Het experiment geluk: cijfers, woorden

Geluksonderzoek concentreert zich nogal eens op statistische vragenlijsten van het type ‘hoe eens bent u het met de volgende uitspraak: ik voel me gelukkig’. Dat roept bij filosofen natuurlijk meteen allerlei vragen op. Wat is geluk eigenlijk? Kun je wel zeggen hoe gelukkig je je op een bepaald moment voelt, of kan dat alleen achteraf? Is geluksgevoel intrinsiek, of afhankelijk van externe factoren?

Ik heb een tijdje meegedaan met een onderzoek naar geluksgevoel, dat uitgevoerd werd via een iPhone-app (dat was de belangrijkste reden om mee te doen, denk ik) en ook op die manier was opgezet. Elke dag moest je een indicatie geven van je geluksgevoel, en daar nog wat vragen omheen beantwoorden. Geen idee wat de uitkomst van het onderzoek was, want ik ben vroegtijdig afgehaakt. Wat ik leerde was in elk geval dat mijn stemming erg afhankelijk was van externe factoren. In de evaluatie meldde ik onder andere dat ik de vraag miste of ik gedronken had. Ik heb nog veel te leren van de (oude) filosofen, vrees ik.

Experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk
Een nieuwe vorm van filosofie bedrijven is de zogenaamde ‘experimentele filosofie‘. In een wat amateuristisch YouTube-filmpje, dat niettemin interactief is (kende ik nog niet) zie je een voorbeeld van experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk. Of eigenlijk onze waarneming van geluk bij anderen. Wat blijkt? Als we de mate van geluk of ongeluk van een derde proberen in te schatten, laten we ons leiden door waardeoordelen over die persoon:

Vooroordelen over vooroordelen
Nu kun je in dit geval vraagtekens zetten bij de vooroordelen wat betreft de waarden die uit dit filmpje spreken. De mijne zijn het niet. Aardig is wel dat ik me meteen bewust werd van wat mijn waarden dan wel zijn: ik vond de tweede Maria vooral ongelukkig overkomen omdat ze zo graag wil zijn als iemand anders. Ze is niet autonoom (wellicht evenmin als ik met mijn externe factoren, maar die komen er nooit op neer dat ik wil lijken op iemand anders). Een queeste naar roem en de rock-‘n-roll lifestyle vind ik niet per definitie verwerpelijk en een goede moeder zijn lijkt me niet per definitie een beter doel, zoals het filmpje wil doen geloven.

Interessant, ook filosofisch gezien, is natuurlijk dat die waardeoordelen bij het beoordelen van iemands ongeluk niet meespelen. Toch vragen de uitkomsten van dit soort filosofische experimenten nu juist om ‘standaard’ filosofisch onderzoek naar wat dat dan betekent. Heeft het te maken met ons empathisch vermogen dat zich niet laat hinderen door meer rationele waardeoordelen? Spreekt geluk van een ander misschien meteen onze competitieve drang aan, onze jaloezie?

Happyism en Happinez
In Vrij Nederland schreef Carel Peeters onlangs ook over de op z’n minst discutabele vraagstelling van het geluksonderzoek, ‘de 1-2-3-schaal’. De literatuur geeft tegenwicht aan die op positieve psychologie gebaseerde onderzoeken, dat uiteindelijk lijkt te resulteren in de stortvloed aan Happinez- en Flow-achtige bladen. ‘De uitkomsten zouden iets zeggen over de wereld van nu. Misschien zijn mensen sociologisch of economisch gezien wel ‘tamelijk gelukkig’. Maar wat hebben we daaraan, als de echte werkelijkheid veel genuanceerder is en in de literatuur te vinden is, bij Philip Roth, Jonathan Franzen of Martin Amis. Daar lees je hoe het werkelijk is gesteld. Je hoeft er zelfs niet voor naar de uitgesproken misantropische schrijvers. Al die sociologen, psychologen en sociaal-geografen zijn bezig met wat men in Amerika happyism noemt. Ze bepalen hoe grote groepen mensen zich zouden voelen. Je hebt er niets aan.’

