Liever verraad dan verzoening?

verzoening

Verzoening. Het thema van de Maand van de Filosofie klinkt op het eerste gehoor mooi. Na de Nacht van de Filosofie, waar elke deelnemende filosoof toegaf niets met het thema op te hebben, is het woord in mijn hoofd gaan rondzingen. En eerlijk gezegd: ik vind het ook maar een saai deuntje. Neem dan verraad. Vergeving. Of iets waar nog geen woord voor is.

Stel je voor dat je jarenlang met iemand samen bent en hij zegt steeds maar dat hij een hekel heeft aan kinderen. Dan gaat het uit en nog geen jaar later heeft hij een kind. Ook al is het uit, ook al heb je zelf een nieuwe liefde, je denkt dan toch: een kind met een ander. De verrader.

Verraad moet wel het ergste zijn wat bestaat. Je hoort het al aan de passiviteit die eromheen hangt: je wordt verraden. Daar doe je zelf helemaal niets meer aan, het overkomt je. Iemand anders kan op volkomen virtuele wijze je leven overhoop halen. Want zelf heb je geen kind, de liefde is voorbij, en mensen veranderen van gedachte. Wat scheelt het dat hij met een ander is en er nog eentje bij maakt? Verraad is geniepig. De tijd heelt alle wonden en verraad scheurt ze weer open.

Niet leuk om over na te denken, dat verraad. Dus laat ik de zaak omdraaien, dan moet ik automatisch komen op het mooiste wat bestaat. Toch?

Stel je voor dat… je iemand al jarenlang kent en opeens kom je erachter dat hij allemaal heel mooie dingen over je zegt. Dat moet het omgekeerde zijn van verraad, maar is het ook het mooiste wat bestaat? Stel dat je die lange jaren heimelijk verliefd bent. Uiteindelijk ga je elk je eigen weg, de tijd slijt alle liefdes, en dan kom je hem weer tegen. Omdat het toch niet meer uitmaakt, biecht je de verliefdheid op – natuurlijk wel met wegwerpgebaar en hoongelach. En dan blijkt dat hij al die lange jaren ook heimelijk verliefd was.

Dat is niet het omgekeerde van verraad, dat is dubbel verraad: aan jezelf en aan de ander.

Waar moeten we het dan zoeken? Misschien in de richting van genade en vergiffenis? Ik weet het niet, deze woorden klinken mij iets te religieus in de oren om tegenover een misgelopen liefde te zetten. En zoals verzoening alleen kan volgen op conflict, zo is ook genade en vergiffenis een (je hoort het al) gift, iets wat je gegeven wordt of geeft. Nadat er iets vreselijks heeft plaatsgevonden, een zonde ofzo.

Nee, het moet iets zijn wat niet afhankelijk is van iets slechts, geen reactie is, niet een goedmaken is, iets wat helemaal op zichzelf staat, wat je gegeven wordt en wat je zelf moet nemen, wat geen oordeel velt en niet oordeelt. Een cadeau dat de degene die het weggeeft ook iets teruggeeft. Zodat het cadeau vermeerdert, nooit uitgeput raakt en steeds opnieuw cadeau kan zijn.

Je raadt het al: literatuur. In de literatuur staat de tijd stil. Achteraf bestaat niet. Een open deur, ik weet het: voor de eerste zin en na de laatste punt staat niets. Alleen de lezer. Verraad is uitgesloten.

Maar wil dat zeggen dat het omgekeerde van verraad zich voordoet? Ik denk het wel, heel soms, in die boeken waarin iemand zonder het zelf te weten tegen jou spreekt en jou begrijpt, zonder te weten wie jij bent, maar volkomen op de hoogte van je ziel – tot in de vezels waarvan je zelf niet dat ze bestonden. Hoe noem je dat? Een cadeautje? Een ander woord met ver-? Ik ben er nog niet uit.

Veel van de boeken die op dit blog langskomen zijn dat soort boeken. Ik wil wel weer zo’n boek. Helaas, net als verraad moet zo’n boek je overkomen. Je hebt het ook nooit voor het uitzoeken. Zelfs daar zal ik me echter nooit mee verzoenen.

Lees hier mijn verslag van de Nacht van de Filosofie.

Het is warm en overbevolkt op de uitverkochte Nacht van de Filosofie, 17 april in Felix Meritis, Amsterdam. Verzoening is het thema van dit jaar. Om te verzoenen heb je een conflict nodig, in die zin is de verhitte sfeer wel op zijn plaats. Toch lijkt het zachtaardige thema niet iedereen te inspireren tot een spetterend optreden. Grootste indruk maakt de meest controversiële en meeslepende denker die in Nederland opereert, Tariq Ramadan.

De Nacht van de Filosofie is het hoogtepunt van de bijbehorende Maand van de Filosofie. Onder professionele filosofen heerst nogal een meningsverschil over de wenselijkheid van de popularisering van hun vakgebied. In NRC Handelsblad ging Menno Lievers frontaal in de aanval tegen het ‘themafeest’ dat van de filosofie een pretpark maakt. Dat mocht geen domper op de feestvreugde zijn: in het welkomstwoord werd Lievers als azijnpisser opzij geschoven. Toch zet de opgerakelde aanval van de academicus (én journalist) de toon voor de avond. Want wat is verzoening nu eigenlijk? Eén gemeenschappelijke noemer komt steeds naar boven: conflict.

Regie
Job Cohen mag als ‘icoon van verzoening’ de avond openen en schetst in zijn korte betoog de paradoxale samenhang van verzoening en conflict. Hij spreekt de hoop uit dat de twee ondanks hun samenhang niet in een vicieuze cirkel hoeven te bewegen, maar op een dialectische manier naar iets nieuws, iets beters toe bewegen. De overheid moet begrijpen dat verzoening niet kan bestaan zonder dat het conflict de ruimte krijgt. Een interessant inkijkje in de politieke keuken van de Amsterdamse burgermeester, die er niet om bekend staat dat hij conflicten opzoekt, laat staan wil faciliteren. Nou vooruit, het ontmoeten van de ander is ook belangrijk, zegt Cohen nog vlug. Maar de zaal is al aan het denken gezet.

Ella Vogelaar, Danielle van Bennekom en Frank Meester
Ella Vogelaar, Danielle van Bennekom en Frank Meester

Op zoek naar spetterende, gepopulariseerde filosofie, trek ik naar ‘De grote verzoeningsshow’ van de gebroeders Meester, waarin live verzoening zal plaatsvinden onder het oog van een ‘deskundige jury’. Helaas is van show geen sprake en dat komt vooral door de merkwaardige combinatie van deelnemers. Een rancuneuze Ella Vogelaar naast een anoniem slachtoffer van een overval; een studente die al drie jaar over haar scriptie doet naast de directeur van stichting Slachtoffers en Daders, dat werkt dus niet. De gebroeders raken al gauw de regie kwijt en daarmee ook hun scherpzinnigheid. ‘Ik geloof niet in verzoening,’ verklapt deelnemer Rein Gerritsen. Jammer.

Groene wisselbeker
De vrees bekruipt me dat Menno Lievers gelijk had: de filosofie populariseren, loopt dat niet automatisch uit op een verzoeningsshow waarin voor de kandidaten niets te winnen valt en voor de jury niets te beoordelen? Waarin de quizmasters hun tekst kwijt zijn omdat de filosofie geen pasklare antwoorden heeft? Bladerend in het programma zie ik dat ik inmiddels al vier andere onderdelen heb gemist. Op dit Lowlands van de wijsbegeerte dwingt het blokkenschema tot pijnlijke keuzes, altijd mis je meer dan je ziet, en tussendoor heb je vijf minuten om je hutjemutje naar de andere kant van het terrein te begeven.

Maar als je dan goed zit, zit je ook echt goed. Popularisering en diepgravendheid kunnen prima hand in hand gaan, zoals bij de uitreiking van de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek van het jaar. Zeventig inzendingen leverden een shortlist van vijf titels op, maar eigenlijk staat al vast dat Hans Achterhuis’ Met alle geweld zal winnen. Voorafgaand aan de prijsuitreiking wordt in dezelfde zaal Achterhuis geïnterviewd – is dat filosofenironie of gewoon ondoordachtheid? Inderdaad krijgt Achterhuis de wisselbeker, een groen ding dat de winnaar van vorig jaar, Frank Ankersmit, te lelijk vond om in zijn huis te hebben staan. Achterhuis neemt hem graag mee, ‘ik ben trots en blij’.

Aan interviewer Wim Brands vertelt hij dat zo’n verkiezing een grote gok is. Achterhuis nam zelf ooit plaats in de jury en weet hoe het er dan aan toegaat: iedereen kan als winnaar uit de bus komen. Daarmee is Achterhuis toch iets te bescheiden. Een boek als Met alle geweld verschijnt niet elk jaar: een magnum opus waarin de auteur streeft naar volledigheid, zichzelf op het spel zet en bovendien de lezer meesleept zonder ook maar een moment aan intelligentie in te boeten. Achterhuis spaart zichzelf ook als geïnterviewde niet. ‘Ik geloofde echt dat het kon, een geweldloze wereld,’ zegt hij. ‘Maar dat is onnozel!’ roept Brands provocerend. Achterhuis laat zich niet van zijn stuk brengen en de toekenning van de prijs, een half uur later, bewijst zijn gelijk.

Hans Achterhuis en Wim Brands
Hans Achterhuis en Wim Brands

Een geweldloze samenleving is dus onmogelijk. Is verzoening dat dan ook? Eigenlijk wel, zegt Achterhuis. Hij lijkt het eens te zijn met Job Cohen: conflicten horen nu eenmaal bij de mens, geweld is een evolutionair mechanisme. ‘Ik heb dus ook wel een probleem met het thema.’ Misschien omdat verzoening een eindpunt betekent, waarover niet veel te melden is. Dat wat eraan vooraf gaat is oneindig veel complexer, gevaarlijker, veelkantiger en dus interessanter.

Jihad van vertrouwen
Tariq Ramadan denkt daar anders over. De controversiële denker uit Zwitserland, met Egyptische roots en ook werkzaam in Rotterdam, kwam de laatste tijd vaak in het nieuws. In zijn lezingen in het Arabisch zou hij andere dingen beweren dan in het Engels; een wolf in schaapskleren is hij genoemd, een homofobe fundamentalist met mooie praatjes. Ramadan verweert zich op overtuigende wijze tegen deze beschuldigingen. Mooie praatjes heeft hij zeker. Hij is verreweg de beste spreker van de avond. Met welluidende stem zet hij zijn ideeën uiteen. Die gaan eindelijk eens over de praktijk van verzoening: hoe kunnen verschillende groepen in de maatschappij vreedzaam samenleven?

Nederigheid, respect en gewoon de praktijk van het samenwerken, daar gaat het voor Ramadan om. Probeer niet steeds de idealen van mensen met elkaar te vergelijken, maar eerder de manier waarop ze hun dagelijks leven vormgeven. De maatschappij is op een zodanig niveau dat iedereen zijn steentje kan bijdragen. Zo ziet Obama dat ook graag. Ramadan heeft wel wat weg van Obama: retorische kracht gepaard aan een stevige inhoud. Jonge mensen drommen samen, de zaal hangt aan zijn lippen. ‘It’s not about being highly intelligent anymore, but deeply human.’ Toch nog een positieve blik op verzoening! Ramadans boek Een jihad van vertrouwen komt op het verlanglijstje.

De stand-up filosofie laat ik voor wat ze is. Filosofie heeft geen populaire opzetjes nodig om een groot publiek te boeien. Wel kijk ik nog even snel of het geredde slachtvarken ‘Zeeman’ is gekomen, ter ondersteuning van het pleidooi van Erno Eskens voor dierenrechten. We moeten het doen met een live verbinding naar de stal – Zeeman kon de Keizersgracht niet op. Achteraf gezien misschien maar goed ook: Eskens’ sympathieke betoog heeft geen geintjes nodig. Daarin hebben de tegenstanders van de pretparkfilosofie gelijk. De afgronden van het denken zijn van zichzelf al spannend genoeg.

Schrijven en lezen met alle geweld

schietspel

Kan het schrijven over geweld leiden tot geweld? Is er een grens aan de krochten van het kwaad waarin de schrijver afdwaalt – een grens waarachter zijn gewelddadige ik ligt te wachten tot hij wakker wordt geschopt? En de lezer over geweld, loopt die niet hetzelfde gevaar? Het zijn intrigerende vragen die Hans Achterhuis stelt in zijn ijzersterke studie Met alle geweld.

Achterhuis beoogt in zijn boek alle vormen van, perspectieven op en ervaringen met geweld te beschrijven. Bovenstaande vragen zijn dus maar strengen in het weefsel van filosofische, literaire, politieke en persoonlijke invalshoeken waaruit het werk bestaat. Niettemin zijn het fundamentele vragen, omdat Achterhuis hier zijn eigen onderneming bevraagt, uit vrees voor de mogelijke consequenties die zijn schrijven over geweld zou kunnen hebben op zijn eigen geestelijke of morele gezondheid. Als ook die van de buitenwereld: zal zijn werk hem in de klauwen van het geweld werpen, en met hem de lezer?

De discussie over gewelddadige games en films kennen we zo onderhand wel. Beïnvloeding kan niet bewezen worden, of toch weer wel. Schietgrage jongeren blijken fervente gamers met een voorkeur voor gangsta rap. Maar de miljoenen die op de bank in de huiskamer soldaatje spelen met 50 Cent op de achtergrond en toch nooit iemand in het echt neerknallen, brengen elke oorzaak en gevolg-conclusie aan het wankelen.

Daarom is het goed dat een filosoof hier eens zijn gedachten over laat gaan. Zeker als hij zijn eigen integriteit bevraagt en zijn persoonlijke ervaringen inzet. Gewelddadige games zijn natuurlijk niet hetzelfde als gewelddadige literatuur, liever: literatuur waarin geweld uitgebreid wordt beschreven. Maar ik denk dat juist de beschouwing van zulke literatuur zinnige dingen aan de oppervlakte kan brengen. Daarin gaat het (als het goed is) niet alleen om het afknallen, om bloed en botbreuken, de score op de lijkenteller en het geween en het tandengeknars. Het gaat kortom niet alleen om het resultaat van geweld. Ook, juist, om de oorzaken, de complexe emoties, de aan- en afloop, schuld en wraak, en natuurlijk de esthetiek.

Bovendien speelt het geweld in een boek zich allemaal in de lezer af, zoals het zich eerst in de schrijver afspeelde. Letters zijn niet gewelddadig, zoals de beelden van een game of film dat zijn. Die beelden ontstaan pas in het hoofd van degene die de letters tot zich neemt – en diegene blijft daardoor helemaal alleen in de gewelddadige wereld die hij zelf heeft vormgegeven. Een beangstigende gedachte.

Deze redenering kan twee kanten op. De literatuur die geweld laat zien in al zijn complexiteit, emotionaliteit, met zijn voorgeschiedenis en soms eeuwenlange nasleep, laat de lezer gelouterd bovenkomen, als Dante die door de hel gevaren is. Afschuw, woede en verdriet zullen leiden tot een verlangen naar rechtvaardigheid en liefde. Of wordt de vrees van Achterhuis bewaarheid en breekt juist het inzicht in de complexe werking van geweld en de esthetisering daarvan een beerput open, als een virus dat een leven lang kan sluimeren en door een toeval uitbarst in een allesverwoestende ziekte? Stompt de verbeelding van geweld af of heeft die eerder een verhoogde gevoeligheid tot gevolg?

Ik ben nog maar net begonnen met het lezen van Met alle geweld, maar kan nu al zeggen dat Achterhuis’ boek in elk geval de gedachten over geweld, maar ook over literatuur en lezen, verdiept. Ik moet nog maar afwachten hoe ik eruit kom, hoe diep de bodem van welke hel bij mij ligt.

Gekostumeerd bal

powersuit

Het voorkomen van de mens blijft me bezighouden. Gisteren op een workshop zat ik me te profileren als het – onaardig gezegd, maar het gaat toch over mezelf – ‘nieuwe media-typje’. Gelukkig had ik een hippe outfit aan en mijn haar in een nonchalante paardenstaart. Ook al is het voorkomen een kant van jezelf die je naar het licht draait en niet een rol die je speelt zonder het te zijn, er horen blijkbaar toch kostuums bij. En kostuumontwerp is weer een vak apart, denk maar aan de powerdress voor de sollicitatie die in andere ogen een feestpakkie bleek te zijn.

Ik heb nooit zo goed begrepen waarom men altijd zo boos is op jongeren die aan hun identiteit uitdrukking proberen te geven door hun kleding. Dat doet iedereen toch voortdurend? De jongere hoeft nog niet zoveel rollen te spelen als later in het leven en kan zich richten op één voorkomen – namelijk datgene wat hij het belangrijkste vindt.

Later gebeurt precies hetzelfde. Zelfs als je een hekel hebt aan merkkleding (ik ken mensen die merken van hun kleding af scheuren, zo verwerpelijk vinden ze het om als ‘wandelende reclamezuil’ te fungeren) zet je dat in als deel van je identiteit. Niemand dwingt je om merkkleding te kopen, die te dragen en de merkjes al dan niet tentoon te spreiden of te verscheuren.

Wat is het verschil met het nette pak dat je draagt naar een sollicitatiegesprek of een begrafenis? Ik mag aannemen dat dit nog steeds een bepaald voorkomen van jezelf uitstraalt, anders heb je geen kaas gegeten van kledingkeuze. Als je vindt dat mensen hun identiteit niet met hun kleding mogen uitdragen (letterlijk), zou je je eigenlijk ook niet moeten houden aan zulke impliciete kledingvooschriften (ik ken mensen die dat inderdaad niet doen en het zijn dezelfde die merkjes van nieuwe truien scheuren). Maar dat is uit respect, hoor je dan. Maar misschien is het ook wel uit respect voor jezelf dat je bepaalde kleding draagt die heel goed een deel van jezelf benadrukt.

Het gaat mis wanneer je je identiteit ontleent aan bepaalde kleren of merken. Dan wordt de trui een kostuum dat je aantrekt om een rol te gaan spelen, een masker om je achter te verbergen. Het is misschien ook hier dat jonge mensen gauw de mist in gaan. Je wilt lijken op iemand anders, iemand die populair is of knap of succesvol, dus kopieer je uiterlijke kenmerken in de hoop dat je zo vanzelf ook innerlijk op hem gaat lijken. Een denkfout, natuurlijk, maar ook een noodzakelijke stap in het onderzoeken van wat kleding betekent.

Een ander sollicitatiegesprek, jaren terug. ‘Er was hier een meisje, een sollicitante,’ vertelde de man die het gesprek met me voerde, ‘die vroeg of we een dresscode hebben, hier. Ze had zó’n decolleté’ – handgebaar tot op navel – ‘dus ik zei: “als jij hier komt werken gaan we er eentje instellen!”‘ Uiteindelijk kreeg ik de baan. Geen idee meer wat ik droeg. Vast mijn powerpants.

Het voorkomen van een gespiegeld ik

spiegel_lamp

Op mijn werk schrijf ik tegenwoordig ook af en toe een ‘stukkie’. Het zijn verslagen van lezingen die bij Studium Generale zijn gehouden (van Jelle Reumer en op het Huis van de Poëzie). Dat lijkt wel journalistiek! Hield ik laatst niet nog een tirade tegen journalistiek? Gaat het verloochenen van principes zo snel? Ik noteerde toen ook dat het zaak was om scherp te blijven. Bij deze.

De twee stukken kun je het beste journalistieke verslagen noemen. Het gaat om mijn eigen ervaring, niet zozeer om een objectieve weergave. Net als bij recensies – die zijn ook een soort objectief verslag van een persoonlijke (lees)ervaring. Toch schrijf ik niet over mijn eigen optreden die avond – het is geen geinig stukkie over mijn belevenissen als nieuwbakken presentator met microfoonangst. Enige voorwaarde: de spreker moet zichzelf erin herkennen, hem mogen geen dingen in de mond worden gelegd die hij niet uitgesproken heeft. En de bezoeker die er die avond bij was, moet zijn eigen ervaring erin teruglezen. Dat is controleerbaar: als de onfortuinlijke die de lezing miste online de opnamen terugkijkt, kan hij nagaan of het verslag ergens op slaat. Net als degene die het boek leest na de recensie. (Overigens mag het duidelijk zijn dat ik een bevooroordeeld schrijver ben in dezen, want werkzaam bij de organisatie van de lezing.)

Zo heb ik er weer een rol bij gekregen. Inderdaad, een rol. Het is een oud inzicht dat de mens in zijn leven allemaal rollen heeft: als kind, geliefde, professional, feestbeest. Dat kun je negatief uitleggen: de mens acteert altijd en is dus nooit zichzelf. Daar ben ik het niet mee eens. Sommige mensen doen dat misschien, maar daar prik je gauw doorheen. Liever zie ik de rol als een uitvergroting van een bepaalde eigenschap van jezelf. Je draait bij wijze van spreken een kant van je gezicht naar het licht. Bijvoorbeeld je intellectuelenkop. Of je trekt een ironische columnistenwenkbrauw op.

Belangrijk is dat je niet een kostuum aantrekt, een carnavalsmasker opzet en je stem verdraait. Je kan beter zoeken naar een aspect van je persoonlijkheid om onder een vergrootglas te leggen. Een beperkt beeld van jezelf, maar nog steeds jezelf. Dat kan gek uitpakken, als je heel verschillende eigenschappen in jezelf verenigt. Weinig mensen die mij in de Aula van de Universiteit Utrecht voor 300 mensen de professor zagen aankondigen die een lezing kwam houden, zullen zich kunnen voorstellen dat ik ook wel eens vier dagen dronken over een festivalterrein zwalk. Of dat ik wel eens op vakantie twee weken niet heb gedoucht. Dat ik er soms dol ben op ben om mensen te shockeren met verhalen over twee weken niet douchen.

‘Rol’ is daarom misschien niet het goede woord. Het klinkt fake, onoprecht. Precies op dit punt moet je scherp blijven. Je kunt een rol spelen die je van een ander afkijkt, uit een boekje hebt geleerd of waarvan je denkt dat die succes oplevert. Je kunt de rol spelen van journalist, met de bijbehorende slordige stijl en verontwaardiging. Of de rol van columnist die overal tegenaan schopt en er prat op gaat zijn bronnen niet te noemen. Daar zullen de meesten uiteindelijk aan onderdoor gaan. Net zoals je niet de rol van liefhebbende partner moet spelen (en dat hoor je maar al te vaak), maar je partner moet liefhebben zoals jij je partner liefhebt.

Ik vind het een mooi beeld: in verschillende situaties draai je verschillende kanten van jezelf naar het licht. Voor degene die dan naar je kijkt kan het lijken alsof dat je enige verschijningsvorm is, terwijl er talloze manieren zijn om in het licht te bewegen. De zes foto’s die de fotograaf laatst van mij nam laten dat heel letterlijk zien: op elk ervan sta ik net even anders voor de camera en zie je net een andere Miriam verschijnen. Je kunt ze zelfs bijna benoemen: de filosoof en de flirt, de lezer en de blogger.

Als het geen rol is, wat dan? Gestalte klinkt – helaas – vreselijk achterhaald, verschijningsvorm is te omslachtig en doet me denken aan een geest die opduikt en weer verdwijnt. Wat dacht je van ‘voorkomen’: datgene wat op de voorgrond treedt. Mooi is ook dat voorkomen zowel met uiterlijk als innerlijk te maken heeft. Op het podium van de Aula draag ik iets anders dan op de festivalweide. Er zit ook nog iets van de rol in; je voorkomen valt niet samen met je persoon, maar is een deel daarvan, een mogelijke veruiterlijking en gedraging van jezelf.

Gaat er dan ergens, in die spiegeling van eigenschappen, achter die verschillende belichtingen tóch een in zichzelf besloten ik schuil? De persoon waar het voorkomen naar verwijst, maar waar het niet mee samenvalt? Dat wat alle verschijningsvormen gemeenschappelijk hebben? Is dat dan waar je in je zelfonderzoek naar op zoek moet gaan? Een fenomenologische kern, de essentie van… Miriam? Je zou het denken, maar ik heb zo het idee dat het zo niet werkt. Dat alleen in de spiegelbeelden van Miriam een vage notie van Miriam naar voren komt. Een soort vage Miriam…

Reflecties over een foto II

michelangelo_narcissus

Die foto, daar had ik het over. Het is dus echt zo: als iemand met een lens van dertig centimeter een armlengte verwijderd van je gezicht gaat zitten klikken, dan voel je je ongemakkelijk. Dat heeft te maken met twee dingen. Ten eerste is het een ‘violation of personal space’. Je weet wel, die denkbeeldige ring die je om je heen draagt en waar mensen niet in mogen komen, behalve als het niet anders kan, bijvoorbeeld in de spits. Met de fotograaf was ik alleen en de bank is groot genoeg voor tien.

Daarnaast houdt de enorme lens je nog voor de foto is gemaakt een denkbeeldige spiegel voor. Ik was me bewust van elk haartje, vlekje en spiertje, van de grootte van mijn ogen, mijn tanden en oren. Dat is niet prettig. Er zullen een paar mensen op aarde zijn die het heerlijk vinden, maar zelfs als je niet onzeker over je uiterlijk bent (want dat ben ik verder niet) lijkt die lens een soort onzekerheidsstralen uit te zenden.

Zoals eerder gezegd, ben ik een trouwe kijker van America’s Next Top Model. Dat is geinig: want even voelde ik me een van die onervaren modellen die voortdurend aanwijzingen naar hun hoofd krijgen geslingerd. ‘You have to try and relax your mouth,’ zegt Mr. Jay terwijl hij met zijn vinger voor zijn mond in de lucht een rondje tekent. Ook ik moest mijn mond ontspannen. En mijn nek verdraaien terwijl mijn neus naar de andere kant wees, kin omhoog, kin omlaag. Volg mijn hand.

Omdat de fotograaf het er niet bij zei dacht ik het zelf maar: ‘we wanna see some personality!’ Ik zweepte mezelf op: fierce! on top! faboulous! En ondertussen me maar ongemakkelijk voelen: kijk ik niet te serieus, te oud, te gespannen (die zijn misschien alle drie hetzelfde)?

Ik moest hieraan denken toen ik een artikel las van Maarten van Buuren over Paul Valéry (te vinden in Van Buurens boek De innerlijke ervaring). Reflectie is een sleutelwoord in het oeuvre van Valéry, het steeds op zichzelf terugvallen, een eindeloos zichzelf spiegelen, zoals Narcissus. Dat gebeurt ook als je voor de camera komt te staan: je bent volledig op jezelf teruggeworpen en gaat als een Narcissus helemaal in jezelf op. Met dit verschil dat Narcissus verliefd werd op zichzelf. Als geportretteerde ben je doel geworden, hoe vaak komt dat voor? Een doel op zichzelf, dat zichzelf slechts hoeft te reflecteren.

Ook voor de camera verloor ik mezelf op deze manier in bespiegelingen terwijl de lens voor mijn neus door bleef klikken. Dat zijn vast niet de beste foto’s geworden. Opeens schrok ik wakker en keek naar de lens. Het ding was zo groot dat ik niet wist waar te kijken. De fotograaf moet van heel dichtbij mijn verward rondschietende ogen hebben gezien. ‘Kijk er maar midden in,’ zei hij. Toen hoorde ik ook weer Mr. Jay en Tyra: je moest vanuit de foto mensen aankijken en juist niet alleen maar in jezelf blijven reflecteren. Ik probeerde door de lens heen te kijken, alsof ik zelf onzekerheidsstralen kon uitzenden naar een heel klein, onooglijk mensje dat daarbinnen woonde.

Valéry voerde het l’art pour l’art dogma heel ver door; hij verlegde het zelfs naar de hele werkelijkheid. Kunst, het leven, de mens: allemaal doel op zichzelf, dus doelloos, alleen maar bezig met zichzelf reflecteren zonder enig verband met iets externs te leggen.

Ik ben het eens met de stelling dat kunst in eerste instantie nutteloos moet zijn, in de zin dat zij geen vooraf opgelegd doel mag hebben. Ze is een doel op zich: als je de waarheid wil achterhalen moet je journalistiek bedrijven, als je je naam in druk wil zien, word je publicist. Kunst is er om de kunst.

Het zou echter wel heel saai zijn om niet verder te kijken dan die nutteloosheid van de kunst op zich. Evenzeer huldig ik het idee dat degene die iets met het kunstwerk doet (de lezer, kijker, luisteraar) een wezenlijk onderdeel uitmaakt van wat het kunstwerk betekent. Hij voegt het doel en het nut aan het kunstwerk toe. Eigenlijk wordt het dan pas interessant.

Narcissus op zichzelf is doelloos, omdat hij zich eindeloos in zijn eigen spiegelbeeld verliest.

De verwerking van Narcissus in verhalen, beeldende kunst en Freudiaanse theorieën maken Narcissus pas tot een boeiend onderwerp. Zelfs Valéry schreef over Narcissus met het doel iets duidelijk te maken.

Een goede foto krijg je duidelijk niet door voor Narcissus te spelen. Beter is het om te luisteren naar die stemmen in je hoofd: fierce! on top! faboulous!
One last frame!

That’s a wrap!

PS: nog even geduld voor de column, die verschijnt in februari.

Lang, wollig feestpakkie

crocs_nicholson_bush

Mijn nieuwe lange, wollige en charmante jurk leek me ideaal om te dragen naar een sollicitatiegesprek. Ook zonder kralenketting en met een donkere spijkerbroek eronder voelde ik me zo netjes als maar zijn kon. Nog even mijn haar kammen en klaar!

’s Avonds was er een feestje in de Flitz, een donker hol waar je eigenlijk niet in lange, wollige jurken aan kunt komen. Maar ik was te lui om me te verkleden. Zoals ik die ochtend nog mezelf had proberen te verkopen aan vijf mensen aan de andere kant van een tafel, zo stond ik diezelfde avond met bier in de ene hand en, tja, bier in de andere (sinds het rookverbod is het er niet makkelijker op geworden).

Daar kwam de eerste al.
‘Leuk feestpakkie heb je aan!’
‘Sorry, sorry, ik had een sollicitatiegesprek.’
‘Sollicitatiegesprek? Ik maak geen grapje, ik dacht dat dit je feestoutfit was.’
‘Maar… dit ben ik op mijn netst.’
Gelach alom. Ik heb iets niet begrepen, zoveel is duidelijk. Had ik toch voor de kralenketting en de laarzen moeten gaan?
‘Dit ben jij op je netst?’ vond iemand anders het nog nodig te herhalen. Langzamerhand begon ik te vrezen voor het oordeel van de sollicitatiecommissie. Als ik hier al niet serieus werd genomen, als wat voor boer was ik daar dan wel niet overgekomen?

Ik heb hier vaker last van. Mijn moeder vindt mijn kleren altijd ‘sjiek’, een studiegenoot zei eens tegen me dat ik vast heel sportief was (voor de goede orde: dat ben ik niet), anderen vinden me een tutje, een student of een dom blondje. Laatst riep een collega tegen me: ‘Hey, fly girl!’ Dat komt misschien nog het dichtst in de buurt van de waarheid, hoop ik.

Als je jong bent lijkt het makkelijker. Op de middelbare school hing ik de theorie aan dat je mensen kon inschatten door de schoenen die ze dragen. Ik legde mijn theorie voor aan mijn vrienden. Je had alto’s, die droegen kisten. Alto-meisjes liepen ook wel op gekleurde Dr. Martens. Gabbers hadden elke maand nieuwe Air Max, kakkers gingen voor Timberland en die schoenen met opstaande naad en dikke rubberzolen, Mags. Verder had je de ‘gewones’ die natuurlijk gewone, onopvallende schoenen droegen. Ik was zelf het bewijs, want Ik, Alto droeg indertijd zwarte Dr. Martens met stalen neuzen. (Tegenwoordig lopen zowel peuters als hippe vogels als zwangere zakenvrouwen op dingen als Crocs, ik word er niet wijs uit.)

Oei, wat schoten mijn opmerkingen – toegegeven, er zat een kiem van fascisme in – mijn vrienden in het verkeerde keelgat. Terecht wees mijn vriendin op haar witte Nikes die ze droeg onder (van beneden naar boven) een spijkerbroek, Slayer-T-shirt, legerjas en Sepulturapet. Eerste weerlegging. En een andere vriend stond al klaar met zijn Dr. Martens in de lucht, waarop een ribbroek, een waxjas en een gezicht dat verscholen ging achter lange, ongekamde haren. Goed, die theorie sloeg duidelijk nergens op.

Pas vijftien jaar later (au!) begrijp ik waarom mijn theorie als los zand aan elkaar hing: ik dacht helemaal niet vanuit de schoenen, maar vanuit groepen mensen. Ik beweerde dat ik aan de schoenen kon zien wie erin stond, wat ik eigenlijk deed was aan elk type mens een schoen toewijzen. Dat bestond natuurlijk allemaal alleen maar in mijn hoofd, de werkelijkheid kwam er niet bij kijken. Die twee vrienden van mij waren duidelijk betere wetenschappers dan ik!

Toch, ook al zeggen kleren niets over de mensen die ze dragen, je ontkomt er bijna niet aan de kleren te lezen alsof ze iets zeggen over de inhoud. Dat merkte ik nooit zo goed als toen ik met leren jas en al op motorvakantie ging. Van mijn zus leende ik grote, zware boots. Als ik ’s nachts op de camping naar de wc ging, leek het alsof een reus zijn gram kwam halen. Andere motorrijders kwamen een praatje maken, terwijl moeders angstig hun kinderen de voortent van de caravan in trokken. Jonge vaders keken vol ontzag naar de helm aan mijn arm, terwijl bejaarde echtparen elkaar hoofdschuddend aanstootten. En ik was nog maar de bijrijder, ik droeg niet eens een leren broek.

Wat zeggen kleren dan over de mensen die ze dragen? Net als bij alle interpretatie, is er geen eenduidig model waaruit je kunt opmaken wat er bedoeld wordt. Mijn “Air Max equals gabber” hield geen rekening met mijn eigen vooroordelen, met de motieven van de drager of de meerduidigheid van een mode-item. Ik weet zeker dat mijn moeder de lange, wollige jurk ‘sjiek’ zou vinden, ook al noemden m’n vrienden ’m een feestpakkie en droeg ik hem om er netjes uit te zien.

Die baan heb ik trouwens gekregen. Dus wie heeft er nou gelijk?!

Maand van de spiritualiteit

maand_spiritualiteit

Elke dag, week of maand is tegenwoordig wel aan iets gewijd. Hebben we op dit moment Geschiedenis en Borstkanker, november is de Maand van de Spiritualiteit. Als aanloop tot de feestmaand, die in plaats van spiritueel vooral consumenteel is geworden. Het thema van de Maand is ‘Mijn betere ik’, oftewel Word wie je bent!

Maanden Van worden over het algemeen feestelijk geopend en afgesloten, daartussenin merk je er weinig van. Een van de happenings op de openingsmanifestatie van de Maand van de Spiritualiteit is de workshop De zin van het leven van godsdienstfilosoof Annewieke Vroom. Lef heeft ze in elk geval, met zo’n titel.

In de krant Trouw, een van de initiatiefnemers van de Maand, vertelt ze alvast waar we zo ongeveer die zin van het leven moeten zoeken. De kop zegt alles: ‘Aanvaarden van het ik is belangrijker dan het ik verbeteren.’ Alsof het wetenschappelijke bewijs onomstotelijk vastligt, zo staat het daar: aanvaarden is belangrijker, omdat het het diepste verlangen van de mens is. Voel je het ook al in je onderbuik?

Ik voel me dan natuurlijk aangesproken, met mijn Word wie je bent en Nietzsche, Proust en Sartre. (Op de site staat dat Sartre in de workshop aan bod zal komen, in de krant verklapt Annewieke hoe: als een ‘kunstmatig streven’.) Is aanvaarden belangrijker dan verbeteren? Aanvaarding is hoe dan ook een voorwaarde voor verbetering, zegt de godsdienstfilosofe. Maar wat moet je dan aanvaarden?

Ook Sartre heeft het over het aanvaarden van de dingen die gegeven zijn. In zijn kenmerkende prachtige bewoordingen (ahum): de geworpenheid. De mens wordt pats boem het leven in geworpen, temidden van allerlei zaken waar hij niets aan kan doen. Hij krijgt bepaalde ouders, die wel of niet een geloof aanhangen, hij moet het doen met een fysieke gesteldheid, is lelijk, mooi of onopvallend, woont in een zeker land, in een zekere tijd, onder een dictator of onder Balkenende. In feite begint het menselijk leven zoals zoveel verhalen in medias res – je valt er middenin en loopt altijd achter de feiten aan.

Die geworpenheid, daar hebben we allemaal last van, de een wat meer dan de ander. Als je de dingen die nu eenmaal gegeven zijn niet kan aanvaarden, kom je nooit verder. Dan blijf je steken in een apathisch wachten op het noodlot, in plaats van je leven eigen te maken. Eigen maken in dubbele zin: je leven van jezelf maken door het actief te leiden en verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes, maar ook je het leven eigenmaken, verinnerlijken – dat wat gegeven is door en door kennen en verpersoonlijken.

De mens zal dus ondanks zijn geworpenheid iets van het leven moeten maken. Of, zo zie ik het liever, dankzij. Wat zou je kunnen maken zonder bouwstenen? Hoe meer bouwstenen, hoe inspannender het levenswerk – maar ook: hoe meer mogelijkheden er iets bijzonders van te maken. Ze zeggen niet voor niets ‘an unhappy childhood is a writer’s goldmine’. Met aanvaarding alleen kom je nergens, laat de vooruitgang dan maar zitten. Moesten vrouwen vroeger dan ook maar aanvaarden dan ze minder waren dan de man? Of de zwarte dan de blanke?

Waar je Sartre niet (of minder) over hoort, is het feit dat de geworpenheid niet exclusief bij de geboorte hoort, maar het hele leven doorgaat. Steeds weer gebeuren er dingen die van grote invloed zijn op jou, maar waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Vooral natuurlijk zolang je nog afhankelijk bent van anderen, zoals je ouders. Ze kunnen gaan scheiden, besluiten te emigreren, doodgaan. Je bent nooit klaar (gelukkig). Hoe ouder je wordt, hoe meer je zelf ook de geworpenheid van anderen bepaalt. In dit idee ligt de basis voor een moraal besloten, die je bij een simpel aanvaarden nooit zult vinden.

Aanvaarden is geen doel, maar een voorwaarde. Belangrijk, maar van ondergeschikt belang. En het diepste verlangen van de mens? Als de diepte van een verlangen de maatstaf wordt van wat de zin van het leven is, zijn we denk ik ver van huis. De mens is de mens een wolf. Spiritualiteit is geen gegeven, daar moet je iets voor doen. Kiezen voor je betere ik, daar ga je heus niet dood aan.

Mensen met een verhaal

‘Mensen met een verhaal’: deze kop komt niet uit de Viva, is geen rubriek van 1Vandaag, en ook geen benaming voor Icesave-slachtoffers. Het is een onderdeel van de AllerHande, het blad waar half Nederland – ikzelf incluis – uit kookt.

Wat hebben mensen met een verhaal te zoeken in de AllerHande? Nou, ze delen hun familierecept of een kar met boodschappen. Daar zit natuurlijk een verhaal achter. Iedereen zal wel een anekdote uit zijn leven kunnen vertellen waarin voedsel een belangrijke, misschien zelfs smeuïge rol speelt. Er bestaat in de literatuur een heel genre van eetromans en -verhalen. Door zulke verhalen te delen (met foto’s van de betrokkenen) krijgt de Albert Heijn een menselijk gezicht. Je neemt de AllerHande niet meer alleen mee voor de recepten, maar ook om even lekker te lezen. Klantenbinding heet dat.

Er is meer aan de hand. Mensen met een verhaal: daar draait alle media tegenwoordig op. Een glossy als AllerHande kan niet achterblijven. De honger naar verhalen van gewone mensen, in wie we ons herkennen, is onstilbaar. En de gretigheid waarmee iedereen zijn eigen verhaal voor het voetlicht brengt, is recht evenredig. Omgekeerd blijken sterren, de ongewone mensen zogezegd, ook maar mensen met een verhaal. Eindresultaat: iedereen is een ster, iedereen ongewoon, iedereen een beetje gek.

Het is sinds de uitvinding van commerciële televisie en internet natuurlijk ook heel makkelijk om je verhaal te vertellen. Kijk maar naar al die weblogs. Toch denk ik dat de overvloed aan levensverhalen (vaak vooral verhaaltjes) in de publieke sfeer niet alleen op de rekening mag worden geschreven van de populaire media. Filosofen zijn ook schuldig.

Ik schreef al eens dat ik ooit een presentatie hield over de narratieve weergave van het leven in Idols. Dat zag je vooral als iemand weggestemd werd. Een filmpje toonde hoe een onopvallend typje opbloeide tot een sexy showtijger met diepe dalen en staande ovaties, tranen en relaties. ‘Het Idols-avontuur van Pietje Puk is nu ten einde,’ luidde de afkondiging. ‘Maar jullie zullen nog van me horen, hoor!’ gilde de onfortuinlijke bijna-Idol dan steevast.

Dat bedacht ik niet zomaar. Er is een breed gedragen opvatting in de filosofie dat mensen hun leven als een verhaal opvatten om het als zinvol te ervaren en er betekenis aan te geven. Ook is het een manier om je herinneringen te structureren. Door gebeurtenissen en ervaringen te duiden door narratieve elementen als oorzaak en gevolg, krijgt de chaos van leven een overzichtelijke aanschijn. Net als het benoemen van terugkerende thema’s of het karakteriseren van mensen in je omgeving alsof het personages zijn: de held die alle tegenslag overwint, de liefhebbende moeder, de avonturier.

Je leven interpreteren als een narratief verhaal strekt zich niet alleen uit naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Dan gaat het om het actief vormgeven van je persoonlijke verhaal. Als je dat goed doet, word je misschien wel wie je bent. Ik draag deze narrative turn – excusez le mot – dan ook een warm hart toe. Mits het verhaal niet uitdraait op een buiging voor het noodlot. Zodra men denkt dat een oorzaak maar één gevolg kan hebben en het leven ingenieus als een tragedie van Shakespeare naar zijn einde toewerkt, verdwijnt juist die chaotische kwaliteit van het bestaan uit het zicht. Banken vallen om, om niets.

Het leven ís geen verhaal, mensen hébben een verhaal. Ik hoor alle Icesave-spaarders over dertig jaar al aan het nageslacht vertellen: ‘En toen…’ En toen ging ik het familierecept van de Van Iersels maar eens klaarmaken.

Werk aan de winkel III

Lunetten

Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar – bij wijze van spreken – zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een ‘ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak ‘m beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.

Werk aan de winkel II

Te veel keuzemogelijkheden en toch niet kunnen kiezen – het is een makke van onze tijd. Hoe kies je tussen een Bed & Breakfast beginnen, met dolfijnen zwemmen en zielige zwerfkatten redden? Voor je het weet twijfel je zo lang dat je helemaal niets meer doet.

Verdrinken in keuzes is een overblijfsel van de jaren negentig, toen alles kon en alles mocht. Dave Eggers schreef dé roman over hoe het was om toen op te groeien, in een tijd zonder oorlog, zonder grenzen aan de vrijheid en met veel geld voor iedereen: A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Gelukkig voor hem is het ook echt een geniaal boek, hartverscheurend ook (huilen bij de laatste bladzij) en tegelijk volstrekt buitensporig, overvloedig, sentimenteel en getuigend van grote verwaandheid.

Onze ouders hadden de Koude Oorlog nog, schrijft hij, wij hebben alleen vrede. Saai! We hebben niets om tegen te zijn, zelfs je vader en moeder zijn je beste vrienden. Zij hebben al alles gedaan wat god verboden heeft, wat zet je daar tegenover? Alles kan en alles mag. Niets moet dus niets gebeurt. Als allebei je ouders vlak na elkaar overlijden, zoals de hoofdpersoon overkomt, is de wereld zelfs haar allerlaatste grenzen kwijtgeraakt. Dave geeft zich uit pure ellende maar op voor The Real World van MTV, begint een tijdschrift, reist van hot naar her.

In een volgend, beduidend minder geniaal boek, You Shall Know Our Velocity, promoveert Eggers dat laatste tot hoofdthema. Een jongen verdient met iets onbeduidends zeer veel geld: zijn silhouet staat op elke gloeilamp die in Amerika over de toonbank gaat. Wat te doen met al dat geld? En met alle tijd? Hij gaat op reis om zijn geld uit te delen aan mensen die het harder nodig hebben dan hij. Overal waar hij komt denkt hij: dit had ook mijn leven kunnen zijn, sterker nog, het kan mijn leven worden. Ik kan in Afrika een surfschool beginnen, ik kan in Letland Rus worden, met dolfijnen zwemmen, een Bed & Breakfast, zwerfkatten… And in the end nothing happens.

Tijden veranderen, en zoals de jaren negentig is het allang niet meer. Rookverbod, identificatieplicht. Oorlogen genoeg, met bijbehorende slechteriken van Bin Laden tot Bush om fel tegen te zijn, en soms lekkere werkloosheidscijfers (zoals in 2002 toen ik afstudeerde) of een kredietcrisis. Crisis is een woord dat elk journaal wel valt. Dat noopt tot keuzes. En toch… in de literatuur blijven er genoeg twijfelaars rondlopen. Indecision was de titel van het debuut van Benjamin Kunkel uit 2005. Goed besproken, maar naar mijn mening even vervelend als de titel doet vermoeden. Reizen, drugs gebruiken, rondhangen, af en toe een date en zeuren over het systeem, inmiddels weten we het wel.

Ik hoor in mijn hoofd weer die mantra die overal op van toepassing lijkt: aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve… Niet verdrinken, maar in het diepe springen, je in de afgrond storten, in plaats van erin te vallen. Misschien ga ik toch zielige zwerfkatjes redden. Het meest aanstootgevende dat ik deze week gezien heb, was namelijk kleine Jip.

Steun de Dierenbescherming voor Jip en andere zielige dieren.