Free’s van Bill Callahan en de verjaardag van Søren Kierkegaard

Bill-CallahanKierkegaardb
Wat heeft muzikant Bill Callahan te maken met filosoof Søren Kierkegaard? Je leest het in mijn Nummer van de Dag.

I’m standing in a field
A field of questions
As far as the eye can see
Is this what it means to be free?
Or is this what it means to belong to the free?

Gefeliciteerd met de vader van het existentialisme! En met de nooit terug te geven last van de vrijheid.

En lees ook mijn vorige nummer van de dag over The White Stripes. Meer over Kierkegaard vind je onder Kierkegaard.

‘Bezit’ ‘ik’ ‘mijn’ ‘leven’? Ofwel: ik vs. leven

sontag

1.
Van die ingewikkelde kwesties die je nachten wakker houden of jaar na jaar tussen de blaadjes van je notitieboekje opduiken: hoe verhoudt ‘mijn ik’ zich tot ‘mijn leven’? Eenvoudig toch: ik leef mijn leven. Toch ben ik niet de enige die voelt hoe het ik kan botsen met het leven. In 1970 noteert Susan Sontag in haar dagboek: ‘I would be more loyal to myself, less loyal to my “life”. I would stop treating my life as if its dimensions were already determined (or determinable) a vessel whose responsibility it’s mine to fill with high-class goodies.’ (Susan Sontag, As consciousness is harnessed into flesh)

2.
Ik zocht terug in mijn eigen notitieboekje. Ja, daar was het, ergens in 2005 neergepend. Er is het ik, en het leven. Allebei van jou, maar soms kunnen ze als van twee verschillende personen lijken. Het leven speelt zich af ergens achter je rug, het ik ontsnapt aan je grip als een heliumballon. Terwijl je ze toch bezit, ze zijn je eigendom. Het gaat goed als je kunt zeggen: ‘Ik heb mijn leven in de hand.’ Maar waarschijnlijk valt het niet eens op als het zo is, op zulke momenten vallen leven en ik gewoon samen. In de literatuur – en in dagboeken – lezen we gewoonlijk vooral over de momenten dat het niet goed gaat, en de twee – ik en leven – mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Kierkegaard

3.
‘En dat is het trieste, wanneer men het leven van de mensen beziet, dat zovelen hun leven leiden in stille verlorenheid; ze leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich allengs ontvouwt en nu in die ontvouwing hun eigendom is, maar ze leven zich als het ware uit zichzelf weg, ze verdwijnen als schimmen, wier onsterfelijke ziel verwaait, en geen vragen naar haar onsterfelijkheid jagen hun angst aan, want voor ze sterven zijn ze al vervloeid in het niets.’ (Søren Kierkegaard, Of/Of)

4.
Laat ik het nog problematischer maken. Alleen maar vertwijfelen over ‘ik’ en ‘mijn leven’ is nogal solipsistisch. Er is ook nog de buitenwereld. Wat als die je ook ontglipt? Als je ik en je leven ook nog afgesneden worden van de anderen? Pessoa in het Boek der rusteloosheid: ‘80. SMARTELIJK INTERVAL (…) Mijn leven is alsof men mij ermee sloeg.’ Mijn leven – mij – men. Wie is ‘men’? Is het ik werkelijk als een stoffig tapijt dat ervan langs krijgt met de mattenklopper van het leven? Of als de monnik die met een karwats aan zelfkastijding doet?

PessoaFernando

5.
In 2005 schreef ik ook: je bent pas echt vrij als het leven je een lot toebedeelt. Omdat je zonder materiaal om mee te werken, gevangen blijft in leegte. Je hebt iets nodig om mee te experimenteren in vrijheid. Een lot is dan de grootste gift die je kunt krijgen. Of nou ja, gift, dat klinkt alsof er een Grote Gever is. Beter: een lot is het beste wat je kan overkomen. Gelukkig zette ik er ook bij: ‘misplaatst optimisme’.

6.
Dat er een ik is dat zijn leven in bezit heeft, is een bruikbare illusie die het mogelijk maakt over jezelf en je leven na te denken. Maar filosofie en wetenschap geloven al lang niet meer in het mannetje/vrouwtje in de stuurhut van de ‘vessel’ zoals Sontag het noemt. Filosoof Julian Baggini beschrijft ons standaard ik-beeld als een kern, een pit die van alles vasthoudt, als vrolijke handtasjes – één voor elke eigenschap – plus een backpack vol herinneringen. Het zelf in bezit van zijn leven. Klopt niet. Baggini streept de pit door en wat overblijft zijn de handtasjes, aan elkaar verknoopt in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt. (Julian Baggini over het ‘ware zelf’ als netwerk)

7.
En het leven? Van wie is het, als niemand het bezit? Wat blijft er over als we de pit wegstrepen? Nou, gebeurtenissen, toeval, het lot. Gebeurtenissen die zich even decentraal afspelen als de eigenschappen van je ik. Verbonden, op zijn best, door een netwerk van notitieboekjes.

Mag ik het ook leuk vinden? Over het waarom van filosofie

logo_fm
Op Filosofie Magazine: ‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’

‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’ Zo’n dertig studenten zitten verwachtingsvol in het eerste college van de minor Praktische filosofie, een semester lange onderbreking van hun studie voeding, mode of elektrotechniek. Waarom ze voor filosofie hebben gekozen en niet voor bijvoorbeeld Ondernemerschap of Business in China? Tja, goede vraag. Voor de verdieping, om eens op een andere manier naar de wereld te kijken. En, voorzichtig, gewoon omdat het leuk lijkt.

Leuk is misschien wel het meest gehate woord onder taalliefhebbers, onderwijzers, ouders, iedereen boven de achttien. Toch ben ik blij met de aarzelende vraag van de student. Filosofie studeren omdat je het leuk vindt, is dat niet een beter begin dan ‘omdat het moet’ of ‘omdat ik dan interessant overkom’? Natuurlijk mag je het leuk vinden, zeg ik dan ook, ik hoop dat dat zo blijft (in gedachten zie ik het college over Kant al dichterbij komen).

Ik denk terug aan mijn eerste college Inleiding Ethiek als student, het vak dat ik nu zelf geef. Als ik eerlijk ben ging ik ook filosofie studeren omdat het me gewoon leuk leek. En ik had geen zin om te werken, zelfs niet na vijf jaar Literatuurwetenschap. Of, juist niet na vijf jaar Literatuurwetenschap – met z’n tienen verscholen in de eeuwenoude gebouwen van de universiteit, ploeterend op verhalen van Borges en poststructuralistische theorie. Probeer je dan maar eens thuis te voelen in de kantoortuin van een uitgeverij in Alphen aan den Rijn, gespecialiseerd in wetteksten en jurisprudentie. Niet dus. Ik wist niet hoe snel ik terug de collegebanken in moest vluchten. Ethiek dan maar, vooruit.

Inmiddels heb ik natuurlijk een mooi verhaal klaar voor wie het wil horen (of voor wie het moet horen, zoals de studenten). Bij Literatuurwetenschap mochten we niet praten over wat boeken met een mens doen, sterker: wat ze in een leven kunnen aanrichten. Dat was niet wetenschappelijk. Terwijl mijn leven overhoop werd gegooid door het lezen van Marcel Proust en ik onbedaarlijk huilde bij De asielzoekervan Arnon Grunberg. In de kroeg voerde ik verhitte discussies met mensen (mannen) die beweerden dat Grunberg ironisch was en niet om te huilen. Daar stond ik dan met lege handen ondanks vijf jaar literatuurstudie. In de filosofie kon je daar wel wat mee. Zo’n dame als Martha Nussbaum, die onderzocht precies de emotionele binding van een lezer met een boek. En dan had je de ‘literaire filosofen’ die zich net als hun kompanen, de ‘filosofische literatoren’, niks aantrokken van het literatuurwetenschappelijke minderwaardigheidscomplex. Daar paste Proust eindelijk, en een nieuwe liefde, Søren Kierkegaard.