Klare taal! Begeeft de ‘experimentele filosofie’ zich eigenlijk niet gewoon op het pad van de sociologie en de psychologie, daar waar volgens Carel Peeters een woord als geluk helemaal niet thuishoort? Wat is eigenlijk het verschil, als je niet verder ingaat op de betekenis van die waarden en woorden? Heeft het onderzoek uit het filmpje wel met geluk te maken, of gaat het soms alleen maar over die waardeoordelen waarmee we andere mensen de maat nemen?

Geluk als plicht
En hoe zit het met het waardeoordeel aller waardeoordelen, dat waarnaar het tegelijk grappige en lelijke woord happyism verwijst; namelijk dat iedereen wel zal streven naar geluk – sterker nog daarnaar moet streven. De tendens om geluk als een recht te zien – dat staat buiten kijf – en verder nog – geluk als plicht voor alle burgers? Om dat te ontmaskeren heb je inderdaad de literatuur nodig. 

Peeters haalt Kees van Kooten aan: ‘Ze kunnen bijvoorbeeld aan hedonia lijden, het onvermogen om van geluk te genieten. Voor die aandoening is geen plaats in de 1-2-3-schaal. Er zijn mensen die vinden dat ze sober (niet uitbundig) moeten leven, anderen stellen zich komende rampen voor, er zijn mensen die denken dat ze geen recht op geluk hebben, weer anderen hebben geen talent voor frivoliteit.’

Wat inderdaad met mensen die geen aanleg hebben voor geluk? Of die zich er niet zo voor interesseren? Die bijvoorbeeld wijsheid belangrijker vinden, of zorgen voor anderen vanuit diepgevoeld (religieus) medelijden, of zoveel mogelijk kicks opdoen al moeten ze voortdurend over hun pijngrens heen. Die daar misschien hun ‘geluk’ uithalen als zin van het leven, maar niet op de 1-2-3 manier. 

The unhappy child
Peter Stearns noemde in een mooie lezing over de geschiedenis van het opvoeden – die steeds meer een geschiedenis van het opvoeden tot geluk is – dat type kind dat vergeten wordt, of erger nog totaal verkeerd begrepen, the unhappy child. Die kinderen bestaan en zijn misschien niet ongelukkig, maar gewoon peinzend aangelegd, soms neigend tot een verdrietige grondstemming, maar vast ook in de wieg gelegd voor wijsheid. Geef ze een Happinez en ze zullen juist ongelukkig worden door de confrontatie met zoveel schreeuwerig geluk. Op welke schaal ze staan? Dat ligt helemaal aan het vooroordeel waarmee de wereld naar ze kijkt. 

Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten

cain_stil

Als ik aan zure matten denk, of ‘zure matten’ typ zoals nu, voel ik meteen mijn speekselklieren aan het werk gaan, haast alsof mijn wangen hamsterachtig opzwellen. Wat blijkt? Je reactie op zure dingen is een beproefde manier om te testen of je tot het introverte dan wel extraverte persoonlijkheisdtype behoort, zo las ik in Stil van Susan Cain. Daarin beschrijft ze wat introvert zijn betekent, wat de ‘kracht’ ervan is en waarom die zeker in de Amerikaanse cultuur niet onderkend wordt. Soms doet ze dat op wel erg defensieve wijze, maar al met al is het boek voor mij een eye-opener geweest. En niet alleen omdat ik nu weet waar dat excessief watertanden op wijst. (Hier vind je Cains TED-talk en een link naar een artikel van haar.)

Introvert dan wel extravert zijn; het klinkt als een gemakkelijke typering, maar Cain laat zien hoeveel verschillende dingen ermee te maken hebben. Ze begint met een soort alledaagse psychologie: we hebben allemaal wel een idee van hoe introverte en extraverte mensen zich gedragen. Daar hangen ook allerlei oordelen aan vast, impliciet (‘die stille jongen heeft vast niks te zeggen, saaaaaai!’ – terwijl, wat is er eigenlijk mis met ernst als deugd?) maar ook expliciet (grappig zijn de passages waarin Cain bijeenkomsten van zelfhulpgoeroes bezoekt, die stuk voor stuk gaan over het aankweken van extraversie, blijkbaar moet je van je introversie af geholpen worden). Het onderwijs is ingericht naar die oordelen, net als de werkvloer. Politiek, economie, culturele misverstanden: werkelijk alles weet Cain aan haar thema op te hangen.

Terug naar de basis. De wetenschappelijke basis van experimenten met citroensap. Hoe test je zoiets als introversie? Probleem is juist dat het daarin gaat om een voorkeur voor het innerlijke leven en ook letterlijk voor alleen zijn. Lange tijd richtte de sociale wetenschap zich alleen op de uiterlijke verschijningsvormen van gedrag. Terwijl innerlijk gedrag óók gedrag is, al kun je het niet observeren. Ook op dit gebied heeft de ‘physical turn‘ in het onderzoek een heel nieuw veld aan vragen en mogelijke hypothesen blootgelegd. Zoals het citroenexperiment (door mij vertaald naar de zure matten), dat overigens al in 1967 voor het eerst werd uitgevoerd. Als je gaat watertanden bij de gedachte aan zure matten, heb je een introverte aanleg – je reageert namelijk bovengemiddeld op externe prikkelingen.

Prikkeling lijkt het toverwoord te zijn waarmee al die thema’s – het lichamelijke, maatschappelijke, sociale, morele et cetera – te koppelen zijn. Hoe reageer je op prikkelingen? Ben je snel overprikkeld of zoek je steeds naar meer? Daar kun je je aan de hand van de voorbeelden die Cain geeft een beeld van vormen. Haar anekdotes en persoonsbeschrijvingen – van zichzelf en anderen – zijn inzichtelijk, soms herkenbaar, soms juist niet, maar altijd waard om over na te denken en jezelf aan te spiegelen. Een aantal van mijn voorkeuren valt op zijn plek: bijvoorbeeld voor de abstracte kunst van Mondriaan en De Stijl. En landschappen zoals woestijn (sneeuw-, rots-, zand- dat maakt niet uit, gewoon lege vlaktes). Aan de andere kant: ik ben van de harde muziek die liefst altijd op de achtergrond staat te spelen. (Wel rechttoe rechtaan, zoals ik schreef in mijn Nummer van de dag.)

Cain geeft wel af op de zelfhulpcultus, maar ze weet dondersgoed dat ze er zelf ook aan meedoet. Ze wil natuurlijk ons introvertelingen een hart onder de riem steken. De belangrijkste vraag die je dan moet zien te beantwoorden is: wat is je optimale prikkelingsniveau? Introverte mensen reageren heftig op veel prikkelingen, extraverte mensen kunnen wat dat betreft meer hebben. (Vandaar dat drukke – huilende – kinderen over het algemeen juist introvert zijn, anders dan veel mensen verwachten.) Uiteindelijk probeer je als introverte mens in een extraverte maatschappij je leven dan maar zo te organiseren dat het past bij dat optimale prikkelingsniveau – zoals natuurlijk iedereen dat doet. (Dat is overigens de vreugde van ouder worden: eindelijk je leven leiden naar je eigen inzicht.)

Soms gaat dat makkelijk, soms word je tegengewerkt. Om af te sluiten twee concrete voorbeelden die me aanspraken:

Social media
‘de sociale media hebben nieuwe vormen van leiderschap mogelijk gemaakt voor tientallen mensen die niet in het sjabloon van de Harvard Business School passen.’ … ‘Onderzoek heeft zelfs aangetoond dat introverte mensen gemiddeld meer dan extraverte mensen intieme feiten over zichzelf prijsgeven via internet die hun familie en vrienden zouden verbazen, vaker zeggen dat ze hun “ware ik” via internet kunnen uiten, en meer tijd besteden aan bepaalde internet-discussievormen.’

Herkenbaar. Eerder viel me een soort discrepantie op tussen mijn Twitter- en Facebookgebruik als het gaat om wat je vertelt en aan wie. Er is ‘de grote wereld’ en er zijn je nabije vrienden. Juist intieme informatie deel ik soms sneller met de grote, anonieme wereld dan met de kleine kring. Die laatste weet het op waarde te schatten en te interpreteren, wat niet altijd de bedoeling is, of wat beangstigend kan zijn. Twitter is volkomen openbaar en ik word gevolgd door allerlei mensen die ik helemaal niet ken. Toch zet ik sommige persoonlijke dingen daar eerder op dan op Facebook, waar de mensen mij beter kennen en dus weten waar ik het over heb. (Ik begrijp die beroemdheden dan ook wel, die allerlei privé-zaken spuien voor het grote publiek. Het maakt namelijk niet uit, want het publiek ken je niet, en kan daarom niet aan je komen.) Juist iets aan bekenden vertellen is eng, daar zet je jezelf op het spel. Het publiek kun je sturen, je bekenden niet, die brengen veel meer ter tafel wat je niet in de hand hebt en kunnen jou bovendien daarmee confronteren.

De kantoortuin
‘Kantoortuinen verlagen de productiviteit en verslechteren de geheugenfunctie. Ze vertonen een relatie met groot personeelsverloop. Ze maken mensen ziek, vijandig, ongemotiveerd en onzeker. Mensen die in een kantoortuin werken, hebben meer kans op hoge bloeddruk, stress en griep; ze maken vaker ruzie met collega’s, ze zijn bang dat collega’s hun telefoongesprekken afluisteren en op hun computerscherm spieden. Ze voeren minder persoonlijke en vertrouwelijke gesprekken met collega’s. Ze worden vaak blootgesteld aan luid en oncontroleerbaar lawaai, dat de hartslag verhoogt; dat zorgt voor de afgifte van cortisol, het vecht-of-vluchthormoon dat het lichaam bij stress aanmaakt; en dat mensen sociaal afstandelijk, licht ontvlambaar, agressief maakt en ongenegen om anderen te helpen.’

Verdere toelichting overbodig.

Zijn wij ons brein? E-book en afscheid

e-bookZijnwijonsbrein-

Zijn wij ons brein? Bij Studium Generale vroegen we verschillende wetenschappers om op deze stelling te reageren en vragen aan elkaar te stellen over de vrije wil, lichaam en geest. Elk vakgebied heeft weer een ander perspectief op de problematiek, trekt andere conclusies, maar bovenal: stelt andere vragen. Die interdisciplinariteit is typisch ‘Studium Generale’ en het resultaat is precies waarom ik zoveel plezier beleef aan wetenschap en filosofie. Het mooiste is dat het resultaat voor iedereen beschikbaar is. Alle reacties werden verzameld in een e-boek, dat hier gratis te downloaden is.

Gedrag ontstaat dankzij materie, maar kan daar niet uit worden afgeleid.

Dit citaat uit de bijdrage van neuroloog Jan van Gijn schreef ik alweer lang geleden over in mijn notitieboekje. Nog steeds blader ik er regelmatig naar terug (mijn geheugen laat me op dit soort momenten altijd in de steek). In zo’n eenvoudige zin zet Van Gijn de hele discussie neer en geeft meteen de problemen van te ver doorgevoerd reductionisme aan. Het hele boek staat vol met dit soort overwegingen – eenvoudig, niet nodeloos ingewikkeld, maar ook diepgaand en niet nodeloos versimpelend.

Mijn favoriete essay is dat van dr. Martijn van den Heuvel. (Ook weer een neuroloog, opvallend.) Van den Heuvel benadert het brein en al die vurende neuronen die wij zogenaamd zouden zijn vanuit de chaostheorie. In het onderstaande filmpje legt hij uit waarom wij niet ons brein zijn; we zijn de verbindingen in ons brein, het ‘connectome’. Een overtuigende theorie als je het mij vraagt.

Juist omdat deze beschrijving van het brein – en daarmee samenhangend de vrije wil en het lichaam-geest-probleem – geworteld is in de materie maar tóch ruimte weet te laten aan chaos, verandering en de beheersing daarvan, spreekt ze zo aan.

Mijn ‘ik’ is dan misschien niet meer dan functionele interacties tussen anderhalve kilo structurele connecties, maar het zijn wel míjn connecties die leiden tot een uniek, zelfgeorganiseerd evenwicht. Geïnitieerd door mijn genen en gevormd door mijn ervaringen en omgeving. Een prachtige creatie, volledig uniek, onvoorspelbaar en voor elk mens anders.

Nogmaals de link om het e-boek te downloaden met naast de essays van Martijn van den Heuvel en Jan van Gijn ook stukken van filosofen, taalkundigen, juristen et cetera, gratis en voor niks (en ik kan je vertellen dat er heel veel uren in zitten, ook van mij): Zijn wij ons brein?

Veel plezier ermee!

Vandaag is mijn laatste werkdag bij Studium Generale. Per 1 juni ga ik aan de slag bij de Hogeschool van Amsterdam bij het Instituut voor Netwerkcultuur en als docent.

Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode

muzikaal

Iedereen is muzikaal: het is de titel van de jaarlijkse Kunst- en wetenschapslezing, dit keer verzorgd door prof. dr. Henkjan Honing, het is ook de titel van zijn boek over muzikaliteit, én de kortste samenvatting van zijn wetenschappelijke stelling. Muzikaliteit is een heel gewone eigenschap die alle mensen delen; a-muzikaliteit is juist bijzonder. Ongeveer vier procent van de mensen lijdt aan ‘amusie’ – wat betekent dat je moeite hebt om verschillende melodieën te onderscheiden of platter gezegd, ‘toondoof bent.

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?

Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.

We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).

Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).

Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.

De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.

Kaketoe Snowball:

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Jaap van Ginneken – Het enthousiasmevirus

ginneken

‘Stemmingsbesmetting’: met dat woord duidt Jaap van Ginneken, massapsycholoog en schrijver, een heel aantal fenomenen, van Occupy en plotselinge verschuivingen in de publieke opinie tot teamgeest op de werkvloer. Door de sociale media en mobiel internet doet stemmingsbesmetting zich nog vaker en sneller voor. Nieuwe wetenschappelijke inzichten in bijvoorbeeld werking van spiegelneuronen in de hersenen tonen aan dat die ‘explosieve verspreiding van gevoelens’ ook diep in de natuur verankerd is. In Het enthousiasmevirus beschrijft hij deze twee ontwikkelingen op een toegankelijke, soms wat overvloedige wijze.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Hoe gevoelens besmetten – op afstand

Besmetting op afstand

De aanstekelijkheid van emoties is vanzelfsprekend bij moeder en kind. In kleine kring van naaste familie en directe collega’s kijkt niemand ervan op. Maar ook buiten lijfelijke nabijheid treedt die aanstekelijkheid op, zo laat Van Ginneken zien: onder het personeel van beursgenoteerde bedrijven en zelfs in de internationale politiek. Ook op grote afstand en tussen onbekenden is het mogelijk, vooral nu ‘iedereen online is’ zoals het in de ondertitel van Het enthousiasmevirus luidt. Dat betekent dat de manier waarop de publieke opinie vormt krijgt verandert en het reguliere beeld op economie, mode en psychologie om aanpassing vraagt.

Jaap van Ginneken behandelt bijvoorbeeld ‘stemmingsbesmetting’ in de economie. Zeker sinds de aanhoudende crisis begint door te dringen dat het idee van de homo economicus, die op rationele wijze beslissingen in zijn eigen voordeel neemt, een illusie is. Gevoel speelt een aanzienlijke rol in economie, zo wordt steeds meer duidelijk, en dat ‘subjectieve gevoel’ staat niet op zichzelf maar is onderhevig aan sterke invloed van buitenaf. Dat is te begrijpen in analogie met applaus in een theater; het applaus dat soms moeizaam op gang komt en vervolgens het hele publiek wildenthousiast krijgt. Al in de negentiende eeuw huurden theaterdirecteuren daarom klapvee in, dat vanaf de voorste en achterste rijen het applaus op gang moest brengen. Om een groep van duizend mensen mee te krijgen in een wave, schrijft Van Ginneken, heb je maar drieëndertig enthousiastelingen nodig. Zowel in de economie als in het theater verspreidt dat enthousiasme – of juist de angst – zich vervolgens als een virus.

Een wat ruim kader voor hypes

Van Ginneken gaat van voorbeeld naar voorbeeld, het een nog actueler dan het andere: Occupy, de Arabische Lente, het succes van de iPad. Dat springt enigszins van de hak op de tak. De stemmingsbesmetting werkt als een kader waarbinnen heel veel hypes en plotselinge veranderingen te plaatsen zijn. Dat maakt Het enthousiasmevirus als geheel wat overvloedig. Voor de zeer actuele zaken, zoals de revoluties in de Arabische landen, zal het lastig zijn geweest om ze verder uit te diepen, omdat ze nog steeds spelen en de afstand ontbreekt. Toch lijkt het soms alsof alles wel heel mooi in het kader past, terwijl dit juist extreem complexe processen zijn, waar ook tal van andere accenten te leggen zijn.

De rol van internet en sociale media is een constante die de lezer bij de les houdt. Interessant is de notie van internet als een medium van ‘massale individualisering’: iedereen krijgt online op basis van persoonlijke voorkeur opties voorgeschoteld; een unieke combinatie van massaliteit en individualiteit, van machinerie en persoonlijkheid. Van Ginneken spreekt van ‘het wandelende web’ van tablets en smartphones; we gaan toe naar een situatie waarin iedereen altijd online is. Dat heeft een aantal gevolgen. Je hoort meteen het nieuws, dat zonder interpreterend perspectief steeds een immense relevantie lijkt te hebben. Tegelijk zoek je zelf meteen nadere informatie, om tot een ‘eerste definitie’ van de gebeurtenis te komen. Dat bij elkaar genomen zorgt voor een onmiddellijke stemmingsverandering die zich in concentrische cirkels ‘over de aarde’ uitbreidt, besmettelijk is. De beeldcultuur versterkt dat nog eens.

Spiegelneuronen

Jaap van Ginneken put hoofdzakelijk uit de relatief jonge disciplines van de massapsychologie en de sociologie van collectief gedrag. Ook permitteert hij zich uitstapjes naar de evolutionaire biologie en het neurologische onderzoek naar spiegelneuronen (dat aan de basis van deze theorie ligt). Nog maar anderhalf decennium geleden ontdekten Italiaanse wetenschappers dat in de hersenen dezelfde neuronen oplichten op het moment dat je zelf iets doet of ervaart (bijvoorbeeld je eetlust bevredigen of huilen), als wanneer je iemand anders dat ziet doen. Je hersenen maken daar geen onderscheid tussen, maar spiegelen wat ze bij een ander zien gebeuren. Het kopiëren van emoties, oftewel de ‘besmetting’ daarmee zonder directe aanraking, ligt dus al in onze natuur besloten. Verwacht geen uitputtende behandeling van deze wetenschappelijke revolutie, ook hierin geeft Van Ginneken vooral in vogelvlucht een idee van de materie.

Dit boek verschijnt bij Business Contact en de schrijver probeert dan ook te laten zien wat de praktische toepassing is voor bijvoorbeeld communicatieprofessionals bij bedrijven die te maken krijgen met een plotselinge hype (het zijn natuurlijk vooral haatcampagnes die hen tot wanhoop kunnen drijven). Daarnaast helpt het weet hebben van stemmingsbesmetting om de teamgeest en werksfeer te bevorderen. Een toegankelijke en praktische inleiding in een vakgebied dat de komende jaren ongetwijfeld nog veel opzienbarend onderzoek zal opleveren.

Daniel Kahneman over het conflict tussen ervaring en herinnering

‘We don’t choose between experiences, we choose between the memory of experiences.’

