Zomergasten: Marc-Marie Huijbregts, controle en overgave

huijbregts

Als de eerste aflevering van Zomergasten de toon heeft gezet voor de komende weken, dan staan er nog een paar mooie avonden te wachten. Marc-Marie Huijbregts bleek een interessante persoonlijkheid en aimabele gast; de avond ontrolde zich zoekend en toch elegant langs de thematische lijnen van controle en overgave. En was zo zelf een oefening in controle en overgave.

Iedereen die de lijst fragmenten bekijkt ziet meteen dat het draait om overgave, verklaarde Marc-Marie Huijbregts aan het begin. En in het leven draait het ook om overgave ging hij verder; in de liefde, op het toneel, misschien zelfs in een interview. Je moet een ‘stukje van jezelf geven en achterlaten’. Goed, dat zouden we nog wel eens zien.

Al snel viel op dat het minder ging om overgave, maar om de keerzijde daarvan, namelijk controle. Marlene Dietrich die niet gefilmd of gefotografeerd wil worden, en in een interview steeds verwijst naar ‘het contract’. Dan het haarstukje van Marc-Marie dat hij ging dragen om zijn beginnende kaalheid te verbergen. Want: ‘kaal zou ik echt een man zijn geworden’. Jezelf verbergen heeft ook wel iets oneerlijks, gaf hij toe, maar de neiging tot controle is blijkbaar sterk. Eerder draaide het dus om een onvermogen tot overgave.

Controle gaat om het instandhouden van je imago. Terwijl het natuurlijk juist interessant wordt als dat imago doorbroken wordt, zoals in het fragment van het 60 Minutes-interview met Barbra Streisand. Als je ziet hoe zij daar wordt aangepakt, begrijp je wel dat Marc-Marie liever geen interviews meer wil geven. Dat heeft natuurlijk ook weer met controle te maken. In een interview geef je de controle uit handen. Het is niet erg om persoonlijke dingen te vertellen (bijvoorbeeld op het toneel), als je het maar zelf in de hand hebt. Bovendien doet een interview geen recht aan de veelheid van het leven. ‘Een interview maakt van je leven een kinderboek.’ Kinderen hebben geen controle over hun leven, dat mag duidelijk zijn.

Goed, controle houden dat wil iedereen wel in meer of mindere mate. Het probleem is wanneer je niet echt in staat bent tot overgave en overgave een onvervulbaar verlangen wordt. Uit het gesprek kwam een mooie paradox naar voren: het verlangen naar controle gaat samen (bij Marc-Marie Huijbregts) met het verlangen de ander terwille te zijn, altijd en overal. Een voortdurende verantwoordelijkheid voelen voor het welzijn van… iedereen. Dat is een lastige (herkenbare) combinatie van eigenschappen. Want het is onmogelijk om de touwtjes voor jezelf in handen te houden als je je steeds maar laat meevoeren door bezorgdheid om anderen. Hoe kun je je dan overgeven? Betekent dat niet ook dat je niet meer naar de ander omkijkt en alleen met jezelf bezig bent?

Als je moet kiezen, vroeg Jelle Brandt Corstius, zou je dan liever slaan of geslagen worden? Een goeie vraag, die zo in het rijtje met alternatieve conversation starters kan, naast de levensleugen. Als je slaat heb je controle en als je je laat slaan geef je je over. Waar geef je de voorkeur aan?

Filosofie op tv: Dus ik ben

Filosofie op tv! En nog leuk gedaan ook. Dus ik ben was al een website en een boek en nu dus ook een serie (lees ook Wat maakt dat je dus bent). En guess what: de televisie is beter dan het boek. Er zijn in totaal vier afleveringen, allemaal terug te zien op uitzendinggemist.nl.

In de derde aflevering (zie ook hieronder) gaat het over gevoel. Gevoel is tegenwoordig een argument geworden, waar je niet over kan twisten. Gevoel geldt als echt en onmiddellijk, authentiek. Een relatief jonge opvatting, die stamt uit de Romantiek. En een opvatting die achterhaald is, in de gemediatiseerde wereld van de 21e eeuw. Interessante kwesties, op een heldere manier gebracht.

Get Microsoft Silverlight
Of bekijk de flash versie.

Over de streep: gedeelde geheimen

over-de-streep

Hoe beter je elkaar kent, hoe meer respect je voor elkaar zult hebben, zo leert een gangbare wijsheid. Nu niet meteen beginnen over de uitzonderlijke gevallen van écht slechte mensen – hoewel de stelling misschien zelfs dan opgaat. In de documentaire Over de streep is de wet het uitgangspunt voor een bijzonder evenement op een middelbare school in Amsterdam: Challenge Day. Elke dag brengen de leerlingen uren met elkaar door en toch weten ze bijna niets van elkaar. Ieder heeft zijn eigen vriendengroepje en zet zich af tegen de anderen, soms door schelden of pesten of een grote mond. Challenge Day moet dat doorbreken. Maar hoe krijg je vijftienjarigen zover dat ze hun intiemste geheimen blootgeven?

Op een wel erg Amerikaans-schreeuwerige wijze, blijkbaar. Leraren doen gekke dansjes, leerlingen roepen naar elkaar ‘Get ready!’ Onwillekeurig denk je aan van die motivational trainers op bedrijfscongressen – en dan vooral aan de parodie daarop in bijvoorbeeld de film Donnie Darko. Het uitbundige maakt echter de weg vrij voor ingetogen, rustige gesprekken in kleine groepjes. Maak de volgende zin af: ‘If you really knew me, you would know this…’ Het gebruik van zo’n standaardzin werkt; de heftigste verhalen rollen erachteraan. Dat deed me denken aan Siri Hustvedt, die in The Shaking Woman patiënten de opdracht geeft om over zichzelf te schrijven en te beginnen met ‘I remember…’ Het korte zinnetje zet het geheugen in werking, als de startknop voor een soort écriture automatique.

Het belangrijkste onderdeel van de Challenge Day is echter dat waar de documentaire naar vernoemd is: door het midden van de gymzaal loopt een streep. Alle kinderen staan aan de ene kant. Een van de trainers beschrijft een situatie en als die van toepassing is op je eigen leven, moet je ‘over de streep’ gaan. Het fysieke aspect hiervan heeft een grote impact, het bewegen brengt een ‘bewogen zijn’ met zich mee. Zowel voor degenen die aan de andere kant van de streep gaan staan en dus met heel hun lichaam laten zien wat zij hebben meegemaakt (alcoholmisbruik in de familie, mishandeling, geweld, eenzaamheid, afwijzing, pesten, ga zo maar door) – als voor degenen die blijven staan en getuigen zijn van wat hun klasgenoten met zich meedragen.

Ik beken dat ik hier een traan moest wegpinken. Niemand kan hiernaar kijken en luisteren zonder te bedenken wat je zelf zou doen: blijven staan of over de streep gaan. Feit is dat niemand een ongeschonden jeugd heeft. Wie heeft zich nooit afgewezen of eenzaam gevoeld? Dat is ook de kracht van zo’n dag: verbondenheid creëren door te laten zien dat iedereen ‘meer hetzelfde is dan verschillend’, aldus de trainer.

De laatste situatie waar de kinderen op moesten reageren vond ik heel heftig, bijna als een stomp in de maag. ‘Loop over de streep als je ooit een kind bent geweest.’ Bijna alle kinderen slenteren naar de andere kant van de zaal. Bíjna. Hartverscheurend: kinderen van vijftien die nu al weten dat ze nooit kind zijn geweest, kind hebben kunnen zijn.

Ik moest denken aan een verhaal over Emil Cioran, de Roemeense essayist en filosoof die op zijn vijfde zijn eerste depressieve ervaring zou hebben gehad. Vijf! Kan dat überhaupt? In een tijdschrift las ik onlangs een stuk van een hersenonderzoeker die beweerde dat kinderen tot een jaar of tien nog geen geweten hebben. Dat soort artikelen maken me altijd een beetje boos. Omdat in de hersenen nog geen ‘gewetensprikkels’ te zien zijn, bestaat het geweten niet. Dat de ervaring iets anders leert, doet er niet meer toe.

Wie herinnert zich niet een moment op de kleuterschool van spijt, schaamte, wanhoop? Ik wel, misschien was ik niet vijf, maar wel jonger dan acht en ik was ten einde raad over twee dingen: zwemles, waar ik een onverklaarbare afkeer van had (en uiteindelijk ook een tijdje mee gestopt ben) en mijn beste vriendinnetje, met wie ik ruzie had. In mijn herinnering was het vooral de gelijktijdigheid van deze twee kwesties, die me tot wanhoop bracht. Ik wist gewoon niet hoe ik het moest bolwerken, kon het niet overzien. Het was een buitenproportioneel verdriet. Maar wel écht.

(Overigens weet ik niet waarom ik bijna gedachteloos depressie en geweten aan elkaar verbind – dat vraagt een nader onderzoek.)

Ik weet natuurlijk niet zeker of iedereen zulke herinneringen heeft. Misschien niet. Niemand komt ongeschonden uit zijn jeugd, schreef ik, maar weet ik veel? Misschien ook wel. Dat is iets wat me bij de documentaire toch een beetje dwarszat. De veronderstelling dat iedereen een ongedeeld en onverwerkt verdriet heeft. En ook: de veronderstelling dat het hebben van een trauma, of het nu groot is of klein, ons hetzelfde maakt. Of toch in elk geval ‘meer hetzelfde dan verschillend’.

Dan denk ik terug aan Kierkegaard en het geheim van het individu, dat in de grond onkenbaar en onmededeelbaar is en iedereen juist verschillend maakt. ‘Er is misschien niets dat de mens zozeer adelt als het bewaren van een geheim,’ schrijf hij. Het geheim heeft bij hem een paradoxale status: het schept een afstand tussen mij en de anderen en daar lijd ik onder, maar als ik mijn geheim deel en de afstand ophef, verlies ik de individuele betekenis van mijn eigen leven. Niet alle geheimen vragen erom verteld te worden. Respect voor elkaar betekent ook: iemand zijn geheim gunnen. En begrijpen dat je zelf een geheim bent dat een ander nooit geheel zal kunnen ontrafelen.

Op uitzendinggemist.nl is de documentaire terug te kijken.

Zomergasten: Erwin Olaf, geweld en beeldvorming

erwin_olaf

De laatste aflevering van Zomergasten werd al op de avond zelf ‘historische televisie’ genoemd. Genoeg om over te puzzelen in elk geval. Vooral de parallellen tussen de aflevering met Erwin Olaf en die met Paul Verhoeven zetten me aan het denken. Er zijn veel lijnen tussen de twee te trekken, wat ook niet zo gek is: de een is regisseur en de ander fotograaf. Beiden gingen uitgebreid in op beelden en vormen. En op geweld. Dat laatste echter op twee heel verschillende manieren.

‘Geweld is ordinair,’ zei Erwin Olaf herhaaldelijk. Verhoeven zou daarop antwoorden (denk ik) dat geweld de waarheid is. Olaf was niet geïnteresseerd in de waarheid, het ging hem juist om fantasie. Reden waarom Olaf het verregaand gestileerde geweld van A Clockwork Orange niet erg vond. In die film staan beelden en vormen voorop – én de morele boodschap. Verhoeven gebruikte de fantasie en het beeld om geweld tot in het uiterste te verkennen. Olaf ging voor lieve dingen, het geweld moet eerder zo ‘fantastisch’ gestileerd zijn dat het uitgeschakeld wordt. Twee uitersten.

Dit klinkt allemaal veel te abstract, makkelijk praten bijna. Esthetisch gebabbel. Maar toen. Een andere vorm van geweld kwam ter sprake: geweld tegen homo’s. Nog terwijl Erwin Olaf zijn geëmotioneerde, woedende, maar tot in de tenen beheerste tirade tegen homogeweld uitsprak, ging het op Twitter al over ‘historische televisie’.

Ik vond het bijna beangstigend om naar te kijken, omdat we dat niet meer gewend zijn: een uitbarsting – die in toom wordt gehouden. Ingehouden woede, expressie en beheersing tegelijkertijd. Weet je hoe moeilijk dat is? Groot respect voor Olaf dat hij dat voor elkaar kreeg, het gaf zijn boodschap een grotere lading en urgentie mee dan tranen of geschreeuw zouden doen.

Maar hoe zit het dan met dit geweld? Geweld tegen homo’s lijkt me heel ordinair. Wegmoffelen of uitschakelen met fantasie kan echter niet. Olaf was precies zo razend omdat gesuggereerd werd dat dat wel zou kunnen. Een politiedame zei dat je je best mag verbergen en anders voordoen als de omstandigheden daar om vragen, beweerde zelfs dat dat geen angst is maar gezond verstand. Daar was hij terecht heel boos over. Toch zegt zij eigenlijk ook: het gaat om het beeld dat je van jezelf vormt, de stilering van jezelf, en daar moet je over nadenken.

Dat echode toch vagelijk wat Olaf zei over Willem-Alexander en Maxima: die konden wel wat meer om hun eigen beeldvorming denken. Jelle Brandt Corstius vroeg: maar als zij nou eens gewoon zichzelf willen zijn? Geen genade. Werk aan je beeld, je beeldvorming. Homo’s daarentegen moeten vooral wel zichzelf kunnen zijn. Los van de morele dimensie – is dit niet met elkaar in tegenspraak?

Ik denk (en ik vond het moeilijk deze paradox te ontrafelen) dat je het moet omdraaien: het gaat niet om homo’s die het beeld van zichzelf moeten aanpassen en dus niet zichzelf kunnen zijn – zoals de politiedame zei. Het draait om de geweldplegers die niet om kunnen gaan met het beeld van homo’s, zeg maar het straatbeeld. Eenieder heeft dat toch gewoon te accepteren, net als dat verstokte republikeinen tegen de monarchie kunnen zijn, maar moeten accepteren dat prinsen en prinsessen nu eenmaal bestaan. Je kunt niet verlangen dat iemand een vals beeld van zichzelf projecteert omdat een ander dat afdwingt met geweld. Het beeld van wie je bent als je jezelf bent.

Willem-Alexander en Maxima moeten ook niet een vals beeld van zichzelf maken, daar prikt iedereen meteen doorheen. Ze moeten het beeld van wie zij zelf zijn op een bepaalde manier versterken. Zoals ik het eerder heb genoemd: je draait een bepaald deel van je gezicht naar het licht, net als wanneer je op de foto gaat.

Dan geef je vorm, aan jezelf.

Zomergasten: Paul Verhoeven en leren kijken

Omdat ik op Lowlands was, had ik helaas de aflevering van Zomergasten met Paul Verhoeven gemist. Vooral vanwege mijn blogreeks zocht ik op wanneer de herhaling was. Daar ben ik heel blij mee, want ik vond het alsnog een zeer interessante aflevering waar ik echt iets van heb opgestoken. Vooral als het gaat om leren kijken naar beelden. Verhoeven kan als regisseur goed uitleggen waar je op moet letten.

Wat mij vooral is bijgebleven: het belang van beweging en herhaling. Nadat hij had gewezen op de beweging, zag ik in elk fragment een choreografie (zijn woord) van beweging. Alle beelden kwamen tot leven als kunstwerk. De herhaling heeft twee vormen, horizontaal en verticaal (mijn woorden). Horizontaal in het beeld zelf: de rijen soldaten, de rijen balletdansers, de rijen orkestleden, die met hun geometrische vormen doen denken aan een abstract schilderij. En verticaal door de tijd heen, als intertekstuele verwijzingen. Ik vond het leuk dat Verhoeven ook een kijkje in eigen keuken gaf door stukjes uit zijn eigen films te tonen. Daar kunnen niet veel gasten mee wegkomen.

Tel daarbij op dat het format van Zomergasten erop gericht is fragmenten met veel aandacht te bekijken, waar je anders meteen voorbij was gezapt, en dit was een drie uur durende cursus aandachtig kijken met oog op technische details. Dat het niet saai werd, komt door Paul Verhoeven, die vertelde over zijn angsten en nachtmerries. In hem zou het niet opkomen de vraag van Paulien Cornelisse te stellen – waar mensen bang voor waren vóór de tijd van film en tv (hoe langer je erover nadenkt, hoe dommer die opmerking wordt en hoe vervelender het feit dat zij Zomergast mocht zijn).

Vanavond is alweer de laatste aflevering van Zomergasten, dus ik zal niet langer doorgaan op die van vorige week. Vooral omdat ik iets anders heb dat goed aansluit bij Verhoeven: een filmpje naar aanleiding van een Studium Generale-reeks over visuele geletterdheid, vers van de renderingpers. Tien wetenschappers uit tien vakgebieden gaan in op de vraag wat een beeld is, wat er gebeurt bij het zien van een beeld, hoe het beeld in een context staat en of we kunnen leren kijken. De uitgeschreven tekst vind je eronder.

Geloof je ogen niet

Elke dag worden we overspoeld door beelden: niet alleen van televisie en reclame, maar ook in de krant en op internet. In de wetenschap speelt beeldmateriaal ook een steeds grotere rol. Studium Generale liet acht Utrechtse wetenschappers aan het woord over ‘visuele geletterdheid’. Visuele geletterdheid betekent dat je weet hoe kijken werkt, hoe afbeeldingen te interpreteren en in een context te zetten, maar ook dat je je bewust bent van manipulaties en de hoogst individuele ‘zienswijze’ die we allemaal met ons meedragen. Elke discipline heeft zijn eigen beeldtaal. Wat gebeurt er als je die met elkaar in contact brengt? Kunnen ze van elkaar leren?

De eerste vraag die beantwoord moet worden is: wat is een beeld? Wat betekent het om een beeld waar te nemen? Inherent aan een beeld, zegt kunsthistoricus Jeroen Stumpel, is precies dat we bij het zien van een beeld weten dat het een presentatie is en niet het echte ding. Het onderscheid van beeld en werkelijkheid is cruciaal. Tegelijk moet de voorstelling van het beeld in één oogopslag duidelijk zijn. Een paar streken geven heel het complexe wezen van een paard weer, zonder dat we daarover hoeven na te denken.

Kijken, reageerde fysicus Jan Koenderink, wordt ook bepaald door fysieke eigenschappen. Sommige dingen zien we op een bepaalde manier omdat ons oog daarop is ingesteld – ook al laat het plaatje eigenlijk iets heel anders zien. Bij Escher weet je dat wat je ziet cognitief onmogelijk is, en toch zie je het.

Niet alleen is de mens fysiek ingesteld op bepaalde waarnemingen, ook zijn gedachten zijn al voorgeprogrammeerd. Psycholoog Frans Verstraten en taalkundige Ted Sanders vertellen over het bestaan van bepaalde mindsets, de a voorprogrammeerde manier waarop je hersenen beeld interpreteren. De b verwachting waarmee je naar iets kijkt bepaalt in hoge mate je waarneming. Het ‘lezen’ van beelden is in die zin vergelijkbaar met het lezen van tekst. c Er is dus niet eerst een waarneming en dan een duiding; duiding kleurt al van tevoren de waarneming. Visuele geletterdheid heeft ermee te maken dat je je bewust bent van deze mindsets.

Een ander kenmerk van een beeld is dat het gemaakt is. Kennis van de totstandkoming van beelden is belangrijk voor een goede interpretatie daarvan. Bijvoorbeeld in de medische wetenschap, zo legt Max Viergever uit. Die is sinds de middeleeuwen nogal veranderd. Toen was het opensnijden van mensen de enige manier om een beeld van het inwendige lichaam te krijgen. In veranderde dat radicaal door de uitvinding van de röntgenstraling. De stralen gaan door het lichaam heen en de mate van absorptie wordt afgebeeld. Hoe minder straling er uit het lichaam komt, hoe witter het beeld. Echter: het wit had evengoed zwart kunnen zijn. De kijker denkt misschien dat de röntgenfoto witte botten laat zien, maar dat is niet zo.

We zijn geneigd te denken dat een beeld dat op een directe manier tot stand is gekomen, zoals een röntgenfoto, op een bepaalde manier ‘objectief’ is. Dat is een misvatting, zoals de zogenaamde ‘witheid’ van de botten laat zien. Een objectief beeld bestaat helemaal niet, er zit altijd een maker tussen, aldus filosoof Paul Ziche. Bovendien is, zeker in de medische wetenschap, veel beeldmanipulatie nodig om tot het beste beeld, het meest bruikbare beeld, te komen.

Leren kijken naar beelden is iets wat niet in een geïsoleerde omgeving gebeurt. Visuele geletterdheid staat in een bredere context. Peter Werkhoven maakt onder andere simulaties die kunnen worden ingezet bij het trainen van piloten en militairen. Hij benadrukt dat bij het kijken alle zintuigen en ook emoties in het spel zijn. Wil je een goede simulatie maken, dan moet je al die affecten aanspreken en emotie losmaken.

Ook bestudering van film leert hoe beeld werkt. De vroegste films werden aangeprezen om hun ‘werkelijkheidsillusie’, zo vertelt filmwetenschapper Frank Kessler. De ‘directheid’ van film, doet de toeschouwer geloven dat wat hij ziet ook echt bestaat. Iedereen weet inmiddels dat vervalsing en manipulatie aan de orde van de dag zijn – zeker sinds Photoshop. Maar élk beeld is een uitsnede van de werkelijkheid. Je kunt niet zeggen dat het beeld liegt, objectieve beelden bestaan immers niet, maar het verhaal dat het beeld vertelt kan wel onwaar zijn.

Beelden kunnen de inzet zijn van cultuur en macht: beelden als wereldbeelden. Literatuurwetenschapper Ann Rigney bestudeert de manier waarop bepaalde iconische beelden steeds terugkeren in de collectieve herinnering. Die beelden bepalen hoe de geschiedenis gememoreerd wordt. Beelden schrijven geschiedenis. De kracht van beelden, zegt Rigney, is tweeledig: er is het plaatje, en de context waarin het plaatje staat. Daarom is visuele geletterdheid weinig zinvol als ze niet gepaard gaat met andere vormen van geletterdheid. Dat geldt zeker als beelden de uitdrukking zijn van een ideologie.

Frank van Oort doet onderzoek naar een letterlijke vorm van wereldbeelden: de cartografie. De weergave van de werkelijkheid in kaarten en atlassen heeft op zijn minst de schijn van objectiviteit. Een bekend voorbeeld van een kaart waarvan de zogenaamde objectiviteit is doorgeprikt, is de alternatieve wereldkaart van Unicef. Die laat zien hoe iets wat heel vanzelfsprekend lijkt, cultureel bepaald is. Het wereldbeeld is hier letterlijk gekoppeld aan de ideologische achtergrond.

Ook in deze brede opvatting van beelden en visuele geletterdheid blijft de opmerking uit het begin staan: een beeld moet in één oogopslag herkenbaar zijn. Het beeld moet voor zichzelf spreken, al zijn het duizend woorden. Tegelijk blijft de scheidslijn tussen beeld en werkelijkheid steeds in stand. De definitie van het beeld die Jeroen Stumpel gaf – dat het een representatie is en ook als zodanig herkend wordt – blijft bestaan. Die scheidslijn moet je steeds voor ogen houden: beeld is gemedieerd, door het oog en het brein, door een maker en zijn instrument, door psyche en persoonlijkheid.

In de zoektocht naar visuele geletterdheid spelen een aantal factoren een rol: cognitie, betekenis en het maakproces. Het beeld is door iemand gemaakt en in de wereld geplaatst, het komt bij ons binnen via het oog, wordt verwerkt door de hersenen, krijgt een betekenis in de wereld en begint aan een nooit eindigend gebruik. In onze door de media gedomineerde en met beelden overspoelde maatschappij is iets als visuele geletterdheid bijna onmisbaar. En een eigenschap die steeds opnieuw om aandacht vraagt, omdat de aard en het gebruik van de beelden steeds verandert. Wil je meer weten en alle lezingen in hun geheel terugzien? Kijk dan op www.sg.uu.nl.

Zomergasten: Annet Malherbe, fascinaties en obsessie

annet_malherbe

‘Ik vind dat fascinerend.’ Het klinkt als zo’n veelgebruikt cliché waar Paulien Cornelisse een aardig stukje over zou kunnen schrijven. ‘Fascineeeeerend.’ Of: ‘Het is een van mijn fascinaties’ – want een interessant persoon heeft geen hobby, maar meerdere fascinaties. Ik maak me er zelf ook met regelmaat schuldig aan, maar Annet Malherbe legde in Zomergasten legde wel heel veel nadruk op haar fascinaties die niet anders dan fascinaties waren. Voor volksdansen, eten, bergbeklimmen en pus.

Die fascinaties leverden een net niet memorabele avond op, hoewel ik me prima heb vermaakt. Fascinaties zijn namelijk vrijblijvend. Jelle Brandt Corstius versprak zich en legde daarmee de vinger op de zere plek: ‘Vertel eens meer over dat bergbeklimmen, die obsessie van je.’ Nee, nee! Geen obsessie, een fascinátie, verbeterde Malherbe.

Dat is inderdaad een cruciaal verschil, dat misschien ook verklaart waarom de vierde Zomergasten niet echt beklijfde. Fascinatie, zo maakte Malherbe duidelijk, is een gevoel tussen afstoting en aantrekking in. Een fragment als de eigenhandige operatie van een abces, waar het pus en bloed uit de elleboog van de solozeiler droop, is daar een goed voorbeeld van: het is smerig, maar je moet kijken (naar het filmpje van het uitknijpen van een enorme puist heb ik niet gekeken, trouwens). Of de scènes uit La Grande Bouffe: je weet dat je er niet naar mag kijken als je te jong bent, maar je blijft staren terwijl een hoertje een metalen spruitstuk tussen haar benen geduwd krijgt. Gefascinéérd staren.

Tussen aantrekking en afstoting zit een zekere afstand. Fascinatie is daarmee ironisch te noemen: het is tegelijk wel en niet boeiend, knap en knullig, mooi en lelijk. Zou dat verklaren waarom tegenwoordig iedereen alles maar fascinerend vindt? Is het het gevoel dat het beste past bij deze tijd, die zich kenmerkt door ironie (hoewel sommigen het ook alweer hebben over de post-ironische tijd). Zoals ik eerder schreef: ernst is uit den boze, niets mag nog volkomen serieus genomen worden, altijd is er reden om te lachen (of gniffelen).

Niets is echt boeiend, niets is echt afkeurenswaardig, alles is op z’n best… fascinerend.

Maar wat nu als je een obsessie hebt, zoals Brandt Corstius per ongeluk zei? Het hebben van een obsessie (en dan niet op zo’n ironische manier bedoeld – ‘ja winkelen is echt een obsessie van me’) is een modern taboe. Je valt volledig samen met het onderwerp, alle afstand die ironie mogelijk maakt is opgeheven. Een obsessie is een ernstige zaak, hoe lachwekkend een obsessief iemand op de buitenwereld ook mag overkomen.

Ik miste de obsessie in Zomergasten. Is dat te veel gevraagd? Nee toch – heeft een Zomergast niet op z’n minst een obsessie met het vak?

Fascinaties hebben we allemaal, daarom is het ook een cliché om iets fascinerend te vinden. Obsessies zijn daarentegen maar voor weinigen weggelegd. Annet Malherbe kon uren stilletjes naar saaie dingen kijken, was zo’n beetje het eerste wat ze zei. Obsessies zijn vaak saai, want enkelvoudig. Maar ook daar kun je wel drie uur stil naar zitten kijken. Een obsessie is voor de kijker fascinerend, een fascinatie is op z’n hoogst grappig (als het gaat om snorren en truien in een EO-programma uit de jaren tachtig) of smerig (als het gaat om een uitgeknepen puist).

Zomergasten: Paulien Cornelisse, grappige dieren en Twin Peaks

Ik heb me behoorlijk verveeld bij Zomergasten gisteren. Niet vanwege de fragmenten, die had Paulien Cornelisse goed gekozen. Alleen hadden de fragmenten op zichzelf volstaan, want veel interessante gedachten of ideeën wist ze er naar mijn mening niet aan toe te voegen. Dieren met mensenstemmen zijn grappig. Eens. Maar waarom is dat zo? Waarom lachen we om de gekleide dieren die ouwehoeren over clowns?

Om te beginnen zijn de dieren al grappig om te zien. Ook zonder geluid blijf je kijken. (Hoewel niet iedereen natuurlijk per definitie dieren grappig vindt.) Cornelisse vertelde hoe acteurs de uitdrukkingen van de beesten spelen. De dieren zijn dan ook grappig doordat ze zo menselijk zijn. Daar komen de converserende stemmen bij, die niet ingesproken zijn, maar daadwerkelijke gesprekken die zijn opgenomen. Ook het fragment met de badende makaken fascineert doordat de overeenkomst tussen mens en dier zo duidelijk is. Dat ontroert en maakt je aan het lachen.

De overeenkomst tussen mens en dier kan ook anders uitpakken. Cornelisse had haar Twin Peaks-plakboek meegenomen, een schriftje dat bol stond van de uitgeknipte artikelen en foto’s. Om een plakboekje dat je op je vijftiende hebt samengesteld mee te nemen naar de Zomergastenstudio vergt enige moed, gaf Cornelisse toe. Ik kon het wel waarderen. Maar de vraag waarom ze het plakboek had gemaakt en bewaard en meegenomen bleef onbeantwoord. En waarom Twin Peaks?

