Jaarlijst boeken 2016: dit las ik

 

 

 

 

 

Ik las 45 boeken dit jaar. (Zou ik ooit nog de 50 halen?) Omdat ik zelf zoveel aan het schrijven ben geweest, mocht ik van mezelf maandenlang alleen boeken lezen die daarvoor van nut konden zijn. Dat heeft tot gevolg gehad dat ik – vermoedelijk voor het eerst – meer filosofische werken en essaybundels heb gelezen dan romans en verhalen. De verhouding is weliswaar 23 om 22, maar toch.

Ik hou het hier verder kort (genoeg geschreven dit jaar, zoals gezegd). Een puntsgewijs overzicht, zoals altijd met dank aan Bookpedia.

Meer dan de helft van de 45 boeken die ik las verscheen in 2015 of 2016 (altijd weer neem ik me voor meer boeken te lezen die zich langs het verstrijken van de tijd al bewezen hebben, maar opnieuw ben ik in de val van de actualiteit getrapt).

Mijn waardering van die titels is gemiddeld een wel zeer gemiddeld 3,33 sterren.

Veel filosofie dus, waarvan er twee boeken uitsprongen: Hartmut Rosa – Leven in tijden van versnelling (ik las hem in het Engels omdat die is uitgekomen bij de Nordic Summer University Press, en ik was deze zomer op de Nordic Summer University). En De existentialisten van Sarah Bakewell (At the Existentialist Café), waarover ik schreef voor De Groene. Ook vermeldenswaardig: Je hebt wél iets te verbergen, van Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis, een boek dat een belangrijk onderwerp bij een groot publiek bracht.

De meest overweldigende roman die ik dit jaar las, stamt uit 2015: Op de rok van het universum van Tonnus Oosterhoff. Even gek en bijzonder vond ik The Last Samurai van Helen DeWitt (2002). Indrukwekkend waren de verhalen van Yukio Mishima. Mijn literaire leesjaar begon ook met verhalen, de buitengewone verzameling Dear Life van Alice Munro.

Bijzonder was om twee boeken te lezen in manuscriptvorm: Orewoet, de intellectuele pageturner van voormalig Keldercast-genoot Emy Koopman, en het prachtige reis-, geschiedenis- en herinneringsboek dat een groot lezerspubliek verdient, Op reis met mijn vader (die dood is) van Maarten van Riel.

En als ik toch bezig ben met reclame: het Handboek voor een Optimistisch leven, waarvoor ik in de redactie zat, kwam uit. Een knalgele schoonheid!

Verschenen: Handboek voor een Optimistisch leven

Schermafbeelding 2016-07-09 om 17.55.53Het Handboek voor een Optimistisch leven is verschenen! Ik heb er met heel veel plezier aan meegewerkt als redacteur. Ook is er een essay van mij opgenomen (‘Ode aan het zwart’).

Het is een boek zoals je dat zelden ziet, met verhalen, essays, gedichten en werkelijk fenomenale beelden daarbij.

Je vindt het in de boekwinkel (bijvoorbeeld hier) of in de Optimist-winkel.

Koop dat boek!

De stront en het kwaad: Vrouw, deel VI van Karl Ove Knausgård – Mijn strijd

coverLees hier mijn recensie van Vrouw van Karl Ove Knausgård: Knausgårds stront en het kwaad

Veel lezers zullen al iets over Vrouw, het zesde, laatste deel van Karl Ove Knausgårds Mijn strijd, hebben gehoord voordat het in Nederlandse vertaling verscheen. Dat het zou gaan over de ontvangst van het eerste deel, Vader, over de weerslag daarvan op zijn manisch-depressieve vrouw, en dat Knausgård zou aankondigen te stoppen met schrijven. De laatste zin was al berucht en besproken en is nu dan ook eindelijk écht vertaald (helaas is net in deze cruciale zin een zetfout geslopen): ‘Daarna nemen we de trein naar Malmö, stappen in de auto en rijden we naar huis, en die hele rit zal ik genieten, echt genieten, van het idee dat ik geen schrijver meer ben.’

De stront is opgeruimd, zou je ook kunnen zeggen. In een ontzettend smerige en daardoor ook erg grappige scène gaat Knausgård zijn zomerhuis klaar maken voor de verkoop. De stront die in de loop van de tijd bij het huis zonder riolering is opgehoopt en die zo verschrikkelijk meurt dat je je nauwelijks door de ruimte kunt bewegen, moet hij schep voor schep kwijt zien kwijt te raken, liefst zonder dat de buren op het park er ook maar een glimp van meekrijgen:

‘Het grind was met onkruid bedekt, ook dat was in strijd met de regels en ik kreeg pijn in mijn buik toen ik het zag. Ik wilde dat het me lukte het aan mijn laars te lappen, een enorme hoop schijt te hebben aan die idioten die elkaars tuintjes in de gaten zaten te houden, die imbeciele troep rimpelige ouwe zakken met huidplooien onder hun kin, die nergens anders aan konden denken dan wat goed en fout was en die, na alle ervaringen die ze in een lang, uniek leven hadden vergaard, hun laatste jaren, hun laatste dagen eraan besteedden een gazon netjes te houden en van woede te schuimen als anderen dat niet deden. Ik wilde dat ik schijt aan hen kon hebben, maar dat kon ik niet. De waarheid was dat ik bang voor hen was en het hun graag naar de zin wilde maken.’

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Knausgårds stront en het kwaad

Daar gaat hij dan: hij begraaft de grote hoop in een kuil achterin de tuin, vol vrees dat de uitwerpselen zullen gaan borrelen, dampen, ontploffen, of dat de afkeurende blikken van de buren door de grond heen kunnen kijken om te zien wat voor shit die Knausgård daar allemaal aan het oog heeft onttrokken. Maar er gebeurt niets. Die stront ligt daar waarschijnlijk nog steeds, bloemen te voeden. Je mag dit wel lezen als metafoor voor de afsluiting van Mijn strijd, want ook daar komt alle opgehoopte shit in de openbaarheid, vreest Knausgård alles, maar vooral de buitenwereld, en loopt het uiteindelijk met een sisser af.

De worsteling met zichzelf en het kwaad

In duizenden pagina’s heeft Knausgård aldus zijn schrijverschap van zich afgeschreven, of dan toch in elk geval het schrijverschap dat nodig was voor deze autobiografische worsteling. Een worsteling met zichzelf, met zijn familie, maar vooral ook met het schrijven. Want naast de luiers die hij verschoont en het eten dat hij klaarmaakt als huisman en vader, gaat het ook steeds daarom: het vinden van een nieuwe manier om te schrijven. Een manier die hem moet openbreken, die al zijn herinneringen, niet alleen aan zichzelf en anderen, maar ook aan gelezen boeken en bewonderde kunst zal doen herleven, en die ook plaats moet bieden aan die herinneringen, boeken, kunst, mensen, landschappen, filosofie. Het laatste deel van Mijn strijd is wat dat betreft de top van zijn kunnen: want hier ís die ruimte gecreëerd waarin alles past, en nu hij die heeft gevonden is het niet gek dat hij ‘geen schrijver meer is’.

Zo makkelijk is het natuurlijk niet. Honderden pagina’s in dit laatste deel, zo zal de fan inmiddels ook wel weten, zijn gewijd aan het kwaad en meer in het bijzonder de Holocaust. ‘De naam en het getal’ heet het vierhonderd pagina’s tellende essay over een gedicht van Paul Celan (‘Engführung’) en de jeugd van Adolf Hitler, zoals hij die heeft beschreven in Mein Kampf. Een staaltje close reading zoals je dat nog nooit in een roman bent tegengekomen: Knausgård draait elk woord van het hermetische gedicht talloze malen om en raakt zo steeds dichterbij het onzegbare van de dood dat Celan daarin evoceert. En dan citeert hij ruim uit Hitlers autobiografie, om die met vele bronnen in een maatschappijkritische context te plaatsen.

Een verwarrende leeservaring, omdat je je er zeer bewust van bent dat je in feite gewoon Mein Kampf als boek in een boek aan het lezen bent en dat Knausgård je dwingt die tekst extreem nauwkeurig te bestuderen en Hitler serieus te nemen. Het is een studie naar het kwaad, een poging de historische ontwikkeling van onze individualiserende cultuur te begrijpen, een filosofische analyse van ik-jij-hij-wij-zij; het is kunstkritiek op hoog niveau.

Alle grote thema’s

Na deze duik in het kwade (het kwade was in de andere delen ook een belangrijk thema) zijn we weer terug op bekend terrein: Knausgårds balkon, waar hij een sigaret rookt en koffie uit de kan opschenkt, aan zijn kinderen denkt en over de flats van Malmö uitkijkt. Tijd voor de autobiografische eindsprint, al die smeuïge details waar Knausgård zijn grote schare volgers mee heeft opgebouwd. Autobiografie en filosofie staan echter geenszins los van elkaar. Je zou de essayistische stukken over kunnen slaan en het verhaal honderden pagina’s verder, daar op het balkon, kunnen vervolgen. Maar dan doe je het werk tekort, zowel het totaal van Mijn strijd als dit deel, Vrouw.

Alle grote thema’s die Knausgård aan de orde heeft gesteld culmineren hier. Kijk maar naar dat kwaad: Knausgård vreesde altijd al het kwade in hemzelf, bijvoorbeeld zoals dat naar buiten kwam als hij dronken werd – nu onderzoekt hij de betekenis van het kwaad in onze wereld en probeert hij het allerergste kwaad te begrijpen. Eerst in het bestek van zijn persoonlijke verhaal, in de eerste paar honderd pagina’s. Het gaat om zijn individualiteit, zijn verhouding tot anderen, zijn familie, zijn onzekerheden en schaamte. Vervolgens plaatst hij dat in een grote culturele context, wat een gigantische verbreding betekent, die hij overigens voor elkaar krijgt door die juist minutieuze lezing van Celan en Hitler. De twee schuiven in elkaar:

‘Ik luister naar Midlake, The Courage of Others, die heb ik de laatste maanden elke dag gedraaid en de laatste keer dat ik naar huis reed en hem in de auto draaide, verbreidde de sfeer uit het boek van Kubizek [over Hitler] zich in me alsof het al een herinnering was en uit mijn eigen leven stamde. Dat doet het in zekere zin ook: de boeken die ik heb gelezen maken onlosmakelijk deel uit van mijn geschiedenis, net als de gebeurtenissen die ik heb meegemaakt. Hitlers Mein Kampf vormt daarop geen uitzondering.’

Een ander voorbeeld van die verbondenheid van autobiografie en geschiedenis is de titel die Knausgård geeft aan het deel over Celan en Hitler: het Proustiaanse ‘De naam en het getal’. Daar is al veel uit op te maken. Namen zijn uiterst belangrijk in het verhaal van Mijn strijd: hoe zijn vader op jonge leeftijd een andere naam aannam en die naam, Knausgård, doorgaf aan zijn kinderen; hoe de echte naam niet genoemd mag worden, maar als een soort konijn-uit-de-hoed toch nog wordt onthuld; hoe het wegnemen van een naam ook het uitwissen van een individu betekent, historisch gezien. En dus: waarom de naam voor Knausgård zo belangrijk is, omdat die de verbinding legt tussen kunstwerk en werkelijkheid, tussen individu en gemeenschap.

Het hart

Misschien de mooiste lijn die in Vrouw tot op de bodem wordt uitgewerkt, is de lijn waarmee in deel 1 de lezers werden binnengehaald, die van het hart, dat in de allereerste zin van Mijn strijd klopt en dan weer stopt. Ook in deel 6 komt het hart steeds terug als symbool van talloze dingen – van de individuele vrijheid die je voelt in het kloppen van je hart, tot de afgrond van bloed en oorlog waar de nazi’s in afgleden. En van de dood:

‘De dood is niet modern.
Met onze gedachten proberen we ons te bevrijden van dat fundamentele feit, dat in de dood bewaarheid wordt en onmogelijk te negeren is. Tegenover het streven van de gedachten om boven het leven uit te stijgen, tegenover het verlangen van de gedachten naar de hemel en het bovenaardse, dat al naar gelang epoche en cultuur steeds weer anders tot uitdrukking wordt gebracht, staat altijd de dood. Maar ook het hart, dat net als de dood altijd hetzelfde is. Ook het hart is niet modern. Ook het hart is niet verstandig of onverstandig, rationeel of irrationeel. Het slaat of het slaat niet. Dat is alles.’

Het is een spiegeling van die opening van deel 1: ‘Voor het hart is het leven simpel: het slaat zolang het kan. Dan stopt het.’

Het doorgronden van het raadsel

Zo simpel mag dat zijn, Vrouw is dat niet. De roman vraagt een behoorlijke inspanning, niet alleen door de omvang, maar vooral door de diepgang (iedereen die tot deel zes is gekomen weet immers dat de dikte van de boeken niet echt uitmaakt, doorlezen doe je toch wel). Het gaat Knausgård om het doorgronden van het raadsel, het onkenbare en onbenoembare, van de dood, het kwaad, schaamte en lijden – om precies dát onder woorden te brengen wat zich onttrekt aan de taal.

Luiers verschonen, schoonmaken en boodschappen doen zijn daar ook voorbeelden van, en daar richtte Knausgård zijn aandacht al op. Nu draait hij het vergrootglas om en staat hij daar, als piepklein mens in een gigantisch, betekenisloos universum dat hij, wij, zij, ik en jij vol betekenis laten stromen. ‘Komm! ins Offene, Freund!’ laat hij zich door Hölderlin zeggen en hij stapt naar buiten, de openheid in. Zo kan Mijn strijd ook worden opgevat: als een uitnodiging aan de lezer om in de openheid te treden, waar vrijheid bestaat, maar ook de anderen, waar kunst wordt gemaakt en oorlog wordt gevoerd, waar je je schaamt, maar je ook je stront kunt begraven. En waar Knausgård dan ten lange leste met een vrolijke zucht uit weg rijdt.

Mijn jaaroverzicht in boeken

Schermafbeelding 2015-12-31 om 12.59.36

Het was een chaotisch leesjaar voor mij. Zelfs het maken van het overzicht nu, op dit moment, is een chaotische aangelegenheid. Tussen de bedrijven door, in alle haast nog wat titels toevoegend aan Bookpedia, waarin ik al jarenlang bijhoud wat ik heb gelezen en wanneer en hoe goed of slecht ik het vond, heen en weer stappend voor mijn kast en scrollend in telefoon en iPad. Ik heb mijn systeem laten verpieteren en iedereen weet dat een verpieterd systeem géén systeem is.

Dat heeft verschillende oorzaken, die verder geen excuus zijn. Het lezen van e-boeken maakt wat je leest minder zichtbaar – ik las er volgens Bookpedia 14 van. Daarnaast heb ik heel veel boeken niet uitgelezen – zet je die wel of niet in je systeem? Ik moet van mezelf altijd tot een kwart van het boek lezen (zo’n relatieve regel werkt heel goed), als ik dan niet verder lees, heeft dat een reden, en alles met een reden mag in het systeem. Maar nu zijn er ook gratis eerste hoofdstukken te downloaden, losse essays, korte verhalen, literaire tijdschriften die weer gevolgd moeten worden, om nog niet te spreken van m’n Instapaper-app met ruim 500 ongelezen fantastische stukken…

Nou, zo dus.

Gelukkig was mijn voornemen vorig jaar: minder boeken lezen. Dat is gelukt. Aandachtiger lezen, echter? Ik heb mijn best gedaan, maar ik vrees dat het niet altijd ervan gekomen is. Here we go.

51 boeken noteerde ik in 2015, waarvan ik er maar 34 heb uitgelezen, er nog in 6 bezig ben (tja), de rest: niet uitgelezen, of in sommige gevallen iets aardiger gezegd: deels gelezen.

De beste boeken die ik las verschenen niet in 2015:
Dagen van verlating van Elena Ferrante
Moby Dick (eindelijk!) van Herman Melville (download ook de briljante app OMBY, of het nu gelezen hebt of niet)
Malina van Ingeborg Bachmann
Psychopolitiek van Byung-Chul Han

Als het gaat om aandachtig lezen… het laatste deel van Mijn strijd van Karl Ove Knausgård begon ik al vorig jaar te lezen in het Deens, 1300 pagina’s heb ik eerst wat worstelend maar vervolgens weer op z’n Knausgårdiaans verslonden in een taal die ik officieel nooit heb leren lezen. Ben ik trots op. En interessant om te bemerken: door de steeds terugkerende woorden die je wel móét opzoeken in het woordenboek, krijg je een vrij nauwkeurig beeld van de thematiek (denk: schaamte, vertrouwen, veiligheid).

Verdere aanraders uit 2015:
De kat van Takashi Hiraide (categorie vertaald)
Satin Island van Tom McCarthy (Engels)
Bureaucratie is een inktvis van René ten Bos (filosofie)
Dood werk (de titel alleen al!) van Maarten van der Graaff (poëzie)

Ik heb vrijwel geen Nederlandse literatuur gelezen dit jaar (ja! ik herinner me nu dat ik die fantastische vergeten roman herlas, Celly: Lessen in Charleston van Constant van Wessem). Wel veel stukjes Roland Barthes. En als ik dringend rust nodig heb, ligt naast mijn bed het Dagboek van de gebroeders De Goncourt klaar, werkelijk het meest ontspannende boek dat ik ken.

PS: vergeet ook niet elk jaar een Sebald te lezen (misschien toch weer het allerbeste dit jaar, met Bier met Boeken kozen we nu Austerlitz). En voor alles wat is besproken in de Keldercast (die niet meer is…) zie hier.

Mijn voornemens voor 2016 zijn niet zo origineel, want aandachtiger lezen wil ik nog steeds. Herlezen is daar een onderdeel van. Misschien waag ik me weer aan Proust of Dostojevski, ik heb wel behoefte aan zo’n opgave, parallel aan de aanhoudende zoektocht naar nieuwe literatuur die het leven nú weerspiegelt – en dan bedoel ik vooral: leven en schrijven in tijden van het web. Die zoektocht levert minder op dan ik zou willen. Satin Island is echt een roman die alleen nu geschreven had kunnen worden. How Should a Person Be van Sheila Heti ook. Dood werk van Maarten van der Graaff is poëzie die gebruik maakt van vormelementen van internet, heel goed. Ik wil meer van dat soort dingen lezen. Maar je moet je dan door zoveel niet-zo-goeds heen worstelen, dat een megaklassieker daar wel bij gelezen zou moeten worden.

En schrijven. Dat is het voornemen én de opgave (en zoektocht en worsteling) in 2016. Schrijven, schrijven, schrijven.

Keldercast #13: Onbekende bestemmingen met Kapuscinski, Selasi en Mauss

De laatste uitzending voor de zomerstop gaat, met alle vakantieplannen in het verschiet, over ‘onbekende bestemmingen’.

Meer dan anders zijn we voor de podcast op zoek gegaan naar boeken die nieuwe werelden ontsluiten, boeken waarin de hoofdpersonen de hele aardbol afreizen en erachter proberen te komen waarom vreemde volkeren doen wat ze doen. We vonden boeken van een Poolse buitenlandcorrespondent (Emy over Frank Westerman (red.) – De draagbare Kapuściński), een Brits-Amerikaans-Nigeriaans-Ghanese debutant (Nikki over Taiye Selasi – Ghana must go), en een Franse antropoloog (ik over Marcel Mauss – Essay over de gift). Verder keken we heel even rond in de wereld van de Britse bankiers, academici in de popcultuur en Chinese dichters.

Luister de Keldercast op hard//hoofd:

Screen Shot 2015-06-24 at 14.26.58

Revolutie! Keldercast #12: Onderworpen van Houellebecq, Mona Eltahawy en The Hunger Games

In De Keldercast praten Miriam Rasch, Nikki Dekker en Emy Koopman vanuit een kelderstudio over recente en minder recente literatuur. Deze maand sluit de Keldercast aan bij de onderbuikgevoelens die zeggen dat het roer om moet. Genoeg is genoeg. Het is tijd voor een revolutie!

Vorige keer besprak Miriam al kort de kritiek van de Koreaanse filosoof Byung-Chul Han op neoliberalisme en het rendementsdenken, deze keer gaat het over andere revoluties. Miriam, Nikki en Emy hebben het over de geruisloze revolutie in de nieuwe roman van Michel Houellebecq, waarom het Midden-Oosten een seksuele revolutie nodig heeft en hoe je een revolutie vormgeeft volgens young adult fiction.

Klik om te luisteren op hard//hoofd!

Screen Shot 2015-05-27 at 16.50.13

Keldercast #11: Vrouwen en kunst, met Lena Andersson, Miranda July en Janet Malcolm

Het kwam al kort aan de orde in eerdere afleveringen van de Keldercast: het grote aantal kunstenaars dat optreedt in recente romans. Reden genoeg om een hele aflevering te wijden aan het thema kunst. Luister op hard//hoofd naar een gesprek over De eerste foute man van Miranda July, Onbetamelijk gedrag van Lena Andersson en Forty-one false starts van Janet Malcolm (oftewel: over ongemakkelijke seks, het genie als klootzak en cynische kunstliefhebbers).

Schermafbeelding 2015-04-18 om 11.35.04

 

 

 

Keldercast #10 over waanzin in de literatuur

Voor het eerst op hard//hoofd en voor het eerst met drie verschillende boeken! In het kader van de Boekenweek kozen Emy, Nikki en ik voor boeken over de waanzin: Jan Foudraine – Wie is van hout… Een gang door de psychiatrie (1971), Ingeborg Bachmann – Malina en Brullen van Marie Kessels. Daarnaast natuurlijk tips en een cameo voor Zlatan Ibrahimovic.

Klik op het plaatje om te luisteren.

Schermafbeelding 2015-03-08 om 19.53.57

 

 

 

Het experiment lijkt maar half af. Keldercast #9: Eimear McBride, Een meisje is maar half af

Deze maand buigt de Keldercast zich over een veelbesproken debuut. Eimear McBride schreef Een meisje is maar half af (A Girl is a Half-Formed Thing) in een half jaar, maar niemand wilde het hebben, en het lag negen jaar op de plank. Toen het uiteindelijk uitkwam, won het twee grote prijzen en kreeg vele lovende recensies. Maar Miriam en Nikki zijn nog niet zo snel overtuigd; is het wel zo experimenteel? En moet het nou allemaal zo zwaar? Van de (honderd jaar oude) taalvernieuwing van James Joyce tot de drang om te zondigen – de Keldercast zoekt het tot op de bodem uit.

En dan de tips voor deze maand. Emy kan er geen genoeg van krijgen en tipt een ander Iers boek over religie, Miriam laat vast wat los over de nieuwe Knausgård en Nikki haalt een groot datavisualisatieprentenboek tevoorschijn.