In de TED-talk The riddle of experience vs memory bespreekt Daniel Kahneman een ‘cognitieve valkuil’ waar onderzoekers van geluk maar al te vaak in vallen. De ervaring van het geluk is iets anders dan de herinnering aan die ervaring. Of met andere woorden: de onmiddellijkheid van het moment moet je niet verwarren met de reflectie achteraf.

Herken je dit? Je ontmoet een leuke jongen (of meisje) en je gaat een paar keer samen uit. Na een paar afspraakjes loopt het spaak. Met een knal spat het prille geluk uiteen. Al die tijd bleek hij een stuk of zes ‘projectjes’ te hebben lopen waar jij er toevallig één van was. Wat een vreselijke ervaring, denk je. Maar de ervaring, die paar mooie avonden en wilde nachten, is helemaal niet veranderd. Die momenten zijn immers allang vervlogen en blijven onveranderlijk gelukkig. Het is de herinnering die is veranderd en die het geluk transformeert tot iets vreselijks.

We hebben twee zelven, aldus Kahneman: het ervarende zelf en het herinnerende zelf. De eerste is degene die in het heden leeft, in de onmiddellijkheid van het moment. De tweede kijkt terug op het verleden en vertelt daar verhalen over, gebaseerd op de herinnering. Bij het denken over geluk zijn we geneigd de twee zelven te verwarren. Ze raken met elkaar in conflict. Enter ellende.

Is het niet zonde om de gelukkige ervaring weg te gooien, alleen omdat de herinnering er achteraf een grauwsluier overheen trekt? Vind ik wel. Ik probeer altijd het geluk voor ogen te houden dat een moment bezat, los van wat er verder op volgde. Dat is niet makkelijk, want wat de boel verder compliceert is het belang dat nu net het einde van een ervaring heeft bij het construeren van de herinnering eraan. Kahneman vertelt over patiënten die een pijnlijke medische ingreep ondergaan. Bij de een eindigt de ingreep na een korte tijd (zeg, vijf minuten) op het hoogtepunt van de pijn. De ander moet tien minuten lijden, maar van die tien minuten zijn de laatste vier niet zo heel erg. Zijn herinnering aan de ingreep zal daarom minder negatief zijn dan van zijn lotgenoot, ook al duurde de ingreep dubbel zo lang.

Zo werkt het ook in de liefde. Als het prille geluk inderdaad met een knal uiteenspat, zal het moeilijker zijn om de herinnering aan de gelukkige momenten ook gelukkig te houden. Hoe lang of hoe kort ze ook duurden. Een cognitieve valkuil, in de woorden van Kahneman ‘the tiranny of the remembering self’. Dat is er eentje om met een lange aanloop sierlijk overheen te springen.

(Overigens is tussen de regels door in Kahnemans praatje ook een pleidooi te horen voor een levenskunst van de ervaring, voor actie is altijd beter dan geen actie. Mooi.)

Eindejaarslijstje: favoriete Studium Generale-lezingen in 2011

Het klinkt als een open deur of ‘wij van wc-eens adviseren wc-eend’, maar het was lastig een top 3 samen te stellen uit de vele lezingen die ik dit jaar bij Studium Generale heb begeleid. Maar vooruit.

SG4

1. Was there a ‘Time’ before the Big Bang? – Prof. dr. Renate Loll
Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
Terugzien doe je hier.
– En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

SG1

2. Levenskunst: Wu Wei. Doen door niet te doen door prof. Maarten van Buuren
Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat ‘wu wei’ verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
Terugzien doe je hier.
– En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

SG3

3. Sigmund Freud door Paul Schnabel in de reeks Kennis voor de toekomst
Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
Terugzien doe je hier.
– En/of lees: Freud – Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

SG2

Voor mij persoonlijk was het interview ‘live on stage’ met prof. Frans de Waal op festival deBeschaving het meest bijzondere om te doen dit jaar. Hij vertelde voor een volle festivaltent over apen en mensen, over macht en seks, over gedrag en moraal. Daar is helaas geen opname van. (Behalve als degene die op de eerste rij zat met een videocamera zich alsnog meldt!)

Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk

Stel, je wordt voor het altaar verlaten. Dat moet wel een van de meest dramatische gebeurtenissen van je leven zijn. Het ergste wat je kan overkomen, iets wat niemand mee wil maken. Maar stel: je vraagt een aantal mannen en vrouwen die het hebben meegemaakt, die daadwerkelijk voor het altaar zijn verlaten, hoe ze die gebeurtenis zouden beschrijven. Als het ergste wat ze ooit is overkomen? Of als het beste? Tien tegen één dat een flink deel zal zeggen: verlaten worden voor het altaar is het beste wat me ooit is overkomen.

Psycholoog Daniel Gilbert, van wie dit voorbeeld afkomstig is, doet onderzoek naar hoe mensen hun toekomstig (geluks)gevoel weten in te schatten. Niet zo goed, zo blijkt. En dat vooral omdat de impact van gebeurtenissen veel groter wordt geacht dan ze in werkelijkheid is. Neem het verlatingsverhaal: uiteindelijk maak je er inderdaad een verhaal van, waarin alle elementen betekenis krijgen. ‘Ik mag m’n ex wel dankbaar zijn dat ie is weggelopen, want een paar jaar later ontpopte hij zich tot crimineel.’ Of (deze kun je bij elke tegenslag gebruiken): ‘Deze dramatische gebeurtenis heeft me alleen maar sterker gemaakt dan ik daarvoor was.’ (Hoogmoedigen willen hierbij graag Nietzsche op z’n Amerikaans aanhalen: if it doesn’t kill me, it makes me stronger.) Je kunt zelfs een cirkelredenering gebruiken: door weg te lopen bij het altaar, bewees hij dat hij het niet waard was om mee te trouwen.

Het bestaan van dit trucje, waar de mens toch zelf zo goed in is, vergeten we meestal als we nadenken over hoe het is om met tegenslag om te gaan. Daarom verwachten we dat tegenslag een veel grotere impact zal hebben dan ze heeft, aldus Gilbert. Het trucje werkt bovendien onbewust, je kunt niet gaan zitten en eens even rustig een verhaal breien van je mislukte trouwerij om vervolgens vrolijk verder te gaan.

Dat brengt me op één punt waar Gilbert het niet over heeft en dat volgens mij wel cruciaal is: tijd. Het mag misschien waar zijn dat je tegenslag op een gegeven moment weet om te buigen tot een positieve wending in je leven, maar dat gebeurt nooit meteen. Het duurt even voordat je zover bent dat je je eigen verhaal op orde hebt en ook gelooft. De seconden, minuten, dagen en weken nadat de verschrikkelijke waarheid tot je doordringt dat die eikel je bij het altaar heeft laten staan, zijn toch echt de ergste die je ooit zult meemaken. Dat je er later een mooie betekenis overheen weet te leggen, verandert daar niets aan. Het is een nieuwe blik op iets uit het verleden, niet een nieuw verleden.

Ook vraag ik me af of de mens hier echt zo onbewust mee omgaat. ‘Later lachen we erom’ is toch een veelgebruikte uitspraak (misschien niet in Amerika?) die precies dit mechanisme vooropstelt. En wat zeg je tegen iemand die bijvoorbeeld zijn baan kwijtraakt? ‘Wacht maar af, uiteindelijk komt er vast iets beters voor in de plaats.’ (Ik weet uit ervaring dat iedereen dat dan tegen je zegt en ook dat het waar is.) Je moet dat niet alleen tegen anderen zeggen, maar ook tegen jezelf, lijkt Gilberts boodschap.

Het voorbeeld hierboven komt uit het hoofdstuk ‘Immune to reality’ uit Stumbling on happiness. Gilbert gaf ook een vermakelijke TED-talk over het onderwerp, de moeite van het kijken waard:


Filmpje: Tijd – een wetenschapsfilosofische verkenning

Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’