Berlijn: van hip naar hot

berlin_wall

Berlijn was al jarenlang hip, maar nu wordt Berlijn hot. Opeens is het Berlijn wat de klok slaat. Daar is een duidelijke reden voor aan te wijzen: dit jaar, op 9 november, is het twintig jaar geleden dat de Muur Viel. Hoewel dat dus pas op 9 november echt aan de orde is, wordt het publiek nu alvast warm gemaakt.

Op het moment dat NRC Handelsblad een spread wijdt aan de scene van elektronische muziek en de Berlijnse underground, is dat natuurlijk hét teken dat van underground geen sprake meer is. Alle dj’s die zich hebben laten interviewen en die Berlijn roemen om de lage huurprijzen en de non-existente sluitingstijden – iedereen blijft gewoon doorfeesten omdat toch niemand een baan heeft om ’s ochtends naartoe te gaan – die dj’s zullen zich binnenkort wel achter de oren krabben als de yuppen hun pakhuizen overnemen. Zo gaat dat immers: hip, goedkoop en underground wordt opgepikt door de massa en verandert dan vanzelf in hot, duur en krantenartikelenmateriaal.

Berlijn kwam ook naar me toe in de vorm van een roman, Wolken boven Berlijn van Chloe Aridjis. Mooi debuut, sfeervol en origineel, alleen lijdt het een klein beetje aan de debutantenziekte: Aridjis wil alles afronden, geeft de lezer een enigszins goed einde, met een verantwoord melancholieke ondertoon. De roman is een van de eerste van een ongetwijfeld enorme stroom boeken over Berlijn die dit jaar de markt zal gaan overstromen. In die zin is het op tijd uitgegeven, net iets vóór de grote massa. Zelf nog hip en underground, maar ook al deel van ‘hot en massamedia’.

Fenomenologie van de ruimte

Berlijn is al jarenlang de hipste stad van underground Europa. Ook is het een gewonde stad. Van het Holocaust-monument via eeuwige bouwputten naar ondergrondse Stasi–kelders: de stenen, het cement en de aarde van Berlijn getuigen van de geschiedenis van de twintigste eeuw. In Wolken boven Berlijn, het debuut van de jonge Amerikaanse schrijfster Chloe Aridjis, zijn underground en geschiedenis twee kanten van dezelfde medaille.

Chloe Aridjis
Chloe Aridjis

De val van de Muur is dit jaar alweer twintig jaar geleden. Nog geen kwart eeuw geleden was Europa verdeeld in twee machtsblokken, waartussen je niet kon reizen. Wie zich afvraagt hoe dit doorwerkt in de jongerencultuur van de eenentwintigste eeuw, doet er goed aan Wolken boven Berlijn te lezen. De hedendaagse scene is daarin gesitueerd in een Berlijn dat aan alle kanten de verschrikkingen van vóór 1989 uitwasemt.

Spookstations
De hoofdpersoon in dit boek is een jonge Mexicaanse vrouw die min of meer toevallig Duits ging studeren, een beurs won om naar Berlijn te gaan en daar de volgende jaren bleef hangen. Toeval speelt in het leven van deze Tatiana een grote rol, vooral door haar passiviteit. Als je zelf niets doet, bepaalt het toeval wat er met je gebeurt. Tatiana is zwijgzaam en houdt zich afzijdig in een koud appartement. Ze doet wel wat denken aan de anti-helden van Paul Auster, die dit boek heeft bejubeld. Zo’n laks personage kan slecht uitpakken, maar Aridjis komt ermee weg. Enerzijds door de verrassende, mooi geformuleerde gedachten van Tatiana; anderzijds doordat Tatiana niet de echte hoofdpersoon is. Dat is namelijk Berlijn.

Tatiana gaat – toevallig – werken voor dr. Weiss, een vooraanstaand historicus die inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt. Hij heeft een ‘mechanisch oor’ nodig: Tatiana typt de bandjes uit waarop hij ideeën voor nieuw werk heeft ingesproken. Het zijn essays over het fysieke Berlijn dat doordrenkt is van het immateriële Berlijn, zij vormen een ‘fenomenologie van de ruimte’. Dat klinkt abstract, maar via Tatiana krijgen we een idee van de opzet. Gebouwen, pleinen en wegen bewaren het verleden, om het in het heden te laten herleven. Als dat waar is, is Berlijn een stad met heel zware ruimtes, waarvan de allerzwaarste zich onder de grond bevinden. Een mooie illustratie zijn de spookstations in de Berlijnse metro. Omdat de Muur niet in een rechte lijn liep, moest de West-Berlijnse ondergrondse door Oost-Berlijns gebied rijden. Zonder stoppen natuurlijk, waardoor de daar gelegen stations veranderden in Geisterbahnhöfe, ‘een schemerige onderwereld’ waarin reizigers zich Orpheus waanden.

Vreemd futuristisch
Het is knap hoe Aridjis de undergroundcultuur weet te verweven met de geschiedenis, drugsfeesten koppelt aan kegelende Stasi-agenten, Tatiana spiegelt aan de oude doctor. Het idee dat de fysieke ruimte het verleden in zich vasthoudt, zingt door in alle elementen van de roman. De ruimte is daarom de echte hoofdpersoon, terwijl de personages schimmen blijven (soms letterlijk), aanleidingen om het decor tot leven te brengen (soms ook letterlijk). Dat roept opnieuw Paul Auster in herinnering, wat als een compliment mag gelden.

Wolken boven Berlijn is een boeiende en originele roman, geschreven in een genuanceerde stijl. Daarom is het jammer dat Aridjis aan het eind uit de bocht vliegt. Tatiana wordt van een overval gered door een dichte mist, alsof de wolken boven Berlijn naar beneden zijn gekomen. De mist onttrekt alles aan het zicht, alleen de herinnering aan de straten en gebouwen blijft bestaan. Opnieuw is het de omgeving die het lot van dit passieve meisje bepaalt. Berlijn speelt verstoppertje. Zo’n vreemde afloop had dit boek best kunnen hebben. Waarom laat Aridjis dan doorschemeren dat Tatiana zich die wolken misschien verbeeldde? De ‘schimmige’ personages krijgen opeens de hoofdrol toebedeeld. Alles komt goed, op de literair verantwoorde manier van sadder but wiser. Aridjis had beter het laatste woord aan de omgeving kunnen laten, ‘die zowel bevroren leek in de tijd als vreemd futuristisch’.

Kornel Esti, de enige held in dit verhaal

kornel_esti

De bekentenissen van Kornél Esti is een van de beste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen. De volstrekt originele en aangename toon die dit citaat ook bezit, houdt Dezsö Kosztolányi het hele boek vol. Zoals Esti zijn telefoon koestert, zou je als lezer Esti willen koesteren – een personage dat even origineel en aangenaam is als het boek waarin hij een glansrol speelt. En even eigenzinnig en onberekenbaar. De bekentenissen van Esti zijn opgetekend door een oude jeugdvriend van hem, de ikfiguur. Maar hoe zit dat met die twee vrienden? Het eerste hoofdstuk, ’waarin Kornél Esti, de enige held van dit verhaal, door de schrijver wordt voorgesteld en ontmaskerd’, zet de lezer meteen aan het puzzelen. De enige held ontmaskerd… zijn de ik en Esti niet één en dezelfde? Vertelt een gedistingeerde man hier misschien over zijn andere ik, over zijn lichtzinnige zelf, dat gehuld is in de nevels van herinneringen?

Of dat nu zo is of niet, doet er niet zoveel toe. Juist de twijfel over de aard van de ’vriendschap’ tussen de twee, is een van de vele charmes van dit boek. De schrijver vindt Esti net zo origineel en aangenaam, eigenzinnig en onberekenbaar als de lezer. Hij kan geen afstand van hem nemen, laat zich door hem meesleuren in onmogelijke avonturen, laat zich inpakken en gebruiken, stoot hem af en keert altijd weer bij hem terug. Heeft hij een blinde vlek voor deze onmogelijke dandy, omdat iedereen een blinde vlek heeft voor zichzelf?

Het boek is moeilijk een roman in de gebruikelijke zin van het woord te noemen. Een roman in verhalen (bekentenissen), een levensbeschrijving in scènes. Esti krijgt gestalte in losse, caleidoscopische vertellingen waartussen veel onbesproken blijft. Van kop en staart is geen sprake. Dat maakt niet uit, want elk hoofdstuk is een roman op zichzelf, voldoende voor een mensenleven. De meeste draaien om ontmoetingen met anderen, die als een spiegel de ene persoon doen oplichten waar het allemaal om draait: Kornél Esti, de enige held van dit verhaal. Stuk voor stuk zijn ook die anderen weer onvergetelijke types, hoewel ze in het niet vallen bij Esti. Dat is knap, Kosztolanyi laat elke bijrol ook een Oscar verdienen. Uiteindelijk bestaan ze alleen bij gratie van hun spiegelende functie, hun rol is alleen om Esti te doen schitteren. Maar als je een schittering spiegelt, schitter je zelf mee.

De mooiste bekentenis vond ik hoofdstuk acht, ’waarin de arme journalist Pali Mogyoróssy in het koffiehuis plotseling zijn verstand verliest en vervolgens in het gesticht wordt opgesloten’. Dit verhaal is alles tegelijk, zoals literatuur alles tegelijk kan zijn: grappig en droevig, vol vriendschap en vol achterbaksheid, optimistisch en tragisch, historisch en actueel. Wat heeft een beschrijving van het journaille in de jaren dertig ons nog te melden? Alles.

Vlak voor de zomer komt een goedkope herdruk uit van De bekentenissen van Kornel Esti. Ietwat prematuur misschien, maar toch nu al dé tip voor de zomervakantiebagage.

Techniek in de literatuur VII

dezso_kosztolanyi

’In de late ochtend, als hij wakker werd, liet Esti graag de telefoon naar zijn bed brengen. Hij liet het apparaat naast zijn kussen zetten, onder het warme dekbed, als een kat. Hij hield van dit elektrische dier.

Met het prettige gevoel van uitgerust zijn strekte hij zich uit in het brede bed en genoot van de rust. Hij nam de hoorn van de haak en zei een nummer. De stad kwam in zijn bed. Nog slaperig hoorde hij de wakkere stemmen van bedienden aan de andere kant van de lijn, het ochtendrumoer van een verre longkliniek.’

Dezso Kosztolanyi, De bekentenissen van Kornél Esti (1933).

Hier is de telefoon niet een substituut voor een geliefde, maar zelf geliefde geworden. Geliefd als een huisdier. Wat een verstrengeling van dieren en mensen, techniek en verliefdheid openbaart zich langzamerhand!

Meer over De bekentenissen van Kornél Esti.

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren – oftewel tien jaren – regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten – als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.

 

Haal jij alleen maar tienen? Grote kans dat je jarig bent in september, oktober of november. Zulke toevalligheden hebben meer invloed op prestaties dan je IQ. Individueel succes is afhankelijk van de omgeving en van mogelijkheden, zo maakt Malcolm Gladwell duidelijk in zijn laatste boek Uitblinkers.

Stel: je bent op 31 augustus geboren. Je begint op school als je net zes bent. Dat scheelt bijna een jaar met kinderen die op 1 oktober al zeven worden. Die leren snel en lijken slim. Ze mogen in het leesgroepje voor gevorderden en vooruitwerken met rekenen. Tegen de tijd dat jullie naar de brugklas gaan, haal jij net de havo. Uiteindelijk blijf je voor altijd een middenmoter, rechts ingehaald door mensen met meer geluk.

Kansen
Dit is een van Gladwells veelbesproken voorbeelden. Is de kwestie ook om te draaien? Nee, niet iedereen die in het laatste kwartaal van het jaar geboren is, presteert goed op school. Gladwell suggereert dat wel: als alle omgevingsfactoren goed staan afgesteld, is succes onvermijdelijk. Lukt het dan nog steeds niet om de top te bereiken, dan ligt het aan jezelf.

Toch is Gladwells portee juist dat het individuele succesverhaal niet klopt. In het eerste deel van Uitblinkers, ‘Kansen’, geeft hij verbazingwekkende voorbeelden die bewijzen dat de American Dream een fabeltje is. Enige aanleg is mooi meegenomen, maar om succesvol te zijn is het is vooral cruciaal om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. En hard te werken.

Hamburg
Om hard te werken moet je echter een kans krijgen. Gladwell beschrijft de zogenaamde ‘tienduizend-urenregel’: alle uitblinkers hebben tienduizend uur oefening achter de rug. Neem de Beatles. Die kregen de kans om maandenlang acht uur per dag op te treden in een Hamburgse nachtclub. Dat dwong ze hun repertoire uit te breiden en tot in de puntjes op elkaar ingespeeld te raken. Of Bill Gates. Zijn school schafte al in 1968 een computer aan. Tegen de tijd dat hij aan de universiteit begon, had hij er tienduizend uur programmeren op zitten. Ze hadden op kunnen geven, maar opgeven kan pas als je een kans hebt gekregen.

Iedereen verdient zijn Hamburg, zegt Gladwell. Daar heeft hij gelijk in. Maar is het niet even kortzichtig om alleen maar te wijzen op omgevingsfactoren, als om alles te koppelen aan individueel talent? Je kunt ook betogen dat het een gegeven is dat de mens zijn leven in eigen hand kan nemen. In plaats van tegenargumenten te weerleggen, gebruikt Gladwell de methode van de herhaling om zijn punt te maken. Hij hamert daar zo eenzijdig op, dat het idee van tienduizend uur oefening bij voorbaat vermoeiend wordt. Hoe zit het trouwens met tienduizend uur buitenspelen of ouwehoeren in de kroeg?

Erfenis
In het tweede deel, ‘De erfenis’, onderzoekt Gladwell de invloed van culturele achtergronden bij het al dan niet uitblinken – een behoorlijk taboe. Het hoofdstuk over de rol van cultuur bij het ontstaan (en dus voorkomen) van vliegtuigongelukken is even verontrustend als overtuigend. Een piloot uit een sterk autoritaire cultuur maakt veel meer kans op een ongeluk dan een piloot uit een genivelleerde samenleving. Als er echt iets fout gaat, moet de bemanning niet blijven hangen in beleefdheidsfrases, maar zeggen waar het op staat.

De interessantste notie van Uitblinkers komt al in het begin aan bod. Liever dan uit te blinken in één ding, moet je op verschillende vlakken ‘goed genoeg’ zijn. Iemand met een hoog IQ maar zonder ‘Hamburg’ komt er niet. Het is jammer dat Gladwell dit idee niet breder maakt. Niet iedereen hoeft van negen tot vijf te computeren om toch ‘goed genoeg’ te programmeren.  Bovendien: als alle mensen uitblinken, komt de drempel hoger te liggen. Als iedereen tienen haalt, is een acht maar net voldoende.

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers

NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers.

Kopen dus, voor 2,50 euro, en/of lees mijn recensie Het dier als mens als dier. Dun genoeg voor een treinrit naar Groningen. Behalve als je in Haren woont.

Boeken waarin dieren de hoofdrol spelen zijn vaak kinderboeken of kookboeken: in de eerste draagt het varken een potsierlijk broekje, in de andere niet eens zijn eigen huid. Daar mag wel eens verandering in komen, vindt Midas Dekkers. In het boekenweekessay Piep. Een kleine biologie der letteren pleit hij voor waarachtige dierenkarakters. Dieren hebben de mens namelijk genoeg te vertellen.

Kinderen worden overstelpt door dieren, in hun boeken en in hun bed. Het zijn knotsgekke beesten die niets met echte dieren van doen hebben. Tegen de tijd dat de kinderen volwassen lezers zijn met een hang naar realisme en psychologisch drama, kleeft aan alle beesten een zotte kinderachtigheid. Daarom zijn dieren in de ‘serieuze’ letteren uit den boze.

Natuurbarbaren
Dat is niet altijd zo geweest. Denk maar aan de fabels van Aesopus of de domineedichters. Maar ook daarin zul je lang zoeken naar dieren die gewoon dieren zijn, en niet zinnebeelden van een moraal. Uiteenlopende citaten laten zien hoe het ook anders kan. Aardig is dat Dekkers daarbij niet bang is schrijvers aan te halen die zich enigszins in de periferie van de literatuur bevinden, zoals Kees Stip en Herman Pieter de Boer. Misschien is dat ook niet toevallig als de meeste ‘grote’ schrijvers zich niet aan dieren wagen.’Een leeuw is iemand die bang is voor niemand’ dichtte De Schoolmeester in de negentiende eeuw. Dat geeft precies aan waar het knelt: het dier is iemand, een individu, en niet alleen een soort. Net zo min als in de biologie, waar alleen over soorten gesproken mag worden, komen in de letteren individuele dieren voor. Er zingt eens een vogel, maar of het een nachtegaal is of een merel weet niemand. Dekkers signaleert een soort dédain onder cultuurminnaars. Het geeft geen pas om de ene vogelsoort van de andere te kunnen onderscheiden. ‘Natuurbarbaren,’ bijt hij ze toe.

Dier in het dier
En dat terwijl bepaalde mensen toch heel goed het dier als individu kunnen zien. Huisdiereigenaren geven allereerst hun nieuwe beste vriend een naam en dichten hem in de loop van de tijd een uitgebreid karakter toe. Dat is alvast een stap in de goede richting, want met een huisdier heb je een gids die je kan inleiden in de wondere wereld van de dieren.

Als je daar dan in gaat ronddwalen is het zaak je ten volste in te leven in de dieren die je tegenkomt. En dan niet op de halfzachte manier van de natuurbeschermer, voor wie dieren eerst zielig moeten zijn. Het gaat om ‘het dier in het dier’, om Koos van Zomeren aan te halen, een van de schrijvers die Dekkers vaak noemt. Het zou niet te moeilijk moeten zijn – de mens is immers ook een dier. ‘Freud is dood, Darwin leeft,’ schrijft Dekkers, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Paradox
Hierin schuilt een merkwaardige paradox. De dieren zijn een manier om tot zelfkennis te komen: ‘kijken in andermans kop is levensvoorwaarde’. Om ze als individu te zien moet je ze ook als individu benaderen. Tegelijk mag je ze niet beroven van hun eigenheid, hun totale anderszijn. Het is een dun lijntje waar de dierenvriend en letterkundige op balanceert.

Je inleven in een dier is het moeilijkste wat er is. Midas Dekkers doet het op zo’n eigenzinnige manier, dat kunnen er maar weinig. Hij schudt de veren van de wetenschapper van zich af en tooit zich met die van de kunstenaar. Díe bezit de vermogens om zich in te leven en van een soort een verzameling individuen te maken. Het is dan ook een genot om Piep te lezen. Het dier Dekkers is gezegend met een feilloos gevoel voor humor en stijl.

Techniek in de literatuur VI

Het begint erop te lijken dat techniek in de literatuur het vooral moet hebben van de telefoon. Hij werd al gesignaleerd bij Couperus, Thomas Mann en Mandelstam. Mulisch liet de mobiel een rol spelen in De procedure. En hoe graag ik ook iets zou lezen over auto’s, vliegtuigen of internet, het is opnieuw de telefoon waar ik op stuit. Niet verwonderlijk, want de telefoon is een communicatiemiddel en literatuur gaat nu eenmaal vaak over mensen die al dan niet communiceren. Deze keer is de telefoon zelfs een soort personage, als ik Raymond van den Boogaard mag geloven, in zijn artikel over het toneelstuk La voix humaine van Jean Cocteau (Cultureel Supplement NRC 6 februari 2009).

Het toneelstuk zelf ken ik niet, dus dit is een tweedehands vindplaats. In het stuk komt alleen een vrouw aan het woord, die een telefoongesprek voert met haar minnaar. Het is een break-up call; aan de andere kant van de lijn beëindigt de man hun verhouding. De vrouw verzucht:

Vroeger zag je elkaar. Je kon je hoofd verliezen, beloftes niet nakomen, het onmogelijke riskeren, degene die je aanbad overtuigen door hem te omhelzen, je aan die ander vast te klampen. Eén blik kon alles weer goed maken, maar weg is weg met dit apparaat.

Van den Boogaard beschrijft het einde van het stuk: ‘De telefoonlijn is haar laatste verbinding met de liefde en de wereld. Ook letterlijk: ze vertelt met het toestel te hebben geslapen en legt op een bepaalde moment het snoer om haar hals. (…) Ze blijft ‟ik hou van je” zeggen totdat de man de verbinding verbreekt. Doek.’

Opmerkelijk: het stuk stamt uit 1930. Ook toen al werden mensen dus gedumpt via de telefoon. Om de een of andere reden associeerde ik dat altijd met de mobiel. Nu heeft de mobiel natuurlijk de vernedering van deze manier van dumpen nog een graadje erger gemaakt, door de mogelijkheid te dumpen met een sms’je. Een sms’je, dat betekent: even tussendoor, in maximaal 160 tekens, zonder stem, zonder handschrift, zonder uitleg. Het is de vernedering in het kwadraat.

De telefoon die een personage wordt, dat herken ik. Eens noteerde ik in mijn aantekenboekje: Mobiele liefde: Hoe de telefoon een personificatie van de geliefde wordt. Deze personificatie had ik echter nog nooit ervaren bij een vaste telefoon, pas bij mijn mobiel deed zich dit vreemde proces voor. Dat komt omdat de mobiel alleen van jou is, terwijl een vaste telefoon vaak gedeeld wordt en bovendien beperkt is in zijn bewegingsvrijheid – hij is niet voor niets vast, verbonden met een snoer. Je mobiel draag je bij je, in je broekzak of je binnenzak, op je hart. Als die het enige is wat jou verbindt met een geliefde, is identificatie tussen de twee niet ver weg.

Daar zou een filosoof als Sartre vast niet blij mee zijn. Door je geliefde te projecteren op je telefoon, op een ding, maak je van die geliefde ook een ding. Andersom: door een ding te gebruiken om je geliefde te dumpen, reduceer je hem of haar tot een ding. Zo is het lekker makkelijk om die persoon als een afgedankte matras bij het grofvuil te zetten. Dat is wat er in het toneelstuk lijkt te gebeuren en waar de vrouw op zinspeelt. De telefoon reduceert haar tot een object en beneemt haar elke mogelijkheid tot handelen, voelen en overtuigen. Het beneemt haar haar menszijn.

Maar hoe zit het aan de andere kant van de verhouding, ik bedoel aan het begin? Als de telefoon nog vol beloftes is, een orakel waaruit op elk moment de stem van je minnaar kan opklinken, dat lieve of erotische berichten uitzendt en dat je als een substituut voor de lijfelijke aanwezigheid meeneemt naar bed en geen moment uit het oog verliest? Is dan niet eerder het omgekeerde aan de hand? Zoals Van den Boogaard opmerkt: de telefoon wordt een dramatis persona, waarop juist menselijke eigenschappen en gevoelens worden geprojecteerd. Voor de verliefde mens is de mobiel zijn beste vriend. Iedereen kan soms een Bamse zijn, die verliefd is op de MacBook Pro.

In het ene geval straalt het object-zijn van de telefoon af op de mens, in het andere geval maken de menselijke emoties het ding levend. De onderliggende vraag is uiteindelijk waar de grens ligt tussen mens en ding, subject en object. Japanse bejaarden onderhouden warme relaties met de robots die hen verzorgen, Nathaniel viel als een blok voor de schone Olympia, al had zij geen hart maar een motor, geen bloed maar stroom. Waar trekken we de grens tussen leven en niet-leven?

Op één plek is dat alvast heel duidelijk: de vrouw die in La Voix Humaine aan de kant gezet wordt doet een zelfmoordpoging. Met het snoer van de telefoon om haar hals verbreekt ze de verbinding met het leven. Een vernedering in het kwadraat – ook in 1930 kon het al.

Een sensatie die het leven verandert

Emotionele kunstbeschouwing volgens Hans Goedkoop en Henk van Os

Toegegeven: de discussie over de gebrekkige kennis die Nederlanders hebben van de vaderlandse geschiedenis duurt eigenlijk al te lang en loopt al te vaak uit op een klaagzang. Inmiddels is er een canon gemaakt met vijftig vensters, die natuurlijk ook uitnodigen tot klagen. De beta’s stelden hun eigen canon samen (geschiedenis is nu eenmaal een alfawetenschap) en het gerucht gaat dat ook gammawetenschappers bezig zijn de hoogtepunten uit hun vakgebied te canoniseren.

De vensters op de geschiedenis moeten Nederlanders, vooral kinderen en jongeren, warm laten lopen voor het vaderlandse verleden. Door bijzondere momenten te kiezen in plaats van een doorlopend verhaal te vertellen, zal de geschiedenis als een bom inslaan. Beelden (oftewel vensters) komen nu eenmaal beter aan dan lange chronologieën. “Een sensatie die het leven verandert” verder lezen

De toekomst van de roman volgens A.F.Th.

Kruis en kraai heet het boekje waarin A.F.Th. van der Heijden zijn persoonlijke geschiedenis als schrijver uiteenzet teneinde iets te zeggen over de toekomst van de roman in het algemeen. Door het verleden te bestuderen kun je iets zinnigs zeggen over de toekomst, dat is het idee. Op 8WEEKLY staat mijn recensie van dit eerste deel in de serie Over de roman.

Ik ben niet onverdeeld positief. Van der Heijden is een typische babyboomer, voor wie café De Zwart aan het Spui fungeert als tweede huiskamer. Daarom is het niet verwonderlijk dat zijn beeld van de toekomst van de roman niet erg modern aandoet. Ja, deze paradoxen (verleden beschrijven om iets te zeggen over de toekomst, toekomstbeeld dat niet modern is) bedenk ik niet, en A.F.Th. ook niet. Dat laatste is natuurlijk onvergeeflijk; ze sluipen zijn tekst in zonder dat hij zich daar geheel bewust van lijkt.

Misschien zal ik later eens mijn eigen visie op de toekomst van de roman onder woorden proberen te brengen. Kruis en kraai biedt zeker aanknopingspunten, stelt interessante vragen en geeft dus antwoorden die aanzetten tot discussie. Aangezien bekend is dat de grote schrijver snel op zijn teentjes getrapt is, hoop ik niet dat hij me nu gaat beschuldigen van karaktermoord.

Lees de recensie!

Hoe te schrijven na Finnegans Wake? Dat bijna onleesbare boek van James Joyce markeert het einde van de literatuur, verder reikt de taal niet. Als het taalexperiment tot het uiterste is doorgevoerd, kun je eigenlijk alleen nog terugkeren naar traditionele romanvormen. Maar heeft de roman dan nog wel bestaansrecht, een toekomst? En hoe ziet die toekomst er dan uit? Dat vraagt A.F.Th. van der Heijden zich af in Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce.

Zijn antwoord op de vraag hoe de roman verder moet na Joyce, schrijft Van der Heijden in de vorm van een brief aan zijn goede vriend Anthony Mertens, de éminence grise van de Nederlandse literatuur die enkele jaren geleden een herseninfarct kreeg. Dat betekende het einde van de bijna dagelijkse gesprekken die Van der Heijden met Mertens voerde over literatuur. Met deze brief geeft hij er toch een vervolg aan.

Grachtengordel
Hoewel de ondertitel anders doet vermoeden, is dit een zeer persoonlijk relaas over Van der Heijdens relatie tot de romankunst na James Joyce. De vorm, deels autobiografie, deels essay, zorgt ervoor dat de lezer na de eerste pagina’s zogezegd moet gaan verzitten. Hier is een literator aan het woord, geen onderwijzer.

De vraag naar de toekomst van de roman is vooral een vraag naar de toekomst van Van der Heijdens werk. Door zijn eigen ervaringen uit te lichten wil hij ‘een algemener proces zichtbaar maken’. Eigenlijk is het jammer dat Van der Heijden zo schippert tussen het persoonlijke en het algemene en niet voluit heeft gekozen voor het persoonlijke. Niet elke lezer en zeker niet elke schrijver zal zich herkennen in zijn visie op het algemene proces, dat stevig geworteld is in het modernisme en de babyboomgeneratie. Een jongere schrijver kent wellicht heel andere eindpunten waartoe hij zich moet zien te verhouden dan Joyce, bijvoorbeeld internet en ‘reality’.

Freud
Kruis en kraai is dus geen geschiedenisles. De aloude vraag hoe te schrijven na Auschwitz is hier in puur letterkundige vorm geherformuleerd. Op zoek naar een antwoord gaat Van der Heijden terug naar het begin van zijn schrijverschap, in een ‘discours de la méthode van mijn geschrijf’. Waar en wanneer is het schrijven begonnen? Om voorbij het einde te komen, moeten we weten hoe het begin eruit zag, lijkt de redenering.

Wat volgt is – om bij Joyce te blijven – een portret van de kunstenaar als jongeman. De eerste keer dat de schrijver in Van der Heijden zich roerde, was op tweejarige leeftijd in de zandbak. Hij lijkt zich er niet van bewust hoezeer deze herinnering, die geconcentreerd is rond de moeder en een hevige afkeer-plus-fascinatie voor de eigen uitwerpselen, ingebed is in de modernistische, Freudiaanse traditie. Het is moeilijk voor te stellen dat een jonge auteur van de huidige generatie een soortgelijke herinnering zou opdissen als begin van zijn schrijverschap. Dat maakt de herinnering niet oninteressant, maar wat zegt deze anale moederfantasie over de toekomst van de roman?

James Joyce
James Joyce

Klassiek
De autobiografie van de jonge schrijver eindigt als Van der Heijden zijn eerste roman op papier heeft gezet. Dit Oerboek, dat nooit is uitgegeven en dat achteraf helemaal niet alles bleek te bevatten en zeker niet alle andere boeken overbodig maakte, staat in nauw verband met het eindboek, het magnum opus waar elke auteur van droomt. Hoewel het even fictief en onbestaand is als het ultieme Oerboek, houdt Van der Heijden juist dit eindboek voor ogen bij het schrijven ‘na Joyce’.

Daarmee is de romankunst op voorhand verdoemd: het eindboek noemt hij Het Onmogelijke Boek. Het kan niet geschreven worden, alleen ‘omcirkeld’. De schrijver keert in het zicht van het einde van de literatuur op zijn schreden terug. Terug naar de klassieke roman, maar dóór het experiment heen. De klassieke roman biedt het materiaal om mee te experimenteren, niet in taalgebruik of thematiek, maar vooral in opbouw en personages. De variaties daarop zijn eindeloos, zodat de roman nog heel lang mee kan, is Van der Heijdens conclusie.

Reeks romans
Rest na het experiment echt alleen maar het klassieke? Van der Heijden heeft duidelijke ideeën over Het Onmogelijke Boek: het is een reeks dikke, teleologische romans, geschreven in een ongebonden stijl, met open karakters. Mussen mogen in groten getale van het dak vallen, noodzakelijkheid is geen vereiste. Klinkt bekend? Jazeker, want dit is een beschrijving van Van der Heijdens eigen werk – de almaar uitdijende cycli van De tandeloze tijd en Homo duplex. ‘Ik spreek voor mezelf, en ik verhul mijn megalomanie niet,’ schrijft hij eerlijk. Zo schaart Van der Heijden zichzelf in één adem onder de klassieke auteurs.

Kruis en kraai nodigt uit tot discussie, het gesprek dat Van der Heijden had willen houden met zijn kompaan Mertens. Het is jammer dat dit persoonlijke pamflet het aanzien heeft gekregen van een algemene verhandeling. Een tekstje achterin maakt duidelijk hoe dat komt. De reeks ‘Over de roman’, waarvan dit het eerste deel is, is een initiatief van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en is bedoeld om ‘de positie van de roman te bevorderen in de multimediale en multiculturele samenleving’. Een interessante insteek, maar voor dit boekje volledig misplaatst.

 

Techniek in de literatuur V

word_perfect_5.1

Nu ben ik nog eens twee keer vergeten het stukje dat ik vrijdag in mijn pauze schreef naar mezelf te mailen. Inmiddels is het niet actueel meer, het is in de dooi verwaterd. Laat dan maar, er zijn genoeg andere dingen om over te schrijven. Mijn mijmeringen over het Word Perfect 5.1-debacle brachten me op het spoor van een volgend hoofdstuk in het verhaal over techniek in de literatuur. Een moderne techniek bovendien, in een moderne roman: De Procedure van Harry Mulisch.

Mulisch begint zijn verhaal zoals elke beginnende schrijver zonder inspiratie een verhaal zou willen beginnen: ik zette de computer aan en hield mijn handen boven het toetsenbord. Het grote verschil is natuurlijk dat Mulisch geen beginnende, inspiratieloze schrijver is – zijn openingszinnen spelen daarmee, zijn begin is een meta-begin.

Eerste stuk
De mens

Ja, ik kan natuurlijk met de deur in huis vallen en beginnen met een zin als:
De telefoon ging. Wie belt wie? Waarom? Het moet iets belangrijks zijn, anders zou het dossier daar niet mee openen. Spanning! Actie! Maar zo kan het dit keer niet.

Zo kan het dit keer niet? Hij heeft het al gedaan! Wie het boek in zijn geheel gelezen heeft, weet dat dit begin ook niet zomaar getuigt van opstartproblemen, niet bedoeld was als warming-up voor de vingers. De roman handelt over scheppen, over het begin van leven, van de mens, van de mensheid. Van de literatuur.

Ik las De Procedure in het verschijningsjaar 1998, dus of ik het nog goed zeg durf ik niet te beloven. Dat ik me kan vergissen is de vorige keer al gebleken. Hoe dan ook verwijst de procedure uit de titel naar de manier, of laten we zeggen techniek, om een golem te maken, het tijdloze, modderige neefje van het monster van Frankenstein. Een schepping van een namaakmens, een mens tussen aanhalingstekens: ‘mens’.

De golem stamt uit de zeer oude Joodse geschiedenis. Al op bladzijde twee van zijn verhaal, slaat Mulisch de lezer om de oren met Bijbelse referenties, om te vervolgen met kabbalistische lettertoverij – die uiteindelijk zal leiden tot het recept voor de menselijke mensenschepping.

In dat licht moet dan ook de moderne techniek worden bezien die Mulisch meteen al in de openingsscène naast de Bijbel plaatst:

Ik heb de bel van de telefoon en de huisdeur afgezet en het klokje op mijn schrijftafel omgedraaid; alles in mijn werkkamer wacht op de komende gebeurtenissen. De eerste lichtgevende woorden zijn in het ultramarijn van het computerscherm verschenen, terwijl buiten de verblindende, ondergaande herfstzon over het plein schijnt.

In 1998 zag iedereen bij deze woorden meteen een enorme beeldschermkast voor zich, met daarop een leeg Word Perfect 5.1-scherm. Ik vond dat toen heel tof: ik gebruikte hetzelfde programma als de grote Harry Mulisch! Niks schrijven met een ganzenveer of een Parkerpen, gewoon lekker prozaïsch typen op een computer. Scheppen uit het niets, in het niet, met cijfertoverij van nullen en enen (dit dacht ik toen niet).

Bij het teruglezen ging ik weer aan mezelf twijfelen. In mijn geheugen was de passage over het blauwe scherm wel wat langer dan twaalf woorden. Ultramarijn, dat klinkt zelfs iets te mooi voor WP5.1. Zou ik dan zelf van alles erbij verzonnen hebben, in mijn vreugde over deze onvermoede verwantschap? Het is een bekend procédé dat lezers dit soort zinnen kunnen uitbouwen tot hele scènes en zelfs dialogen, als er maar een paar woorden zijn die persoonlijk tot hen gericht lijken.

Ik blader verder door het boek. Mijn oog valt nog op de zinsnede ‘gaat zitten, legt de mobiele telefoon opzij’ – maar een mobiel had ik toen nog niet dus dat heeft geen indruk gemaakt. Zo’n terloopse opmerking is ook niet wat ik zoek. Het gaat me om de verwerking van techniek in literatuur, weliswaar hoe die in het alledaagse leven van de personages een rol speelt, maar dan wel nadrukkelijk geformuleerd. Dat iemand zijn mobiel opzij legt kunnen we hoogstens duiden als een afwijzing van dit communicatiemiddel. (Misschien speelt de mobiel verderop in het verhaal een belangrijkere rol, dat weet ik niet meer.)

Maar dan. Het begin van het ‘Vierde stuk’:

Het visioen verzinkt, het verdwijnt als een ijsberg die van de poolkap is losgeraakt en smeltend naar het zuiden drijft. Het witte ijs in de blauwe oceaan (mijn blauwe scherm, de witte letters daarop), het gevaarte zo groot als een alp, waarvan tot slot alleen nog een kleine klomp over is, niet groter dan een mammoetkies.

Kijk, daar is het tweede bewijsstuk: blauw scherm, witte letters. En opnieuw zien we niet alleen letterlijk een schrijver aan het werk, typend achter zijn computer, maar ook in overdrachtelijke zin. Dubbel overdrachtelijk: de metafoor van de ijsschots in de oceaan is hier natuurlijk niet lukraak gekozen (goh, wit op blauw, wat zal ik daarvan maken?). In het licht van de schepping is dit beeld makkelijk te duiden als de mens die losraakt van zijn schepper en hopeloos afdrijft in de grote, woeste wereld, tot hij volledig daarin opgaat (verwaterd, zoals mijn vorige, ongepubliceerde stukje) en van God los is. Geeft zo’n metafoor het smelten van de polen niet een heel nieuwe dimensie?

Pas bij herlezing vallen dit soort dingen op, zelfs als er tien jaren verstreken zijn en je geheugen je soms in de steek laat. (Ik moet nu opeens denken aan de opening van Mystiek lichaam van Kellendonk, waar iemand – ik parafraseer uit het hoofd – het stuur van een fiets vasthoudt alsof het een bruidstaart is. Een metafoor die uit de lucht gegrepen lijkt, maar waarin het hele verhaal vervat is. Zoiets is geniaal en daar heb ik hevige discussies over gevoerd.)

In de hoop dat Mulisch zijn boek eindigt met nog een WP-moment, stuit ik niet op blauwe schermen, maar weer op de mobiele telefoon:

Hij voelt trillen in zijn hartstreek.
‘Werker,’ zegt hij, terwijl hij doorloopt.
Stilte. Hij blijft staan, en als bij het wegschieten van een sigarettenpeuk laat hij de nagel van zijn middelvinger tegen de microfoon springen, in de hoop dat de ander nu denkt dat met de tik een apparaat is ingeschakeld.
‘Blijf maar aan de lijn, dan kan de centrale je nummer peilen.’

Daar had inderdaad iedereen het over in de begintijd van de mobiel: het trillen in je borstzak, dat op een opkomende hartaanval zou lijken. Bij de laatste zin heb ik tien jaar geleden een groot vraagteken in de kantlijn gezet. Het enige wat me nu nog vreemd voorkomt is die Werker, die blijkbaar op straat rookt. Het met twee vingers wegschieten van een peuk is een techniek die langzaam uit het straatbeeld en de literatuur zal verdwijnen, vrees ik.

Beste boeken van 2008

Ik ben dol op alle eindejaarslijstjes die her en der opduiken. Vooral natuurlijk om te zien of je eigen smaak een beetje overeenstemt met die van de zogenaamde kenners.

Ik was aangenaam verrast toen ik las dat de Engelse popcritici dezelfde nummer 10 in hun lijstje van beste albums uit 2008 hebben als ik, namelijk Made in the Dark van Hot Chip. Een plaat die in geen enkele andere lijst terugkomt. Ik dacht al dat ik iets raars had gedaan, maar voel me nu gesteund door de kenners der kenners.

Natuurlijk spit ik vooral de boekenlijstjes door. En door het programma Bookpedia is het nu ook heel makkelijk geworden om zelf een lijstje te maken. Net als in iTunes, waar je gewoon alle muziek uit het jaar 2008 bij elkaar zet om er een top 10 uit te halen, kun je in Bookpedia kiezen voor publicatiejaar. Omdat ik het eerste boek heb ingevoerd op 2 januari 2008, is dit het eerste jaar dat mijn leesgedrag volledig geboekstaafd is.

Oeps. Ik heb welgeteld 11 (elf) boeken uit 2008. Dat is 1,62 procent van het totaal (679 tot nu toe ingevoerd, waarvan zeker alles uit 2008 is ingevoerd). Schaamrood op de kaken.

Gelukkig houd ik ook bij welke boeken ik gelezen heb en wanneer. Laat ik dan zoeken op ‘Gelezen in 2008’. 41 boeken. Dat klinkt beter.

Een van de bijzonderheden die ik ook invul, is de status van het boek. Uit, ongelezen, mee bezig, deels gelezen (deze laatste optie is vooral handig voor poëzie). Mag ik dan bij de 41 uitgelezen boeken de vijf titels optellen die op ‘mee bezig’ staan? Maakt 46 in totaal.

Met nog een paar statistieken is wel een lijstje samen te stellen:
1. Beste boek uit 2008 is met vijf sterren Over de liefde van Doeschka Meijsing.

Andere boeken die ik dit jaar heb gelezen en die vijf sterren hebben gekregen:
2. De wandelaar van Adriaan van Dis (2007)
3. De idioot van Dostojevski (1869)
4. Honger van Knut Hamsun (1890)

Ook in de top met vier sterren staan onder andere
5. Noem me bij jouw naam van Aciman (2007)
6. Duizelingen van Sebald (1990)
7. Zapdansen van Bentz van den Berg (2005)
8. No One Belongs Here More Than You van Miranda July (2007)
9. Grafherrie van Remco Daalder (2008)

En als nummer 10, een boek dat ik dit jaar weer voor een deel heb gelezen en dat je nooit uit hebt:
10. Oneigentijdse beschouwingen van Nietzsche (1876)

Overigens kregen van de 41 gelezen boeken er 17 vier of vijf sterren, een mooie score.
Voor 2009 wens ik iedereen veel leesplezier toe!