In z'n achteruit het paradijs verlaten

tent_vakantie

Ooit ergerde ik me kapot aan mensen die terugkwamen van hun zomervakantie en dan met veel gezucht en gesteun verklaarden liever nooit meer te zullen gaan werken, want de vrijheid, ja de Vrijheid van de Vakantie, dat is je ware. Ik dacht dan aan Hugo Raes’ geniale uitspraak ‘Niemand blijkt zich in vakantieoord vergist te hebben: iedereen trof het paradijs.’ (Uit Een faun met kille horentjes). Of zijn beschrijving in De vadsige koningen van de ultieme burgerlijke vakantie van een leraar die met een bevriend stel naar een camping in Frankrijk gaat. Op de een of andere manier sluit hij een bizarre weddenschap met zijn kompaan: wie is het snelste met de auto weer thuis? Let wel: in z’n achteruit. Daar gaan ze, wat begint als een leuke gimmick is natuurlijk na een minuut of tien al een hel, maar geen van twee zal het in zijn hoofd halen als eerste op te geven. De gezichten van de vrouwen in de bijrijdersstoel – het is alsof Raes een foto aan zijn roman heeft toegevoegd, zo duidelijk zie ik ze voor me.

Inmiddels ben ik zelf al jarenlang onderdeel van het werkende gilde (sinds kort bovendien van het belachelijkste aller gilden, namelijk dat van de ambtenarij) en betrap ik mezelf op deze verzuchtingen. Maar nooit te lang, nooit tot na de vakantie. Die verzuchting, het verlangen naar de vrijheid waar je even aan mag proeven maar die al bitter smaakt omdat hij tijdelijk is, ontstaat en verdwijnt bij mij door de aard van het vrij zijn zelf. Wat ik bedoel is het volgende. Op vakantie heb je opeens zoveel tijd om handen dat je vanzelf gaan peinzen. Over de wereld (zeker als je je in een nieuwe omgeving bevindt), over de mensen, over jezelf. Natuurlijk lijkt vanaf de camping het dagelijkse kantoorbestaan het tegengestelde van het paradijs. En wat voelt het heerlijk eens alle gedachten dóór te kunnen denken, zonder al die afleiding van het gejaagde leven. Nooit meer werken! Altijd filosoferen!

Na een dag of twee peinzen kom je erachter dat je de gedachten nooit tot het eind kunt doordenken, omdat er geen eind is aan een gedachte. Wat een hopeloosheid. Stel je voor dat je werkelijk altijd vrij zou zijn: een eindeloze tijd vol eindeloze gedachten. Een idee om depressief van te worden. En je weet: uiteindelijk zul je terugkeren naar huis, het kantoor weer binnenstappen en een jaar niet meer peinzen, omdat je meteen slaapt als je hoofd het kussen raakt. Dus al die verzuchtingen en verlangens zijn ook nog eens zinloos.

Dit is het omslagpunt van de vakantie – wat mij betreft het punt waar de vakantie pas echt begint. Alle eindeloze gedachten die zich aandienen worden direct een verdwijnpunt ingezogen, waarvan niet eens duidelijk is waar het zich bevindt. Het grote mijmeren begint. Je houdt je onledig met het observeren van de andere campinggasten, schudt eens wat druppels van de tent of maakt een uitje naar de stad. Je loopt naar de tram, zit in de tram, kijkt op de kaart, stapt uit, zal ik een foto maken, gaan we wandelen of een museum, of eerst een biertje drinken, ja eerst maar een biertje. En wat eten we vanavond? Eerst maar wandelen, maar waarheen? Ach, kijk hem nou!

Mensen die thuiskomen van vakantie en nog steeds in de fase zitten waarin je de slavernij van het werken vervloekt en verlangt naar het onmogelijke (want denk maar niet dat die mensen er gelukkig van zouden worden als ze van de ene dag op de andere niets meer om handen zouden hebben, onnut zouden zijn, geen aanspraak meer hadden), die hebben de ware vakantiefase nooit bereikt. Als ze terugkomen op kantoor zeggen ze tegen elkaar: ‘Het was paradijselijk.’ Niemand blijkt zich vergist te hebben. Een enkeling is in z’n achteruit terug komen rijden. Maar dat lijkt nu te onnozel om over op te scheppen. Hij schaamt zich. ‘Wij vonden het paradijs,’ zegt hij, de plek waar schaamte niet bestaat.

Ik heb ze gezien, vanuit mijn campingstoel, de mensen die zo verlangen naar een eindeloze vrijheid, dat ze vergeten te genieten van de vrijheid onder hun neus, in de voortent van het gemijmer.

De stress van een privacy-gevoelige kat

Twee zieken zijn één geworden, maar wel één andere. Muis loopt weer vrolijk van bank naar etensbakje en de Macbook Pro staat heel stilletjes te wezen op tafel. Maar er zijn meer hondjes die fikkie heten en meer poesjes die ziek kunnen worden. Deze keer is het Olllie. Ollie is gestrest.