Het fragment van Bob die Laura Palmer belaagt is bloedstollend. Ik had (weer) kippenvel, niet alleen op mijn onderarmen, maar over mijn hele lichaam. Wat is zo eng aan de typische David Lynch-horror? Dit fragment deed mij sterk denken aan Stanley Kubricks The Shining. Het verstilde beeld van een roze kamer, die gezellig en warm moet zijn. De afwezigheid van geluid. Stilte kan heel beangstigend zijn, omdat wat ze aankondigt vreselijk is, erger dan alles wat geluid kan maken (hoewel Cornelisse volgens Jelle Brandt Corstius vooral bij de aanzwellende muziek opschrok). Dan verschijnt Bob aan de zijkant. ‘Dat is heel eng.’ Eh, ja. Maar waarom? Omdat zijn verschijnen betekent dat hij al de hele tijd daar is. Wachtend in absolute stilte tot zijn tijd komt. Hij heeft de tijd, neemt de tijd, beweegt heel langzaam. Elegant bijna, sluipend over meubelstukken en de grond als een dier. Tijgerend, brullend en met wilde manen.

Dieren kunnen grappig zijn, zeker als ze menselijke trekken krijgen toebedeeld. Mensen kunnen heel eng zijn, als hun dierlijke kant benadrukt wordt. Laura Palmer is als een mensenpop die het dier komt verscheuren. Misschien is dat ook wel iets om naar te verlangen, stiekem. Cornelisse moet in haar Twin Peaks-obsessie ook het zogenaamde Dagboek van Laura Palmer hebben gelezen. Het onschuldige meisje verlangt naar het beest, dat is daar wel duidelijk. Ze geniet van haar angst, tot ze de controle erover verliest en dat met haar leven moet bekopen.

Als Zomergastengast had ik ook een stukje uit Twin Peaks gekozen, vergelijkbaar met dit fragment. De stilte is nu niet absoluut: een elpee ligt op de platenspeler over te slaan. Brrrr: het is de aankondiging van iets vreselijks. Met de plaat blijft de tijd hangen. In het vacuüm dat ontstaat kan alles gebeuren. Weer tijgert er iemand over de hoogpolige vloerbedekking van het ouderlijk huis. Het is Laura’s moeder. Opeens staat er een prachtig paard in de kamer. Dat paard jaagt mij de stuipen op het lijf. Waarom? Waarom is dit dier het engste dat ik kan bedenken? Het is een elegant, edel dier en doet geen kwaad. Maar zijn verschijnen uit het niets doet je beseffen dat hij daar altijd al was, net als Bob. We zagen hem alleen niet. Tussen onze werkelijkheid zit een andere werkelijkheid geweven, zonder beschaving of logica, die het zomaar opeens kan overnemen.

Denk ik. Maar wie ben ik.

Paulien Cornelisse zei tussen neus en lippen door dat al haar angsten van tv en film komen. Waar waren mensen voor die tijd bang voor, vroeg ze. Een merkwaardige vraag, die wel verklaart waarom het commentaar zo saai bleef, bij zulke prachtig gekozen beelden. De afschuwelijkste angsten, zoals die van Laura Palmer, komen gewoon van binnen. Daar heeft Cornelisse blijkbaar geen last van. Lijkt me een heerlijk leven. Maar het is niet zo interessant om naar te luisteren.

Zomergasten: Maarten ’t Hart en de eenzaamheid als deugd

Maarten 't Hart

Waarom is eenzaamheid eigenlijk iets negatiefs? Maarten ’t Hart vertelde in Zomergasten hoe hij als jongetje het liefst in zijn eentje boeken zat te lezen. Buitenspelen? Niks aan. Ook als puber en als jongvolwassene (en nog steeds) sloot hij zich liever op met een boek dan sociaal te moeten doen. Sociaal doen is echter heilig in onze maatschappij. Waarom eigenlijk? Waarom is het een probleem als je liever alleen bent?

Eenzaamheid als deugd: daar zou best wat meer aandacht voor mogen zijn. Jezelf kunnen vermaken is een heel handige vaardigheid die ook prettig is voor je omgeving. Eenzamen in de betekenis van Maarten ’t Hart zijn geen sociale plakkers (je kent ze wel). In dat opzicht is het vreemd dat die omgeving er vaak zo’n probleem van maakt als iemand gewoon met rust gelaten wil worden.

Er is een onderscheid te maken tussen de ongelukkige, luie of profiterende eenzamen, en zij die zich terugtrekken om iets te doen wat je nu eenmaal het beste in je eentje doet, zoals lezen. Het gekke is: anderen lijken vooral moeite te hebben met het laatste. Naar de sociale wrakken kijkt eigenlijk niemand om. Maar kinderen die de hele dag met de neus in de boeken zitten en zichzelf ontwikkelen, zoals ’t Hart, die krijgen het zwaar te verduren. Misschien omdat ‘de omgeving’ niet wil aannemen dat je boeken kunt verkiezen boven echt contact met oninteressante mensen. Men voelt zich gekleineerd door een arrogante snotneus.

Misschien krijgen onsociale boekenwurmen het ook zwaar te verduren omdat men eigenlijk wel weet dat ze goed bezig zijn. Als Maarten ’t Hart niet al van kinds af aan met een boekje in een hoekje was gaan zitten, was hij nooit de schrijver geworden die hij is. Soms is het nodig om voor jezelf te kiezen en anderen buiten te sluiten, wil je wat van je leven maken. Maar die anderen, die zich nooit af- en opsluiten, kunnen daardoor het gevoel krijgen dat zij niets van hun leven maken. (Dat hoeft niet zo te zijn, wees gerust.) In zo’n geval is het makkelijker om als sociale groep die eenkennige zonderling te vertellen dat hij… een eenkennige zonderling is.

Ik ben bij tijd en wijle ook een eenkennige zonderling (vroeger meer dan nu). Soms is het gebod van de sociale omgang een last. Daarom ben ik blij dat Maarten ’t Hart bij Zomergasten liet zien dat eenkennige zonderlingen de leukste gasten kunnen zijn. Met een groot hart en een sterk gevoel voor anderen, die onrecht worden aangedaan (mens of dier). Onsociaal is niet hetzelfde als asociaal.

Morgen: het gebod van humor, en de ernst als deugd.

Zomergasten: Jan Marijnissen en de explicateur

Jan Marijnissen was de eerste Zomergast van dit seizoen, dat gepresenteerd wordt door Jelle Brandt Corstius. Er zal ongetwijfeld door anderen voldoende geschreven worden over de vermogens en onvermogens van zowel gast als presentator, daar ben ik niet voor nodig. (Volstaat te zeggen dat dit een van de weinige afleveringen is die ik helemaal af heb gekeken.) Ik ga liever wat verder in op een interessante rode draad die door de uitzending heen liep.

Meteen vanaf het begin sprak Marijnissen over zijn voorkeur voor explicateurs – iemand die de tijd neemt om dingen uit te leggen, zijn passie weet over te brengen en zo een brug bouwt tussen de kenner en het publiek. (Lees verder onder de video.)

Ik vind het een mooi streven om meer explicateurs aan het woord te laten. Dat sluit ook aan bij de doelstelling van Studium Generale: wetenschappers brengen hun kennis naar buiten voor een groot publiek en laten tegelijk (hopelijk) wat zien van hun persoonlijke drijfveren. Waarom doe je het werk dat je doet? Hoe kom je aan een passie voor het vak?

Iemand die ook zeker een explicateur genoemd kan worden, is Arjen Grolleman, de KinkFM-dj die begin dit jaar overleed. Bij het in memoriam stond een citaat van hem: ‘Er is niets mooier dan mensen overtuigen van jouw muzieksmaak. Het is een roeping.’ In een interview dat op 3VOOR12 is terug te luisteren vertelt hij hier ook over: de explicateur maakt zelf geen muziek of kunst, maar probeert zoveel mogelijk mensen voor die muziek en kunst te interesseren. Hoe veel voldoening en energie dat kan geven hoor je meteen, net als dat je het zag bij Marijnissen.

Een ander woord dat in dit verband een paar keer terugkwam in de Zomergastenuitzending was bemoediging. Wie bemoedigt je in je keuzes? Wie laat je zien welke kant je in je leven op wil? Een explicateur is als het goed is ook een bemoediger, hoewel niet elke bemoedigende persoon in je omgeving een explicateur is. Bemoediging kan zowel van iemand heel dichtbij komen (hopelijk je ouders) als van een bewonderd persoon die je niet zelf kent (zoals een publieke figuur die maatschappelijke verandering belichaamt).

Eerder schreef ik over rolmodellen (een favoriet Studium Generale-woord). Een explicateur is echter iets heel anders dan een rolmodel, hoewel ze beiden personen zijn die je jezelf als voorbeeld stelt. (Want gelukkig is het niet meer zo dat anderen dat voor ons doen.) Een rolmodel is een voorbeeld door zijn manier van leven. Mijn rolmodel kan jij slaapverwekkend en afschrikwekkend vinden. Een explicateur is dat echter voor iedereen: ze leert je meer over de wereld, over wat er in de breedte allemaal te ontdekken valt en over de (smallere) richting die je eigen interesses nemen. Maar ze kunnen zich natuurlijk ook in één mens verenigen. Ik zou wel een explicateur willen zijn, daarom zijn mijn rolmodellen dat ook.

Natuurlijk liep het uit op de vraag of Marijnissen zelf een explicateur is en natuurlijk volgde daarop het bevestigende antwoord. Ik vond het vooral mooi hoe Jelle Brandt Corstius meteen vroeg: ‘Wat is een explicateur?’ Daarmee bewees hij zijn presentatietalent. Want hij weet natuurlijk best wat een explicateur is – enigszins – maar begrijpt dat zijn publiek een explicatie nodig heeft. Het bewijst dat ook een explicateur een goede vragensteller nodig heeft.