Laatste ogenblikken van een terdoodveroordeelde

vuurpeloton

De doodstraf achtervolgt me. Niet dat Magere Hein dagelijks met een strop achter me aan rent als een cowboy die een buffel wil vangen. Soms heb je gewoon van die thema’s die steeds weer opduiken – als je geluk hebt zijn het lieve, pasgeboren poesjes, soms de doodstraf. Ik probeerde het te negeren en dat ging een tijdlang goed. Tot ik weer moest denken aan de doodstraf voor een hond en ik die poster tegenkwam: ‘Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf.’ Straf voor mensen aan wie de wereld ten onder gaat, mensen als Saddam Hoessein, die de doodstraf krijgen.

Roel Bentz van den Berg (van wie ik nog steeds niet zijn nieuwe boek Engelen in regenjas in huis heb) schrijft in zijn essay ‘Elke executie is een kruisiging’ uit Zapdansen over de fascinatie die hij als kind had voor de doodstraf, of liever met terdoodveroordeelden. ‘Ik probeerde mij dan, met een gretigheid die ik me nu nauwelijks nog kan voorstellen, in te leven in de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Vervolgens fileert hij in zijn meanderende, maar nooit afdwalende, altijd relevante essay de afschuwelijke idee van de doodstraf. Die is een pervertering van het menszijn en als ze ooit wordt ingevoerd, ‘die dag zal ik me ziek melden bij het leven’.

Ik ben tegen de doodstraf, maar waarom? Ik dacht: dat behoeft geen reden omdat alle redenen om ervoor te zijn slecht zijn en alle redenen om ertegen te zijn goed. Per definitie. Toch vind ik dat Bentz van den Berg te ver gaat in zijn afkeuring. Als de mens zich de beslissing over de dood aanmatigt, zal hij nooit de heiligheid van het leven kunnen waarborgen. Dat klinkt bijna als pro-life activisme, en op de dag dat abortus wordt verboden, meld ík me ziek bij het leven.

En euthanasie dan? Ooit heb ik van heel dichtbij me kunnen inleven in ‘de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd’ – zelfs in degene die in de rol van beul werd gedwongen. Reden te meer om tegen de doodstraf te zijn. En tegelijk niet blind te varen op iets ijls als de ‘heiligheid van het leven’, waarmee de diepte van lijden geen recht wordt gedaan. Het doden van een mens – dat is iets waar geen principes voor bestaan. Waarom zou dat dan wel bij de doodstraf gelden? Ik weet het niet. Misschien had Hitler of Stalin wel de doodstraf verdiend, mensen aan wie de wereld letterlijk ten onder is gegaan. Te makkelijk. Ik durf eigenlijk geen rechtlijnige uitspraken te doen.

Dostojevski maakte het zelf mee, hij werd ter dood veroordeeld en wist: ‘over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Voor het vuurpeloton werd hem gratie verleend. De literatuur is de plek om over deze materie te praten en te denken. Het meest indringende stuk proza dat ik ooit heb gelezen staat in zijn roman De Idioot. Prins Mysjkin vertelt over een terechtstelling die hij heeft meegemaakt in Lyon. Hij ziet de veroordeelde die door de stad naar het schavot wordt gebracht en weet wat hij moet denken: ‘Nog heel lang, nog drie straten lang heb ik te leven; eerst komt deze straat, dan die, daarna nog die met de bakker op de hoek… o, dat duurt nog zo lang, voor we bij die bakker zijn!’ En dan: ‘Zij met hun tienduizenden en niemand van hen wordt terechtgesteld, maar ik word wel terechtgesteld!’ De prins zegt: ‘En te bedenken dat dit zo doorgaat tot aan de laatste fractie van een seconde, wanneer het hoofd reeds op het blok ligt en wacht en… weet en plotseling boven zich het staal hoort neersuizen! Dat hoort hij zonder twijfel!’

Dostojevski is hier prins Myskin en veroordeelde tegelijk. Zelfs hier matigt hij zich niet een oordeel aan. Een groot schrijver.

Van Saddam Hoessein was de executie op internet terug te zien. Voor het eerst en voor het laatst (denk ik) in mijn leven kon ik mijn perverse nieuwsgierigheid niet bedwingen. My first snuff movie.

‘Het is merkwaardig dat de mens in zulke uiterste seconden zelden of nooit het bewustzijn verliest! Integendeel, je hersens zijn juist dan verschrikkelijk actief en helder, zij werken dan blijkbaar razend, zo hard als een machine die op volle toeren draait: ik stel me zo voor dat hem van alle kanten flarden van misschien absurde, onafgemaakte gedachten die nergens op sloegen, door het hoofd flitsten, als: ” Wat kijkt die vent naar mij, hij heeft een wrat op zijn voorhoofd; kijk toch eens, hoe verroest die onderste knoop is aan de jas van de beul…” en ondertussen weet je alles en herinner je je alles; ergens is een punt dat je niet kunt vergeten en je kunt onmogelijk in zwijm vallen en alles draait en wentelt maar om dat ene punt heen.’

