Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt.

Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]

De vrouw draagt een blauw topje, met haar blote armen en haar haren los ziet ze eruit alsof ze op vakantie is. Ze staat voor een oud gebouw met dikke stenen muren en een houten poort met klinknagels en beslag. Over de muren is prikkeldraad gespannen en voor het piepkleine raampje naast de poort zitten tralies. ‘Ik heb altijd al een gevangenis willen bezoeken,’ zegt ze.

Dan is ze binnen. Boven de getraliede toegangsdeur naar het cellencomplex hangt een bord: de Greta Pseudo-vleugel. Vreemd, deze vleugel is vernoemd naar mij, denkt ze. En ja, in alle cellen die op de lange gang uitkomen, zit zijzelf, cel na cel ziet ze blauwe topjes, losse haren en blote armen die langs de spijlen hangen.

Of is ze het niet? Greta staat immers op de gang, vrij om zich langs de cellen te bewegen. ‘Waarom zit je in de gevangenis?’ vraagt ze aan haar dubbelgangers. Omdat ik een dief ben zegt de een, en ik ontrouw zegt de ander, en hoe verder ze komt, hoe moeilijker het wordt om nog te weten wie wie is, wie zij zelf is. Helemaal op het eind van de gang roept er een, de ergste: ‘Laat me d’ruit, ik ben getrouwd met een rijke man!’

De strip is een getekende interpretatie van een boek over vrijheid, Freedom Regained: The Possibility of Free Will van Julian Baggini, en hij verbeeldt iets wat me al een lange tijdbezighoudt. Zoals er een voor en na is van politieke gebeurtenissen – voor en na de val van de Muur, voor en na 9/11, voor en na de crisis – bestaat er ook een voor en na van persoonlijke gebeurtenissen.

Breekpunten verdelen de voortruisende tijd in een voor en een na: de affaire met X, de dood van Y. Dat is niet alleen een handige manier om je leven te structureren, om overzicht te bewaren in een brij van gebeurtenissen, die breekpunten lijken ook te maken te hebben met vernieuwing of zelfs vooruitgang in je leven, ze lijken ruimte te scheppen voor een andere versie van jezelf.

‘Voor en na’ klinkt dan ook veel te makkelijk, alsof er gewoon een moment is geweest waarop iets gebeurde, een moment dat je kunt aankruisen op de kalender. Terwijl het ‘waarop iets gebeurde’ veel en veel ingrijpender is dan je met een kruisje op een kalender kunt aanmerken. Je kunt immers elk moment wel aankruisen, maar wat heb je daaraan?

Bij de echte ‘voor en na’s’ is er iets anders aan de hand, iets wat ik begreep door die strip. Het is alsof in die momenten een versie van je ik – de versie die tot op dat moment leefde – bevriest in de tijd, als een insect dat duizenden jaren geleden gevangen werd in hars en nu als barnsteen aanspoelt op het strand. Al die tijd heeft het insect bestaan, in dezelfde houding, zonder te bewegen, verbaasd, onverschillig, gek.

Valt met zo’n kruis op de kalender dan steeds weer een celdeur in het slot, op de gevangenisvleugel die je eigen naam draagt? Dat klinkt wat mij betreft te duister, en ook te veel als een sentimenteel cliché.

Tot mijn vierde woonde ik in een ander land. Mijn vader was Nederlands, maar toch komt het me min of meer toevallig voor dat ik hier ben opgegroeid en niet in mijn moederland. Als kind vond ik het leuk om te fantaseren over de virtuele tweelingzus die ik in dat andere land had achtergelaten en die een heel ander leven leidde dan ik (uiteraard een beter, makkelijker en spannender leven).

Als ik nu terugkijk naar het moment waarop we naar Nederland verhuisden, een moment dat ik gewoon kan aankruisen op een weliswaar oude kalender, zie ik een piepkleine versie van mezelf, een kleuter die staat te kijken naar de huisraad die in een vrachtwagen wordt geladen, bevroren in dat hoogzomerse moment, dán en dáár.

Ander voorbeeld. Inmiddels twaalf jaar geleden zat ik aan een sterfbed, laat ik het zo neutraal houden. Ik zat aan een sterfbed en eigenlijk zit ik daar nog steeds, bevroren als twintiger in een leven dat niet meer het mijne is en toch onvervreemdbaar bij me hoort. Ik bedoel niet dat ik dat sterfgeval maar niet achter me kan laten – hoewel dat ook zo is – ik bedoel dat ik mezelf achter heb moeten laten en ik dat zelf terugkijkend alleen met enige verwondering herken.

En dat is toch een beetje alsof ik als achteloze toerist een gevangenis bezoek (‘altijd al eens willen doen!’) en daar, op de Miriam Rasch-vleugel, mijn oude zelf zie zitten.

‘Voor en na’ is in dat beeld vervat, de bevroren still waarin je jezelf tegelijk wel en niet herkent. Ik ben niet meer dezelfde als de jonge vrouw die daar op de beddenrand zit, maar wie ben ik dan wel? Ik denk graag dat ik nu een beter iemand ben (hoewel dat zou betekenen dat degene die daar doodging die betere versie van mij niet heeft meegemaakt), het breekpunt met z’n voor en na heeft dat bewerkstelligd. Maar heb ik dat ook aan mezelf te danken?

