Nieuw realisme en eenhoorns. Over Markus Gabriel – Waarom de wereld niet bestaat

indexStel, je bent een academische filosoof die al jaren met de uiterste nauwkeurigheid Hegel of Kant probeert te doorgronden, en je moet publiceren en je moet maatschappelijk relevant zijn. Dan wordt een blonde dertig-minner hoogleraar in Bonn, om een paar jaar later een boek te schrijven tegen de metafysica, tegen het idealisme, maar voor het grote gebaar en De Mens. Hij mag op alle filosofiefestivals optreden, het boek wordt vertaald en er volgt een book tour waar hij het publiek inpakt met zijn charme en brille.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Het zit allemaal in ons hoofd “Nieuw realisme en eenhoorns. Over Markus Gabriel – Waarom de wereld niet bestaat” verder lezen

G8 van de filosofie? Of een full on publieksevenement?

fotoVerschenen bij Institute of Network Cultures weblog

‘Waarom laten we het nadenken over onze toekomstige samenleving over aan politici? Waarom bestaat er geen serieuze internationale top voor intellectuelen?’ Met die inzet vond 18 april de ‘G8 van de filosofie’ plaats in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Zygmund Bauman, Peter Sloterdijk, Aziz Al-Azmeh, Benjamin Barber, Damon Young, John Gray, Markus Gabriel en Sophie Oluwole (Chantal Mouffe was er helaas niet) kwamen samen met tal van Nederlandse filosofen en zo’n duizend man publiek. Maar is dat ook meteen een ‘serieuze internationale top voor intellectuelen’? Nee, het was een full on publieksevenement.

Filosofen zijn er natuurlijk niet om wereldproblemen op te lossen, maar kunnen wel een rol spelen in het verhelderen van belangrijke vragen. Wat zijn de filosofische implicaties van het armoedeprobleem, van klimaatverandering, culturele conflicten en privacy, om maar een paar van de thema’s te noemen die aan de orde kwamen. Filosofen kunnen daarnaast bepaalde zaken agenderen: de ethiek van (toekomstige) robots, autonomie die in het democratisch bestel onder druk staat, et cetera. In de aanloop naar de G8 gebeurde dit dan ook uitvoerig in diverse media – hoewel eerder journalisten daarvoor verantwoordelijk zijn en niet de filosofen zelf, die lieten zich interviewen of zagen hun boeken besproken worden.

Interessant materiaal, en goed dat de actuele filosofie zo in de spotlight komt te staan. Op de avond zelf werd het echter al gauw duidelijk dat dit een filosofisch event voor het algemene publiek was. Net als de media coverage bestond de avond uit een aaneenschakeling van interviews met of lezingen van de filosofen over zijn of haar werk en discussies onder leiding van een moderator die ‘de stem van de leek’ vertegenwoordigt. Waar waren de filosofische gesprekken waarin stappen worden gezet voorbij het eigen denken? Waarin de basis die er is (boeken, interviews en artikelen) de inzet vormt voor nieuwe inzichten? Dat is toch wat een ‘top’ zou moeten betekenen? Pittige discussies waarin deze intellectuelen het vuur na aan de schenen wordt gelegd – door elkaar of door gesprekleiders die niet in de eerste plaats het publiek voor ogen hebben maar de agenda van de ‘toekomstige samenleving’.

Het leek alsof meer nog dan anders het niveau van de gesprekken voortdurend naar beneden werd getrokken door de vraag ‘maar wat kan ik dan zelf doen in mijn dagelijks leven?’ Terecht merkten zowel Peter Sloterdijk als Marli Huijer (los van elkaar) op dat het niet gaat om jouw individuele ongemakjes, maar om de filosofische vraag – het wereldprobleem om het maar zo te noemen. Het is al tijden de grote discussie binnen de filosofie: hoe ver mag je gaan met populariseren? Ik juich het toe dat de filosofie de laatste jaren uit de academie is getreden en dat zoveel mensen lezen, schrijven en discussiëren over filosofische vragen op een toegankelijk niveau. Dat hoeft ook niet ten koste te gaan van inhoud, diepgang, of hoe je het maar wil noemen. Op tv is het misschien van belang om te vragen wat al die abstracte woorden nu in een zin of twee betekenen voor ‘de kijker thuis’. Een talkshow is dan ook een vluchtig medium – er is geen tijd om op de zaken door te vragen en er is ook geen tijd voor een diepgravende voorbereiding.

Terzijde – daar ligt denk ik een groot probleem: toegankelijke, ‘gepopulariseerde’ filosofie lijkt zo vaak haastwerk. Terwijl complexe vraagstukken best zinvol en begrijpelijk gebracht kunnen worden, als er maar tijd en aandacht aan wordt besteed. Dat verdient de filosofie, waarin het toch gaat om steeds weer bevragen wat er staat, wat er gezegd wordt. Academische en populaire filosofie vormen in het beste geval helemaal geen tegenstelling. De voor de Socrates-beker genomineerde boeken voor beste filosofiewerk van het jaar laten dat zien, zij weten als het goed is die tegenstelling achter zich te laten. Inhoudelijke kracht en een aantrekkelijke vorm kunnen hand in hand gaan, als beide maar evenveel aandacht krijgen. Nee, als beide maar veel aandacht krijgen.

Op een bijeenkomst zoals deze Filosofienacht, waar zoveel voorbereiding en denkwerk in zit, dat is duidelijk, mag de bezoeker wel iets meer uitgedaagd worden. Duizend bezoekers, dat is veel, maar nog steeds een zeer selecte club die je niet hoeft te onderschatten. Het was mooi om te zien dat er zoveel jonge mensen waren, die – zoals iemand op Twitter opmerkte – zonder probleem drie kwartier aandachtig luisterden naar een discussie in het Engels over, bijvoorbeeld, ‘distraction‘. De ambitieuze doelstelling die de ‘Filosofen-G8’ zich stelt als ‘serieuze internationale top voor intellectuelen’, zou ook moeten betekenen dat de filosofen zelf uitgedaagd worden, meer nog: elkaar uitdagen. Het was internationaal, er waren intellectuelen, het ging over de toekomstige samenleving. Nu nog iets serieuzer graag.

Recensie Joke J. Hermsen – Kairos. Een nieuwe bevlogenheid

KairosWat hebben de Weggeefwinkel, het metamodernisme en Rotterdam Vakmanstad met elkaar gemeen? Ze figureren alle drie in het abecedarium dat filosoof Joke J. Hermsen presenteert als afsluiting van haar nieuwe essaybundel Kairos: Een nieuwe bevlogenheid.

Deze week in De Groene Amsterdammer, mijn recensie van Joke J. Hermsen – Kairos. Een nieuwe bevlogenheid. In het papieren blad of online achter de inlog: Een nieuw begin.

Techniek in de Maand van de filosofie: recensie Coen Simon – Een stok om mee te denken

Simon - StokDe maand van de filosofie heeft als thema mens en techniek. Waar beter te beginnen dan bij een historisch overzicht van wat filosofen in de loop van 2500 jaar over techniek hebben geschreven? Coen Simon verzamelde in Een stok om mee te denken ruim twintig stukken van verschillende filosofen over technieken, te beginnen met Plato’s grot. Techniek, dat is alles wat door de mens gemaakt is, dus: Susan Sontag over de fotocamera, Foucault over het panopticon maar ook denkers over zaken als geld, ‘de waar’ volgens Marx en het logistieke centrum van De Botton.

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Een verscheidenheid aan (denk)technieken

Hoe technieken sturen

En het eindigt – natuurlijk – bij een stuk ‘Over het internet’, hoewel die titel wat te beperkt is. Luciano Floridi noemt in die tekst het internet haast niet, het gaat eerder over de totale versmelting van de offline en online wereld in wat hij noemt ‘de infosfeer’, waarin we als ‘inforgs’ binnen afzienbare tijd zullen leven. Het is een rode draad in deze teksten: het gaat niet om het nieuwe apparaat, maar om de sturende werking van het apparaat (dat kan ook het schrift zijn, of het wereldwijde web) op het samenleven. Een nieuwe techniek betekent een verandering in het systeem en dat is wat de filosoof probeert te begrijpen.

Van Plato naar het geld, de trein en de rest

De stukken zijn chronologisch gerangschikt op het moment van uitvinding, wat betekent dat we wel beginnen met Plato maar dat vervolgens oudere en nieuwere teksten van de meest uiteenlopende denkers door elkaar staan. Alle titels zijn gesteld volgens het format ‘Over [de onderhavige techniek]’ en worden heel kort ingeleid door Simon. Ik mis daarbij meer feitelijke informatie over de teksten, zoals jaartal en oorspronkelijke titel van de publicatie. Voor bibliografische informatie moet je naar de bronnenlijst achterin bladeren. Die is dan weer alfabetisch opgesteld, in plaats van de inhoudsopgave te volgen. Een kleinigheidje, maar bij dit soort verzamelbundels is het bedienen van het lezersgemak juist zo belangrijk.

De meeste filosofen komen overigens uit de laatste twee eeuwen, net als de meeste technieken. In feite lijkt het alsof tussen ‘het geld’ (Georg Simmel) en ‘de trein’ (Petran Kockelkoren) haast geen techniek is uitgevonden. Nu nodigt zo’n overzichtswerk natuurlijk ook uit om te bedenken wat erin ontbreekt. Over bijvoorbeeld de drukpers of de telescoop moeten toch teksten te vinden zijn die dit gat hadden kunnen overbruggen.

Hoe de trein via de kermis kwam

Twee van die negentiende-eeuwse technieken zijn de trein en de fonograaf, beschreven door respectievelijk Petran Kockelkoren en René Munnik, twee Nederlandse filosofen. Grappige anekdotes wisselen zij af met inzichten in de culturele betekenis van zulke nieuwe techniek. Kockelkoren laat zien hoe kunstenaars en kermisexploitanten medeverantwoordelijk zijn voor de culturele acceptatie van de trein, door grote doeken te schilderen van locomotieven, of door attracties te ontwerpen waarin het publiek de treinervaring kon meemaken:

‘Het publiek werd in namaakcoupés geplaatst. Aan de overzijde werden landschapstaferelen ontrold […] Beeldend kunstenaars waren als schilders van zulke rollen dikwijls werkzaam als handlangers van kermisklanten. Mensen vergaapten zich aan exotische vergezichten en maakten zich al doende de bewogen blik eigen.’

Een verscheidenheid aan denktechnieken

Wat bovendien juist aardig is bij zo’n anthologie is dat die verscheidenheid je indirect ook iets leert over verschillende manieren om te filosoferen. De teksten zijn heel uiteenlopend, dat kan ook niet anders wanneer Heidegger en Alain de Botton in één bundel opduiken – om maar even twee controversiële ‘denkers’ te noemen. De ondertitel De techniek van filosofen, die ik toch eerder associeer met boeken als Gereedschapskist voor het denken van Daniel Dennett of de interviewbundel Hoe denkers denken, blijkt bij nader inzien niet helemaal onjuist gekozen.

Very Short Introductions: Mythe, Romantiek en Heidegger

VSI

Stel, je wil je verdiepen in mythes. Je leest wat oude Griekse verhalen, raakt benieuwd naar mythes in andere culturen en begint mythen in politiek en media te herkennen. Daar moet je meer over weten! Dus google je: 199.000.000 resultaten. Google Books: 16,3 miljoen titels. Waar begin je? Bij de Very Short Introductions (VSI) van Oxford University Press. Informatieve inleiding en leesgids ineen, geven ze grip op de enorme literatuur die over een begrip als ‘mythe’ is geproduceerd. Het geheim van de goede VSI: weet je te beperken, blijf kritisch en wees niet bang om citeren.

Uit de grote berg VSI’s koos ik lukraak drie deeltjes. Dat wil zeggen, Myth, Romanticism en Heidegger vallen binnen mijn vakgebied van de filosofie, maar dat had evengoed drie totaal andere titels kunnen opleveren. En alle thema’s uit de reeks vallen in de categorie ‘eigenlijk te groot om in 150 pagina’s samen te vatten’. Uiteraard is dat wel wat de schrijvers vervolgens doen, hoewel samenvatten in dit geval te kort door de bocht is.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Inleiding en leesgids ineen

Natuurlijk is een van de eerste dingen die de auteur van een VSI doet, zichzelf beperken. Miljoenen boeken samenvatten of presenteren gaat nu eenmaal niet. Dat beperken gaat in grote stappen. Sommige auteurs scharen onder mythen alles van de Amerikaanse droom tot reality-tv, of juist alleen verhalen die te maken hebben met het ontstaan van het universum. Robert A. Segal, auteur van Myth, toont de alternatieven en kiest iets daartussenin: een mythe is per definitie een verhaal, stelt hij, maar dat verhaal kan over vele dingen gaan. Zo heeft de lezer in zeer kort bestek toch alvast een beeld gekregen van de vele mogelijke manieren om over het onderwerp na te denken.

Vanaf de eerste bladzijde neemt Segal op deze manier stelling zonder andere perspectieven weg te laten of te bagatelliseren. Daarbij vraagt hij wel behoorlijk wat concentratie van de lezer: de dichtheid van de tekst is enorm.

Het juiste citaat

Dat is anders in Romanticism (Google Books: 2,8 miljoen resultaten). Terwijl Michael Ferber in feite dezelfde aanpak heeft – eerst maar eens dat multi-interpretabele woord romantiek inperken – is zijn tekst meteen een genot om te lezen.

Dat komt omdat hij niet bang is uitgebreid te citeren of te parafraseren. Het zal een hoge drempel zijn geweest. Als je maar 150 pagina’s tot je beschikking hebt, is de voor de hand liggende neiging om zo min mogelijk ruimte te verdoen aan citaten. In Romanticism werkt het andersom. Het geheim ligt in de keuze voor de juiste citaten. Zoals de lange passage (twee bladzijden!) over een tekst van Alfred de Musset waarin twee heren op zoek gaan naar een definitie van romantiek:

‘“Romanticism is the weeping star; it is the sighing wind, the chilly night […]” Such “nonsense” leaves them even more baffled, and after a little more research, they settle on the conclusion that Romanticism is “an abuse of adjectives”.’

To the point en grappig — zo houdt Ferber de lezer bij de les.

Niet kritiekloos

Mythe is een concept of genre, of in elk geval een verhaal zoals Segal stelt, romantiek definiëren we als een tijdperk of een levenshouding of een combinatie van die twee. Heidegger — dat is simpel! — is gewoon een mens, met een filosofisch oeuvre.

Was het maar zo makkelijk. Heidegger (Google Books: ruim 4 miljoen) is ook een notoir ingewikkelde filosoof — volgens sommigen zelfs een onbegrijpelijke charlatan. Michael Inwood schreef met Heidegger eigenlijk een introductie bij het hoofdwerk Zijn en tijd – dat is zijn manier om het onderwerp in te perken. Vreemd genoeg begint hij met een nogal schools aandoende biografische schets; zonde van de beperkte ruimte. Het zal er wel bij horen, toch laat dit boekje net als de andere twee juist zien dat in Oxford niet gevraagd wordt om een neutrale samenvatting van bekend materiaal. Inwood is lekker kritisch op de Duitse filosoof in skipak en probeert de complexe denkgang van Zijn en tijd tot op het bot te doorgronden – om soms tot de conclusie te komen dat dat gewoonweg onmogelijk is.

Verbindingen

Het is leuk om bij het lezen van de drie boekjes ook na te denken over de onderlinge verbanden. De Romantici waren bovenmatig geïnteresseerd in mythen, zozeer dat zij het kunstenaarschap opvatten als mythisch. Heidegger zou je niet zo snel een romanticus noemen – aan de andere kant hield hij evenveel van wandelen in de natuur als Wordsworth. Juist het dwalen langs (vergeten) paden leverde ze allebei materiaal voor hun werk, zo niet hun persoonlijkheid. Misschien kunnen we Heideggers vraag naar het zijn ook wel een mythische vraag noemen? Welk verhaal vertelt die vraag dan?

Eigenlijk zou iedereen min of meer lukraak drie deeltjes moeten lezen. ‘Stimulating ways in new subjects,’ beloven de Very Short Introductions en dat geldt niet alleen voor de deeltjes op zich, maar ook voor de creatieve verbindingen die ertussen ontstaan.

Jabik Veenbaas – De verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden

veenbaas

Waar men normaal gesproken de verlichting associeert met het verheerlijken van de rede, betoogt Jabik Veenbaas in De verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden juist dat spotternij en scepsis tegenover de rede het tijdperk kenmerken. Dat maakt deze verzameling van vijftien essays prettig tegendraads. Samen vormen de stukken, die onderling nauw samenhangen maar toch los van elkaar te lezen zijn, een gevarieerd verhaal. De in de ondertitel beloofde verwijzingen naar het heden blijken daarbij overbodig: in De verlichting als kraamkamer weet het tijdperk op eigen kracht meer dan voldoende te boeien.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Sceptische spotternijen in de achttiende eeuw

Verlichtingsdenkers zetten zich af tegen hun voorgangers door de rede terug op aarde te trekken nadat ze al te zeer is vervlogen in abstracties of, nog erger, de metafysica van de absolute rationalisten. Ook Veenbaas zet zich af, en wel tegen Jonathan Israel, die zich in zijn werk over de verlichting (Radical Enlightenment, Enlightenment Contested, Democratic Enlightenment) ‘schuldig maakt aan een grove vorm van historische bluf’ door Spinoza als reus van de verlichting neer te zetten. Pas wanneer het zoeken naar een godsbewijs, zoals Spinoza nog deed, niet meer als sluitstuk van de filosofie geldt, treedt de verlichting echt in, stelt Veenbaas. Sceptici en empiristen als David Hume en Pierre Bayle mogen daarom op meer krediet van hem rekenen.

Een wonder van verteltechniek

Daarmee schudt Veenbaas de boel lekker op. Het definiëren van wat ‘de verlichting’ precies inhoudt is ook maar mensenwerk. Kant gaf het beroemdste antwoord met zijn ‘Durf te denken!’ Dat stamt uit 1784, terwijl het begin van de stroming gewoonlijk zo’n honderd jaar eerder wordt geplaatst. De hele achttiende eeuw gist het van de vrije gedachten, van filosofen en wetenschappers die zich los proberen te maken van god en gebod. Vijftien van hen, plus een hele entourage, betreden het voetlicht. Zij zijn de hoofdrolspelers die samen het tijdperk maakten tot wat het was en die Veenbaas nu opnieuw tot leven wekt.

Anders dan de hoofdstuktitels doen vermoeden, komen de vijftien niet stuk voor stuk in een soort tekstanalyse aan bod, maar staan ze als hoofdrolspelers in het middelpunt. Andere figuren, ontwikkelingen en boeken kleven zich eraan vast en Veenbaas licht er een aantal uit: revolutie, de strijd voor vrouwenrechten, het sluimerende begin van de romantiek. Net als in sommige verhalenbundels duiken personages soms pagina’s later weer op in een bijrol en blijken er onvermoede verwantschappen tussen publicaties te bestaan. Het is knap hoe Veenbaas de hoofdstukken op die manier in nauwe samenhang met elkaar brengt, terwijl je ze toch los van elkaar kunt lezen. Dat is zelfs een wonder van verteltechniek te noemen, omdat hij dit voor elkaar krijgt zonder storende herhalingen te gebruiken. Daarvoor vergeef je hem ook een paar stilistische missers (‘Maar wat glimt daar op uw wang? Toch nog een traantje, omdat de aarde haar magische glans is kwijtgeraakt?’).

Gevarieerd verhaal

Binnen een strak kader vertelt hij zo een gevarieerd verhaal. Het enige wat in de verdrukking komt is de in de ondertitel beloofde ‘betekenis voor het heden’. Steeds stipt de auteur die betekenis wel even aan, maar meer ook niet. Een verwijzing naar de moorden op Theo van Gogh en Pim Fortuyn (hoe cru ook, niet echt actueel meer) hangt in het luchtledige binnen de bespreking van Montesquieus De l’esprit des lois [Over de geest van de wetten]. In het laatste hoofdstuk komt het tot een – nog steeds vrij korte – beschouwing van het hedendaagse debat waarin de verlichting zo vaak tegelijk als zwaard en als schild wordt gebruikt. Maar dan heeft de lezer al een paar keer moeten verzuchten ‘te kort!’ bij passages als deze, die de nodige context ontberen:

Rousseau staat tegenwoordig nogal in een kwade reuk. We leven in een tijd waarin wordt afgerekend met de jaren zestig van de twintigste eeuw en hun hippie-idealen: met het obligate verzet tegen de knellende banden van de samenleving, met het ongebreidelde recht op expressie, met de grenzeloze vrijheid van het kind in opvoeding en onderwijs. De beschuldigende vinger wordt gericht op de Romantiek en meteen ook op Rousseau, als de geestelijke vader van dat tijdperk.

 

Het is te begrijpen dat een boek als dit in de markt wordt gezet met een verwijzing naar ‘het heden’, maar een verwijzing is niet voldoende. Bovendien hebben de discussies uit de achttiende eeuw het heden helemaal niet nodig om te blijven boeien. Met al die sceptische spotternijen, intriges en ontdekkingen weet het tijdperk de lezer van De verlichting als kraamkamer al genoeg te interesseren.

Lessen uit de rode martelkamer: Ad Verbrugge – Staat van verwarring. Het offer van liefde

Verbrugge-Staat-van-verwarring

Filosoof Ad Verbrugge koos voor zijn nieuwe boek Staat van verwarring. Het offer van liefde een verrassend uitgangspunt: de Vijftig tinten grijs-trilogie van E.L. James. Dat levert een bijzondere analyse op van erotische liefde en wat erotiek bijdraagt aan gemeenschapsvorming. Een boek propvol zijwegen, discussie, literatuur en stellingen waar ik het lang niet altijd mee eens ben maar dat je uitdaagt om Verbrugge te volgen – op hoog niveau en in hoog tempo. Een filosofie van de liefde met nadruk op filosofie.

Mijn uitgebreide recensie verscheen in De Groene Amsterdammer van 17 juli 2013, dus helaas niet meer in de winkel. Online te lezen tegen betaling:
Lessen uit de rode martelkamer.

Stand-up filosoof René Gude: Denker des Vaderlands in gesprek met Wilma de Rek

gude

Als nieuwe Denker des Vaderlands wil filosoof René Gude ‘meedenken’, waar zijn voorganger Hans Achterhuis inzette op ‘tegendenken’. In Stand-up filosoof, de uitkomst van een aantal gesprekken die Wilma de Rek met hem voerde, is te lezen langs welke lijnen dat meedenken de komende tijd zal plaatsvinden. Het meedenken, zo legde Gude uit in een interview met Trouw, is een directe reactie op Achterhuis’ missie, maar ook een manier om in het huidige klimaat van columnisten, reaguurders en opiniemakers een ander geluid te laten horen.

In die zin is meedenken dus eigenlijk ook een vorm van tegendenken; het verder gaan waar de makkelijke klaagzangen van de talloze scherpe pennen en botte bijlen in het publieke debat ophouden. Gudes belangrijkste inspiratiebron is daarbij de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, ook een persoonlijke vriend. Steeds komt hij terug op het belang van oefenen, of – zoals Sloterdijk het in Je moet je leven veranderen sterker benoemt – ‘trainen’.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Ongenuanceerd meedenken

Vier trainingsprogramma’s vormden de menselijke geschiedenis en doen dat nog steeds: religie, filosofie, kunst en sport. Alle vier zijn een manier om met het menselijk tekort om te gaan. En: ‘Bijna alles in het leven is terug te voeren op het menselijk tekort,’ stelt Gude. Een tekort dat natuurlijk nooit definitief te vervullen is, maar dat er wel voor zorgt dat de mens in beweging komt. Beweging betekent verandering, misschien zelfs vooruitgang en beschaving.

Het ontwerpen van vitale oefenschema’s, oftewel het begrijpen en inzetten van die oeroude trainingsprogramma’s, is hoe het meedenken ook begrepen kan worden. Intrigerend is de oproep die Gude doet om een filosofisch gestoelde opleiding te creëren voor politieke leiders. Daar zal dan Kant ongetwijfeld de glansrol in spelen; goed (leren) denken staat ook bij deze Denker des Vaderlands op de voorgrond. De filosoof zou een gids moeten zijn, die helpt logisch te redeneren. Het optimisme van Gude werkt zo aanstekelijk dat je bijna gaat geloven dat de politici ook op de crash course filosofie zullen intekenen.

‘Leuk’

Op een ander niveau werkt dat optimisme storend. Het kan aan de opzet van het boek liggen – lange interviews die lezen alsof de twee gesprekspartners met een hapje en een drankje het leven doornemen – dat het ‘goede denken’ soms wel erg ver lijkt af te drijven. In korte hoofdstukken komen alle mogelijke onderwerpen aan bod, van politiek en leiderschap tot liefde en dood. Maar bij al die thema’s is er wel iets ‘leuk’. Het is verwonderend hoe vaak dit zo verguisde woord uit de mond van een filosoof wordt opgetekend. Hoofse liefde is ‘leuk’ en creativiteit ook. De keuvelende toon vliegt de bocht uit als Gude stelt: ‘Grappig genoeg zorgen despoten altijd heel goed voor hun eigen familie.’ Ja echt, altijd? En is dat dan werkelijk grappig?

Andere keren is Gude zo stellig in zijn uitspraken dat je je hart vasthoudt voor het ideaal van ‘meedenken’. Bijvoorbeeld als het gaat over dieren, die hij met wel heel veel overtuiging bewustzijn ontzegt, of de onderverdeling van politieke stromingen: ‘In feite kun je de meeste levensbeschouwingen en wereldbeelden onderbrengen in een van deze drie benaderingen [traditioneel, progressief en pragmatisch]. Het hele Nederlandse politieke bestel ook.’ Op zulke momenten ontbreekt de nuance en lijkt Gude eerder aan te sporen tot een flinke discussie tussen opponenten.

Het tegendenken van Achterhuis kwam voort uit de overtuiging dat het nodig is om je eigen geest te scherpen door de confrontatie aan te gaan met andere geesten. Uit die wrijving kan de vonk ontspringen van een nieuw inzicht. Hoe zal dat zijn met het meedenken van Gude? Uit de stelligheid waarmee hij zijn standpunten uiteenzet, durf ik te concluderen dat we van de vonken nog niet af zijn.

Jacques Bos – Het ongrijpbare zelf

bos_ongrijpbare_zelf

Wat is ‘het zelf’? Die vraag blijft rondspoken, of het nu in de gedaante is van het zijn-wij-ons-brein-debat, de al dan niet Nederlandse identiteit, of populair-psychologische TED-talks. We geloven al lang niet meer in een mannetje dat in ons hoofd of hart de stuurknuppel hanteert. Toch leef je je alledaagse leven met het idee van een gedefinieerd zelf, waar je in zekere mate verantwoordelijk voor kunt worden gehouden. Je kunt je zelf kwijt zijn, waarna je ernaar op zoek moet. Het is de manier waarop we over het zelf spreken die uiteindelijk beslissend is voor hoe het zelf bestaat, betoogt Jacques Bos in Het ongrijpbare zelf.

Als het breindebat lang genoeg aanhoudt komt het misschien wel zover dat we ons ook ervaren als materialistisch en zelf-loos, ik zou haast willen zeggen, neuronisch. Een gang langs de historische opvattingen ervan laat in elk geval zien hoe recent de ervaring van het zelf als iets individueels en innerlijks is. Bos is historicus en filosoof en presenteert de geschiedenis van het denken over datgene wat het zelf heet. Door de bronnen te bestuderen van Homerus via Plato, Augustinus en Locke geeft hij inzicht in hoe onze alledaagse ervaring van het zelf is gevormd. Charles Taylor deed dat eerder in het monumentale Bronnen van het zelf (1989). Jacques Bos zegt anders dan Taylor geen cultuurkritische doelstelling te hebben. Dat brengt met zich mee dat zijn uitwaaierende betoog soms wat richtingloos aandoet.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Wat je zegt ben je zelf

Sinds Taylors hoofdwerk is er natuurlijk enorm veel gebeurd, vooral op het gebied van de neurowetenschappen. Een theorie die Bos meerdere malen aanhaalt en waar hij van onder de indruk lijkt te zijn, is Daniel Dennetts conceptualisering van het zelf als center of narrative gravity – het zelf als product van de verhalen die we vertellen over onszelf en de wereld, en die weer voortkomen uit ‘parallelle stromen van informatieverwerking en interpretatie op verschillende plaatsen in de hersenen’. Dat idee van het zelf lijkt een mogelijke verzoening van de neurofielen en meer humanistische, holistische denkers mogelijk te maken.

Bos noemt niet alleen Homerus en Plato, Augustinus en Locke en moderne filosofen als Dennett. Integendeel, het lijkt er soms op dat hij een uitputtende beschrijving wil geven van alles wat er in meer dan tweeëneenhalf millennia over het zelf geschreven is. Dat werkt niet altijd even goed, het streven een overzicht te geven werkt de overzichtelijkheid tegen. Het geheel krijgt iets opsommerigs, ook omdat de meeste werken in ongeveer dezelfde ruimte – een pagina of vier – worden besproken. Op die manier weet je aan het eind weinig over heel veel. Dat is wel handig als ingang om verder te studeren of om je te oriënteren in het debat, waar de uitgebreide noten en literatuurlijst ook bij helpen.

Vier dimensies

Als structuur in al die filosofieën en wetenschappelijke visies, kiest Bos vier dimensies waaromheen het denken over het zelf steeds draait: ‘innerlijkheid, de vraag naar identiteit door de tijd heen, de relatie tussen lichaam en geest en individualiteit.’ Dimensies die elk voor zich hele boekdelen zouden rechtvaardigen, zoveel wordt duidelijk. Het ontbreekt ook zeker niet aan boeiende inzichten waar je nog lang over blijft peinzen (en wie is het dan, die dat peinzen doet?). Zoals het ontstaan, in de zeventiende eeuw, van de notie innerlijkheid. Als het zelf iets innerlijks is, betekent dat ook dat het verborgen is en misschien zelfs per definitie onkenbaar. Voor de ander die jou ontmoet, en later ook voor jezelf. Voor die tijd zag men het karakter als iets transparants. Hoe anders zou het moderne leven er niet uitzien als we nog steeds konden geloven in de doorzichtige persoonlijkheid? Nooit meer op zoek naar je ware zelf, verstopt en vergeten, nooit meer het gevaar van hypocrisie!

Opvallend is dat de conclusie eveneens maar vier bladzijden telt en dan nog eerder een samenvatting biedt in plaats van daadwerkelijke conclusies. Bos heeft niet voor niets de titel Het ongrijpbare zelf gekozen, stelt hij, het is immers lastig conclusies trekken over iets wat steeds door je vingers glipt. Toch verlang je op zeker moment naar grip op de complexe materie, al is het maar een (kritische) stellingname van de auteur zelf. De slotsom van zijn onderzoek noemde ik al: het zelf is ‘gevormd door de manier waarop we erover denken en spreken. Het zelf is niet iets innerlijks en individueels, maar wórdt dat, doordat we het op die manier conceptualiseren.’ Daarmee komt hij eigenlijk terug bij Dennetts center of narrative gravity, dat nu niet alleen een model lijkt te vormen voor hoe we het zelf kunnen begrijpen, maar ook de hele geschiedenis van het denken erover. Het is daarbij aan de lezer om als mannetje in het hoofd de stuurknuppel te grijpen.

Marja Pruis over Patricia de Martelaere: Als je weg bent

als-je-weg-bent

Meteen vanaf het begin is duidelijk: Als je weg bent wordt een persoonlijk verhaal. Over Patricia de Martelaere ja, maar zeker ook over Marja Pruis, die het verhaal begint met haar bezoek aan een schrijfverblijf. Het gaat in Als je weg bent dan ook even veel over filosofe en schrijfster Patricia de Martelaere als over het schrijven van dit boek. Niet op het platgetreden postmodernistenpaadje, maar eerder geïnspireerd door het dagboek van de onderzoeker of de detective.

Patricia de Martelaere overleed in 2009, 51 jaar oud, na een ziekbed van een paar maanden. Twee jongvolwassen kinderen, een nieuw ontdekte onderzoekspassie (Chinese taal en de filosofie van de tao), een nieuwe liefde en nieuwe vriendschappen. Een sexy vrouw met aanbidders, maar bovenal: een intellectueel zwaargewicht, met een vaste aanstelling aan het Leuvense filosofiedepartement en met romans genomineerd voor de grote prijzen, al sinds ze op haar dertiende (!) haar literaire debuut maakte. Ook Pruis is fan, dat lees je. Maar dat wil niet zeggen dat er geen worsteling is. Zoals het hoort in een biografie.

Lees verder hieronder of op Athnaeum.nl: Sexy vrouw en intellectueel zwaargewicht

Detectivewerk

Hoewel, dit is zeker geen biografie te noemen. Het is een schets, uit op onvolledigheid. Een woord dat wel past bij Patricia de Martelaere, die hield van on-woorden. Houd alsjeblieft rekening met de waarde die ze hechtte aan haar privacy, zegt iedereen met wie Pruis spreekt, zoals laatste geliefde. En dat doet ze ook. Pruis citeert ‘vriendinnen’ en de ‘redacteur’, wie het zijn komen we niet te weten. Daartegenover staat dat e-mailwisselingen integraal zijn opgenomen – niet ellenlang, precies genoeg om een indruk te krijgen van het detectivewerk.

Was De Martelaere echt zo gesteld op haar privacy? Er zijn redenen tot twijfel. Twee grote kwesties, of zelfs drama’s, vormen de drijvende kracht van deze biografische schets. De verdwijning van de echtgenoot, ergens op het Kanaal tijdens een overtocht, en het ‘Bremsdrama’. Hugo Brems, ex-minnaar, zou haar willens en wetens buiten zijn nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis hebben gehouden. Dat laatste brengt De Martelaere zelf in de openbaarheid, toch vreemd voor een privacygevoelig mens. De ontknoping van het eerste drama beschrijft Pruis op spannende wijze met zichzelf in de rol van Sherlock Holmes, een innemende, tegen wil en dank doortastende speurneus die smult van elke kruimel die ze op haar weg vindt, maar steeds met die privacy in haar achterhoofd. Het is een nooit gepubliceerde uitspraak van De Martelaere zelf die uitsluitsel geeft over de gebeurtenissen.

‘Ik had nog maar net het plan opgevat om me in haar te verdiepen of ik kreeg de waarschuwing, van haar uitgever, dat zich in haar leven “een groot drama” had voorgedaan.’ De echtgenoot was aan boord gegaan van de veerboot naar Engeland, maar daar nooit aangekomen. Wat er was gebeurd? Onopgehelderd. ‘Ik moet bekennen dat ik dit onmiddellijk een mooi gegeven vond,’ schrijft Pruis. Dat neemt me voor haar in, die verheugde oprechtheid als ze een intrige vermoedt. Vooral als die smakelijke intrige later topzwaar moet worden geduid in termen van doodsdrift en de esthetica van de zelfmoord.

Het grootste raadsel

Je weet niet van je ervan moet denken: wat wilde die vrouw? Precies die beschrijving van een persoon die lang niet altijd consistent is, geen eenduidig verhaal heeft geleefd, maakt Als je weg bent intrigerend, ook voor hen die het werk van De Martelaere niet kennen. Natuurlijk speelt dat werk ook een grote rol. De analyses van Pruis intrigeren ook, juist omdat ze laat zien dat de interpretatie van een literaire of filosofische tekst nooit eenduidig is. Ze keert terug naar de verhalen, leest andere dingen dan de eerste keer, betrekt het op de auteur (ook al weet ook zij dat dat een fallacy is) en op zichzelf. Dat is vergelijkbaar met het lezen of interpreteren van het leven van de gebiografeerde, zo blijkt:

‘Twee gedachtes beginnen me steeds meer parten te spelen. Allereerst dat over iemand schrijven heel wat anders is dan diegene ook “echt” kennen, in je zak hebben, zogezegd. Misschien moet je dat ook niet willen, maar het lijkt toch – zeker in het begin – alsof er ergens een sleutel moet zijn, alsof er iets ontraadseld moet worden. In werkelijkheid worden de raadsels alleen maar groter, regeert de chaos, overheerst de twijfel.’

Het grootste raadsel komt misschien zelfs niet scherp genoeg in het vizier. Patricia de Martelaere was een absolutiste, zo staat er vaak, in haar houding tegenover anderen en zichzelf. Tegelijk promoveerde ze op Hume en ademt haar werk juist relativering. Absolute relativering kun je met een kwinkslag zeggen, maar dat helpt niet echt. Steeds weer loop je ertegenaan: de botsing van de haast obsessief doorleefde principes met een relativerende houding. Zijn het de absolute principes van het hart versus de relativering van het hoofd? Zo’n tweedeling is weer veel te rigide in het web van een persoonlijkheid, zeker het web waarin werk en leven van de filosoof-schrijver steeds verweven zijn. Daarmee houdt Pruis niet alleen zichzelf een spiegel voor, maar de lezer ook.