Een van de mooiste lezingen die ik ooit bijwoonde was van Marjolijn Februari, op het symposium ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Radboudstichting. In tegenwoordigheid van koningin Beatrix vertelde zij daar over haar kat. Het was haar opgevallen dat op de zak met kattengrit van de Albert Heijn een waarschuwing staat: ‘Uw kat houdt van privacy. Zet daarom de bak op een rustige plaats.’ Aanleiding voor een beschouwing vol humor en wijsheid over wat privacy en waardigheid betekent. (En waarin zij ook de aloude truc aanhaalde om zenuwen die opkomen bij het spreken voor een groot gezelschap, te bestrijden door je dat gezelschap naakt voor te stellen. Ik herhaal: de koningin zat in de zaal, evenals kardinaal Simonis.)

Nu weet ik wat kan gebeuren als je de kat haar privacy niet gunt: ze raakt gestrest en laat de bak links liggen. Misschien heeft de tekstschrijver van de Albert Heijn dus wel gelijk. Aan de andere kant lijkt dit een uitwas van de privacy-gevoeligheid die Nederland de laatste jaren in zijn greep houdt. Ik heb wel eens gedacht – niet omdat ik het ermee eens ben, maar gewoon omdat de gedachte bij me opkwam – dat die hele heisa over onze privacy die te grabbel ligt, overdreven is. Privacy is een recente uitvinding van de burgerlijke maatschappij. Vroeger konden we prima zonder, waarom nu zo hysterisch erover doen? Zodra je verder denkt, weet je wel waarom: er is per persoon veel meer informatie beschikbaar, die veel vaker en voor veel langere tijd wordt opgeslagen, in systemen die aan elkaar gelinkt zijn en waarvan het ondoorzichtig is wie er toegang toe heeft.

Rijkelijk laat maakte ik me zorgen over mijn eigen privacy, toen ik mijn gerepareerde laptop ging ophalen. Kort en goed: ik had zonder nadenken mijn leven uit handen gegeven aan anonieme reparateurs van Apple. Voor hetzelfde geld (nul euro, want nog binnen de garantieperiode) hadden ze vrijuit kunnen bestellen bij bol.com, tientallen GB aan muziek kunnen kopiëren, kinderporno kunnen downloaden, mijn meesterwerk kunnen plagiëren, mailtjes kunnen versturen vanaf zowel mijn privé- als werkadres, of een totaal lullig blogje kunnen publiceren. En eigenlijk weet ik alleen van dat laatste zeker dat ze het niet hebben gedaan.

Bedenken dat privacy een moderne uitvinding is, doet niets af aan het belang ervan, maar laat misschien wel zien waarom we er zo onverschillig mee omspringen. We moeten niet opnieuw leren er zorgvuldig mee om te gaan, want dat hebben we nooit gedaan. Het is een nieuwe vaardigheid die we nodig hebben. En iedereen weet hoe moeilijk het is om collectief een nieuwe vaardigheid aan te leren.

Misschien dan maar beginnen met de poes. De stress gaat uit de poes door haar meer privacy te gunnen. Wat natuurlijk belachelijk klinkt. Opeens vraag ik me af: was stress misschien ook het probleem van Macbook P., stress veroorzaakt door een gebrek aan privacy? Ik zal het Marjolijn Februari eens vragen. Of anders de koningin.

PS: voorlopig geen kattenblogjes meer, ik beloof het.

Voor iedereen die straf verdient

vvd_poster.jpg

‘De wereld gaat ten onder aan mensen zoals jij.’
‘Sorry, wat zeg je?’ Ik boog voorover. We stonden in een festivaltent op Dour, het was midden in de nacht en eigenlijk niet het moment om te praten.
‘De wereld gaat ten onder aan mensen zoals jij.’
Ik had het dus toch goed gehoord!
‘Pardon?’ De jongen was een vriend van vrienden van mij, we stonden met een hele groep op de camping. Ik kende hem niet, maar hij kende mij blijkbaar heel goed.
‘Ja, vreselijk, zoals jij bent. Daar gaat de wereld nou kapot aan.’
Ik glimlachte beleefd, want opeens wist ik toch niet meer zeker of ik het wel goed verstaan had of misschien een hele goede grap miste.
De jongen zag dit als een aanmoediging om door te gaan met zijn vakkundige analyse van mensen zoals ik, waar de wereld aan kapot gaat. ‘Ik heb wel het idee dat ik dit tegen jou kan zeggen. Dat waardeer ik dan toch wel. Ik denk dan ook dat je wel weet waar ik het over heb.’
Ik schudde van nee. Hij probeerde het nog eens uit te leggen, want ik was dan wel even abject als, zeg, de atoombom of een pandemische griep, maar tegelijk een redelijk figuur tegen wie je in alle redelijkheid kon zeggen wat je van haar vond.

Afgelopen Koninginnedag vertelde iemand me dat hij binnenkort rechter wordt. Voor een rechter is redelijkheid natuurlijk een belangrijke eigenschap.

Ik keek om me heen. Op Dour gebeuren rare dingen. Iets verderop stonden mijn vrienden bier te drinken. Een paar dansten op de muziek die het spreken bijna onmogelijk maakte. Bijna.
Een van de meisjes keek onze kant op. Ik wenkte haar, of ze kwam vanzelf, dat weet ik niet meer. Misschien keek ik zo verwilderd, zo atoombom- en pandemische griepachtig, zo alsof de wereld al dan niet aan mij ten onder zou gaan, dat ze even poolshoogte kwam nemen.
‘Hoe is het hier?’ vroeg ze.
Ik keek naar de jongen en knikte.
‘De wereld gaat gewoon ten onder aan mensen zoals zij.’ Hij wees naar mij.
Aan haar gezicht zag ik dat ik het al die tijd toch goed verstaan had. Hij herhaalde alle redelijke argumenten die hij tegen mijn persoon aan te voeren had.
Achter mijn rug hield ik met mijn linkerhand mijn rechterarm vast, want die begon richting zijn kaak te bewegen. Toch bleef ik opmerkelijk rustig voor iemand aan wie de wereld ten onder gaat. Ik was dan ook een redelijk figuur, zelfs midden in de nacht op het Dour-festival.
‘Dit hoef je niet te pikken, hoor,’ zei het meisje. Toen ze zag dat ik daarop had staan wachten en nu zou gaan slaan of mijn biertje over zijn hoofd leeggooien, pakte ze me vast en nam me mee naar de anderen.

Ik vertelde aan iedereen wat de toekomstige rechter (toen nog advocaat, geloof ik) had gezegd. En hoe veel geluk hij had dat ik zo’n redelijk figuur was, zelfs midden in de nacht op Dour. In gedachten spoog ik op hem.
De wereld! Gaat! Ten onder! Aan mensen waar ik! Op spuug!

De volgende ochtend vroeg ik me af of ik het me toch niet allemaal had verbeeld. Je weet het nooit op zulke gelegenheden, in een festivaltent, midden in de nacht, met zeer veel bier en decibellen.
Daar zat hij. Ik keek hem niet aan. Hij mij wel en hij bood zijn excuses aan. Dus toch! Dat ik niet meer precies weet wat hij voor excuus maakte, terwijl ik een dronken, nachtelijk, half overstemd gesprek jaren later nog woordelijk kan herinneren, zegt genoeg over hoe gemeend het over zal zijn gekomen.

‘Hij wordt rechter,’ hoorde ik dus laatst, op een Koninginnedagfeestje. Hij gaat recht spreken.
Op de fiets naar huis zag ik een grote reclameposter, van de VVD. ‘Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf.’
Zou de rechter in spe VVD stemmen? vroeg ik me af. En zo ja, is dat dan goed of slecht? Welke straf heeft hij in gedachten voor mensen aan wie de wereld ten onder gaat?

Mooie overplakactie: hier.

De Grote Onrust II

doors_film

In de lente woedt De Grote Onrust het hevigst. Er woedt dan al van alles, dus dat kan er ook nog wel bij. Niet alleen mensen die altijd wel een beetje last ervan hebben, maar alles en iedereen, van boom tot bloem, van poes tot puber, voelt in zijn binnenste iets gisten en heeft de drang om tot Grote Daden over te gaan. De natuur heeft maar geluk dat het haar allemaal automatisch afgaat – elk jaar weer die verwondering over bladeren die binnen een dag de koude takken verzwaren, alsof het niets is, alsof iedereen dat zomaar zou moeten kunnen.

Lente is belofte, een belofte die bovendien wordt ingelost door de wereld om ons heen. Dat sterkt je in het idee dat je het zelf ook zou moeten kunnen. En de ingeloste belofte is ook altijd zo mooi! Nooit stelt de lente teleur. Als je er maar voor gaat, liggen zulke prachtig mooie resultaten voor het oprapen! Dat is wat de lente ons vertelt.

De belofte van de lente heeft voor mij een specifiek geluid: dat van The Doors. Dat komt omdat ik The Doors ontdekte in de lente dat ik veertien werd, dezelfde lente dat ik mijn eerste sigaret rookte en voor het eerst dronken was (dit is alleen in mijn herinnering waar, de eerste sigaret was eigenlijk op een Valentijnsfeest en de eerste dronkenschap ergens in oktober). Het was het jaar van Oliver Stones film over Jim en zijn band, en 25 jaar na the summer of love (bijna dan: The Doors stamt uit 1991 en in die tijd zal dat betekend hebben dat hij in ’92 in de Nederlandse bioscopen draaide, inderdaad 25 jaar na 1967). Ik wilde natuurlijk ook een summer of love meemaken, liefst met een Jim Morrison-lookalike. En de muziek van The Doors, beluisterd in de lente, beloofde mij dat dat ook zou gaan gebeuren. Als ik nu (ik reken niet eens meer uit hoe veel jaren later) in april of mei Break On Through hoor, of Love Her Madly, of Roadhouse Blues, dan heb ik het bijna niet meer van beloftevolheid – een ander woord voor De Grote Onrust, niet eens Duits of Engels.

