Gekostumeerd bal

powersuit

Het voorkomen van de mens blijft me bezighouden. Gisteren op een workshop zat ik me te profileren als het – onaardig gezegd, maar het gaat toch over mezelf – ‘nieuwe media-typje’. Gelukkig had ik een hippe outfit aan en mijn haar in een nonchalante paardenstaart. Ook al is het voorkomen een kant van jezelf die je naar het licht draait en niet een rol die je speelt zonder het te zijn, er horen blijkbaar toch kostuums bij. En kostuumontwerp is weer een vak apart, denk maar aan de powerdress voor de sollicitatie die in andere ogen een feestpakkie bleek te zijn.

Ik heb nooit zo goed begrepen waarom men altijd zo boos is op jongeren die aan hun identiteit uitdrukking proberen te geven door hun kleding. Dat doet iedereen toch voortdurend? De jongere hoeft nog niet zoveel rollen te spelen als later in het leven en kan zich richten op één voorkomen – namelijk datgene wat hij het belangrijkste vindt.

Later gebeurt precies hetzelfde. Zelfs als je een hekel hebt aan merkkleding (ik ken mensen die merken van hun kleding af scheuren, zo verwerpelijk vinden ze het om als ‘wandelende reclamezuil’ te fungeren) zet je dat in als deel van je identiteit. Niemand dwingt je om merkkleding te kopen, die te dragen en de merkjes al dan niet tentoon te spreiden of te verscheuren.

Wat is het verschil met het nette pak dat je draagt naar een sollicitatiegesprek of een begrafenis? Ik mag aannemen dat dit nog steeds een bepaald voorkomen van jezelf uitstraalt, anders heb je geen kaas gegeten van kledingkeuze. Als je vindt dat mensen hun identiteit niet met hun kleding mogen uitdragen (letterlijk), zou je je eigenlijk ook niet moeten houden aan zulke impliciete kledingvooschriften (ik ken mensen die dat inderdaad niet doen en het zijn dezelfde die merkjes van nieuwe truien scheuren). Maar dat is uit respect, hoor je dan. Maar misschien is het ook wel uit respect voor jezelf dat je bepaalde kleding draagt die heel goed een deel van jezelf benadrukt.

Het gaat mis wanneer je je identiteit ontleent aan bepaalde kleren of merken. Dan wordt de trui een kostuum dat je aantrekt om een rol te gaan spelen, een masker om je achter te verbergen. Het is misschien ook hier dat jonge mensen gauw de mist in gaan. Je wilt lijken op iemand anders, iemand die populair is of knap of succesvol, dus kopieer je uiterlijke kenmerken in de hoop dat je zo vanzelf ook innerlijk op hem gaat lijken. Een denkfout, natuurlijk, maar ook een noodzakelijke stap in het onderzoeken van wat kleding betekent.

Een ander sollicitatiegesprek, jaren terug. ‘Er was hier een meisje, een sollicitante,’ vertelde de man die het gesprek met me voerde, ‘die vroeg of we een dresscode hebben, hier. Ze had zó’n decolleté’ – handgebaar tot op navel – ‘dus ik zei: “als jij hier komt werken gaan we er eentje instellen!”‘ Uiteindelijk kreeg ik de baan. Geen idee meer wat ik droeg. Vast mijn powerpants.

Het voorkomen van een gespiegeld ik

spiegel_lamp

Op mijn werk schrijf ik tegenwoordig ook af en toe een ‘stukkie’. Het zijn verslagen van lezingen die bij Studium Generale zijn gehouden (van Jelle Reumer en op het Huis van de Poëzie). Dat lijkt wel journalistiek! Hield ik laatst niet nog een tirade tegen journalistiek? Gaat het verloochenen van principes zo snel? Ik noteerde toen ook dat het zaak was om scherp te blijven. Bij deze.

De twee stukken kun je het beste journalistieke verslagen noemen. Het gaat om mijn eigen ervaring, niet zozeer om een objectieve weergave. Net als bij recensies – die zijn ook een soort objectief verslag van een persoonlijke (lees)ervaring. Toch schrijf ik niet over mijn eigen optreden die avond – het is geen geinig stukkie over mijn belevenissen als nieuwbakken presentator met microfoonangst. Enige voorwaarde: de spreker moet zichzelf erin herkennen, hem mogen geen dingen in de mond worden gelegd die hij niet uitgesproken heeft. En de bezoeker die er die avond bij was, moet zijn eigen ervaring erin teruglezen. Dat is controleerbaar: als de onfortuinlijke die de lezing miste online de opnamen terugkijkt, kan hij nagaan of het verslag ergens op slaat. Net als degene die het boek leest na de recensie. (Overigens mag het duidelijk zijn dat ik een bevooroordeeld schrijver ben in dezen, want werkzaam bij de organisatie van de lezing.)

Zo heb ik er weer een rol bij gekregen. Inderdaad, een rol. Het is een oud inzicht dat de mens in zijn leven allemaal rollen heeft: als kind, geliefde, professional, feestbeest. Dat kun je negatief uitleggen: de mens acteert altijd en is dus nooit zichzelf. Daar ben ik het niet mee eens. Sommige mensen doen dat misschien, maar daar prik je gauw doorheen. Liever zie ik de rol als een uitvergroting van een bepaalde eigenschap van jezelf. Je draait bij wijze van spreken een kant van je gezicht naar het licht. Bijvoorbeeld je intellectuelenkop. Of je trekt een ironische columnistenwenkbrauw op.

Belangrijk is dat je niet een kostuum aantrekt, een carnavalsmasker opzet en je stem verdraait. Je kan beter zoeken naar een aspect van je persoonlijkheid om onder een vergrootglas te leggen. Een beperkt beeld van jezelf, maar nog steeds jezelf. Dat kan gek uitpakken, als je heel verschillende eigenschappen in jezelf verenigt. Weinig mensen die mij in de Aula van de Universiteit Utrecht voor 300 mensen de professor zagen aankondigen die een lezing kwam houden, zullen zich kunnen voorstellen dat ik ook wel eens vier dagen dronken over een festivalterrein zwalk. Of dat ik wel eens op vakantie twee weken niet heb gedoucht. Dat ik er soms dol ben op ben om mensen te shockeren met verhalen over twee weken niet douchen.

‘Rol’ is daarom misschien niet het goede woord. Het klinkt fake, onoprecht. Precies op dit punt moet je scherp blijven. Je kunt een rol spelen die je van een ander afkijkt, uit een boekje hebt geleerd of waarvan je denkt dat die succes oplevert. Je kunt de rol spelen van journalist, met de bijbehorende slordige stijl en verontwaardiging. Of de rol van columnist die overal tegenaan schopt en er prat op gaat zijn bronnen niet te noemen. Daar zullen de meesten uiteindelijk aan onderdoor gaan. Net zoals je niet de rol van liefhebbende partner moet spelen (en dat hoor je maar al te vaak), maar je partner moet liefhebben zoals jij je partner liefhebt.

Ik vind het een mooi beeld: in verschillende situaties draai je verschillende kanten van jezelf naar het licht. Voor degene die dan naar je kijkt kan het lijken alsof dat je enige verschijningsvorm is, terwijl er talloze manieren zijn om in het licht te bewegen. De zes foto’s die de fotograaf laatst van mij nam laten dat heel letterlijk zien: op elk ervan sta ik net even anders voor de camera en zie je net een andere Miriam verschijnen. Je kunt ze zelfs bijna benoemen: de filosoof en de flirt, de lezer en de blogger.

Als het geen rol is, wat dan? Gestalte klinkt – helaas – vreselijk achterhaald, verschijningsvorm is te omslachtig en doet me denken aan een geest die opduikt en weer verdwijnt. Wat dacht je van ‘voorkomen’: datgene wat op de voorgrond treedt. Mooi is ook dat voorkomen zowel met uiterlijk als innerlijk te maken heeft. Op het podium van de Aula draag ik iets anders dan op de festivalweide. Er zit ook nog iets van de rol in; je voorkomen valt niet samen met je persoon, maar is een deel daarvan, een mogelijke veruiterlijking en gedraging van jezelf.

Gaat er dan ergens, in die spiegeling van eigenschappen, achter die verschillende belichtingen tóch een in zichzelf besloten ik schuil? De persoon waar het voorkomen naar verwijst, maar waar het niet mee samenvalt? Dat wat alle verschijningsvormen gemeenschappelijk hebben? Is dat dan waar je in je zelfonderzoek naar op zoek moet gaan? Een fenomenologische kern, de essentie van… Miriam? Je zou het denken, maar ik heb zo het idee dat het zo niet werkt. Dat alleen in de spiegelbeelden van Miriam een vage notie van Miriam naar voren komt. Een soort vage Miriam…

Reflecties over een foto II

michelangelo_narcissus

Die foto, daar had ik het over. Het is dus echt zo: als iemand met een lens van dertig centimeter een armlengte verwijderd van je gezicht gaat zitten klikken, dan voel je je ongemakkelijk. Dat heeft te maken met twee dingen. Ten eerste is het een ‘violation of personal space’. Je weet wel, die denkbeeldige ring die je om je heen draagt en waar mensen niet in mogen komen, behalve als het niet anders kan, bijvoorbeeld in de spits. Met de fotograaf was ik alleen en de bank is groot genoeg voor tien.

Daarnaast houdt de enorme lens je nog voor de foto is gemaakt een denkbeeldige spiegel voor. Ik was me bewust van elk haartje, vlekje en spiertje, van de grootte van mijn ogen, mijn tanden en oren. Dat is niet prettig. Er zullen een paar mensen op aarde zijn die het heerlijk vinden, maar zelfs als je niet onzeker over je uiterlijk bent (want dat ben ik verder niet) lijkt die lens een soort onzekerheidsstralen uit te zenden.

Zoals eerder gezegd, ben ik een trouwe kijker van America’s Next Top Model. Dat is geinig: want even voelde ik me een van die onervaren modellen die voortdurend aanwijzingen naar hun hoofd krijgen geslingerd. ‘You have to try and relax your mouth,’ zegt Mr. Jay terwijl hij met zijn vinger voor zijn mond in de lucht een rondje tekent. Ook ik moest mijn mond ontspannen. En mijn nek verdraaien terwijl mijn neus naar de andere kant wees, kin omhoog, kin omlaag. Volg mijn hand.

Omdat de fotograaf het er niet bij zei dacht ik het zelf maar: ‘we wanna see some personality!’ Ik zweepte mezelf op: fierce! on top! faboulous! En ondertussen me maar ongemakkelijk voelen: kijk ik niet te serieus, te oud, te gespannen (die zijn misschien alle drie hetzelfde)?

Ik moest hieraan denken toen ik een artikel las van Maarten van Buuren over Paul Valéry (te vinden in Van Buurens boek De innerlijke ervaring). Reflectie is een sleutelwoord in het oeuvre van Valéry, het steeds op zichzelf terugvallen, een eindeloos zichzelf spiegelen, zoals Narcissus. Dat gebeurt ook als je voor de camera komt te staan: je bent volledig op jezelf teruggeworpen en gaat als een Narcissus helemaal in jezelf op. Met dit verschil dat Narcissus verliefd werd op zichzelf. Als geportretteerde ben je doel geworden, hoe vaak komt dat voor? Een doel op zichzelf, dat zichzelf slechts hoeft te reflecteren.

Ook voor de camera verloor ik mezelf op deze manier in bespiegelingen terwijl de lens voor mijn neus door bleef klikken. Dat zijn vast niet de beste foto’s geworden. Opeens schrok ik wakker en keek naar de lens. Het ding was zo groot dat ik niet wist waar te kijken. De fotograaf moet van heel dichtbij mijn verward rondschietende ogen hebben gezien. ‘Kijk er maar midden in,’ zei hij. Toen hoorde ik ook weer Mr. Jay en Tyra: je moest vanuit de foto mensen aankijken en juist niet alleen maar in jezelf blijven reflecteren. Ik probeerde door de lens heen te kijken, alsof ik zelf onzekerheidsstralen kon uitzenden naar een heel klein, onooglijk mensje dat daarbinnen woonde.

Valéry voerde het l’art pour l’art dogma heel ver door; hij verlegde het zelfs naar de hele werkelijkheid. Kunst, het leven, de mens: allemaal doel op zichzelf, dus doelloos, alleen maar bezig met zichzelf reflecteren zonder enig verband met iets externs te leggen.

Ik ben het eens met de stelling dat kunst in eerste instantie nutteloos moet zijn, in de zin dat zij geen vooraf opgelegd doel mag hebben. Ze is een doel op zich: als je de waarheid wil achterhalen moet je journalistiek bedrijven, als je je naam in druk wil zien, word je publicist. Kunst is er om de kunst.

Het zou echter wel heel saai zijn om niet verder te kijken dan die nutteloosheid van de kunst op zich. Evenzeer huldig ik het idee dat degene die iets met het kunstwerk doet (de lezer, kijker, luisteraar) een wezenlijk onderdeel uitmaakt van wat het kunstwerk betekent. Hij voegt het doel en het nut aan het kunstwerk toe. Eigenlijk wordt het dan pas interessant.

Narcissus op zichzelf is doelloos, omdat hij zich eindeloos in zijn eigen spiegelbeeld verliest.

De verwerking van Narcissus in verhalen, beeldende kunst en Freudiaanse theorieën maken Narcissus pas tot een boeiend onderwerp. Zelfs Valéry schreef over Narcissus met het doel iets duidelijk te maken.

Een goede foto krijg je duidelijk niet door voor Narcissus te spelen. Beter is het om te luisteren naar die stemmen in je hoofd: fierce! on top! faboulous!
One last frame!

That’s a wrap!

PS: nog even geduld voor de column, die verschijnt in februari.

Lang, wollig feestpakkie

crocs_nicholson_bush

Mijn nieuwe lange, wollige en charmante jurk leek me ideaal om te dragen naar een sollicitatiegesprek. Ook zonder kralenketting en met een donkere spijkerbroek eronder voelde ik me zo netjes als maar zijn kon. Nog even mijn haar kammen en klaar!

’s Avonds was er een feestje in de Flitz, een donker hol waar je eigenlijk niet in lange, wollige jurken aan kunt komen. Maar ik was te lui om me te verkleden. Zoals ik die ochtend nog mezelf had proberen te verkopen aan vijf mensen aan de andere kant van een tafel, zo stond ik diezelfde avond met bier in de ene hand en, tja, bier in de andere (sinds het rookverbod is het er niet makkelijker op geworden).

Daar kwam de eerste al.
‘Leuk feestpakkie heb je aan!’
‘Sorry, sorry, ik had een sollicitatiegesprek.’
‘Sollicitatiegesprek? Ik maak geen grapje, ik dacht dat dit je feestoutfit was.’
‘Maar… dit ben ik op mijn netst.’
Gelach alom. Ik heb iets niet begrepen, zoveel is duidelijk. Had ik toch voor de kralenketting en de laarzen moeten gaan?
‘Dit ben jij op je netst?’ vond iemand anders het nog nodig te herhalen. Langzamerhand begon ik te vrezen voor het oordeel van de sollicitatiecommissie. Als ik hier al niet serieus werd genomen, als wat voor boer was ik daar dan wel niet overgekomen?

Ik heb hier vaker last van. Mijn moeder vindt mijn kleren altijd ‘sjiek’, een studiegenoot zei eens tegen me dat ik vast heel sportief was (voor de goede orde: dat ben ik niet), anderen vinden me een tutje, een student of een dom blondje. Laatst riep een collega tegen me: ‘Hey, fly girl!’ Dat komt misschien nog het dichtst in de buurt van de waarheid, hoop ik.

Als je jong bent lijkt het makkelijker. Op de middelbare school hing ik de theorie aan dat je mensen kon inschatten door de schoenen die ze dragen. Ik legde mijn theorie voor aan mijn vrienden. Je had alto’s, die droegen kisten. Alto-meisjes liepen ook wel op gekleurde Dr. Martens. Gabbers hadden elke maand nieuwe Air Max, kakkers gingen voor Timberland en die schoenen met opstaande naad en dikke rubberzolen, Mags. Verder had je de ‘gewones’ die natuurlijk gewone, onopvallende schoenen droegen. Ik was zelf het bewijs, want Ik, Alto droeg indertijd zwarte Dr. Martens met stalen neuzen. (Tegenwoordig lopen zowel peuters als hippe vogels als zwangere zakenvrouwen op dingen als Crocs, ik word er niet wijs uit.)

Oei, wat schoten mijn opmerkingen – toegegeven, er zat een kiem van fascisme in – mijn vrienden in het verkeerde keelgat. Terecht wees mijn vriendin op haar witte Nikes die ze droeg onder (van beneden naar boven) een spijkerbroek, Slayer-T-shirt, legerjas en Sepulturapet. Eerste weerlegging. En een andere vriend stond al klaar met zijn Dr. Martens in de lucht, waarop een ribbroek, een waxjas en een gezicht dat verscholen ging achter lange, ongekamde haren. Goed, die theorie sloeg duidelijk nergens op.

Pas vijftien jaar later (au!) begrijp ik waarom mijn theorie als los zand aan elkaar hing: ik dacht helemaal niet vanuit de schoenen, maar vanuit groepen mensen. Ik beweerde dat ik aan de schoenen kon zien wie erin stond, wat ik eigenlijk deed was aan elk type mens een schoen toewijzen. Dat bestond natuurlijk allemaal alleen maar in mijn hoofd, de werkelijkheid kwam er niet bij kijken. Die twee vrienden van mij waren duidelijk betere wetenschappers dan ik!

Toch, ook al zeggen kleren niets over de mensen die ze dragen, je ontkomt er bijna niet aan de kleren te lezen alsof ze iets zeggen over de inhoud. Dat merkte ik nooit zo goed als toen ik met leren jas en al op motorvakantie ging. Van mijn zus leende ik grote, zware boots. Als ik ’s nachts op de camping naar de wc ging, leek het alsof een reus zijn gram kwam halen. Andere motorrijders kwamen een praatje maken, terwijl moeders angstig hun kinderen de voortent van de caravan in trokken. Jonge vaders keken vol ontzag naar de helm aan mijn arm, terwijl bejaarde echtparen elkaar hoofdschuddend aanstootten. En ik was nog maar de bijrijder, ik droeg niet eens een leren broek.

Wat zeggen kleren dan over de mensen die ze dragen? Net als bij alle interpretatie, is er geen eenduidig model waaruit je kunt opmaken wat er bedoeld wordt. Mijn “Air Max equals gabber” hield geen rekening met mijn eigen vooroordelen, met de motieven van de drager of de meerduidigheid van een mode-item. Ik weet zeker dat mijn moeder de lange, wollige jurk ‘sjiek’ zou vinden, ook al noemden m’n vrienden ’m een feestpakkie en droeg ik hem om er netjes uit te zien.

Die baan heb ik trouwens gekregen. Dus wie heeft er nou gelijk?!

Maand van de spiritualiteit

maand_spiritualiteit

Elke dag, week of maand is tegenwoordig wel aan iets gewijd. Hebben we op dit moment Geschiedenis en Borstkanker, november is de Maand van de Spiritualiteit. Als aanloop tot de feestmaand, die in plaats van spiritueel vooral consumenteel is geworden. Het thema van de Maand is ‘Mijn betere ik’, oftewel Word wie je bent!

Maanden Van worden over het algemeen feestelijk geopend en afgesloten, daartussenin merk je er weinig van. Een van de happenings op de openingsmanifestatie van de Maand van de Spiritualiteit is de workshop De zin van het leven van godsdienstfilosoof Annewieke Vroom. Lef heeft ze in elk geval, met zo’n titel.

In de krant Trouw, een van de initiatiefnemers van de Maand, vertelt ze alvast waar we zo ongeveer die zin van het leven moeten zoeken. De kop zegt alles: ‘Aanvaarden van het ik is belangrijker dan het ik verbeteren.’ Alsof het wetenschappelijke bewijs onomstotelijk vastligt, zo staat het daar: aanvaarden is belangrijker, omdat het het diepste verlangen van de mens is. Voel je het ook al in je onderbuik?

Ik voel me dan natuurlijk aangesproken, met mijn Word wie je bent en Nietzsche, Proust en Sartre. (Op de site staat dat Sartre in de workshop aan bod zal komen, in de krant verklapt Annewieke hoe: als een ‘kunstmatig streven’.) Is aanvaarden belangrijker dan verbeteren? Aanvaarding is hoe dan ook een voorwaarde voor verbetering, zegt de godsdienstfilosofe. Maar wat moet je dan aanvaarden?

Ook Sartre heeft het over het aanvaarden van de dingen die gegeven zijn. In zijn kenmerkende prachtige bewoordingen (ahum): de geworpenheid. De mens wordt pats boem het leven in geworpen, temidden van allerlei zaken waar hij niets aan kan doen. Hij krijgt bepaalde ouders, die wel of niet een geloof aanhangen, hij moet het doen met een fysieke gesteldheid, is lelijk, mooi of onopvallend, woont in een zeker land, in een zekere tijd, onder een dictator of onder Balkenende. In feite begint het menselijk leven zoals zoveel verhalen in medias res – je valt er middenin en loopt altijd achter de feiten aan.

Die geworpenheid, daar hebben we allemaal last van, de een wat meer dan de ander. Als je de dingen die nu eenmaal gegeven zijn niet kan aanvaarden, kom je nooit verder. Dan blijf je steken in een apathisch wachten op het noodlot, in plaats van je leven eigen te maken. Eigen maken in dubbele zin: je leven van jezelf maken door het actief te leiden en verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes, maar ook je het leven eigenmaken, verinnerlijken – dat wat gegeven is door en door kennen en verpersoonlijken.

De mens zal dus ondanks zijn geworpenheid iets van het leven moeten maken. Of, zo zie ik het liever, dankzij. Wat zou je kunnen maken zonder bouwstenen? Hoe meer bouwstenen, hoe inspannender het levenswerk – maar ook: hoe meer mogelijkheden er iets bijzonders van te maken. Ze zeggen niet voor niets ‘an unhappy childhood is a writer’s goldmine’. Met aanvaarding alleen kom je nergens, laat de vooruitgang dan maar zitten. Moesten vrouwen vroeger dan ook maar aanvaarden dan ze minder waren dan de man? Of de zwarte dan de blanke?

Waar je Sartre niet (of minder) over hoort, is het feit dat de geworpenheid niet exclusief bij de geboorte hoort, maar het hele leven doorgaat. Steeds weer gebeuren er dingen die van grote invloed zijn op jou, maar waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Vooral natuurlijk zolang je nog afhankelijk bent van anderen, zoals je ouders. Ze kunnen gaan scheiden, besluiten te emigreren, doodgaan. Je bent nooit klaar (gelukkig). Hoe ouder je wordt, hoe meer je zelf ook de geworpenheid van anderen bepaalt. In dit idee ligt de basis voor een moraal besloten, die je bij een simpel aanvaarden nooit zult vinden.

Aanvaarden is geen doel, maar een voorwaarde. Belangrijk, maar van ondergeschikt belang. En het diepste verlangen van de mens? Als de diepte van een verlangen de maatstaf wordt van wat de zin van het leven is, zijn we denk ik ver van huis. De mens is de mens een wolf. Spiritualiteit is geen gegeven, daar moet je iets voor doen. Kiezen voor je betere ik, daar ga je heus niet dood aan.

Mensen met een verhaal

‘Mensen met een verhaal’: deze kop komt niet uit de Viva, is geen rubriek van 1Vandaag, en ook geen benaming voor Icesave-slachtoffers. Het is een onderdeel van de AllerHande, het blad waar half Nederland – ikzelf incluis – uit kookt.

Wat hebben mensen met een verhaal te zoeken in de AllerHande? Nou, ze delen hun familierecept of een kar met boodschappen. Daar zit natuurlijk een verhaal achter. Iedereen zal wel een anekdote uit zijn leven kunnen vertellen waarin voedsel een belangrijke, misschien zelfs smeuïge rol speelt. Er bestaat in de literatuur een heel genre van eetromans en -verhalen. Door zulke verhalen te delen (met foto’s van de betrokkenen) krijgt de Albert Heijn een menselijk gezicht. Je neemt de AllerHande niet meer alleen mee voor de recepten, maar ook om even lekker te lezen. Klantenbinding heet dat.

Er is meer aan de hand. Mensen met een verhaal: daar draait alle media tegenwoordig op. Een glossy als AllerHande kan niet achterblijven. De honger naar verhalen van gewone mensen, in wie we ons herkennen, is onstilbaar. En de gretigheid waarmee iedereen zijn eigen verhaal voor het voetlicht brengt, is recht evenredig. Omgekeerd blijken sterren, de ongewone mensen zogezegd, ook maar mensen met een verhaal. Eindresultaat: iedereen is een ster, iedereen ongewoon, iedereen een beetje gek.

Het is sinds de uitvinding van commerciële televisie en internet natuurlijk ook heel makkelijk om je verhaal te vertellen. Kijk maar naar al die weblogs. Toch denk ik dat de overvloed aan levensverhalen (vaak vooral verhaaltjes) in de publieke sfeer niet alleen op de rekening mag worden geschreven van de populaire media. Filosofen zijn ook schuldig.

Ik schreef al eens dat ik ooit een presentatie hield over de narratieve weergave van het leven in Idols. Dat zag je vooral als iemand weggestemd werd. Een filmpje toonde hoe een onopvallend typje opbloeide tot een sexy showtijger met diepe dalen en staande ovaties, tranen en relaties. ‘Het Idols-avontuur van Pietje Puk is nu ten einde,’ luidde de afkondiging. ‘Maar jullie zullen nog van me horen, hoor!’ gilde de onfortuinlijke bijna-Idol dan steevast.

Dat bedacht ik niet zomaar. Er is een breed gedragen opvatting in de filosofie dat mensen hun leven als een verhaal opvatten om het als zinvol te ervaren en er betekenis aan te geven. Ook is het een manier om je herinneringen te structureren. Door gebeurtenissen en ervaringen te duiden door narratieve elementen als oorzaak en gevolg, krijgt de chaos van leven een overzichtelijke aanschijn. Net als het benoemen van terugkerende thema’s of het karakteriseren van mensen in je omgeving alsof het personages zijn: de held die alle tegenslag overwint, de liefhebbende moeder, de avonturier.

Je leven interpreteren als een narratief verhaal strekt zich niet alleen uit naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Dan gaat het om het actief vormgeven van je persoonlijke verhaal. Als je dat goed doet, word je misschien wel wie je bent. Ik draag deze narrative turn – excusez le mot – dan ook een warm hart toe. Mits het verhaal niet uitdraait op een buiging voor het noodlot. Zodra men denkt dat een oorzaak maar één gevolg kan hebben en het leven ingenieus als een tragedie van Shakespeare naar zijn einde toewerkt, verdwijnt juist die chaotische kwaliteit van het bestaan uit het zicht. Banken vallen om, om niets.

Het leven ís geen verhaal, mensen hébben een verhaal. Ik hoor alle Icesave-spaarders over dertig jaar al aan het nageslacht vertellen: ‘En toen…’ En toen ging ik het familierecept van de Van Iersels maar eens klaarmaken.

Werk aan de winkel III

Lunetten

Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar – bij wijze van spreken – zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een ‘ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak ‘m beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.

Werk aan de winkel II

Te veel keuzemogelijkheden en toch niet kunnen kiezen – het is een makke van onze tijd. Hoe kies je tussen een Bed & Breakfast beginnen, met dolfijnen zwemmen en zielige zwerfkatten redden? Voor je het weet twijfel je zo lang dat je helemaal niets meer doet.

Verdrinken in keuzes is een overblijfsel van de jaren negentig, toen alles kon en alles mocht. Dave Eggers schreef dé roman over hoe het was om toen op te groeien, in een tijd zonder oorlog, zonder grenzen aan de vrijheid en met veel geld voor iedereen: A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Gelukkig voor hem is het ook echt een geniaal boek, hartverscheurend ook (huilen bij de laatste bladzij) en tegelijk volstrekt buitensporig, overvloedig, sentimenteel en getuigend van grote verwaandheid.

Onze ouders hadden de Koude Oorlog nog, schrijft hij, wij hebben alleen vrede. Saai! We hebben niets om tegen te zijn, zelfs je vader en moeder zijn je beste vrienden. Zij hebben al alles gedaan wat god verboden heeft, wat zet je daar tegenover? Alles kan en alles mag. Niets moet dus niets gebeurt. Als allebei je ouders vlak na elkaar overlijden, zoals de hoofdpersoon overkomt, is de wereld zelfs haar allerlaatste grenzen kwijtgeraakt. Dave geeft zich uit pure ellende maar op voor The Real World van MTV, begint een tijdschrift, reist van hot naar her.

In een volgend, beduidend minder geniaal boek, You Shall Know Our Velocity, promoveert Eggers dat laatste tot hoofdthema. Een jongen verdient met iets onbeduidends zeer veel geld: zijn silhouet staat op elke gloeilamp die in Amerika over de toonbank gaat. Wat te doen met al dat geld? En met alle tijd? Hij gaat op reis om zijn geld uit te delen aan mensen die het harder nodig hebben dan hij. Overal waar hij komt denkt hij: dit had ook mijn leven kunnen zijn, sterker nog, het kan mijn leven worden. Ik kan in Afrika een surfschool beginnen, ik kan in Letland Rus worden, met dolfijnen zwemmen, een Bed & Breakfast, zwerfkatten… And in the end nothing happens.

Tijden veranderen, en zoals de jaren negentig is het allang niet meer. Rookverbod, identificatieplicht. Oorlogen genoeg, met bijbehorende slechteriken van Bin Laden tot Bush om fel tegen te zijn, en soms lekkere werkloosheidscijfers (zoals in 2002 toen ik afstudeerde) of een kredietcrisis. Crisis is een woord dat elk journaal wel valt. Dat noopt tot keuzes. En toch… in de literatuur blijven er genoeg twijfelaars rondlopen. Indecision was de titel van het debuut van Benjamin Kunkel uit 2005. Goed besproken, maar naar mijn mening even vervelend als de titel doet vermoeden. Reizen, drugs gebruiken, rondhangen, af en toe een date en zeuren over het systeem, inmiddels weten we het wel.

Ik hoor in mijn hoofd weer die mantra die overal op van toepassing lijkt: aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve… Niet verdrinken, maar in het diepe springen, je in de afgrond storten, in plaats van erin te vallen. Misschien ga ik toch zielige zwerfkatjes redden. Het meest aanstootgevende dat ik deze week gezien heb, was namelijk kleine Jip.

Steun de Dierenbescherming voor Jip en andere zielige dieren.

Werk aan de winkel I

24 % van de ambtenaren schijnt na de vakantie op zoek te gaan naar een nieuwe baan. En de rest heeft aan het zwembad wel een keer een dagdroom: ah, een Bed & Breakfast beginnen, zwemmen met dolfijnen of zielige zwerfkatten opvangen. Of op z’n minst: zou ik niet voor mezelf moeten beginnen – vrijheid ah, de vrijheid!

Ik denk zulke dingen ook op vakantie (vooral van die zielige zwerfkatjes). Ik heb alleen net iets meer reden voor zulke gedachten, want ik zit op een tijdelijk contractje. Bij mij dus geen dagdromen maar bittere noodzaak. Met de kerst moet ik een nieuwe baan, anders wacht de onvrijheid van de – getsie – werkzoekende.

Een goedbedoeld advies dat mensen mij vaak en graag geven: nu kan je wel fîjn erachter komen wat je écht wil. Los van het feit dat zij ervan uitgaan dat ik dat niet weet, vind ik dit een zeer nutteloos advies als het gaat om het vinden van werk. Het doet me denken aan een gesprek dat ik een keer had met een studiegenoot. We stonden met zo’n honderd man in de bus van de campus in Nijmegen naar het station. ‘Keuzevrijheid is de grootste leugen van de westerse maatschappij!’ riep ik, met rollende r’en en grommende g’s. ‘Weet je eindelijk wat je wil, zit er nog niemand op je te wachten!’ Ha, het werkte, mensen voelden zich aangesproken.

Toen schrok ik. Mijn studiegenoot had in Afrika gewoond en iets met ontwikkelingssamenwerking gedaan. Hij ging me vast wijzen op de penibele situatie van vele Afrikanen die niet eens hun avondeten kunnen kiezen. Ik begon me al te schamen toen hij lachend zei: ‘Ja in Afrika is er hoe dan ook geen werk, dus als je besluit dat je onder een boom wil zitten en het fruit verkopen dat eruit valt, dan doe je dat gewoon. Geen regeltjes of belastingformulieren.’ Een verfrissend inzicht.

Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: ‘Je gaat er niet dood aan.’ Soms herhaal ik met nadruk: ‘Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders.

Toch gaat ‘je gaat er niet dood aan’ niet altijd op. Als mensen doodgaan, bijvoorbeeld. Dan zul je een genuanceerder motto moeten hanteren, dat niet uitgaat van het negatieve, maar van het positieve. Voor mij is dat: je hebt altijd een keus. Maar dan ook altijd. Natuurlijk kun je er niet voor kiezen dat iemand niet doodgaat, net zo min als dat je contract toch niet afloopt. Je hebt misschien wel niets te kiezen, behalve dat je toch elke dag om half acht opstaat. Nou, dat is dan een keus. Zodra je iets kiest, heb je weer controle over een deel van je leven, hoe klein het ook is. Zodra je kiest, word je wie je bent. Bij mij werkt dat.

Motto 2 heb ik geleend van Sartre, en vervolgens naar eigen inzicht aangepast. Hij is bespuugd (in elk geval figuurlijk) vanwege zijn uitspraak dat zelfs mensen in concentratiekampen een keus hadden. Hoe ga je eraan? Met opgeheven hoofd of niet? Hoe eng zo’n uitspraak ook is, er zit een waarheid in. Hij is eng omdat het eerste motto niet meer van toepassing is, en de meeste mensen vinden dat al luguber genoeg.

Laat de morbiditeit je niet misleiden. Ik ben een optimist. Als ik zeg dat ik er niet dood aan ga, dan is dat vrolijk bedoeld. En mijn keuze is altijd eerst en voor al: het leven.

Nu heb ik nog niets gezegd van wat ik wilde zeggen. Wordt vervolgd…