Vorm of vent: taal of mens

du_perron_vorm_vent

Meer dan een halve eeuw geleden woedde in de Nederlandse letteren de zogeheten ‘vorm-of-vent’-discussie. Er vielen rake klappen (letterlijk). En toch is die discussie nooit helemaal uitgevochten. Of misschien toch wel. Er zijn recensenten die al hun geld op stijl zetten (de vorm) maar er zijn er eigenlijk geen die een goed verhaal (de vent) boven alles stellen. Waar natuurlijk het grote verschil met de ‘gewone lezer’ ligt, die altijd een goed verhaal zal verkiezen boven literair geneuzel. Het lijkt wel politiek.

Als je mij een mes op m’n keel zou zetten, zou ik kiezen voor het verhaal. Of liever noem ik het inhoud. Ik sprak een keer hierover met iemand die tot over zijn oren in de poëzie zat (en nog steeds zit, want hij is bezig met een proefschrift over Nederlandse dichters). Uiteindelijk kom je bij de poëzie uit, zei hij, omdat daar de taal het meest op het spel staat. Daar draait het om. Ik moest even nadenken. Uiteindelijk kom ík bij de roman uit, antwoordde ik toen, omdat daar de mens op het spel staat. Dat is waar het voor mij om draait.

Of dit gesprek plaatsvond voor of nadat ik het essay schreef om een beurs van de Radboudstichting aan te vragen weet ik niet, in elk geval hield het onderwerp me toentertijd erg bezig. Nog steeds, het raakt de kern van alle letterkunde en literatuurwetenschap. Eigenlijk vind ik natuurlijk dat een boek het noch zonder een goede stijl noch zonder inhoud kan stellen, maar dat is een beetje slap. Als het erop aankomt heb ik veel liever een manke Caesarion van Tommy Wieringa, waar van alles in te beleven valt en personages risico’s nemen, dan zo’n typisch Hollands stijlwerkje van honderdveertig bladzijden waar de meeste laat-twintigers mee debuteren.

Oeh, dat klinkt bijna als rancune. Is niet de bedoeling. Ik ben de eerste om toe te geven dat het misschien gewoon aan mij ligt. Veel van die stijlwerkjes worden namelijk hogelijk gewaardeerd door genoemde critici, die altijd vorm boven vent verkiezen. Mijn probleem is misschien vooral dat in die boeken niet zozeer het verhaal ontbreekt, maar juist de stijl zo vreselijk geforceerd is. Gewild literair, met opsmuk, tierelantijntjes en rare metaforen. Voorbeelden? Nee, dan zou ik echt rancuneus zijn. Liever geef ik een voorbeeld van hoe ik het wel graag zie. Maar dat is voor morgen.

Het plaatje toont een jonge E. du Perron (vent) op boksles

Of Mere Being

monolith_2001

Of Mere Being

The palm at the end of the mind,
Beyond the last thought, rises
In the bronze distance.

A gold-feathered bird
Sings in the palm, without human meaning,
Without human feeling, a foreign song.

You know then that it is not the reason
That makes us happy or unhappy.
The bird sings. Its feathers shine.

The palm stands on the edge of space.
The wind moves slowly in the branches.
The bird’s fire-fangled feathers dangle down.

— Wallace Stevens, 1954

Zojuist stuitte ik op dit gedicht. Het geeft me kippenvel. Voorbij de laatste gedachten zit een dier. En dat dier weet door niet te weten. Kippenvel, omdat ik het prachtig vind, ontroerend, maar ook heel griezelig. Een verstild beeld, niet omdat het leven eruit is weggeslopen, maar omdat het erin samengebald zit, dreigend op de rand van uitbarsting. Zoals de zwarte monoliet uit 2001: A Space Odyssey. Het begin van het menselijk bewustzijn, maar ook het eindpunt, meer nog: ’the end of the mind’ standing ’on the edge of space.’

Het ontroerende van kippen

Na al die zwaarmoedigheid van Dostojevski, de Lebenslüge en het verraad, moest ik opeens denken aan kippen. Misschien door de kaart die ik vandaag moest schrijven, waarop een konijn stond. Waarom een konijn? Niemand die het wist. Waarom doet een konijn me aan een kip denken? Niet alleen omdat ze hun initiaal delen. Het zijn vrolijke dieren, die je zomaar tegen kunt komen, op straat of op een grasveldje voor het Bestuursgebouw op de Uithof na een werkdag van tien uur, of verscholen in een rotonde, zoals in dat ene gedicht dat hier te vinden is (Zomer). Half gedomesticeerd en juist daardoor zo geestig en ontroerend.

En toen kwam ik ook nog zomaar dit citaat tegen, waar ik blij en ook wat melancholisch van word, en dat daarom helemaal klopt.

Op een gegeven moment vielen me midden in een groen veld een paar kippen op die zich, hoewel de regen nog helemaal niet zo lang geleden was opgehouden, een naar mijn idee voor die kleine witte beestjes enorm stuk hadden verwijderd van de boerderij waar ze thuishoorden. Om een reden die ik nog steeds niet helemaal kan begrijpen heeft de aanblik van dat groepje kippen dat zich zo ver het vrije veld in had gewaagd, mij zeer geraakt. Ik weet hoe dan ook niet wat het aan bepaalde dingen of wezens is dat mij soms zo ontroert.

W.G. Sebald, Duizelingen

De biecht van Ippolit

holbein_christus
Al heel lang wilde ik iets schrijven over de biecht van Ippolit, uit Dostojevski’s De Idioot. Tot nu toe heb ik alleen maar omtrekkende bewegingen gemaakt. De epilepsie van prins Mysjkin kwam ter sprake, evenals de waanzin van de doodstraf die Mysjkin van dichtbij heeft meegemaakt, wat hem met Dostojevski doet samenvallen. En ik schreef over verraad, het ergste wat er is – juist omdat je eraan bent overgeleverd. Al deze dingen komen samen in de biecht van Ippolit, een lang, bizar, verschrikkelijk, ontroerend, razernij opwekkend ’hoofdstuk’ uit De Idioot.

Ippolit is een doodzieke jongen, een typisch Dostojevski-karakter: meelijwekkend (hij is immers jong en stervende), hyperintelligent, een sociaal misbaksel en door de combinatie van deze eigenschappen een ronduit ergerniswekkend wezen. Maar hij is authentiek (al is het in zijn onoprechtheid), hij doorziet zichzelf en alle anderen, de schone schijn van de burgerlijkheid. Een terdoodveroordeelde, noemt hij zichzelf.

Op een gegeven moment roept Ippolit al zijn kennissen bijeen. Zijn laatste dagen zijn geteld en hij weet dat. Hij wil een lange brief voorlezen, zijn ’biecht’. Naar goed negentiende-eeuws romangebruik lezen we de hele brief mee – Ippolit moet urenlang aan het woord zijn, van het vallen van de nacht tot het ochtendgloren. Hij gaat er een eind aan maken, dat is wat hij op moet biechten. ’Een goede daad’ noemt hij dat, en zijn ’laatste overtuiging’. Na de beschrijving van de laatste minuten van een misdadiger die op weg is naar zijn executie, kruipt Dostojevski nu in de huid van een jongeman die óók ter dood veroordeeld is, en zelf zijn eigen beul zal zijn.

Gretig klampte ik me aan die nieuwe gedachte vast, gretig analyseerde ik haar in al haar kronkels, in al haar aspecten (ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan), en hoe meer ik mij erin verdiepte, hoe meer ik er bezit van nam, des te angstiger werd het me om het hart.

Binnen een zin voltrekt zich hier de beslissing. De aanwezigen (waar de lezer er een van is) maakt hij tot getuige. Na het voorlezen van de brief zal het gebeuren. Het zijn de georkestreerde laatste woorden van een vreselijk hautain mannetje dat zich in een martelaarsrol wringt, maar juist door dat hautaine, dat verlangen om een soort Christus te worden, spreekt de ontzetting van de beslissing. Een jongen van een jaar of zeventien die sterft. De walging die dat oproept.

Maar dan. De brief is uit. De ochtend breekt aan. De aanwezigen… gapen, strekken de stijve ledematen. Hij gaat zich door het hoofd schieten. ’De zon is op!’ roept Ippolit, wat betekent dat het moment daar is. ’Dacht u dan soms dat de zon vandaag niet op zou komen?’ Zij schamperen, mompelen, glimlachen, laten hem gaan.

Het verraad is verbijsterend. En het ergste: het verraad is alledaags.

Caesarion loopt een beetje mank

ceasarion_wieringa

Werkelijk iedereen liep een paar jaar geleden weg met Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Ik las het ook met plezier uit, maar vond het toch vooral een jongensboek. En er was iets met zijn stijl, die dan weer helemaal niet goed paste bij het jongensboekgevoel. Na lezing van zijn nieuwste roman Caesarion weet ik wat het is, want ook al is dit geen jongensboek (ook geen meisjesboek, misschien een homoboek, hoewel er geen homo in voorkomt), die stijl is gebleven en nog duidelijker aan de oppervlakte gekomen. Je kunt ervan houden, ik krijg er rillingen van. Ik noem het: gewild literaire, maar niet doordachte, en daardoor manklopende mooischrijverij.

Laat ik vooropstellen dat Caesarion helemaal geen slecht boek is. En misschien ben ik zelf wel zo’n taalpietleut waar ik een hekel aan heb. Maar ik krijg nu eenmaal de kriebels van een zin als ’Zij snoot haar verdriet in haar zakdoek,’ om met een eenvoudig voorbeeld te beginnen. Verdriet? Haar neus, zul je bedoelen! Het verhaal is meteen naar de achtergrond verdwenen. Het stoort me ook omdat de literatuur hier beantwoordt aan het beeld dat cultuurbarbaren ervan hebben: moeilijkdoenerij van mensen die uniek denken te zijn.

Wieringa maakt het nog veel bonter dan dat. ’Ik liep terug naar Hooters en liet me in die profane omgeving een hamburger bezorgen door een meisje dat borsten voor zich uit duwde als ijsbergen.’ Ze heeft grote tieten? Die koud en hard zijn? Sinds wanneer kun je ijsbergen duwen? En hoe kan ze dan nog een hamburger dragen? Merkwaardig. Het klopt gewoon niet.

Soms doet hij aan iets wat ik maar stapelen noem. De verteller en zijn moeder worden uit hun huis gezet. Ze weigeren te vertrekken. ’Het kan lang duren, maar wanneer de instanties eenmaal hun stralen bundelen tot een zoeklicht, is er geen ontsnappen meer aan. De koppeling van informatie is een stalen hek dat zich langzaam sluit. Een omvattende macht, onpersoonlijk als een chemisch proces, had zich in ons leven genesteld. De datum stond boven onze voordeur geschreven.’ Tel even mee: stralen die een zoeklicht kunnen vormen (1), een stalen hek (2), een chemisch proces (3) dat zich kan nestelen (4) en boven voordeuren kan schrijven (5). Dat wordt me allemaal even te veel.

Op de laatste bladzijden staan mijn favorieten: ’Mijn hoofd was een schaal gevuld met mousserende wijn.’ Aparte schedelvorm. Of stijgen de bubbeltjes zo hard, dat ze in een omgekeerde schaal blijven hangen, zonder last te hebben van de zwaartekracht? En: ’We voelden ons een tankstation dat vierentwintig uur open was.’ Goed, dan weet je in elk geval dat je je allebei hetzelfde voelt, handig, want ik heb geen idee.

Ik hou best van een mooie metafoor. Als hij klopt en het verhaal een extra lading geeft, in plaats van je uit het verhaal te sodemieteren, de taalpietluttige werkelijkheid in. Wieringa kan het heus: ’Het is schitterend en verdrietig, dit hotel, een niet leeggeroofd koningsgraf.’

Na lezing van het boek denk ik wel te weten waarom Wieringa zijn toevlucht neemt tot vergezochte metaforen. Het verhaal is namelijk allesbehalve origineel, misschien probeert hij dat te compenseren door een originele stijl. Maar ook hij kan weten dat ’origineel’ vaak een verkapte vorm is van nep, lelijk of raar. Als in: ’Hij is een origineel type.’

Ik schreef al dat Tommy Wieringa’s boek toch heel nuttig voor mij is, juist omdat het me doet nadenken over wat ik dan wel een goede stijl vind en hoe ik zelf wil schrijven. Wat daar nog meer bij helpt is dat ik na Caesarion ben begonnen in Tegen Sainte-Beuve. Want Marcel Proust leert niet hoe het moet door het negatief te tonen, maar door het zelf te doen. Daar zal ik het een andere keer over moeten hebben.

Edith Brugmans (red.) De ziel in de literatuur,

De ziel gevangen
Recensie Edith Brugmans (red.) ’De ziel in de literatuur’, verschenen in Radboud info 80

In de zomer van 2008 organiseerde de Radboudstichting een masterclass met als thema ‘de ziel in de literatuur’. Onder dezelfde titel is een zestiental artikelen samengebracht. In plaats van als afsluiting, mag deze essaybundel liever als startpunt dienen van een zoektocht door romans, gedichten en filosofische werken.

De lezer wordt niet op zijn wenken bediend. In de inleiding stelt Edith Brugmans wel de vraag wat precies aan de orde is als we praten over de ziel in de literatuur, maar een duidelijk antwoord blijft uit. Prompt opent de bundel met censuur bij Plato – de ziel is in elk geval iets kostbaars, dat bescherming nodig heeft. Maar over welke ziel gaat het hier? En welke literatuur? Brugmans laat afbakening voor wat zij is, en terecht. De contouren van ziel en literatuur zullen zich vanzelf aftekenen, geholpen door een open, niet afgebakend vizier. Ook bij de lezer zal het oningevulde begrippenkader werken als vruchtbare grond voor eigen ideeën en interpretaties.

De ziel neemt in de essays uiteenlopende vormen aan. Is de ziel het psychologische zelf? Waar staan de verbeelding en emoties? Heeft de ziel een lichaam? En is zij van mijzelf, of staat ze onlosmakelijk in relatie tot een ander? Veel stukken komen uit bij een christelijke opvatting van de ziel; direct, zoals bij Augustinus die dóór zijn ziel nader tot God komt, dan wel indirect, zoals in Jacques de Visschers interpretatie van Becketts Krapp’s Last Tape als omkering van de christelijke boodschap.

Ook de literatuur krijgt vele gezichten, van Plato tot Reve, van Wittgenstein tot Meister Eckhart. Dat is mooi: de ziel is overal, als de scherven van de hemel, net als de literatuur. Waar die twee elkaar ontmoeten, gebeurt iets bijzonders. Wat dat is, daar is geen eenduidig antwoord op te geven. Maar ‘ontmoeting’ is een woord dat op alle leeservaringen van toepassing lijkt te zijn. Of het nu gaat om een ontmoeting met jezelf, met een ander, of met God. Een ontmoeting is geen eindpunt, maar een begin, een aanleiding tot bezielde overpeinzingen.

Of schokkende ontdekkingen. Bijvoorbeeld bij Dostojevski. Hij toont in De broers Karamazov de lijdende ziel, ‘voorbij goed en kwaad’, en laat de lezer mee lijden, onder opschorting van het morele oordeel. Zo wordt het buitenmenselijke in het menselijke vertaald. Dat kan de goddelijke ziel zijn, maar evengoed de nihilistische koortsdroom van een afvallige. Dostojevski brengt beiden op het toneel.

De ziel laat zich niet beschrijven, alleen evoceren. Zoals René Munnik in zijn stuk over Wittgenstein betoogt, is ze slechts via omtrekkende bewegingen aan te wijzen. Ze moet ‘onthuld’ worden. Zodra je de ziel objectiveert en vastlegt in de grammatica, is ze weer vervlogen. Dat komt ook omdat de ziel altijd op iets anders betrokken is. Ze kan net zo min met zichzelf samenvallen als met de taal. De ziel is interpretatie, heet het ergens, een dialoog, al is het een dialoog met zichzelf.

Langs deze lijnen leidt De ziel in de literatuur naar de modernistische poëtica die vooral door Virginia Woolf tot grote hoogte (of eigenlijk diepte, de peilloze diepte van het innerlijk) is gebracht. De evocatie staat hier voorop – alle zeilen van de taal worden bijgezet om de roman leven in te blazen. Vandaar is het een kleine stap naar het slotdeel, ‘Lofzang van de ziel: hymne’, waarin de auteurs ook hun eigen zinnen inblazen met poëtische bezieling.

Toch eindigt het boek met de voeten stevig in de aarde en de ziel stevig in het lichaam geplant, als een uitnodiging om voor de boekenkast te gaan staan en die grote werken te (her)nemen, of de ziel te zoeken in onbekende romans en gedichten. De ziel mag niet in woorden te vangen zijn – de kaften van het boek houden haar wel binnen handbereik.

Laatste ogenblikken van een terdoodveroordeelde

vuurpeloton

De doodstraf achtervolgt me. Niet dat Magere Hein dagelijks met een strop achter me aan rent als een cowboy die een buffel wil vangen. Soms heb je gewoon van die thema’s die steeds weer opduiken – als je geluk hebt zijn het lieve, pasgeboren poesjes, soms de doodstraf. Ik probeerde het te negeren en dat ging een tijdlang goed. Tot ik weer moest denken aan de doodstraf voor een hond en ik die poster tegenkwam: ‘Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf.’ Straf voor mensen aan wie de wereld ten onder gaat, mensen als Saddam Hoessein, die de doodstraf krijgen.

Roel Bentz van den Berg (van wie ik nog steeds niet zijn nieuwe boek Engelen in regenjas in huis heb) schrijft in zijn essay ‘Elke executie is een kruisiging’ uit Zapdansen over de fascinatie die hij als kind had voor de doodstraf, of liever met terdoodveroordeelden. ‘Ik probeerde mij dan, met een gretigheid die ik me nu nauwelijks nog kan voorstellen, in te leven in de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Vervolgens fileert hij in zijn meanderende, maar nooit afdwalende, altijd relevante essay de afschuwelijke idee van de doodstraf. Die is een pervertering van het menszijn en als ze ooit wordt ingevoerd, ‘die dag zal ik me ziek melden bij het leven’.

Ik ben tegen de doodstraf, maar waarom? Ik dacht: dat behoeft geen reden omdat alle redenen om ervoor te zijn slecht zijn en alle redenen om ertegen te zijn goed. Per definitie. Toch vind ik dat Bentz van den Berg te ver gaat in zijn afkeuring. Als de mens zich de beslissing over de dood aanmatigt, zal hij nooit de heiligheid van het leven kunnen waarborgen. Dat klinkt bijna als pro-life activisme, en op de dag dat abortus wordt verboden, meld ík me ziek bij het leven.

En euthanasie dan? Ooit heb ik van heel dichtbij me kunnen inleven in ‘de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd’ – zelfs in degene die in de rol van beul werd gedwongen. Reden te meer om tegen de doodstraf te zijn. En tegelijk niet blind te varen op iets ijls als de ‘heiligheid van het leven’, waarmee de diepte van lijden geen recht wordt gedaan. Het doden van een mens – dat is iets waar geen principes voor bestaan. Waarom zou dat dan wel bij de doodstraf gelden? Ik weet het niet. Misschien had Hitler of Stalin wel de doodstraf verdiend, mensen aan wie de wereld letterlijk ten onder is gegaan. Te makkelijk. Ik durf eigenlijk geen rechtlijnige uitspraken te doen.

Dostojevski maakte het zelf mee, hij werd ter dood veroordeeld en wist: ‘over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Voor het vuurpeloton werd hem gratie verleend. De literatuur is de plek om over deze materie te praten en te denken. Het meest indringende stuk proza dat ik ooit heb gelezen staat in zijn roman De Idioot. Prins Mysjkin vertelt over een terechtstelling die hij heeft meegemaakt in Lyon. Hij ziet de veroordeelde die door de stad naar het schavot wordt gebracht en weet wat hij moet denken: ‘Nog heel lang, nog drie straten lang heb ik te leven; eerst komt deze straat, dan die, daarna nog die met de bakker op de hoek… o, dat duurt nog zo lang, voor we bij die bakker zijn!’ En dan: ‘Zij met hun tienduizenden en niemand van hen wordt terechtgesteld, maar ik word wel terechtgesteld!’ De prins zegt: ‘En te bedenken dat dit zo doorgaat tot aan de laatste fractie van een seconde, wanneer het hoofd reeds op het blok ligt en wacht en… weet en plotseling boven zich het staal hoort neersuizen! Dat hoort hij zonder twijfel!’

Dostojevski is hier prins Myskin en veroordeelde tegelijk. Zelfs hier matigt hij zich niet een oordeel aan. Een groot schrijver.

Van Saddam Hoessein was de executie op internet terug te zien. Voor het eerst en voor het laatst (denk ik) in mijn leven kon ik mijn perverse nieuwsgierigheid niet bedwingen. My first snuff movie.

‘Het is merkwaardig dat de mens in zulke uiterste seconden zelden of nooit het bewustzijn verliest! Integendeel, je hersens zijn juist dan verschrikkelijk actief en helder, zij werken dan blijkbaar razend, zo hard als een machine die op volle toeren draait: ik stel me zo voor dat hem van alle kanten flarden van misschien absurde, onafgemaakte gedachten die nergens op sloegen, door het hoofd flitsten, als: ” Wat kijkt die vent naar mij, hij heeft een wrat op zijn voorhoofd; kijk toch eens, hoe verroest die onderste knoop is aan de jas van de beul…” en ondertussen weet je alles en herinner je je alles; ergens is een punt dat je niet kunt vergeten en je kunt onmogelijk in zwijm vallen en alles draait en wentelt maar om dat ene punt heen.’

Stel nu dat Dostojevski wél was neergeschoten. Waar vond de wereld dan het meest indringende stuk proza dat ooit geschreven is?

Stel nu dat Achterhuis gelijk heeft en het lezen van De Idioot of het kijken van de executie van Saddam een gewelddadige kern loswoelt? Ik kom er niet uit.

Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen

Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

 

Wie met genoegen de verhalen van Dimitri Verhulst las over de zuipschuiten, vuilbekken, lapzwansen en smeerpoetsen uit Reetveerdegem, maar zich soms ook afvroeg hoe het allemaal in vredesnaam zo ver had kunnen komen, kan in Godverdomse dagen op een godverdomse bol een antwoord vinden. Verhulst schreef de geschiedenis van de mensheid in 180 bladzijden, ook wel te zien als een eonenlange prequel van het prachtige De helaasheid der dingen.

 

Godverdomse dagen is genomineerd voor de Librisprijs. De jury schrijft: ‘Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing.’ Engagement mag weer, moet zelfs volgens sommigen. Het stempel van Thomas Vaessens, die een fel debat over straatrumoer en maatschappelijke betrokkenheid in de letteren ontketende met zijn studie De revanche van de roman (zie link) én plaatsnam in de Librisjury, is duidelijk.

 

En toen
Is Verhulst dan zo geëngageerd? En behoort Godverdomse dagen tot de zes beste boeken van het afgelopen jaar? Wat mij betreft kunnen beide vragen met ‘nee’ beantwoord worden. Wel schreef hij een merkwaardig boek, dat alle genreaanduidingen tart, geen zier geeft om spanning of plot, maar in de taal alles op alles zet. Het heeft nog het meest weg van een episch dichtwerk. Voor de lezer die zich instelt op ‘een verhaal met een hoofdpersonage waarin u zich ongetwijfeld zo nu en dan herkennen zal’, zoals de flap belooft, kan dat nog een flinke aanslag op het uithoudingsvermogen betekenen.

 

Het ‘verhaal’ is gauw verteld: ”t’ – de mens – kruipt uit het water en gaat lopen, spreken, samenleven, maar vooral vreten, kezen, liegen. Tot het uiteindelijk op gelijke voet komt te staan met God, namelijk door de allesvernietigende krachten van de atoombom te ontketenen boven Hiroshima. Daarvoor: jagen, verzamelen, ijstijd, volksverhuizingen, prehistorie, Egypte, de Romeinen, middeleeuwen enzovoorts. Door die opzet, waarbij je vanzelf invult ‘en toen, en toen’ lijkt er tegelijk helemaal niets te gebeuren. De boodschap van Verhulst is duidelijk: de geschiedenis is een herhaling van verziekte zetten.

 

Stromen met woorden
Volledigheid of nauwkeurigheid is geen streven in deze vertelling. Soms maakt Verhulst herkenbare verwijzingen naar de geschiedenis zoals je die op school leert, maar die ogen willekeurig en ook wel wat flauw, alsof het een puzzeltje is. Niet iedereen zal zich trouwens herkennen in deze geschiedenis: ’t is een laaglander, een christen, een man. Een zuipschuit, vuilbek, lapzwans en smeerpoets. Is er dan niets de moeite waard aan het godverdomse wezen? Misschien zijn taal:

 

De taak die ’t ooit vrijwillig op een dag met veel plezier heeft aangevat, het benoemen van de dingen, is nog altijd onvoltooid. En ’t hoopt dit zo te houden. Want eens de stromen met woorden zullen zijn opgedroogd, zal ’t zijn eigen einde ruiken. Het einde van de woorden, dat is de dood.

 

Je zou het bijna inconsequent noemen dat Verhulst door zijn ‘stromen met woorden’ dat vervloekte mensdom nog in leven houdt. Zijn uitbundige Vlaams is de hemel in geprezen. Je moet er van houden. Af en toe schiet hij door in grappen en grollen (‘Een eigen grot een plek onder de zon’), andere keren zit er een pareltje tussen (‘Hun lijken worden in wijntonnen naar de kaden gerold en in de rivieren gedropt, waarop ze drijven naar een zee die hen verteren zal’).

 

Verhulst maakt op een mooie manier het universele particulier en vice versa. ”t’ Is als de onsterfelijke graaf Saint-Germain, die tegelijk zichzelf blijft en transformeert tot tijdgenoot.’ De taal is ook zowel particulier als universeel: Verhulsts stijl is volkomen eigen, maar weet te spreken over de ontdekking van vuur evengoed als over de Verlichting. Het duurt alleen allemaal te lang, of juist te kort: had er een vlammende novelle van gemaakt of een echt episch dichtwerk. Ook epische dichtwerken hebben echter spanning en afwisseling nodig. Als dit het beste is wat hedendaags engagement te bieden heeft – een deprimerende visie op de mens zonder hoop op verbetering – rijst de vraag: wat boeit ‘t?

 

Roel Bentz van den Berg: Montaigne voor de 21e eeuw

Roel Bentz van den Berg heeft een nieuw boek uit, getiteld Engelen in regenjas. Ik heb het nog niet gelezen, ik verwacht binnenkort een boekenbon in de bus en moet dus nog heel even geduld oefenen. Hier volgt geen recensie, maar een soort pre-recensie, zodat voor de hele wereld duidelijk is met wat voor verwachtingen ik straks Engelen in regenjas ga lezen.

Het is alweer maanden geleden dat ik Zapdansen las, zijn vorige essaybundel die uit 2005 stamt. Toen schreef ik: ‘Als mensen goed over muziek schrijven, ook al gaat het eigenlijk om alles wat er om de muziek heen gebeurt, ben ik blij. Als ze zich daarbij de vraag stellen waarom ze precies híer van houden, voel ik herkenning. Als ze in één stuk over zowel Nietzsche als zichzelf als over muziek schrijven, ben ik fan. Een volgende keer moet ik het dus zeker over de schrijver van bovenstaand citaat hebben. Roel Bentz van den Berg.’

Bentz van den Berg is zo’n schrijver die tot mij spreekt, echt tot mij alsof hij me al jaren kent en precies weet wat hij moet zeggen. Hij is van 1949 en toch is het alsof hij tegelijk met mij geboren moet zijn, als een verloren tweelingbroer, net vijf minuten ouder en dus alles net even eerder gelezen en gehoord en opgeschreven dan dat ik het zelf heb kunnen bedenken. De essays uit Zapdansen verschenen in de NRC en de laatste die hij schreef was ook meteen de mooiste, die heb ik uitgescheurd en bewaard. Niet veel later beschreef hij in de Groene Amsterdammer zijn ‘essay-dna’ en ook dat zit in de map. ‘Waar het ook begint, het is altijd middenin,’ schrijft hij. Jammer dat deze twee stukken niet online beschikbaar zijn voor niet-abonnees.

‘Waar het ook begint, het is altijd middenin.’ Het had een uitspraak kunnen zijn van de man die het essay uitgevonden heeft, de verre voorvader van Bentz van den Berg, Michel de Montaigne. In mijn eerste studiejaar las ik voor het eerst een paar van de oeressays – zeg maar het oer-dna – van die laat zestiende-eeuwer. Ook toen had ik het gevoel een verloren tweelingbroer te ontmoeten. Dat iemand die zo ver van me af staat mij zo kon aanspreken, daar was ik helemaal beduusd van. De essays zijn extreem goed geschreven, gaan over alles en niets, en zijn bovenal heel humoristisch en diepgaand tegelijk. Montaigne is sindsdien mijn voorbeeld. Bentz van den Berg verstaat dezelfde kunst en past die toe op alle onderwerpen die sinds 1612 erbij zijn gekomen. Montaigne is in hem een tijdgenoot geworden.

Lees de recensie van Engelen in regenjas uit Vrij Nederland.

Egotripperij of een getoupeerde pony?

Wie onlangs Connie Palmen en Saskia Noort bij De Wereld Draait Door zag, moet wel hebben gedacht dat literatuur toe is aan zelfmoord. Ofwel, mocht je een literatuurliefhebber zijn, zelf er een eind aan hebben willen maken. Want noch met Noort, noch met Palmen en zeker niet met tafelheer Hugo Borst wil je geassocieerd worden (een associatie met Matthijs is nooit weg). En meer keus was er niet: het is de egotripperij van Palmen, die zichzelf de beste schrijfster van Nederland vindt en moet leven in een permanente verstandsverbijstering als ze echt gelooft dat ze nog nooit slecht besproken is. Of de getoupeerde pony van Saskia ‘ik geef de mensen waar ze om vragen’ Noort.

Het enige positieve aan het item is dat het boze reacties oproept (ik ben niet de enige die weigert te kiezen tussen twee ‘nietsnutten’). Zo stond in de NRC een stuk van Paul Brandt. Ook bij hem is deze doorgedraaide wereld in het verkeerde keelgat geschoten. Vooral van Palmen had hij meer verwacht (best merkwaardig, gezien het feit dat Connie Palmen nu eenmaal Connie Palmen is):

Hoe mooi was het geweest als zij voorbeelden had gegeven als: lees nu in plaats van Saskia Noort eens Bert Natter of Marja Pruis. Laat Heleen van Royen eens liggen en pak eens een boek van Robert Vuijsje. Moet je eens zien hoe sterk die nieuwe generatie literatoren voor de dag komt. Dat deed Connie Palmen niet. Haar literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), waren Gerrit Komrij, Cees Nooteboom en Harry Mulisch. En dat is nota bene haar eigen vriendengroepje, haar eigen literaire borreltafel!

Scroll nu gauw naar het einde van het artikel, om erachter te komen wie Paul Brandt eigenlijk is:

Paul Brandt is hoofdredacteur van Nijgh & Van Ditmar, dat o.a. werk van Robert Vuijsje, Marja Pruis, Arnon Grunberg en Simon Vestdijk uitgeeft.

Zijn literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), zijn Marja Pruis en Robert Vuijsje. En dat is nota bene zijn eigen vriendengroepje, zijn eigen literaire fondslijst!

Zo wordt het natuurlijk nooit wat.

Lees in het kader van literaire inteelt ook een verslagje van een miserabele avond over recensenten bij Spui25.