Stel nu dat Dostojevski wél was neergeschoten. Waar vond de wereld dan het meest indringende stuk proza dat ooit geschreven is?

Stel nu dat Achterhuis gelijk heeft en het lezen van De Idioot of het kijken van de executie van Saddam een gewelddadige kern loswoelt? Ik kom er niet uit.

Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen

Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

 

Wie met genoegen de verhalen van Dimitri Verhulst las over de zuipschuiten, vuilbekken, lapzwansen en smeerpoetsen uit Reetveerdegem, maar zich soms ook afvroeg hoe het allemaal in vredesnaam zo ver had kunnen komen, kan in Godverdomse dagen op een godverdomse bol een antwoord vinden. Verhulst schreef de geschiedenis van de mensheid in 180 bladzijden, ook wel te zien als een eonenlange prequel van het prachtige De helaasheid der dingen.

 

Godverdomse dagen is genomineerd voor de Librisprijs. De jury schrijft: ‘Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing.’ Engagement mag weer, moet zelfs volgens sommigen. Het stempel van Thomas Vaessens, die een fel debat over straatrumoer en maatschappelijke betrokkenheid in de letteren ontketende met zijn studie De revanche van de roman (zie link) én plaatsnam in de Librisjury, is duidelijk.

 

En toen
Is Verhulst dan zo geëngageerd? En behoort Godverdomse dagen tot de zes beste boeken van het afgelopen jaar? Wat mij betreft kunnen beide vragen met ‘nee’ beantwoord worden. Wel schreef hij een merkwaardig boek, dat alle genreaanduidingen tart, geen zier geeft om spanning of plot, maar in de taal alles op alles zet. Het heeft nog het meest weg van een episch dichtwerk. Voor de lezer die zich instelt op ‘een verhaal met een hoofdpersonage waarin u zich ongetwijfeld zo nu en dan herkennen zal’, zoals de flap belooft, kan dat nog een flinke aanslag op het uithoudingsvermogen betekenen.

 

Het ‘verhaal’ is gauw verteld: ”t’ – de mens – kruipt uit het water en gaat lopen, spreken, samenleven, maar vooral vreten, kezen, liegen. Tot het uiteindelijk op gelijke voet komt te staan met God, namelijk door de allesvernietigende krachten van de atoombom te ontketenen boven Hiroshima. Daarvoor: jagen, verzamelen, ijstijd, volksverhuizingen, prehistorie, Egypte, de Romeinen, middeleeuwen enzovoorts. Door die opzet, waarbij je vanzelf invult ‘en toen, en toen’ lijkt er tegelijk helemaal niets te gebeuren. De boodschap van Verhulst is duidelijk: de geschiedenis is een herhaling van verziekte zetten.

 

Stromen met woorden
Volledigheid of nauwkeurigheid is geen streven in deze vertelling. Soms maakt Verhulst herkenbare verwijzingen naar de geschiedenis zoals je die op school leert, maar die ogen willekeurig en ook wel wat flauw, alsof het een puzzeltje is. Niet iedereen zal zich trouwens herkennen in deze geschiedenis: ’t is een laaglander, een christen, een man. Een zuipschuit, vuilbek, lapzwans en smeerpoets. Is er dan niets de moeite waard aan het godverdomse wezen? Misschien zijn taal:

 

De taak die ’t ooit vrijwillig op een dag met veel plezier heeft aangevat, het benoemen van de dingen, is nog altijd onvoltooid. En ’t hoopt dit zo te houden. Want eens de stromen met woorden zullen zijn opgedroogd, zal ’t zijn eigen einde ruiken. Het einde van de woorden, dat is de dood.

 

Je zou het bijna inconsequent noemen dat Verhulst door zijn ‘stromen met woorden’ dat vervloekte mensdom nog in leven houdt. Zijn uitbundige Vlaams is de hemel in geprezen. Je moet er van houden. Af en toe schiet hij door in grappen en grollen (‘Een eigen grot een plek onder de zon’), andere keren zit er een pareltje tussen (‘Hun lijken worden in wijntonnen naar de kaden gerold en in de rivieren gedropt, waarop ze drijven naar een zee die hen verteren zal’).

 

Verhulst maakt op een mooie manier het universele particulier en vice versa. ”t’ Is als de onsterfelijke graaf Saint-Germain, die tegelijk zichzelf blijft en transformeert tot tijdgenoot.’ De taal is ook zowel particulier als universeel: Verhulsts stijl is volkomen eigen, maar weet te spreken over de ontdekking van vuur evengoed als over de Verlichting. Het duurt alleen allemaal te lang, of juist te kort: had er een vlammende novelle van gemaakt of een echt episch dichtwerk. Ook epische dichtwerken hebben echter spanning en afwisseling nodig. Als dit het beste is wat hedendaags engagement te bieden heeft – een deprimerende visie op de mens zonder hoop op verbetering – rijst de vraag: wat boeit ‘t?

 

Roel Bentz van den Berg: Montaigne voor de 21e eeuw

Roel Bentz van den Berg heeft een nieuw boek uit, getiteld Engelen in regenjas. Ik heb het nog niet gelezen, ik verwacht binnenkort een boekenbon in de bus en moet dus nog heel even geduld oefenen. Hier volgt geen recensie, maar een soort pre-recensie, zodat voor de hele wereld duidelijk is met wat voor verwachtingen ik straks Engelen in regenjas ga lezen.

Het is alweer maanden geleden dat ik Zapdansen las, zijn vorige essaybundel die uit 2005 stamt. Toen schreef ik: ‘Als mensen goed over muziek schrijven, ook al gaat het eigenlijk om alles wat er om de muziek heen gebeurt, ben ik blij. Als ze zich daarbij de vraag stellen waarom ze precies híer van houden, voel ik herkenning. Als ze in één stuk over zowel Nietzsche als zichzelf als over muziek schrijven, ben ik fan. Een volgende keer moet ik het dus zeker over de schrijver van bovenstaand citaat hebben. Roel Bentz van den Berg.’

Bentz van den Berg is zo’n schrijver die tot mij spreekt, echt tot mij alsof hij me al jaren kent en precies weet wat hij moet zeggen. Hij is van 1949 en toch is het alsof hij tegelijk met mij geboren moet zijn, als een verloren tweelingbroer, net vijf minuten ouder en dus alles net even eerder gelezen en gehoord en opgeschreven dan dat ik het zelf heb kunnen bedenken. De essays uit Zapdansen verschenen in de NRC en de laatste die hij schreef was ook meteen de mooiste, die heb ik uitgescheurd en bewaard. Niet veel later beschreef hij in de Groene Amsterdammer zijn ‘essay-dna’ en ook dat zit in de map. ‘Waar het ook begint, het is altijd middenin,’ schrijft hij. Jammer dat deze twee stukken niet online beschikbaar zijn voor niet-abonnees.

‘Waar het ook begint, het is altijd middenin.’ Het had een uitspraak kunnen zijn van de man die het essay uitgevonden heeft, de verre voorvader van Bentz van den Berg, Michel de Montaigne. In mijn eerste studiejaar las ik voor het eerst een paar van de oeressays – zeg maar het oer-dna – van die laat zestiende-eeuwer. Ook toen had ik het gevoel een verloren tweelingbroer te ontmoeten. Dat iemand die zo ver van me af staat mij zo kon aanspreken, daar was ik helemaal beduusd van. De essays zijn extreem goed geschreven, gaan over alles en niets, en zijn bovenal heel humoristisch en diepgaand tegelijk. Montaigne is sindsdien mijn voorbeeld. Bentz van den Berg verstaat dezelfde kunst en past die toe op alle onderwerpen die sinds 1612 erbij zijn gekomen. Montaigne is in hem een tijdgenoot geworden.

Lees de recensie van Engelen in regenjas uit Vrij Nederland.

Egotripperij of een getoupeerde pony?

Wie onlangs Connie Palmen en Saskia Noort bij De Wereld Draait Door zag, moet wel hebben gedacht dat literatuur toe is aan zelfmoord. Ofwel, mocht je een literatuurliefhebber zijn, zelf er een eind aan hebben willen maken. Want noch met Noort, noch met Palmen en zeker niet met tafelheer Hugo Borst wil je geassocieerd worden (een associatie met Matthijs is nooit weg). En meer keus was er niet: het is de egotripperij van Palmen, die zichzelf de beste schrijfster van Nederland vindt en moet leven in een permanente verstandsverbijstering als ze echt gelooft dat ze nog nooit slecht besproken is. Of de getoupeerde pony van Saskia ‘ik geef de mensen waar ze om vragen’ Noort.

Het enige positieve aan het item is dat het boze reacties oproept (ik ben niet de enige die weigert te kiezen tussen twee ‘nietsnutten’). Zo stond in de NRC een stuk van Paul Brandt. Ook bij hem is deze doorgedraaide wereld in het verkeerde keelgat geschoten. Vooral van Palmen had hij meer verwacht (best merkwaardig, gezien het feit dat Connie Palmen nu eenmaal Connie Palmen is):

Hoe mooi was het geweest als zij voorbeelden had gegeven als: lees nu in plaats van Saskia Noort eens Bert Natter of Marja Pruis. Laat Heleen van Royen eens liggen en pak eens een boek van Robert Vuijsje. Moet je eens zien hoe sterk die nieuwe generatie literatoren voor de dag komt. Dat deed Connie Palmen niet. Haar literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), waren Gerrit Komrij, Cees Nooteboom en Harry Mulisch. En dat is nota bene haar eigen vriendengroepje, haar eigen literaire borreltafel!

Scroll nu gauw naar het einde van het artikel, om erachter te komen wie Paul Brandt eigenlijk is:

Paul Brandt is hoofdredacteur van Nijgh & Van Ditmar, dat o.a. werk van Robert Vuijsje, Marja Pruis, Arnon Grunberg en Simon Vestdijk uitgeeft.

Zijn literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), zijn Marja Pruis en Robert Vuijsje. En dat is nota bene zijn eigen vriendengroepje, zijn eigen literaire fondslijst!

Zo wordt het natuurlijk nooit wat.

Lees in het kader van literaire inteelt ook een verslagje van een miserabele avond over recensenten bij Spui25.

Berlijn: van hip naar hot

berlin_wall

Berlijn was al jarenlang hip, maar nu wordt Berlijn hot. Opeens is het Berlijn wat de klok slaat. Daar is een duidelijke reden voor aan te wijzen: dit jaar, op 9 november, is het twintig jaar geleden dat de Muur Viel. Hoewel dat dus pas op 9 november echt aan de orde is, wordt het publiek nu alvast warm gemaakt.

Op het moment dat NRC Handelsblad een spread wijdt aan de scene van elektronische muziek en de Berlijnse underground, is dat natuurlijk hét teken dat van underground geen sprake meer is. Alle dj’s die zich hebben laten interviewen en die Berlijn roemen om de lage huurprijzen en de non-existente sluitingstijden – iedereen blijft gewoon doorfeesten omdat toch niemand een baan heeft om ’s ochtends naartoe te gaan – die dj’s zullen zich binnenkort wel achter de oren krabben als de yuppen hun pakhuizen overnemen. Zo gaat dat immers: hip, goedkoop en underground wordt opgepikt door de massa en verandert dan vanzelf in hot, duur en krantenartikelenmateriaal.

Berlijn kwam ook naar me toe in de vorm van een roman, Wolken boven Berlijn van Chloe Aridjis. Mooi debuut, sfeervol en origineel, alleen lijdt het een klein beetje aan de debutantenziekte: Aridjis wil alles afronden, geeft de lezer een enigszins goed einde, met een verantwoord melancholieke ondertoon. De roman is een van de eerste van een ongetwijfeld enorme stroom boeken over Berlijn die dit jaar de markt zal gaan overstromen. In die zin is het op tijd uitgegeven, net iets vóór de grote massa. Zelf nog hip en underground, maar ook al deel van ‘hot en massamedia’.

Fenomenologie van de ruimte

Berlijn is al jarenlang de hipste stad van underground Europa. Ook is het een gewonde stad. Van het Holocaust-monument via eeuwige bouwputten naar ondergrondse Stasi–kelders: de stenen, het cement en de aarde van Berlijn getuigen van de geschiedenis van de twintigste eeuw. In Wolken boven Berlijn, het debuut van de jonge Amerikaanse schrijfster Chloe Aridjis, zijn underground en geschiedenis twee kanten van dezelfde medaille.

Chloe Aridjis
Chloe Aridjis

De val van de Muur is dit jaar alweer twintig jaar geleden. Nog geen kwart eeuw geleden was Europa verdeeld in twee machtsblokken, waartussen je niet kon reizen. Wie zich afvraagt hoe dit doorwerkt in de jongerencultuur van de eenentwintigste eeuw, doet er goed aan Wolken boven Berlijn te lezen. De hedendaagse scene is daarin gesitueerd in een Berlijn dat aan alle kanten de verschrikkingen van vóór 1989 uitwasemt.

Spookstations
De hoofdpersoon in dit boek is een jonge Mexicaanse vrouw die min of meer toevallig Duits ging studeren, een beurs won om naar Berlijn te gaan en daar de volgende jaren bleef hangen. Toeval speelt in het leven van deze Tatiana een grote rol, vooral door haar passiviteit. Als je zelf niets doet, bepaalt het toeval wat er met je gebeurt. Tatiana is zwijgzaam en houdt zich afzijdig in een koud appartement. Ze doet wel wat denken aan de anti-helden van Paul Auster, die dit boek heeft bejubeld. Zo’n laks personage kan slecht uitpakken, maar Aridjis komt ermee weg. Enerzijds door de verrassende, mooi geformuleerde gedachten van Tatiana; anderzijds doordat Tatiana niet de echte hoofdpersoon is. Dat is namelijk Berlijn.

Tatiana gaat – toevallig – werken voor dr. Weiss, een vooraanstaand historicus die inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt. Hij heeft een ‘mechanisch oor’ nodig: Tatiana typt de bandjes uit waarop hij ideeën voor nieuw werk heeft ingesproken. Het zijn essays over het fysieke Berlijn dat doordrenkt is van het immateriële Berlijn, zij vormen een ‘fenomenologie van de ruimte’. Dat klinkt abstract, maar via Tatiana krijgen we een idee van de opzet. Gebouwen, pleinen en wegen bewaren het verleden, om het in het heden te laten herleven. Als dat waar is, is Berlijn een stad met heel zware ruimtes, waarvan de allerzwaarste zich onder de grond bevinden. Een mooie illustratie zijn de spookstations in de Berlijnse metro. Omdat de Muur niet in een rechte lijn liep, moest de West-Berlijnse ondergrondse door Oost-Berlijns gebied rijden. Zonder stoppen natuurlijk, waardoor de daar gelegen stations veranderden in Geisterbahnhöfe, ‘een schemerige onderwereld’ waarin reizigers zich Orpheus waanden.

Vreemd futuristisch
Het is knap hoe Aridjis de undergroundcultuur weet te verweven met de geschiedenis, drugsfeesten koppelt aan kegelende Stasi-agenten, Tatiana spiegelt aan de oude doctor. Het idee dat de fysieke ruimte het verleden in zich vasthoudt, zingt door in alle elementen van de roman. De ruimte is daarom de echte hoofdpersoon, terwijl de personages schimmen blijven (soms letterlijk), aanleidingen om het decor tot leven te brengen (soms ook letterlijk). Dat roept opnieuw Paul Auster in herinnering, wat als een compliment mag gelden.

Wolken boven Berlijn is een boeiende en originele roman, geschreven in een genuanceerde stijl. Daarom is het jammer dat Aridjis aan het eind uit de bocht vliegt. Tatiana wordt van een overval gered door een dichte mist, alsof de wolken boven Berlijn naar beneden zijn gekomen. De mist onttrekt alles aan het zicht, alleen de herinnering aan de straten en gebouwen blijft bestaan. Opnieuw is het de omgeving die het lot van dit passieve meisje bepaalt. Berlijn speelt verstoppertje. Zo’n vreemde afloop had dit boek best kunnen hebben. Waarom laat Aridjis dan doorschemeren dat Tatiana zich die wolken misschien verbeeldde? De ‘schimmige’ personages krijgen opeens de hoofdrol toebedeeld. Alles komt goed, op de literair verantwoorde manier van sadder but wiser. Aridjis had beter het laatste woord aan de omgeving kunnen laten, ‘die zowel bevroren leek in de tijd als vreemd futuristisch’.

Kornel Esti, de enige held in dit verhaal

kornel_esti

De bekentenissen van Kornél Esti is een van de beste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen. De volstrekt originele en aangename toon die dit citaat ook bezit, houdt Dezsö Kosztolányi het hele boek vol. Zoals Esti zijn telefoon koestert, zou je als lezer Esti willen koesteren – een personage dat even origineel en aangenaam is als het boek waarin hij een glansrol speelt. En even eigenzinnig en onberekenbaar. De bekentenissen van Esti zijn opgetekend door een oude jeugdvriend van hem, de ikfiguur. Maar hoe zit dat met die twee vrienden? Het eerste hoofdstuk, ’waarin Kornél Esti, de enige held van dit verhaal, door de schrijver wordt voorgesteld en ontmaskerd’, zet de lezer meteen aan het puzzelen. De enige held ontmaskerd… zijn de ik en Esti niet één en dezelfde? Vertelt een gedistingeerde man hier misschien over zijn andere ik, over zijn lichtzinnige zelf, dat gehuld is in de nevels van herinneringen?

Of dat nu zo is of niet, doet er niet zoveel toe. Juist de twijfel over de aard van de ’vriendschap’ tussen de twee, is een van de vele charmes van dit boek. De schrijver vindt Esti net zo origineel en aangenaam, eigenzinnig en onberekenbaar als de lezer. Hij kan geen afstand van hem nemen, laat zich door hem meesleuren in onmogelijke avonturen, laat zich inpakken en gebruiken, stoot hem af en keert altijd weer bij hem terug. Heeft hij een blinde vlek voor deze onmogelijke dandy, omdat iedereen een blinde vlek heeft voor zichzelf?

Het boek is moeilijk een roman in de gebruikelijke zin van het woord te noemen. Een roman in verhalen (bekentenissen), een levensbeschrijving in scènes. Esti krijgt gestalte in losse, caleidoscopische vertellingen waartussen veel onbesproken blijft. Van kop en staart is geen sprake. Dat maakt niet uit, want elk hoofdstuk is een roman op zichzelf, voldoende voor een mensenleven. De meeste draaien om ontmoetingen met anderen, die als een spiegel de ene persoon doen oplichten waar het allemaal om draait: Kornél Esti, de enige held van dit verhaal. Stuk voor stuk zijn ook die anderen weer onvergetelijke types, hoewel ze in het niet vallen bij Esti. Dat is knap, Kosztolanyi laat elke bijrol ook een Oscar verdienen. Uiteindelijk bestaan ze alleen bij gratie van hun spiegelende functie, hun rol is alleen om Esti te doen schitteren. Maar als je een schittering spiegelt, schitter je zelf mee.

De mooiste bekentenis vond ik hoofdstuk acht, ’waarin de arme journalist Pali Mogyoróssy in het koffiehuis plotseling zijn verstand verliest en vervolgens in het gesticht wordt opgesloten’. Dit verhaal is alles tegelijk, zoals literatuur alles tegelijk kan zijn: grappig en droevig, vol vriendschap en vol achterbaksheid, optimistisch en tragisch, historisch en actueel. Wat heeft een beschrijving van het journaille in de jaren dertig ons nog te melden? Alles.

Vlak voor de zomer komt een goedkope herdruk uit van De bekentenissen van Kornel Esti. Ietwat prematuur misschien, maar toch nu al dé tip voor de zomervakantiebagage.

Techniek in de literatuur VII

dezso_kosztolanyi

’In de late ochtend, als hij wakker werd, liet Esti graag de telefoon naar zijn bed brengen. Hij liet het apparaat naast zijn kussen zetten, onder het warme dekbed, als een kat. Hij hield van dit elektrische dier.

Met het prettige gevoel van uitgerust zijn strekte hij zich uit in het brede bed en genoot van de rust. Hij nam de hoorn van de haak en zei een nummer. De stad kwam in zijn bed. Nog slaperig hoorde hij de wakkere stemmen van bedienden aan de andere kant van de lijn, het ochtendrumoer van een verre longkliniek.’

Dezso Kosztolanyi, De bekentenissen van Kornél Esti (1933).

Hier is de telefoon niet een substituut voor een geliefde, maar zelf geliefde geworden. Geliefd als een huisdier. Wat een verstrengeling van dieren en mensen, techniek en verliefdheid openbaart zich langzamerhand!

Meer over De bekentenissen van Kornél Esti.

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren – oftewel tien jaren – regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten – als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.

 

Haal jij alleen maar tienen? Grote kans dat je jarig bent in september, oktober of november. Zulke toevalligheden hebben meer invloed op prestaties dan je IQ. Individueel succes is afhankelijk van de omgeving en van mogelijkheden, zo maakt Malcolm Gladwell duidelijk in zijn laatste boek Uitblinkers.

Stel: je bent op 31 augustus geboren. Je begint op school als je net zes bent. Dat scheelt bijna een jaar met kinderen die op 1 oktober al zeven worden. Die leren snel en lijken slim. Ze mogen in het leesgroepje voor gevorderden en vooruitwerken met rekenen. Tegen de tijd dat jullie naar de brugklas gaan, haal jij net de havo. Uiteindelijk blijf je voor altijd een middenmoter, rechts ingehaald door mensen met meer geluk.

Kansen
Dit is een van Gladwells veelbesproken voorbeelden. Is de kwestie ook om te draaien? Nee, niet iedereen die in het laatste kwartaal van het jaar geboren is, presteert goed op school. Gladwell suggereert dat wel: als alle omgevingsfactoren goed staan afgesteld, is succes onvermijdelijk. Lukt het dan nog steeds niet om de top te bereiken, dan ligt het aan jezelf.

Toch is Gladwells portee juist dat het individuele succesverhaal niet klopt. In het eerste deel van Uitblinkers, ‘Kansen’, geeft hij verbazingwekkende voorbeelden die bewijzen dat de American Dream een fabeltje is. Enige aanleg is mooi meegenomen, maar om succesvol te zijn is het is vooral cruciaal om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. En hard te werken.

Hamburg
Om hard te werken moet je echter een kans krijgen. Gladwell beschrijft de zogenaamde ‘tienduizend-urenregel’: alle uitblinkers hebben tienduizend uur oefening achter de rug. Neem de Beatles. Die kregen de kans om maandenlang acht uur per dag op te treden in een Hamburgse nachtclub. Dat dwong ze hun repertoire uit te breiden en tot in de puntjes op elkaar ingespeeld te raken. Of Bill Gates. Zijn school schafte al in 1968 een computer aan. Tegen de tijd dat hij aan de universiteit begon, had hij er tienduizend uur programmeren op zitten. Ze hadden op kunnen geven, maar opgeven kan pas als je een kans hebt gekregen.

Iedereen verdient zijn Hamburg, zegt Gladwell. Daar heeft hij gelijk in. Maar is het niet even kortzichtig om alleen maar te wijzen op omgevingsfactoren, als om alles te koppelen aan individueel talent? Je kunt ook betogen dat het een gegeven is dat de mens zijn leven in eigen hand kan nemen. In plaats van tegenargumenten te weerleggen, gebruikt Gladwell de methode van de herhaling om zijn punt te maken. Hij hamert daar zo eenzijdig op, dat het idee van tienduizend uur oefening bij voorbaat vermoeiend wordt. Hoe zit het trouwens met tienduizend uur buitenspelen of ouwehoeren in de kroeg?

Erfenis
In het tweede deel, ‘De erfenis’, onderzoekt Gladwell de invloed van culturele achtergronden bij het al dan niet uitblinken – een behoorlijk taboe. Het hoofdstuk over de rol van cultuur bij het ontstaan (en dus voorkomen) van vliegtuigongelukken is even verontrustend als overtuigend. Een piloot uit een sterk autoritaire cultuur maakt veel meer kans op een ongeluk dan een piloot uit een genivelleerde samenleving. Als er echt iets fout gaat, moet de bemanning niet blijven hangen in beleefdheidsfrases, maar zeggen waar het op staat.

De interessantste notie van Uitblinkers komt al in het begin aan bod. Liever dan uit te blinken in één ding, moet je op verschillende vlakken ‘goed genoeg’ zijn. Iemand met een hoog IQ maar zonder ‘Hamburg’ komt er niet. Het is jammer dat Gladwell dit idee niet breder maakt. Niet iedereen hoeft van negen tot vijf te computeren om toch ‘goed genoeg’ te programmeren.  Bovendien: als alle mensen uitblinken, komt de drempel hoger te liggen. Als iedereen tienen haalt, is een acht maar net voldoende.

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers

NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers.

Kopen dus, voor 2,50 euro, en/of lees mijn recensie Het dier als mens als dier. Dun genoeg voor een treinrit naar Groningen. Behalve als je in Haren woont.

Boeken waarin dieren de hoofdrol spelen zijn vaak kinderboeken of kookboeken: in de eerste draagt het varken een potsierlijk broekje, in de andere niet eens zijn eigen huid. Daar mag wel eens verandering in komen, vindt Midas Dekkers. In het boekenweekessay Piep. Een kleine biologie der letteren pleit hij voor waarachtige dierenkarakters. Dieren hebben de mens namelijk genoeg te vertellen.

Kinderen worden overstelpt door dieren, in hun boeken en in hun bed. Het zijn knotsgekke beesten die niets met echte dieren van doen hebben. Tegen de tijd dat de kinderen volwassen lezers zijn met een hang naar realisme en psychologisch drama, kleeft aan alle beesten een zotte kinderachtigheid. Daarom zijn dieren in de ‘serieuze’ letteren uit den boze.

Natuurbarbaren
Dat is niet altijd zo geweest. Denk maar aan de fabels van Aesopus of de domineedichters. Maar ook daarin zul je lang zoeken naar dieren die gewoon dieren zijn, en niet zinnebeelden van een moraal. Uiteenlopende citaten laten zien hoe het ook anders kan. Aardig is dat Dekkers daarbij niet bang is schrijvers aan te halen die zich enigszins in de periferie van de literatuur bevinden, zoals Kees Stip en Herman Pieter de Boer. Misschien is dat ook niet toevallig als de meeste ‘grote’ schrijvers zich niet aan dieren wagen.’Een leeuw is iemand die bang is voor niemand’ dichtte De Schoolmeester in de negentiende eeuw. Dat geeft precies aan waar het knelt: het dier is iemand, een individu, en niet alleen een soort. Net zo min als in de biologie, waar alleen over soorten gesproken mag worden, komen in de letteren individuele dieren voor. Er zingt eens een vogel, maar of het een nachtegaal is of een merel weet niemand. Dekkers signaleert een soort dédain onder cultuurminnaars. Het geeft geen pas om de ene vogelsoort van de andere te kunnen onderscheiden. ‘Natuurbarbaren,’ bijt hij ze toe.

Dier in het dier
En dat terwijl bepaalde mensen toch heel goed het dier als individu kunnen zien. Huisdiereigenaren geven allereerst hun nieuwe beste vriend een naam en dichten hem in de loop van de tijd een uitgebreid karakter toe. Dat is alvast een stap in de goede richting, want met een huisdier heb je een gids die je kan inleiden in de wondere wereld van de dieren.

Als je daar dan in gaat ronddwalen is het zaak je ten volste in te leven in de dieren die je tegenkomt. En dan niet op de halfzachte manier van de natuurbeschermer, voor wie dieren eerst zielig moeten zijn. Het gaat om ‘het dier in het dier’, om Koos van Zomeren aan te halen, een van de schrijvers die Dekkers vaak noemt. Het zou niet te moeilijk moeten zijn – de mens is immers ook een dier. ‘Freud is dood, Darwin leeft,’ schrijft Dekkers, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Paradox
Hierin schuilt een merkwaardige paradox. De dieren zijn een manier om tot zelfkennis te komen: ‘kijken in andermans kop is levensvoorwaarde’. Om ze als individu te zien moet je ze ook als individu benaderen. Tegelijk mag je ze niet beroven van hun eigenheid, hun totale anderszijn. Het is een dun lijntje waar de dierenvriend en letterkundige op balanceert.

Je inleven in een dier is het moeilijkste wat er is. Midas Dekkers doet het op zo’n eigenzinnige manier, dat kunnen er maar weinig. Hij schudt de veren van de wetenschapper van zich af en tooit zich met die van de kunstenaar. Díe bezit de vermogens om zich in te leven en van een soort een verzameling individuen te maken. Het is dan ook een genot om Piep te lezen. Het dier Dekkers is gezegend met een feilloos gevoel voor humor en stijl.

Techniek in de literatuur VI

Het begint erop te lijken dat techniek in de literatuur het vooral moet hebben van de telefoon. Hij werd al gesignaleerd bij Couperus, Thomas Mann en Mandelstam. Mulisch liet de mobiel een rol spelen in De procedure. En hoe graag ik ook iets zou lezen over auto’s, vliegtuigen of internet, het is opnieuw de telefoon waar ik op stuit. Niet verwonderlijk, want de telefoon is een communicatiemiddel en literatuur gaat nu eenmaal vaak over mensen die al dan niet communiceren. Deze keer is de telefoon zelfs een soort personage, als ik Raymond van den Boogaard mag geloven, in zijn artikel over het toneelstuk La voix humaine van Jean Cocteau (Cultureel Supplement NRC 6 februari 2009).

Het toneelstuk zelf ken ik niet, dus dit is een tweedehands vindplaats. In het stuk komt alleen een vrouw aan het woord, die een telefoongesprek voert met haar minnaar. Het is een break-up call; aan de andere kant van de lijn beëindigt de man hun verhouding. De vrouw verzucht:

Vroeger zag je elkaar. Je kon je hoofd verliezen, beloftes niet nakomen, het onmogelijke riskeren, degene die je aanbad overtuigen door hem te omhelzen, je aan die ander vast te klampen. Eén blik kon alles weer goed maken, maar weg is weg met dit apparaat.

Van den Boogaard beschrijft het einde van het stuk: ‘De telefoonlijn is haar laatste verbinding met de liefde en de wereld. Ook letterlijk: ze vertelt met het toestel te hebben geslapen en legt op een bepaalde moment het snoer om haar hals. (…) Ze blijft ‟ik hou van je” zeggen totdat de man de verbinding verbreekt. Doek.’

Opmerkelijk: het stuk stamt uit 1930. Ook toen al werden mensen dus gedumpt via de telefoon. Om de een of andere reden associeerde ik dat altijd met de mobiel. Nu heeft de mobiel natuurlijk de vernedering van deze manier van dumpen nog een graadje erger gemaakt, door de mogelijkheid te dumpen met een sms’je. Een sms’je, dat betekent: even tussendoor, in maximaal 160 tekens, zonder stem, zonder handschrift, zonder uitleg. Het is de vernedering in het kwadraat.

De telefoon die een personage wordt, dat herken ik. Eens noteerde ik in mijn aantekenboekje: Mobiele liefde: Hoe de telefoon een personificatie van de geliefde wordt. Deze personificatie had ik echter nog nooit ervaren bij een vaste telefoon, pas bij mijn mobiel deed zich dit vreemde proces voor. Dat komt omdat de mobiel alleen van jou is, terwijl een vaste telefoon vaak gedeeld wordt en bovendien beperkt is in zijn bewegingsvrijheid – hij is niet voor niets vast, verbonden met een snoer. Je mobiel draag je bij je, in je broekzak of je binnenzak, op je hart. Als die het enige is wat jou verbindt met een geliefde, is identificatie tussen de twee niet ver weg.

Daar zou een filosoof als Sartre vast niet blij mee zijn. Door je geliefde te projecteren op je telefoon, op een ding, maak je van die geliefde ook een ding. Andersom: door een ding te gebruiken om je geliefde te dumpen, reduceer je hem of haar tot een ding. Zo is het lekker makkelijk om die persoon als een afgedankte matras bij het grofvuil te zetten. Dat is wat er in het toneelstuk lijkt te gebeuren en waar de vrouw op zinspeelt. De telefoon reduceert haar tot een object en beneemt haar elke mogelijkheid tot handelen, voelen en overtuigen. Het beneemt haar haar menszijn.

Maar hoe zit het aan de andere kant van de verhouding, ik bedoel aan het begin? Als de telefoon nog vol beloftes is, een orakel waaruit op elk moment de stem van je minnaar kan opklinken, dat lieve of erotische berichten uitzendt en dat je als een substituut voor de lijfelijke aanwezigheid meeneemt naar bed en geen moment uit het oog verliest? Is dan niet eerder het omgekeerde aan de hand? Zoals Van den Boogaard opmerkt: de telefoon wordt een dramatis persona, waarop juist menselijke eigenschappen en gevoelens worden geprojecteerd. Voor de verliefde mens is de mobiel zijn beste vriend. Iedereen kan soms een Bamse zijn, die verliefd is op de MacBook Pro.

In het ene geval straalt het object-zijn van de telefoon af op de mens, in het andere geval maken de menselijke emoties het ding levend. De onderliggende vraag is uiteindelijk waar de grens ligt tussen mens en ding, subject en object. Japanse bejaarden onderhouden warme relaties met de robots die hen verzorgen, Nathaniel viel als een blok voor de schone Olympia, al had zij geen hart maar een motor, geen bloed maar stroom. Waar trekken we de grens tussen leven en niet-leven?

Op één plek is dat alvast heel duidelijk: de vrouw die in La Voix Humaine aan de kant gezet wordt doet een zelfmoordpoging. Met het snoer van de telefoon om haar hals verbreekt ze de verbinding met het leven. Een vernedering in het kwadraat – ook in 1930 kon het al.