Frank Meeuwsen – Bloghelden

Petite histoire van de Nederlandse blogosfeer

‘We vonden het wat gortig worden, met een stuk of zeventig weblogs in Nederland’, aldus een van de pioniers van het Nederlandse bloggen, die in 2000 stopte met zijn weblog. Frank Meeuwsen tekende de uitspraak op in Bloghelden, zijn petite histoire van het bloggen. De beginfase van internet, en dus ook van bloggen, ligt niet ver achter ons, maar lijkt nu al een ander tijdperk.

Bloghelden beschrijft de Nederlandse bloggeschiedenis van 1995 tot 2005. Meeuwsen speelde daarin zelf een rol en geldt nog steeds als expert op het gebied van digitale communicatie en online ontwikkelingen. Hij vertelt hoe het bloggen ontstond op de kantoren van internetbedrijven, uit interne doorstuurmails met links naar opmerkelijke websites. Al snel was bloggen niet meer voorbehouden aan internetdeskundigen, maar kon iedereen, van thuisblijfmoeder tot politicus, deelnemen aan het uitdijende ‘ecosysteem van de blogosfeer’.

Persoonlijk
Wat is een blog? Een eenduidige definitie is niet te geven, want blogs zijn even veranderlijk als het internet. Hoe dan ook zijn de met enige regelmaat gepubliceerde, korte stukjes ‘persoonlijk van inhoud en stijl’. In het begin ging het om het in kaart brengen (letterlijk loggen) van het internet, wat toen ook nog min of meer mogelijk was. ‘Persoonlijk’ slaat dan op de selectie van en het commentaar op de verzamelde links. Tegenwoordig is de eerste associatie die met persoonlijke anekdotes en gedachten, met als schrikbeeld de huisvrouw die haar schoonmaaktips en kattenverhalen wereldkundig maakt.

Tussen de ‘linkloggers’ en de ‘lifeloggers’ ligt een heel terrein, dat in dit boek niet echt aan bod komt. Vooral de incrowd die er vanaf het begin bij was komt aan het woord, net als journalisten die hielpen het bloggen groot te maken. Alledaagse bloggers plukken nu de vruchten van hun werk. Wat die onbekende (en ongelezen) schrijvers drijft, komen we niet te weten, terwijl zij inmiddels de bulk van de blogosfeer uitmaken.

Drang naar vernieuwing
De interviews met de pioniers bieden een vermakelijk inkijkje in de bloggeschiedenis. Zij werkten bij internetbedrijven als Planet en konden de hele dag online zitten, iets wat in de jaren negentig uitzonderlijk was. Weet u nog, hoe je in moest bellen op een telefoonlijn om op internet te komen? Uit de interviews spreekt de naïviteit en branie van toen. Ook mooi is de verbazing over hoe groot het allemaal is gegroeid. De groei kwam vooral door de ontwikkeling van blogsoftware. Kennis van html was niet meer nodig voor het bouwen van een website. Meeuwsen legt het helder uit; kennis van html is zeker ook niet nodig bij het lezen van dit boek.

De pioniers van toen spreken ook hun verwachtingen uit over de toekomst. Ze geven aan in de huidige blogosfeer een drang naar vernieuwing te missen. Bloggers zijn niet meer vooruitstrevend. Commerciële blogs nemen het over en niemand ageert daartegen. Toch zijn er ook positieve geluiden. Van de enorme hoeveelheid blogs zet slechts een kleine groep door, maar die is op een (vak)inhoudelijk niveau waardevol. Na de ‘loggers van het web’, de ‘shockloggers’ en de ‘lifeloggers’ liggen de kansen voor de blogosfeer nu bij de kennisbloggers.

Gratis
Bij het uitermate kleurrijke Bloghelden hoort natuurlijk een website. Daar vind je niet alleen voetnoten bij de tekst, maar ook een gratis tekstversie. Hopelijk is daarin de slordige redactie, die de auteur in zijn inleiding nota bene uitbundig met naam en toenaam prijst, gecorrigeerd. Bloghelden is leuk om te lezen en te bewaren, maar doet je ook beseffen hoe handig internet is. 2005 ligt alweer vijf jaar achter ons. Ik zie nu al uit naar de Bloghelden-editie van 2020.

10 keer over een jarig weblog

Mijn blog is jarig. Eigenlijk was, want op 25 juni verscheen hier het eerste stukje. Vandaag ga ik dan mijn tweede jaar als blogger in. Wat valt er over te zeggen?

1. Ik begon dagelijks, ik had dan ook alle tijd van de wereld als Koosje werkloosje. Maar dat dagelijks bloggen niet aan mij is besteed, ligt in de aard van dit blog besloten. Af en toe bezondig ik me aan een heel kort stukje, of alleen een verwijzing, maar het gaat me toch om meer. Iets met een kop en een staart, iets wat van mij is. En dat kost tijd.

2. Het ‘stukkie’ moet niet over één concreet ding gaan, ik wil verbanden leggen. In die zin is het een plattegrond van mijn gedachten, die ook nooit over één ding gaan. Heel vervelend, omdat ik daardoor snel dingen vergeet. Uit het ene verband volgt een ander verband en die lijntjes probeer ik te onthouden door ze op te schrijven. In het onder woorden brengen ligt het meeste denkwerk besloten.

3. Het ’stukkie’ mag niet over niets gaan en moet ergens over gáán.

4. Actualiteit is niet belangrijk. Vaak genoeg schrijf ik in gedachten stukjes over de PVV of over Maurice de Hond, maar die leg ik in de la achter mijn hersenstam. Alleen als het iets ‘van mij’ is, zoals bij de Sire-campagne, wil ik me eraan branden.

5. Actualiteit is wel belangrijk. Ik wil gelezen worden en ik wil niet dat mensen die klaar zijn met lezen het gevoel hebben dat ze beter iets anders hadden kunnen doen. Als het niet zo’n vies woord was, zou ik het urgentie noemen. Nu houd ik het maar bij ‘filosofische actualiteit’ of zoiets. Klinkt ook behoorlijk vies overigens.

6. Dit kan allemaal ook van toepassing zijn op andere schrijfsels. Waarin verschilt een blog dan van een column, een reportage of een recensie? Allereerst het ‘van mij’. Dat is precies wat veel mensen zo verafschuwen aan blogs, maar als je niet denkt dat je gedachten interessant genoeg zijn voor het internet, moet je inderdaad geen blog beginnen. Hier spreek ik, maar wie dat is, weet ik zelf ook niet. Een blog is een beetje schizofreen.

7. Bloggen is schrijven, maar schrijven is geen bloggen. Ik overtreed vaak en graag mijn eigen stijlregels. Op een blog gelden andere regels. Dit is ook een excuus voor luiheid. Oftewel: geef tijdgebrek de schuld.

8. Het belangrijkste is natuurlijk dat de blog op internet staat. Het bestaat uit stukkies en bij elkaar vormen die stukkies een groeiend, uitdijend, vriendelijk monster in wiens hersenen steeds meer verbindingen worden gelegd. Mijn blog geen aardigheidje, geen vingeroefening, maar de weerslag van verbindingen die in mijn eigen hersenen worden gelegd.

9. Iedereen kan reageren. Ook al gebeurt het minder dan ik zou wensen, ik verwelkom elke reactie met open armen en ongezonde gulzigheid. Anders had ik wel een dagboekje gekocht.

10. Bad van Michael Jackson was het eerste album (toen nog lp) dat ik per se wilde hebben. Ik droomde dat hij naar Culemborg kwam om het me persoonlijk te geven. Hoe leven als mythe totaal uit de hand kan lopen. De eenzaamste mens ter wereld. What a price to pay.

Henk Blanken – Mediamores. Over digitale cultuur, bloggende burgers en journalistieke ethiek

Authenticiteit is de nieuwe waarheid

Hoe lang zal het nog duren voor de wereld van kranten en tijdschriften, van papier en drukinkt écht instort? De onheilstijdingen zijn al jaren niet van de lucht. Iedereen verwacht dat de oude media hoe dan ook zullen moeten inkrimpen, zo niet verdwijnen, onder druk van de alomtegenwoordige nieuwe media. In tien lange essays, samengebracht onder de titel Mediamores, zoekt Henk Blanken een nieuwe definitie voor oude journalistiek.

Blanken is adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden en was in 2007 een van de schrijvers van de herziene Code voor de Journalistiek, waarin digitale media een plaats kregen. Mediamores laat zien voor welke dilemma’s de auteurs zich geplaatst vonden. Niettegenstaande  de ondertitel – Over digitale cultuur, bloggende burgers en journalistieke ethiek – lijken de essays vooral geschreven voor journalisten van de oude media, zij die zich zullen moeten aanpassen, en niet voor de ‘bloggende burger’. Die laatste hoeft zich dan ook niet aan te passen, maar vindt de wereld aan zijn voeten.

Een van de terugkerende kwesties in het boek is wie er tegenwoordig nog journalist is en dus te maken heeft met de (niet-bindende) Code. Karakteristiek voor de nieuwe media is dat grenzen vervagen en scheidslijnen niet meer gelden. Wikipedia is tegelijk encyclopedie en nieuwsleverancier; columnisten hebben hun eigen scoops; bloggers bekommeren zich niet om hoor en wederhoor en als een nieuwtje op tientallen weblogs staat, mag het dan in de krant? Er is een schemergebied ontstaan tussen het particuliere en het openbare: het ‘collectieve domein’, waarvoor regels gelden die nog niemand kent.

De journalist had van oudsher meerdere taken: hij zocht de waarheid, schreef die op, filterde de feiten, leverde commentaar, verspreidde het nieuws en checkte zijn bronnen. Tegenwoordig, zegt Blanken, kan de journalist zich alleen nog door het verhaal onderscheiden – alle andere functies zijn overbodig geworden. Over de waarheid is Blanken niet heel duidelijk. Moet de journalist die wel of niet najagen? Het lijkt erop dat het onbegonnen werk is. Wat rest is authenticiteit, de waarheid van de 21e eeuw.

Dit zijn interessante ideeën om verder over na te denken. Net als de analyse die Blanken geeft van de massa en haar verhouding tot de media die voor haar zijn uitgevonden. De massa bestaat niet meer en de massamedia voldoen niet meer. Zij waren gestoeld op het principe van de informatieschaarste, terwijl we nu leven met een informatieovervloed. Alles versnippert, er is niets wat het grote publiek nog tegelijkertijd tot zich neemt. Internet bestaat juist bij de gratie van niches, waarin amateurs expert zijn en niemand het volledige overzicht heeft.

Blanken signaleert meer van zulke tegenstellingen. Bijvoorbeeld wanneer hij ingaat op de zaak van een man die tegen zijn zin door internet werd herinnerd: een niet zo handige uitspraak uit het verleden achtervolgde hem nog jaren later, bijvoorbeeld als potentiële klanten hem googelden. Het medium dat altijd wordt beschimpt vanwege oppervlakkigheid en vluchtigheid, blijkt het hardnekkigste archief aller tijden te zijn.

In de laatste paar essays werkt Blanken toe naar een soort ‘oplossing’. Of eerder een mentaliteitsverandering. In plaats van top-down te denken, zoals gebruikelijk bij de oude massamedia, die voorschreven wat het publiek zou zien, horen en denken, vraagt internet om een bottom-up benadering. Het publiek maakt zelf wel uit wat interessant genoeg is om tijd aan te besteden, wat de waarheid is. Dat kan leiden tot wijsheid en online samenwerking, en tot volkswoede en digitale lynchpartijen. Toch noemt Blanken zelfregulering de enige goede manier om hiermee om te gaan.

Het is bijna vreemd dat Blanken in dit interessante werk zelf niet meer blijk geeft van een bottom-up benadering. Misschien heeft dat te maken met zijn beoogde publiek, dat kennis nog uit boeken haalt. Als Blanken echt gebruik wil maken van het door hem (serieus?) geopperde ‘recht om gehoord te worden’, moet hij zelf het goede voorbeeld geven. Tijd voor een wiki, zou ik zeggen.

Even stilstaan op het web

Iedereen met een gepersonaliseerde startpagina say yeah! Ik had het er al eerder over, maar nu zal ik er wat meer over vertellen. Zoals je een restaurant nooit op de openingsavond mag beoordelen, heeft ook een nieuwe startpagina tijd nodig om goed tot zijn recht te komen (of juist niet natuurlijk). Inmiddels ben ik twee maanden Netvibes-er, tijd voor evaluatie. De conclusie geeft ik alvast weg: Netvibes is een aanrader!

Waarom? Bloggers bevelen dit soort sites (er bestaan er meerdere, waaronder een van Google die me minder aanspreekt) aan door te beweren dat je er tijd mee bespaart. Door Netvibes zou de internetter die per dag drie uur online zit dezelfde informatie vinden in slechts één uur. Je logt in op Netvibes, zet alle sites die je vaak bezoekt bij elkaar en kunt dus in één oogopslag zien waar er iets nieuws gepubliceerd is.

Het tijdargument klinkt altijd en overal goed, maar vaak doet het me niet zoveel. Vaak is er ook niets van waar. (Meestal bespaart een apparaat of programma tijd tot je eraan gewend raakt dat je tijd bespaart en de bespaarde tijd weer terug in het apparaat of programma stopt. Sinds de wasmachine wassen we veel vaker onze kleren, sinds de e-mail verbruiken we drie keer zoveel papier en moeten we zaken dubbel archiveren.) Zo ook in dit geval. Nu maakt dat wat mij betreft niet uit. Als de voordelen opwegen tegen de tijdbesparing, net als bij de wasmachine en de e-mail, is er niets aan de hand.

Umberto Eco schreef ergens dat hij baalt van moderne bibliotheken waar de bezoeker niet meer tussen de kasten mag snuffelen, maar het boek dat hij wil lezen moet aanvragen, waarop een medewerker het voor hem uit een depot haalt. Juist tijdens het snuffelen tussen de kasten deed hij de beste ontdekkingen, door iets te vinden waarvan hij niet wist dat hij het zocht. Is Netvibes niet een soort moderne bibliotheek die al het spannende surfgedrag om zeep helpt? Een doodlopende weg, of liever, want internet is geen weg, een streng bewaakte poort met maar een paar schietgaten?

Nee, want binnen de Netvibespagina laden de websites van je keuze in hun geheel. Daarbinnen ben je vrij om te gaan en staan waar je wil. Voor je het weet zit je weer met tien tabbladen open.

Je begrijpt: ík bespaar hier geen tijd mee. Integendeel, sinds mijn gepersonaliseerde startpagina zit ik eerder drie keer zo lang dan kort op het web. Hoe kan dat? Stel, je komt een leuke site tegen op internet. Normaal gesproken dacht ik: goh, leuke site, moet ik onthouden. Waarop ik hem vergat zodra ik op het rode kruisje klikte en de site weer verdween in de nullen en enen van de digitale doolhof. Tegenwoordig voeg ik de pagina toe aan mijn Netvibes en zie ik elke dag wat daar gebeurt. Zo krijg je elke dag meer te lezen en klikken. Dat geeft niet, want het zijn interessante sites. Zo niet, dan worden ze er weer vanaf geknikkerd. Je moet wat in huis hebben om op mijn Netvibes te mogen, ja!

Kortom: je blijft via één kanaal van alle kanalen op de hoogte. Het biedt een goed overzicht (ook in het bieden van een overzicht is overzichtelijkheid gewenst), en het is makkelijk te zien wat je al hebt gelezen of niet.

Dit klinkt allemaal heel saai. Gelukkig zijn er ook leuke extra’s. Daar heb ik dan weer niet zo veel mee. Behalve met de rijkswidget. Een widget is een kleine desktopapplicatie, een programmaatje dat een onderdeel vormt van een website en waar dan bijvoorbeeld steeds het actuele weerbericht in staat of waar je muziek mee kan luisteren. De rijkswidget is een applicatie van het Rijksmuseum en het is anders dan je misschien op het eerste gehoor zou denken, een zeer coole widget.

Elke dag verschijnt er in de widget een kunstwerk uit de collectie van het Rijksmuseum, dat je kunt vergroten. Op de achterkant van het werk – en dat verhoogt het schatgraversgevoel, dat er op de achterkant van een schilderij een geheime boodschap alleen voor jou staat – staat een korte toelichting. Door op een pijltje te klikken draait het kunstwerk zich om, zodat je kunt ontdekken wat er letterlijk en figuurlijk achter schuilgaat.

Wat doe je dus? Eerst bekijk je vluchtig het doek, leest de naam en tralala. Dan draai je hem om en lees je de toelichting. Laat hem terug draaien en bekijkt hem nog eens aandachtig. Voor je het weet kijk je gemiddeld één keer per week aandachtig naar een kunstwerk – van schilderijen en bronzen beelden tot brokaten jurken en Venetiaans kristal.

In een museum schijnen mensen gemiddeld negen seconden aan een werk te besteden. Met de rijkswidget is dat al gauw een minuut. Dat klinkt weinig, maar het is een stijging van ruim 600 procent. (Heel kort naar een kunstwerk kijken geldt over het algemeen niet als iets goeds.) Een ander voordeel is dat je het niet voor het kiezen hebt. Ik had nooit gedacht dat ik Venetiaans glas interessant zou vinden. Maar jawel! Wanneer je nieuwsgierig bent geworden (en dat kan haast niet anders) en naar de website van het Rijks gaat, kom bovendien je op een prachtig vormgegeven, duidelijk geheel, waar heel wat zogenaamd moderne instellingen een puntje aan kunnen zuigen.

Zo kan het dus gebeuren dat het zogenaamd vluchtige en oppervlakkige medium dat mensen berooft van hun concentratievermogen, waar alles wordt weggeklikt als het niet snel genoeg boeit, de aandacht voor een kunstwerk zes keer langer vast weet te houden dan de ouderwetse analoge manier. En dat weer allemaal dankzij een ‘gepersonaliseerde startpagina’ als Netvibes, want je moet die widget toch ergens kwijt. Die pagina geeft je de mogelijkheid stil te staan op het web – paradoxaal genoeg een grote stap vooruit in de digitale revolutie.

De rijkswidget was de eerste museumwidget ter wereld en is een grandioze uitvinding. Daarmee ontdoet het museum zich ook meteen van zijn stoffige imago om rechtstreeks aan te kloppen bij een jongere generatie. Alleen een beetje jammer dat die klungelende ambtenaren er steeds voor zorgen dat we nog jaren moeten wachten voor we de kunstschatten weer in het echt kunnen aanschouwen. Het moderne, hippe en toch diepgaande en niet-door-de-knieën imago dat het Rijks met de widget opbouwt, verdwijnt zo meteen weer in het aardedonker van de bodemloze bouwput aan het Museumplein. Een gemiste kans.

Digitaliseren is eindeloos

bookpedia

Al je digitale foto’s uitzoeken en de mooiste in een album laten afdrukken, de 38 toneelstukken van Shakespeare lezen, de stoel van Gerrit Rietveld nabouwen, je leven grandioos laten mislukken: iedereen bedenkt wel eens zo’n project dat op voorhand al gedoemd is te stranden. Ik ben daar ook heel goed in.

Als het project enigszins begrensd is, en het einde al vanaf het begin in zicht, maakt het nog enige kans van slagen. Zo heb ik al mijn cd’s op de computer gezet en goed getagged (toch ook een hels karwei). Alle muziek die er nu bij komt is al digitaal, dat is fijn. Opslaan en sluiten, cd’s in de schuur en klaar.

Dat is bij de twee projecten waar ik nu middenin zit – al maandenlang – wel anders. Het ene: mijn notitieboekjes digitaliseren. Het andere: mijn bibliotheek digitaliseren. Zowel van de notities als van de boeken komen er elke week nieuwe bij en dat maakt deze projecten tot projecten zonder eind.

Om het mezelf makkelijker en leuker te maken, en om een stok achter de deur te hebben, besloot ik het professioneel aan te pakken. Ik schafte twee programmaatjes aan die gemaakt zijn voor mensen zoals ik: Bookpedia en Notebook.

Af en toe voer ik een plank boeken in Bookpedia in. Maar dan staat er naast de bank alweer een stapel nieuwe. Omdat ik ondanks een neiging tot luiheid ook een tikkeltje perfectionistisch ben, wil ik per boek alle categorieën vullen. Voor ik het weet ben ik een half uur aan het nadenken wanneer ik De vermoorde dichter van Guillaume Apollinaire ook alweer heb gelezen (ik ben inmiddels trouwens bij de D). Heb ik het überhaupt gelezen? Ik heb er nu 128 ingevoerd, ik schat dat er dan nog zo’n 800 te gaan zijn…

Andere keren, vooral als ik weer eens als een vergeetachtige professor in mijn aantekenboekje zit te bladeren, op zoek naar dat ene citaat van zus of zo, andere keren voer ik een paar weken notities in Notebook in. En omdat ik wel praktisch en rationeel ben, maar ook heel goed ben in dagdromen, verlies ik mezelf in herinneringen aan de tijd dat ik die notities maakte. Het merendeel van de aantekeningen is een briljant citaat, daar word ik dan heel blij van. Dan droom ik weg in ellenlange gedachtespinsels, die allemaal uit dat citaat zijn af te leiden. Zowel de rationaliteit als het dagdromen vallen wat mij betreft onder het kopje nadenken. Inmiddels ben ik aanbeland in 2005.

Behalve dat je heel makkelijk boeken en citaten kunt terugvinden (mits je alles hebt ingevoerd natuurlijk), hebben de programma’s ook geinige extra’s. Notebook somt bijvoorbeeld in een alomvattende index alle gebruikte woorden op, zoals hier het begin van de K: En Bookpedia houdt je gemiddelde voorkeuren bij:

Mooi vind ik dat, kachel kader kakkerlakken… En zolang mijn vaakst gegeven beoordeling 4* is, ben ik op de goede weg.

Misschien is het ook wel fijn om te weten dat dit twee projecten zonder eind zijn. Dat betekent namelijk ook dat ze nooit definitief kunnen stranden.

Spin zonder web

Alsof een overijverige rat een kabel heeft doorgeknaagd: van het ene op het andere moment hebben we geen internet meer. Online heet onze provider, moderne ironie van het type hihaho. Zij probeerde ons nog in de categorie storing te stoppen, maar dit is geen storing, dit is een geheel geslaagde verdwijntruc.

Ik ben totaal ontheemd, ja, zeg maar gerust dat ik me offline voel. Om grip op de zaak te krijgen, en omdat ik opeens heel veel tijd over heb, probeerde ik te doorgronden waaruit die ontheemdheid eigenlijk bestaat. Natuurlijk, er zijn praktische bezwaren: mijn mail kan ik wel op mijn werk lezen, en ’s avonds op de iPhone, maar uitgebreid antwoorden wordt al lastig. De vacaturejacht is gestaakt. Mocht ik toch een vacature vinden, moet ik dan mijn sollicitatiebrief per post gaan versturen? Het idee alleen al! KinkFM luisteren? Helaas! Nieuwe muziek ontdekken? In de platenzaak kom ik al jaren niet meer. Rekeningen worden niet meer betaald. De lunchpauze wordt opgeofferd aan recensies uploaden voor 8WEEKLY. En al mijn weblogstukjes blijven in mijn hoofd zitten, overgeleverd aan het risico van vergetelheid. Ik hou me staande met de gedachte dat als iemand dit leest, dat betekent dat het leed geleden is en het leven weer zijn normale loop hervonden heeft.

Toch vind ik het ook een beetje onzin dat offline zijn me meteen een offlinene wezensgesteldheid geeft. Waar slaat dat op? Tien jaar geleden, dacht ik, was alles anders. Ja, en voor de uitvinding van de tv speelden de mensen elke avond Mens-erger-je-niet.

Tien jaar geleden had ik exact hetzelfde gevoel, alleen met een compleet andere aanleiding. Het gevoel deed zich voor op donderdag-, vrijdag- of zaterdagavond, als ik thuis voor de tv zat, zonder iemand om Mens-erger-je-niet mee te spelen. Het is het gevoel dat je er niet bij bent en dus van alles mist. Iedereen heeft de nacht van zijn leven en jij bent daarvan uitgesloten. Elk feest was in potentie de nacht van je leven. Als je thuisbleef, liep je misschien ook de liefde van je leven mis, met wie je die nacht van je leven ging beleven. Die ene keer dat jij thuisblijft, is net de keer waarop er iets gebeurt waarover nog jaren wordt nagepraat. Zal je altijd zien.

Zo is je offline voelen ook: er gebeurt van alles zonder jou. En blijkbaar gebeurt er inderdaad van alles zonder dat jij daarvoor nodig bent. Voor je het weet denk je: zonder dat jij daarbij wenselijk bent. Je hebt niets meer in de hand. Moderne tragiek van het type control-alt-delete.

Er bestaan twee uitgesleten formuleringen die me een vacature direct terzijde doen leggen. De eerste zegt dat je ‘geen 9-tot-5-mentaliteit’ mag hebben. Kop dicht en overwerken, betekent dat. De tweede is ‘spin in het web’ (vaak gevolgd door ‘creatieve duizendpoot’). Dat betekent dat je de hele dag aan het bellen bent en mensen moet vertellen dat ze hun deadline niet halen. Doe mij maar een ‘stoffige studeerkamermot’ maar dat wordt nooit gevraagd.

Nu weet ik dat ik wel een spin in me heb. Hij moest zijn web kwijtraken om dat in te zien. Op feesten vertakt het web en als je daar niet aan bijdraagt, eindig je misschien ergens bungelend aan een versleten ragje. En op internet zit iedereen altijd in het stralende middelpunt, als in een almaar uitdijend heelal zonder begin of einde. Behalve als je offline bent, dan zit je helemaal nergens. Je eindigt niet aan een ragje, je bestaat gewoon niet. Wat moet een spin zonder web? Hij zal niet meer kunnen eten.

De drang om er altijd bij te zijn en elk feest tot na sluitingstijd mee te maken, ben ik al een tijdje kwijt. Tien jaar later en ouder vertakt het web niet meer hoofdzakelijk op feesten, maar overal. Gelukkig. Het scheelt enorm in tijd die katerig in bed wordt doorgebracht. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit de drang kwijtraak om online te zijn. Dan kan ik net zo goed alsnog katerig onder de dekens kruipen. Wie dit leest, weet hoe het is afgelopen.

Waar is de Myspace voor schrijvers?

Gartner hype cycle

Iedereen kent de verhalen van bandjes die via internet groot zijn geworden. De Arctic Monkeys, Vampire Weekend en, vooruit, ook zangeresjes als Esmee Denters. Het leek me altijd geweldig als dat met literatuur ook zou gebeuren. En dat ik dan geniale jonge schrijvers ontdek en aan een contract help. Want hoewel gewoon bekend worden met je cd sooo twintigste-eeuws is, komt het er toch nog steeds op aan om je kunstwerk uiteindelijk via de reguliere kanalen aan het klootjesvolk te verkopen.

Probleem is dat ik niet snap hoe dat werkt. Als het gaat om muziek zijn er twee voorwaarden: mp3’tjes op Myspace en bloggers die daarover schrijven. Maar hoe ontdekken die bloggers de leuke mp3’tjes die de moeite waard zijn om over te schrijven? Ze kunnen moeilijk al die miljoenen nummers gaan beluisteren. Komt het dan toch op connecties aan, en hebben die bandjes die ‘uit het niets’ doorbreken via internet stiekem toch gewoon al de juiste vriendjes? Want ook bij Myspace gaat het om vriendjes immers.

Het zal wel een wisselwerking zijn, waarbij de muzikanten zelf hun muziek de hele wereld over mailen en bloggers ook zelf op zoek gaan naar interessante nummers. Hoe dan ook een tijdrovende bezigheid lijkt me, hoewel je natuurlijk binnen een minuut wel hoort of je de volgende hype te pakken hebt, of gewoon de zoveelste wannabe-Alex Turner.

Goed, een paar bloggers zijn erachter dat de demo van een bandje wel héél lekker klinkt, ze pleuren de bestandjes of een link ernaar in hun weblog, stellen anderen op de hoogte en het balletje gaat rollen. Paradiso uitverkocht nog voor er een album in de schappen ligt, Justin Timberlake die aan de lijn hangt om te vragen of je alsjeblieft zijn voorprogramma wil doen.

In de literaire wereld moet dit toch ook kunnen? Niet dat iedereen zijn romans-die-in-de-la-liggen-te-verstoffen meteen in z’n geheel op het web moet zetten, want ook bij de letteren heb je aan een minuutje lezen vaak wel genoeg. (Komrij beweert dat hij aan de achterkant van het vel papier kan zien of er aan de voorkant een goed gedicht op staat, ik ben benieuwd hoe hij dat op internet zou aanpakken). Korte verhalen zijn wel uitermate geschikt voor internet, of een hoofdstuk uit een roman. Gretige lezers downloaden het hoofdstuk, willen meer, bestellen het boek bij een Printing on Demand-service, tot de grachtengordel het oppikt en het alsnog op de reguliere markt brengt. De buzz is gecreëerd, iedereen wil dat boek hebben, terwijl de bloggers alweer verder snuffelen naar een andere hype.

Vol goede moed ben ik begonnen aan mijn virtuele zoektocht naar literair talent dat klaar is om door mij ontdekt te worden. Maar ik heb de moed alweer opgegeven. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. En als ik al een site vind die een soort Myspace van het woord is, moet ik ervoor betalen, terwijl de vormgeving zo schandalig achterhaald is dat ik bij voorbaat alles wat erop staat slecht vind. Op Schrijven Online is een rubriek waar mensen stukjes kunnen laten lezen aan de andere forumleden. Dat is zo fragmentarisch dat je er ook weinig mee kan. Bovendien staan er vooral gedichten en (kleine stukjes uit) jeugdboeken op. Trouw Schrijf! komt nog het dichtste in de buurt van een Myspace voor schrijvers. Niet heel hip, maar beter dan niets.

Echte verhalen zetten mensen vaak op hun eigen website. Maar hoe vind je die? Ik klik in het wilde weg naar sites van zolderkamerschrijvers en lunchpauzekunstenaars en kom op de gekste plekken terecht. Nooit lees ik iets waar ik echt van onder de indruk ben. Al snel haak ik weer af. Hm, misschien snap ik wél hoe het werkt. Ben ik gewoon te lui.