Mooi verhaal nietwaar? Toch vond ik het in eerste instantie vooral leuk om me eens in de filosofie te verdiepen. Dat doet niets af aan het feit dat die filosofiestudie het verdere verloop van mijn leven heeft veranderd (ja, zo sterk durf ik dat wel te stellen). Doe je niet heel veel dingen omdat je ze leuk vindt? De meeste ervan vergeet ik weer, blijken eenmalig, of gewoon stom. Enkele ervan blijven hangen en verdienen een mooi verhaal, een verklaring en een verantwoording. Achteraf, als een bevestiging of een prijsuitreiking voor het beste idee. Als je hard genoeg eraan trekt, wordt het verhaal uiteindelijk bewaarheid. Dat kun je de hermeneutiek van het leven noemen, of kwaadaardiger, de loop van het zelfbedrog. Het mooie is dat je juist door filosofie te studeren ook inzicht krijgt in die verhalen, verklaringen en verantwoordingen. Dat is niet altijd leuk, nee, maar de studenten die zover durven te gaan, krijgen er iets beters voor in de plaats.

Heilige datum en Parijs, 1912

nijinsky

Vandaag honderd jaar geleden, 29 mei 1912, danste Vaslav Nijinsky het ballet l’Après-midi d’un Faune, naar een gedicht van Mallarmé op muziek van Claude Debussy, in Parijs (oh, heerlijk Parijs van vlak voor de Eerste Wereldoorlog! Ik zou in je willen wonen). Ik las er al maanden geleden over: Nijinsky, het goddelijke beest.

Mooi, een ‘balletrel’ – en een voorbeeld van hoe ‘bad publicity’ de beste PR is die je kunt hebben. De voorstelling werd een hype en zo’n groot succes dat 29 mei voor impresario Serge Diaghilev een ‘heilige datum’ was geworden en hij in 1913 weer een première met Nijinsky plande, deze keer van het nog beruchtere Le sacre du printemps. 29 mei een heilige datum! Dat vind ik leuk, omdat ik vandaag jarig ben.

Het dagboek van Nijinsky (hier met een -i op het eind) uit de periode 1918-1919 probeerde ik nog weer langer geleden te lezen omdat het zijn pad naar de waanzin zou beschrijven en tja, dat interesseert me nu eenmaal. Maar het was me meteen al te gek om maar te kunnen volgen en ik heb het niet uitgelezen. Na mijn tripje naar Parijs onlangs en dit honderdjarig jubileum ga ik er toch weer een blik in werpen, op de première van een nieuw levensjaar.

Mislukking als drijvende kracht

mensendokter

Het is een ontroerende vraag die ene Herman V. deze week in Vrij Nederland aan de mensendokter stelt: ‘Hoe kan ik vrede vinden in mijn eigen middelmatigheid?’
Mensendokter Grunberg geeft eigenlijk geen antwoord op deze hartenkreet, maar legt juist uit hoe je kunt ontsnappen aan de middelmatigheid. Om te beginnen: het mislukken omhelzen. ‘Alleen door steeds beter te mislukken kan men ontsnappen aan de middelmatigheid.’ Mislukking is een veel en veel betere optie dan middelmatigheid. Daar ben ik het roerend mee eens. Mislukking kan juist als drijvende kracht werken.

1. Paradox
Allereerst de paradox van de mislukking: als je streeft naar mislukking en je realiseert je doel, dan ben je gelukt in het mislukt zijn. Het streven naar mislukking draagt gelukt zijn in zich mee, hoe je het ook wendt of keert. (Zie ook Werk aan de winkel III)

2. Wetenschappelijke methode
Streven naar mislukking is de wetenschappelijke methode. Vooruitgang in de wetenschap ontstaat door de mislukking op te zoeken, door het ontkrachten en niet het bevestigen van een hypothese. (Popper light)

3. Online succes
Dat klinkt misschien heel negatief. Maar het is juist door te experimenteren dat je ontdekt wat wel werkt en wat niet. Een experiment moet je niet beginnen als je bang bent dat het zal mislukken. Wat is een van de zeven geheimen van succes van megablog The Huffington Post? Onophoudelijk experimenteren: fail fast, cheap and often.

4. Ruimte voor het persoonlijke
Dat doet denken aan Beckett: ‘Ever tried. Ever failed. No matter. Try Again. Fail again. Fail better.’ Dit citaat uit het verhaal ‘Worstward Ho’ (1983) blijkt na een Google-actie gevleugeld te zijn en wordt bijvoorbeeld genoemd als levensmotto door theatermaker Jos Thie (Trouw, 20 juni 2011): ‘Geloof nooit een kunstenaar die zegt dat hij geslaagd is. Kunst is permanent falen. Dat is niet leuk om te horen, maar volgens mij is juist dat falen de motor waar het allemaal om draait. Het niet bereiken van perfectie is wat kunst interessant maakt. Volgens mij is mislukking de basis van de moderne kunst. In de middeleeuwen had je schilders die allerlei taferelen perfect na konden schilderen. Totdat het een keer iemand niet lukte. Hij faalde en maakte daarmee ruimte voor het persoonlijke.’

5. De kunstenaar
‘Was ever a writer so besotted by failure as F. Scott Fitzgerald? As a young man he craved literary success and achieved it, instantly (…) He was twenty-four and had everything he wanted. (…) “I remember riding a taxi one afternoon between very tall buildings under a mauve and rose sky; I began to bawl because I had everything I wanted and knew I would never be so happy again.” That’s one way of looking at it; another would be that he was already looking forward to the real business of regret, loss, decline and ruin. Fitzgerald understood that he had to climb to a dizzy height if the fall was going to be spectacular enough to satisfy him. He needed to achieve success in order to be convinced of the colossal scale of his subsequent failure.’
Geoff Dyer in Working the room, over The Beautiful And Damned van F. Scott Fitzgerald

6. Karakter en zelfkennis
Zonder naar de bodem van je karakter af te dalen en daar te bikken in de keiharde rotsgrond, weet je niet wie je bent en waar je toe in staat bent. (Mislukking en het karakter als catastrofe) En dan nog. Zelfs als je alles bent verloren – niet méér zou kunnen mislukken – ben je nog geen mislukkeling. Je bent een tragische held. ‘We wouldn’t call Hamlet a loser, he is someone who has lost.’ (Alain de Botton over mislukking (en succes))

7. Authenticiteit
Maar wat nu als iemand je een mislukking noemt? ‘Wat een mislukkeling is hij toch’ of ‘Zij is nou écht mislúkt.’ Dat is toch vreselijk?’ Denk dan gewoon eraan dat mislukken het authentiekste is dat je als modern individu kunt doen, en dus het allerhoogste wat je kunt bereiken. Mislukken is de ultieme bevestiging van authenticiteit. Écht!

(Dat zal dan de reden zijn waarom je geen vrede moet zoeken in middelmatigheid.)

Introvert vs. extravert: Susan Cain

cain

Sinds een paar maanden werk ik in een kantoortuin. Dat is wel even wennen na drie jaar de luxe te hebben gehad van mijn eigen kamer. Natuurlijk, ‘de lijntjes zijn korter’ en het is best gezellig af en toe. Maar geconcentreerd werken is vrijwel onmogelijk geworden. Voor mij althans. Door de inzichtelijke en zeldzaam innemende TED-talk The power of introverts van Susan Cain, begrijp ik beter waarom.

Tegenwoordig zijn het klaslokaal en de werkvloer zo ingericht dat vooral extraverte mensen goed functioneren. Cain heeft het over het nieuwe ‘groupthink‘, de overtuiging dat leren en werken het beste gaat in groepsverband, door samenwerking, brainstorms et cetera. Terwijl introverte mensen nu juist gedijen bij stilte en eenzaamheid. De overtuiging is inmiddels omgeslagen in een vooroordeel: zij die graag de eenzaamheid opzoeken, om een boek te lezen of gewoon na te denken, worden al gauw beschouwd als incapabele mensen – simpelweg omdat sociale vaardigheden het allerbelangrijkst worden geacht. En nee, introverte mensen ontberen niet zozeer sociale vaardigheden, ze hoeven gewoon niet altijd in een sociale omgeving te verkeren. Liever niet zelfs.

Dat vind ik heel herkenbaar. Cain spreekt over de omgeving die volgepropt is met stimulansen. Goed voor de extraverte, minder voor de introverte. Mijn eigen omgeving is inderdaad op de een of andere manier altijd al zo stimulerend zonder enige inbreng van buitenaf, dat ik die er niet ook nog bij hoef te hebben. Stapels boeken die erom schreeuwen gelezen en overdacht te worden, muziek die ik nog moet ontdekken, filmpjes terug te kijken, en niet in de laatste plaats mijn leven dat vraagt om reflectie: laat mij maar zogenaamd stil in een hoekje zitten, ik hou mezelf wel bezig. Mensen leiden alleen maar af. En als ik sociaal wil zijn (wil ik vaak genoeg hoor), dan zoek ik het wel op.

De waarden die Cain tegenover ‘groupthink’ stelt zijn me uit het hart gegrepen: privacy, vrijheid en autonomie. Die scheppen de tijd en ruimte om te lezen, schrijven en denken (drie handelingen die steeds in elkaar grijpen en elkaar versterken, als je er tijd en ruimte voor schept) – en daaruit kan pas inzicht voortkomen.

De laatste tijd heb ik maar weinig tijd gevonden om te bloggen, zelfs te weinig tijd om te lezen (naar mijn zin, ik lees ongetwijfeld nog steeds veel in de optiek van de extraverteling). Daar moet verandering in komen. Cain roept op om de ‘wildernis’ in te gaan, met andere woorden, de eenzaamheid op te zoeken (solitude is in dit verband een zoveel beter woord). Dat klinkt als je terugtrekken, maar dat is het juist niet. Het is hard werken, het is outreach, midden in de wereld staan en zoveel mogelijk tot je nemen en weer naar buiten brengen. Alleen zit ‘het geraas en gebral’ in je eigen hoofd, ook al komt het van een ander. Ik luister naar wat Theo Ploeg schrijft in zijn opbeurende en aanstekelijke blog Doe wat je zegt. Bij deze!

Als je je ook een onbegrepen introverteling voelt of mensen zoals mij een beetje raar vindt, kijk dan vooral naar Cains TED-talk. Of lees haar artikel The Rise of the New Groupthink bij de New York Times. Susan Cains boek is getiteld Quiet: The Power of Introverts in a World That Can’t Stop Talking. De vertaling Still komt binnenkort uit bij de Arbeiderspers.


Geluk als productiviteit

leeuw_bek

Lees eerst De verhalen van ons leven – Het beest in de bek kijken

Timothy Wilson geeft – jazeker – de drie ingrediënten van geluk (dit is geluk in sociaal-psychologische zin, dus zoals dat uit statistisch onderzoek is gerold). Zin, doel en hoop. Dat zegt nog niet zoveel. Zin: een gelukkig mens heeft een stelsel van overtuigingen die een coherent antwoord bieden op grote vragen in het leven. Een geloofsovertuiging, het humanisme, of misschien wel ‘uiteindelijk is alles zinloos’. Doel: een gelukkig mens is doelgericht, werkt ergens naartoe. Hoop: een gelukkig mens richt zich op wat hij kan veranderen in plaats van op het noodlot. Een gelukkig mens is een ‘effectief en autonoom persoon’.

Ik noem dit alles bij elkaar de deugd van de productiviteit.

(Erg mooi klinkt het allemaal niet. Effectief, autonoom, productief. Hebben we het nog wel over geluk?)

Wil productiviteit een deugd zijn, dan moet ze wortelen in een overtuiging, doelgericht zijn en gericht op verandering. Wil een overtuiging zich uiten, op een doelgerichte manier die verandering teweegbrengt, dan heb je productiviteit.

Dat is allemaal nogal abstract. Rousseau beschrijft in zijn overigens hysterisch conservatieve ‘Brief over het theater’ hoe een productieve omgang met tijd leidt tot geluk. Uren gespendeerd in ‘ledigheid’ maken dat de tijd zelf niet veel waarde meer voor je heeft. Nog een uur gespendeerd met niets doen maakt niet uit, wanneer je al te veel tijd hebt verloren is tijd niet meer iets wat je kunt verliezen. Wie herkent dit niet? Hoe meer tijd je verlummelt, hoe moeilijker het is om weer iets te gaan doen. Alsof het kleinste klusje al onevenredig veel beslag legt op je tijd. Maar als je veel werk verzet in korte tijd, kan er altijd nog wel wat meer bij. Door de tijd te vullen groeit hij, door nietsdoen loopt hij leeg als een ballon. Zo voel je je dan ook: als een leeggelopen ballon, een herinnering aan een nooit gehouden feest.

Een andere vorm van productiviteit is samen te vatten in de (mijn) maxime: Actie is altijd beter dan geen actie. Dat heeft vooral betrekking op de omgang met andere mensen. Handelen is altijd beter dan niet handelen. Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. Daar ben ik van overtuigd, hoewel het heel veel jaren heeft geduurd voor ik hierachter ben gekomen. Actie is altijd beter dan geen actie omdat daarin de hoop tot uiting komt, zou je met Wilson in het achterhoofd kunnen zeggen. Een maxime die uitgaat van de mogelijkheid van verandering, optimistisch, maar zonder te oordelen. Ze zegt immers niet wat je moet doen, alleen dat je moet doen.

Om weer met Nietzsche aan te komen, die als een rode draad door deze zoektocht loopt: ‘aanstotelijk is al het waarlijk productieve’. Ik denk dat aanstotelijk begrepen moet worden als iets uitzonderlijks, dat niet vaak voorkomt, niet vaak voor kán komen. Iets wat veel inspanning kost, maar met weinig middelen. Iets wat in de breedte niet veel voorstelt, maar grondvesten doet schudden. De meeste mensen lijken het tegenwoordig te streven naar ‘zo weinig doen met zo veel middelen als mogelijk’. Mij gaat het om zo veel mogelijk doen met zo weinig mogelijk middelen (zie ook Revolutie in het hoofd II). Dat vraagt om doelgerichtheid.

Het gaat me heus niet alleen om het ontmaskeren van trucjes die de wereld mooier doen lijken dat ze is. Ik hou van verhalen en ook van het nadenken over het narratief in je leven. Optimisme betekent voor mij niet dat de wereld schoon en goed is, maar dat je de wereld kunt veranderen, hoe ellendig die soms ook mag zijn. Het beest in de bek kijken en niet terugdeinzen, maar een tandenstoker tevoorschijn halen. In de kantlijn van De verhalen van ons leven schreef ik: actie+realisme=geluk. Dat is wel hoe je deze stukjes kunt samenvatten. Mooie eindejaarsgedachte, niet?

De verhalen van ons leven – Het beest in de bek kijken

wilson

Hoe kan het dat ik, literatuurvreter en verhaalverslaafde, me zo verzet tegen die mooie menselijke mechanismen die je notabene via verhalen laten dealen met tegenslag en ellende? Dat ik handige motto’s als ‘whatever doesn’t kill me makes me stronger‘ en ‘van de nood een deugd maken‘ wegzet als trucjes en zelfbedrog? Is dat niet een beetje gek? En: zie ik het allemaal nog wel zitten? Nog één keer dan, om te laten zien dat het heus meevalt met het verhaal, en met mij.

Al eerder schreef ik dat ik optimistisch van aard ben en productiviteit als deugd beschouw. Daarin zit dan ook de positieve wending aan wat ik tot nu toe steeds – ik geef het toe – enigszins negatief heb beoordeeld. Timothy Wilson zette me op het spoor, door zijn boek De verhalen van ons leven, met de nogal omineuze ondertitel ‘Verander je zelfbeeld en verbeter je bestaan’. Die titel belooft meer dan het boek waarmaakt, want in feite presenteert Wilson enkele resultaten uit zijn sociaal-psychologische onderzoek naar groepsvorming, identiteit en processen van uitsluiting. Het meer theoretische gedeelte over de zogenaamde ‘verhaalbewerkingsmethode’ levert echter interessant materiaal om verder over te peinzen.

De methode van verhaalbewerking is op zich niet heel nieuw: bij psychische nood gaat het erom je perceptie van een gebeurtenis te veranderen, eerder dan de gebeurtenis zelf. Wilson beschrijft de specifieke methode die te maken heeft met het verhaal dat iemand zichzelf vertelt. Door schrijfoefeningen is dat verhaal heel letterlijk te ‘bewerken’ (hierbij denk ik meteen aan Susan Sontag en Siri Hustvedt, zie Over herinneringen). Via het beschrijven van een gebeurtenis in een narratief, kun je je gevoelens over die gebeurtenis loskoppelen van de gebeurtenis zelf. Je neemt er afstand van en die afstand geeft je een zekere macht. Hoe je de gebeurtenis interpreteert, welke gevoelens en oordelen daarbij horen, is geen vaststaand gegeven meer, maar iets wat je zelf ten dele bepaalt.

Maar leidt dat niet tot – bijvoorbeeld – van de nood een deugd maken? Nee, want de gebeurtenis zelf blijft juist onaangeroerd, die verandert niet. In Vrij Nederland staat een prachtig interview met filosoof René Gude, die een been verloor aan kanker en nog steeds niet is genezen. Hij lijkt in de (ronduit miserabele) praktijk te brengen wat ik hier beschrijf: ‘”Shit is shit,” onderkent Gude volgens de bevriende socioloog Herman Vuijsje, en toch blijft hij bij zijn intellectuele credo: geen negativisme a.u.b.’ Zijn methode is ‘tafelen’, dat wil zeggen, het benoemen van de feiten en mogelijkheden, zonder daarover te oordelen. Als je oordelen toelaat, komen ook de emoties en dan slaat de verwarring toe. Een heel rationele manier om met ellende om te gaan. En een keiharde. ‘Shit is shit’ immers. Gude zegt zelf: ‘Ik heb het compliment gekregen dat ik heel positief ben, maar als je keek naar wat wij aan het doen waren, dan waren wij het beest voortdurend in de bek aan het kijken.’

Dat is mooi uitgedrukt: het beest in de bek kijken. En het beest heeft een verrotte, stinkende, walmende muil, daar mag je van uitgaan. Waar zit het positieve dan in? In het niet oordelen. ‘Negatief’ is op zichzelf al een beoordeling. Misschien is het daarom ook eerder een houding van neutraliteit (ik kan natuurlijk niet over de situatie van Gude spreken, dus dit bedoel ik meer in het algemeen), van openheid. En dan kom ik weer uit bij dat waar ik eerder ook mee eindigde: vrijheid. Hoe beperkt ook, hoe verrot en stinkend die muil ook is die op het punt staat dicht te klappen en je op te vreten; door erin te kijken, je hoofd er helemaal in te steken, uit nieuwsgierigheid of beter weetgierigheid, ben je vrij. Ik geloof daar heilig in. Wie durft mij dan nog pessimist te noemen?

Dan is er nog de deugd van de productiviteit. Lees verder…

Gedachtekunst: Hoe mijn hoofd er van binnen uitziet

People understand me so little that they do not even understand when I complain of being misunderstood.
—Søren Kierkegaard, Dagboek, februari 1836
________________________________________________________________________________

Mijn eigen post-it war:
post-it
Met dank aan de Denkwijzer. Wie is jouw filosofische soulmate? De mijne is duidelijk: Sartre.
________________________________________________________________________________

Het tussentijdse rapport over de fraude van Diederik Stapel met wetenschappelijke onderzoeksdata leest als een thriller. Of als een nieuwe vorm van poëzie.

(zogenaamd)
Tot zover was alles in orde. Maar dan volgde er een volstrekt fictieve fase. De experimenten werden (zogenaamd) uitgevoerd onder de volledige supervisie van de heer Stapel alleen. De heer Stapel had, naar eigen zeggen, uitstekende contacten met een groot aantal onderwijsinstellingen in het land. Die waren steeds weer bereid om in goed overleg met hem persoonlijk zulke onderzoeken uit te voeren, soms geholpen door (zogenaamd) betaalde research assistenten. Ter compensatie voor de inspanningen van de scholen gaf de heer Stapel er (zogenaamd) voordrachten en schonk hij (zogenaamd) de betreffende scholen van tijd tot tijd computers en beamers. De op die scholen verzamelde data werden vervolgens (zogenaamd) op die scholen zelf, veelal door (onbekende) assistenten, verwerkt en gecodeerd. De aldus ‘verkregen’ gegevens werden dan rechtstreeks aan de heer Stapel gegeven, nooit aan de partners.

Lees het hele rapport via Wetenschap24: Met een kofferbak snoep naar een fictieve school
________________________________________________________________________________

Steve’s final words were:
OH WOW. OH WOW. OH WOW.
A Sister’s Eulogy for Steve Jobs
________________________________________________________________________________

‘Je komt aan het einde van het leven – nee, niet van het leven zelf, maar van iets anders: het einde van elke waarschijnlijkheid van verandering in dat leven. Er wordt je een lang rustmoment gegund, tijd genoeg voor het stellen van de vraag: wat heb ik nog meer fout gedaan?’

‘Er is accumulatie. Er is verantwoordelijkheid. En daarenboven is er onrust. Is er grote onrust.’
Julian Barnes, Alsof het voorbij is
________________________________________________________________________________

Telefoonseks
Al een jaar of vier had ik geen telefoonseks gehad. Het moest er maar weer eens van komen. Ik sms’te mijn vriendin: ‘Zullen we telefoonseks hebben? Morgen of vanavond?’
Het antwoord kwam snel: ‘Vanavond is beter, morgenavond heb ik een feest.’
In New York was het warm. Ik installeerde mij op mijn bed. We praatten, in het begin wat onwennig, en na 25 minuten zei ik: ‘Zullen we dan maar beginnen?’
Het erotische gesprek verliep moeizaam.
Na een tijdje zei ze: ‘Wacht, ik pak even een banaan.’
Ik hoorde haar de trap aflopen, keukenkastjes werden geopend en weer gesloten. ‘Wat voor banaan is het?’ vroeg ik.
‘Een kleine, biologische banaan.’
Er is een beroemd boek van Oliver Sacks getiteld De man die zijn vrouw voor een hoed hield.
Ik vrees dat als ik in de supermarkt op kleine biologische bananen stuit, ik het woord tot ze zal richten.

Arnon Grunberg
Voetnoot, 3 juli 2010
________________________________________________________________________________

Gelukkig hebben we de kater nog:
reve
Gerard Reve, uit Nader tot U
________________________________________________________________________________

I’m standing in a field
A field of questions
As far as the eye can see
Is this what it means
To be free
Or is this what it means
To be belong to the free


________________________________________________________________________________

Meer gedachtekunst
________________________________________________________________________________