Vrijheid en noodzakelijkheid voor iedereen

niets_cadeau

Vrijheid en noodzakelijkheid: twee kernbegrippen in de filosofie. Je zou de hele geschiedenis van de wijsbegeerte kunnen beschrijven aan de hand van de vraag of we een vrije wil hebben, wat de mens ‘beweegt’ en of je daar invloed op hebt. De meest ingewikkelde filosofische theorieën hangen met dit begrippenpaar samen. De mooiste momenten zijn wanneer je zo’n complexe problematiek opeens kunt voelen, op een heel simpele manier. Zo’n moment had ik bij het lezen van Niets cadeau van Gerard Visser, een ‘filosofisch essay over de ziel’.

Daarin gaat het niet over de meest eenvoudige materie. De ziel is een besmet begrip in de filosofie en dan onderzoekt hij het ook nog aan de hand van moeilijke Duitsers als Wilhelm Dilthey en Heidegger. Wat de ziel is, hangt samen met de vraag naar vrijheid en noodzakelijkheid. Als je uitgaat van het bestaan van de ziel, zit daar meteen een zekere noodzakelijkheid in: je hebt hem en je hebt het er ook maar mee te doen. Maar zonder dat je er in vrijheid ook daadwerkelijk iets mee doet, blijft de ziel… zielloos.

Visser maakt dat in een passage over Kierkegaard en Heidegger invoelbaar en voor iedereen begrijpelijk. Kierkegaard schrijft uiteindelijk steeds naar het religieuze toe. Hij stelt: ‘Ik ben een christen.’ Om te vervolgen: ‘Bén ik een christen?’ Heidegger breidt deze gedachtegang uit. Hij zegt: ‘Ik ben er.’ En vraagt: ‘Bén ik er?’

Dat is allemaal nog erg abstract. Visser laat echter zien hoe dit verder door kan werken. Je kunt namelijk van alles invullen in de twee zinnetjes. Zelf schrijft hij: ‘Ik ben vader van mijn kinderen.’ Duidelijk. Maar: ‘Bén ik vader?’ Dat kan iedereen zelf uitproberen. ‘Ik ben…’ ‘Bén ik…?’ Als het goed is voel je de filosofie knarsend in werking treden.

Visser schrijft: ‘Die vraag, die een feitelijke stand van zaken op slag verandert in de mogelijkheid die zij existentieel gezien is, staat voorop. Zij kan zich tot op mijn sterfbed blijven aandienen.’

Wat betekent dat precies? Dat laatste geeft aan dat het in de filosofie van Heidegger steeds uitloopt op je verhouding tot de dood. Het is de dood die maakt dat we onszelf dit soort vragen stellen. De dood is daarmee het punt geworden waarin het leven samenbalt, een soort prisma waarin het leven is gevangen maar ook naar alle kanten uitstraalt. Pas op het sterfbed eindigt de zingeving van het leven, de vraag ‘Bén ik’ blijft zich tot dat moment steeds weer aandienen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat je tussendoor die vraag niet ook over andere dingen mag stellen, als een soort deelonderzoekjes binnen het grote geheel.

‘Ik ben blogger.’ ‘Bén ik een blogger?’ De omkering opent een scala aan vragen, waarden, aannames, twijfels, mogelijkheden. Van een ‘feitelijke stand van zaken’ – inderdaad, ik hou een weblog bij, dus ik ben blogger, klaar over en uit, zaak gesloten – ga ik over naar ‘de mogelijkheid die zij existentieel gezien is’ – de zaak is heropend. Met andere woorden: noodzakelijkheid verandert in vrijheid.

Van hieruit kun je verder redeneren over wát zich in deze vrijheid openbaart (de ziel?), en of de ‘existentiële mogelijkheid’ al dan niet een opdracht of verplichting met zich meebrengt. Wat je daar verder ook van maakt, om de vraag ‘Bén ik…?’ kan niemand heen. Dat is een soort philosophy for the millions. Mooi.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *