Techniek in de Maand van de filosofie: recensie Coen Simon – Een stok om mee te denken

Simon - StokDe maand van de filosofie heeft als thema mens en techniek. Waar beter te beginnen dan bij een historisch overzicht van wat filosofen in de loop van 2500 jaar over techniek hebben geschreven? Coen Simon verzamelde in Een stok om mee te denken ruim twintig stukken van verschillende filosofen over technieken, te beginnen met Plato’s grot. Techniek, dat is alles wat door de mens gemaakt is, dus: Susan Sontag over de fotocamera, Foucault over het panopticon maar ook denkers over zaken als geld, ‘de waar’ volgens Marx en het logistieke centrum van De Botton.

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Een verscheidenheid aan (denk)technieken

Hoe technieken sturen

En het eindigt – natuurlijk – bij een stuk ‘Over het internet’, hoewel die titel wat te beperkt is. Luciano Floridi noemt in die tekst het internet haast niet, het gaat eerder over de totale versmelting van de offline en online wereld in wat hij noemt ‘de infosfeer’, waarin we als ‘inforgs’ binnen afzienbare tijd zullen leven. Het is een rode draad in deze teksten: het gaat niet om het nieuwe apparaat, maar om de sturende werking van het apparaat (dat kan ook het schrift zijn, of het wereldwijde web) op het samenleven. Een nieuwe techniek betekent een verandering in het systeem en dat is wat de filosoof probeert te begrijpen.

Van Plato naar het geld, de trein en de rest

De stukken zijn chronologisch gerangschikt op het moment van uitvinding, wat betekent dat we wel beginnen met Plato maar dat vervolgens oudere en nieuwere teksten van de meest uiteenlopende denkers door elkaar staan. Alle titels zijn gesteld volgens het format ‘Over [de onderhavige techniek]’ en worden heel kort ingeleid door Simon. Ik mis daarbij meer feitelijke informatie over de teksten, zoals jaartal en oorspronkelijke titel van de publicatie. Voor bibliografische informatie moet je naar de bronnenlijst achterin bladeren. Die is dan weer alfabetisch opgesteld, in plaats van de inhoudsopgave te volgen. Een kleinigheidje, maar bij dit soort verzamelbundels is het bedienen van het lezersgemak juist zo belangrijk.

De meeste filosofen komen overigens uit de laatste twee eeuwen, net als de meeste technieken. In feite lijkt het alsof tussen ‘het geld’ (Georg Simmel) en ‘de trein’ (Petran Kockelkoren) haast geen techniek is uitgevonden. Nu nodigt zo’n overzichtswerk natuurlijk ook uit om te bedenken wat erin ontbreekt. Over bijvoorbeeld de drukpers of de telescoop moeten toch teksten te vinden zijn die dit gat hadden kunnen overbruggen.

Hoe de trein via de kermis kwam

Twee van die negentiende-eeuwse technieken zijn de trein en de fonograaf, beschreven door respectievelijk Petran Kockelkoren en René Munnik, twee Nederlandse filosofen. Grappige anekdotes wisselen zij af met inzichten in de culturele betekenis van zulke nieuwe techniek. Kockelkoren laat zien hoe kunstenaars en kermisexploitanten medeverantwoordelijk zijn voor de culturele acceptatie van de trein, door grote doeken te schilderen van locomotieven, of door attracties te ontwerpen waarin het publiek de treinervaring kon meemaken:

‘Het publiek werd in namaakcoupés geplaatst. Aan de overzijde werden landschapstaferelen ontrold […] Beeldend kunstenaars waren als schilders van zulke rollen dikwijls werkzaam als handlangers van kermisklanten. Mensen vergaapten zich aan exotische vergezichten en maakten zich al doende de bewogen blik eigen.’

Een verscheidenheid aan denktechnieken

Wat bovendien juist aardig is bij zo’n anthologie is dat die verscheidenheid je indirect ook iets leert over verschillende manieren om te filosoferen. De teksten zijn heel uiteenlopend, dat kan ook niet anders wanneer Heidegger en Alain de Botton in één bundel opduiken – om maar even twee controversiële ‘denkers’ te noemen. De ondertitel De techniek van filosofen, die ik toch eerder associeer met boeken als Gereedschapskist voor het denken van Daniel Dennett of de interviewbundel Hoe denkers denken, blijkt bij nader inzien niet helemaal onjuist gekozen.

Very Short Introductions: Mythe, Romantiek en Heidegger

VSI

Stel, je wil je verdiepen in mythes. Je leest wat oude Griekse verhalen, raakt benieuwd naar mythes in andere culturen en begint mythen in politiek en media te herkennen. Daar moet je meer over weten! Dus google je: 199.000.000 resultaten. Google Books: 16,3 miljoen titels. Waar begin je? Bij de Very Short Introductions (VSI) van Oxford University Press. Informatieve inleiding en leesgids ineen, geven ze grip op de enorme literatuur die over een begrip als ‘mythe’ is geproduceerd. Het geheim van de goede VSI: weet je te beperken, blijf kritisch en wees niet bang om citeren.

Uit de grote berg VSI’s koos ik lukraak drie deeltjes. Dat wil zeggen, Myth, Romanticism en Heidegger vallen binnen mijn vakgebied van de filosofie, maar dat had evengoed drie totaal andere titels kunnen opleveren. En alle thema’s uit de reeks vallen in de categorie ‘eigenlijk te groot om in 150 pagina’s samen te vatten’. Uiteraard is dat wel wat de schrijvers vervolgens doen, hoewel samenvatten in dit geval te kort door de bocht is.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Inleiding en leesgids ineen

Natuurlijk is een van de eerste dingen die de auteur van een VSI doet, zichzelf beperken. Miljoenen boeken samenvatten of presenteren gaat nu eenmaal niet. Dat beperken gaat in grote stappen. Sommige auteurs scharen onder mythen alles van de Amerikaanse droom tot reality-tv, of juist alleen verhalen die te maken hebben met het ontstaan van het universum. Robert A. Segal, auteur van Myth, toont de alternatieven en kiest iets daartussenin: een mythe is per definitie een verhaal, stelt hij, maar dat verhaal kan over vele dingen gaan. Zo heeft de lezer in zeer kort bestek toch alvast een beeld gekregen van de vele mogelijke manieren om over het onderwerp na te denken.

Vanaf de eerste bladzijde neemt Segal op deze manier stelling zonder andere perspectieven weg te laten of te bagatelliseren. Daarbij vraagt hij wel behoorlijk wat concentratie van de lezer: de dichtheid van de tekst is enorm.

Het juiste citaat

Dat is anders in Romanticism (Google Books: 2,8 miljoen resultaten). Terwijl Michael Ferber in feite dezelfde aanpak heeft – eerst maar eens dat multi-interpretabele woord romantiek inperken – is zijn tekst meteen een genot om te lezen.

Dat komt omdat hij niet bang is uitgebreid te citeren of te parafraseren. Het zal een hoge drempel zijn geweest. Als je maar 150 pagina’s tot je beschikking hebt, is de voor de hand liggende neiging om zo min mogelijk ruimte te verdoen aan citaten. In Romanticism werkt het andersom. Het geheim ligt in de keuze voor de juiste citaten. Zoals de lange passage (twee bladzijden!) over een tekst van Alfred de Musset waarin twee heren op zoek gaan naar een definitie van romantiek:

‘“Romanticism is the weeping star; it is the sighing wind, the chilly night […]” Such “nonsense” leaves them even more baffled, and after a little more research, they settle on the conclusion that Romanticism is “an abuse of adjectives”.’

To the point en grappig — zo houdt Ferber de lezer bij de les.

Niet kritiekloos

Mythe is een concept of genre, of in elk geval een verhaal zoals Segal stelt, romantiek definiëren we als een tijdperk of een levenshouding of een combinatie van die twee. Heidegger — dat is simpel! — is gewoon een mens, met een filosofisch oeuvre.

Was het maar zo makkelijk. Heidegger (Google Books: ruim 4 miljoen) is ook een notoir ingewikkelde filosoof — volgens sommigen zelfs een onbegrijpelijke charlatan. Michael Inwood schreef met Heidegger eigenlijk een introductie bij het hoofdwerk Zijn en tijd – dat is zijn manier om het onderwerp in te perken. Vreemd genoeg begint hij met een nogal schools aandoende biografische schets; zonde van de beperkte ruimte. Het zal er wel bij horen, toch laat dit boekje net als de andere twee juist zien dat in Oxford niet gevraagd wordt om een neutrale samenvatting van bekend materiaal. Inwood is lekker kritisch op de Duitse filosoof in skipak en probeert de complexe denkgang van Zijn en tijd tot op het bot te doorgronden – om soms tot de conclusie te komen dat dat gewoonweg onmogelijk is.

Verbindingen

Het is leuk om bij het lezen van de drie boekjes ook na te denken over de onderlinge verbanden. De Romantici waren bovenmatig geïnteresseerd in mythen, zozeer dat zij het kunstenaarschap opvatten als mythisch. Heidegger zou je niet zo snel een romanticus noemen – aan de andere kant hield hij evenveel van wandelen in de natuur als Wordsworth. Juist het dwalen langs (vergeten) paden leverde ze allebei materiaal voor hun werk, zo niet hun persoonlijkheid. Misschien kunnen we Heideggers vraag naar het zijn ook wel een mythische vraag noemen? Welk verhaal vertelt die vraag dan?

Eigenlijk zou iedereen min of meer lukraak drie deeltjes moeten lezen. ‘Stimulating ways in new subjects,’ beloven de Very Short Introductions en dat geldt niet alleen voor de deeltjes op zich, maar ook voor de creatieve verbindingen die ertussen ontstaan.

Jabik Veenbaas – De verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden

veenbaas

Waar men normaal gesproken de verlichting associeert met het verheerlijken van de rede, betoogt Jabik Veenbaas in De verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden juist dat spotternij en scepsis tegenover de rede het tijdperk kenmerken. Dat maakt deze verzameling van vijftien essays prettig tegendraads. Samen vormen de stukken, die onderling nauw samenhangen maar toch los van elkaar te lezen zijn, een gevarieerd verhaal. De in de ondertitel beloofde verwijzingen naar het heden blijken daarbij overbodig: in De verlichting als kraamkamer weet het tijdperk op eigen kracht meer dan voldoende te boeien.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Sceptische spotternijen in de achttiende eeuw

Verlichtingsdenkers zetten zich af tegen hun voorgangers door de rede terug op aarde te trekken nadat ze al te zeer is vervlogen in abstracties of, nog erger, de metafysica van de absolute rationalisten. Ook Veenbaas zet zich af, en wel tegen Jonathan Israel, die zich in zijn werk over de verlichting (Radical Enlightenment, Enlightenment Contested, Democratic Enlightenment) ‘schuldig maakt aan een grove vorm van historische bluf’ door Spinoza als reus van de verlichting neer te zetten. Pas wanneer het zoeken naar een godsbewijs, zoals Spinoza nog deed, niet meer als sluitstuk van de filosofie geldt, treedt de verlichting echt in, stelt Veenbaas. Sceptici en empiristen als David Hume en Pierre Bayle mogen daarom op meer krediet van hem rekenen.

Een wonder van verteltechniek

Daarmee schudt Veenbaas de boel lekker op. Het definiëren van wat ‘de verlichting’ precies inhoudt is ook maar mensenwerk. Kant gaf het beroemdste antwoord met zijn ‘Durf te denken!’ Dat stamt uit 1784, terwijl het begin van de stroming gewoonlijk zo’n honderd jaar eerder wordt geplaatst. De hele achttiende eeuw gist het van de vrije gedachten, van filosofen en wetenschappers die zich los proberen te maken van god en gebod. Vijftien van hen, plus een hele entourage, betreden het voetlicht. Zij zijn de hoofdrolspelers die samen het tijdperk maakten tot wat het was en die Veenbaas nu opnieuw tot leven wekt.

Anders dan de hoofdstuktitels doen vermoeden, komen de vijftien niet stuk voor stuk in een soort tekstanalyse aan bod, maar staan ze als hoofdrolspelers in het middelpunt. Andere figuren, ontwikkelingen en boeken kleven zich eraan vast en Veenbaas licht er een aantal uit: revolutie, de strijd voor vrouwenrechten, het sluimerende begin van de romantiek. Net als in sommige verhalenbundels duiken personages soms pagina’s later weer op in een bijrol en blijken er onvermoede verwantschappen tussen publicaties te bestaan. Het is knap hoe Veenbaas de hoofdstukken op die manier in nauwe samenhang met elkaar brengt, terwijl je ze toch los van elkaar kunt lezen. Dat is zelfs een wonder van verteltechniek te noemen, omdat hij dit voor elkaar krijgt zonder storende herhalingen te gebruiken. Daarvoor vergeef je hem ook een paar stilistische missers (‘Maar wat glimt daar op uw wang? Toch nog een traantje, omdat de aarde haar magische glans is kwijtgeraakt?’).

Gevarieerd verhaal

Binnen een strak kader vertelt hij zo een gevarieerd verhaal. Het enige wat in de verdrukking komt is de in de ondertitel beloofde ‘betekenis voor het heden’. Steeds stipt de auteur die betekenis wel even aan, maar meer ook niet. Een verwijzing naar de moorden op Theo van Gogh en Pim Fortuyn (hoe cru ook, niet echt actueel meer) hangt in het luchtledige binnen de bespreking van Montesquieus De l’esprit des lois [Over de geest van de wetten]. In het laatste hoofdstuk komt het tot een – nog steeds vrij korte – beschouwing van het hedendaagse debat waarin de verlichting zo vaak tegelijk als zwaard en als schild wordt gebruikt. Maar dan heeft de lezer al een paar keer moeten verzuchten ‘te kort!’ bij passages als deze, die de nodige context ontberen:

Rousseau staat tegenwoordig nogal in een kwade reuk. We leven in een tijd waarin wordt afgerekend met de jaren zestig van de twintigste eeuw en hun hippie-idealen: met het obligate verzet tegen de knellende banden van de samenleving, met het ongebreidelde recht op expressie, met de grenzeloze vrijheid van het kind in opvoeding en onderwijs. De beschuldigende vinger wordt gericht op de Romantiek en meteen ook op Rousseau, als de geestelijke vader van dat tijdperk.

 

Het is te begrijpen dat een boek als dit in de markt wordt gezet met een verwijzing naar ‘het heden’, maar een verwijzing is niet voldoende. Bovendien hebben de discussies uit de achttiende eeuw het heden helemaal niet nodig om te blijven boeien. Met al die sceptische spotternijen, intriges en ontdekkingen weet het tijdperk de lezer van De verlichting als kraamkamer al genoeg te interesseren.

Lessen uit de rode martelkamer: Ad Verbrugge – Staat van verwarring. Het offer van liefde

Verbrugge-Staat-van-verwarring

Filosoof Ad Verbrugge koos voor zijn nieuwe boek Staat van verwarring. Het offer van liefde een verrassend uitgangspunt: de Vijftig tinten grijs-trilogie van E.L. James. Dat levert een bijzondere analyse op van erotische liefde en wat erotiek bijdraagt aan gemeenschapsvorming. Een boek propvol zijwegen, discussie, literatuur en stellingen waar ik het lang niet altijd mee eens ben maar dat je uitdaagt om Verbrugge te volgen – op hoog niveau en in hoog tempo. Een filosofie van de liefde met nadruk op filosofie.

Mijn uitgebreide recensie verscheen in De Groene Amsterdammer van 17 juli 2013, dus helaas niet meer in de winkel. Online te lezen tegen betaling:
Lessen uit de rode martelkamer.

Stand-up filosoof René Gude: Denker des Vaderlands in gesprek met Wilma de Rek

gude

Als nieuwe Denker des Vaderlands wil filosoof René Gude ‘meedenken’, waar zijn voorganger Hans Achterhuis inzette op ‘tegendenken’. In Stand-up filosoof, de uitkomst van een aantal gesprekken die Wilma de Rek met hem voerde, is te lezen langs welke lijnen dat meedenken de komende tijd zal plaatsvinden. Het meedenken, zo legde Gude uit in een interview met Trouw, is een directe reactie op Achterhuis’ missie, maar ook een manier om in het huidige klimaat van columnisten, reaguurders en opiniemakers een ander geluid te laten horen.

In die zin is meedenken dus eigenlijk ook een vorm van tegendenken; het verder gaan waar de makkelijke klaagzangen van de talloze scherpe pennen en botte bijlen in het publieke debat ophouden. Gudes belangrijkste inspiratiebron is daarbij de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, ook een persoonlijke vriend. Steeds komt hij terug op het belang van oefenen, of – zoals Sloterdijk het in Je moet je leven veranderen sterker benoemt – ‘trainen’.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Ongenuanceerd meedenken

Vier trainingsprogramma’s vormden de menselijke geschiedenis en doen dat nog steeds: religie, filosofie, kunst en sport. Alle vier zijn een manier om met het menselijk tekort om te gaan. En: ‘Bijna alles in het leven is terug te voeren op het menselijk tekort,’ stelt Gude. Een tekort dat natuurlijk nooit definitief te vervullen is, maar dat er wel voor zorgt dat de mens in beweging komt. Beweging betekent verandering, misschien zelfs vooruitgang en beschaving.

Het ontwerpen van vitale oefenschema’s, oftewel het begrijpen en inzetten van die oeroude trainingsprogramma’s, is hoe het meedenken ook begrepen kan worden. Intrigerend is de oproep die Gude doet om een filosofisch gestoelde opleiding te creëren voor politieke leiders. Daar zal dan Kant ongetwijfeld de glansrol in spelen; goed (leren) denken staat ook bij deze Denker des Vaderlands op de voorgrond. De filosoof zou een gids moeten zijn, die helpt logisch te redeneren. Het optimisme van Gude werkt zo aanstekelijk dat je bijna gaat geloven dat de politici ook op de crash course filosofie zullen intekenen.

‘Leuk’

Op een ander niveau werkt dat optimisme storend. Het kan aan de opzet van het boek liggen – lange interviews die lezen alsof de twee gesprekspartners met een hapje en een drankje het leven doornemen – dat het ‘goede denken’ soms wel erg ver lijkt af te drijven. In korte hoofdstukken komen alle mogelijke onderwerpen aan bod, van politiek en leiderschap tot liefde en dood. Maar bij al die thema’s is er wel iets ‘leuk’. Het is verwonderend hoe vaak dit zo verguisde woord uit de mond van een filosoof wordt opgetekend. Hoofse liefde is ‘leuk’ en creativiteit ook. De keuvelende toon vliegt de bocht uit als Gude stelt: ‘Grappig genoeg zorgen despoten altijd heel goed voor hun eigen familie.’ Ja echt, altijd? En is dat dan werkelijk grappig?

Andere keren is Gude zo stellig in zijn uitspraken dat je je hart vasthoudt voor het ideaal van ‘meedenken’. Bijvoorbeeld als het gaat over dieren, die hij met wel heel veel overtuiging bewustzijn ontzegt, of de onderverdeling van politieke stromingen: ‘In feite kun je de meeste levensbeschouwingen en wereldbeelden onderbrengen in een van deze drie benaderingen [traditioneel, progressief en pragmatisch]. Het hele Nederlandse politieke bestel ook.’ Op zulke momenten ontbreekt de nuance en lijkt Gude eerder aan te sporen tot een flinke discussie tussen opponenten.

Het tegendenken van Achterhuis kwam voort uit de overtuiging dat het nodig is om je eigen geest te scherpen door de confrontatie aan te gaan met andere geesten. Uit die wrijving kan de vonk ontspringen van een nieuw inzicht. Hoe zal dat zijn met het meedenken van Gude? Uit de stelligheid waarmee hij zijn standpunten uiteenzet, durf ik te concluderen dat we van de vonken nog niet af zijn.

Jacques Bos – Het ongrijpbare zelf

bos_ongrijpbare_zelf

Wat is ‘het zelf’? Die vraag blijft rondspoken, of het nu in de gedaante is van het zijn-wij-ons-brein-debat, de al dan niet Nederlandse identiteit, of populair-psychologische TED-talks. We geloven al lang niet meer in een mannetje dat in ons hoofd of hart de stuurknuppel hanteert. Toch leef je je alledaagse leven met het idee van een gedefinieerd zelf, waar je in zekere mate verantwoordelijk voor kunt worden gehouden. Je kunt je zelf kwijt zijn, waarna je ernaar op zoek moet. Het is de manier waarop we over het zelf spreken die uiteindelijk beslissend is voor hoe het zelf bestaat, betoogt Jacques Bos in Het ongrijpbare zelf.

Als het breindebat lang genoeg aanhoudt komt het misschien wel zover dat we ons ook ervaren als materialistisch en zelf-loos, ik zou haast willen zeggen, neuronisch. Een gang langs de historische opvattingen ervan laat in elk geval zien hoe recent de ervaring van het zelf als iets individueels en innerlijks is. Bos is historicus en filosoof en presenteert de geschiedenis van het denken over datgene wat het zelf heet. Door de bronnen te bestuderen van Homerus via Plato, Augustinus en Locke geeft hij inzicht in hoe onze alledaagse ervaring van het zelf is gevormd. Charles Taylor deed dat eerder in het monumentale Bronnen van het zelf (1989). Jacques Bos zegt anders dan Taylor geen cultuurkritische doelstelling te hebben. Dat brengt met zich mee dat zijn uitwaaierende betoog soms wat richtingloos aandoet.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Wat je zegt ben je zelf

Sinds Taylors hoofdwerk is er natuurlijk enorm veel gebeurd, vooral op het gebied van de neurowetenschappen. Een theorie die Bos meerdere malen aanhaalt en waar hij van onder de indruk lijkt te zijn, is Daniel Dennetts conceptualisering van het zelf als center of narrative gravity – het zelf als product van de verhalen die we vertellen over onszelf en de wereld, en die weer voortkomen uit ‘parallelle stromen van informatieverwerking en interpretatie op verschillende plaatsen in de hersenen’. Dat idee van het zelf lijkt een mogelijke verzoening van de neurofielen en meer humanistische, holistische denkers mogelijk te maken.

Bos noemt niet alleen Homerus en Plato, Augustinus en Locke en moderne filosofen als Dennett. Integendeel, het lijkt er soms op dat hij een uitputtende beschrijving wil geven van alles wat er in meer dan tweeëneenhalf millennia over het zelf geschreven is. Dat werkt niet altijd even goed, het streven een overzicht te geven werkt de overzichtelijkheid tegen. Het geheel krijgt iets opsommerigs, ook omdat de meeste werken in ongeveer dezelfde ruimte – een pagina of vier – worden besproken. Op die manier weet je aan het eind weinig over heel veel. Dat is wel handig als ingang om verder te studeren of om je te oriënteren in het debat, waar de uitgebreide noten en literatuurlijst ook bij helpen.

Vier dimensies

Als structuur in al die filosofieën en wetenschappelijke visies, kiest Bos vier dimensies waaromheen het denken over het zelf steeds draait: ‘innerlijkheid, de vraag naar identiteit door de tijd heen, de relatie tussen lichaam en geest en individualiteit.’ Dimensies die elk voor zich hele boekdelen zouden rechtvaardigen, zoveel wordt duidelijk. Het ontbreekt ook zeker niet aan boeiende inzichten waar je nog lang over blijft peinzen (en wie is het dan, die dat peinzen doet?). Zoals het ontstaan, in de zeventiende eeuw, van de notie innerlijkheid. Als het zelf iets innerlijks is, betekent dat ook dat het verborgen is en misschien zelfs per definitie onkenbaar. Voor de ander die jou ontmoet, en later ook voor jezelf. Voor die tijd zag men het karakter als iets transparants. Hoe anders zou het moderne leven er niet uitzien als we nog steeds konden geloven in de doorzichtige persoonlijkheid? Nooit meer op zoek naar je ware zelf, verstopt en vergeten, nooit meer het gevaar van hypocrisie!

Opvallend is dat de conclusie eveneens maar vier bladzijden telt en dan nog eerder een samenvatting biedt in plaats van daadwerkelijke conclusies. Bos heeft niet voor niets de titel Het ongrijpbare zelf gekozen, stelt hij, het is immers lastig conclusies trekken over iets wat steeds door je vingers glipt. Toch verlang je op zeker moment naar grip op de complexe materie, al is het maar een (kritische) stellingname van de auteur zelf. De slotsom van zijn onderzoek noemde ik al: het zelf is ‘gevormd door de manier waarop we erover denken en spreken. Het zelf is niet iets innerlijks en individueels, maar wórdt dat, doordat we het op die manier conceptualiseren.’ Daarmee komt hij eigenlijk terug bij Dennetts center of narrative gravity, dat nu niet alleen een model lijkt te vormen voor hoe we het zelf kunnen begrijpen, maar ook de hele geschiedenis van het denken erover. Het is daarbij aan de lezer om als mannetje in het hoofd de stuurknuppel te grijpen.

Marja Pruis over Patricia de Martelaere: Als je weg bent

als-je-weg-bent

Meteen vanaf het begin is duidelijk: Als je weg bent wordt een persoonlijk verhaal. Over Patricia de Martelaere ja, maar zeker ook over Marja Pruis, die het verhaal begint met haar bezoek aan een schrijfverblijf. Het gaat in Als je weg bent dan ook even veel over filosofe en schrijfster Patricia de Martelaere als over het schrijven van dit boek. Niet op het platgetreden postmodernistenpaadje, maar eerder geïnspireerd door het dagboek van de onderzoeker of de detective.

Patricia de Martelaere overleed in 2009, 51 jaar oud, na een ziekbed van een paar maanden. Twee jongvolwassen kinderen, een nieuw ontdekte onderzoekspassie (Chinese taal en de filosofie van de tao), een nieuwe liefde en nieuwe vriendschappen. Een sexy vrouw met aanbidders, maar bovenal: een intellectueel zwaargewicht, met een vaste aanstelling aan het Leuvense filosofiedepartement en met romans genomineerd voor de grote prijzen, al sinds ze op haar dertiende (!) haar literaire debuut maakte. Ook Pruis is fan, dat lees je. Maar dat wil niet zeggen dat er geen worsteling is. Zoals het hoort in een biografie.

Lees verder hieronder of op Athnaeum.nl: Sexy vrouw en intellectueel zwaargewicht

Detectivewerk

Hoewel, dit is zeker geen biografie te noemen. Het is een schets, uit op onvolledigheid. Een woord dat wel past bij Patricia de Martelaere, die hield van on-woorden. Houd alsjeblieft rekening met de waarde die ze hechtte aan haar privacy, zegt iedereen met wie Pruis spreekt, zoals laatste geliefde. En dat doet ze ook. Pruis citeert ‘vriendinnen’ en de ‘redacteur’, wie het zijn komen we niet te weten. Daartegenover staat dat e-mailwisselingen integraal zijn opgenomen – niet ellenlang, precies genoeg om een indruk te krijgen van het detectivewerk.

Was De Martelaere echt zo gesteld op haar privacy? Er zijn redenen tot twijfel. Twee grote kwesties, of zelfs drama’s, vormen de drijvende kracht van deze biografische schets. De verdwijning van de echtgenoot, ergens op het Kanaal tijdens een overtocht, en het ‘Bremsdrama’. Hugo Brems, ex-minnaar, zou haar willens en wetens buiten zijn nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis hebben gehouden. Dat laatste brengt De Martelaere zelf in de openbaarheid, toch vreemd voor een privacygevoelig mens. De ontknoping van het eerste drama beschrijft Pruis op spannende wijze met zichzelf in de rol van Sherlock Holmes, een innemende, tegen wil en dank doortastende speurneus die smult van elke kruimel die ze op haar weg vindt, maar steeds met die privacy in haar achterhoofd. Het is een nooit gepubliceerde uitspraak van De Martelaere zelf die uitsluitsel geeft over de gebeurtenissen.

‘Ik had nog maar net het plan opgevat om me in haar te verdiepen of ik kreeg de waarschuwing, van haar uitgever, dat zich in haar leven “een groot drama” had voorgedaan.’ De echtgenoot was aan boord gegaan van de veerboot naar Engeland, maar daar nooit aangekomen. Wat er was gebeurd? Onopgehelderd. ‘Ik moet bekennen dat ik dit onmiddellijk een mooi gegeven vond,’ schrijft Pruis. Dat neemt me voor haar in, die verheugde oprechtheid als ze een intrige vermoedt. Vooral als die smakelijke intrige later topzwaar moet worden geduid in termen van doodsdrift en de esthetica van de zelfmoord.

Het grootste raadsel

Je weet niet van je ervan moet denken: wat wilde die vrouw? Precies die beschrijving van een persoon die lang niet altijd consistent is, geen eenduidig verhaal heeft geleefd, maakt Als je weg bent intrigerend, ook voor hen die het werk van De Martelaere niet kennen. Natuurlijk speelt dat werk ook een grote rol. De analyses van Pruis intrigeren ook, juist omdat ze laat zien dat de interpretatie van een literaire of filosofische tekst nooit eenduidig is. Ze keert terug naar de verhalen, leest andere dingen dan de eerste keer, betrekt het op de auteur (ook al weet ook zij dat dat een fallacy is) en op zichzelf. Dat is vergelijkbaar met het lezen of interpreteren van het leven van de gebiografeerde, zo blijkt:

‘Twee gedachtes beginnen me steeds meer parten te spelen. Allereerst dat over iemand schrijven heel wat anders is dan diegene ook “echt” kennen, in je zak hebben, zogezegd. Misschien moet je dat ook niet willen, maar het lijkt toch – zeker in het begin – alsof er ergens een sleutel moet zijn, alsof er iets ontraadseld moet worden. In werkelijkheid worden de raadsels alleen maar groter, regeert de chaos, overheerst de twijfel.’

Het grootste raadsel komt misschien zelfs niet scherp genoeg in het vizier. Patricia de Martelaere was een absolutiste, zo staat er vaak, in haar houding tegenover anderen en zichzelf. Tegelijk promoveerde ze op Hume en ademt haar werk juist relativering. Absolute relativering kun je met een kwinkslag zeggen, maar dat helpt niet echt. Steeds weer loop je ertegenaan: de botsing van de haast obsessief doorleefde principes met een relativerende houding. Zijn het de absolute principes van het hart versus de relativering van het hoofd? Zo’n tweedeling is weer veel te rigide in het web van een persoonlijkheid, zeker het web waarin werk en leven van de filosoof-schrijver steeds verweven zijn. Daarmee houdt Pruis niet alleen zichzelf een spiegel voor, maar de lezer ook.

Peter Bieri en Paul van Tongeren: diepgravend zelfonderzoek vereist!

tongeren

Op 8WEEKLY: Voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen – Diepgravend zelfonderzoek met Peter Bieri en Paul van Tongeren

Diepgravend zelfonderzoek met Peter Bieri en Paul van Tongeren

Voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen

 

Hoe moraal te funderen in een maatschappij die elke fundering van buitenaf weigert? We kunnen alleen van onszelf op aan toch? Laten we voor een 21e-eeuwse ethiek dan maar beginnen met een diepgravend zelfonderzoek, zeggen de filosofen Paul van Tongeren en Peter Bieri. Een kritisch zelfonderzoek vooral, dat niet voorbijgaat aan dat wat ons bepaalt van buitenaf. Vooral de taal en het (beschouwende) verhaal krijgen daarbij veel aandacht.

In de populaire filosofie is het individu zowel begin- als eindstation. Paul van Tongeren is uitgesproken kritisch over die stroming van de levenskunst, in zijn boek dat dan toch Leven is een kunst heet. Deze filosofen beloven misschien wel (zelf)hulp in zware tijden, stelt hij, maar doen dat door die zware tijden in een handomdraai te neutraliseren. Het is Amerikaanse wilskracht vermengd met stoïcijnen-light. Je krijgt wat je wilt als je er maar genoeg in gelooft. En als het tegenzit, moet je iets anders willen. Voor tegenslag en tragiek, toch onderwerp van de verhevenste kunst, is in de levenskunst geen plaats. Dat is voor deze hoogleraren te makkelijk gedacht.

Individuele ervaring
Van Tongeren wil evengoed een filosofie voor deze tijd geven en pleit voor een ‘hermeneutische ethiek’, die vertrekt vanuit de morele – persoonlijke – ervaring. We hebben immers alleen maar onze eigen ervaring om van uit te gaan. Hoezeer we ook houden van statistiek en breinweetjes, als we ons willen beroepen op individualiteit zullen we ons juist niet moeten verlaten op empirie en experiment. Betekenis mag je niet reduceren tot feitelijkheid, maar vraagt om uitleg en interpretatie. Dan blijkt de individuele ervaring een bron voor gedeelde kennis: ‘Ervaringen hebben – door de betekenissen die ze ons tonen – een strekking die niet alleen voor mij geldt.’ Wie heeft het niet meegemaakt, dat ‘onze ervaringen door de interpretatie die anderen ervan geven worden veranderd’? Maar hoe haal je die betekenis in de praktijk uit een ervaring?

Daar komt Peter Bieri (ook bekend als romancier Pascal Mercier) van pas. In de drie lezingen in Hoe willen wij leven? gaat hij minder expliciet op zoek naar een nieuwe ethiek, maar ook hij probeert vanuit de individuele ervaring tot een gedeelde moraal te komen. Ook Bieri stelt het zelfonderzoek voorop, omdat dat de voorwaarde is voor een van de grootste idealen van deze individuele tijd: autonomie of zelfbeschikking. Wat is dat en hoe realiseer je dat? Door bewust om te gaan met je innerlijke drijfveren, zegt Bieri, door na te denken over wat je beweegt, kortom: zelfkennis op te doen. Het aparte van zelfkennis als methode voor zelfbeschikking is dat zelfkennis nooit los staat van het object: het ‘zelf’ is tegelijk datgene wat nadenkt en dat waarover wordt nagedacht. Het denken zelf, de kennis opdoen, verandert het object in de loop van het nadenken.

Taal
Bieri legt daarbij veel nadruk op taal. Het zelf ontstaat pas in de taal en vraagt daarom om taal als uitdrukkingsvorm. (Hoewel hij later zegt dat ook andere ‘creatieve’ uitdrukkingen kunnen voldoen.) De autonome mens zal ‘door kritische vragen te stellen een innerlijke distantie tot zijn meningsgewoonten ontwikkelen en tijdens dit proces zelf de regie over zijn denken’ nemen. Waarbij we welbewust afstand nemen van ‘gedachteflarden en retorische sjablonen’:

Veel van wat we menen te denken en te weten is ontstaan doordat we onze moedertaal hebben nagepraat: het zijn dingen die je nu eenmaal zo zegt. In ons denken zelfstandiger, mondiger worden houdt ook in: alerter worden ten opzichte van blinde taalgewoonten, die ons alleen maar voorspiegelen dat we iets denken. […] Uit een chaos van gevoelens kan bijvoorbeeld door deze onder woorden te brengen emotionele zekerheid ontstaan. En dat kun je veralgemeniseren: als onze ervaringstaal gedifferentieerder wordt, wordt ook het ervaren zelf gedifferentieerder.

Als een echte filosoof is de zelfonderzoeker uit op begripsmatige helderheid, die in de (onbewuste) chaos (bewuste) orde schept. En via die handeling van het denken het object van het denken – namelijk het zelf – verandert.

Transformatie
De levenskunst, schrijft Van Tongeren, gaat uit van de mogelijkheid tot transformatie. Door het zelfonderzoek, dat de oude Grieken al aan filosofische pupillen oplegden, leer je onderscheid te maken tussen wie je bent, wat je daarvan vindt en wie je eigenlijk wilt zijn – het verschil tussen zijn en willen zijn. Hier zal hij later aan toevoegen: wie je kunt zijn, want zoals gezegd is de nadruk op dat wat je niet in de hand hebt volgens Van Tongeren te veel uit het levenskunstdebat verdwenen.

Bieri lijkt te zeggen dat zo’n transformatie altijd positief is, omdat meer kennis leidt tot meer zelfbeschikking. Is dat wel zo? Aristoteles zag de wereld misschien als doelgericht, met een natuur die in feite ‘goed’ is ingericht, waarbij vooruitgang altijd ook een verbetering is. Maar wil de Aristotelische ethiek ook een bruikbare ethiek voor de moderne tijd zijn, dan moet ze, net als het eigen leven, worden geïnterpreteerd en vertaald, door de eigen ervaring heen en naar de eigen tijd toe.

Desondanks
Dat doet Van Tongeren dan ook in zijn boek. Hij richt zich op zijn fort, de deugdethiek. Na Aristoteles werd de deugdethiek voorzien van nieuwe vertalingen en differentiatie, zoals in christelijke zin. Dan komt bijvoorbeeld de wil in beeld, niet alleen ‘de goede wil’, maar juist ook de identificatie (door Augustinus) van ‘de kwade wil’:

Dat kwaad bestaat erin dat we soms willens en wetens doen wat niet goed is, waarvoor geen goede redenen zijn, en waarvan we niet zelf beter worden.

Een woord als ‘desondanks’ (een zeer hermeneutisch woord, zou je kunnen zeggen) doet zijn intrede. Het gaat de mens niet altijd om nut, geluk, kennis, natuur of verlangen, in elk geval niet in eenduidige vorm.

Weer later geeft Nietzsche zijn eigen radicaal kritische vertaling en differentiatie van de deugden. Eerlijkheid of waarachtigheid wordt de deugd van dienst – en let op: eerlijkheid heeft ook (vooral?) betrekking op dat wat niet gezegd of gehoord mag worden, het aanstootgevende, dat waar morele goody two-shoes niet van houden. Kort gezegd, de wil tot macht. Een gelukkig leven à la Aristoteles ligt dan ook niet in het vooruitzicht van de waarachtige: eerder ‘radicale ontheemding, diepe twijfel en vertwijfeling, schrijnende eenzaamheid’ en angst.

Lieve hemel, denk je, waarom dan nog waarachtigheid nastreven? Nou, om die zelfbeschikking waar Bieri over spreekt te bereiken. Daarvoor moet volgens Nietzsche meer vernietigd worden dan alleen vaste taalgewoonten en retorische sjablonen. Zoals Kierkegaard zou zeggen: je moet door die duizelende afgrond van de vertwijfeling heen, wil je echt authentiek kunnen leven. Dat is inderdaad iets wat je bij de levenskunstpropagandisten niet snel hoort.

Onderuit gaan
Net als Van Tongeren is Bieri geen voorstander van het stoïcisme dat de levenskunstenaars omarmen. Het is niet realistisch: we willen voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen en dat kan niet door alles van je af te laten glijden. Dat wat aanvoelt als een vreemde kracht kan alleen door zeer talig en vaak pijnlijk werk omgevormd worden tot een morele, psychische identiteit, gegrond in zelfkennis en dus ter beschikking staand aan jezelf.

Zitten we dan toch niet vast in een hyperindividuele ethiek, waar iedereen naar zijn eigen navel aan het staren is? Zowel Bieri als Van Tongeren worstelen met de moraal in een tijd die geen grondvesten voor een moraal biedt. Toch pleiten ze beiden voor een blik naar buiten, ook al buigt die af naar jezelf. Door met een blik van buitenaf naar jezelf te kijken kom je tot echte zelfkennis. Dat gebeurt als je je terdege bewust bent van de aanwezigheid van een ander, en het bewustzijn van de ander vraagt weer om bewustzijn van jezelf, stelt Bieri. Via een soort verlicht individualisme lijkt dan een rechtvaardig en goed samenleven mogelijk. Door jezelf te zien als individu (iets unieks, kortom iets ‘anders’ dan de rest), zul je ook automatisch respect opbrengen voor al die andere ‘anderen’. Klinkt utopisch, zo geeft ook Bieri toe, maar god, het is het proberen waard.

Peter Bieri (vert. Marijke Koekoek) • Hoe willen wij leven? • Wereldbibliotheek • 94 pagina’s • ISBN 9789028424982 • 15,90 euro

Paul van Tongeren • Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst • Klement | Pelckmans • 253 pagina’s • ISBN 9789086871025 • 22,50 euro

Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk – Geert Jan Blanken

blanken

5 mei 2013 is de tweehonderdste geboortedag van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, wat ongetwijfeld aanleiding zal geven tot lezingen, boeken en artikelen. Ambo publiceert alvast Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk van Geert Jan Blanken. En voor 2013 staan bij Uitgeverij Damon, die een uitmuntend uitgegeven Kierkegaardreeks heeft, Opbouwende toespraken in verschillende geest en Wijsgerige kruimels & Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen op het programma. Twee titels waar Geert Jan Blanken wel raad mee weet.

Geen bouwpakketjes voor het leven
Blanken beperkt zich in zijn inleiding noch tot de bekendste werken uit het oeuvre noch tot de bekendste anekdotes uit de levensloop. Wat weet de gemiddelde krantenlezer over Søren Kierkegaard te vertellen? Hij mompelt wellicht iets over ‘de vader van het existentialisme’, en wappert dan met de handen om de geloofsfanaticus op afstand te houden. Het zijn van die typische karikaturen die een groot denker zich moet laten welgevallen (Kierkegaard had hier al bij leven last van), maar die nu ook weer niet uit de lucht gegrepen zijn. Deze twee thema’s – de existentie en het geloof – komen ook bij Blanken steeds terug, voorzien van een diepgravende context en de nodige nuancering.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Zelfonderzoek dat gegrond is in verbijstering

Het is prettig dat Blanken daarbij niet in de val trapt die in de populariserende filosofie tegenwoordig wagenwijd open staat: je pikt wat bruikbare elementen uit het totale oeuvre van een filosoof, gooit er een actueel en persoonlijk sausje over en verandert een complex filosofisch bouwwerk in een IKEA waaruit je handige bouwpakketjes voor je eigen leven bij elkaar shopt. De al te verontrustende, ingewikkelde of pijnlijke inzichten laat je links liggen of bewerk je tot ze passen in een optimistische, levenskunstige zelfhulpfilosofie. Blanken waarschuwt al meteen: hier geen ‘inspirational quotes’ maar een uitnodiging tot kritisch zelfonderzoek die gegrond is in verbijstering. De titels van twee van Kierkegaards bekendere werken geven al de zwaarte van die verbijstering aan: Het begrip angst en De ziekte tot de dood.

De Romeinse keizer, de kleinburger en het individu

Dit alles neemt niet weg dat Blanken regelmatig een hedendaagse toepassing van Kierkegaards ideeën probeert te geven. Dat werkt het beste als het impliciet blijft, bijvoorbeeld in de beschrijving van Kierkegaards houding ten opzichte van ‘het publiek’, dat hij uitermate negatief beoordeelt (in Een literaire recensie):

‘Kierkegaard vergelijkt het publiek met een Romeinse keizer, die weldoorvoed en verveeld op zoek is naar opvlammende, kortstondige afleiding: een ophitsende schaterlach in plaats van de echte humor. Zo vermaakt het publiek zich — tijdelijk — als iemand eens even stevig wordt afgetuigd in de publiciteit. Maar het publiek voelt zich nog veel minder dan zo’n Romeinse keizer die mensen elkaar in een arena laat afslachten verantwoordelijk voor wat er met die mensen gebeurt. Niemand voelt zich persoonlijk aanspreekbaar. […] Het is of het publiek in de pers een hond heeft gevonden die het op iedereen kan afsturen die zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt. Als de hond zijn nivellerende aanval heeft uitgevoerd, heeft het publiek het gevoel dat niet zij, maar die hond misschien wat agressief is geweest.’

Steeds weer ageert Kierkegaard tegen de kleinburgerlijkheid die in het publiek samengebald is: ‘de enkeling’ is waar Kierkegaard voor schrijft, het gaat erom ‘individu’ te worden. En dat betekent voortdurend verantwoordelijkheid nemen, kiezen, en het bestaan van de mogelijkheid in je leven bevestigen. Dat verklaart natuurlijk het epitheton ‘vader van het existentialisme’ dat de negentiende-eeuwer aankleeft. Maar pas op! Het te gemakkelijke oordelen ligt altijd op de loer. Aan de buitenkant is de kleinburgerlijke man niet te onderscheiden van de ‘ridder van het geloof’. Eigenlijk kan dat alleen van binnenuit. Ook daarom is zelfonderzoek een opgave.

De geloofsfanaticus

Een van de dingen die als eerste terzijde zal worden geschoven in het populariseren van Kierkegaard is dat hij ook iets heeft van een geloofsfanaticus, zoals ik dat hierboven noemde. Maar hoewel de moderne lezer moeite zal hebben met deze rol, is het ‘nog veel lastiger om Kierkegaard zonder het christelijke te willen begrijpen’, schrijft Blanken. Ik beken eerlijk dat ook ik moeite heb de verhandelingen over het geloof te volgen, maar is dat erg? Sinds wanneer is filosofie bedoeld voor herkenning, zoals een middelmatige roman inspeelt op identificatie?

Vrees en beven, Kierkegaards onderzoek naar het verhaal van Abraham die op weg gaat om zijn zoon te offeren gaat nu juist over de absurditeit van zulk geloof. Ervan uitgaan dat je dat zomaar kunt duiden, laat staan navolgen, betekent dat je niet een greintje besef hebt van wat geloof inhoudt. We moeten dat verhaal van een vader die op het punt staat zijn zoon te offeren niet neutraliseren of platslaan tot leerstelling, maar misschien juist niet begrijpen. Het is pijnlijk, onaangenaam en ergerniswekkend — en om die redenen het onderzoeken waard. Kennis of inzicht, van geloof, het zelf, de ander, komt pas dóór de ergernis of de pijn heen. Anders gezegd: daar waar het jeukt moet je krabben.

Een proeven dat smaakt naar meer

Er zijn nog talloze thema’s meer te noemen in het werk van Kierkegaard, maar ook uit deze inleiding van Geert Jan Blanken, die zeker het woord ‘inleiding’ overstijgt. Wat dacht je van de liefde, Kierkegaards grote (levens)thema naast het geloof en het zelf? Maar ook de tijd en al haar verschijningsvormen (het ogenblik, de herinnering, het voorwaartse leven), de psychologie, de keuze en de sprong. Het gebruik van pseudoniemen en Kierkegaards beeldende stijl (hij is de filosoof die de meest sprekende metaforen, vergelijkingen en parabels heeft gebruikt). En niet in de laatste plaats de humor. Gelukkig heeft Blanken ruimschoots citaten opgenomen, zodat de lezer ook genoeg van Kierkegaards schrijven kan proeven. Een proeven dat smaakt naar meer. Maar u bent gewaarschuwd, de reis zal niet altijd aangenaam zijn.

‘Wat is het leven leeg en betekenisloos. — Men begraaft iemand; men vergezelt hem naar de groeve , men werpt drie scheppen aarde op hem; men rijdt er heen met een rijtuig, men rijdt naar huis met een rijtuig; men troost zich met het idee dat men nog een lang leven voor zich heeft. Hoe lang is 7 x 10 jaar helemaal? Waarom maakt men niet korte metten met de hele zaak, waarom blijft men niet meteen op het kerkhof en gaat mee het graf in, en trekt lootjes wie het ongeluk zal treffen de laatste levende te zijn, die de laatste drie scheppen aarde werpt op de laatste dode?’ (Of / Of)

Seks en filosofie: Alain de Botton – Meer denken over seks

botton_seks

Op 8WEEKLY: Seks en filosofie. Filosofie en seks.

Seks en filosofie. Filosofie en seks. Zo, nu ben ik in elk geval verzekerd van heel veel pageviews. Zoiets moet Alain de Botton ook hebben gedacht, maar dan met betrekking tot verkochte exemplaren van zijn boekje Meer denken over seks.

‘Filosofie voor een ontspannen seksleven’ staat er op de achterflap. Dat is belangrijk, omdat de vraag zich tijdens het lezen opdringt of je je niet hebt vergist met de veronderstelling een filosofisch werkje in handen te hebben. ‘The School of Life’ levert zelfhulpboeken nieuwe stijl, maar wél expliciet onder de noemer filosofie.

Kluwen van vooroordelen
Oké. Wat is filosofie? Het stellen van de juiste vragen, is een antwoord. De betekenis van woorden en hun werking onderzoeken, kun je ook zeggen. Plus natuurlijk tienduizend dingen meer. Eén ding is echter zeker: Meer denken over seks is geen filosofie, zelfs geen populaire filosofie, ook niet filosofisch als in ‘diep’, het is zelfs geen denken en ook geen zelfhulpboek.

Bataille, Foucault, Michel Onfray, maar ook Plato en Schopenhauer: namen die in het lijstje ‘Filosofie en seks’ staan (ja, ik heb zo’n lijstje). Aangevuld met schrijvers Houellebecq en Grunberg, Coetzee en Willem Jan Otten (over porno). Alles bij elkaar niet echt het recept voor een ‘ontspannen seksleven’ – en waar zijn de vrouwen? – maar denk eens kritisch (ook wel: filosofisch) na over dat woordenpaar, ‘ontspannen seksleven’ en er ontvouwt zich direct een kluwen van vooroordelen en begripsverwarring. Niet erg, want daar houden filosofen van. Alain de Botton? Die houdt alleen van gladstrijken, van schijnproblemen en overstuurde ironie.

De kaasschaaf erover
Bovenstaande namen zoek je tevergeefs dit ‘filosofisch boek over seks’ zoals het nog eens in de inleiding heet. Schopenhauer en Flaubert komen zijdelings voorbij, maar de meest aangehaalde naam is – naast het fictieve echtpaar Jim en Sally – tromgeroffel… Freud. Nu zijn er gegronde redenen om Freud (deels) een filosoof te noemen, maar De Botton bekommert zich daar niet om. Filosofie is hier: psychologie, aangevuld met een snufje neurowetenschap en evolutiebiologie. De kaasschaaf erover en het overblijfsel strooien over slecht vertelde anekdotes over oninteressante mensen: dat is de filosofische methode die hier gebruikt wordt.

Erger is dat De Botton slordig formuleert, wat onhandig is als je de betekenis van woorden en hun werking wilt onderzoeken, en antwoord op antwoord stapelt zonder zich te verwonderen, zonder te vragen dus. Af en toe duikt er een aardige zin op: ‘Erotiek lijkt zich dan ook het scherpst af te tekenen op het raakvlak van het formele en het intieme.’ Maar vooral krab je je op je hoofd om de platitudes en volkomen rare stellingen; en nee, je krabt je bij het lezen niet ergens anders. Als je in elk geval nog opgewonden zou raken van Meer denken over seks, was er al iets gewonnen.

Bijvoorbeeld
Over impotentie: ‘Impotentie kwam voort uit de toenemende empathie die ontstond door de verbreiding van de Gulden Regel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’).’ Over seksuele therapie: ‘Dat zo’n hulpdienst er nog niet is, komt alleen maar doordat het kapitalisme nog in de kinderschoenen staat.’ In aanloop naar een stuk over internetporno:

Zoals pleitbezorgers van het internet altijd weer benadrukken, is het een fantastisch leermiddel dat de steeds wisselende verstandelijke inbreng van over de continenten verspreide volkeren samenvoegt tot één gigantische, constant actieve mondiale geest.

(Ik vermoed dat bij deze laatste zin een specifieke vorm van ironie in het spel is, en een gehaaste vertaler.) De vreugde om Aristoteles tegen te komen, wordt al snel gesmoord in, ja in wat eigenlijk?

Voortreffelijkheid, zoals omschreven door Aristoteles in de Ethica Nicomachea – de volledige ontplooiing van wat het meest kenmerkend is voor de mens in overeenstemming met de deugden – is een gepasseerd station wanneer een anonieme vrouw ergens in de voormalige Sovjet-Unie op een bed wordt gedrukt, er drie penissen ruw in haar lichaamsopeningen worden geduwd en het tafereel dat zich vervolgens afspeelt wordt vastgelegd ter vermaak van een internationaal publiek van maniakken.

Snel Marcus Aurelius erbij gepakt, die seks beschreef als ‘niets anders dan het over elkaar heen wrijven van stukjes ingewand, gevolgd door de spastische uitscheiding van wat slijm’.