Tegelijk, en dat is het lullige van de lente, nodigt al dat gebloesem en zonnegeschijn alleen maar uit tot luieren. Niets werkt zo goed tegen De Grote Onrust als de zon. Opeens blijkt het toch mogelijk om minutenlang met de ogen dicht helemaal niets te denken. Uitzonderlijk. Sinds ik een tuin heb, ben ik opeens een buitenmens. Mijn bijna veertienjarige zelf moest niets hebben van dat buiten zijn dat iedereen altijd maar de hemel in prijst, vooral omdat het sociaal moest zijn. Bah! Denk je dat Jim Morrison sociaal was? De man die zijn haar liet knippen naar het model van Alexander de Grote? Nee dus.

Maar in je eigen tuin moet niets, zeker niet sociaal doen. Dus nu ben ik degene die elke maandag naar haar hoofd geslingerd krijgt dat ze wéér bruiner is geworden, bijna strafbaar bruin, beledigend bruin, asociaal bruin. Ik voel me aangesproken: De Grote Onrust begint zich weer te roeren. Had ik niet in de tuin moeten zitten? Zien ze aan me dat ik lui ben en niet tot Grote Energie in staat? Ach, denk ik dan, Proust leefde ook jarenlang een ijdel leven om het later op te kunnen schrijven. Dat is ook de lente: een beetje verwaand, totaal overtuigd van eigen kunnen, exhibitionistisch en een optimist. Zeg maar: mijn veertienjarige zelf op betere momenten.

De Grote Onrust I

kolibrie

Hoe ongemerkt een grote mijlpaal aan je voorbij kan gaan: inmiddels heb ik meer dan honderd blogjes geplaatst. Ik heb ze allemaal genummerd in een mapje op de harde schijf staan en zag dus al van verre de honderdste aankomen. Maar toen ik het ging natellen, bleek dat ik sommige stukjes was vergeten te kopiëren naar de map. De honderdste was eigenlijk de honderdzesde, of -zevende, ik kwam er niet meer uit. Nou ja, wat maakt het uit? Heel wat.

Een mooi gemiddelde, ongeveer drie blogjes per week, nietwaar? Niet waar. Het is altijd te weinig. De mensheid is op vele manieren in te delen en een ervan is de helft die De Grote Onrust altijd met zich meedraagt en de helft die De Grote Onrust niet kent. De Grote Onrust, daar moet een of ander Duits of Engels woord voor zijn. De helft die immer en altijd door De Grote Onrust achtervolgd wordt, is ook weer onder te verdelen: zij die genoeg energie hebben om De Grote Onrust ook in handelen om te zetten en zij – de grootste groep – die eigenlijk lui zijn en dus altijd het gevoel behouden dat ze te weinig doen of hun tijd verspillen. Helaas (of gelukkig?) behoor ik tot deze laatste categorie.

Een jaar of tien geleden las ik een citaat dat ik vergat maar waar ik sindsdien naar aan het zoeken ben. Het was in de tijd vóór ik memorabele citaten overnam in een notitieboekje, sterker nog, ik denk dat ik met dat notitieboekje ben begonnen omdat ik dit briljante citaat vergeten ben. Een Tachtiger (Willem Paap? Frans Coenen?) schreef iets van dat als je talent hebt maar geen doorzettingsvermogen dat dat dan het ergste is want de genius heeft de energie om zijn talent met doorzettingsvermogen, nou ja en dan kunst maken.

Zelfs vergeten citaten kunnen jaren meegaan en een blijvende invloed hebben. Uiteindelijk is de opgave van talent, het raadsel van het genie, perspiratie en inspiratie, creatie en bewondering, een van mijn grote, steeds terugkerende vraagstukken geworden. Ooit begonnen met de onbekende Tachtiger en zijn fatalistische, naturalistische jongeling met talent en zonder genie. Waarschijnlijk is het citaat onherkenbaar mocht ik het ooit terugvinden – wat de kans dat ik het terugvind aanmerkelijk verkleint.

Inmiddels weet ik dat talent en doorzettingsvermogen niet los van elkaar te zien zijn. Talent is doorzettingsvermogen: De Grote Onrust omzetten in daden, keer op keer, tienduizend uren lang, tot de Daden Groot zijn. Het is een van die inzichten die een illusie doorprikken en de realiteit blootleggen, die horen bij het ouder worden en die de wereld net iets minder mooi en raadselachtig, ja, minder romantisch maken dan hij scheen. Genieën bestaan niet en ook onontdekt talent is een mythe. ‘Als ik maar de energie had, dan zou ik fantastische dingen scheppen,’ verzucht de jongeling. ‘Mijn binnenste is een onuitputtelijke bron van geniale kunstwerken, ik moet alleen de toegang nog vinden.’ Yeah right.

De Grote Onrust zit je op de hielen en je zult er iets mee moeten doen, of niet. Het ligt allemaal in je eigen hand. Tienduizend uren: als ik nú begin dan haal ik het nog. (Denk aan Martin Bril, over wie iedereen zegt dat hij in 1997 een magisch jaar had, waarin hij – denk ik – De Grote Onrust eindelijk wist om te zetten in Grote Energie. En die zo’n tien jaar later op de toppen van zijn kunnen was.) Toch nog een briljant filosofisch proefschrift schrijven. Die roman eindelijk afmaken. Een prijswinnend essay publiceren. Elke dag een blog. Dat alles tegelijk.

Morgen begint de rest van het leven. Vandaag ben ik nog even lui. Morgen is morgen vandaag dus morgen. Voor je het weet ben je dood.

Drie dj’s, een monster en een dode paus

Mag je pretenties verwachten van iets wat vooral uitblinkt door pretentieloosheid? Ik zat toch nog een beetje in mijn maag met mijn stukje over 2 Many DJ’s en Justice. Pretentie is niet het goede woord, besef ik. Diepte ook niet. Ze spelen immers juist met de oppervlakte, met het uiterlijke en lichamelijke. Een andere Rauw-avond die in mijn geheugen gegrift staat (het geheugen van de oppervlakte) was er een met Vitalic. Het was de avond van de begrafenisdag van paus Johannes Paulus II. Die twee zijn in mijn gedachten onlosmakelijk met elkaar verbonden en die verbinding kan wellicht ophelderen waar het mij om gaat.

Het is bijna op de dag af vier jaar geleden dat de paus werd begraven. Op 8 april 2005 stroomde Rome vol met uitzinnige gelovigen en begrafenistoeristen om het evenement van dichtbij mee te maken. Het beloofde een zeer mediageniek gebeuren te worden, vol mooie rituelen, kleuren, vreemde gewaden, bloemen en emoties – allemaal in close-up. Het mediagenieke evenement blijft eigenlijk sinds die dag voortduren, via de witte rook die de verkiezing van de nieuwe paus kenbaar maakte tot aan de schoentjes en hoedjes die deze Benedictus bij gelegenheid draagt. Allemaal in close-up.

Wat die dag buitengewoon, ja bijna goddelijk maakte en de ontslapene een voorschot op heiligheid gaf (meer nog dan de ‘Santa Subito’ scanderende mensen), was het weer. Zelfs het Vaticaan kan dat niet plannen, maar de gebeden om een passende hemel zijn zeker verhoord. (Net als op het huwelijk van Maxima en Willem-Alexander, dat plaatsvond op 02-02-02 en desondanks straalde in een onwaarschijnlijk toevallig zomerzonnetje. Je zou bijna gaan geloven in de door God gestuurde Zonnekoning.)

Wind: dat was het heersende thema op 8 april 2005. Alsof een regisseur kleine jongetjes voortdurend aan de hendel van een windturbine liet draaien, zo waaide en woei het en briesde en blies het over het Sint Pieterplein.

Ik zat voor de tv (net als bij het huwelijk van de Zonnekoning), want ik hou van historische evenementen die live worden uitgezonden, zeker als ze mediageniek zijn en met tranen gepaard gaan. Ik geloofde mijn ogen niet – of ik geloofde de wind niet. Midden op het enorme plein, op de kist, lag een oeroude Bijbel, twintig centimeter dik, gebonden in Rembrandtbruin leer. Het boek van God. Iemand was het aan het lezen, terwijl er niemand bij stond. De wind.

Het Vaticaan liep uit: kardinalen, priesters enzovoorts. Allemaal met een mooie jurk aan. Robijnrood, dieppaars, goudgerand. Daar kwam weer de wind! De robes fladderden meterslang om de oude, katholieke lijven heen, onbedwingbaar, bijna koket of zelfs aanstootgevend. Of niet? Wat deed die wind daar? Was dit de adem van de hemel die een eerbetoon gaf? De adem van de overledene zelf die, zeer zwaar, omhoog trok? Hoe dan ook: stuk voor stuk stonden de paarse en robijnrode kerkelijken als Marilyn op het bordes, te kijken naar de onzichtbare hand die door het Heilige Boek bladerde.

Wat heeft dit in vredesnaam met Vitalic of 2 Many DJ’s te maken? Wel, die avond stond ik achterin Tivoli compleet uit mijn dak te gaan op een waanzinnige dj-set van Vitalic (lees hier een stuk uit de Volkskrant over deze avond). Hoe dat dan gaat: je staat te dansen en opeens vertraagt de beat. Je weet: de dj gaat je te pakken nemen en als hij het goed doet laat hij de spanning oplopen tot die bijna onhoudbaar is, tot iedereen gaat joelen en fluiten, de armen in de lucht om dan als één goedaardig monster uit elkaar te knallen als de beat weer loeihard inzet. Vitalic verstaat die kunst als de beste.

En terwijl ik daar als een ledemaat van het goedaardige monster beukte, sprong en lachte, overzag ik de zaal, die niet alleen plaats bood aan het dansmonster, maar er zelf deel van leek uit te maken. Ik zag al die fladderende armen, totale emotie vermengd met totale uitputting en overgave, ik zag dat boek weer voor me met die bladzijden die werden omgeslagen, fladderende jurken en de wind die deel uitmaakte van de ceremonie.

Iedereen dacht dat ik gek was geworden toen ik there and then begon over de paus.

