Botho Strauss – Mikado

Parabels voor de 21e eeuw

Botho Strauss ontleende de constructie voor zijn verhalenbundel Mikado aan het gelijknamige spel. Eenenveertig verhalen, variërend in lengte van één alinea tot een aantal bladzijden, vormen samen een wirwar die moeilijk uit elkaar te halen is. Net als de eenenveertig stokjes van het spel raken ze aan elkaar, heb je het ene nodig om het andere te ‘pakken’ en zijn sommige verhalen meer waard dan andere.

De verhalen in Mikado hangen op alle mogelijke niveaus met elkaar samen. Dit is geen verhalenbundel waarin de schrijver verschillende registers gebruikt of uiteenlopende thema’s aan de orde wil stellen. Eerder doet het boek denken aan een hecht geconstrueerde dichtbundel of een film als Babel, waarin meerdere verhaallijnen en personages rakelings langs elkaar scheren.

Verkeerde vrouw
In het openingsverhaal ‘Mikado’ zijn alle thema’s die in de overige verhalen ook aan bod komen samengebald. Een man betaalt losgeld voor zijn ontvoerde echtgenote, maar de vrouw die terugkomt herkent hij niet als de zijne. Samen spelen ze mikado. Zij raapt met rustige hand het ene na het andere stokje op, hij kan niet eens een vrijliggend stokje pakken zonder de andere te bewegen. Hij is gedoemd met deze nieuwe vrouw, die rustig en praktisch is in plaats van geleerd, samen te leven: ‘Ik heb geen andere keus, ik moet nemen wat zich aanbiedt, een tweede losgeld kan ik nooit betalen.’

De driehoeksverhouding, waarbij een van de drie hoofdrolspelers schittert door afwezigheid, de (echtelijke) liefde die ontaardt in miscommunicatie en vervreemding, maar ook de moderne verwaarlozing van het intellect: al deze elementen zullen in de rest van het boek steeds weer terugkomen, een kwartslag gedraaid of vanuit een ander perspectief bekeken.

 

Botho Strauss (foto: Ruth Walz)
Botho Strauss (foto: Ruth Walz)

Tragische wijsheid
De noodlottige instelling van de man – ‘ik heb geen andere keus’ – geeft het verhaal iets tragisch. Strauss situeert zijn verhalen expliciet in de moderne tijd. Mensen internetten en een voorbijgangster lijkt op actrice Naomi Watts. Maar ze ademen tegelijkertijd de archaïsche sfeer van de parabel. Hier geen assertieve personages die actief handelen; het misverstand overkomt hen en ze kunnen er niets aan veranderen. Als het lot hen weer uitspuwt, herkennen ze niemand meer, ook zichzelf niet. Daarin lijkt Strauss op Kafka.

Hoe pijnlijk het lot ook kan zijn, het herbergt ook schoonheid. En wijsheid: de moderne mens zou heel veel kunnen leren van de werking van het lot, maar hij kiest voor de ironische onverschilligheid van het heden. Straus veroordeelt de moderne tijd om haar leeghoofdigheid:

Alles wat jou een wreed toeval lijkt dat je in je verschrikkelijke isolement treft, is in feite niets anders dan een gat in je herinnering: omdat je brein het verband met de grote geschiedenis van het menselijk ongeluk is kwijtgeraakt.

Geschakeld
Ook de stijl verbindt de verhalen in Mikado. Kleine details komen in verschillende verhalen terug, als schakels. In de eerste verhalen spelen fabrikanten en fabrieken een rol, later komt het theater – ook als bioscoop en catwalk – steeds terug. Het geeft de lezer houvast en dat is geen overbodige luxe. Miscommunicatie en onbegrip zijn Strauss’ hoofdthema’s en hij spiegelt die op weergaloze manier in zijn stijl. Niets is wat het lijkt. Veel horen we achteraf of indirect, zodat ook de lezer in het duister tast over wat er nu écht gezegd of gebeurd is. Voeg daarbij een hoge concentratie aan aforistische zinnen en het mag duidelijk zijn dat dit geen pageturner is.

Wanneer je het heel nauw neemt en al het overbodige weglaat, blijven er uiteindelijk maar twee grondvormen van het menselijk bestaan over: de zoektocht en het wachten. En zo zijn er, afgezien van alle varianten, ook maar twee elementaire ruimtes op aarde: de grot en de woestijn.

Het is verstandig om Mikado in één of twee sessies uit te lezen, zodat de eenenveertig verhalen vers in het geheugen liggen en met elkaar een groot kluwen kunnen vormen. Laat je echter niet misleiden door de omvang van het boek: elke pagina bevat minstens één alinea die uitnodigt tot een minutenlange overpeinzing over de condition humaine. Perfect voor de donkere dagen dus, die als tegenhanger voor de feestuitgaven wel wat filosofische overwegingen kunnen gebruiken.

