Een oneindig dunne draad

wiskundige_punt

‘Mijn ritme veranderde: overdag sliep ik, ’s nachts lag ik wakker. Ik begon ook last te krijgen van een soort angstvisioenen, waarbij ik het gevoel had dat alles zich samenbalde tot een compacte massa, kleiner en kleiner, tot er uiteindelijk één loodzwaar punt overbleef. Niet te harden zo zwaar. Daarna raakte de boel weer los en ontstond er een draad, die almaar dunner werd, oneindig lang en dun, en dan weer dikker en weer dunner, heen en weer…’

Herman Finkers was als kind ernstig ziek, vertelt hij in Hollands Diep. Dit angstvisioen stamt uit die tijd. Een herkenbaar visioen, dat gevoel dat je almaar groter wordt, uitdijt als het heelal, tot je opeens weer heel klein en nietig bent, als een wiskundige punt, omringd door oneindig veel andere punten. Loodzwaar inderdaad, zo zwaar dat het net zo goed licht kan zijn.

Dit zo treffend verwoorde visioen verwijst naar een gedeelde menselijke ervaring (mocht Finkers dat nog niet weten, dan verzeker ik het hem hierbij). Een vriend bekende eens schoorvoetend dat hij soms, tijdens een koortsaanval of in een heel zwaarmoedige bui, alle gevoel voor proporties verloor en daar het gevoel voor terugkreeg een lange, uitgerekte draad te zijn. Alsof je in een zwart gat gezogen wordt, dat eindeloos, aan alle kanten aan je trekt, je verplettert onder een enorm gewicht. De deegroller van het niets. Zwarte materie. Er hoorde ook een marcherende stoet bij, van talloze andere draden, die tegelijk reusachtig veel groter en microscopisch veel kleiner waren. Ook dat herken ik. Eenmaal had ik dit visioen als klein kind en vertaalde de hoeveelheid draden of punten of zwarte gaten in Chinezen, omdat ik kort tevoren had geleerd hoeveel er daarvan leven. Meer dan een miljard.

‘De angst dat een klein wollen draadje, dat uit de rand van de deken steekt, hard zal zijn, hard en scherp als een naald; de angst, dat dit kleine knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst, dat dit broodkruimeltje, dat nu van mijn bed valt, van glas is en in duizend splinters zal stukspringen op de grond, en de beklemmende vrees, dat daarmee eigenlijk alles gebroken zal zijn, alles en voorgoed; de angst, dat het strookje papier van een opengescheurde envelop iets verbodens is, dat niemand zien mag, iets onbeschrijflijk kostbaars, waarvoor geen enkel plekje in de kamer veilig genoeg is; de angst, dat ik, als ik in slaap val, het stuk steenkool zal inslikken dat voor de kachel ligt; de angst, dat er een of ander getal in mijn hersens zal beginnen te groeien, tot het geen ruimte meer in mij heeft; de angst, dat het graniet is, grijs graniet, waarop ik lig; de angst, dat ik zou kunnen schreeuwen en dat men dan voor mijn deur zou gaan samenscholen en haar ten slotte openbreken; de angst, dat ik mij zou kunnen verraden en alles zeggen, waarvoor ik bang ben; en de angst, dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat niets is uit te spreken, – en de andere angsten… de angsten.’

Rilke voegt met deze beschrijving van het visioen, uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge, nog iets toe: wol. Voor mij hebben wollen pluisjes evengoed met het visioen te maken. Daarom is die eerste zin ook zo treffend. Maar wat wol ermee te maken heeft? Misschien is het de structuur: wol vormt eenheid, maar vol lucht (lege materie) en die piepkleine pluisdraadjes die eruit steken zijn nu eenmaal onverdraaglijk. Op de kleuterschool hadden mijn vriendinnetjes en ik eens voor de grap een vel papier versnipperd en in de lucht gegooid. Het sneeuwt! De juf was boos. We moesten alle snippertjes een voor een oprapen van de vloer. Nog steeds voel ik het kippenvel dat de pluizige vloerbedekking mij gaf, toen ik met duim en wijsvinger die snippertjes probeerde te pakken. Een vormende ervaring.

Hoe het visioen te verklaren, deze gedeelde menselijke ervaring (vier casussen, uit drie landen, drie generaties en twee sekses)? Het uitdijende heelal, de zwarte gaten en de microscoop wijzen een mogelijke weg om het visioen te duiden. Het gaat om afstand. De allergrootste afstand – die tussen sterrenstelsels en tot aan het einde van de ruimte; en de allerkleinste afstand – van deeltjes die ontsnappen aan alle natuurwetten en op verschillende plekken tegelijk kunnen bestaan. De mens, wij, staan daar precies tussen. Het allergrootste verhoudt zich zo tot het allerkleinste, met de mens als gemene deler. Maar soms dringt de afstand zich aan ons op, hij trekt aan ons van beide kanten, duwt ons weer samen, maakt ons plat, verplettert ons. Niet alleen tegenover het immense staan we nietig; ook tegenover het piepkleine. Niet eens pluisjes, maar draadjes die uit het pluisje steken. (Niet voor niets beschrijft de astronomie de ruimte als ‘schuim’.) Als we bestaan uit deeltjes die op meerdere plekken tegelijk bestaan, wie zijn we dan? Het is de ervaring van de onmogelijke mogelijkheid van oneindigheid.

Het laatste woord is aan Rilke: ‘De werkelijkheid is langzaam en onbeschrijflijk uitvoerig.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *