Een sensatie die het leven verandert

Emotionele kunstbeschouwing volgens Hans Goedkoop en Henk van Os

Toegegeven: de discussie over de gebrekkige kennis die Nederlanders hebben van de vaderlandse geschiedenis duurt eigenlijk al te lang en loopt al te vaak uit op een klaagzang. Inmiddels is er een canon gemaakt met vijftig vensters, die natuurlijk ook uitnodigen tot klagen. De beta’s stelden hun eigen canon samen (geschiedenis is nu eenmaal een alfawetenschap) en het gerucht gaat dat ook gammawetenschappers bezig zijn de hoogtepunten uit hun vakgebied te canoniseren.

De vensters op de geschiedenis moeten Nederlanders, vooral kinderen en jongeren, warm laten lopen voor het vaderlandse verleden. Door bijzondere momenten te kiezen in plaats van een doorlopend verhaal te vertellen, zal de geschiedenis als een bom inslaan. Beelden (oftewel vensters) komen nu eenmaal beter aan dan lange chronologieën. “Een sensatie die het leven verandert” verder lezen

De toekomst van de roman volgens A.F.Th.

Kruis en kraai heet het boekje waarin A.F.Th. van der Heijden zijn persoonlijke geschiedenis als schrijver uiteenzet teneinde iets te zeggen over de toekomst van de roman in het algemeen. Door het verleden te bestuderen kun je iets zinnigs zeggen over de toekomst, dat is het idee. Op 8WEEKLY staat mijn recensie van dit eerste deel in de serie Over de roman.

Ik ben niet onverdeeld positief. Van der Heijden is een typische babyboomer, voor wie café De Zwart aan het Spui fungeert als tweede huiskamer. Daarom is het niet verwonderlijk dat zijn beeld van de toekomst van de roman niet erg modern aandoet. Ja, deze paradoxen (verleden beschrijven om iets te zeggen over de toekomst, toekomstbeeld dat niet modern is) bedenk ik niet, en A.F.Th. ook niet. Dat laatste is natuurlijk onvergeeflijk; ze sluipen zijn tekst in zonder dat hij zich daar geheel bewust van lijkt.

Misschien zal ik later eens mijn eigen visie op de toekomst van de roman onder woorden proberen te brengen. Kruis en kraai biedt zeker aanknopingspunten, stelt interessante vragen en geeft dus antwoorden die aanzetten tot discussie. Aangezien bekend is dat de grote schrijver snel op zijn teentjes getrapt is, hoop ik niet dat hij me nu gaat beschuldigen van karaktermoord.

Lees de recensie!

Hoe te schrijven na Finnegans Wake? Dat bijna onleesbare boek van James Joyce markeert het einde van de literatuur, verder reikt de taal niet. Als het taalexperiment tot het uiterste is doorgevoerd, kun je eigenlijk alleen nog terugkeren naar traditionele romanvormen. Maar heeft de roman dan nog wel bestaansrecht, een toekomst? En hoe ziet die toekomst er dan uit? Dat vraagt A.F.Th. van der Heijden zich af in Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce.

Zijn antwoord op de vraag hoe de roman verder moet na Joyce, schrijft Van der Heijden in de vorm van een brief aan zijn goede vriend Anthony Mertens, de éminence grise van de Nederlandse literatuur die enkele jaren geleden een herseninfarct kreeg. Dat betekende het einde van de bijna dagelijkse gesprekken die Van der Heijden met Mertens voerde over literatuur. Met deze brief geeft hij er toch een vervolg aan.

Grachtengordel
Hoewel de ondertitel anders doet vermoeden, is dit een zeer persoonlijk relaas over Van der Heijdens relatie tot de romankunst na James Joyce. De vorm, deels autobiografie, deels essay, zorgt ervoor dat de lezer na de eerste pagina’s zogezegd moet gaan verzitten. Hier is een literator aan het woord, geen onderwijzer.

De vraag naar de toekomst van de roman is vooral een vraag naar de toekomst van Van der Heijdens werk. Door zijn eigen ervaringen uit te lichten wil hij ‘een algemener proces zichtbaar maken’. Eigenlijk is het jammer dat Van der Heijden zo schippert tussen het persoonlijke en het algemene en niet voluit heeft gekozen voor het persoonlijke. Niet elke lezer en zeker niet elke schrijver zal zich herkennen in zijn visie op het algemene proces, dat stevig geworteld is in het modernisme en de babyboomgeneratie. Een jongere schrijver kent wellicht heel andere eindpunten waartoe hij zich moet zien te verhouden dan Joyce, bijvoorbeeld internet en ‘reality’.

Freud
Kruis en kraai is dus geen geschiedenisles. De aloude vraag hoe te schrijven na Auschwitz is hier in puur letterkundige vorm geherformuleerd. Op zoek naar een antwoord gaat Van der Heijden terug naar het begin van zijn schrijverschap, in een ‘discours de la méthode van mijn geschrijf’. Waar en wanneer is het schrijven begonnen? Om voorbij het einde te komen, moeten we weten hoe het begin eruit zag, lijkt de redenering.

Wat volgt is – om bij Joyce te blijven – een portret van de kunstenaar als jongeman. De eerste keer dat de schrijver in Van der Heijden zich roerde, was op tweejarige leeftijd in de zandbak. Hij lijkt zich er niet van bewust hoezeer deze herinnering, die geconcentreerd is rond de moeder en een hevige afkeer-plus-fascinatie voor de eigen uitwerpselen, ingebed is in de modernistische, Freudiaanse traditie. Het is moeilijk voor te stellen dat een jonge auteur van de huidige generatie een soortgelijke herinnering zou opdissen als begin van zijn schrijverschap. Dat maakt de herinnering niet oninteressant, maar wat zegt deze anale moederfantasie over de toekomst van de roman?

James Joyce
James Joyce

Klassiek
De autobiografie van de jonge schrijver eindigt als Van der Heijden zijn eerste roman op papier heeft gezet. Dit Oerboek, dat nooit is uitgegeven en dat achteraf helemaal niet alles bleek te bevatten en zeker niet alle andere boeken overbodig maakte, staat in nauw verband met het eindboek, het magnum opus waar elke auteur van droomt. Hoewel het even fictief en onbestaand is als het ultieme Oerboek, houdt Van der Heijden juist dit eindboek voor ogen bij het schrijven ‘na Joyce’.

Daarmee is de romankunst op voorhand verdoemd: het eindboek noemt hij Het Onmogelijke Boek. Het kan niet geschreven worden, alleen ‘omcirkeld’. De schrijver keert in het zicht van het einde van de literatuur op zijn schreden terug. Terug naar de klassieke roman, maar dóór het experiment heen. De klassieke roman biedt het materiaal om mee te experimenteren, niet in taalgebruik of thematiek, maar vooral in opbouw en personages. De variaties daarop zijn eindeloos, zodat de roman nog heel lang mee kan, is Van der Heijdens conclusie.

Reeks romans
Rest na het experiment echt alleen maar het klassieke? Van der Heijden heeft duidelijke ideeën over Het Onmogelijke Boek: het is een reeks dikke, teleologische romans, geschreven in een ongebonden stijl, met open karakters. Mussen mogen in groten getale van het dak vallen, noodzakelijkheid is geen vereiste. Klinkt bekend? Jazeker, want dit is een beschrijving van Van der Heijdens eigen werk – de almaar uitdijende cycli van De tandeloze tijd en Homo duplex. ‘Ik spreek voor mezelf, en ik verhul mijn megalomanie niet,’ schrijft hij eerlijk. Zo schaart Van der Heijden zichzelf in één adem onder de klassieke auteurs.

Kruis en kraai nodigt uit tot discussie, het gesprek dat Van der Heijden had willen houden met zijn kompaan Mertens. Het is jammer dat dit persoonlijke pamflet het aanzien heeft gekregen van een algemene verhandeling. Een tekstje achterin maakt duidelijk hoe dat komt. De reeks ‘Over de roman’, waarvan dit het eerste deel is, is een initiatief van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en is bedoeld om ‘de positie van de roman te bevorderen in de multimediale en multiculturele samenleving’. Een interessante insteek, maar voor dit boekje volledig misplaatst.

 

Techniek in de literatuur V

word_perfect_5.1

Nu ben ik nog eens twee keer vergeten het stukje dat ik vrijdag in mijn pauze schreef naar mezelf te mailen. Inmiddels is het niet actueel meer, het is in de dooi verwaterd. Laat dan maar, er zijn genoeg andere dingen om over te schrijven. Mijn mijmeringen over het Word Perfect 5.1-debacle brachten me op het spoor van een volgend hoofdstuk in het verhaal over techniek in de literatuur. Een moderne techniek bovendien, in een moderne roman: De Procedure van Harry Mulisch.

Mulisch begint zijn verhaal zoals elke beginnende schrijver zonder inspiratie een verhaal zou willen beginnen: ik zette de computer aan en hield mijn handen boven het toetsenbord. Het grote verschil is natuurlijk dat Mulisch geen beginnende, inspiratieloze schrijver is – zijn openingszinnen spelen daarmee, zijn begin is een meta-begin.

Eerste stuk
De mens

Ja, ik kan natuurlijk met de deur in huis vallen en beginnen met een zin als:
De telefoon ging. Wie belt wie? Waarom? Het moet iets belangrijks zijn, anders zou het dossier daar niet mee openen. Spanning! Actie! Maar zo kan het dit keer niet.

Zo kan het dit keer niet? Hij heeft het al gedaan! Wie het boek in zijn geheel gelezen heeft, weet dat dit begin ook niet zomaar getuigt van opstartproblemen, niet bedoeld was als warming-up voor de vingers. De roman handelt over scheppen, over het begin van leven, van de mens, van de mensheid. Van de literatuur.

Ik las De Procedure in het verschijningsjaar 1998, dus of ik het nog goed zeg durf ik niet te beloven. Dat ik me kan vergissen is de vorige keer al gebleken. Hoe dan ook verwijst de procedure uit de titel naar de manier, of laten we zeggen techniek, om een golem te maken, het tijdloze, modderige neefje van het monster van Frankenstein. Een schepping van een namaakmens, een mens tussen aanhalingstekens: ‘mens’.

De golem stamt uit de zeer oude Joodse geschiedenis. Al op bladzijde twee van zijn verhaal, slaat Mulisch de lezer om de oren met Bijbelse referenties, om te vervolgen met kabbalistische lettertoverij – die uiteindelijk zal leiden tot het recept voor de menselijke mensenschepping.

In dat licht moet dan ook de moderne techniek worden bezien die Mulisch meteen al in de openingsscène naast de Bijbel plaatst:

Ik heb de bel van de telefoon en de huisdeur afgezet en het klokje op mijn schrijftafel omgedraaid; alles in mijn werkkamer wacht op de komende gebeurtenissen. De eerste lichtgevende woorden zijn in het ultramarijn van het computerscherm verschenen, terwijl buiten de verblindende, ondergaande herfstzon over het plein schijnt.

In 1998 zag iedereen bij deze woorden meteen een enorme beeldschermkast voor zich, met daarop een leeg Word Perfect 5.1-scherm. Ik vond dat toen heel tof: ik gebruikte hetzelfde programma als de grote Harry Mulisch! Niks schrijven met een ganzenveer of een Parkerpen, gewoon lekker prozaïsch typen op een computer. Scheppen uit het niets, in het niet, met cijfertoverij van nullen en enen (dit dacht ik toen niet).

Bij het teruglezen ging ik weer aan mezelf twijfelen. In mijn geheugen was de passage over het blauwe scherm wel wat langer dan twaalf woorden. Ultramarijn, dat klinkt zelfs iets te mooi voor WP5.1. Zou ik dan zelf van alles erbij verzonnen hebben, in mijn vreugde over deze onvermoede verwantschap? Het is een bekend procédé dat lezers dit soort zinnen kunnen uitbouwen tot hele scènes en zelfs dialogen, als er maar een paar woorden zijn die persoonlijk tot hen gericht lijken.

Ik blader verder door het boek. Mijn oog valt nog op de zinsnede ‘gaat zitten, legt de mobiele telefoon opzij’ – maar een mobiel had ik toen nog niet dus dat heeft geen indruk gemaakt. Zo’n terloopse opmerking is ook niet wat ik zoek. Het gaat me om de verwerking van techniek in literatuur, weliswaar hoe die in het alledaagse leven van de personages een rol speelt, maar dan wel nadrukkelijk geformuleerd. Dat iemand zijn mobiel opzij legt kunnen we hoogstens duiden als een afwijzing van dit communicatiemiddel. (Misschien speelt de mobiel verderop in het verhaal een belangrijkere rol, dat weet ik niet meer.)

Maar dan. Het begin van het ‘Vierde stuk’:

Het visioen verzinkt, het verdwijnt als een ijsberg die van de poolkap is losgeraakt en smeltend naar het zuiden drijft. Het witte ijs in de blauwe oceaan (mijn blauwe scherm, de witte letters daarop), het gevaarte zo groot als een alp, waarvan tot slot alleen nog een kleine klomp over is, niet groter dan een mammoetkies.

Kijk, daar is het tweede bewijsstuk: blauw scherm, witte letters. En opnieuw zien we niet alleen letterlijk een schrijver aan het werk, typend achter zijn computer, maar ook in overdrachtelijke zin. Dubbel overdrachtelijk: de metafoor van de ijsschots in de oceaan is hier natuurlijk niet lukraak gekozen (goh, wit op blauw, wat zal ik daarvan maken?). In het licht van de schepping is dit beeld makkelijk te duiden als de mens die losraakt van zijn schepper en hopeloos afdrijft in de grote, woeste wereld, tot hij volledig daarin opgaat (verwaterd, zoals mijn vorige, ongepubliceerde stukje) en van God los is. Geeft zo’n metafoor het smelten van de polen niet een heel nieuwe dimensie?

Pas bij herlezing vallen dit soort dingen op, zelfs als er tien jaren verstreken zijn en je geheugen je soms in de steek laat. (Ik moet nu opeens denken aan de opening van Mystiek lichaam van Kellendonk, waar iemand – ik parafraseer uit het hoofd – het stuur van een fiets vasthoudt alsof het een bruidstaart is. Een metafoor die uit de lucht gegrepen lijkt, maar waarin het hele verhaal vervat is. Zoiets is geniaal en daar heb ik hevige discussies over gevoerd.)

In de hoop dat Mulisch zijn boek eindigt met nog een WP-moment, stuit ik niet op blauwe schermen, maar weer op de mobiele telefoon:

Hij voelt trillen in zijn hartstreek.
‘Werker,’ zegt hij, terwijl hij doorloopt.
Stilte. Hij blijft staan, en als bij het wegschieten van een sigarettenpeuk laat hij de nagel van zijn middelvinger tegen de microfoon springen, in de hoop dat de ander nu denkt dat met de tik een apparaat is ingeschakeld.
‘Blijf maar aan de lijn, dan kan de centrale je nummer peilen.’

Daar had inderdaad iedereen het over in de begintijd van de mobiel: het trillen in je borstzak, dat op een opkomende hartaanval zou lijken. Bij de laatste zin heb ik tien jaar geleden een groot vraagteken in de kantlijn gezet. Het enige wat me nu nog vreemd voorkomt is die Werker, die blijkbaar op straat rookt. Het met twee vingers wegschieten van een peuk is een techniek die langzaam uit het straatbeeld en de literatuur zal verdwijnen, vrees ik.

Beste boeken van 2008

Ik ben dol op alle eindejaarslijstjes die her en der opduiken. Vooral natuurlijk om te zien of je eigen smaak een beetje overeenstemt met die van de zogenaamde kenners.

Ik was aangenaam verrast toen ik las dat de Engelse popcritici dezelfde nummer 10 in hun lijstje van beste albums uit 2008 hebben als ik, namelijk Made in the Dark van Hot Chip. Een plaat die in geen enkele andere lijst terugkomt. Ik dacht al dat ik iets raars had gedaan, maar voel me nu gesteund door de kenners der kenners.

Natuurlijk spit ik vooral de boekenlijstjes door. En door het programma Bookpedia is het nu ook heel makkelijk geworden om zelf een lijstje te maken. Net als in iTunes, waar je gewoon alle muziek uit het jaar 2008 bij elkaar zet om er een top 10 uit te halen, kun je in Bookpedia kiezen voor publicatiejaar. Omdat ik het eerste boek heb ingevoerd op 2 januari 2008, is dit het eerste jaar dat mijn leesgedrag volledig geboekstaafd is.

Oeps. Ik heb welgeteld 11 (elf) boeken uit 2008. Dat is 1,62 procent van het totaal (679 tot nu toe ingevoerd, waarvan zeker alles uit 2008 is ingevoerd). Schaamrood op de kaken.

Gelukkig houd ik ook bij welke boeken ik gelezen heb en wanneer. Laat ik dan zoeken op ‘Gelezen in 2008’. 41 boeken. Dat klinkt beter.

Een van de bijzonderheden die ik ook invul, is de status van het boek. Uit, ongelezen, mee bezig, deels gelezen (deze laatste optie is vooral handig voor poëzie). Mag ik dan bij de 41 uitgelezen boeken de vijf titels optellen die op ‘mee bezig’ staan? Maakt 46 in totaal.

Met nog een paar statistieken is wel een lijstje samen te stellen:
1. Beste boek uit 2008 is met vijf sterren Over de liefde van Doeschka Meijsing.

Andere boeken die ik dit jaar heb gelezen en die vijf sterren hebben gekregen:
2. De wandelaar van Adriaan van Dis (2007)
3. De idioot van Dostojevski (1869)
4. Honger van Knut Hamsun (1890)

Ook in de top met vier sterren staan onder andere
5. Noem me bij jouw naam van Aciman (2007)
6. Duizelingen van Sebald (1990)
7. Zapdansen van Bentz van den Berg (2005)
8. No One Belongs Here More Than You van Miranda July (2007)
9. Grafherrie van Remco Daalder (2008)

En als nummer 10, een boek dat ik dit jaar weer voor een deel heb gelezen en dat je nooit uit hebt:
10. Oneigentijdse beschouwingen van Nietzsche (1876)

Overigens kregen van de 41 gelezen boeken er 17 vier of vijf sterren, een mooie score.
Voor 2009 wens ik iedereen veel leesplezier toe!

Botho Strauss – Mikado

Parabels voor de 21e eeuw

Botho Strauss ontleende de constructie voor zijn verhalenbundel Mikado aan het gelijknamige spel. Eenenveertig verhalen, variërend in lengte van één alinea tot een aantal bladzijden, vormen samen een wirwar die moeilijk uit elkaar te halen is. Net als de eenenveertig stokjes van het spel raken ze aan elkaar, heb je het ene nodig om het andere te ‘pakken’ en zijn sommige verhalen meer waard dan andere.

De verhalen in Mikado hangen op alle mogelijke niveaus met elkaar samen. Dit is geen verhalenbundel waarin de schrijver verschillende registers gebruikt of uiteenlopende thema’s aan de orde wil stellen. Eerder doet het boek denken aan een hecht geconstrueerde dichtbundel of een film als Babel, waarin meerdere verhaallijnen en personages rakelings langs elkaar scheren.

Verkeerde vrouw
In het openingsverhaal ‘Mikado’ zijn alle thema’s die in de overige verhalen ook aan bod komen samengebald. Een man betaalt losgeld voor zijn ontvoerde echtgenote, maar de vrouw die terugkomt herkent hij niet als de zijne. Samen spelen ze mikado. Zij raapt met rustige hand het ene na het andere stokje op, hij kan niet eens een vrijliggend stokje pakken zonder de andere te bewegen. Hij is gedoemd met deze nieuwe vrouw, die rustig en praktisch is in plaats van geleerd, samen te leven: ‘Ik heb geen andere keus, ik moet nemen wat zich aanbiedt, een tweede losgeld kan ik nooit betalen.’

De driehoeksverhouding, waarbij een van de drie hoofdrolspelers schittert door afwezigheid, de (echtelijke) liefde die ontaardt in miscommunicatie en vervreemding, maar ook de moderne verwaarlozing van het intellect: al deze elementen zullen in de rest van het boek steeds weer terugkomen, een kwartslag gedraaid of vanuit een ander perspectief bekeken.

 

Botho Strauss (foto: Ruth Walz)
Botho Strauss (foto: Ruth Walz)

Tragische wijsheid
De noodlottige instelling van de man – ‘ik heb geen andere keus’ – geeft het verhaal iets tragisch. Strauss situeert zijn verhalen expliciet in de moderne tijd. Mensen internetten en een voorbijgangster lijkt op actrice Naomi Watts. Maar ze ademen tegelijkertijd de archaïsche sfeer van de parabel. Hier geen assertieve personages die actief handelen; het misverstand overkomt hen en ze kunnen er niets aan veranderen. Als het lot hen weer uitspuwt, herkennen ze niemand meer, ook zichzelf niet. Daarin lijkt Strauss op Kafka.

Hoe pijnlijk het lot ook kan zijn, het herbergt ook schoonheid. En wijsheid: de moderne mens zou heel veel kunnen leren van de werking van het lot, maar hij kiest voor de ironische onverschilligheid van het heden. Straus veroordeelt de moderne tijd om haar leeghoofdigheid:

Alles wat jou een wreed toeval lijkt dat je in je verschrikkelijke isolement treft, is in feite niets anders dan een gat in je herinnering: omdat je brein het verband met de grote geschiedenis van het menselijk ongeluk is kwijtgeraakt.

Geschakeld
Ook de stijl verbindt de verhalen in Mikado. Kleine details komen in verschillende verhalen terug, als schakels. In de eerste verhalen spelen fabrikanten en fabrieken een rol, later komt het theater – ook als bioscoop en catwalk – steeds terug. Het geeft de lezer houvast en dat is geen overbodige luxe. Miscommunicatie en onbegrip zijn Strauss’ hoofdthema’s en hij spiegelt die op weergaloze manier in zijn stijl. Niets is wat het lijkt. Veel horen we achteraf of indirect, zodat ook de lezer in het duister tast over wat er nu écht gezegd of gebeurd is. Voeg daarbij een hoge concentratie aan aforistische zinnen en het mag duidelijk zijn dat dit geen pageturner is.

Wanneer je het heel nauw neemt en al het overbodige weglaat, blijven er uiteindelijk maar twee grondvormen van het menselijk bestaan over: de zoektocht en het wachten. En zo zijn er, afgezien van alle varianten, ook maar twee elementaire ruimtes op aarde: de grot en de woestijn.

Het is verstandig om Mikado in één of twee sessies uit te lezen, zodat de eenenveertig verhalen vers in het geheugen liggen en met elkaar een groot kluwen kunnen vormen. Laat je echter niet misleiden door de omvang van het boek: elke pagina bevat minstens één alinea die uitnodigt tot een minutenlange overpeinzing over de condition humaine. Perfect voor de donkere dagen dus, die als tegenhanger voor de feestuitgaven wel wat filosofische overwegingen kunnen gebruiken.

Drie keer over bepaalde liefde

doeschka_meijsing

Doeschka Meijsing heeft de AKO Literatuurprijs gewonnen. Over de liefde is de eenvoudige maar veelzeggende titel van haar winnende roman. Hoewel het vooral ook over géén liefde gaat, wat er gebeurt met een mens die verlaten is voor een ander. De bekroning is volkomen terecht, want dit boek heeft eigenlijk alles wat je van een boek verlangt.

Wat is dat dan?

Ten eerste, een lekker herkenbaar verhaal. Wie heeft er nou geen liefdesverdriet gehad? ‘Pas langzaamaan bedaarde ik. In een van de huizen aan de overkant wilde een man zijn vrouw met een hakmes de hersens inslaan, terwijl zij een bord spaghetti boven zijn hoofd omkieperde. Het moest gezichtsbedrog zijn, even later zaten ze rustig tegenover elkaar aan tafel. Ik bleef bij de open ramen staan, alsof ik de vluchtweg moest bewaken. Ik miste het leven met Jula plotseling heel hevig, het leven dat dan wel niet uit zo’n gloeiend beschaamde verliefdheid was voortgekomen, maar dat zo prettig was geweest, zo door en door op elkaar ingespeeld, zonder al te hevige ruzies, vanzelfsprekend, nooit verveeld.’

Daarbij is het verhaal semi-autobiografisch en daar doet niemand moeilijk over. Iedereen weet wie de inspiratiebronnen vormden voor de hoofdpersonen. Het is (ook) een wraakboek, een afrekening met de voormalige geliefde. Niet verbitterd of met een blinde furie die alle kwaliteit uitvlakt; dit boek is een overwinning op de voormalige geliefde. Dit boek is namelijk beter. Beter dan de relatie, beter dan wat ‘de ander’ die snol te bieden heeft. Doeschka Meijsing is hier de berijder van de praalwagen.

Dat komt omdat het boek gewoon ontzettend goed geschreven is. Eerst hardop lachen en op de volgende bladzijde je tranen (van woede) wegslikken: wie doet dat Meijsing na?

Een mooi boek om te lezen na Noem me bij jouw naam van André Aciman. Waar Aciman voortdurend de nuance van het ontluikende gevoel zoekt, en de voorbije liefde een onderstroom in het dagelijks leven wordt, nauwelijks merkbaar maar richtingbepalend, gaat Meijsing kopje onder. Zo kan het ook gaan: dat je liefje op een dag een ander heeft en beste vrienden wil blijven. De hoer!

(Ik las de boeken in de omgekeerde volgorde: eerst het verhaal van de razende, vervloekte, vervloekende en tegelijk lamgeslagen Pip en daarna over de zoete verliefd-op-de-liefde Elio van Aciman. Is ook wat voor te zeggen: om na de hel die de volwassen liefde kan zijn terug te keren naar de paradijselijke weemoed van de puberliefde, net als wanneer je het lekkerste hapje op je bord voor het laatst bewaart. Er zijn mensen die het lekkerste eerst opeten. Die zullen teleurgesteld door het leven gaan en eindigen in de ring van hebzuchtigen.)

Beide boeken gaan over homoliefde. In Noem me bij jouw naam zijn het twee mannen, van wie er uiteindelijk een trouwt en kinderen krijgt met een vrouw (het lot van de ander is onduidelijker, hij bemint er velen maar hoe die er tussen de benen uitzien, staat niet vermeld). Meijsing schrijft over twee vrouwen, de een verlaat de ander voor een man – die haar een kind kan schenken.

Toeval? Misschien. Net als de keuze voor Mulisch’ Twee vrouwen (waarin, jawel, de ene vrouw een kind laat verwekken door een man die eerst de geliefde was van de andere vrouw om vervolgens de man te verlaten en terug te keren naar de vrouw, als ik het goed begrijp), dat in een recordoplage van 1.000.000 (één miljoen) exemplaren door heel Nederland wordt verspreid in het kader van Nederland Leest.

Doet er niet toe. Hier zijn andere machten aan het werk: de macht van de schrijver die de pen weet te hanteren. Hier zie je de liefde. Over de liefde.

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam

Laatst werd ik geconfronteerd met de noodzaak van het gedigitaliseerde aantekenboekje. Buiten scheen de zon op zo’n herfstachtige, rode, laaghangende manier waardoor je vanzelf volstroomt met melancholie en verlangens. Niet lang daarvoor las ik in Noem me bij jouw naam van André Aciman een passage waarin exact dit herfstige gevoel ‘van de schoonheid en de troost’ beschreven staat.

Dus ik ging op zoek. Het stond ergens achterin, dacht ik, want het verhaal beslaat een zomer die onherroepelijk afloopt. Achterin geen herfst. Ah, het was in een flash forward van de oudere verteller, aan het begin van het tweede deel. Ook in het midden geen herfst. Was het dan toch…? Eerste hoofdstuk alleen maar zon, zomer, ontblote bovenlijven (zie foto). Ik scande het hele boek van achteren naar voren, er nog steeds van overtuigd dat het in het laatste deel moest staan. Toen van voren naar achteren. Helaas, de passage bleef onvindbaar, ik moet het doen met de slechte parafrase van mijn geheugen. Het was zoiets van dat de herfstzon aan een nieuw schooljaar doet denken maar ook tegelijk aan de voorbije zomer en dat je dan dus zo’n dúbbel gevoel krijgt, weet je wel, van verwachting gemengd met weemoed en dat dan in herfstkleur.

Dit voorval leerde me ook dat ik zulke citaten natuurlijk wel in mijn opschrijfboekje moet opschrijven, anders heb je er in gedigitaliseerde vorm ook niks aan.

Misschien ligt het ook aan de roman zelf: Noem me bij jouw naam is zo’n boek waaruit het moeilijk citeren is, omdat je uiteindelijk alles wil citeren. Een los citaat kan dit boek geen recht doen, omdat het dan lijkt op het dagboek van een bakvis: ‘ Vuur als angst, als paniek, als nog één minuut en ik ga dood als hij niet op mijn deur klopt, al zou ik liever hebben dat hij nooit klopt dan dat hij nu klopt.’ Dit is duidelijk geen zinnen-boek, maar een verhaal-boek. Het vertelt van alle vormen die de eerste verliefdheid van een vijftienjarige kan aannemen, van begeerte tot liefde-tot-in-de-dood.

Aciman beschrijft die vormen zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.

In zijn nauwkeurige en uitputtende beschrijvingen van de liefde lijkt Aciman op Proust. Ik kocht het boek ook vanwege een recensie waarin dat stond. Ik dacht zelfs dat Aciman een Fransman was, kocht de vertaling en las het boek op vakantie in Frankrijk. Later kwam ik er achter dat hij Amerikaan is (ik lees Engelstalige boeken altijd in het Engels).

Aciman heeft meer met Proust gemeen: hij is zijn schaamte voorbij. Dat klinkt meteen zo liederlijk (er zitten ook wel liederlijke, expliciete passages in het boek) – wat ik bedoel is dat hij zich niet meer schaamt voor zijn schaamte. Hij schrijft zoals Proust ons voorhoudt en voordoet: tot voorbij het punt waar het pijn doet, waar je je terug wil trekken achter het veilige masker van conventionaliteit. Je voelt hem zoeken naar dat punt, en als hij het heeft gevonden, prikt hij nog eens extra met zijn woorden in de wonde. Daar ontstaan de prachtigste passages, omdat ze tegelijk aarzelend zijn (in het leven van de verliefde vijftienjarige is niets zeker) en die aarzeling zonder omkijken blootleggen.

De aarzeling blootleggen, zonder aarzelen; dat wat zo diep verborgen ligt, bijna buiten bereik, trefzeker verwoorden: Noem me bij jouw naam van André Aciman is het beste voorbeeld van hoe je over het meest uitgesleten onderwerp in de wereld kunt schrijven op een volstrekt eigen manier, die verrassend maar ook volkomen herkenbaar is. Iedereen die ooit verliefd is geweest, moet dit lezen. En dan aan mij dat citaat van die herfstzon doorgeven.

Kwintet of sextet… septet

Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, is na de zomerstop begonnen met een nieuwe reeks, getiteld ‘Het Kwintet’. Bekende schrijvers maken een lijstje van vijf boeken, plus toelichting. Het criterium: ‘Welke vijf boeken maakten een onuitwisbare indruk, bewerkstelligden revoluties in het hoofd of verdienen het domweg om te worden aanbevolen?’ Beetje flauw, dat laatste, want het doet af aan die mooie revolutie in het hoofd. Een revolutie in het hoofd: daar had Bieri het ook over voor hij zo onwrikbaar bleek als een absolute monarch.

Voorlopig zal de Volkskrant het mij niet vragen, dus dan zet ik mijn kwintet hier maar neer. Al moet erbij vermeld worden dat lijstjes niet vaker dan zeer zelden op een weblog moeten verschijnen. Een ieder is natuurlijk uitgenodigd om niet op een journalist van de Volkskrant te blijven wachten, maar hieronder ook schaamteloos zijn bijdrage te leveren.

Oké, daar gaan we, in chronologische volgorde:

0. De dolle tweeling-reeks van Enid Blyton.
Kijk, hier beginnen de problemen. Zou ik De dolle tweeling aan iemand anders aanraden dan mijn overbuurmeisje? Nee. Maar die boeken bewerkstelligden een revolutie in mijn hoofd. Nachtelijke feestjes, poetsen bakken bij mam’selle, uitzieken op de zaal bij matrone, lacrosse spelen en elk jaar een langere rok dragen: ik kan die boekjes nog woordelijk uitspellen. Ik wás Pat en Ann, en ondeugende Janet, lieve Hillary en norse Prudence. Een veilig bad vanwaaruit het avontuur op je lag te wachten.

Oké, ik begin opnieuw:

1. De verhalen van Edgar Allan Poe.
Op een zeker moment blijkt dat veilige bad zo lek als een mandje. Eigenlijk is het onbegrijpelijke, halfdode, op het punt van instorten verkerende veel mooier! Denk maar aan ruïnes.

2. Essays van Montaigne.
Nog steeds een torenhoog voorbeeld van hoe je al schrijvende je eigen leventje kunt inzetten in een filosofische onderzoeking. En wie verwacht nou dat een Franse burgemeester uit de zestiende eeuw zo grappig kan zijn, zonder iets aan eruditie en zeggingskracht in te leveren?

3. Iets van Derrida.
Ik geef meteen toe: ik heb nog nooit een heel boek van Derrida gelezen. Die paar korte stukken waren echter voldoende om een jaar lang in louter tekst te leven, in een platte werkelijkheid waar alles naar alles verwijst, zonder beperking, zonder dogma. Nog een voorgoed gestanst streven: hoe hij een tekst fileert tot op de milimeter en die tegelijk in een associatieve context zet die mijlen breed is, dat wil ik ook.

4. Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust.
Dit boek heeft letterlijk mijn leven veranderd. Ik las het, de dingen vielen op zijn plek en ik ben nooit meer dezelfde geweest. Zou dat ook een tweede keer kunnen gebeuren? Proust heeft een blauwdruk geschreven, zoniet van de menselijke emoties, dan toch van de mijne. Daarbij verwoordt hij waarom de mens leest en schrijft, en de absolute noodzaak daarvan. Hoe hij de schaamte overwint om een schrijvende staat van oprechtheid te bereiken: zo moet dat dus. Verbloem ik de zaken omdat ik me schaam voor mezelf? Gebruik ik ingesleten woorden om te verhullen wat ik eigenlijk wil zeggen? Het antwoord is altijd ‘ja’, Proust dwingt je zo ver te gaan dat het in de buurt van een ‘nee’ komt.

5. De Asielzoeker van Arnon Grunberg.
Deze roman las ik drie maanden na de dood van mijn vader en vier maanden na het verbreken van een lange relatie en heeft me als een soort Baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras getrokken. Dat is pijnlijk. Maar het kan dus. Vreemd dat anderen bij dit boek alleen maar smakelijk hebben moeten lachen terwijl ik heb gehuild als een wolf bij volle maan.

Sorry… 6. Het zijn en het niet van Jean-Paul Sartre moet er ook echt bij… Je hebt altijd een keus, ik kies ervoor om van mijn kwintet een sextet te maken… of is het al een septet…

Overigens voerde Boeken van NRC Handelsblad ooit de reeks ‘Het beslissende boek van…’ Als ik er uit mijn sextet / septet één moet kiezen als beslissendste boek, dan is het Proust. P.F. Thomèse, de eerste die zijn kwintet mag toelichten in de Volkskrant van vorige week, noemt ook Proust – Contre Sainte-Beuve. Binnenkort meen ik in vertaling beschikbaar.

Lees hier over ‘Het beslissende boek van…’ mijn vader Gerard Rasch.

En lees hier een mooi interview met Atte Jongstra, die naast Augustinus de Privé heeft liggen. Over Bildung gesproken.

Wie volgt?

Bericht van het intellectuelenfront

Wat is er zo leuk aan lezen? Een vraag die me vaak gesteld is en waar ik dan altijd een beetje stuntelend op antwoord. Stuntelend, omdat ik niet zo goed durf uit te spreken wat ik eigenlijk denk (namelijk dat lezers betere – ja u leest het goed – mensen zijn). Heb ik het toch gezegd, al is het dan tussen haakjes.

Ik raakte dan ook helemaal opgetogen van een artikel van Peter Bieri, waarin hij net iets eloquenter uitlegt waar het om draait. Sowieso is het fijn om jezelf te herkennen in de beschrijving van een ideaalbeeld. Al essayerend (zoekend) probeert hij een definitie van Bildung te vinden. Lezen blijkt voor deze vorm van zelfontwikkeling onontbeerlijk, maar wel een speciaal soort lezen. Nog zo’n vervelende vraag: waarom lees je van die hoogdravende boeken, zijn thrillers soms niet goed genoeg? (Eh, nee?!)

Peter Bieri is in Nederland trouwens bekender onder zijn schrijverspseudoniem Pascal Mercier. Zijn roman Nachttrein naar Lissabon is een terechte bestseller, hoewel het in veel opzichten een hopeloos ouderwets boek is, over een hopeloos ouderwetse leraar klassieke talen. Tot in de kleinste details ademt de roman dat ouderwetse gevoel uit. Als de hoofdpersoon een taalcursus Portugees koopt, blijkt hij thuis te komen met platen – van die grote zwarte lp’s bedoel ik. Even dacht ik alles verkeerd te hebben begrepen, maar het verhaal speelt toch echt rond de eeuwwisseling. Twintigste naar eenentwintigste dan. Aan dit omgekeerde anachronisme wordt geen woord vuil gemaakt, het is gewoon een fout, een vergissing van de schrijver. Maar een heel tekenende, die Peter Bieri ongewild in zijn artikel zal verduidelijken.

De ontwikkelde mens – nee: de zich ontwikkelende mens, want Bildung houdt nooit op – is iemand die zich door boeken laat veranderen, betoogt Bieri. Dát is het antwoord! Dáárom zijn lezers beter! Dáárom zijn thrillers slechter! (De bescherming van de haakjes heb ik niet meer nodig.) Hij leest niet voor het vermaak of alleen om kennis te vergaren, maar ook om zichzelf te toetsen. In het volle bewustzijn van de kans dat het boek dat zelf overhoop zal halen.

Ik hoor het al: dat kunnen Hollywoodfilms toch ook, of cafédiscussies, of drugs. Misschien. Maar je moet als ‘ontvanger’ stevig in je schoenen staan om er iets wezenlijks uit te halen waar je jaren later nog aan terugdenkt als een vormend moment. Bildung krijg je door alles in dienst te stellen van de mogelijkheid tot geestelijke transformatie. Drugs en B-films kunnen die geven, een paar keer, maar raken dan uitgeput. Boeken raken nooit uitgeput. Elk boek geeft weer een volledig nieuwe en unieke opening. In die zin zijn ze een makkelijk handvat om je te ontwikkelen.

Dit is een van mijn overtuigingen. Een andere overtuiging is dat de mens niet ontwikkeld is als hij geen kennis neemt van wat de wereld hem nog meer te bieden heeft. Hoe kun je je een beeld vormen van ‘de mens’ en ‘de maatschappij’ als je nooit wegzwijmelt bij RTL Boulevard of (als vrouw) de FHM inkijkt? Hoe kun je op een rationele manier over genot en het lichaam praten als je nooit uit je dak bent gegaan op scheurende beukmuziek, al dan niet met een pil in je mik? Feit blijft dat al die ervaringen elk voor zich niet iets wezenlijks veranderen, maar zich eerder opstapelen en hoogstens met z’n allen iets betekenen. Terwijl boeken… nou ja, vul zelf maar in. Lijkt mij dat Bieri, die voor de definitie van Bildung ook schrijft over tolerantie, openheid, nieuwsgierigheid, inlevingsvermogen, het hiermee eens is.

Helaas. Bieri trapt in de intellectuelenval. Hij is een typisch voorbeeld van een ivorentorenbewoner die naar beneden kijkt en meent dat alles daar vuig en voos is, terwijl hij gewoon een nieuwe bril nodig heeft (mensen die Nachttrein naar Lissabon hebben gelezen, begrijpen wat ik bedoel). Dit is de eenentwintigste eeuw! Opeens staan die lp’s van de taalcursus in een heel ander licht. Zou zelfs de cd tot de verderfelijke buitenwereld behoren, omdat de Grote Denkers die niet hebben kunnen aanschouwen? En wat dan met, genade genade, de empeedrie?

Bieri eindigt zijn stuk met de meest conservatieve, zielige, onontwikkelde alinea die ik dit jaar heb gelezen. ‘Überhaupt is de ontwikkelde mens iemand die zich ergert aan bepaalde dingen: aan de leugenachtigheid van de reclame en de verkiezingstaal; aan platitudes, clichés en alle vormen van onoprechtheid; aan de eufemismen en cynische informatiepolitiek van het leger; aan alle vormen van dikdoenerij en meeloperij, zoals je ze ook tegenkomt in de kranten van de burgerij die zichzelf beschouwen als plaatsen van beschaving. De gebildete mens ziet elke kleinigheid als voorbeeld van een groot kwaad.’

Gatsiedakkie. Bieri transformeert binnen het bestek van zijn artikel van ontwikkeld tot onontwikkeld. Ik proef kleinzieligheid die doet denken aan de LPF. Mijn grootste ergernis zijn wel mensen die zich aan alles ergeren wat niet in hun straatje past. Mensen die van een mug een olifant maken, die bij elke platvoerse uiting van de massa meteen het kwaad, oeps ‘Een Groot Kwaad’ erbij moeten halen. Die denken dat je ergeren een teken van intelligentie is. ‘Er bestaat, hoe paradoxaal het ook klinkt, een onontwikkelde geleerde,’ schrijft Bieri. Een ieder die zijn artikel uit heeft, zal hem op zijn woord geloven. Ik ben blij dat RTL Boulevard weer begonnen is. Lekker herkenbaar. Laat Bieri maar in zijn ivoren toren met lp’s spelen.

PS: Nachttrein naar Lissabon blijft een geweldig boek.

Techniek in de literatuur IV

De telefoon

In deze onbegrijpelijke, griezelige wereld
staat gij, middernachtelijke vriend van begrafenissen,
in de hoge, strenge werkkamer
van de zelfmoordenaar, o telefoon!

De zwarte asfaltmeren zijn doorwoeld door de razerbij der hoeven,
en spoedig komt de zon: spoedig kraait de ontzinde haan.

Maar ginds is het eikenhouten Walhalla
en een oude droom van feestgelagen.
Het lot gebood, de nacht overwoog,
toen de telefoon ontwaakte.

De zwarte portières hebben alle lucht opgedronken,
op het theaterplein is het donker.
Belgerinkel – en de sferen zijn gaan draaien:
de zelfmoord is beslist.

Waarheen kun je vluchten voor het rumoerige leven,
waar is een uitweg uit dit leven van steen?
Zwijg, vervloekte doos!
Op de zeebodem bloeit: vaarwel!

Osip Mandelstam (1891-1938)

Uit Wie een hoefijzer vindt en andere gedichten, vertaald uit het Russisch door Kees Verheul, Van Oorschot Amsterdam, 1974.