sommige mensen dat meisje was waar Rik altijd achteraan liep. Toen vond ik dat stom: ik was zelf ook iemand! Nu denk ik: ik had toen gewoon een groupie, wat cool! Ondanks het zwarte, verwassen t-shirt van een band die langzaam in de marginaliteit en vergetelheid is weggegleden en dat ik nooit bezeten heb. Vaag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *