Over het gebrek aan decorum dat leven heet

Bamse_dromerig

1. Al meer dan vier maanden stond het aluminium busje met de as van Bamse te wachten op het finale afscheid. Bij het asbusje was een waarschuwing geleverd: deze was niet bestemd voor het bewaren van de as tot in de eeuwigheid, als je de as niet snel zou uitstrooien zou de bus gaan roesten. Begin oktober wist ik me er dan eindelijk toe te zetten. Een zonnige herfstochtend, toevallig werd ik al om acht uur wakker. Met de asbus in mijn tas liep ik naar het Amsterdam-Rijnkanaal.

Hoe doe je dat? As uitstrooien van een huisdier? Moet je daar dan iets bij zeggen of gebaren? Wat als ik zou gaan huilen? Er lopen langs het kanaal altijd mensen met honden, hoe vroeg het ook is. Bij de aangewezen plek, waar een zijtak in het kanaal uitkomt, liep ik van het pad af. Ik had me verkeken op de oever, die twee à drie meter lager ligt. Om de as in het water te strooien moet ik dus half en half naar beneden glijden, de asbus in één hand, de andere achter me in het dauwnatte gras. Schuin naar achteren hellend haal ik het zakje uit de bus en scheur het open. Op z’n kop schud ik het leeg, de as drijft weg op het water. Gelukkig is het windstil. Op handen en voeten, het asbusje heb ik al omhoog gegooid, klim ik weer naar boven. Dat was dat. Het gebrek aan decorum stoort me. Maar wat had ik dan verwacht?

2. Al meer dan zeveneneenhalf jaar geleden is het inmiddels dat we aan het bed van mijn vader stonden. We hebben een afspraak met de dood, het is woensdagmiddag 10 maart. De huisarts – hij die straks de dodelijke injectie gaat geven – is rood aangelopen, het zweet parelt op zijn voorhoofd. Dat is verontrustend, want hij kan zich geen fout veroorloven. Een trillende hand kán gewoon niet. Tegelijk stelt het ook gerust. Stel je voor dat het hem niets deed, het feit dat hij iemand ging doodmaken met instemming van alle aanwezigen.

Nadat het gebeurd is (vergeef me dat ik juist hier zo makkelijk overheen stap), schenken wij overgeblevenen beneden een glas rode wijn in. Dat is mooi, want plechtig. Er moet echter ook gegeten worden. Niet veel later sta ik bij de Chinees te wachten op de babi pangang en foe jong hai. Onderwijl haalt de begrafenisondernemer de dode op; weer terug van de Chinees is hij weg. Hoe kunnen al deze dingen op dezelfde dag gebeuren? Ik verwonder me er nog steeds over. Decorum en gebrek aan decorum, de ergernis die dat opwekt en de verwondering. En troost.

3. Eén keer is een jongen huilend aan mijn voeten gevallen, me min of meer zijn hart op een fluwelen kussen aanbiedend, zich overleverend aan mijn genade. Goed, dat kun je zien als een enorm verlies van decorum van zijn kant, maar het was als een scène uit een ridderroman – het toppunt van decorum waar we wel nooit meer bij in de buurt zullen komen. Of een scène uit een film, een hartverscheurende scène; de ontroering! de kwetsbaarheid! Ik vond het onverteerbaar. Zoveel ernst en overgave, dat trek ik niet. Waar was het gebrek aan decorum dat ik zo hard nodig had?

(Bij Julian Barnes (Alsof het voorbij is) las ik onlangs: ‘Ik heb een godsgruwelijke hekel aan die Engelse gewoonte om serieus zijn niet serieus te nemen. Daar heb ik echt een godsgruwelijke hekel aan.’ Maar degene die deze woorden uitspreekt, pleegt niet veel later zelfmoord.)

4. De dierenarts die Bamse de dodelijke injectie ging geven waardoor ze zou inslapen, had het steeds over ‘euthanasie plegen’. Ze zei precies dezelfde dingen als de huisarts zeven jaar terug. Ik wist niet of ik die twee gebeurtenissen met elkaar in verband mocht brengen, al was het maar in het binnenste van mijn gedachten. Je vader en je kat. Met de instemming van de aanwezigen. Ik hoop dat ik niet nogmaals word gevraagd te beslissen over leven en dood. Vooral omdat de juiste beslissing zo voor de hand liggend was in het zicht van het lijden.

Het was mooi en vredig. Soms moesten we lachen als Bamse toch weer een ademteug nam. Ze was nog steeds sterk, alleen geveld vanaf het middenrif. Bamse had in elk geval geen gebrek aan decorum, ze is altijd een aristocratisch poesje geweest. Toen het dan echt gedaan was, wist ik wel wat ging volgen. Langs de kassa en afrekenen.