Een van mijn studenten vroeg me niet zo lang geleden in alle ernst: ‘Mevrouw, gelooft u in de vrije wil?’

Ik stamelde een beetje, want het was pauze en het was duidelijk dat hier niet het juiste antwoord werd verwacht, maar mijn antwoord. En zoals je in zo’n geval het beste kunt doen, stelde ik een tegenvraag. ‘Geloof jij dat de mens kan veranderen?’

De jongen zweeg even en zei toen: ‘Nee.’ Karakter is karakter, daar doe je niets aan, dacht hij.

Misschien is het naïef om te denken dat de mens kan veranderen en zijn het alleen omstandigheden die veranderen. Het achterlaten van die twintiger aan het sterfbed, net als die kleuter in dat andere land, is met geen mogelijkheid een eigen keus te noemen: het breekpunt dat een ‘voor en na’ schept, zijn omstandigheden die je maar hebt te accepteren. En toch, als ik terugkijk, dan zie ik iemand zitten die sterk op mij lijkt, met wie ik een lange geschiedenis deel, maar die ik toch niet ben. Ik kan er niet omheen dat zij, zo bevroren in het moment, iemand anders is.

‘Ik geloof wel dat de mens kan veranderen, of je dat nou zelf doet of niet,’ zei ik dan ook. ‘En daarmee geloof ik in elk geval een klein beetje in het bestaan van in elk geval een klein beetje minieme vrijheid.’

Slavoj Žižek schrijft in zijn boek Event over de filosofie van de gebeurtenis. Een gebeurtenis heeft, zegt hij, ‘per definitie, iets wonderbaarlijks’. Een gebeurtenis is ‘een effect dat zijn oorzaken lijkt te overstijgen’. Een voorbeeld is verliefdheid – de effecten van liefde zijn wel terug te voeren op de oorzaak, namelijk het ontmoeten van een verrukkelijk persoon, maar zijn daar toch op geen enkele manier toe te reduceren. Je kunt wel gevallen zijn op die sensuele lippen, maar als iemand jouw liefde reduceert tot zijn lippen, voel je je beledigd.

Dat betekent ook dat die verliefdheid, die je is overvallen, niet meer terug te voeren is tot een begrijpelijke oorsprong. Eerder gaat die terug tot een sprong, kun je met Kierkegaard zeggen. Een sprong in het onbekende, waarvan je niet weet hoe je er aan de andere kant uit zult komen. Dat is de reden dat we zeggen: dat was vóór X, of, als de liefde over is en die liefde terugkijkend even onbegrijpelijk lijkt als in de staat van verliefdheid het niet-samenzijn, dat was ná X. Je kijkt terug en ziet jezelf zitten, onwetend van de machtige gebeurtenis die binnen afzienbare tijd over je heen gaat walsen, en je weet: dat was ik, maar ben ik zeker niet meer.

Dat zoiets ook voor de dood geldt, mag geen verbazing wekken. De dood begrijpen we al amper, dus de effecten van de dood zeker niet. De gebeurtenis van de dood rukt de ene mens weg uit het leven, en bevriest de andere die daar getuige van is voor altijd aan de beddenrand: dat was ik ja, maar ik ben het niet meer.

Dat zou ik de gebeurtenis in het leven van de mens willen noemen. En het zijn die momenten die je moet onderzoeken om iets te weten te komen over de mogelijkheden van de mens. Nou ja, of de mens überhaupt mogelijkheden heeft. Daarvoor moet je ‘door het fantasme heen gaan’, ‘er de fundamenten van stukslaan’, zoals Žižek schrijft, of zoals het ook heet: de ‘catastrofe van je karakter’ ontdekken.

Een jonge vrouw is gewoon haar leven aan het leiden, dan klinkt een heel hard ‘Freeze!’, zij bevriest in de tijd en loopt tegelijkertijd door, een dubbelganger, een versie 2.0, een ander. Soms ziet ze een ketting met een hanger van barnsteen waar een insect in gevangenzit, de vleugels gespreid en de ogen wijd open, en denkt terug aan die ikken die nog steeds in momenten bevroren zitten. Hoe is ze in vredesnaam hier terechtgekomen? Het had iets te maken met dat punt in de tijd, maar lijkt er toch helemaal van losgezongen, alsof het leven met centrifugale kracht van de achtergelaten ik werd weggeslingerd.

