Data I

heide

8 december. Vandaag zou mijn vader 62 jaar zijn geworden. Jim Morrison 65, mijn ex-schoonmoeder zou ook haar verjaardag hebben gevierd, John Lennon is vandaag 28 jaar dood, 26 jaar geleden vonden de Decembermoorden plaats en ik, ik had al twee jaar mijn rijbewijs kunnen hebben als ik de eerste keer was geslaagd. 8 december.

62 jaar. Dat klinkt heel oud, veel ouder dan 57. Volgend jaar maart is het vijf jaar geleden dat mijn vader is overleden, dus vandaag is het vijf jaar geleden dat hij voor het laatst jarig was.

Hij lag in het ziekenhuis want hij moest op zijn verjaardag een kijkoperatie ondergaan. De chirurgen zouden stukjes weefsel uit de keel nemen om te onderzoeken of de chemo had gewerkt. Maar deze keer was kijken eigenlijk al genoeg, ze konden zo ook wel zien dat het niet had gewerkt, dat het eerder erger was geworden. Het weefsel moest natuurlijk nog onderzocht worden, niets was zeker, niets gezegd, vergeet het maar weer, pas als de officiële uitslag er is weten we meer. Die uitslag zouden we op Kerstavond, 24 december 17:00 uur te horen krijgen. Wat een feest.

Eerst de verjaardag. Ik ging met mijn toenmalige vriend ’s avonds naar het UMC. Ik droeg een grote bos heide. Een boeket leek me ongepast, bloemenloos komen ook. Heide, dat was eenvoudig, oersterk, melancholisch getint en zoet.

De kamer lag in een rustige hoek van het ziekenhuis, een grote ruimte met warm licht. In het bed naast Gerard lag een man met een dop op de plek van zijn adamsappel naar een handradiootje te luisteren waar alleen maar ruis uit kwam. We hadden ook een cryptogrammenboekje meegenomen. We lazen een paar omschrijvingen en dachten gedrieën na. Dat werd niks.

Toen spraken we over de pasgeboren kroonprinses. Aan tafel gold de regel dat er niet gesproken werd over politiek, religie of het koningshuis (vanwege radicale denkbeelden en rijkelijk vloeiende wijn), hier was de geboorte van een prinsesje zeer welkom. We hadden het vooral over haar naam. Amalia. Er zouden vast al snel Amalia-scholen en pleinen komen. In Utrecht bestond al een Amaliastraat. Mooie straat. Voluit heette ze Catherina-Amalia. Een regenteske naam, nu al historisch. Deed denken aan de machtige koninginnen uit de vroege Renaissance. Het had iets Oostenrijks.

Over de officieuze uitslag hielden we alledrie onze mond.

De heide stond in een vaas, het cryptogrammenboekje lag op het nachttafeltje, en over Amalia konden we niets meer bedenken. Gerard liep mee naar de lift. Het ging heel langzaam. Alsof hij niet wilde dat we weggingen. Alsof hij 75 was geworden in plaats van 57. Alsof hij de tijd tot Kerstavond zo langzaam mogelijk wilde laten gaan door zo langzaam mogelijk te lopen. Maar hij kon gewoon niet sneller. Uiteindelijk kwamen we bij de lift en moest hij het hele eind weer terug, alleen. Terug naar de man met de transistorruis en de dop op zijn strottenhoofd.

Dat was dus 8 december, vandaag vijf jaar geleden. Meer kan ik er ook niet over zeggen. Het wachten was op Kerstavond.

Tussen bank en boot

katten

We zijn acht maanden verder en eindelijk is het dan zover: Bamse ligt dagenlang op de bank te pitten alsof ze nooit anders heeft gedaan. Het was een lange weg – letterlijk. Bamse speelde de rol van outcast met verve, bracht de eerste weken na de verhuizing door onder het bed, zat toen dagelijks in de badkuip, koos toen een hoekje op de overloop, liet zich soms op de trap zien. Twee maanden geleden deed ze de grote sprong voorwaarts door beneden naast de tv te gaan liggen, liet zich af en toe knuffelen op het kleed voor de bank en nu… nu is de meest comfortabele hoek van de bank (toevallig de hoek waar ik altijd zit) van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat ingenomen door onze aartsluie ex-outcast.

Gevolg is dat ik een beetje tussen wal en schip raak: ergens aan de rand van de uitstekende hoek hang ik half tegen de leuning aan, zonder kussen, want dat heeft Bamse nodig. Verderop ligt de man (vraag: waarom liggen mannen op een bank terwijl vrouwen erop zitten?), met poes Muis op schoot. Poes Ollie ligt op haar rug tussen ons in te kronkelen van aaigenot.

Tussen wal en schip: altijd als we met zijn vijven op de bank hangen, krijg ik zo’n opgewonden, kinderlijk gevoel dat de bank eigenlijk een boot is, of een eiland, of een hut voor een geheime club. Ik krijg zin om over de leuning heen op de stoel te klimmen, van daar op de tafel, een rondje maken langs de planten in de vensterbank, via de Bauhausstoelen terug naar het puntje van het kleed, in één sprong de onderste trede van de trap proberen te bereiken, dan tussen twee treden door, net als Bamse, op de box klimmen, langs de tv sluipen en op het randje van de kast heel hard gaan zitten miauwen om een snoepje.

Ik herkende datzelfde gevoel laatst bij Dexter (het allerliefste neefje van de wereld), die op de bank eerst een panter maakte van kussens, vervolgens op mij klom en zich toen via de panter op zijn buik naar beneden liet glijden. Ik mocht zijn enkels beet houden. ‘Wat een leuk spel!’ riep ik. ‘Ik zou precies hetzelfde doen.’ Dat dit geen slappe praat was tegen een tweejarige, werd bevestigd door mijn zus die van een afstandje toekeek hoe Dexter tussen tien kussen van de bank af gleed. ‘Goh, dat deed Miriam vroeger ook altijd.’ Ik voelde meteen mijn genen jubelen.

Jaren geleden, ik moet een jaar of twaalf zijn geweest, was ik met mijn moeder op bezoek bij vrienden in Denemarken. We zaten aan de keukentafel: mijn moeder, ik, en de vriendin van mijn moeder naast mij met haar dochtertje op schoot. Het meisje wiebelde met haar been tegen het mijne aan. Niet expres, niet hard, niet om me weg te duwen, maar gewoon omdat mijn been daar stond en het hare er tegenaan wiebelde.

Het was een aanraking in de categorie waar ook katten patent op hebben. Bamse rolt op haar zij, om eens even lekker haar rug bij te likken, poot als een vlaggenstok de lucht in, en gebruikt mijn heup als steun. Ollie gaat er op bed eens even goed voor zitten (voor het spinnen, of voor het genieten), met mijn scheenbeen als leuning. Het geeft uitdrukking aan een vertrouwdheid die veel verder gaat dan wanneer iemand doelbewust op schoot kruipt (kind of kat) of per se je hand wil vasthouden. Het betekent namelijk dat je volledig in elkaars wereld bent geïntegreerd. En dat dat goed is.

Ik denk niet dat volwassenen snel zo’n gebruik van elkaars lichamelijkheid kunnen nemen. Bij volwassenen heeft aanraking altijd betekenis. Alleen kinderen en dieren vinden het van geen enkel belang dat ze tegen je aan rollen terwijl ze druk bezig zijn met wat dan ook. Het enige belang dat erin steekt is gezelligheid, thuiskomen. Het decembergevoel kan beginnen!

Gek genoeg ken ik die terloopse aanraking die je opeens verbonden doet voelen met de ander ook van de straat. Elke dag fiets ik over zo’n versgelegde pijl op de weg, anderhalve meter bij een meter bij een halve centimeter. Ik fiets altijd recht op de pijl af, en dan over een van de punten. Dan ben je zelfs buiten in het spitsuur thuis. Het gevoel dat het witte kalkplakkaat onder mijn banden geeft is hetzelfde als dat van een kattenlijf tegen mijn scheenbeen. Een terloopse aanraking. Geen betekenis, geen tegenprestatie, geen eisen, maar toevallig, terloops, tevreden.

Daarvoor hang ik graag tussen bank en boot. Welcome aboard Bamse!

Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.

Lang, wollig en charmant

Object_collectors_item

Erg trendgevoelig zou ik mezelf niet noemen. Ik hou wel van winkelen, maar vind nieuwe modehypes vaak ‘Belachelijk!’. Twee jaar later, als de driekwartmouwen of strakke pijpen al volkomen ingeburgerd zijn, loop ik er alsnog mee.

Soms is er opeens een mode die ik wel leuk vind. Of leuk denk te vinden. In dit geval: die me handig lijkt. Dan moet je eigenlijk al op je hoede zijn, als je kleding handig gaat noemen. Dat staat immers meestal gelijk aan: totaal oncharmant. Ik heb het over die lange wollen vesten die je met een wollen bandje om je middel dichtknoopt, en die alle modebewuste dames in deze roerige tijden een veilig, huiselijk gevoel geven. Ik wil ook een veilig en huiselijk gevoel, dat lijkt me logisch. En ik wil het gewoon warm hebben.

Jongens zie je er nooit mee: een korte jas gecombineerd met een strak shirtje en een broek die op de heupen hangt. Het blote randje is een echt meidenprobleem. Je zit op de fiets, pakt je stuur en daar is het blote randje al. Koud! En in de winter, als je zwembandjes wit en kippenvellerig zijn, is het blote randje ook weinig verleidelijk. Handig dus, een lang wollen vest!

Jongens zullen zonder blote rand-probleem vast geen lange wollen vest-mode hebben. Gefeliciteerd. In mijn zoektocht naar het ultieme wintermode-item heb ik wel tien vesten gepast. Geloof me: ze zijn niet handig, maar wel totaal oncharmant. Uiteindelijk kwam ik wel thuis met iets wolligs en langs, maar het was een jurk. Zonder bandje om je middel maar gewoon lekker strak, en superdun omdat er meer gaten in zitten dan wol.

Thuis paste ik mijn nieuwe jurk nog eens. Er gebeurde iets geks: ik dacht plotseling dat ik een grote kralenketting om moest doen, omdat dat hoort bij opengewerkte, strakke, wollen jurken met een brede hals. Meteen toen ik dat dacht had ik de neiging met mijn benen wijd te zitten en op de grond te spugen, precies midden tussen mijn voeten.

Het was die kralenketting. Die hoort bij het plaatje. Alleen zou ik dan uitgegumd zijn, zoals indianen die hun ziel kwijtraken als er een foto van ze wordt gemaakt. Ik voelde de dikke houten kralen al als een strop om mijn hals knellen – de benauwde visie van de modehype.

Ander voorbeeld: jong en/of hip Nederland loopt er al jaren mee, de rest maanden, en sinds de vakantie heb ik ook een broek met strakke pijpen. Ik deed hem aan en haalde bijna automatisch mijn laarzen uit de kast om die strakke pijpen daarin te stoppen. Zoals het hoort. Ik had de tweede nog niet aan, of daar zat ik op de beddenrand, benen wijd, klaar om te spugen. Beter: tuffen.

Wat gebeurt hier? Waarom heb ik zo’n weerzin tegen het modeplaatje? Het kan er best leuk uitzien, grote kralenkettingen en laarzen over je broek. Hoewel, als ik het typ verzamelt het speeksel zich al in mijn mond. Hoe kan het dat mijn identiteit gedefinieerd wordt door een kralenketting? Zonder ben ik Miriam, mét ben ik een wezen uit een parallelle wereld. Ik gedraag me als een boer zodra ik eruitzie als een plaatje.

Het zal wel komen doordat ik het gevoel verafschuw dat ik iets doe omdat het moet. Noem het een autoriteitsprobleem. Maar… zie ik de modepopjes dan als autoriteit? Misschien wil ik me niet identificeren met mensen die klakkeloos trends volgen zonder na te denken. Maar als ik twee jaar later tóch de strakke pijpen aantrek, zegt dat dan niet iets over de snelheid van mijn denken, mijn uitermate sterke hang naar conventionaliteit? Of zou het komen omdat ik kralenkettingen nog altijd associeer met handwerkjuffen en strakke pijpen in laarzen met paardrijmeisjes? Dat moet het zijn. Het heeft tijd nodig voor oude associaties slijten.

Uiteindelijk trok ik mijn lange wollen jurk aan over mijn strakke pijpen. Zonder laarzen en kralenketting. Die komen over twee jaar wel.

Werk aan de winkel IV

StrengthsFinder

Ik moet mezelf tot de orde roepen. Al die tijd heb ik het over zelfkennis alsof we allemaal als eenzame monades over de aardkloot dwalen, gedoemd tot een vrije wil en met relaties die alleen maar bestaan uit beperking en gebondenheid, alsof de anderen op deze wereld zijn om jouw dromen te saboteren.

Zo’n somber wereldbeeld heb ik niet, sterker nog, ik ben optimist tegen beter weten in. Ik geloof zelfs, uche uche, in vooruitgang. Persoonlijke vooruitgang en, mompel mompel, vooruitgang van de Mensheid. Dat anderen alleen maar op de wereld zijn gezet om jou dwars te liggen, is niet slechts een zeer egocentrisch idee, maar ook te pessimistisch voor dit lachebekje.

Anderen zijn er nu eenmaal dus dan moet je er wat mee, je kunt ze niet negeren. Elk mens is anders, elke ontmoeting ook, je bent zelf voor iedereen anders en iedereen ontmoet jou verschillend. Daarin valt dus veel over jezelf te ontdekken. Denk aan de hond van Mulder in De Wandelaar van Adriaan van Dis, die Mulder kanten van zichzelf laat zien waarvan hij het bestaan nooit kon vermoeden. (Die zee van mensen, dieren en ontmoetingen vraagt wel de teruggetrokken, periodieke eenzaamheid van de monade om hem te destilleren tot zelfkennis, om het brakke water helder te krijgen.)

Soms neemt een ontmoeting extreme vormen aan; dan is het zaak extra goed op te letten. Bij een sollicitatiegesprek bijvoorbeeld. Moet je nagaan: je zit met een klein aantal wildvreemden in een ruimte en bent misschien wel een uur lang volledig op elkaar gefocust. Je wil zo snel mogelijk zo veel mogelijk van elkaar weten, je hebt elkaar nodig, en je bedriegt elkaar in wederzijds vertrouwen, want beide partijen proberen zichzelf te verkopen.

De laatste maanden heb ik redelijk veel van die extreme ontmoetingen gehad. Eigenlijk waren ze allemaal best gemoedelijk. Ik heb ook een aantal vreselijke tests moeten doen: competentie zus, vaardigheden zo. Dat is dus precies hoe het niet moet: heb je het ideale instrument om even lekker de diepte in te gaan (gewoon een gesprek van mens tot mens), gooien ze alles op gestandaardiseerde tests met gestandaardiseerde vragen en gestandaardiseerde uitkomsten. Hoe dan ook: genoeg brakke poelen tot mijn beschikking.

Het extreemst, hoewel ook heel gemoedelijk, was een gesprek waarin na drie kwartier werd gezegd: ‘Ik ga nu het boek voor je halen.’ Dat verstond in verkeerd, hij zei: ‘Ik ga nu Het Boek voor je halen.’ De ander die erbij zat legde half knipogend uit: ‘Dat betekent dat je door bent naar de volgende ronde.’

Thuis moest ik het boek lezen (Now, discover your strengths), waarin een Amerikaanse managementgoeroe uitlegt dat mensen talenten hebben, vijf zelfs voor iedereen, en dat die talenten gestimuleerd moeten worden. Goh. Er hoorde ook een online test bij, die je talenten voor je zou opsporen. ‘Je kan het niet fout doen,’ verzekerde mijn potentiële baas me. ‘Het gaat om talenten, die zijn altijd goed.’ Onzin natuurlijk, want het ging erom of mijn vijf talenten wel zouden passen bij de talenten van de baas. Die van mij bleken toch fout. Ik vond het niet heel erg dat mijn sterke punten niet liggen op het vlak van wannabe Amerikaanse managementgoeroes.

Een andere keer had ik een gesprek bij een uitzendbureau. Wederom een gemoedelijke bedoening. Toen het gesprek afgelopen was, wilde de intercedente me haar kaartje aanbieden. Verkeerd verstaan. Ze zei: ‘Mag ik je mijn kaartje laten uitkiezen?’ Toch nog extreem. Op haar bureau spreidde ze vier verschillende visitekaartjes uit, in primaire kleuren en met gepaintbrushte afbeeldingen. ‘Je kunt het niet fout doen,’ zei ze er nog bij, ‘kies er maar één uit.’ De uitzendtarot wees uit wat zij al dacht: ik was creatief. Of was het nou harmonieus? Een doorzetter? Strategisch, verantwoordelijk, eigenwijs, intelligent, dom, blond?

Mis poes.

Ik heb eb

plint

Bloed. Prikken. Bloedprikken. Talloze mensen krijgen rillingen bij deze woorden. Ik niet. Ik kijk de andere kant op en onderga de aderlating… tja, gelaten.

In de bloedprikruimte van het ziekenhuis hangen postergedichten. Goed idee: je hebt iets om naar te kijken en concentreert je op het lezen. Voor je het weet zijn de tubes weer gevuld en krijg je een watje om te stelpen. Gelukkig zijn de gedichten op de posters vaak makkelijk, meer versjes dan poëzie, anders is de verpleegster klaar voor je bij de laatste regel bent. Ze worden ook regelmatig vervangen.

Bloedprikken krijgt daarmee iets stemmigs. Dat komt ook door de sfeer in de wachtruimte. Ik bedoel niet de sfeer die iedereen benauwt zodra hij witte jassen ziet en die specifieke ziekenhuisgeur ruikt. Nee, in de wachtruimte voor de bloedpoli (lekker woord) wordt nog ouderwets gewacht.

Vroeger was dat heel normaal, tegenwoordig wachten mensen eigenlijk nooit meer. Ze bellen, mailen, lezen een gratis krant of roken bij de rookpaal (een heel andere actie dan gewoon een peuk opsteken). Allemaal dingen die in het ziekenhuis niet mogen. Toegegeven: de Metro ligt hier ook in de gangen, maar niemand leest hem.

Zo zit je dan heel rustig met tien, vijftien mensen te wachten. Geen mobiel, geen sigaret, geen krant. Sommige mensen maken een praatje. Op mompeltoon. Af en toe klinkt de zoemer en verdwijnt iemand in een bloedprikcabine. Als ze eruit komen hoor je ze zachtjes fluisteren: ‘ik heb eb, doet dat zeer? nee zegt de zee, een zee heeft geen zeer.’

(gedicht Frank Eerhart, beeld Milja Praagman)

De ruïne in de stad

De sloop van Muziekcentrum Vredenburg is nu echt begonnen. Elke keer als ik naar de stad ga is een ander fietspad afgesloten en dat blijft de komende vijf jaar nog wel zo. Vandaag fietste ik aan de overkant langs de lange wand die de sloopwerkzaamheden aan het oog moet onttrekken. Toch zie je het half afgebroken gebouw erboven uitsteken. Op de voorgrond staat iets wat lijkt op een oude stadsmuur.

Jammer genoeg is er geen plek waar je de aftakeling goed kunt bekijken. Ik vind dat namelijk prachtig. Jaren geleden was het de beurt aan het stadhuis van Utrecht. Op de Ganzenmarkt kon je van dichtbij elke fase meemaken. Daar stonden dan ook vaak een stuk of vijf oude mannetjes met de handen in de zakken, of gewoon gemakkelijk zittend op het plankje van hun rollator de hele dag te kijken. Soms stond ik daartussen. Maar vooral na het uitgaan, als de ochtend begon te schemeren en er niemand op straat was en het werk stillag, ging ik daar graag even de ruïne in me opnemen.

Niet iedereen vind dat mooi. Maar ik sta zeker niet alleen. Eeuwen geleden zetten mensen nieuw gemaakte ruïnes in hun tuin en nog steeds zijn overwoekerde, afbrokkelende gebouwen toeristische trekpleisters. Moderne sloop hoort in dat rijtje thuis.

Wat is de aantrekkingskracht van de bouwput? Of liever, de sloopput? Er zijn meerdere dingen in het spel. Ten eerste is er de reden waarom gepensioneerde mannetjes urenlang ernaar kunnen kijken: dat is een soort technische bewondering. Opeens zie je hoe zo’n gebouw in elkaar zit, hoe dik de muren zijn, dat gevlochten staalkabels het beton bij elkaar houden, waar de leidingen lopen en hoe fundamenten eigenlijk werken. Er is ook zoveel om naar te kijken, het is onaf en je ogen dwalen heen en weer. En dan verandert het ook nog met elke werkdag. Een af gebouw is gesloten, geeft zijn geheimen niet prijs. Daar ben je snel klaar mee. Een gebouw dat gesloopt wordt, is letterlijk opengebroken en laat zijn binnenste zien, nog binnender dan binnenskamers. Daar ben je nooit klaar mee.

Dat brengt de sloopliefhebber weer een stapje verder. Zo’n gebouw waar de voorkant vanaf getrokken is, geeft je de kans om te gluren. Daar houden we immers allemaal van. Kleedkamers van sterren zijn toegankelijk, de kamer van de burgemeester heeft geen deur meer. Soms hangt er hier en daar nog iets aan de muur, of er staat een plantje te verpieteren. Je kijkt niet alleen maar naar een gebouw, maar in een geleefde ruimte.

Inmiddels heeft het gebouw al bijna een persoonlijkheid gekregen. Dan is het einde zoek, het gevoel gaat meedoen. Opeens zie je een gebouw dat niet afgetakeld wordt, maar dat aftakelt. Het heeft de strijd opgegeven. Het gaat eraan. Je kijkt, met je handen diep in je zakken, tussen de oude knarren, de vergankelijkheid in het gezicht. Grote gebouwen als het stadhuis en het Muziekcentrum verliezen hun onaantastbaarheid. Het zijn gebouwen die jou hadden kunnen overleven. Het is ze niet vergund.

Net als bij de romantische namaakruïnes uit de achttiende eeuw komt het genoegen van de sloop neer op een heerlijk melancholisch gevoel. Een veilig memento mori, waar je op een afstandje naar kan kijken. Het begint echter met de bewondering voor vorm en techniek, dat hebben die opa’s goed gezien.

Het stadhuis is uiteindelijk een prachtig gebouw geworden waar ik nog steeds met veel genoegen naar kijk, niet melancholisch maar opgetogen. Laten we hopen dat dat ook voor het nieuwe Muziekpaleis gaat gelden.

Epifanie en epilepsie

epifanie

Epifanie, wie heeft er geen last van? Oorspronkelijk een religieuze openbaring, tegenwoordig de algemene benaming voor een intense geestelijke indruk. Ik heb daar veel last van, hoewel ik liever van geluk dan last zou spreken.

Vooral abstracte vormen roepen bij mij een epifanisch geluk op. Zoals bijvoorbeeld het schilderij van Mondriaan in het Kröller-Müller. Maar ook de verhouding van een hoek in de kamer en twee deuren. Of de golving van lange gordijnen als je horizontaal ernaar kijkt. Ik denk dat ik op zo’n moment eruit zie alsof ik iets geslikt heb.

Ook gedachten kunnen een epifanie zijn. Ergens moet de fysieke gewaarwording echter om de hoek komen kijken. Een inzicht alleen volstaat niet, je moet het in je hele lijf voelen. Dat schrijft ook Van Halsema in zijn vrij onleesbare werkje Epifanie: ‘Hij of zij kan gaan roepen, hij of zij kan er flink de pas in zetten.’

Zet iemand er zomaar de pas in als hij een epifanie heeft? Dat lijkt me niet. Een voor de hand liggende verklaring is dat het inzicht een enorme energie losmaakt die een uitweg zoekt (de ‘vervoerde staat van de epiphanee’ volgens Van Halsema). Ik moest daarentegen meteen denken aan een merkwaardig mechanisme van míjn lichaam en geest. Als ik een inzicht krijg waar ik me voor schaam of een gedachtegang die ‘onoirbaar’ is te ver doorvoer, krijg ik meteen een fysieke reactie: van een beetje friemelen tot spastische bewegingen. Met een uiterlijke beweging maskeer ik een innerlijke dwaling. Hoewel niemand mijn onoirbare gedachten kan lezen, heb ik blijkbaar de neiging om de aandacht er met een hoop poeha van af te leiden.

Schopenhauer legt de accenten anders: ‘Een zwakke analogie van een dergelijke vlucht vanuit de pijn in de waanzin kunnen we terugvinden in de manier waarop wij allemaal op gezette tijden een pijnlijke herinnering, die ons plotseling te binnen schiet, als het ware onwillekeurig door een luide uitroep of een onverhoedse beweging proberen te verjagen: we willen onze zinnen verzetten en tot elke prijs verstrooiing zoeken.’

De energie van vervoering vrijlaten, je schaamte maskeren, of pijnlijke herinneringen verjagen: allemaal fysieke uitingen van een psychische gespannenheid. En wie beschrijft die verbondenheid van lichaam en geest beter dan Dostojevski, van wie ik laatst De Idioot las. Daar blijkt de epifanie opeens veel weg te hebben van epilepsie, zeker bij prins Mysjkin. Hij ervaart kort voor een aanval hoe ‘de tijd zal worden opgeheven’ en door zijn ‘verhevigde bewustzijnstoestanden … klampte hij zich vast aan ieder uiterlijk voorwerp onder zijn bereik en dat vond hij prettig’.

Dat lijkt op kortsluiting: iedereen die het weleens heeft gehad zal begrijpen wat ik bedoel en aan de anderen kan ik het niet uitleggen. De existentialistische walging, die je overvalt als je opeens de werkelijkheid doorziet, zoals Roquentin in de beroemde parkscène uit Walging van Sartre: ‘de boomwortel, de hekken van het park, de bank, het iele gras van het gazon, dat alles was verdwenen; de verscheidenheid van de dingen, hun eigen karakter was alleen maar schijn, een vernisje. Dat vernislaagje was weggesmolten en wanstaltige, weke massa’s bleven over, chaotisch – en naakt, van een angstaanjagende, obscene naaktheid.’ Als de walging je overvalt, kun je maar beter zo bewust mogelijk van je lichaam blijven, om nog een beetje een band met de realiteit te behouden.

Voor veel schrijvers is de epifanie een bron van inspiratie. Een kunstwerk moet natuurlijk liefst uiting geven aan inzichten die de wereld een slag kantelen, en als kunstwerk zelf ook zo’n inzicht zijn voor anderen. Als de schrijver zijn epifanie onder woorden kan brengen, heeft hij de wereld voor een klein deel ontsloten en zijn lezers een handvat gegeven om zelf een epifanie te ondergaan. Dat is Prousts A la recherche in een notendop.

Epifanie en epilepsie: er zijn wetenschappelijke bewijzen dat de geest van de scheppende kunstenaar of wereldveranderende uitvinder gevaarlijk dicht bij die van de epilecticus staat. De eerste weet de epifanie te ondergaan en tegelijk op afstand te houden, bij de laatste neemt de fysieke reactie op de kortsluiting in de hersenen het volledig over. Dan heb je geen geluk, maar last. Dan ben je geen kunstenaar, maar idioot – geen schepper, maar vernietiger.

Er zijn te veel dingen om over na te denken.
Mijn hoofd stroomt over. Snel even aan mijn haar friemelen.

Epilepsie: wie heeft er geen last van?

Boy in Venice

Gisteren was ik een avondje alleen thuis. Een beetje moe en vastbesloten het rustig aan te doen, maakte ik van de gelegenheid gebruik een film te kijken waarvan ik vermoedde dat mijn vriend hem niet erg boeiend zou vinden: Death in Venice, de klassieker uit 1971 van Luchino Visconti, naar het boek van Thomas Mann uit 1912.

Het boek heb ik jaren geleden gelezen, en vermengt zich in mijn herinnering met De Toverberg. Iets met een ziekelijke man (Von Aschenbach) die urenlang met een deken over zijn benen op het strand zit te denken en naar die ene mooie jongen kijkt. Net als Hans Castorp in het sanatorium uit De Toverberg, die op zijn balkon in een soort slaapzak mijmert over de andere gasten, en dan vooral over de lijdelijk-mooie Claudia Chauchat.

En dan is er natuurlijk die ene mooie jongen – eigenlijk nog een jongetje – Tadzio, van wie ik een keer een foto zag op de cover van het boek The Beautiful Boy van Germaine Greer. Calvin Klein-model meets Jim Morrison, maar dan te jong om echt sexy te zijn, heel erg jaren zeventig en het onderwerp van de obsessie van een oude man. Björn Andresen, heet hij, en ik begrijp dat Visconti hem ‘the most beautiful boy in the world’ vond. Germaine Greer blijkbaar ook. Zoiets moet ik dan toch zien.

Zo saai en traag als het verhaaltje klinkt (hoewel De Toverberg niet in de laatste plaats een avonturenroman is met enkele onvergetelijk spannende cliffhangers), zo saai en traag vond ik het begin van de film. Steeds zien we een overzichtsshot, waarbinnen dan wordt ingezoomd. Het lijkt alsof in- en uitzoomen in 1971 maar op één snelheid kon. Ook is steeds de afstand die de camera overbrugt dezelfde. Op een zeker moment denk je ‘daar gáán we weer’ en kun je drie seconden lang een andere kant opkijken.

Maar opeens kreeg de film me in mijn greep. De blikken die Von Aschenbach en Tadzio uitwisselen, dat nauwelijks waarneembare glimlachje rond de jongensmond die het koude zweet doet uitbreken bij de cholerische oudere man, ze krijgen juist door die merkwaardige close-ups betrekking op jou en voor je het weet ben je als kijker zowel object als subject van de hunkering. Dat gaat zo subtiel dat ik niet eens merkte dat mijn ergernis omsloeg in fascinatie. Tadzio’s mondhoek die een millimeter krult, de manier waarop Von Aschenbach gelukzalig zijn wenkbrauwen optrekt, hoe hij zweeft tussen hoop en wanhoop, tussen gekte en zelfbeheersing, passie en rede: het zit allemaal in één complexe gezichtsuitdrukking besloten.

Veel gesproken wordt er in deze film niet, het gaat om het kijken, naar elkaar en naar de hemel, naar de opsmuk van de toeristen en de natte haren van jongens die uit de zee komen gestormd. Alles begint en eindigt met de ogen. En verdomd als het niet waar is: twee uur na het ergerlijke begin, wordt bij het overbekende einde mijn blik waterig en wazig. Net als die van Von Aschenbach, vlak voor hij in het aangezicht van zoveel schoonheid voor het laatst zijn ogen sluit. Van Björn Andresen is weinig meer vernomen. Hij blijft voor altijd the beautiful boy in de branding op het Lido.