5. Het is leven is misschien niet meer dan een opeenstapeling van gebrek aan decorum. Dat betekent niet dat we niet moeten proberen dat gebrek op te heffen. Misschien is het leven het voortdurend proberen het gebrek aan decorum op te heffen. En de dankbaarheid dat dat nooit helemaal lukt. En de troost die dat biedt.

(Of is dit alleen mijn leven?)

Actie is altijd beter dan geen actie

pijl_boog

‘Actie is altijd beter dan geen actie.’ Met dat zinnetje kan ik de afgelopen maanden wel samenvatten. En het waren lange maanden, volgepropt met allerlei life events zoals dat dan heet. Nu klinkt zo’n zinnetje misschien als een wat loze levensles. Het zij zo, het is ook wel overzichtelijk om het leven zo eens bij de kladden te grijpen. Bovendien zijn dit soort mantra’s behulpzaam. Je hebt niet altijd tijd om jezelf aan een diepgaand zelfonderzoek te onderwerpen of om Schopenhauer erop na te slaan. (Van wie ik die andere mantra ook nog steeds gebruik: ‘Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.’)

Dat zinnetje klinkt simpel, maar er valt genoeg over te zeggen. Is het een aansporing voor luie mensen? Nee, dat denk ik niet. Ik vind mezelf heel vaak heel lui, maar door de bank genomen doe ik bij elkaar opgeteld zoveel dat ik mezelf toch niet lui kan noemen, ondanks die slome middagen waarop niets uit mijn handen komt. Waarom moet er dan aangespoord worden? Als ik naga om wat voor situaties het gaat, komt het steeds neer op: situaties waarin het voelt alsof ik andere mensen lastig val.

‘Andere mensen lastig vallen’, dat zegt al genoeg. Terwijl je belt met de zoveelste medewerker van een – ik roep maar wat – hypotheekbank, die jou uitknijpt en verkeerde informatie geeft die zomaar duizenden euro’s kan kosten… nou ja, op zo’n moment hoef je je toch geen zorgen te maken dat je zo’n medewerker lastig valt? Toch voelt het zo. Ander voorbeeld: mensen (mannen) die van alles van jou willen, waarom zou je je zorgen maken om hun gevoelens? Onzin! Toch voelt het zo. Daarom is voor mijn soort mensen actie altijd beter dan geen actie.

En vanzelfsprekend is zo’n mantra heus niet. Neem de volgende lezing in de Levenskunst-reeks, die is getiteld ‘Doen door niet te doen’. Het is de vertaling van een principe uit het taoïsme, ‘Wu Wei’. Doen door niet te doen: een soort go with the flow, de natuur vooral z’n gang laten gaan. Eerder verdiepte ik me al een beetje in het taoïsme omdat het me zo heerlijk ontspannend in de oren klinkt (zie hier). De weg volgen, niet te veel handelen, alles op zijn beloop laten. Maar De Grote Onrust achtervolgt me altijd, hoe lui ik me vaak ook voel. Het verlangen naar ontspanning, naar het blussen van het verlangen, naar kluizenaarschap zelfs, mag nog zo groot zijn, ik moest concluderen dat ik er niet voor in de wieg ben gelegd.

Het is dus geen luiheid die me dwarszit, daar was ik al achter. Het is gewoon ordinaire, twijfelachtige, zelfwegcijferende onzekerheid. Bah.

Inmiddels ben ik dus zover dat ik het ronduit niet eens ben met het ‘doen door niet te doen’. Liever het tegenovergestelde, actie is altijd beter dan geen actie. Misschien is mooier: ‘Handelen is altijd beter dan niet handelen.’ Dat is weer te extrapoleren naar: ‘Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken.’ Dat klinkt als de schreeuwerigheid waaraan iedereen tot in de politiek aan toe zich tegenwoordig schuldig maakt, en dat is absoluut niet wat ik bedoel. In eerste instantie is je mond houden vaak beter dan je mond opendoen. Maar als het erom gaat dat je je afvraagt of je iets nu wel of niet tegen iemand moet zeggen: je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. (Tegenvoorbeelden uiteraard ook voorradig in het kader van de uitzonderingen op de regel.) Vandaar ook deze blogpost.

Want je weet zelf: ‘Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.’

Lees hier meer over Wu Wei en levenskunst.

Over de liefde: romantiek van rebellie naar soap

prins_witte_paard

Dat meerdere liefdes van je leven elkaar opvolgen, is tegenwoordig gemeengoed. Toch moet elk van die Grote Liefdes even meeslepend als uniek zijn, alsof het in elk geval op dat moment voor eeuwig is en ondenkbaar dat het ooit weer overwaait.