Dus de mens kan veranderen, maar of ze het ook aan zichzelf te danken heeft, weten we nog steeds niet. Is elke sprong een sprong in het wilde weg of kan die ook gericht worden? Misschien heb ik te veel Sartre gelezen en geloof ik daarom dat de gebeurtenis in de kern vrij is. ‘Die buitengewone, fantastische momenten waarin het vroegere project in het verleden verzinkt in het licht van een nieuw project dat op de ruïnes van het oude oprijst, dat nog maar een vage vorm heeft en waarin vernedering, angst, blijdschap en hoop nauw samengaan, waarin we loslaten om te grijpen en grijpen om los te laten, hebben vaak het helderste en ontroerendste beeld van onze vrijheid te zien gegeven,’ schrijft Sartre in Het zijn en het niet over ‘het moment’. Ook dat is een breekpunt tussen een voor en een na, een breekpunt dat wordt aangegrepen om het leven, om jezelf, te veranderen.

Wat de uitkomst daarvan is, doet er niet zoveel toe. Je kunt de vraag namelijk ook omdraaien: juist omdat je niet weet wat de effecten zijn van de gebeurtenis, omdat die iets wonderbaarlijks heeft, je geen idee hebt wat je tegenkomt in versie 2.0 van jezelf, is er sprake van vrijheid. Minieme vrijheid misschien, maar ook minieme vrijheid is vrijheid.

In Broer, het boekenweekgeschenk van Esther Gerritsen, zit de hoofdpersoon Olivia ín zo’n gebeurtenis. Het been van haar broer Marcus wordt geamputeerd – een vrij absurde mogelijkheid die plotseling realiteit wordt. ‘Er gebeurde iets onherroepelijks in het leven van haar broer, nu,’ schrijft Gerritsen in het begin van het verhaal. Het zet een verandering in gang die zij via deze vrouw op een ontroerende manier beschrijft. Aan het eind van het verhaal – excuses voor de spoiler, maar ook als je dit weet is het nog steeds de moeite van het lezen waard – is er een nieuwe situatie ontstaan voor Olivia, haar man, zoons en natuurlijk voor Marcus. Een totaal nieuwe situatie van vreedzaam samenzijn in de familie, die te begrijpen is als een gebeurtenis zoals Žžek die beschrijft: een wonderbaarlijke uitkomst die terug te voeren is op de amputatie van dat been, maar daar tegelijkertijd op geen enkele manier toe te reduceren is.

De omstandigheden zijn veranderd, maar ook Olivia zelf is onherroepelijk een ander geworden, al duurt het even voor ze het wil toegeven. Ze sluit zichzelf op in de ziekenkamer van haar broer:

‘In de kamer van haar broer, waar hij zelf nog nooit was geweest, kleedde Olivia zich uit. Ze ving een glimp op van zichzelf in de spiegel boven de wastafel en toch zag ze zichzelf niet als gewoonlijk. Zij was het, ze zag dat ze gebogen stond, ze zag haar lichaam, maar haar uiterlijk was onbeduidend geworden, onnoembaar, zo volkomen onbelangrijk dat het er evengoed niet had kunnen zijn.

In een hoopje lagen haar kleren op de vloer. Iets blauws dat doorging voor haar lievelingsjurk. De lila beha, blauw slipje, beige sandalen. Omhulsels van een spook, een onzichtbaar mens in een animatiefilm van wie enkel de kleren te onderscheiden zijn. Ze haalde de clip uit haar haar, het laatste zichtbare dat aan haar lijf was verbonden, en wierp hem op de kleren. Even was ze niet meer te traceren.’

Als ze later de kamer verlaat, haar oude zelf achterlatend om zich bij haar familie te voegen, is het voor en na daadwerkelijk voltrokken. Wankelend op haar hakken loopt ze van de oude situatie weg, de nieuwe tegemoet.

Dit is wat niet klopt aan het beeld van de gevangenis uit de strip, of misschien moet ik zeggen, wat ik anders zou willen zien: het gaat niet om het opsluiten en gevangen zetten van die oude, ongewenste versies van jezelf, het vóór uit het voor en na is niet een almaar uitdijend cellencomplex waarin al die ikken die je van je hebt afgeschud achter slot en grendel moeten blijven zitten, de sleutelbos steeds groter en zwaarder aan je broekriem. Het gaat om het moment waarop je de deur opent en naar buiten stapt.

Broer laat zien hoe omstandigheden die veranderen de mensen ín die omstandigheden mee veranderen. De ongewilde buitenstaander – de broer wordt geïntroduceerd als ‘klojo’, ‘waardeloze suikerpatiënt’, ‘sukkel’ – krijgt een amputatie te verwerken, een gruwelijk gemis dat uiteindelijk alle leden van deze kleine gemeenschap van de familie bij elkaar brengt. ‘Dit is mogelijk, dit kan gebeuren,’ lijkt het verhaal te zeggen. Daartoe moet je degene die je was weliswaar achter je laten, van je af stropen als een dunne zijden lievelingsjurk, zodat een nieuw lichaam naar buiten kan komen, maar je moet diegene juist niet opsluiten.

Integendeel, het gaat erom de mogelijke nieuwe versies van jezelf te bevrijden. Die onwetenden van voorheen kun je gewoon laten zitten in hun enkele bevroren still, die gaan heus nergens heen. Wie stapt er uit het frame, de toekomst in? Er is een mogelijkheid, hoe miniem ook, dat zij beter zal zijn dan wie ze achterlaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *