Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo’n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. ‘Maar ik heb niet de pretentie te weten dat…’ is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. ‘Je moet je toch ergens op baseren,’ was dan de terechte repliek, ‘je hebt toch wel enige principes.’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Mezelf.’ Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit – in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht – is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

‘Die kinderen,’ zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo’n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.

Tijd om te oefenen in levenskunst

kill_bill

Ik mag nu wel zeggen dat het najaarsprogramma bij Studium Generale helemaal rond is. Ik heb namelijk vakantie. De afgelopen weken zijn we druk, nee heel druk bezig geweest met het programmaboekje, plaatjes zoeken en titels kortsluiten. Tussendoor had ik ook nog voorbesprekingen voor het programma dat ik onder mijn hoede heb, over levenskunst. Geen zweverig gedoe en geen Sonja Bakker-achtige diëten voor de geest, maar filosofen die weten dat de kunst van het leven ingewikkeld is, even ingewikkeld als kunst met een grote K.

Een voorgesprek met een filosoof over levenskunst is wel wat anders dan een kroeggesprek over het leven. Ik mag dan zelf filosofie hebben gestudeerd, als je tegenover iemand zit die al decennia nadenkt met een grote N, kom je niet weg met gemeenplaatsen of bijdehante ironie. Filosofie, zo is me wel weer duidelijk geworden, is hardop nadenken. Prachtig om dat aan te mogen horen, redelijk confronterend als je vervolgens zelf weer aan het woord bent.

Twee dingen heb ik uit de voorgesprekken al begrepen. Levenskunst is hard werken. Probleem is natuurlijk dat het nooit ophoudt tot het echt ophoudt. Je kunt nooit eens op je lauweren rusten, altijd is er weer een nieuwe situatie, nieuwe personen, nieuwe inzichten om mee te dealen, al was het maar omdat je zelf steeds ouder wordt en verandert. Mocht je eens dezelfde situatie twee keer meemaken, wat op zich al onmogelijk is, dan ben je nog niet dezelfde die het meemaakt. Je hebt dat immers al eens meegemaakt.

Toch is het mogelijk om je te oefenen. Hoe, daar zullen de lezingen meer duidelijkheid over geven. Een ander thema dat steeds terugkomt is tijd. Niet gek, want zodra je het hebt over het leven, heb je het over tijd. Zoals bij het oefenen: oefenen is tijdgebonden. De levenskunst is een kunst die zich ontvouwt in de tijd. Maar ook inhoudelijk komt de filosofie steeds terug op tijd: een van de dingen die een ware levenskunstenaar kenmerken is zijn verhouding tot de tijd. Meest bekend is de verhouding tot de dood. Het hele leven is een Sein zum Tode, zei Heidegger al en dat bedoelde hij niet eens zo morbide als het klinkt. Pas als je je verhoudt tot de dood (en de meeste mensen doen dat niet eens), ben je werkelijk vrij en vrijheid is toch wel een van de hoofdvoorwaarden voor een levenskunstig leven.

Maar ook de verhouding tot het nu is essentieel. Zodra je het daarover gaat hebben, verzeil je gauw in de terminologie van de zelfhulplectuur. Leef in het nu! Wees bewust van het heden! Pluk de dag! Hoe die clichés te vermijden? Misschien door te beseffen dat die clichés uiteindelijk weinig met het nu te maken hebben. Altijd gaat het bij zulke goeroes om de toekomst: als je leert leven in het nu, zal je in de toekomst gelukkig zijn en je doelen bereiken.

Toch denk ik dat een leven in het heden ook niet alles is. Ik heb het zo druk gehad de afgelopen tijd, dat ik nauwelijks aan iets anders kon denken dan ‘nu, nu. nu!’ Voor je het weet raak je gestrest omdat je te weinig tijd hebt.

Nú heb ik vakantie. Ik ben blij dat ik een paar uur de tijd heb om me te verheugen op de komende weken. ‘Wachten is oude tijd die te lang heeft gestaan’ schreef Tonnus Oosterhof. Maar soms is wachten jonge tijd, waarin de dag die je gaat plukken tot bloei komt.

Lebenslüge: even kennismaken

munch_karl_johan

Ik heb een nieuw woord geleerd dat heel goed dienst kan doen bij een kennismakingsrondje. Meteen de diepte in, onschuldige antwoorden zijn niet mogelijk. Zo’n heerlijk Duits woord waar een hele existentiële crisis aan kleeft, dat klinkt als het licht van een druipende kaars, bruine schaduwen op oude schilderijen, als kromgebogen onder de last van het leven peinzen, als dolende zielen in een vochtig-kil historisch stadshart, als weltschmerz. Lebenslüge: en nu allemaal rillen van unheimlich genot.

Wat is een Lebenslüge? Iedereen zal zich er meteen wel een voorstelling van kunnen maken. De levensleugen, een leugen die het leven van waarachtigheid ontdoet, maar misschien ook wel de leugen die het leven mogelijk maakt. De uitleg die ik erbij kreeg was een simpele: de Lebenslüge is de wortel die de mens zelf voor zijn neus laat bungelen, die hem op gang houdt, maar die voor altijd onbereikbaar blijft. Signaalwoord: ooit… ‘Ooit ga ik een boek schrijven.’ ‘Ooit maak ik een wereldreis.’ ‘Ooit ga ik me verdiepen in Oosterse mystiek van de vroege middeleeuwen.’ De sabbatical is de burgerlijke invulling van de Lebenslüge, de wortel die aan het touwtje van de werkgever hangt.

Toch leert een klein onderzoekje dat deze burgerlijke Lebenslüge – die onschuldig is, geaccepteerd en ongevaarlijk – maar het topje van de ijsberg vormt. Want de echte Lebenslüge, ik wilde bijna schrijven: de ware levensleugen, is niet een schimmig beeld in de toekomst die nooit heden wordt, het is de leugen die doorwerkt in het dagelijks leven van het hier en nu. Daarmee komt die dicht in de buurt van Sartres kwade trouw. Misschien kun je zeggen dat kwade trouw het resultaat is van de Lebenslüge, dat de Lebenslüge aan kwade trouw ten grondslag ligt. Hoe dan ook is de Lebenslüge ook een instrument om aan eigen verantwoordelijkheid te ontkomen en de absolute vrijheid van de mens te ontkennen.

Toch horen de twee niet helemaal bij elkaar. De Lebenslüge heeft ook iets noodzakelijks over zich, als je Wikipedia mag geloven: hoe ongegrond en ongerijmd ze ook is, ze geeft de mensen moed het leven te leven. ‘Everyone has one,’ leert een andere vermelding. Overigens is het woord wel ontsproten aan kritiek op de burgerlijkheid; wederom volgens Wikipedia werd het gemunt door Henrik Ibsen om de valse waarden van de vroeg twintigste-eeuwse burgerlijke maatschappij door te prikken.

Misschien is de meest voorkomende Lebenslüge wel dat iedereen de eerste de beste wortel pakt en liegt over zijn echte Lebenslüge, om maar te ontsnappen aan de verplichting die onder ogen te zien. ‘Ooit maak ik een wereldreis,’ uitgesproken met een knipoog, een sarcastisch lachje en een wapperende hand: dat is veel makkelijker dan te zeggen ‘Mijn leven is draaglijk omdat ik me altijd dommer voordoe dan ik ben’ of, op mondiaal niveau: ‘Ons leven is draaglijk omdat we niet hoeven te zien hoe negentig procent van de mensheid lijdt voor de welvaart van de tien procent die de andere kant op kijkt.’

Vraag is dan: kun je ervan afkomen? En wil je dat? Dat ligt eraan wat je onder een goed leven verstaat. Het geluk is met de dommen nietwaar. Waarachtigheid is met de slimmen. Eerst moet je echter ontdekken wat je eigen Lebenslüge is. Iets wat je niet in een blogje voor elkaar krijgt. En ik beloof niet dat als ik mijn eigen Lebenslüge heb ontdekt, ik hem hier zal openbaren. Bij nader inzien is ‘wat is jóuw Lebenslüge’ misschien toch niet zo geschikt voor een kennismakingsrondje…

Help, wie ben ik!

kierkegaard_corsair

Mijn zus geeft college aan de universiteit. Ze vertelde dat ze, om te ontsnappen aan het oersaaie kennismakingsrondje aan het begin van een nieuwe collegereeks, alle studenten in de groep iets over zichzelf laat vertellen aan de hand van een paar vragen. Welke vragen dan, vroeg ik natuurlijk. Had ik beter niet kunnen doen, want sindsdien verkeer ik in een identiteitscrisis.

De vragen waren – in mijn woorden: wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat in? – tot welke groep reken je jezelf en wie zie je als de ander? – en welke materiële zaken dragen dat uit? Tel dit alles bij elkaar op en je hebt de schets van een identiteit. Handig bij een college over identiteit, want dan weet iedereen waar het om draait.

Ik hou enorm van dit soort vragen. Lekker over jezelf nadenken en dat ook nog hardop mogen zeggen! En je voelt je meteen begrepen, deel van de meerderheid (= veilig) of juist van de underdog (= cool). Kan niet missen. Zoals ik laatst merkte bij een lezing over gezinnen en de levensloop, waaruit bleek dat een hoge opleiding toch echt zo’n beetje de enige meerwaarde in het leven is (hoor die zaal vol hoogopgeleiden vergenoegd smakken). Of de lezing waarbij niemand de grote, zwarte gorilla door een filmpje ziet rennen tot de prof erop wijst. Heerlijk om met z’n allen ergens in te trappen.

Tot nu. Ik had beter moeten weten, na al mijn mijmeringen over spiegelende ikken en verwassen kledingstukken. Wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat door? Geen idee. Ben ik hoogopgeleid, tweeverdiener met een koophuis en een samenlevingscontract? Gatsie. Feestbeest, muziekliefhebber, parttime drankorgel? Bah. Zo’n type met drie katten, kattenharen op haar kleren en veel te veel saaie kattenverhalen? Nee toch! Migrant, echtscheidingskindje, halve wees, zwarte school? Ook dat.

Oké, volgende. Tot welke groep behoor je? Mogelijke antwoorden, vertelde mijn zus, zijn studenten, werkende moeders of Antillianen. Weer stond ik met mijn mond vol tanden. Een ding is zeker: tot die drie groepen behoor ik niet. Verder tast ik in het duister. Misschien helpt het om te denken in politieke termen. Ware het niet dat ik voor het eerst in mijn leven overweeg om op een andere partij te stemmen. Politieke identiteitscrisis, ook dat nog.

De ander? Lastige vraag in filosofenland. Wat bedoel je met de ander? Is dat een concreet iemand, een andere groep, of een ideologie, een angst, een belofte? Mijn scriptie over Kierkegaard ging uiteindelijk over de fundamentele onkenbaarheid van de ander (zeg maar simpel: de ander is anders dan ik), dus laat ik daar verder maar geen uitspraken over doen. Bijna wanhopig probeer ik iemand te bedenken, maar ik kom er niet op. Aha, toch iets gevonden wat me onderscheidt: ik kan me goed inleven in anderen, hou ook erg ervan om advocaat van de duivel te spelen. In een slechte bui betekent dit dat ik met iedereen medelijden heb, zelfs met dingen die kapot gaan, en met mijn aardrijkskundeleraar die werd weggepest toen hij beweerde dat een aids-epidemie goed was tegen overbevolking.

Wat was die laatste? Materiële zaken. Bijna zou ik zeggen: ik probeer liefst zo weinig mogelijk mijn identiteit te laten bepalen door materiële zaken. Maar iemand die zulke dingen zegt, is voor mij de ander. Opeens weet ik nóg een antwoord: mijn boekenkast. Natuurlijk. Noem me dan ook maar een lezer, nee een denker, nee een humanist. En de ander: dat is degene die niet begrijpt wat schoonheid is.

Morgen denk ik er vast weer anders over.

De volgende vraag van mijn zus aan haar studenten was makkelijker: wat moet je wel en niet doen om te beginnen met schrijven en het ook vol te houden. Het antwoord op dat kluwen van vragen is namelijk gewoon: doen.

Leesvoer

Verdichting
Column Radboud info 80, mei 2009

Op een van de eerste mooie dagen van het jaar kwam ik terug in mijn oude buurt, waarvandaan ik een jaar geleden verhuisde. Mijn oude huis staat aan de rand van de stad, slechts door een rustig, woekerend park gescheiden van de snelweg. Dat is met het nieuwe huis niet anders, alleen wordt de honderd meter tot de ring daar opgevuld door een drukke weg en een paar bedrijven. Een halve cirkel verbindt de oude en de nieuwe buurt – toch al gauw een half uur fietsen.

Zodra ik terug was in mijn oude buurt rook ik de lente. Hoewel saai en best lelijk, had die buurt één charme: het uitgestrekte park vol kniehoge grasvelden, appel- en eikenbomen, populieren en brede sloten. Als ik in mei mijn raam open zette, rook ik de bloemenweides. Dichter op de seizoenen kun je in de stad niet wonen. Nu kwamen alle knoppen uit, alsof de natuur zijn winterjas had uitgedaan en in een oogverblindende, kleurrijke en fladderende zomeroutfit de lente vierde.

Met de geur van seringen in mijn neus fietste ik weer terug langs de cirkel naar de andere kant van de stad, naar mijn nieuwe buurt. Ik miste het park zodra ik het de rug toekeerde. Vooruit, de buurt was saai, het huis was klein. Maar was dat uitzicht geen goud waard? Het goud van duizenden seringen? Ik dacht aan de wandelingen die ik maakte, en die me altijd op goede ideeën brachten. Als ik de knoppen uit zag komen moest ik zelf ook eruit. In zomerjas, dan met de jas open en uiteindelijk, als de bloesem alweer was verwaaid en de bomen steeds donkerder groen werden, zonder jas. De gedachten groeiden mee, verloren bij elke wandeling nutteloze ballast. Geen groei dus, maar verdichting, als van hete lucht tussen hoge bomen. Hoe moesten mijn gedachten fermenteren zonder park?

Ik was bijna thuis. Het was druk op straat, mensen zaten op stoeltjes naast hun voordeur, of leunden met een ijsje in de hand tegen de vensterbank. Keuvelende mannen liepen twee aan twee op en neer. Studenten zaten op de eerste verdieping met een boek in het raamkozijn. Ook hier kwam alles uit, de winterjas nonchalant over een arm, de mouwen opgestroopt. Het mensenpark vierde even oogverblindend en kleurrijk het begin van de lente als het overwoekerde park dat ik achter me had gelaten. Tussen de muurbloempjes in het raamkozijn en de bomende mannen aan de overkant lagen de goede ideeën op straat. Ik fladderde naar huis, niet oud of nieuw, maar gewoon – naar huis.

Rob Wijnberg – Nietzsche en Kant lezen de krant

Alles is interpretatie

Rob Wijnberg (1982) studeerde filosofie en schrijft voor nrc.next. Nietzsche en Kant lezen de krant is een bundeling van essays die in die krant verschenen. Alle actuele kwesties van de laatste jaren komen voorbij, uitgekleed en gefileerd met een filosofische bibliotheek onder handbereik. Over het identiteitsprobleem van Geert Wilders en de onmogelijkheid van principes.

Van Wijnberg verschenen eerder Boeiuh en In dubio, waarvan vooral het eerste boek, een pamflet over ‘de jeugd van tegenwoordig’, indruk maakte. Nietzsche en Kant lezen de krant is minder persoonlijk gekleurd dan de eerdere titels. Dat komt enerzijds door de onderwerpen, die allemaal uit het publieke debat komen, anderzijds doordat Wijnbergs redenaties stoelen op wat andere filosofen geschreven hebben. Dat maakt de essays niet minder boeiend, want Wijnberg weet waar hij antwoorden kan vinden, en belangrijker: welke relevante vragen aan de orde zijn.

Identiteit
De stukken volgen een vast stramien. Wijnberg opent met een actueel vraagstuk en stelt vervolgens de vraag welke betekenissen en paradoxen onder de vaak schreeuwerige en al te stellige opinies schuilgaan. De belangrijke begrippen worden gedeconstrueerd aan de hand van belangrijke filosofen, die hij helder maar niet kinderachtig uitlegt. Hij heeft zijn favorieten (namelijk Nietzsche en Kant) en verklaart in de proloog: ‘ik ben zelf een postmodernist in hart en nieren.’ Dat tekent natuurlijk zijn aanpak. Niet erg, want essays behoren ook een persoonlijke zoektocht in te houden. Ten slotte komt hij weer terug bij het vraagstuk en eindigt met een leuke uitsmijter. Essay na essay is dat soms een beetje veel van hetzelfde, maar het werkt.

Zo legt hij bijvoorbeeld scherp de interne tegenstrijdigheden in de opvattingen van Geert Wilders bloot, door zijn uitspraken serieus te nemen en vervolgens op een filosofische manier te duiden. Wilders zegt bij herhaling alleen kritiek te uiten op de islam en niet op moslims. Tegelijk identificeert hij de morele waarden van de Nederlandse samenleving wél met het Nederlanderschap. Wilders hanteert met andere woorden twee definities van identiteit door elkaar, waardoor de moslims geen schijn van kans meer hebben. Een goede reden om hem voorlopig niet meer serieus te nemen, lijkt Wijnberg te zeggen.

In het essay ‘De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen’ bespreekt Wijnberg Luyendijks boek Het zijn net mensen. Luyendijk wil daarin de beperkingen van de journalist laten zien en zo de machinaties van de macht blootleggen en tegenwerken. Maar door te poneren dat objectieve journalistiek niet bestaat, aldus Wijnberg, ondergraaft Luyendijk niet de macht, maar de journalistiek en dus zichzelf. Waarom zou je Luyendijk nog geloven, als zijn mening maar een mening is?

Demasqué
Dit is een duidelijke stelling van Rob Wijnberg,  die echter leidt tot een merkwaardige spagaat. Aan de ene kant klinken zijn persoonlijke opvattingen helder door, die probeert hij dan ook niet te verbloemen: Nietzsche is zijn held en diens uitspraak ‘Alles is interpretatie’ zijn motto. Toch is Wijnberg soms zo stellig in zijn demasqué van rechtlijnige politici en heersende denkfouten, dat je onwillekeurig denkt: ‘Alles is interpretatie, toch?’ Het klinkt een beetje flauw, maar trapt Wijnberg niet in dezelfde val als Luyendijk?

Dat is inderdaad flauw, want Nietzsche en Kant lezen de krant is een intelligente en heldere collectie essays, waarin maatschappelijke actualiteit en tijdloze ideeën uit de filosofie elkaar ontmoeten. Vooral is het een pleidooi om zelf na te denken en altijd te zoeken naar verborgen belangen die een bepalende rol spelen. Wijnberg mag in het vervolg zijn eigen ideeën meer bevragen en uitwerken, en ook een eigen stijl ontwikkelen. Tot die tijd lezen we graag meer van deze essays in de krant. Alles is interpretatie, maar sommige interpretaties overtuigen meer dan andere. Het is niet voor niets dat deze krantenartikelen gebundeld zijn, de vis had er ook in kunnen gaan.

Menselijk al te menselijk: de uncanny valley

Mooi begrip: uncanny valley. Opeens hoorde ik van twee kanten over dit fenomeen. Het geeft aan dat robots die te sterk op een mens lijken, enger zijn dan een robot die niets menselijks heeft. ‘Valley’ slaat op een dip in de gevoelsmatige waardering van de te menselijke robot – die is er een van afkeer, walging en angst. De uncanny valley is makkelijk voor te stellen: een zombie is griezeliger dan een lijk. Volgens dit artikel komt dat omdat de robot ons aan de dood doet denken, maar dat is te kort door de bocht. Zombies zijn zo eng omdat ze grenzen van categorieën overschrijden: ze zijn tegelijk dood en levend, tegelijk zoals wij zelf en totaal anders. Een lijk is een lijk – ooit worden wij dat ook, maar dan zijn we niet meer wie we nu zijn. Het gaat er dus niet om dat een zombie ons herinnert aan de dood, dat doet een lijk ook. Sterker nog: een lijk herinnert ons nog wel meer aan de dood dan een zombie.

Vroeger was ik dol op spookverhalen en later ook op alle theorievorming eromheen. Het fantastische heette dat in de literatuurwetenschap, wat betekent dat in het verhaal steeds onzekerheid is over de echtheid van de gebeurtenissen. Freud schreef er een beroemd essay over: Das Unheimliche. Nog steeds hoor je mensen wel zeggen dat ze een ‘unheimlich’ gevoel hebben, dat komt dus daar vandaan. Uncanny is de Engelse vertaling. Unheimlich is iets wat bekend lijkt, maar toch een ongemakkelijk, griezelig gevoel oproept, zonder dat meteen duidelijk is waarom. In de fantastische verhalen in het unheimliche vaak gethematiseerd: doordat bijvoorbeeld een personage heel echt lijkt, maar misschien een geest is. Misschien ja, maar misschien ook niet – wat de hoofdpersoon richting krankzinnigheid drijft. Of is die krankzinnigheid soms de reden dat hij spoken ziet? Je weet het niet, dat is precies het fantastische en unheimliche eraan. Geweldig leesvoer.

Nu is er dus zoiets als de uncanny valley. Een moderne vorm van het unheimliche, zou je denken, met al die robots, maar dat is niet zo. Al eerder had ik het over Der Sandmann, het verhaal waarop Freud zijn theorie van het unheimliche bouwde en dat dus de oervorm mag worden genoemd. Laat het in dat verhaal nou net gaan over een robot, die zo menselijk is dat de hoofdpersoon verliefd op haar wordt, zonder ooit van zijn ongemakkelijke gevoel af te komen. (Maar ja, voel je je niet altijd ongemakkelijk als je verliefd bent, dus het is misschien niet zo gek dat hij zich daar niet door van de wijs liet brengen.) Uiteindelijk drijft Nathanael niet richting krankzinnigheid, maar recht erin. Hij gaat aan het unheimliche ten onder.

Nu begrijp ik waar dat aan ligt: Olympia zit op het dieptepunt van de uncanny valley. Uit het artikel blijkt dat het allemaal niet duidelijk is of de uncanny valley wel bestaat. Toch zou ik beter het zekere voor het onzekere nemen en doen zoals Bamse: vallen als een blok voor iets wat lijkt op poes noch mens: de laptop.

Chemische reacties

chemische_reacties

De doodstraf kan je achtervolgen, of lieve pasgeboren poesjes, maar ook heel wat abstractere zaken. Hoe je persoonlijke, dagelijkse leven verregaand beïnvloed wordt door fictieve, onbestaande dingen. Dit is geen thema, maar een blik op de wereld. Vaak is zo’n achtervolging te herleiden tot iets wat je gelezen hebt, een filosofie die opeens je wereld op zijn kop zet. Hoe taal alles beïnvloedt wat je ziet of wat de consequentie is van absolute vrijheid, bijvoorbeeld. Als dat eenmaal tegen je gezegd is, kom je er niet meer vanaf, je kunt de wereld niet meer zien zoals ervóór. Maar soms is zo’n ‘turn’ niet terug te voeren tot een enkel boek of een bepaald college filosofie, maar is die een optelsom van meer of minder toevallige ontmoetingen, artikelen, programma’s et cetera. Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt. Naar believen uit te breiden naar het virtuele, het immateriële, dat soort shit weetjewel.

Ik heb het niet eens in de eerste plaats over de virtuele wereld, hoewel die natuurlijk ook reëel inwerkt op het leven. Maar de virtuele wereld is denk ik al heel reëel, en dus niet een goed voorbeeld. Bovendien gaat het niet om iets nieuws, maar zoals gezegd om een manier om naar de wereld te kijken. De negentiende eeuw levert al zonder moeite een wereldberoemd voorbeeld. Madame Bovary verliest zich zozeer romantische boeken, dat die een extreem gevolg krijgen in haar leven (overspel, zelfmoord). Een niet-bestaande wereld komt binnen in de mens, gaat een chemische reactie aan met alles wat in dat mens leeft aan opvattingen, herinneringen, wensen, dromen, en komt vervolgens weer naar buiten in handelingen, uitspraken, beslissingen – kortom een materieel veranderde wereld.

Neem Bob Dylan en I’m Not There. Ook Dylan beweegt zich tussen het bestaande en niet-bestaande, ik noemde hem niet voor niets een ontsnappingskunstenaar. Hij schiep zijn eigen mythe, die realiteit is geworden. Daardoor is hij niet meer te vangen, ontsnapt hij aan elke grip, zijn status wordt almaar mythischer. Een cirkel van fictie en realiteit.

Goed, je eigen mythe leven is wel een heel extreem voorbeeld. Iets soortgelijks gebeurt echter dagelijks met mensen om ons heen, namelijk in realityprogramma’s (waar ik het al eerder over heb gehad). Er zijn zoveel realityprogramma’s dat je kunt zeggen dat inmiddels tientallen mensen per jaar een niet-reëel leven leiden, hoewel ik het toch niet meteen mythisch zou willen noemen. Figuranten in een verhaal, dat ze zelf niet schrijven. Enkelen weten het verhaal naar hun hand te zetten en het fictieve voor zichzelf om te buigen in realiteit. (Ik vrees voor de aantallen lezers die mij hier nog volgen.)

Eigenlijk begon mijn optelsom van… dit – een mooi woord is gewenst – bij Marcel Proust. Ik schreef niet zomaar ‘chemische reactie’, dat beeld heb ik geleend van de grote meester. Mijn initiële verwondering ontstond toen ik zelf meemaakte dat een boek, een roman die toch eigenlijk alleen bestaat in het hoofd van de lezer, in mijn hoofd dus, concrete en praktische consequenties had in mijn leven. Het is een enorm cliché om te zeggen dat Op zoek naar de verloren tijd ‘mijn leven heeft veranderd’, maar als je alle clichématigheid wegdenkt is het gewoon de waarheid. En in dat boek beschrijft hij ook nog eens hoe dat werkt, een boek dat je leven verandert… door wat hij een ‘chemische reactie’ noemt. Daar zal ik een andere keer misschien nog over uitweiden.

Gisteren was ik bij de presentatie van het boek Digital Material en kreeg ik een nieuwe dimensie voorgeschoteld van… dit. Te zeggen dat de roman (mythe, fictie, virtualiteit) bestaat in het hoofd van de lezer is te kort door de bocht. Immers, het immateriële manifesteert zich in eerste instantie toch in het materiële, noem het de hardware (en de mens: wetware). Daar zit denk ik een ingang om verder grip te krijgen op deze… materie. Maar ook zag ik opeens een gapende afgrond voor me openen, de afgrond van de hele geschiedenis van de filosofie. Soms weet ik niet waar ik moet beginnen met denken.

En het is zaak om te weten waar je je gedachten aan moet wijden, want als je er eenmaal op let, is het overal. Voor je het weet kom je in een achtbaan van gedachten en kun je alleen nog maar verwilderd om je heen kijken, totaal paranoïde, als een figurant in The Matrix. Het is zaak om het verhaal naar je hand te zetten en het fictieve om te buigen in realiteit. Of schep ik dan mijn eigen mythe?

Liever verraad dan verzoening?

verzoening

Verzoening. Het thema van de Maand van de Filosofie klinkt op het eerste gehoor mooi. Na de Nacht van de Filosofie, waar elke deelnemende filosoof toegaf niets met het thema op te hebben, is het woord in mijn hoofd gaan rondzingen. En eerlijk gezegd: ik vind het ook maar een saai deuntje. Neem dan verraad. Vergeving. Of iets waar nog geen woord voor is.

Stel je voor dat je jarenlang met iemand samen bent en hij zegt steeds maar dat hij een hekel heeft aan kinderen. Dan gaat het uit en nog geen jaar later heeft hij een kind. Ook al is het uit, ook al heb je zelf een nieuwe liefde, je denkt dan toch: een kind met een ander. De verrader.

Verraad moet wel het ergste zijn wat bestaat. Je hoort het al aan de passiviteit die eromheen hangt: je wordt verraden. Daar doe je zelf helemaal niets meer aan, het overkomt je. Iemand anders kan op volkomen virtuele wijze je leven overhoop halen. Want zelf heb je geen kind, de liefde is voorbij, en mensen veranderen van gedachte. Wat scheelt het dat hij met een ander is en er nog eentje bij maakt? Verraad is geniepig. De tijd heelt alle wonden en verraad scheurt ze weer open.

Niet leuk om over na te denken, dat verraad. Dus laat ik de zaak omdraaien, dan moet ik automatisch komen op het mooiste wat bestaat. Toch?

Stel je voor dat… je iemand al jarenlang kent en opeens kom je erachter dat hij allemaal heel mooie dingen over je zegt. Dat moet het omgekeerde zijn van verraad, maar is het ook het mooiste wat bestaat? Stel dat je die lange jaren heimelijk verliefd bent. Uiteindelijk ga je elk je eigen weg, de tijd slijt alle liefdes, en dan kom je hem weer tegen. Omdat het toch niet meer uitmaakt, biecht je de verliefdheid op – natuurlijk wel met wegwerpgebaar en hoongelach. En dan blijkt dat hij al die lange jaren ook heimelijk verliefd was.

Dat is niet het omgekeerde van verraad, dat is dubbel verraad: aan jezelf en aan de ander.

Waar moeten we het dan zoeken? Misschien in de richting van genade en vergiffenis? Ik weet het niet, deze woorden klinken mij iets te religieus in de oren om tegenover een misgelopen liefde te zetten. En zoals verzoening alleen kan volgen op conflict, zo is ook genade en vergiffenis een (je hoort het al) gift, iets wat je gegeven wordt of geeft. Nadat er iets vreselijks heeft plaatsgevonden, een zonde ofzo.

Nee, het moet iets zijn wat niet afhankelijk is van iets slechts, geen reactie is, niet een goedmaken is, iets wat helemaal op zichzelf staat, wat je gegeven wordt en wat je zelf moet nemen, wat geen oordeel velt en niet oordeelt. Een cadeau dat de degene die het weggeeft ook iets teruggeeft. Zodat het cadeau vermeerdert, nooit uitgeput raakt en steeds opnieuw cadeau kan zijn.

Je raadt het al: literatuur. In de literatuur staat de tijd stil. Achteraf bestaat niet. Een open deur, ik weet het: voor de eerste zin en na de laatste punt staat niets. Alleen de lezer. Verraad is uitgesloten.

Maar wil dat zeggen dat het omgekeerde van verraad zich voordoet? Ik denk het wel, heel soms, in die boeken waarin iemand zonder het zelf te weten tegen jou spreekt en jou begrijpt, zonder te weten wie jij bent, maar volkomen op de hoogte van je ziel – tot in de vezels waarvan je zelf niet dat ze bestonden. Hoe noem je dat? Een cadeautje? Een ander woord met ver-? Ik ben er nog niet uit.

Veel van de boeken die op dit blog langskomen zijn dat soort boeken. Ik wil wel weer zo’n boek. Helaas, net als verraad moet zo’n boek je overkomen. Je hebt het ook nooit voor het uitzoeken. Zelfs daar zal ik me echter nooit mee verzoenen.

Lees hier mijn verslag van de Nacht van de Filosofie.

Het is warm en overbevolkt op de uitverkochte Nacht van de Filosofie, 17 april in Felix Meritis, Amsterdam. Verzoening is het thema van dit jaar. Om te verzoenen heb je een conflict nodig, in die zin is de verhitte sfeer wel op zijn plaats. Toch lijkt het zachtaardige thema niet iedereen te inspireren tot een spetterend optreden. Grootste indruk maakt de meest controversiële en meeslepende denker die in Nederland opereert, Tariq Ramadan.

De Nacht van de Filosofie is het hoogtepunt van de bijbehorende Maand van de Filosofie. Onder professionele filosofen heerst nogal een meningsverschil over de wenselijkheid van de popularisering van hun vakgebied. In NRC Handelsblad ging Menno Lievers frontaal in de aanval tegen het ‘themafeest’ dat van de filosofie een pretpark maakt. Dat mocht geen domper op de feestvreugde zijn: in het welkomstwoord werd Lievers als azijnpisser opzij geschoven. Toch zet de opgerakelde aanval van de academicus (én journalist) de toon voor de avond. Want wat is verzoening nu eigenlijk? Eén gemeenschappelijke noemer komt steeds naar boven: conflict.

Regie
Job Cohen mag als ‘icoon van verzoening’ de avond openen en schetst in zijn korte betoog de paradoxale samenhang van verzoening en conflict. Hij spreekt de hoop uit dat de twee ondanks hun samenhang niet in een vicieuze cirkel hoeven te bewegen, maar op een dialectische manier naar iets nieuws, iets beters toe bewegen. De overheid moet begrijpen dat verzoening niet kan bestaan zonder dat het conflict de ruimte krijgt. Een interessant inkijkje in de politieke keuken van de Amsterdamse burgermeester, die er niet om bekend staat dat hij conflicten opzoekt, laat staan wil faciliteren. Nou vooruit, het ontmoeten van de ander is ook belangrijk, zegt Cohen nog vlug. Maar de zaal is al aan het denken gezet.

Ella Vogelaar, Danielle van Bennekom en Frank Meester
Ella Vogelaar, Danielle van Bennekom en Frank Meester

Op zoek naar spetterende, gepopulariseerde filosofie, trek ik naar ‘De grote verzoeningsshow’ van de gebroeders Meester, waarin live verzoening zal plaatsvinden onder het oog van een ‘deskundige jury’. Helaas is van show geen sprake en dat komt vooral door de merkwaardige combinatie van deelnemers. Een rancuneuze Ella Vogelaar naast een anoniem slachtoffer van een overval; een studente die al drie jaar over haar scriptie doet naast de directeur van stichting Slachtoffers en Daders, dat werkt dus niet. De gebroeders raken al gauw de regie kwijt en daarmee ook hun scherpzinnigheid. ‘Ik geloof niet in verzoening,’ verklapt deelnemer Rein Gerritsen. Jammer.

Groene wisselbeker
De vrees bekruipt me dat Menno Lievers gelijk had: de filosofie populariseren, loopt dat niet automatisch uit op een verzoeningsshow waarin voor de kandidaten niets te winnen valt en voor de jury niets te beoordelen? Waarin de quizmasters hun tekst kwijt zijn omdat de filosofie geen pasklare antwoorden heeft? Bladerend in het programma zie ik dat ik inmiddels al vier andere onderdelen heb gemist. Op dit Lowlands van de wijsbegeerte dwingt het blokkenschema tot pijnlijke keuzes, altijd mis je meer dan je ziet, en tussendoor heb je vijf minuten om je hutjemutje naar de andere kant van het terrein te begeven.

Maar als je dan goed zit, zit je ook echt goed. Popularisering en diepgravendheid kunnen prima hand in hand gaan, zoals bij de uitreiking van de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek van het jaar. Zeventig inzendingen leverden een shortlist van vijf titels op, maar eigenlijk staat al vast dat Hans Achterhuis’ Met alle geweld zal winnen. Voorafgaand aan de prijsuitreiking wordt in dezelfde zaal Achterhuis geïnterviewd – is dat filosofenironie of gewoon ondoordachtheid? Inderdaad krijgt Achterhuis de wisselbeker, een groen ding dat de winnaar van vorig jaar, Frank Ankersmit, te lelijk vond om in zijn huis te hebben staan. Achterhuis neemt hem graag mee, ‘ik ben trots en blij’.

Aan interviewer Wim Brands vertelt hij dat zo’n verkiezing een grote gok is. Achterhuis nam zelf ooit plaats in de jury en weet hoe het er dan aan toegaat: iedereen kan als winnaar uit de bus komen. Daarmee is Achterhuis toch iets te bescheiden. Een boek als Met alle geweld verschijnt niet elk jaar: een magnum opus waarin de auteur streeft naar volledigheid, zichzelf op het spel zet en bovendien de lezer meesleept zonder ook maar een moment aan intelligentie in te boeten. Achterhuis spaart zichzelf ook als geïnterviewde niet. ‘Ik geloofde echt dat het kon, een geweldloze wereld,’ zegt hij. ‘Maar dat is onnozel!’ roept Brands provocerend. Achterhuis laat zich niet van zijn stuk brengen en de toekenning van de prijs, een half uur later, bewijst zijn gelijk.

Hans Achterhuis en Wim Brands
Hans Achterhuis en Wim Brands

Een geweldloze samenleving is dus onmogelijk. Is verzoening dat dan ook? Eigenlijk wel, zegt Achterhuis. Hij lijkt het eens te zijn met Job Cohen: conflicten horen nu eenmaal bij de mens, geweld is een evolutionair mechanisme. ‘Ik heb dus ook wel een probleem met het thema.’ Misschien omdat verzoening een eindpunt betekent, waarover niet veel te melden is. Dat wat eraan vooraf gaat is oneindig veel complexer, gevaarlijker, veelkantiger en dus interessanter.

Jihad van vertrouwen
Tariq Ramadan denkt daar anders over. De controversiële denker uit Zwitserland, met Egyptische roots en ook werkzaam in Rotterdam, kwam de laatste tijd vaak in het nieuws. In zijn lezingen in het Arabisch zou hij andere dingen beweren dan in het Engels; een wolf in schaapskleren is hij genoemd, een homofobe fundamentalist met mooie praatjes. Ramadan verweert zich op overtuigende wijze tegen deze beschuldigingen. Mooie praatjes heeft hij zeker. Hij is verreweg de beste spreker van de avond. Met welluidende stem zet hij zijn ideeën uiteen. Die gaan eindelijk eens over de praktijk van verzoening: hoe kunnen verschillende groepen in de maatschappij vreedzaam samenleven?

Nederigheid, respect en gewoon de praktijk van het samenwerken, daar gaat het voor Ramadan om. Probeer niet steeds de idealen van mensen met elkaar te vergelijken, maar eerder de manier waarop ze hun dagelijks leven vormgeven. De maatschappij is op een zodanig niveau dat iedereen zijn steentje kan bijdragen. Zo ziet Obama dat ook graag. Ramadan heeft wel wat weg van Obama: retorische kracht gepaard aan een stevige inhoud. Jonge mensen drommen samen, de zaal hangt aan zijn lippen. ‘It’s not about being highly intelligent anymore, but deeply human.’ Toch nog een positieve blik op verzoening! Ramadans boek Een jihad van vertrouwen komt op het verlanglijstje.

De stand-up filosofie laat ik voor wat ze is. Filosofie heeft geen populaire opzetjes nodig om een groot publiek te boeien. Wel kijk ik nog even snel of het geredde slachtvarken ‘Zeeman’ is gekomen, ter ondersteuning van het pleidooi van Erno Eskens voor dierenrechten. We moeten het doen met een live verbinding naar de stal – Zeeman kon de Keizersgracht niet op. Achteraf gezien misschien maar goed ook: Eskens’ sympathieke betoog heeft geen geintjes nodig. Daarin hebben de tegenstanders van de pretparkfilosofie gelijk. De afgronden van het denken zijn van zichzelf al spannend genoeg.

Schrijven en lezen met alle geweld

schietspel

Kan het schrijven over geweld leiden tot geweld? Is er een grens aan de krochten van het kwaad waarin de schrijver afdwaalt – een grens waarachter zijn gewelddadige ik ligt te wachten tot hij wakker wordt geschopt? En de lezer over geweld, loopt die niet hetzelfde gevaar? Het zijn intrigerende vragen die Hans Achterhuis stelt in zijn ijzersterke studie Met alle geweld.

Achterhuis beoogt in zijn boek alle vormen van, perspectieven op en ervaringen met geweld te beschrijven. Bovenstaande vragen zijn dus maar strengen in het weefsel van filosofische, literaire, politieke en persoonlijke invalshoeken waaruit het werk bestaat. Niettemin zijn het fundamentele vragen, omdat Achterhuis hier zijn eigen onderneming bevraagt, uit vrees voor de mogelijke consequenties die zijn schrijven over geweld zou kunnen hebben op zijn eigen geestelijke of morele gezondheid. Als ook die van de buitenwereld: zal zijn werk hem in de klauwen van het geweld werpen, en met hem de lezer?

De discussie over gewelddadige games en films kennen we zo onderhand wel. Beïnvloeding kan niet bewezen worden, of toch weer wel. Schietgrage jongeren blijken fervente gamers met een voorkeur voor gangsta rap. Maar de miljoenen die op de bank in de huiskamer soldaatje spelen met 50 Cent op de achtergrond en toch nooit iemand in het echt neerknallen, brengen elke oorzaak en gevolg-conclusie aan het wankelen.

Daarom is het goed dat een filosoof hier eens zijn gedachten over laat gaan. Zeker als hij zijn eigen integriteit bevraagt en zijn persoonlijke ervaringen inzet. Gewelddadige games zijn natuurlijk niet hetzelfde als gewelddadige literatuur, liever: literatuur waarin geweld uitgebreid wordt beschreven. Maar ik denk dat juist de beschouwing van zulke literatuur zinnige dingen aan de oppervlakte kan brengen. Daarin gaat het (als het goed is) niet alleen om het afknallen, om bloed en botbreuken, de score op de lijkenteller en het geween en het tandengeknars. Het gaat kortom niet alleen om het resultaat van geweld. Ook, juist, om de oorzaken, de complexe emoties, de aan- en afloop, schuld en wraak, en natuurlijk de esthetiek.

Bovendien speelt het geweld in een boek zich allemaal in de lezer af, zoals het zich eerst in de schrijver afspeelde. Letters zijn niet gewelddadig, zoals de beelden van een game of film dat zijn. Die beelden ontstaan pas in het hoofd van degene die de letters tot zich neemt – en diegene blijft daardoor helemaal alleen in de gewelddadige wereld die hij zelf heeft vormgegeven. Een beangstigende gedachte.

Deze redenering kan twee kanten op. De literatuur die geweld laat zien in al zijn complexiteit, emotionaliteit, met zijn voorgeschiedenis en soms eeuwenlange nasleep, laat de lezer gelouterd bovenkomen, als Dante die door de hel gevaren is. Afschuw, woede en verdriet zullen leiden tot een verlangen naar rechtvaardigheid en liefde. Of wordt de vrees van Achterhuis bewaarheid en breekt juist het inzicht in de complexe werking van geweld en de esthetisering daarvan een beerput open, als een virus dat een leven lang kan sluimeren en door een toeval uitbarst in een allesverwoestende ziekte? Stompt de verbeelding van geweld af of heeft die eerder een verhoogde gevoeligheid tot gevolg?

Ik ben nog maar net begonnen met het lezen van Met alle geweld, maar kan nu al zeggen dat Achterhuis’ boek in elk geval de gedachten over geweld, maar ook over literatuur en lezen, verdiept. Ik moet nog maar afwachten hoe ik eruit kom, hoe diep de bodem van welke hel bij mij ligt.