Over de vrouwelijke filosofie van Luce Irigaray

Voor De Groene Amsterdammer schreef ik onlangs over filosofe en psychoanalytica Luce Irigaray, in het bijzonder over Dit geslacht dat niet (één) is.

Ik stel me zo voor dat Luce Irigaray bij zulke hardnekkige ‘macho-mythes’ zin heeft om de straat op te gaan met een kartonnen bord in de hand zoals dat van de oudere dame die werd gefotografeerd bij een protest tegen het verscherpen van abortuswetgeving: ‘I can’t believe I still have to protest this fucking shit.’

Lees het tiende deel van de Feministische Leeslijst hier: ‘Vrouwspreken’ met trotslippen

Wees een idioot!

‘Pinkpoooooooooooop!’ schreeuwde iemand tegen het eind van mijn Lowlands-lezing vanuit het publiek. Ik moest lachen, gelukkig, want eigenlijk stond ik met mijn mond vol tanden. ‘Gast, ben je de weg kwijt of zo,’ werd er geroepen, en: ‘Zit je d’r lekker aan?’ Pas toen de lezing was afgelopen en ik van het podium de trap af liep, de tent uit naar de backstage, drong het tot me door. Die jongen had mijn verhaal, over de idioot als een lichtend voorbeeld in postdigitale tijden, het beste begrepen van alle mensen in de tent, mijzelf incluis. Hij had de les van de idioot meteen ter harte genomen en toegepast; hij was de idioot, precies zoals ik had gezegd dat je dat zou moeten zijn.

‘De idioot “communiceert” niet,’ schrijft de Koreaans-Duitse filosoof Byung- Chul Han in Psychopolitiek. Dat maakt de idioot direct tot een subversieve figuur, want in onze tijd is communicatie immers het hoogste goed. Niet eens zozeer vanwege het overbrengen van een boodschap of omdat informatie-uitwisseling zo belangrijk wordt gevonden. Nee, de almaar opgevoerde communicatie die vierentwintig uur per dag doorgaat, is wat de wereld van het surveillance-kapitalisme draaiende houdt. Als iedereen per direct zou stoppen met Facebook en Instagram, met mailen en appen, als iedereen nú zijn smartphone in de gracht zou gooien, als met andere woorden de communicatie rigoureus tot staan zou komen, dan zou met de data ook het kapitaal stoppen te stromen. En niet alleen het kapitaal. De ‘totale communicatie’ zoals Han het noemt, is ook in het belang van hen die een oogje op ons willen houden, of het nu de overheid is, de veiligheidsdiensten, of bedrijven als Cambridge Analytica die met zoveel mogelijk kennis over zoveel mogelijk mensen een zekere politieke ideologie vooruit proberen helpen.

Om bruikbare data te genereren moet iemand zich bewegen, om afgeluisterd te worden moet je spreken; stilte en stilstand zijn daarom de dood van de controlemaatschappij. De idioot weet dat. Gilles Deleuze, schrijvend over de controlemaatschappij, wees om die reden de idioot aan als voorbeeld, allereerst voor filosofen: ‘Faire l’idiot’! Wees een idioot! Sindsdien is de communicatie- en transparantiedwang alleen maar toegenomen en de nood aan ‘vrije ruimtes van het zwijgen, van de stilte en de eenzaamheid’, zoals Han dat noemt, dus ook. Moeten we dan echt onze smartphone in de gracht gooien en als middeleeuwse broeders en zusters de gelofte van het zwijgen afleggen? Nee, dat wordt op den duur ook maar voorspelbaar. En de idioot is juist in essentie onvoorspelbaar, roept ‘Pinkpop’ in een Lowlands-tent.

De oer-idioot waar Deleuze naar terugkeert, is die van Dostojevski. Met de personages van Dostojevski is iets vreemds aan de hand, vertelt Deleuze in ‘Qu’est-ce que l’acte de création?’, een lezing uit 1987 – ze lijden aan chronische onrust, laten zich door minieme dingen afleiden. ‘Een personage gaat op pad, de straat op en zegt: “Tanja, de vrouw van wie ik houd, vraagt om mijn hulp. Ik ga, snel, snel, ze zal sterven als ik niet naar haar toe ga!” Hij loopt de trap af en komt een vriend tegen of hij ziet een aangereden hond liggen en hij vergeet alles. Hij vergeet volkomen dat die Tanja

op hem zit te wachten, bezig te sterven. Hij begint te praten, ontmoet weer een andere kennis, gaat met hem theedrinken en zegt dan plotseling weer: “Tanja wacht op me, ik moet gaan!”’ Deze personages, zegt Deleuze, zijn constant in de weer met allerlei noodgevallen en toch is er steeds iets wat nóg dringender is. Maar wat? Dat ontglipt ze.

Is dat een lichtend voorbeeld? Van hot naar her rennen, mensen in nood vergeten, in een voortdurende staat van paraatheid verkeren… Ik moet er niet aan denken. Wat maakt die idioot dan toch tot een navolgenswaardig figuur voor onze tijd? Dat is zijn fundamentele ondoelmatigheid. Zijn weigering om mee te gaan in de rationalisering van zijn keuzes en handelingen. Het vertrouwen op intuïtie en het besef dat intuïtie niet uitgelegd kan worden. En ook: zijn onschuld. De idioot moet onder geen beding verward worden met een leugenaar. De leugenaar kent de waarheid en wil die verborgen houden; dat is zijn doel. De leugenaar is nog steeds aan het communiceren, wil een boodschap aan de man brengen. Hij lokt reacties uit, probeert te overtuigen en gebruikt de technieken die daarbij voorhanden zijn, precies zoals de instanties dat graag zien. Donald Trump bijvoorbeeld – of alle andere mannen uit zijn entourage – mag zich idioot gedragen, met de idioot als filosofisch concept heeft hij om deze redenen weinig te maken.

De idioot interesseert de waarheid niets. Hij weet dat hij die niet kent en zal daarom niemand van het tegendeel willen overtuigen. Hij heeft geen boodschap te verkondigen. Wat hij ons kan leren is volgens de filosofe Isabelle Stengers juist de waarde van oponthoud, de suspensie van de waarheid. Al is de oer-idioot van Dostojevski een soort ADHD’er avant la lettre, Stengers wijst erop dat de idioot vooral vertragend te werk gaat (hoewel te werk gaan veel te doelgericht klinkt). Causale gevolgtrekkingen, daar heeft hij niets mee. ‘En dus…’ komt niet in zijn vocabulaire voor. Alles staat open, er kan steeds iets volgen wat niets met het voorgaande te maken heeft: een ontmoeting met een kennis, een aangereden hond, een kopje thee. Zo steekt de idioot een stokje in de raderen van de soepele machine die communicatie tegenwoordig moet zijn. Hij doet je met de mond vol tanden staan en lachen tegelijk, zoals mij overkwam daar op dat Lowlands-podium. Stamelen en lachen zijn beide letterlijke vormen van oponthoud in de communicatie, het resultaat van een onverwachte wending en de opening tot een andere onverwachte wending.

Het idiotisme, stelt Byung-Chul Han, is een praktijk van vrijheid. Misschien wel een van de weinige praktijken van vrijheid die ons nog resten in een wereld die verplicht tot voortdurende connectie en communicatie. In de kern bestaat die vrijheid eruit dat je de noodzaak tot verstaanbaarheid naast je neerlegt. Het is een poëtische vrijheid, kun je ook zeggen. Bijna een hippie-achtige vrijheid. In de woorden van Botho Strauss, waarmee ook Han besluit: ‘een bloemenbestaan: eenvoudige opening naar licht’.

Meerstemmige filosofie: over ‘Onszelf voorbij’ in De Groene

Ik schreef in De Groene Amsterdammer over het filosofische essay-drieluik Onszelf voorbij van Lisa Doeland, Elize de Mul en Naomi Jacobs. Lezen doe je hieronder of bij De Groene: Kom uit je bubbel.

Drie auteurs die zich in essayvorm buigen over één onderwerp, bijeengebracht en voorzien van een inleidend kader: het is de beproefde methode van de interessante Trios-serie van Chicago University Press. Filosofen zoals Slavoj Zizek, Timothy Morton en binnenkort Wendy Brown droegen al bij aan drieluiken over de naaste, het niets en autoritarisme. Het interessante van de opzet is de nevenschikking van de teksten. Iedere auteur heeft zijn eigen specialisme en dat is prima. Ze hoeven geen consensus te bereiken, laat de lezer de verbindingen maar leggen. Het past bij deze tijd van meervoudige perspectieven en relatieve waarheden.

“Meerstemmige filosofie: over ‘Onszelf voorbij’ in De Groene” verder lezen

De kanonnen van de filosofie en de tijdsgeest in mijn boekenkast – Maand van de Filosofie in de Athenaeum-etalage

Dat zijn de leukere klussen: voor de Maand van de Filosofie mocht ik een etalage inrichten bij Athenaeum Boekhandel op het Spui. Klik door naar Athenaeum voor de toelichting – of lees na de knik de hele lijst. En natuurlijk is de etalage live te aanschouwen op het Spui!

Het is magisch, troostrijk en verontrustend tegelijkertijd: het besef dat wat je leest tijdens je studietijd, de ‘vormende jaren’, ook daadwerkelijk een onuitwisbare indruk maakt op je geest en zo je denken vormgeeft. Of nou ja, dat is bij mij het geval. Het is magisch omdat boeken dus echt je leven kunnen veranderen, troostrijk omdat je altijd kunt terugvallen op die oude vrienden, en verontrustend omdat je blijkbaar het gevaar loopt te verstarren in de wortels van een denken dat steeds verder in het verleden komt te liggen. Toelichting op Athenaeum: De kanonnen van de filosofie en de tijdsgeest in mijn boekenkast.
“De kanonnen van de filosofie en de tijdsgeest in mijn boekenkast – Maand van de Filosofie in de Athenaeum-etalage” verder lezen

Zwemmen in de oceaan genomineerd voor de Hypatia-prijs

Aankomende zaterdag 14 april wordt de Hypatia-prijs uitgereikt. Een nieuwe prijs voor het beste en meest prikkelende en actuele filosofieboek geschreven door een vrouw.

Het is een tweejaarlijkse prijs en mijn Zwemmen in de oceaan staat op de shortlist.

Kom ook op zaterdagmiddag 14 april in de Doelenzaal (UvA), Singel 425, Amsterdam.​

Zie verder de website van SWIP. “Zwemmen in de oceaan genomineerd voor de Hypatia-prijs” verder lezen

Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt. “Update: Essay in de Revisor – nu online” verder lezen

2017: mijn jaar in boeken, jubileumeditie

 

 

 

 

 

 

 

Dit is het tiende overzicht van mijn boekenjaar dat ik hier presenteer #jubilee (zie: 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016). Die kwantificeringsdrang mag misschien opmerkelijk lijken voor iemand die zich steeds meer met anti-kwantificatiedenken bezighoudt (kortweg: antikwanti). Maar zoals ik elders al betoogde, is voor zinvolle kritiek op het hysterische datageloof een simultane liefde voor het getal misschien wel noodzakelijk. Daar gaan we.

Dit jaar heb ik 47 boeken gelezen, min of meer: zes daarvan las ik voor het grootste gedeelte, waarvan ik er maar twee onbevredigd voor het einde heb weggelegd. (Ik heb wel meer boeken niet uitgelezen, maar die staan  niet op de lijst.)

De helft van de boeken komt uit 2017. Tja, steeds weer heb ik het voornemen om ‘zoals vroeger’ ook weer veel klassiekers te lezen, maar het komt er niet van. Werk, nieuwsgierigheid, en ja, ook de beschikbaarheid ervan als recensent, zorgen ervoor dat ik juist steeds meer actuele en hedendaagse boeken lees. Voor de komende vakantie heb ik wat oudere romans klaargelegd, want het bevalt altijd goed om iets uit een andere tijd te lezen, zelfs als het boek eigenlijk tegenvalt.

Ook een helft: filosofie en essays. En een derde, wat veel is voor mij: Nederlandstalig.

Mijn waardering was genereus dit jaar, wat ik dan maar opvat als teken dat ik ondanks die druk om actueel te lezen goed weet te kiezen. Gemiddeld een 3,77 (uit vijf)! Het hoogste ooit behaald? Zou zomaar kunnen. Nu bedenk ik me wel dat Bookpedia sinds een laatste update ook halve sterren accepteert, dus het kan zijn dat ik daardoor vaker een 3,5 of zelfs 4,5 heb gegeven, waar dat eerder een 3 of 4 was geworden.

Oké, namen en rugnummers.

Omdat ik relatief veel Nederlandse romans las, wil ik allereerst de twee dichterdebuten noemen: Wormen en engelen van Maarten van der Graaff en Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman. Beide bijzondere boeken met een geheel eigen thematiek (religie en klimaat) en die bovendien op papier zoeken naar nieuwe vormen. Daar houd ik van. Klont van Maxim Februari is een roman over data en kwantificering die grappig en multi-interpretabel is, ga er maar aan staan. Ook een eigen thematiek en ook een vorm als disruptie, om in de wereld van de internetgoeroes te blijven. Over die vorm denk ik nog steeds na, ooit zal ik er misschien iets over schrijven.

Er waren ook goede Nederlandse essays, zoals van Marja Pruis (Genoeg nu over mij is grappig en ontroerend en vrouwelijk zoals het hoort en misschien wel het beste boek dat ik las dit jaar; in elk geval het boek dat ik het vaakst heb aangeraden) en het debuut van Bier met Boeken-genoot Jan Postma (maar ik vind eigenlijk dat je geen boeken kunt noemen waar je iets mee van doen hebt gehad, ah, kijk, nu heb ik het toch gedaan, Vroege werken dus). (Had ik mijn eigen essayboek al genoemd? Nee, dat kan ook niet, maar zie vooral hier – waar? – hier, maar ook hier!!!)

De grote verrassing was voor mij dit jaar het filosofische essay van Kris Pint, De wilde tuin van de verbeelding, dat helaas te weinig aandacht heeft gekregen (ik schreef erover voor De Groene).

Een andere donderslag bij heldere hemel kreeg ik van Eugene Thackers In the Dust of this Planet – wat een fenomenaal werk! En er zijn nog twee delen (die ik nog moet lezen). Het is van 2011, maar who cares. Het is filosofie die uit de diepste diepten van mystiek, kennisleer, middeleeuwse horror en Kantiaanse kritieken allerlei bizarreriën opdiept – maar pertinente bizarreriën – en die combineert met contemporaine OOO en existentiële klimaatangst, enzovoorts en zo verder, en je verbluft achterlaat.

Heb ik nu echt maar één niet-Nederlands werk genoemd? Zo’n jaar was het blijkbaar. Vooruit, dan gooi ik er nog een tip in voor de koude wintermaanden: Het licht van Torgny Lindgren. Uit 1987. Want zomaar een boek lezen uit een andere tijd en een andere taal, dat MOET.

Heidegger in de boardroom: recensie Christian Madsbjerg – Filosofie in een tijd van big data

Een businessconsultant die iets met filosofie en big data doet, dat klinkt eerder angstaanjagend dan aantrekkelijk. Er zijn al genoeg CEO’s van technologiegiganten die sjiek doen met stoïcisme of die beweren dat het brein net een computer is. Zij doen de filosofie doorgaans geen goed. Christian Madsbjergs Filosofie in een tijd van big data is echter van een andere orde. Sterker nog: het is een boek waarvan je zou willen dat iedereen in bedrijfsleven en politiek, en vooruit, ook het onderwijs en de zorg, het zou lezen.

Maar lees eerst de recensie, hieronder of bij Athenaeum: Heidegger in de boardroom

“Heidegger in de boardroom: recensie Christian Madsbjerg – Filosofie in een tijd van big data” verder lezen

De dwaze obsessie nuttig te willen zijn: Cioran, Een kleine filosofie van het verval

Wie de inhoudsopgave van Een kleine filosofie van het verval van E.M. Cioran opslaat, wordt meteen voorbereid op een bepaalde filosofische leeservaring: ‘Oefeningen in ontbinding’ heet de eerste afdeling, en daaronder volgen: ‘Genealogie van het fanatisme’, ‘De anti-profeet’, ‘Op het kerkhof van de definities’, tot onderaan de pagina, ‘De reactionaire engelen’, ‘Bekommerd om fatsoen’, ‘Het gamma van de leegte’ – en zo nog tientallen titels door. Het leest als een lange litanie, die de liefhebber van pessimistische filosofen en de schrijvers van het lijden meteen zal aanspreken.

Lees verder bij Athenaeum: De dwaze obsessie nuttig te willen zijn

Zwemmen in de oceaan: Berichten uit een postdigitale wereld

‘Een diepzinnig boek over de grote verleiding om langs de oppervlakte te blijven scheren. Miriam Rasch laat zien dat die oppervlakte in de digitale cultuur van de eenentwintigste eeuw meer te bieden heeft dan verstrooiing en degradatie tot consument. Ze tovert er een eigentijds soort hevigheid tevoorschijn.’ – Maxim Februari

De Bezige Bij

Bestellen

E-boek

Voorpublicatie

Presentatie

Interviews

Read one of the essays in English

Rasch blijft (…) dicht bij zichzelf, maar dat neemt niet weg dat ze ook haarscherp de problemen met transparantie en datahonger duidt. **** NRC Handelsblad

Voor iemand die zich met huid en haar onderdeel voelt van de oppervlakkige digitale wereld schrijft Miriam Rasch met analoge, jargonvrije intelligentie.
Carel Peters, Vrij Nederland

Ze is in staat om door de onzin van de nieuwe tijd heen te prikken, maar ook vast te stellen wat waardevol is. In haar essays speelt ze regelmatig met de vorm om haar pointe kracht bij te zetten. **** Trouw

Van dichtbij, per essay, barst het van de ideeën, invalshoeken en doorverwijzingen. Dat maakt Rasch bijzonder. Het Belang van Limburg

Een literaire kritiek van het internet (…) Goethe sprak ooit van een zarte Empirie, een zachte of delicate empirie, ‘die zich volledig identiek met het object maakt, en zo tot de daadwerkelijke theorie wordt’. In haar beste stukken benadert Rasch dat ideaal. De Nederlandse Boekengids “Zwemmen in de oceaan: Berichten uit een postdigitale wereld” verder lezen