Drie keer over bepaalde liefde

doeschka_meijsing

Doeschka Meijsing heeft de AKO Literatuurprijs gewonnen. Over de liefde is de eenvoudige maar veelzeggende titel van haar winnende roman. Hoewel het vooral ook over géén liefde gaat, wat er gebeurt met een mens die verlaten is voor een ander. De bekroning is volkomen terecht, want dit boek heeft eigenlijk alles wat je van een boek verlangt.

Wat is dat dan?

Ten eerste, een lekker herkenbaar verhaal. Wie heeft er nou geen liefdesverdriet gehad? ‘Pas langzaamaan bedaarde ik. In een van de huizen aan de overkant wilde een man zijn vrouw met een hakmes de hersens inslaan, terwijl zij een bord spaghetti boven zijn hoofd omkieperde. Het moest gezichtsbedrog zijn, even later zaten ze rustig tegenover elkaar aan tafel. Ik bleef bij de open ramen staan, alsof ik de vluchtweg moest bewaken. Ik miste het leven met Jula plotseling heel hevig, het leven dat dan wel niet uit zo’n gloeiend beschaamde verliefdheid was voortgekomen, maar dat zo prettig was geweest, zo door en door op elkaar ingespeeld, zonder al te hevige ruzies, vanzelfsprekend, nooit verveeld.’

Daarbij is het verhaal semi-autobiografisch en daar doet niemand moeilijk over. Iedereen weet wie de inspiratiebronnen vormden voor de hoofdpersonen. Het is (ook) een wraakboek, een afrekening met de voormalige geliefde. Niet verbitterd of met een blinde furie die alle kwaliteit uitvlakt; dit boek is een overwinning op de voormalige geliefde. Dit boek is namelijk beter. Beter dan de relatie, beter dan wat ‘de ander’ die snol te bieden heeft. Doeschka Meijsing is hier de berijder van de praalwagen.

Dat komt omdat het boek gewoon ontzettend goed geschreven is. Eerst hardop lachen en op de volgende bladzijde je tranen (van woede) wegslikken: wie doet dat Meijsing na?

Een mooi boek om te lezen na Noem me bij jouw naam van André Aciman. Waar Aciman voortdurend de nuance van het ontluikende gevoel zoekt, en de voorbije liefde een onderstroom in het dagelijks leven wordt, nauwelijks merkbaar maar richtingbepalend, gaat Meijsing kopje onder. Zo kan het ook gaan: dat je liefje op een dag een ander heeft en beste vrienden wil blijven. De hoer!

(Ik las de boeken in de omgekeerde volgorde: eerst het verhaal van de razende, vervloekte, vervloekende en tegelijk lamgeslagen Pip en daarna over de zoete verliefd-op-de-liefde Elio van Aciman. Is ook wat voor te zeggen: om na de hel die de volwassen liefde kan zijn terug te keren naar de paradijselijke weemoed van de puberliefde, net als wanneer je het lekkerste hapje op je bord voor het laatst bewaart. Er zijn mensen die het lekkerste eerst opeten. Die zullen teleurgesteld door het leven gaan en eindigen in de ring van hebzuchtigen.)

Beide boeken gaan over homoliefde. In Noem me bij jouw naam zijn het twee mannen, van wie er uiteindelijk een trouwt en kinderen krijgt met een vrouw (het lot van de ander is onduidelijker, hij bemint er velen maar hoe die er tussen de benen uitzien, staat niet vermeld). Meijsing schrijft over twee vrouwen, de een verlaat de ander voor een man – die haar een kind kan schenken.

Toeval? Misschien. Net als de keuze voor Mulisch’ Twee vrouwen (waarin, jawel, de ene vrouw een kind laat verwekken door een man die eerst de geliefde was van de andere vrouw om vervolgens de man te verlaten en terug te keren naar de vrouw, als ik het goed begrijp), dat in een recordoplage van 1.000.000 (één miljoen) exemplaren door heel Nederland wordt verspreid in het kader van Nederland Leest.

Doet er niet toe. Hier zijn andere machten aan het werk: de macht van de schrijver die de pen weet te hanteren. Hier zie je de liefde. Over de liefde.

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam

Laatst werd ik geconfronteerd met de noodzaak van het gedigitaliseerde aantekenboekje. Buiten scheen de zon op zo’n herfstachtige, rode, laaghangende manier waardoor je vanzelf volstroomt met melancholie en verlangens. Niet lang daarvoor las ik in Noem me bij jouw naam van André Aciman een passage waarin exact dit herfstige gevoel ‘van de schoonheid en de troost’ beschreven staat.

Dus ik ging op zoek. Het stond ergens achterin, dacht ik, want het verhaal beslaat een zomer die onherroepelijk afloopt. Achterin geen herfst. Ah, het was in een flash forward van de oudere verteller, aan het begin van het tweede deel. Ook in het midden geen herfst. Was het dan toch…? Eerste hoofdstuk alleen maar zon, zomer, ontblote bovenlijven (zie foto). Ik scande het hele boek van achteren naar voren, er nog steeds van overtuigd dat het in het laatste deel moest staan. Toen van voren naar achteren. Helaas, de passage bleef onvindbaar, ik moet het doen met de slechte parafrase van mijn geheugen. Het was zoiets van dat de herfstzon aan een nieuw schooljaar doet denken maar ook tegelijk aan de voorbije zomer en dat je dan dus zo’n dúbbel gevoel krijgt, weet je wel, van verwachting gemengd met weemoed en dat dan in herfstkleur.

Dit voorval leerde me ook dat ik zulke citaten natuurlijk wel in mijn opschrijfboekje moet opschrijven, anders heb je er in gedigitaliseerde vorm ook niks aan.

Misschien ligt het ook aan de roman zelf: Noem me bij jouw naam is zo’n boek waaruit het moeilijk citeren is, omdat je uiteindelijk alles wil citeren. Een los citaat kan dit boek geen recht doen, omdat het dan lijkt op het dagboek van een bakvis: ‘ Vuur als angst, als paniek, als nog één minuut en ik ga dood als hij niet op mijn deur klopt, al zou ik liever hebben dat hij nooit klopt dan dat hij nu klopt.’ Dit is duidelijk geen zinnen-boek, maar een verhaal-boek. Het vertelt van alle vormen die de eerste verliefdheid van een vijftienjarige kan aannemen, van begeerte tot liefde-tot-in-de-dood.

Aciman beschrijft die vormen zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.

In zijn nauwkeurige en uitputtende beschrijvingen van de liefde lijkt Aciman op Proust. Ik kocht het boek ook vanwege een recensie waarin dat stond. Ik dacht zelfs dat Aciman een Fransman was, kocht de vertaling en las het boek op vakantie in Frankrijk. Later kwam ik er achter dat hij Amerikaan is (ik lees Engelstalige boeken altijd in het Engels).

Aciman heeft meer met Proust gemeen: hij is zijn schaamte voorbij. Dat klinkt meteen zo liederlijk (er zitten ook wel liederlijke, expliciete passages in het boek) – wat ik bedoel is dat hij zich niet meer schaamt voor zijn schaamte. Hij schrijft zoals Proust ons voorhoudt en voordoet: tot voorbij het punt waar het pijn doet, waar je je terug wil trekken achter het veilige masker van conventionaliteit. Je voelt hem zoeken naar dat punt, en als hij het heeft gevonden, prikt hij nog eens extra met zijn woorden in de wonde. Daar ontstaan de prachtigste passages, omdat ze tegelijk aarzelend zijn (in het leven van de verliefde vijftienjarige is niets zeker) en die aarzeling zonder omkijken blootleggen.

De aarzeling blootleggen, zonder aarzelen; dat wat zo diep verborgen ligt, bijna buiten bereik, trefzeker verwoorden: Noem me bij jouw naam van André Aciman is het beste voorbeeld van hoe je over het meest uitgesleten onderwerp in de wereld kunt schrijven op een volstrekt eigen manier, die verrassend maar ook volkomen herkenbaar is. Iedereen die ooit verliefd is geweest, moet dit lezen. En dan aan mij dat citaat van die herfstzon doorgeven.

Kwintet of sextet… septet

Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, is na de zomerstop begonnen met een nieuwe reeks, getiteld ‘Het Kwintet’. Bekende schrijvers maken een lijstje van vijf boeken, plus toelichting. Het criterium: ‘Welke vijf boeken maakten een onuitwisbare indruk, bewerkstelligden revoluties in het hoofd of verdienen het domweg om te worden aanbevolen?’ Beetje flauw, dat laatste, want het doet af aan die mooie revolutie in het hoofd. Een revolutie in het hoofd: daar had Bieri het ook over voor hij zo onwrikbaar bleek als een absolute monarch.

Voorlopig zal de Volkskrant het mij niet vragen, dus dan zet ik mijn kwintet hier maar neer. Al moet erbij vermeld worden dat lijstjes niet vaker dan zeer zelden op een weblog moeten verschijnen. Een ieder is natuurlijk uitgenodigd om niet op een journalist van de Volkskrant te blijven wachten, maar hieronder ook schaamteloos zijn bijdrage te leveren.

Oké, daar gaan we, in chronologische volgorde:

0. De dolle tweeling-reeks van Enid Blyton.
Kijk, hier beginnen de problemen. Zou ik De dolle tweeling aan iemand anders aanraden dan mijn overbuurmeisje? Nee. Maar die boeken bewerkstelligden een revolutie in mijn hoofd. Nachtelijke feestjes, poetsen bakken bij mam’selle, uitzieken op de zaal bij matrone, lacrosse spelen en elk jaar een langere rok dragen: ik kan die boekjes nog woordelijk uitspellen. Ik wás Pat en Ann, en ondeugende Janet, lieve Hillary en norse Prudence. Een veilig bad vanwaaruit het avontuur op je lag te wachten.

Oké, ik begin opnieuw:

1. De verhalen van Edgar Allan Poe.
Op een zeker moment blijkt dat veilige bad zo lek als een mandje. Eigenlijk is het onbegrijpelijke, halfdode, op het punt van instorten verkerende veel mooier! Denk maar aan ruïnes.

2. Essays van Montaigne.
Nog steeds een torenhoog voorbeeld van hoe je al schrijvende je eigen leventje kunt inzetten in een filosofische onderzoeking. En wie verwacht nou dat een Franse burgemeester uit de zestiende eeuw zo grappig kan zijn, zonder iets aan eruditie en zeggingskracht in te leveren?

3. Iets van Derrida.
Ik geef meteen toe: ik heb nog nooit een heel boek van Derrida gelezen. Die paar korte stukken waren echter voldoende om een jaar lang in louter tekst te leven, in een platte werkelijkheid waar alles naar alles verwijst, zonder beperking, zonder dogma. Nog een voorgoed gestanst streven: hoe hij een tekst fileert tot op de milimeter en die tegelijk in een associatieve context zet die mijlen breed is, dat wil ik ook.

4. Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust.
Dit boek heeft letterlijk mijn leven veranderd. Ik las het, de dingen vielen op zijn plek en ik ben nooit meer dezelfde geweest. Zou dat ook een tweede keer kunnen gebeuren? Proust heeft een blauwdruk geschreven, zoniet van de menselijke emoties, dan toch van de mijne. Daarbij verwoordt hij waarom de mens leest en schrijft, en de absolute noodzaak daarvan. Hoe hij de schaamte overwint om een schrijvende staat van oprechtheid te bereiken: zo moet dat dus. Verbloem ik de zaken omdat ik me schaam voor mezelf? Gebruik ik ingesleten woorden om te verhullen wat ik eigenlijk wil zeggen? Het antwoord is altijd ‘ja’, Proust dwingt je zo ver te gaan dat het in de buurt van een ‘nee’ komt.

5. De Asielzoeker van Arnon Grunberg.
Deze roman las ik drie maanden na de dood van mijn vader en vier maanden na het verbreken van een lange relatie en heeft me als een soort Baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras getrokken. Dat is pijnlijk. Maar het kan dus. Vreemd dat anderen bij dit boek alleen maar smakelijk hebben moeten lachen terwijl ik heb gehuild als een wolf bij volle maan.

Sorry… 6. Het zijn en het niet van Jean-Paul Sartre moet er ook echt bij… Je hebt altijd een keus, ik kies ervoor om van mijn kwintet een sextet te maken… of is het al een septet…

Overigens voerde Boeken van NRC Handelsblad ooit de reeks ‘Het beslissende boek van…’ Als ik er uit mijn sextet / septet één moet kiezen als beslissendste boek, dan is het Proust. P.F. Thomèse, de eerste die zijn kwintet mag toelichten in de Volkskrant van vorige week, noemt ook Proust – Contre Sainte-Beuve. Binnenkort meen ik in vertaling beschikbaar.

Lees hier over ‘Het beslissende boek van…’ mijn vader Gerard Rasch.

En lees hier een mooi interview met Atte Jongstra, die naast Augustinus de Privé heeft liggen. Over Bildung gesproken.

Wie volgt?

Bericht van het intellectuelenfront

Wat is er zo leuk aan lezen? Een vraag die me vaak gesteld is en waar ik dan altijd een beetje stuntelend op antwoord. Stuntelend, omdat ik niet zo goed durf uit te spreken wat ik eigenlijk denk (namelijk dat lezers betere – ja u leest het goed – mensen zijn). Heb ik het toch gezegd, al is het dan tussen haakjes.

Ik raakte dan ook helemaal opgetogen van een artikel van Peter Bieri, waarin hij net iets eloquenter uitlegt waar het om draait. Sowieso is het fijn om jezelf te herkennen in de beschrijving van een ideaalbeeld. Al essayerend (zoekend) probeert hij een definitie van Bildung te vinden. Lezen blijkt voor deze vorm van zelfontwikkeling onontbeerlijk, maar wel een speciaal soort lezen. Nog zo’n vervelende vraag: waarom lees je van die hoogdravende boeken, zijn thrillers soms niet goed genoeg? (Eh, nee?!)

Peter Bieri is in Nederland trouwens bekender onder zijn schrijverspseudoniem Pascal Mercier. Zijn roman Nachttrein naar Lissabon is een terechte bestseller, hoewel het in veel opzichten een hopeloos ouderwets boek is, over een hopeloos ouderwetse leraar klassieke talen. Tot in de kleinste details ademt de roman dat ouderwetse gevoel uit. Als de hoofdpersoon een taalcursus Portugees koopt, blijkt hij thuis te komen met platen – van die grote zwarte lp’s bedoel ik. Even dacht ik alles verkeerd te hebben begrepen, maar het verhaal speelt toch echt rond de eeuwwisseling. Twintigste naar eenentwintigste dan. Aan dit omgekeerde anachronisme wordt geen woord vuil gemaakt, het is gewoon een fout, een vergissing van de schrijver. Maar een heel tekenende, die Peter Bieri ongewild in zijn artikel zal verduidelijken.

De ontwikkelde mens – nee: de zich ontwikkelende mens, want Bildung houdt nooit op – is iemand die zich door boeken laat veranderen, betoogt Bieri. Dát is het antwoord! Dáárom zijn lezers beter! Dáárom zijn thrillers slechter! (De bescherming van de haakjes heb ik niet meer nodig.) Hij leest niet voor het vermaak of alleen om kennis te vergaren, maar ook om zichzelf te toetsen. In het volle bewustzijn van de kans dat het boek dat zelf overhoop zal halen.

Ik hoor het al: dat kunnen Hollywoodfilms toch ook, of cafédiscussies, of drugs. Misschien. Maar je moet als ‘ontvanger’ stevig in je schoenen staan om er iets wezenlijks uit te halen waar je jaren later nog aan terugdenkt als een vormend moment. Bildung krijg je door alles in dienst te stellen van de mogelijkheid tot geestelijke transformatie. Drugs en B-films kunnen die geven, een paar keer, maar raken dan uitgeput. Boeken raken nooit uitgeput. Elk boek geeft weer een volledig nieuwe en unieke opening. In die zin zijn ze een makkelijk handvat om je te ontwikkelen.

Dit is een van mijn overtuigingen. Een andere overtuiging is dat de mens niet ontwikkeld is als hij geen kennis neemt van wat de wereld hem nog meer te bieden heeft. Hoe kun je je een beeld vormen van ‘de mens’ en ‘de maatschappij’ als je nooit wegzwijmelt bij RTL Boulevard of (als vrouw) de FHM inkijkt? Hoe kun je op een rationele manier over genot en het lichaam praten als je nooit uit je dak bent gegaan op scheurende beukmuziek, al dan niet met een pil in je mik? Feit blijft dat al die ervaringen elk voor zich niet iets wezenlijks veranderen, maar zich eerder opstapelen en hoogstens met z’n allen iets betekenen. Terwijl boeken… nou ja, vul zelf maar in. Lijkt mij dat Bieri, die voor de definitie van Bildung ook schrijft over tolerantie, openheid, nieuwsgierigheid, inlevingsvermogen, het hiermee eens is.

Helaas. Bieri trapt in de intellectuelenval. Hij is een typisch voorbeeld van een ivorentorenbewoner die naar beneden kijkt en meent dat alles daar vuig en voos is, terwijl hij gewoon een nieuwe bril nodig heeft (mensen die Nachttrein naar Lissabon hebben gelezen, begrijpen wat ik bedoel). Dit is de eenentwintigste eeuw! Opeens staan die lp’s van de taalcursus in een heel ander licht. Zou zelfs de cd tot de verderfelijke buitenwereld behoren, omdat de Grote Denkers die niet hebben kunnen aanschouwen? En wat dan met, genade genade, de empeedrie?

Bieri eindigt zijn stuk met de meest conservatieve, zielige, onontwikkelde alinea die ik dit jaar heb gelezen. ‘Überhaupt is de ontwikkelde mens iemand die zich ergert aan bepaalde dingen: aan de leugenachtigheid van de reclame en de verkiezingstaal; aan platitudes, clichés en alle vormen van onoprechtheid; aan de eufemismen en cynische informatiepolitiek van het leger; aan alle vormen van dikdoenerij en meeloperij, zoals je ze ook tegenkomt in de kranten van de burgerij die zichzelf beschouwen als plaatsen van beschaving. De gebildete mens ziet elke kleinigheid als voorbeeld van een groot kwaad.’

Gatsiedakkie. Bieri transformeert binnen het bestek van zijn artikel van ontwikkeld tot onontwikkeld. Ik proef kleinzieligheid die doet denken aan de LPF. Mijn grootste ergernis zijn wel mensen die zich aan alles ergeren wat niet in hun straatje past. Mensen die van een mug een olifant maken, die bij elke platvoerse uiting van de massa meteen het kwaad, oeps ‘Een Groot Kwaad’ erbij moeten halen. Die denken dat je ergeren een teken van intelligentie is. ‘Er bestaat, hoe paradoxaal het ook klinkt, een onontwikkelde geleerde,’ schrijft Bieri. Een ieder die zijn artikel uit heeft, zal hem op zijn woord geloven. Ik ben blij dat RTL Boulevard weer begonnen is. Lekker herkenbaar. Laat Bieri maar in zijn ivoren toren met lp’s spelen.

PS: Nachttrein naar Lissabon blijft een geweldig boek.

Techniek in de literatuur IV

De telefoon

In deze onbegrijpelijke, griezelige wereld
staat gij, middernachtelijke vriend van begrafenissen,
in de hoge, strenge werkkamer
van de zelfmoordenaar, o telefoon!

De zwarte asfaltmeren zijn doorwoeld door de razerbij der hoeven,
en spoedig komt de zon: spoedig kraait de ontzinde haan.

Maar ginds is het eikenhouten Walhalla
en een oude droom van feestgelagen.
Het lot gebood, de nacht overwoog,
toen de telefoon ontwaakte.

De zwarte portières hebben alle lucht opgedronken,
op het theaterplein is het donker.
Belgerinkel – en de sferen zijn gaan draaien:
de zelfmoord is beslist.

Waarheen kun je vluchten voor het rumoerige leven,
waar is een uitweg uit dit leven van steen?
Zwijg, vervloekte doos!
Op de zeebodem bloeit: vaarwel!

Osip Mandelstam (1891-1938)

Uit Wie een hoefijzer vindt en andere gedichten, vertaald uit het Russisch door Kees Verheul, Van Oorschot Amsterdam, 1974.

Idols voor schrijvers

contact_contract

Op het hoogtepunt van de eerste editie van Idols, vijf jaar geleden, dacht ik na over wat Idols zou zijn als er geen aspirant-zangers maar -schrijvers op de stip zouden staan.

Toen van de week op 1Vandaag een item werd uitgezonden over ‘De Idols voor schrijvers’ riep ik dan ook ‘ja wel verdomme dat was mijn idee’ en ‘dieven’! Het bleek te gaan over de wedstrijd waarin je een contract bij uitgeverij Contact kunt winnen. Waar ik ook iets voor in heb gestuurd. Zeer nieuwsgierig was ik, naar hen die mij verslagen hebben. ‘De Idols voor schrijvers’ is een benaming van 1Vandaag, en dat wekte bij mij nog hogere verwachtingen. Of je Jamai nu een Idol vindt of niet, de opzet van het programma heb ik altijd boeiend gevonden. Ik heb zelfs wel eens een presentatie gehouden over de narratieve weergave van het leven zoals dat in Idols naar voren komt.

Zelf had ik toentertijd een lijstje gemaakt met eigenschappen van een schrijf-Idol. In niet geheel willekeurige volgorde moet hij of zij:
– Goed kunnen schrijven! Roman, gedicht of kort verhaal, dat maakt niet uit.
– Een uitgesproken mening hebben over wat de Idol zelf schrijft, over wat anderen schrijven en over cultuur in het algemeen.
– Deze mening niet onder stoelen of banken steken, maar wel op zo’n manier dat iedereen verbluft is door de belezenheid en retorische vermogens van de Idol.
– In het algemeen blijk geven van hoge intelligentie en goed zijn in discussiëren. Gebruik van oneigenlijke argumenten is, hoe vervelend ook, toegestaan.
– Tegenstanders onder de tafel kunnen drinken en tegelijkertijd bovenstaande eigenschappen nog steeds tentoonspreiden. Over het algemeen is een aanleg tot verslaving niet weg.
– Er goed uit zien. Leeftijd onbelangrijk.

Over deze laatste voorwaarde valt te onderhandelen, in tegenstelling tot de Idols die we al van tv kennen. Beter gezegd: als de schrijver-Idol niet gewoon een lekker ding is, moet hij of zij een fascinerend, eigenzinnig uiterlijk hebben. Ouwe kleren, muffe luchtjes, ongewassen haren: mag allemaal. Zolang dat excentrieke er maar een beetje in zit.

Terug naar 1Vandaag. Niks Idols voor schrijvers. Deze mensen werden (schande!) alleen maar beoordeeld op hun ingestuurde tekst. Ze hoefden hun mond niet open te doen. Zelfs een foto hoefde er niet bij. Twee genomineerden waren uitverkoren voor een interview. Een meisje dat wel heel slim was (gepromoveerd in de neurologie), maar die ik nog niet opgewassen zag zijn tegen Matthijs van Nieuwkerk. En een jongen die aan meerdere voorwaarden voldeed (inclusief kettingroken en kroegtijgeren). Maar hij haalde de volgende ronde niet.

Ik besloot niet op te geven. Ik zie het als mijn plicht om mee te stemmen in een wedstrijd die ik niet alleen zelf óók heb bedacht, maar waaraan ik ook mee heb gedaan. Zoals dat heet: ‘Nu is het de beurt aan het publiek om zijn stem te laten horen!’ En het is inmiddels bekend dat ik nieuwe talenten wil ontdekken. Ik heb dus de drie verhalen gelezen.

De ene gaat over geesten, de andere heeft in elke zin zo’n leuk gek Vlaams woord, de derde deed iets met incest. Best aardig hoor, maar ik denk niet dat de roman van de winnaar al bij voorbaat op nummer 1 in de hitlijsten zal binnenkomen, zoals bij Idols het geval is. Daar gaat het om: van wie wil je een heel boek lezen, wie gun je dat contract? Ik besluit ook het verhaal van de kettingrokende kroegtijger te lezen, voor het geval dat. Er staan meerdere d/t-fouten in. Het is best saai.

Ik denk dat ik stem op de geesten van de hersenonderzoeker. Of mag ik ook blanco stemmen?

PS: Dit moet me, als ik even mag zeuren, wel van het hart. De wedstrijd is opgezet als publiciteitsgeil (niet echt iets van gemerkt overigens). Een van de voorwaarden was dat alle halve finalisten een weblog moesten bijhouden. Dan kun je als jury niet publiekelijk verhalen afkeuren met de woorden ‘dit lijkt me een uitwas van de weblog-cultuur’.

Techniek in de literatuur III

Tsjechovs Witte Villa is geopend van wo t/m zo tussen 10 en 17 uur.

In dit huis heeft Anton gewerkt aan zijn mooiste stukken, aan De Kersentuin, aan Drie Zusters. In Tsjechovs slaapkamer ligt op het bed een laken waarop in rode sierletters de initialen A.T. zijn geborduurd. Pronkstuk van de villa is de oude Ericsson-telefoon, waarmee Tsjechov meer dan een eeuw geleden gesprekken voerde met zijn collega’s in Moskou, en volgens de rondleidster ook met Tolstoj.

(uit de Volkskrant, 15 juli 2008)

Tsjechov en Tolstoj, met elkaar babbelend in hun Ericsson, door duizenden kilometers van elkaar gescheiden…

De agonale fernet van Sebald

sebald_duizelingen

Ik heb ooit iemand gekend die Ronald Giphart een waardeloze schrijver vond omdat hij nooit een woord uit zijn boeken hoefde op te zoeken. Het gebruik van bijzondere, weinig gebruikte woorden was blijkbaar zijn criterium voor goede literatuur. Onzin vind ik: ten eerste lees ik genoeg goede boeken waaruit ik geen woord hoef op te zoeken (De Wandelaar van Adriaan van Dis bijvoorbeeld), ten tweede zou het betekenen dat hoe groter je woordenschat wordt, hoe slechter de literatuur.

Beetje egocentrisch, om de kwaliteit van literatuur zo van je eigen kennis af te laten hangen. Ik zei tegen hem dat hij moest gaan puzzelen: mijn door hem bewonderde, niet geringe woordenschat – als ik even mag snoeven – komt heel prozaïsch uit de 6* doorlopers en is dus even prijzenswaardig als die van Bep en Piet – als ik even niet mag snoeven.

Toch ben ik het opzoekwoordencriterium nooit vergeten, omdat er ergens wel iets in zit. Bovendien is het leren van nieuwe woorden zó leuk dat je vanzelf een goed gevoel krijgt over een boek dat je herhaaldelijk naar de Van Dale doet grijpen.

Ik ben nu bezig in een boek dat ik zittend naast de Van Dale lees. Er staan zelfs woorden in die niet in de Van Dale staan (fernet, agonaal). Meestal begrijp je wel wat het zo’n beetje moet zijn, maar het is fijn dat je dan ook op internet kan kijken. Toch is de Van Dale voor mij nog steeds honderd keer beter dan internet, als het gaat om woordbetekenissen (ik vroeg aan Jeroen die achter de computer zat wat mesquin betekent, kreeg ik teruggekaatst ‘kleingeestig, dun, frikkerig, geborneerd, gering, kleinzerig, knijperig, kortzichtig, krenterig, min, provinciaal, smal, vitziek, pietluttig, kleinzielig, keutelachtig, keutelig, enggeestig, benepen, bekrompen…’ In de Van Dale staat dan precies dat wat je wilt weten, namelijk ‘It. meschino (behoeftig) bekrompen, kleingeestig’).

Het boek is Duizelingen, van W.G. Sebald. Een vreemd boek. Een nieuw boek ook, hoewel het al uit 1990 stamt. Het bestaat uit vier afdelingen die door allerlei fijne lijntjes met elkaar verbonden zijn: Riva, een dorpje aan het Gardameer, slapen met je armen gekruist onder je hoofd, Venetië, de opera, een reeks moorden en de gevangenis. Maar het eerste stuk is een verhandeling over achttiende-eeuwer Beyle, het tweede een autobiografisch reisverslag dat speelt in de jaren tachtig en het derde een gedramatiseerde episode uit het leven van Kafka. Over het vierde kan ik nog niks zeggen, want daar ben ik nog niet. Er staan ook plaatjes in.

Ik kan nu al niet wachten om meer over Sebald en dit boek te weten te komen. Daar is internet dan weer goed voor. In de tussentijd leer ik elke dag een nieuw woord. Net als toen ik nog puzzelde. De flaptekst verraad in elk geval dat het met Sebald zelf niet goed is afgelopen: hij kwam in 2001 om het leven bij een auto-ongeluk.

Later ongetwijfeld meer.

Techniek in de literatuur II

De tijd van het modernisme, grofweg van het eind van de negentiende eeuw tot het begin van de Tweede Wereldoorlog, is een tijd waarin techniek en vooruitgang veel weerklank vinden in de kunst. Het is de tijd van veel uitvindingen die ingrijpend waren voor het dagelijks leven (zoals de telefoon), en kunstenaars waren niet bang om ook in hun werk daarop in te gaan. De vernieuwingsdrift in de kunst uitte zich in nieuwe, moderne technieken zoals montage en het spelen met typografie. Maar ook op inhoudelijk niveau komt de techniek terug.

Techniek in de literatuur heb ik tot nu toe dan ook vooral gevonden in boeken uit dit tijdperk. Een roman waarin heel veel nieuwe apparaten (gadgets had je toen nog niet) een rol spelen, is De Toverberg van Thomas Mann. Die staat toch vooral bekend als een klassieke roman, een hoogtepunt van high culture. Daarom is het aardig om eens te wijzen op die moderne, technische thematiek die ook door het hele boek heen loopt.

De patiënten die in het sanatorium herstellen van tbc, doen dat vooral door een beproefde, ouderwetse behandeling te volgen: warm ingepakt op een ligstoel de berglucht inademen. Maar een nieuwe onderzoeksmethode doet zijn intrede: het röntgenapparaat.

Twee seconden lang speelden verschrikkelijke krachten, waarvan de aanwending nodig was om de materie te kunnen doordringen, hun spel, stromen van duizenden volt, van honderdduizend, meende Hans Castorp zich te herinneren. […] Hans Castorp wachtte knipperend met zijn ogen af, zijn longen vol lucht. Achter hem barstte een onweer los, knisperde, knetterde, knalde en kwam tot rust. Het objectief had in zijn binnenste gekeken.

Ik heb al vele malen in mijn leven onder, tussen en op röntgenapparaten gestaan. Gelukkig heb ik nooit het gevoel gehad midden in een onweer te zijn beland, overgeleverd aan honderdduizend volt. Stel je de zieke voor in 1910: hij moet zich met kracht tegen een apparaat aan drukken, dat uit zichzelf een soort bliksemstraal oproept. Een mad professor stuurt de stralen door je lichaam heen, zodat hij in je binnenste kan kijken, je helemaal doorziet. Wie zou daar niet van in doodsangst raken? Is bliksem en elektriciteit niet iets wat huizen doet afbranden en bomen laat splijten? En wat is daarbinnen allemaal te zien? ‘Grote God, het was het hart, Joachims eerlievend hart, wat Hans Castorp zag!’

Hevig bewogen door wat hij zag, of eigenlijk door het feit dat hij het zag, voelde hij diep van binnen tersluikse scheuten van twijfel, of het wel pluis was, wat zich hier afspeelde, twijfel of zijn gegluur in de bevende, knisperende duisternis wel door de beugel kon; en de meeslepende lustgevoelens der indiscretie vermengden zich in zijn borst met gevoelens van ontroering en stichting.

Zouden de vriendelijke radiografen die in het ziekenhuis míjn binnenste zien, ook last hebben van lustgevoelens en ontroering, zouden zij ook twijfelen of het niet te intiem is om iemands skelet te zien?

Castorp moet denken aan een helderziende tante, die weet wanneer mensen stervende zijn, omdat zij dan hun skelet ziet. Daarom is het ongehoord om een röntgenfoto te bekijken, zeker die van jezelf: ‘hij keek in zijn eigen graf’. Hij voelt hoe zijn vlees eigenlijk maar om hem zweeft, uiteindelijk zal het verdwijnen, wegsmelten in de aarde. ‘En voor de eerste keer in zijn leven begreep hij dat hij sterven zou.’

De techniek die dient om zijn leven te verlengen, drukt Castorp met de neus op de eindigheid van dat leven. In de confrontatie met een instrument dat volkomen modern is, wordt hij teruggeworpen in oeroude reflexen: ontzag voor het onweer, de angst voor elektrische ontlading, respect voor het menselijk hart, anekdotisch bijgeloof. Een prachtig voorbeeld van hoe een nieuwe, technische uitvinding tot een existentiële crisis kan leiden.

De volgende keer dat ik weer in een halfverduisterde ziekenhuiskamer gestrekt tegen een plaat sta, en de zachte knal hoor waarmee een foto van mijn binnenste wordt genomen, zal ik ongetwijfeld moeten denken aan bliksemstralen en de tante van Hans Castorp. En aan mijn eigen sterfelijkheid.

De röntgenscène staat beschreven in het hoofdstuk “Mijn God, ik ziet het!”.