Sprekende werken

macbeth_dolk

Op bezoek bij de faculteit Wijsbegeerte in Nijmegen kreeg ik een boek cadeau – Sprekende werken: over de ethische zeggingskracht van literatuur. Een perfect cadeau voor mij, want het thema ethiek en literatuur was het raadsel dat ik probeerde (en probeer) op te lossen, mijn eigen spook om te achtervolgen en door achtervolgd te worden. Het boek is een bundeling essays geschreven ter gelegenheid van het afscheid van Jacques de Visscher. Ik herinner me professor De Visscher als het archetype filosoof: wapperende panden, wapperende grijze haren, een grote bril en baard. Hij had geen e-mail en studenten moesten als tentamen hun werkstuk live komen schrijven in een collegezaal. Twee jaar volgde ik het vak Filosofie en Literatuur bij hem; de ene keer ging het over de tragedie en lazen we als kerntekst Shakespeares Macbeth, de andere keer over mythische aspecten van literatuur. Maar het ging eigenlijk niet over mythen of tragedies. Eigenlijk ging het gewoon over Filosofie en Literatuur.

De Visscher sprak ook als een archetypische filosoof: al denkend. Sommige mensen konden daar niet tegen, die werden zenuwachtig van die meanderende zinnen die nooit leken te eindigen, en dan ook nog uitgesproken op z’n Vlaams. Ik moest er ook aan wennen, maar toen dat eenmaal was gebeurd, kon ik alleen nog maar bewondering hebben voor dat denkende praten. Echt systematisch waren de colleges niet, een lijn viel er niet meteen in te ontdekken. Het begon ermee dat de prof een stuk tekst voorlas of liet voorlezen. Een paar regels van Macbeth of uit Faust. Die werden dan herhaald, geproefd op de tong, voorzien van heel veel vragen, uit elkaar gepeuzeld, dubbelzinnig gemaakt, nooit vereenvoudigd. Daar zullen ook veel mensen gek van zijn geworden. Maar de ‘ethische zeggingskracht van literatuur’, zo schemerde tussen die colleges door, lag juist in de complexiteit, in meerduidigheid en interpretatiemoeilijkheden en vooral in symboliek. Symbolen, niet als een soort tekensysteem dat je met een woordenboek in de hand kunt ontcijferen (vogel = ziel of zo), maar een samenballing van betekenissen, soms zelfs tegenstrijdige betekenissen. Wat is daar ethisch aan? Nou, misschien niet meer of minder dan dat literatuur laat zien hoe moeilijk het is om betekenis te verlenen aan het handelen, om te oordelen over mensen en om waarachtig te spreken.

De essays in Sprekende werken behandelen de meest uiteenlopende teksten en auteurs, wat altijd leuk is. Meteen zet zo’n verzameling je ertoe aan die werken zelf uit de kast te pakken of op de verlanglijst te zetten (budgettair niet altijd even handig, een boek dat de wens naar tien andere boeken in je wakker maakt). Wat jammer is, is dat sommige bijdragen in de val trappen waar Jacques De Visscher altijd met een grote boog omheen liep – literatuur ontleden volgens een symbolenwoordenboek of een handzaam model. Modellen en literatuur: dat werkt alleen in Super-Cannes van J.G. Ballard. Af en toe staat er zelfs een zinsnede als ‘de schrijver bedoelt hier…’ Dat is niet de ethische zeggingskracht van de literatuur, want die is altijd meerstemmig. Dat is, ethisch gesproken, hybris.

Oordeel

Er zijn mensen die niet van muziek houden. Ja echt. ‘Daar heb ik niks mee,’ zeggen ze, alsof het over oude auto’s gaat. Je mag niet oordelen over de voorkeuren van een ander, dus ik zeg er verder niets over.

Nog vreemder zijn mensen die niet van dieren houden. Vooral omdat er voor iedereen wel een geschikt dier te vinden is. Ik heb zelf drie katten, die ruiken zo lekker in hun nek en zijn lui en ongenaakbaar. Anderen kiezen misschien voor een paard (edel) of een papegaai (spraakzaam) of diepzeevissen (koel en mysterieus).

Nu ga ik te ver. Dieren mag je geen menselijke eigenschappen toedichten, heb ik geleerd. Een papegaai kan nog zo spraakzaam lijken omdat hij geluiden uitstoot, dat betekent niet dat hij praat, laat staan dat hij iets te zeggen heeft. Mijn kat lijkt misschien wel tot over haar oren verliefd op de rode kater van de buren, liefde is een concept dat ik daarop plak. Eigenlijk is dat het meest respectloze wat je kan doen, omdat het voorbij gaat aan de aard van het dier, die dierlijk is en niet menselijk. Het dier is ook een ander, over wie je niet mag oordelen.

Aan de andere kant: is het niet juist het mooiste wat je kan doen? Is dat niet waarom mensen van dieren houden? Ze nodigen je uit tot een verstandhouding. Maar omdat je niet weet wat er in het beestje omgaat, zal het altijd een zoekende verstandhouding zijn. Uiteindelijk moet je accepteren dat je elkaar nooit echt zult kennen.

Dag in dag uit leef je samen, zie je de poes nuffig en zogenaamd ongeïnteresseerd bij het kattenluikje zitten tot de buurkat opduikt, en elke dag moet je constateren dat je met een wildvreemde je huis deelt. En dat je juist daarom met haar je huis deelt.

Het verschil met muziek is misschien niet zo groot. Keer op keer luister ik naar een liedje en moet ik erkennen dat ik het niet begrijp. Ik loop over straat met mijn oordopjes in en voel hoe mijn tred lichter wordt. Maar ik kan niet uitleggen waarom.

Dier en muziekstuk – beide leren ze je dat je niet op het eerste gezicht of eerste gehoor kunt oordelen. Ze bestaan en jij mag daarbij aanwezig zijn. Al zou je een oordeel uitspreken, dat horen ze toch niet, het verandert niets aan wie of wat ze zijn. Een positie die noopt tot bescheidenheid.

Wat zegt dat dan over die anderen, die niets met muziek hebben of niet van dieren houden? Daar oordeel ik niet over.

[verschenen als column in Radboud info 81, september 2009]

Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid

levenskunst

Had Michel de Montaigne in deze tijden geleefd in plaats van in de zestiende eeuw, dan had hij misschien wel een weblog bijgehouden. Want het zelfonderzoek van Montaigne, samengebracht in zijn Essays, had goed gepast bij de open en onderzoekende vorm van een weblog (het was dan het weblog op zijn best geweest). Ook daarin hangt alles met elkaar samen. De schrijver verwijst naar hoge en lage, de hedendaagse en voorbije cultuur – in Montaignes tijd vaak Latijnse citaten, in deze tijd filmpjes van Youtube. En het weblog is nooit af, net als de Essays. Steeds keerde Montaigne terug naar zijn tekst, verwerkte reacties van anderen, schrapte en herschreef.

Het is een intrigerend beeld dat Joep Dohmen van een virtuele Montaigne schept. In zijn lezing in de serie Levenskunst gaat hij nader in op de morele houding die uit de Essays te destilleren is. Het begin is beroemd: Montaigne verklaart dat hij een leven zonder opsmuk wil beschrijven, ‘naakt’. Niet zomaar een leven, zijn eigen leven. Waarom schetst Montaigne zijn zelfportret zo ‘gewoontjes’? En is het geen valse bescheidenheid, is Montaigne eigenlijk niet verblind door ijdelheid als hij zichzelf zo op de voorgrond plaatst, zoals Pascal beweerde?

Een van de belangrijkste dingen van de Essays is de activiteit van het schrijven zelf. Het schrijven is een vorm van zelfonderzoek. En zelfkennis, zo stel Montaigne, is een opdracht van elke mens. Alleen door heel nauwkeurig en eerlijk jezelf te bestuderen, kun je je oordeelsvermogen scherpen. Dat is nodig om met de veranderlijkheid om te kunnen gaan, die de mens en het leven kenmerkt. Veranderlijkheid ook een kenmerk van het essay, dat een zoekende vorm is. Vorm en inhoud vallen hier samen.

Zelfkennis is dus te vinden bij het schrijfproces. Montaigne trekt zich terug en probeert zichzelf via zijn teksten te begrijpen. Dit gaat eerst aan de hand van citaten van illustere voorbeelden, later gebruikt Montaigne steeds meer zijn eigen stem en vindt hij een persoonlijke uitdrukkingsvorm. Het zoeken en verwijzen betekent geenszins dat de diepte wordt geschuwd. Hoewel Montaigne erg grappig is, treffen zijn inzichten in de mens door hun nauwkeurigheid, die tegelijk algemeen is. Montaigne is een voorloper én een voorbeeld voor de moderne bloggers, stelt Dohmen. Laten we hopen dat onder hen iemand zit die evenveel vreugde en wijsheid brengt.

Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo’n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. ‘Maar ik heb niet de pretentie te weten dat…’ is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. ‘Je moet je toch ergens op baseren,’ was dan de terechte repliek, ‘je hebt toch wel enige principes.’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Mezelf.’ Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit – in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht – is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

‘Die kinderen,’ zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo’n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.

Tijd om te oefenen in levenskunst

kill_bill

Ik mag nu wel zeggen dat het najaarsprogramma bij Studium Generale helemaal rond is. Ik heb namelijk vakantie. De afgelopen weken zijn we druk, nee heel druk bezig geweest met het programmaboekje, plaatjes zoeken en titels kortsluiten. Tussendoor had ik ook nog voorbesprekingen voor het programma dat ik onder mijn hoede heb, over levenskunst. Geen zweverig gedoe en geen Sonja Bakker-achtige diëten voor de geest, maar filosofen die weten dat de kunst van het leven ingewikkeld is, even ingewikkeld als kunst met een grote K.

Een voorgesprek met een filosoof over levenskunst is wel wat anders dan een kroeggesprek over het leven. Ik mag dan zelf filosofie hebben gestudeerd, als je tegenover iemand zit die al decennia nadenkt met een grote N, kom je niet weg met gemeenplaatsen of bijdehante ironie. Filosofie, zo is me wel weer duidelijk geworden, is hardop nadenken. Prachtig om dat aan te mogen horen, redelijk confronterend als je vervolgens zelf weer aan het woord bent.

Twee dingen heb ik uit de voorgesprekken al begrepen. Levenskunst is hard werken. Probleem is natuurlijk dat het nooit ophoudt tot het echt ophoudt. Je kunt nooit eens op je lauweren rusten, altijd is er weer een nieuwe situatie, nieuwe personen, nieuwe inzichten om mee te dealen, al was het maar omdat je zelf steeds ouder wordt en verandert. Mocht je eens dezelfde situatie twee keer meemaken, wat op zich al onmogelijk is, dan ben je nog niet dezelfde die het meemaakt. Je hebt dat immers al eens meegemaakt.

Toch is het mogelijk om je te oefenen. Hoe, daar zullen de lezingen meer duidelijkheid over geven. Een ander thema dat steeds terugkomt is tijd. Niet gek, want zodra je het hebt over het leven, heb je het over tijd. Zoals bij het oefenen: oefenen is tijdgebonden. De levenskunst is een kunst die zich ontvouwt in de tijd. Maar ook inhoudelijk komt de filosofie steeds terug op tijd: een van de dingen die een ware levenskunstenaar kenmerken is zijn verhouding tot de tijd. Meest bekend is de verhouding tot de dood. Het hele leven is een Sein zum Tode, zei Heidegger al en dat bedoelde hij niet eens zo morbide als het klinkt. Pas als je je verhoudt tot de dood (en de meeste mensen doen dat niet eens), ben je werkelijk vrij en vrijheid is toch wel een van de hoofdvoorwaarden voor een levenskunstig leven.

Maar ook de verhouding tot het nu is essentieel. Zodra je het daarover gaat hebben, verzeil je gauw in de terminologie van de zelfhulplectuur. Leef in het nu! Wees bewust van het heden! Pluk de dag! Hoe die clichés te vermijden? Misschien door te beseffen dat die clichés uiteindelijk weinig met het nu te maken hebben. Altijd gaat het bij zulke goeroes om de toekomst: als je leert leven in het nu, zal je in de toekomst gelukkig zijn en je doelen bereiken.

Toch denk ik dat een leven in het heden ook niet alles is. Ik heb het zo druk gehad de afgelopen tijd, dat ik nauwelijks aan iets anders kon denken dan ‘nu, nu. nu!’ Voor je het weet raak je gestrest omdat je te weinig tijd hebt.

Nú heb ik vakantie. Ik ben blij dat ik een paar uur de tijd heb om me te verheugen op de komende weken. ‘Wachten is oude tijd die te lang heeft gestaan’ schreef Tonnus Oosterhof. Maar soms is wachten jonge tijd, waarin de dag die je gaat plukken tot bloei komt.

Lebenslüge: even kennismaken

munch_karl_johan

Ik heb een nieuw woord geleerd dat heel goed dienst kan doen bij een kennismakingsrondje. Meteen de diepte in, onschuldige antwoorden zijn niet mogelijk. Zo’n heerlijk Duits woord waar een hele existentiële crisis aan kleeft, dat klinkt als het licht van een druipende kaars, bruine schaduwen op oude schilderijen, als kromgebogen onder de last van het leven peinzen, als dolende zielen in een vochtig-kil historisch stadshart, als weltschmerz. Lebenslüge: en nu allemaal rillen van unheimlich genot.

Wat is een Lebenslüge? Iedereen zal zich er meteen wel een voorstelling van kunnen maken. De levensleugen, een leugen die het leven van waarachtigheid ontdoet, maar misschien ook wel de leugen die het leven mogelijk maakt. De uitleg die ik erbij kreeg was een simpele: de Lebenslüge is de wortel die de mens zelf voor zijn neus laat bungelen, die hem op gang houdt, maar die voor altijd onbereikbaar blijft. Signaalwoord: ooit… ‘Ooit ga ik een boek schrijven.’ ‘Ooit maak ik een wereldreis.’ ‘Ooit ga ik me verdiepen in Oosterse mystiek van de vroege middeleeuwen.’ De sabbatical is de burgerlijke invulling van de Lebenslüge, de wortel die aan het touwtje van de werkgever hangt.

Toch leert een klein onderzoekje dat deze burgerlijke Lebenslüge – die onschuldig is, geaccepteerd en ongevaarlijk – maar het topje van de ijsberg vormt. Want de echte Lebenslüge, ik wilde bijna schrijven: de ware levensleugen, is niet een schimmig beeld in de toekomst die nooit heden wordt, het is de leugen die doorwerkt in het dagelijks leven van het hier en nu. Daarmee komt die dicht in de buurt van Sartres kwade trouw. Misschien kun je zeggen dat kwade trouw het resultaat is van de Lebenslüge, dat de Lebenslüge aan kwade trouw ten grondslag ligt. Hoe dan ook is de Lebenslüge ook een instrument om aan eigen verantwoordelijkheid te ontkomen en de absolute vrijheid van de mens te ontkennen.

Toch horen de twee niet helemaal bij elkaar. De Lebenslüge heeft ook iets noodzakelijks over zich, als je Wikipedia mag geloven: hoe ongegrond en ongerijmd ze ook is, ze geeft de mensen moed het leven te leven. ‘Everyone has one,’ leert een andere vermelding. Overigens is het woord wel ontsproten aan kritiek op de burgerlijkheid; wederom volgens Wikipedia werd het gemunt door Henrik Ibsen om de valse waarden van de vroeg twintigste-eeuwse burgerlijke maatschappij door te prikken.

Misschien is de meest voorkomende Lebenslüge wel dat iedereen de eerste de beste wortel pakt en liegt over zijn echte Lebenslüge, om maar te ontsnappen aan de verplichting die onder ogen te zien. ‘Ooit maak ik een wereldreis,’ uitgesproken met een knipoog, een sarcastisch lachje en een wapperende hand: dat is veel makkelijker dan te zeggen ‘Mijn leven is draaglijk omdat ik me altijd dommer voordoe dan ik ben’ of, op mondiaal niveau: ‘Ons leven is draaglijk omdat we niet hoeven te zien hoe negentig procent van de mensheid lijdt voor de welvaart van de tien procent die de andere kant op kijkt.’

Vraag is dan: kun je ervan afkomen? En wil je dat? Dat ligt eraan wat je onder een goed leven verstaat. Het geluk is met de dommen nietwaar. Waarachtigheid is met de slimmen. Eerst moet je echter ontdekken wat je eigen Lebenslüge is. Iets wat je niet in een blogje voor elkaar krijgt. En ik beloof niet dat als ik mijn eigen Lebenslüge heb ontdekt, ik hem hier zal openbaren. Bij nader inzien is ‘wat is jóuw Lebenslüge’ misschien toch niet zo geschikt voor een kennismakingsrondje…

Help, wie ben ik!

kierkegaard_corsair

Mijn zus geeft college aan de universiteit. Ze vertelde dat ze, om te ontsnappen aan het oersaaie kennismakingsrondje aan het begin van een nieuwe collegereeks, alle studenten in de groep iets over zichzelf laat vertellen aan de hand van een paar vragen. Welke vragen dan, vroeg ik natuurlijk. Had ik beter niet kunnen doen, want sindsdien verkeer ik in een identiteitscrisis.

De vragen waren – in mijn woorden: wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat in? – tot welke groep reken je jezelf en wie zie je als de ander? – en welke materiële zaken dragen dat uit? Tel dit alles bij elkaar op en je hebt de schets van een identiteit. Handig bij een college over identiteit, want dan weet iedereen waar het om draait.

Ik hou enorm van dit soort vragen. Lekker over jezelf nadenken en dat ook nog hardop mogen zeggen! En je voelt je meteen begrepen, deel van de meerderheid (= veilig) of juist van de underdog (= cool). Kan niet missen. Zoals ik laatst merkte bij een lezing over gezinnen en de levensloop, waaruit bleek dat een hoge opleiding toch echt zo’n beetje de enige meerwaarde in het leven is (hoor die zaal vol hoogopgeleiden vergenoegd smakken). Of de lezing waarbij niemand de grote, zwarte gorilla door een filmpje ziet rennen tot de prof erop wijst. Heerlijk om met z’n allen ergens in te trappen.

Tot nu. Ik had beter moeten weten, na al mijn mijmeringen over spiegelende ikken en verwassen kledingstukken. Wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat door? Geen idee. Ben ik hoogopgeleid, tweeverdiener met een koophuis en een samenlevingscontract? Gatsie. Feestbeest, muziekliefhebber, parttime drankorgel? Bah. Zo’n type met drie katten, kattenharen op haar kleren en veel te veel saaie kattenverhalen? Nee toch! Migrant, echtscheidingskindje, halve wees, zwarte school? Ook dat.

Oké, volgende. Tot welke groep behoor je? Mogelijke antwoorden, vertelde mijn zus, zijn studenten, werkende moeders of Antillianen. Weer stond ik met mijn mond vol tanden. Een ding is zeker: tot die drie groepen behoor ik niet. Verder tast ik in het duister. Misschien helpt het om te denken in politieke termen. Ware het niet dat ik voor het eerst in mijn leven overweeg om op een andere partij te stemmen. Politieke identiteitscrisis, ook dat nog.

De ander? Lastige vraag in filosofenland. Wat bedoel je met de ander? Is dat een concreet iemand, een andere groep, of een ideologie, een angst, een belofte? Mijn scriptie over Kierkegaard ging uiteindelijk over de fundamentele onkenbaarheid van de ander (zeg maar simpel: de ander is anders dan ik), dus laat ik daar verder maar geen uitspraken over doen. Bijna wanhopig probeer ik iemand te bedenken, maar ik kom er niet op. Aha, toch iets gevonden wat me onderscheidt: ik kan me goed inleven in anderen, hou ook erg ervan om advocaat van de duivel te spelen. In een slechte bui betekent dit dat ik met iedereen medelijden heb, zelfs met dingen die kapot gaan, en met mijn aardrijkskundeleraar die werd weggepest toen hij beweerde dat een aids-epidemie goed was tegen overbevolking.

Wat was die laatste? Materiële zaken. Bijna zou ik zeggen: ik probeer liefst zo weinig mogelijk mijn identiteit te laten bepalen door materiële zaken. Maar iemand die zulke dingen zegt, is voor mij de ander. Opeens weet ik nóg een antwoord: mijn boekenkast. Natuurlijk. Noem me dan ook maar een lezer, nee een denker, nee een humanist. En de ander: dat is degene die niet begrijpt wat schoonheid is.

Morgen denk ik er vast weer anders over.

De volgende vraag van mijn zus aan haar studenten was makkelijker: wat moet je wel en niet doen om te beginnen met schrijven en het ook vol te houden. Het antwoord op dat kluwen van vragen is namelijk gewoon: doen.

Leesvoer

Verdichting
Column Radboud info 80, mei 2009

Op een van de eerste mooie dagen van het jaar kwam ik terug in mijn oude buurt, waarvandaan ik een jaar geleden verhuisde. Mijn oude huis staat aan de rand van de stad, slechts door een rustig, woekerend park gescheiden van de snelweg. Dat is met het nieuwe huis niet anders, alleen wordt de honderd meter tot de ring daar opgevuld door een drukke weg en een paar bedrijven. Een halve cirkel verbindt de oude en de nieuwe buurt – toch al gauw een half uur fietsen.

Zodra ik terug was in mijn oude buurt rook ik de lente. Hoewel saai en best lelijk, had die buurt één charme: het uitgestrekte park vol kniehoge grasvelden, appel- en eikenbomen, populieren en brede sloten. Als ik in mei mijn raam open zette, rook ik de bloemenweides. Dichter op de seizoenen kun je in de stad niet wonen. Nu kwamen alle knoppen uit, alsof de natuur zijn winterjas had uitgedaan en in een oogverblindende, kleurrijke en fladderende zomeroutfit de lente vierde.

Met de geur van seringen in mijn neus fietste ik weer terug langs de cirkel naar de andere kant van de stad, naar mijn nieuwe buurt. Ik miste het park zodra ik het de rug toekeerde. Vooruit, de buurt was saai, het huis was klein. Maar was dat uitzicht geen goud waard? Het goud van duizenden seringen? Ik dacht aan de wandelingen die ik maakte, en die me altijd op goede ideeën brachten. Als ik de knoppen uit zag komen moest ik zelf ook eruit. In zomerjas, dan met de jas open en uiteindelijk, als de bloesem alweer was verwaaid en de bomen steeds donkerder groen werden, zonder jas. De gedachten groeiden mee, verloren bij elke wandeling nutteloze ballast. Geen groei dus, maar verdichting, als van hete lucht tussen hoge bomen. Hoe moesten mijn gedachten fermenteren zonder park?

Ik was bijna thuis. Het was druk op straat, mensen zaten op stoeltjes naast hun voordeur, of leunden met een ijsje in de hand tegen de vensterbank. Keuvelende mannen liepen twee aan twee op en neer. Studenten zaten op de eerste verdieping met een boek in het raamkozijn. Ook hier kwam alles uit, de winterjas nonchalant over een arm, de mouwen opgestroopt. Het mensenpark vierde even oogverblindend en kleurrijk het begin van de lente als het overwoekerde park dat ik achter me had gelaten. Tussen de muurbloempjes in het raamkozijn en de bomende mannen aan de overkant lagen de goede ideeën op straat. Ik fladderde naar huis, niet oud of nieuw, maar gewoon – naar huis.

Rob Wijnberg – Nietzsche en Kant lezen de krant

Alles is interpretatie

Rob Wijnberg (1982) studeerde filosofie en schrijft voor nrc.next. Nietzsche en Kant lezen de krant is een bundeling van essays die in die krant verschenen. Alle actuele kwesties van de laatste jaren komen voorbij, uitgekleed en gefileerd met een filosofische bibliotheek onder handbereik. Over het identiteitsprobleem van Geert Wilders en de onmogelijkheid van principes.

Van Wijnberg verschenen eerder Boeiuh en In dubio, waarvan vooral het eerste boek, een pamflet over ‘de jeugd van tegenwoordig’, indruk maakte. Nietzsche en Kant lezen de krant is minder persoonlijk gekleurd dan de eerdere titels. Dat komt enerzijds door de onderwerpen, die allemaal uit het publieke debat komen, anderzijds doordat Wijnbergs redenaties stoelen op wat andere filosofen geschreven hebben. Dat maakt de essays niet minder boeiend, want Wijnberg weet waar hij antwoorden kan vinden, en belangrijker: welke relevante vragen aan de orde zijn.

Identiteit
De stukken volgen een vast stramien. Wijnberg opent met een actueel vraagstuk en stelt vervolgens de vraag welke betekenissen en paradoxen onder de vaak schreeuwerige en al te stellige opinies schuilgaan. De belangrijke begrippen worden gedeconstrueerd aan de hand van belangrijke filosofen, die hij helder maar niet kinderachtig uitlegt. Hij heeft zijn favorieten (namelijk Nietzsche en Kant) en verklaart in de proloog: ‘ik ben zelf een postmodernist in hart en nieren.’ Dat tekent natuurlijk zijn aanpak. Niet erg, want essays behoren ook een persoonlijke zoektocht in te houden. Ten slotte komt hij weer terug bij het vraagstuk en eindigt met een leuke uitsmijter. Essay na essay is dat soms een beetje veel van hetzelfde, maar het werkt.

Zo legt hij bijvoorbeeld scherp de interne tegenstrijdigheden in de opvattingen van Geert Wilders bloot, door zijn uitspraken serieus te nemen en vervolgens op een filosofische manier te duiden. Wilders zegt bij herhaling alleen kritiek te uiten op de islam en niet op moslims. Tegelijk identificeert hij de morele waarden van de Nederlandse samenleving wél met het Nederlanderschap. Wilders hanteert met andere woorden twee definities van identiteit door elkaar, waardoor de moslims geen schijn van kans meer hebben. Een goede reden om hem voorlopig niet meer serieus te nemen, lijkt Wijnberg te zeggen.

In het essay ‘De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen’ bespreekt Wijnberg Luyendijks boek Het zijn net mensen. Luyendijk wil daarin de beperkingen van de journalist laten zien en zo de machinaties van de macht blootleggen en tegenwerken. Maar door te poneren dat objectieve journalistiek niet bestaat, aldus Wijnberg, ondergraaft Luyendijk niet de macht, maar de journalistiek en dus zichzelf. Waarom zou je Luyendijk nog geloven, als zijn mening maar een mening is?

Demasqué
Dit is een duidelijke stelling van Rob Wijnberg,  die echter leidt tot een merkwaardige spagaat. Aan de ene kant klinken zijn persoonlijke opvattingen helder door, die probeert hij dan ook niet te verbloemen: Nietzsche is zijn held en diens uitspraak ‘Alles is interpretatie’ zijn motto. Toch is Wijnberg soms zo stellig in zijn demasqué van rechtlijnige politici en heersende denkfouten, dat je onwillekeurig denkt: ‘Alles is interpretatie, toch?’ Het klinkt een beetje flauw, maar trapt Wijnberg niet in dezelfde val als Luyendijk?

Dat is inderdaad flauw, want Nietzsche en Kant lezen de krant is een intelligente en heldere collectie essays, waarin maatschappelijke actualiteit en tijdloze ideeën uit de filosofie elkaar ontmoeten. Vooral is het een pleidooi om zelf na te denken en altijd te zoeken naar verborgen belangen die een bepalende rol spelen. Wijnberg mag in het vervolg zijn eigen ideeën meer bevragen en uitwerken, en ook een eigen stijl ontwikkelen. Tot die tijd lezen we graag meer van deze essays in de krant. Alles is interpretatie, maar sommige interpretaties overtuigen meer dan andere. Het is niet voor niets dat deze krantenartikelen gebundeld zijn, de vis had er ook in kunnen gaan.

Menselijk al te menselijk: de uncanny valley

Mooi begrip: uncanny valley. Opeens hoorde ik van twee kanten over dit fenomeen. Het geeft aan dat robots die te sterk op een mens lijken, enger zijn dan een robot die niets menselijks heeft. ‘Valley’ slaat op een dip in de gevoelsmatige waardering van de te menselijke robot – die is er een van afkeer, walging en angst. De uncanny valley is makkelijk voor te stellen: een zombie is griezeliger dan een lijk. Volgens dit artikel komt dat omdat de robot ons aan de dood doet denken, maar dat is te kort door de bocht. Zombies zijn zo eng omdat ze grenzen van categorieën overschrijden: ze zijn tegelijk dood en levend, tegelijk zoals wij zelf en totaal anders. Een lijk is een lijk – ooit worden wij dat ook, maar dan zijn we niet meer wie we nu zijn. Het gaat er dus niet om dat een zombie ons herinnert aan de dood, dat doet een lijk ook. Sterker nog: een lijk herinnert ons nog wel meer aan de dood dan een zombie.

Vroeger was ik dol op spookverhalen en later ook op alle theorievorming eromheen. Het fantastische heette dat in de literatuurwetenschap, wat betekent dat in het verhaal steeds onzekerheid is over de echtheid van de gebeurtenissen. Freud schreef er een beroemd essay over: Das Unheimliche. Nog steeds hoor je mensen wel zeggen dat ze een ‘unheimlich’ gevoel hebben, dat komt dus daar vandaan. Uncanny is de Engelse vertaling. Unheimlich is iets wat bekend lijkt, maar toch een ongemakkelijk, griezelig gevoel oproept, zonder dat meteen duidelijk is waarom. In de fantastische verhalen in het unheimliche vaak gethematiseerd: doordat bijvoorbeeld een personage heel echt lijkt, maar misschien een geest is. Misschien ja, maar misschien ook niet – wat de hoofdpersoon richting krankzinnigheid drijft. Of is die krankzinnigheid soms de reden dat hij spoken ziet? Je weet het niet, dat is precies het fantastische en unheimliche eraan. Geweldig leesvoer.

Nu is er dus zoiets als de uncanny valley. Een moderne vorm van het unheimliche, zou je denken, met al die robots, maar dat is niet zo. Al eerder had ik het over Der Sandmann, het verhaal waarop Freud zijn theorie van het unheimliche bouwde en dat dus de oervorm mag worden genoemd. Laat het in dat verhaal nou net gaan over een robot, die zo menselijk is dat de hoofdpersoon verliefd op haar wordt, zonder ooit van zijn ongemakkelijke gevoel af te komen. (Maar ja, voel je je niet altijd ongemakkelijk als je verliefd bent, dus het is misschien niet zo gek dat hij zich daar niet door van de wijs liet brengen.) Uiteindelijk drijft Nathanael niet richting krankzinnigheid, maar recht erin. Hij gaat aan het unheimliche ten onder.

Nu begrijp ik waar dat aan ligt: Olympia zit op het dieptepunt van de uncanny valley. Uit het artikel blijkt dat het allemaal niet duidelijk is of de uncanny valley wel bestaat. Toch zou ik beter het zekere voor het onzekere nemen en doen zoals Bamse: vallen als een blok voor iets wat lijkt op poes noch mens: de laptop.