Misschien moet ik ook niet verlangen dat anderen dit zien. Vooral niet omdat je het gezien moest hebben. Zeggen: dit doet me denken aan de begrafenis van de paus, daar heeft niemand wat aan. Tegen iemand zeggen die die middag ook voor de tv zat zeggen dat het lijkt op een bomvol Tivoli bij Vitalic: even zinloos. Toch zeg ik het. Omdat het precies is wat ik bedoel als ik de verkeerde woorden kies en schrijf dat ik pretentie mis. Het gaat niet om pretentie. Het gaat ook niet om hoge en lage cultuur. Niet om psychologische duidingen van de massa of iets een betekenis verlenen waar het niet om vraagt. Het enige wat ik wil doen is deze twee naast elkaar tonen, zoals ze die dag toevallig na elkaar aan mij getoond werden. De oppervlakte heeft meerdere kanten, geen diepere. Al die kanten van de oppervlakte laten zien, naast elkaar, na elkaar, gespiegeld in elkaar: daarin ligt schoonheid, geen troebele schoonheid, maar glasheldere, doorschijnende, waanzinnige schoonheid. Een gemiste kans van de filmmaker om al die wonderlijke kanten van een avond met 2 Many DJ’s onbelicht te laten.

Hier een filmpje van het goedaardig monster.

Buurten in Lunetten

lunetten_paddestoel

Afgelopen 1 april was het een jaar geleden dat we zijn verhuisd naar onze mooie ‘jaren dertig tussenwoning’ in Utrecht-West. Gisteren was ik weer terug in mijn huisje in mijn oude buurt, helemaal aan de andere kant van de stad, in Lunetten. Mijn oude huisgenoot en longtime friend was jarig. In een jaar kan veel veranderen, maar vooral ook heel weinig. Met een variatie op Kierkegaard: ‘Weer ging er een jaar voorbij, en daarin was alles precies hetzelfde gebleven.’

Niet helemaal hetzelfde natuurlijk. Mijn oud-huisgenoot had na mijn verhuizing alles opnieuw geverfd, een nieuwe vloer gelegd, een nieuwe koelkast gekocht. En terecht. Maar ook al liep ik door de lange gang – de gang waardoor ik ooit voor het huis was gevallen, en die ik associeerde met een klooster – ah en oh roepend, met een vinger langs het schilderwerk en met mijn voet op de vloer tikkend, uiteindelijk overheerste toch het gevoel dat er niets veranderd was, daar aan de andere kant van de stad.

Vooral in mijn lijf was alles hetzelfde gebleven. Ik hoefde niet eens te kijken, maar fietste erheen alsof ik nog dagelijks door de Diamantbuurt, langs de studenten en de busbaan, via de Bergenbuurt naar Lunetten ging. Op het hellinkje bij het flatgebouw sprong ik feilloos van mijn fiets en de paar treden naar het portiek op, bukte voor de trap en greep zelfs al in mijn zak naar de sleutel van de brievenbus. Aan een trappenspijl hing nog mijn oude fietsslot. Waarom ik die daar ooit had opgehangen, wist ik niet meer. Het enige wat veranderd was, waren de naambordjes op de voorheen anonieme brievenbussen. Blijkbaar woonde ik toentertijd onder iemand die Bah heet.

23 jaar vriendinnen, memoreerden we. ‘Ik voel me oud…’ zei ik, terwijl zij jarig was. We leerden elkaar ook kennen ergens in april. Op 1 maart 1986 verhuisden wij in Culemborg naar een nieuwe woning en zij woonde daarnaast. Omdat ze eind mei op mijn verjaardagsfeestje kwam, moeten we ergens in april voor het eerst met elkaar gespeeld hebben. In Lunetten werden we voor de tweede keer buurmeisjes.

Ze werd dertig, altijd leuk. Vroeger vonden we het prachtig dat we in april en mei even oud waren. Nu we allebei dertig zijn vind ik het leuker dan zij, denk ik, in tegenstelling tot vroeger. Toen was ik als oudste automatisch de stoerste, maar als je dertig bent ben je als oudste alleen maar zielig. ‘Zo erg is het nou ook weer niet,’ zei ik. ‘Ik heb het afgelopen jaar meer bereikt dan in heel veel jaren ervoor. Alleen die paar maanden WW was niet zo geslaagd.’ Helaas stond haar baan ook op de tocht, de WW was al aangevraagd. Misschien hoort het erbij als je dertig wordt, dat je een paar maanden WW krijgt.

Of misschien, dacht ik, moet ook Lunetten gewoon een keer veranderen.

Data II

praying-mantis-fossil-insect-in-amber

Op 8 december schreef ik over 8 december. Vandaag is het 10 maart en schrijf ik over 10 maart. Kierkegaard noteerde: ‘Weer ging er een jaar voorbij, en daarin was ik precies een jaar ouder geworden.’ Vandaag zijn er vijf jaren voorbij sinds mijn vader overleed en daarin ben ik precies vijf jaar ouder geworden.

10 maart was het sluitstuk van wat op Gerards verjaardag duidelijk was geworden en wat weer een half jaar eerder echt was begonnen.

In vijf jaar kan heel veel gebeuren. Niets in mijn leven is nog zoals het toen was. Dat is vreemd. Toen Gerard overleed had hij eigenlijk een andere dochter dan hij nu zou hebben gehad als hij nog leefde. Zo blijft een vijfentwintigjarige versie van mezelf op een merkwaardige manier bestaan – niet echt bestaan, maar behouden, stilgezet. Alsof er een oude versie van mij is ingekapseld in barnsteen, met zo’n vervormende gloed en golving eroverheen.

Het enige wat niet bewaard blijft is natuurlijk het geheugen. Ik weet nog dat ik heel erg mijn best heb gedaan om allerlei details van die dag (en de dagen die eraan voorafgingen) te onthouden, maar ik moet bekennen dat het niet is gelukt. Nu al niet. Wat de dokter zei en wat ik zei. Zelfs van wat ik aan had ben ik niet honderd procent zeker meer.

Gek genoeg vind ik dat niet alleen maar erg. Wat overblijft zijn namelijk een soort kernachtige herinneringen, waar je ook wel genoeg aan hebt. Hoe we op een rijtje onderaan de trap stonden. Welk weer het was (iets minder slecht dan vandaag, maar gelukkig niet heel zonnig). En dat ik een sigaret opstak om drie uur ’s middags.

Toch had ik wel graag precies geweten wat er ook al weer gezegd werd door iedereen. Die stemmen komen het barnsteen niet meer uit. En als je ze toch hoort, versta je niet wat ze zeggen.

Verwassen, nooit bezeten identiteiten

red het chili peppers

Je kleren zijn een kostuum waarmee je je voorkomen kunt benadrukken. Hoewel, als het een kostuum is, doe je iets niet goed. Het zijn hulpmiddelen, zoals de lamp die je richt op een bepaalde kant van je gezicht, om je sexy of juist intelligente oogopslag goed uit te lichten. Waarom is het zo erg dat mensen hun identiteit benadrukken met hun kleding? Zolang je die er niet helemaal aan ophangt, als een kostuum aan een haakje, kun je er maar beter aandacht aan besteden. Mensen zien het namelijk ook zo, of dat nu bewust of onbewust gebeurt. Dus dan kun je er maar beter op inspelen, zodat ze de goede informatie over jou binnenkrijgen. Noem het manipulatie, noem het zelfmarketing of noem het gewoon een goede reden om te winkelen.

Dit weekend was ik op een feestje in Culemborg, met veel mensen die ik al heel lang ken, maar niet zo vaak meer zie. Sommigen zaten bij me op de middelbare school, anderen hingen net als ik elke vrijdagavond aan dezelfde bar in dezelfde jeugdsoos. Ik vertelde over mijn boekenrubriek in high end fashion magazine l’Officiel. Niet het eerste waar je mij mee zou associëren, zeker niet als je me nog kent uit de tijd dat ik zestien was en een identiteit nodig had, liefst een alternatieve. Handig: dan kon je alto worden.

‘Inderdaad,’ zei iemand, ‘als ik me jou herinner in die tijd, zie ik zo’n zwart t-shirt van een band voor me.’ Daar was ik wel even heel makkelijk neergezet, teruggebracht tot een enkel kledingstuk. Oké, dat mag dan misschien wel een essentie van mijn identiteit hebben uitgedrukt, maar het is nou ook weer niet de bedoeling dat men je reduceert tot een verwassen t-shirt van een band die vast langzaam in marginaliteit en vergetelheid is weggegleden. Ik heb ook een keer gehoord (van iemand naast wie ik nog een tijdje zat bij Engels en die ook op dit feest was) dat ik ‘dat ene verlegen maar superintelligente meisje was’ (yes!) en van weer een derde dat hij mij zag als ‘die populaire’ – maar hij zat dan ook een klas lager en wilde vast heel graag bij de bovenbouwers horen. Ik heb mezelf nooit beschouwd als een ‘populaire’.

Hoe dan ook, ik liep inderdaad in van die zwarte t-shirts rond. Ik besloot door te vragen. ‘Ja, zo was ik,’ begon ik. ‘Weet je nog van welke band?’ Ze groef heel diep in haar geheugen, ze groef de groeven op haar voorhoofd. ‘Iets met een P.’ Nee, fout! Ik had Gotcha!, The Doors, Red Hot Chili Peppers en nog een hele vieze van Faith No More, met een dooraderde oogbal die uit een soort groen smurfensnot tevoorschijn sprong. Maar die droeg ik niet, zo was ik toch ook weer niet. De man achter de kassa van de winkel waar ik het oogbalshirt kocht (Many Colours, nu zit daar de Oil & Vinegar, het kan raar lopen) leek erg op Mike Patton vond ik, de zanger van Faith No More, misschien had ik het daarom gekocht. Maar hij miste een van zijn ondervoortanden (stoer!). Zo kun je ook herinnerd worden, die ene die leek op die zanger, maar dan zonder voortand.

‘De P van Peppers?’ probeerde ik. Van hun had ik ook de beroemde poster boven m’n bed hangen, waar alle bandleden alleen een sok droegen. In levensgroot formaat. ‘Primus!’ riep ze. Maar ik had geen t-shirt van Primus, hoewel ik ze heel goed vond. Nu werd ik herinnerd om een zwart verwassen t-shirt dat ik nooit bezeten had.

Op een reünie van school ben ik ook een keer aangesproken met de woorden: ‘Weet jij waar Rik is?’ Bleek dat ik voor sommige mensen dat meisje was waar Rik altijd achteraan liep. Toen vond ik dat stom: ik was zelf ook iemand! Nu denk ik: ik had toen gewoon een groupie, wat cool! Ondanks het zwarte, verwassen t-shirt van een band die langzaam in de marginaliteit en vergetelheid is weggegleden en dat ik nooit bezeten heb. Vaag.

Poeslief op de MacBook Pro

bamse_op_macbook

Bamse is verliefd. Niet op Ollie of Muis – hoewel ik uiteraard zou instemmen met zo’n moderne liefdesrelatie – maar op de MacBook Pro. Is dat ook acceptabel? Is liefde voor een apparaat liefde? Hoe dan ook is de liefde tragisch, want onbeantwoord.

Het zal op velen misschien stompzinnig, overdreven of zelfs kwetsend overkomen om zo te praten over verliefdheid: ten eerste gaat het om een poes, ten tweede om een apparaat. Poezen hebben alleen maar instinct, die worden niet verliefd. Hersenonderzoek leert ons echter dat verliefdheid bij mensen ook vooral een kwestie van hormonen is, vermengd met een vleugje mysterie. Katten kunnen die hormonen vast ook aanmaken en van het mysterie hebben zij geen vleugje, maar zijn zij het symbool.

Ik begrijp wel dat Bamse verliefd is op de laptop, want het is een ideale partner voor haar. Hij is mooi, warm en wil niet de hele tijd knuffelen. Hij vraagt niets terug. Als Bamse er lekker op of zelfs tegenaan gaat liggen, reageert de laptop door de toetsenbordverlichting te dimmen of juist het scherm te verhelderen. Ze geeft een kopje en er verschijnen kadertjes met vragen in beeld. Ze rekt zich uit en het scherm buigt toegeeflijk mee.

Soms wil MacBook niets van haar weten. Het scherm is half dichtgeklapt: hij geeft niet thuis. Dan gaat Bamse met rechte rug ernaast zitten, als een wachter. Ware liefde: zelfs als de ander even geen zin in je heeft, blijf je trouw en mag hem niets overkomen. Nabijheid is voldoende.

Er zijn ook strubbelingen. Eenmaal sliep MacBook in zichzelf gekeerd, de rug gevouwen. Hij moest het bekopen met een losgerukte toets. De T van Totale Toewijding moest eraan geloven.

De liefde van Bamse is ook psychologisch te duiden. Vroeger, in Bamses eerste huis, waar ze haar territorium nog niet hoefde te delen met twee andere poezen, had ik ook een laptop. Dat was haar eerste bakvissenliefde. Nu krijgt ze de kans om terug te keren naar dat verloren paradijs van de jeugd. Muis en Ollie hebben niets met de MacBook, hij behoort alleen Bamse toe. Als ze erop gaat liggen en haar ogen sluit, waant ze zich misschien wel weer terug in Lunetten.

Menselijke gevoelens, of laten we zeggen organische, hormonale gevoelens zoals Bamse ze ook heeft, gevoelens voor anorganische wezens (of is een wezen hoe dan ook niet anorganisch?) hebben altijd angst opgewekt. (Nog zo’n fijne hormonale emotie die mens en dier delen.) Zoals bijvoorbeeld in het beroemde verhaal Der Sandmann van E.T.A. Hoffmann, waar de jonge student Nathaniël valt voor de ideale schoondochter Olympia. Zij blijkt een robot en zijn liefde voor haar betekent zijn gruwelijke einde. (Hier is de Engelse vertaling The Sandman integraal te lezen.)

In Japan nemen robots de bejaardenverzorging over. Hoe erg is dat als de bejaarden een betekenisvolle relatie met hun verzorger opbouwen? Ze herkennen in de robot een persoon en voelen zich geliefd. De robot kan zo geprogrammeerd worden dat hij niet alleen bejaarden kan verzorgen, maar ook individuen leert kennen. Het is niet ondenkbaar dat hij zelfs af en toe geprogrammeerd wordt om iets verkeerds te doen, zodat er interactie ontstaat. Wat is belangrijker? Het bereikte resultaat: een goed en veilig, geborgen gevoel – of de oorsprong daarvan: een niet-menselijk (maar niet per se onmenselijk) apparaat?

Blijkbaar willen we er niet aan. In Filosofie Magazine las ik over een gedachte-experiment uit het geluksonderzoek: als je de mogelijkheid krijgt om je vast te koppelen aan een apparaat dat je de rest van je leven een volmaakt geluksgevoel garandeert, doe je dat dan? Iedereen antwoordt hierop met een ferm nee. Dat komt omdat iedereen weet dat geluk bestaat bij gratie van ongeluk. Mensen die met ja antwoorden, kunnen zich ook overgeven aan een drugsverslaving.

En Bamse? Zij heeft het voordeel dat ze niet over dit soort dingen na hoeft te denken. Warmte, licht, een beetje gekibbel, dat is voldoende. Eigenlijk is er dus niets tragisch aan, behalve het baasje dat met een handgebaar de geliefde dichtklapt.