Eigenlijk is het raar: als je wordt gedumpt verzekeren al je vrienden je dat er nog veel meer vissen in de zee zijn. Maar niemand zal dat willen zeggen op het moment dat de liefde nog bestaat. Zo zit je dan voortdurend in een spagaat tussen absolute en relatieve liefde, tussen gevoelens die niet intens genoeg kunnen zijn en de rede die je vertelt dat elk gebroken hart gelijmd kan worden.

Alweer enige tijd geleden las ik een interessant interview met Richard David Precht in de Volkskrant (18 augustus). Hij schreef ook alweer enige tijd geleden Liefde voor gevorderden (2009). In het interview staat een passage over de ontwikkeling van de romantische liefde, die begon als rebellie tegen de gevestigde orde maar langzamerhand zelf de norm is geworden. Toch wel een eye-opener:

‘In de 19de eeuw was de romantische liefde een daad van rebellie, bezongen door schrijvers als Jane Austen, Gustave Flaubert en Theodore Fontane. Meestal was de hoofdpersoon een vrouw; zij wilde trouwen met haar grote liefde, niet met een welgestelde partij uit een goede familie. Dat ideaal sijpelde betrekkelijk langzaam door. (…) Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren zestig, was er geen houden meer aan. De romantiek daalde af van de wereldliteratuur naar de soap, van Pride and Prejudice naar As The World Turns. De romantische liefde was geen rebellie meer, maar norm. Maar hoe hoger de eisen, hoe sterker de teleurstelling. De romantiek blijkt haar schaduwzijden te hebben: instabiele relaties, mensen die vruchteloos blijven zoeken naar die ene ideale partner, vrouwen die ongewild kinderloos blijven.’

Goed, die schaduwkanten kennen we allemaal. Is er iets in het leven dat geen schaduwkanten heeft? Nee toch? Dat gemier over instabiliteit en vruchteloos gezoek zal niet anders zijn dan in de tijd vóór Emma Bovary.

Precht heeft verderop nog een boeiende gedachte in petto. Hij begint met opnieuw een (impliciet gehouden) paradox. We zoeken in een liefdesrelatie jarenlange opwinding, meeslepende gevoelens die je doen geloven dat je de Ware aan de haak hebt geslagen. Maar we willen ook een ‘maatje’ (oei), een beste vriend met wie je avondenlang diepzinnige gesprekken voert en die het niet erg vindt als je in je berenpyjama met ongewassen haren tegen hem aan hangt:

‘In de liefde zoeken we opwinding, we willen dat de ander ons hartkloppingen bezorgt. Maar we zoeken ook vertrouwen, geborgenheid, begrip. Dat zijn precies de psychische voedingsstoffen die we van onze ouders krijgen.’

Opwinding? (Van je ouders?)
‘Geen seksuele opwinding. Maar ouders maken het leven van hun kinderen interessant. Kijk daar: een olifant, een ezel! Toen mijn zoon klein was, kwam hij naar me toe. Papa, ik verveel me. Dat betekent: geef me opwinding, niet: geef me geborgenheid.’

Dat is interessant. De ware is degene die je verveling verdrijft. Tot hij zelf vervelend wordt natuurlijk.

Over de liefde – deel 1

Ik mocht op de summercourse van IPC een praatje houden over literatuur en filosofie in het dagelijks leven. Welk onderwerp spreekt dan meer tot de verbeelding dan de liefde? Vandaag deel 1, deel 2 over Marcel Proust en deel 3 over Søren Kierkegaard volgen.

What we talk about when we talk about love

Carver

Ging ik echt een praatje houden over de liefde? Ja. Maar – ben je dan een deskundige? Het spijt me zeer, maar nee, dat ben ik niet. Laat dat meteen duidelijk zijn. Liefde is simpelweg een onderwerp dat iedereen op de een of andere manier interesseert; en het is een populair onderwerp van alle schrijvers en lezers.

Ik zal een beetje filosofie combineren met een snufje literatuur om zo hardop na te denken over het gewone, alledaagse leven. Het zal niet te abstract worden, want het gaat er juist om het abstracte zo concreet mogelijk te maken.

Dus – ‘What we talk about when we talk about love’ – ik moet bekennen dat ik deze titel heb gestolen. Raymond Carver gaf hem aan een van zijn verhalen en ik heb dat verhaal niet eens gelezen. Hij schrijft: ‘It ought to make us feel ashamed when we talk like we know what we’re talking about when we talk about love.’ Met andere woorden: we weten niets over de liefde en als we doen alsof, houden we onszelf voor de gek.

Maar tegelijk ligt het antwoord hier al besloten: het is de titel van een verhaal en als we het hebben over liefde, vertellen we precies verhalen. We vertellen elkaar verhalen over liefde en bovendien gaan de meeste verhalen ook over liefde, al is het maar op een zijspoor.

LoveMug

Laat ik beginnen met iets grappigs, dat ook laat zien hoe het hele literatuur-en-filosofie-in-het-dagelijks-leven werkt. Ik ging op een uitje naar Kronborg in Helsingør, het kasteel waar Shakespeare’s Hamlet zich afspeelt. In de souvenirshop vond ik tussen alle andere Hamlet-parafernalia de Shakespearean Love Mug – een uit de kluiten gewassen koffiemok. Bezaaid met citaten van Shakespeare over, nou ja, liefde. Wat een toeval als je een lezing over de liefde moet voorbereiden! (Toeval zal nog vaker voorkomen, en ik geloof heilig in toeval, dus betekenisloosheid. Lees dit niet als een verkapt ‘het had zo moeten zijn’.) Ik schafte de mok aan, zodat ik voortaan mijn kop koffie ’s ochtends kan drinken, al peinzend over de liefde en over Shakespeare. Dat is nu echt literatuur in het alledaagse leven. Wie weet bedenk ik zelf wel een mooi citaat.

Ik ga het niet hebben over liefde op zich, want zoals gezegd ben ik niet echt deskundig. Eerder gaat het over het denken over liefde en hoe filosofie en literatuur daarbij behulpzaam kunnen zijn. Verhalen over liefde werken als een slijpsteen voor je eigen gedachten en het lezen en vertellen ervan kan helpen bij het vinden van een weg in het leven. (Hier ben ik diep van overtuigd.) Het zal gaan over de schrijver Marcel Proust (deel II) en over de filosoof Søren Kierkegaard (deel III). En tussendoor ook een beetje over mezelf. Laat ik het erop houden dat ik het dagelijks leven representeer.

ipc1996

Om erin te komen een kleine love story over mezelf. Het gaat immers om het vertellen van verhalen, persoonlijk en direct. Ik denk echt dat je alleen door het vertellen van je persoonlijke verhaal, zonder schaamte of terughoudendheid verder kan komen in het begrijpen van jezelf en de wereld. (Niet alles aan iedereen vertellen hoor!) De eerste keer dat ik op de International People’s College in Helsingør was (waar ik deze zomer weer terug was en dit praatje hield), die keer vijftien jaar geleden, was er ook een jongen en ik vond die jongen het einde. We werden verliefd en voor zo lang als het duurde (twee maanden) waren we gelukkig met elkaar. Tot het onafwendbare moment van afscheid.

We gingen ieder onze weg naar huis, in verschillende landen, zonder de bedoeling bij elkaar te blijven. (Om eerlijk te zijn, ik had die bedoeling wel, maar hij niet.) Hoe dan ook, we schreven brieven naar elkaar – dit verhaal speelt zich af in de tijd voor de e-mail – het waren neutrale brieven en geen liefdesbrieven. Toch ging ik hem die zomer opzoeken. Best spannend, want wie weet wat er zou gebeuren?

En wat gebeurde er? Nou, niet echt veel. Wat we ook hadden met elkaar, het was pfft weg. We brachten een paar aangename dagen met elkaar door en dat was het. Raar, niet? Eerst was ik ervan overtuigd dat ik zou ophouden te bestaan als de liefde ophield te bestaan en toen… ging het leven gewoon door.

Hoe was dat mogelijk? Ik had een vermoeden dat het iets te maken moest hebben met locatie. Die internationale school was een totaal andere wereld. Toen ik de jongen ging opzoeken, belandden we in de echte wereld, de wereld van alledag. Het was overduidelijk dat ik daar, in zijn alledaagse wereld, niet thuishoorde.

Merkwaardig. Liefde zou toch niet afhankelijk moeten zijn van zoiets banaals als de locatie? Moest liefde niet eeuwig zijn, onafhankelijk en onveranderlijk? Het zette me aan het denken over de liefde – niet voor de eerste en ook niet voor de laatste keer. En als ik iets wil weten of begrijpen, dan begin ik te lezen. Er zijn veel schrijvers geweest die mijn gedachten over de liefde hebben gevormd in de vijftien jaar die volgden, maar Marcel Proust is zeker een van de belangrijkste geweest. Life changing kan ik wel zeggen.

Morgen deel twee over Marcel Proust.

Het leven heeft geen clou, begrijp dat dan

veerboot

In sommige boeken valt alles op zijn plek, en juist het afgemaakte karakter van het verhaal is onbevredigend. Alles klopt en alles heeft betekenis en dat strookt niet bepaald met mijn ervaring. Bovendien is het ietwat saai.

Hetzelfde gevoel krijg ik als mensen op die manier hun leven proberen te duiden. Ik sprak met een Russische vrouw die in elke vezel mijn tegendeel was. Elke uitspraak die we deden, wees erop dat Russische en Nederlandse vrouwen wel de twee polen moeten zijn van wat er zo’n beetje mogelijk is in het vrouwelijke spectrum. Dat stel ik zo generaliserend omdat het hele gesprek (en we brachten een middag en avond samen door) steeds weer uitkwam op culturele verschillen, geworteld in overtuigingen waar je normaal gesproken niet zo bij stil staat. Kort gezegd: ik heb me nooit zó geëmancipeerd en atheïstisch gevoeld als toen.

We zaten op de veerboot naar Helsingborg. Ik hield de deur open voor een kind. ‘I cannot believe you opened the door… for a man!’ zei zij. ‘A man? He was fourteen years old, a kid.’ ‘Yes, but he is a man. You do not hold the door for a man.’ Ik protesteerde. ‘No,’ ging ze verder, ‘you have to let the man help you, or you will never find a man. And then you will remain incomplete, like one half, unhappy and unfulfilled.’ Wow.

Het meest opmerkelijke dat ze me vertelde was dat baby’s het gezin kiezen waarin ze geboren worden. Dit klinkt zo absurd in mijn oren dat ik niet wist wat ik moest zeggen. Eigenlijk wilde ik zeggen: stel dat geen enkele baby jou kiest, wat zegt dat dan over jou? Soms stel ik me voor dat ik in reïncarnatie zou geloven. Wat zou ik dan in mijn vorige leven zijn geweest om dit leven te verdienen? Misschien wel een abortusarts. Gelukkig geloof ik niet in reïncarnatie en ook niet in baby’s die als betekenisvolle manna in je schoot vallen.

Hoewel, gelukkig? Is het niet heerlijk om wél op deze manier te denken? Ik word er opstandig van als er een dikke deken van betekenis wordt gelegd over de wereld die mijns inziens volkomen doel- en betekenisloos is. Vooral omdat ik het nogal arrogant vind om te denken dat je als simpel mensje de potentiële betekenis van het universum zou kunnen doorgronden. Misschien wil ik niet ontkennen dat die er is, maar wil ik zeker niet zo hoogmoedig zijn om te beweren dat ik hem ken en kan uitleggen.

Niettemin heb ik het vermoeden dat mijn Russische vriendin een stuk gelukkiger is in haar geloof aan de baby’s die kiezen. Stiekem ben ik wel jaloers op die overtuiging, want die maakt het leven er een stuk makkelijker op. Je hoeft minder na te denken – of in elk geval op een andere manier. Al het slechte is om te buigen in iets goeds, namelijk zin. Wat er ook gebeurt, wat je ook doet, het heeft een bedoeling die buiten jezelf ligt en die je (de hoogmoed!) kunt ontcijferen.

Het wil er bij mij niet in, ik ben te westers en heb te veel Sartre gelezen. Want, die bedoeling buiten jezelf is natuurlijk een projectie van iets binnen in jezelf. Dat weet ik dan weer zeker. Mensen bedenken immers zelf wat die bedoeling is, en ik snap niet dat ze dat niet inzien. Het is een verzinsel, met zoekende baby’s en mannen die je al dan niet helpen. Ze vertellen zichzelf een verhaal met de aloude stelregel dat er niet zonder reden mussen van het dak mogen vallen (ik heb die regel van W.F. Hermans altijd al potsierlijk gevonden) – een verhaaltje met een clou.

Ik voel me voor de gek gehouden door sommige boeken met een te duidelijke clou, en uiteindelijk voel ik me ook voor de gek gehouden door zulke praat waarin alles in een sluitend, zinvol verband wordt geplaatst. Alles krijgt daarin zijn betekenis, maar die betekenis kan even makkelijk veranderen, tegelijk met de omstandigheden.

Een dag na mijn Russische ervaring sprak ik een Tsjechische die vertelde over een zwanger meisje dat niet kon reizen. Het zwangere meisje zou eerst komen en dat zou dan ‘betekenen’ dat ze nog één keer alleen kon genieten, voordat ze een kind zou krijgen. Maar het zwangere meisje komt op doctor’s orders toch niet en dat betekent dan opeens dat de baby haar nu alvast de belangrijke les leert dat ze niet meer alleen is. Face the truth, wilde ik zeggen. Het is gewoon zwaar klote als je je vakantie moet afzeggen vanwege zwangerschapscomplicaties. Maak het niet mooier dan het is. Life sucks sometimes.

Weet je wat het leuke is? Dat het leven niet altijd suckt. Dat zinloze, toevallige schoonheid veel mooier is. Dat ik zelf kan beslissen welke betekenis gesprekken voor mij hebben. Dat ik er niet van hoef te leren. Het zijn cadeautjes, cadeautjes zonder aanleiding. En die maken mij het vrolijkst van allemaal.

Het echte leven? Een (irrationeel) spelletje

parkeren

Ik heb wel eens urenlang ’s nachts buiten gezeten, op een parkeerterrein, in de regen, zonder jas, omdat ik boos was en vond dat degene die mij boos had gemaakt gestraft moest worden. Uiteraard lag de dader prinsheerlijk te slapen. Ik strafte alleen maar mezelf. De volgende dag werd ik voor gek uitgemaakt. Zie je nou wel dat diegene straf verdiende? Later heb ik hier vaak over nagedacht, de ultieme belachelijkheid ervan. Mezelf straffen om een ander te straffen, wat dacht ik in vredesnaam? Ik dacht natuurlijk niet, dat is het punt.

Begin dit jaar, na de kerstvakantie, schreef ik over die rare paradox dat je terug op je werk verzucht ‘het echte leven is weer begonnen’, terwijl je aan het begin van de vakantie ook uitriep: ‘dit is het echte leven hoor!’ Misschien bestaat er niet zoiets als het echte leven, of misschien zijn beide levens even echt of onecht. Als je het leven beschouwt als een spel doet dat stomme onderscheid van echt en onecht er niet meer toe, want hoewel je weet dat een spelletje fictie is (wie heeft ooit serieus de wereld veroverd met Risk of miljoenen verworven met Monopoly), speel je het met doelgerichte ernst en met inachtneming van semi-willekeurige regeltjes.

Als je hebt gekookt en je gaat opscheppen, wie geef je dan het mooiste stuk vlees? Jezelf? Sommige mensen, moeders vooral, geven zichzelf standaard het minst volle bord, met de aangebrande stukjes. ‘Wil je niet mijn stuk?’ vraagt de ander misschien wel. ‘Welnee, dit is goed genoeg voor mij.’ Om dan op het sterfbed te verzuchten dat ze hun hele leven benadeeld zijn.

Op aanraden van mijn moeder (een groot eter) kocht ik Games People Play van Eric Berne, de jaren zestig-bestseller over het leven als een opeenstapeling van spelsituaties. Berne was psycholoog en schrijft dus geen filosofische verhandeling, maar geeft een systematiek van menselijk gedrag. Het grootste gedeelte van het boekje beslaat droge beschrijvingen van allerlei relaties en situaties, waarin mensen als pionnen bepaalde (onbewuste) spelregels volgen. De titels zijn het leukst, van ‘See what you made me do’ en ‘Now I’ve got you, you son of a bitch’ tot de ‘Frigid woman’. Die titels vertellen eigenlijk al genoeg.

Mijn zus en ik hebben vaak, heel vaak, samen meegezongen met de radio of tv. Ik probeerde zo mooi mogelijk te zingen; zij zo lelijk mogelijk. ‘Waarom zing je zo lelijk?’ vroeg ik een keer. ‘Omdat ik niet kan zingen, en als ik overdreven vals doe, dan denkt iedereen dat het expres is. Dan is het grappig.’ Wat het dan ook was. Was haar verdraaide, valse stem beter dan mijn jammerlijk mislukte poging mooi te zingen?

Het leven als een spel, dat klinkt vrolijk, maar je hoort al dat dat tegenvalt. In Bernes analyse zijn dit soort situaties terug te brengen tot een paar rollen die je kunt spelen. Het kind, de ouder en de neutrale volwassene. Het kind vertoont irrationeel gedrag, de ouder paternaliseert en daartussen zit ergens de persoon die je bent, die handelt en praat. Dit soort systemen irriteert me altijd een beetje, omdat het zo simplistisch is (dat druist in tegen mijn hart voor literatuur). Niettemin moet ook ik toegeven dat veel van die spelletjes erg herkenbaar zijn, zoals clichés ook altijd gewoon waar zijn.

Ik kan slecht tegen onnauwkeurig taalgebruik. Niet alleen op papier, maar ook in gesprekken. En dan gaat het niet alleen om woordgebruik, maar ook om wat er gezegd wordt. Mensen die een verhaal opdissen dat ik al ken en dat dan verkeerd vertellen. Die een vraag stellen vanuit een soort stream of consciousness, incoherent en ook nog met verkeerde verwijswoorden. Dan doe ik alsof ik ze niet begrijp en dwing ik ze om duidelijker te zijn, zich te herhalen, net zolang tot de vraag correct is. Terwijl ik al lang het antwoord weet en dat ook meteen had kunnen geven. Dit is waarlijk een van mijn slechtste eigenschappen.

Interessant bij Berne is dat irrationeel gedrag zo’n groot deel van de systematiek uitmaakt. Met andere woorden, irrationaliteit krijgt haar rechtmatige plaats en wordt zelfs voorspelbaar. Is dat niet ook wat literatuur laat zien? In elk geval de literatuur waar ik van houd; verhalen over mensen die welbewust tegen zichzelf kiezen, hun eigen ondergang bewerkstelligen en worstelen met hun rationele dubbelganger. Zie bijvoorbeeld Huid en haar van Arnon Grunberg; een roman die ook nog eens handelt over economie – zogenaamd de meest rationele wetenschap, die juist tot in alle poriën doordrongen is van irrationele keuzes.

Iedereen die rookt, eet of drinkt om zichzelf te troosten, winkelt zonder geld op de bank, valt op foute mannen dan wel vrouwen, begrijpt dat. Zij die het niet begrijpen, liegen.

Veel van Bernes spelletjes zijn self-fulfilling prophecies. ‘See what you made me do’: jij wilde dat ik mee ging naar dat feest op jouw werk, nu heb ik je baas beledigd. ‘Now I’ve got you, you son of a bitch’: jij bent zo’n eikel, denk maar niet dat ik vriendelijk tegen je ga doen, zie je nou wel hoe je reageert, onbeleefde klootzak die je er bent.

Ten slotte een positief spelletje, de antithese van de son of a bitch. Als een eikel reageert als een onbeleefde klootzak moet je simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Ook al word je beledigd tot op het bot, simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Dan win je de wereld en miljoenen, gegarandeerd.

Lees ook: Het echte leven? Een spelletje

Eten, schrijven en beminnen: Virginia Woolf en Madame Sabatier

reclame2

Je moet geld verdienen om te kunnen leven. Ja, dat weet iedereen. Als pas afgestudeerde kwam dit inzicht evengoed keihard bij me aan. Geld is cruciaal. Stel dat je wilt schrijven, omdat schrijven leven is. Dan moet je dus geld hebben om te kunnen schrijven. Onzin. Schrijven doe je toch uit noodzaak, uit (brr) urgentie? Ik vond het lange tijd een onopgelost raadsel. Het ontsnapte me, die crucialiteit van geld. Tot ik A Room of One’s Own van Virginia Woolf las.

Virginia Woolf begint haar voordrachten over ‘women and fiction’ met dat alledaagse gegeven: om te schrijven moet je geld hebben. Vrouwen en fictie? Dat is haast een fictieve combinatie, althans in 1928. Het antwoord op de vraag waarom dat zo is, is banaal: vrouwen hebben geen geld. Met geld koop je tijd – tijd om te schrijven. Zoals zij zelf deed toen ze een kleine erfenis kreeg waar ze jaarlijks van kon rondkomen. Het is een saai argument, maar wel cruciaal. Onbegrijpelijk voor mannen, in de tijd (nog niet zo lang geleden) dat vrouwen letterlijk geen muntstuk als eigen bezit konden hebben.

Waarom schrijven mannen nooit over eten? Nog zo’n vraag van Woolf die haast te banaal lijkt om te kunnen boeien. Hij hangt natuurlijk samen met het geld. Als je eenmaal met de crucialiteit van het geld in je gezicht geslagen bent, wordt schrijven over eten belangrijk. Eten, zo ontdekt Woolf, is een rechtstreekse spiegel van het geld. En daarmee van het leven.

Ondertussen las ik een ander boek over een (brr) ‘sterke vrouw’. Madame Sabatier van Peter van Dijk is een biografie in verhalen van een vrouw. Niet van een kunstenaar of schrijfster, maar van een schildersmodel en courtisane. Haar verhaal is daarom alleen te vertellen via de grote mannen die haar schilderden en beschreven. Zoals de ondertitel zegt: ‘haar vrienden, haar minnaars’. Dat waren niet de minsten, denk kaliber Baudelaire en Flaubert.

Madame Sabatier schreef dan niet, ze voorzag wel in haar eigen onderhoud, op de weinige manieren die voorhanden waren. Als figurante in de opera, als naaktmodel en als minnares. Dat laatste kon met de juiste man een flink inkomen garanderen, inclusief gerieflijk appartement in Parijs. Sabatier leefde ongeveer in dezelfde tijd dat de eerste vrouwen ook van hun schrijven konden rondkomen, zo leert de geschiedenisles die Woolf geeft. Ach, als je leest over al die artistieke mannen die om Sabatier heen fladderden, bedenk je al snel dat schrijven ook een soort prostitueren is.

Uiteraard hield Madame Sabatier salon, waar over kunst gedebatteerd werd en zij de mannen aftroefde in het maken van vieze grapjes. Bijzonder aan haar was dat zij kookte voor haar vrienden. Eten is belangrijk, zo blijkt maar weer. De beschrijvingen zijn om te smullen; de gedachte alleen al om dat elke zondagavond voor tien mannen te moeten klaarmaken doen me echter wanhopen. Aan het eind van haar leven nam Sabatier een kokkin in dienst. Toen was ze blijkbaar zover gekomen dat ze het alledaagse helemaal achter zich kon laten.

Ik moest denken aan die koppeling van eten en feminisme (want laat dat woord nu maar eens vallen) toen ik nietsvermoedend op mijn werk de kantine binnen wilde lopen om te lunchen. Een dame stond mij op te wachten, plat als een dubbeltje en met een ziel van bordkarton. En een kanariegele bikini natuurlijk. Waarom wind ik me zo over haar op, zo erg dat ik na de lunch ben teruggelopen om een foto van haar te maken en op twitter te zetten? Het moet te maken hebben met het verband tussen eten, geld, werken en vrouwen. Een halfnaakte reclamevrouw moet mij in mijn werkpauze, als ik wil gaan eten, aansporen om geld uit te geven en zo een vakantie te winnen. Ik weet niet eens waar te beginnen met de analyse.

reclame1

Een paar dagen later zat ik nietsvermoedend op de wc in een te dure uitgaansgelegenheid. Drie vrouwtjes (ik kan niet anders zeggen), die aan marionettentouwtjes hangen en aan de lijn doen. (Zozeer dat hun hoofd een waterhoofd is geworden, totaal buiten verhouding met hun lichaam.) ‘Show off your lighter side.’ Wat zou Virginia Woolf daarvan zeggen? Madame Sabatier zou waarschijnlijk een copieus zesgangendiner bereiden voor tien van de meest artistieke en aanhankelijke mannen. Wie zal ik eens inviteren voor mijn salon?

Driedubbel leven met Kader Abdolah, Floris Cohen en Isaac Newton

newtonCohenAbdolah

Met een kopje koffie op het terras van café Hoffmann: dat is nog eens lekker werken. ‘Zit je daar wel goed,’ vraagt Floris Cohen, ‘je zit almaar tegen de zon in te knijpen.’ Geen probleem, op deze eerste lentedag. Cohen, verbonden aan het Descartes Centrum aan het Janskerkhof, vertelt over Newton, genie met een onuitstaanbaar karakter. Het stralende weer nodigt uit tot een ontspannen gesprek over de lezing die Cohen voor Studium Generale zal houden in de lustrumreeks Kennis voor de toekomst. Dat was in mijn droom vannacht wel anders.

Hoe komt het dat ik droom over Floris Cohen? Bij Studium Generale leid je af en toe een (drie)dubbelleven. We denken nu al na over het voorjaarsprogramma van 2012. Soms twijfel ik in welk jaar we nu leven. Tegelijk zitten we in het staartje van de lopende reeksen. Acht weken lang heb ik me bezig gehouden met tijd. Tijd voor de oerknal, tijd voor de historicus. ‘Tijd is een vierdimensionaal blok’, ‘tijd is onbetrouwbaar’. De nouvelle vague van de film L’année dernière à Marienbad. Is het gek dat mijn hoofd soms de draad van de tijd kwijtraakt en ’s nachts een uurtje doorwerkt?

Ik zat aan een tafel in de werkkamer van Floris Cohen. Naast me zag ik tot mijn verbazing Kader Abdolah, de auteur van het boekenweekgeschenk. Zijn snor was ook in werkelijkheid imposant (het was niet zo’n droom waarin je doorhebt dat het een droom is). Opeens kreeg ik iets aangereikt. Het was een stukje paling. We aten gedrieën. Abdolah veegde zijn vingertoppen af aan zijn snor. Als er maar geen stukjes in bleven hangen. Waar moest ik mijn vingers aan afvegen?

Nu zat ik lekker in de zon op het terras, geen vis of snor in de buurt. Newton, zo vertelde Cohen, was uitzonderlijk omdat zijn talent gepaard ging met een gigantisch doorzettingsvermogen. Hij rustte niet tot hij het bewijs voor zijn theorieën sluitend had gemaakt. Een les voor wetenschappers van de toekomst.

Eerder had ik al gesproken met Jelle Reumer en Paul Schnabel over Darwin en Freud, die ook in de reeks aan bod komen (net als Florence Nightingale over wie Marieke Schuurmans zal vertellen). Ook al van die harde werkers. Hoe lang deed Darwin er niet over om zijn evolutietheorie zo goed te onderbouwen dat hij hem publicabel achtte? En Freud, wiens oeuvre elf delen beslaat (in de Nederlandse vertaling die Schnabel me liet zien) en die talloze patiënten in zijn praktijk had, die droomde vast ook wel eens over zijn werk. Wat zou Freud eigenlijk vinden van die droom van mij over snorren en paling? Freud, zo verzekerde Schnabel me, was de eerste onderzoeker van de psyche die het luisteren naar de patiënt voorop stelde, zonder meteen een moreel oordeel te vellen. Ook een mooie les. Luisteren, niet oordelen, hard doorwerken. En af en toe dromen over de toekomst.

[Verschenen op het Lustrumestafetteblog op DUB]