Beste boeken 2011

Tijd voor mijn jaarlijkse boekenoverzicht.

Ik las 46 boeken in 2011, waarvan ongeveer de helft ook in 2011 verscheen (25 stuks). Zes boeken zijn niet uitgelezen terug de kast in gegaan. En ik ben op dit moment nog met drie boeken bezig, alledrie zeer de moeite waard. Over twaalf boeken schreef ik een recensie voor 8WEEKLY.

Gemiddeld aantal sterren voor alle gelezen boeken: 3,33.
Gemiddeld aantal sterren voor de boeken uit 2011: 3,12.
Dat is flink lager dan vorig jaar.

Vier boeken kregen van mij de hoogste waardering van vijf sterren, één daarvan komt uit 2011 (de vertaling, niet het origineel). Dat is wat mij betreft dan ook het beste boek van 2011. De rest volgt...


Beste boeken uit 2011

de_kaart_en_het_gebied
1. Michel Houellebecq - De kaart en het gebied
'De eenzaamheid sijpelt door het boek heen, en zelfs die roept op den duur bij de personages geen weerstand meer op. Sterker, de eenzaamheid wordt een gekozen bestemming.' Lees verder: Michel Houellebecq - De kaart en het gebied

2. Jennifer Egan - A visit from the goon squad
'How did I get from A to B?' Lees verder: Jennifer Egan - A Visit from the Goon Squad

3. Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot
Over de liefde en reddende engelen: Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot

4. Justine Le Clercq - De roemlozen
Filmpje!

5. Stine Jensen - Echte vrienden en Bas Heijne - Echt zien
Twee essays delen de vijfde plek. 'There is no going back to reality just as there is no going back to virginity.' (Filosofen en social media: een oppervlakkige relatie); Smaak is 'smaak' geworden: Bas Heijne - Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk

6. Julian Barnes - Polsslag
'De verhalen in Polsslag van Julian Barnes spelen zich af tussen het explosieve moment dat twee mensen verliefd worden en de implosie van de dood.'


Beste boeken gelezen in 2011

7. Alain Finkielkraut - Een intelligent hart (2010, vertaling)
'Het kunstwerk behoort niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.' Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart

8. Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk (1961)
'Iedereen die in geluk gelooft, is ongelukkig.' Iedereen die Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert leest, is in elk geval voor een paar uur gelukkig. En moet wel gaan geloven in literatuur. Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk

9. Yves Petry - De maagd Marino (2010)
Won dit jaar de Libris Literatuurprijs, en terecht. Prachtig citaat hier: Herfst, tweemaal.

10. Laurent Binet - HhhH (2010)
Een goed boek waar ik helemaal niets over heb geschreven. Schande.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde en reddende engelen: Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot

marriage_plot
Wat is dat toch met vrouwen die zo nodig de man willen redden? Je kent het wel: ze worden verliefd op mannen die niet zozeer een probleem hebben, maar die problematisch zijn, en menen vervolgens dat zij dat problematische zullen gladstrijken door hun liefde. Zij zullen de veilige thuishaven zijn. Het problematische is aantrekkelijk vanwege het raadselachtige. Dat hoort er ook bij: dat zij het raadsel van deze ene man zullen oplossen, als eerste en als enige. Om ten slotte in een gedeeld geheim gelukkig verder te leven en samen te zijn. Niet alle vrouwen bezitten die aandrang om iemands reddende engel te zijn en voor velen is een vrouw met zo'n onzinnig verlangen zelf een raadsel. Madeleine, de hoofdpersoon van Jeffrey Eugenides' The Marriage Plot, mag gelden als een archetype.

Natuurlijk wil zij ook zichzelf redden door de man van haar dromen, de niet bijster knappe maar wel geniale Leonard, te redden. Hij is stug en extravert tegelijk, briljant, geleerd en grappig, maar ook ongenaakbaar en ontoegankelijk. Hij is, kortom, een woest aantrekkelijk raadsel. Een beetje zoals de perfecte huwelijkskandidaten uit de Victoriaanse romans die Madeleine zo graag bestudeert? Misschien, maar het raadsel wordt al snel opgelost en ontdaan van negentiende-eeuwse romantiek. Het is 'gewoon' manische depressiviteit, te herleiden tot genetische en opvoedkundige oorzaken. Het raadsel Leonard is gemedicaliseerd en tot op zekere hoogte behandelbaar. The Marriage Plot speelt niet voor niets in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

Het 'huwelijksplot' is de plot van die negentiende-eeuwse romans waarin alles leidt in de richting van het huwelijk. Toen moest de vrouw gered worden van haar eigen irrationaliteit, door een verbintenis aan te gaan met een man. In de jaren tachtig is het omgedraaid. Vrouw redt man. En het lukt. Voor even.

Madeleine studeert letteren en in de jaren tachtig betekende dat meegaan in de hype van het poststructuralisme, waarin alles in het teken staat van deconstructie. Alles is tekst en alles verwijst naar iets anders. Deconstructie is in feite de destructie van betekenis. Ook de liefde werd gedeconstrueerd; Madeleine raakt verslingerd aan het boek van Barthes over liefde, waarin hij de woorden 'Ik hou van je' ontdoet van alle vaststaande betekenis. Vooruit. Maar hoe deconstrueer je manisch-depressiviteit? Niet. De ziekte van Leonard is niet te deconstrueren, niet te ironiseren, niet te relativeren door het af te doen als 'text'.

Redding is evenmin te deconstrueren. Redding, 'salvation', is misschien wat de andere liefdespool van Madeleine, haar vriend Mitchell, ook zoekt. Als hij Madeleine verliest aan Leonard zoekt hij zijn redding in de religieuze traditie, hij gaat zelfs in het Indiase hospitaal van moeder Teresa werken. Opnieuw een poging om zichzelf te redden via de ander. Maar hij trekt het niet, de viezigheid en treurnis die met ziekte en dood gepaard gaan. Hij is te zinnelijk, zowel om onbewogen smerig lichaamsvocht uit groezelige lakens te wassen, als om zich te laten wijden tot priester - wat voor priester dan ook. Nooit meer seks? No way.

Seks is sowieso erg belangrijk in de onderlinge relaties. Meer nog: via hun seksleven is niet alleen de stand van Madeleine en Leonards liefde af te meten, maar ook van zijn psychische gesteldheid. Daarmee is meteen de ontzettend lichamelijke kant van zijn ziekte gethematiseerd, waar seks maar één bestanddeel van vormt. Talloos zijn de verwijzingen naar wat de depressie, en vooral ook de medicijnen ertegen, bij Leonard fysiek gezien aanrichten: droge mond, zweten, algehele uitputting.

De twee - lichaam en geest - zijn niet te scheiden, zoveel wordt snel duidelijk, op alle niveaus. Mitchell scheert zijn hoofd kaal om zijn innerlijke, religieuze gesteldheid uit te drukken. Leonard wordt een onaantrekkelijk wrak, ontdaan van al zijn raadselachtigheid. Alleen Madeleine blijft het hele boek door zichzelf, zou je kunnen zeggen. De enorme kater die ze in de eerste scène van de roman heeft is exemplarisch: die is en blijft onzichtbaar in de frisse schoonheid van haar uiterlijk. Haar ongeluk zit binnenin en toont zich niet aan de buitenkant. Haar ongeluk is dan ook geen existentieel ongeluk, maar eerder pech. De pech om op de verkeerde man te vallen en niet aangenomen te worden op de prestigieuze vervolgopleiding waar ze zich voor inschrijft. De worstelingen van het soort dat Leonard en Mitchell kennen, lijken aan haar voorbij te gaan. Uiteindelijk hoeft zij niet gered te worden. Behalve misschien van haar romantische verlangen om anderen te redden.

Met Madeleine komt het wel goed, denk je op het eind. Maar die mannen? Die kunnen nog wel een paar reddende engelen gebruiken.



Bookmark and Share
Comments

Geluk als productiviteit

leeuw_bek
Lees eerst De verhalen van ons leven - Het beest in de bek kijken

Timothy Wilson geeft - jazeker - de drie ingrediënten van geluk (dit is geluk in sociaal-psychologische zin, dus zoals dat uit statistisch onderzoek is gerold). Zin, doel en hoop. Dat zegt nog niet zoveel. Zin: een gelukkig mens heeft een stelsel van overtuigingen die een coherent antwoord bieden op grote vragen in het leven. Een geloofsovertuiging, het humanisme, of misschien wel 'uiteindelijk is alles zinloos'. Doel: een gelukkig mens is doelgericht, werkt ergens naartoe. Hoop: een gelukkig mens richt zich op wat hij kan veranderen in plaats van op het noodlot. Een gelukkig mens is een 'effectief en autonoom persoon'.

Ik noem dit alles bij elkaar de deugd van de productiviteit.

(Erg mooi klinkt het allemaal niet. Effectief, autonoom, productief. Hebben we het nog wel over geluk?)

Wil productiviteit een deugd zijn, dan moet ze wortelen in een overtuiging, doelgericht zijn en gericht op verandering. Wil een overtuiging zich uiten, op een doelgerichte manier die verandering teweegbrengt, dan heb je productiviteit.

Dat is allemaal nogal abstract. Rousseau beschrijft in zijn overigens hysterisch conservatieve 'Brief over het theater' hoe een productieve omgang met tijd leidt tot geluk. Uren gespendeerd in 'ledigheid' maken dat de tijd zelf niet veel waarde meer voor je heeft. Nog een uur gespendeerd met niets doen maakt niet uit, wanneer je al te veel tijd hebt verloren is tijd niet meer iets wat je kunt verliezen. Wie herkent dit niet? Hoe meer tijd je verlummelt, hoe moeilijker het is om weer iets te gaan doen. Alsof het kleinste klusje al onevenredig veel beslag legt op je tijd. Maar als je veel werk verzet in korte tijd, kan er altijd nog wel wat meer bij. Door de tijd te vullen groeit hij, door nietsdoen loopt hij leeg als een ballon. Zo voel je je dan ook: als een leeggelopen ballon, een herinnering aan een nooit gehouden feest.

Een andere vorm van productiviteit is samen te vatten in de (mijn) maxime: Actie is altijd beter dan geen actie. Dat heeft vooral betrekking op de omgang met andere mensen. Handelen is altijd beter dan niet handelen. Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. Daar ben ik van overtuigd, hoewel het heel veel jaren heeft geduurd voor ik hierachter ben gekomen. Actie is altijd beter dan geen actie omdat daarin de hoop tot uiting komt, zou je met Wilson in het achterhoofd kunnen zeggen. Een maxime die uitgaat van de mogelijkheid van verandering, optimistisch, maar zonder te oordelen. Ze zegt immers niet wat je moet doen, alleen dat je moet doen.

Om weer met Nietzsche aan te komen, die als een rode draad door deze zoektocht loopt: 'aanstotelijk is al het waarlijk productieve'. Ik denk dat aanstotelijk begrepen moet worden als iets uitzonderlijks, dat niet vaak voorkomt, niet vaak voor kán komen. Iets wat veel inspanning kost, maar met weinig middelen. Iets wat in de breedte niet veel voorstelt, maar grondvesten doet schudden. De meeste mensen lijken het tegenwoordig te streven naar 'zo weinig doen met zo veel middelen als mogelijk'. Mij gaat het om zo veel mogelijk doen met zo weinig mogelijk middelen (zie ook Revolutie in het hoofd II). Dat vraagt om doelgerichtheid.

Het gaat me heus niet alleen om het ontmaskeren van trucjes die de wereld mooier doen lijken dat ze is. Ik hou van verhalen en ook van het nadenken over het narratief in je leven. Optimisme betekent voor mij niet dat de wereld schoon en goed is, maar dat je de wereld kunt veranderen, hoe ellendig die soms ook mag zijn. Het beest in de bek kijken en niet terugdeinzen, maar een tandenstoker tevoorschijn halen. In de kantlijn van De verhalen van ons leven schreef ik: actie+realisme=geluk. Dat is wel hoe je deze stukjes kunt samenvatten. Mooie eindejaarsgedachte, niet?



Bookmark and Share
Comments

De verhalen van ons leven - Het beest in de bek kijken

wilson
Hoe kan het dat ik, literatuurvreter en verhaalverslaafde, me zo verzet tegen die mooie menselijke mechanismen die je notabene via verhalen laten dealen met tegenslag en ellende? Dat ik handige motto's als 'whatever doesn't kill me makes me stronger' en 'van de nood een deugd maken' wegzet als trucjes en zelfbedrog? Is dat niet een beetje gek? En: zie ik het allemaal nog wel zitten? Nog één keer dan, om te laten zien dat het heus meevalt met het verhaal, en met mij.

Al eerder schreef ik dat ik optimistisch van aard ben en productiviteit als deugd beschouw. Daarin zit dan ook de positieve wending aan wat ik tot nu toe steeds - ik geef het toe - enigszins negatief heb beoordeeld. Timothy Wilson zette me op het spoor, door zijn boek De verhalen van ons leven, met de nogal omineuze ondertitel 'Verander je zelfbeeld en verbeter je bestaan'. Die titel belooft meer dan het boek waarmaakt, want in feite presenteert Wilson enkele resultaten uit zijn sociaal-psychologische onderzoek naar groepsvorming, identiteit en processen van uitsluiting. Het meer theoretische gedeelte over de zogenaamde 'verhaalbewerkingsmethode' levert echter interessant materiaal om verder over te peinzen.

De methode van verhaalbewerking is op zich niet heel nieuw: bij psychische nood gaat het erom je perceptie van een gebeurtenis te veranderen, eerder dan de gebeurtenis zelf. Wilson beschrijft de specifieke methode die te maken heeft met het verhaal dat iemand zichzelf vertelt. Door schrijfoefeningen is dat verhaal heel letterlijk te 'bewerken' (hierbij denk ik meteen aan Susan Sontag en Siri Hustvedt, zie Over herinneringen). Via het beschrijven van een gebeurtenis in een narratief, kun je je gevoelens over die gebeurtenis loskoppelen van de gebeurtenis zelf. Je neemt er afstand van en die afstand geeft je een zekere macht. Hoe je de gebeurtenis interpreteert, welke gevoelens en oordelen daarbij horen, is geen vaststaand gegeven meer, maar iets wat je zelf ten dele bepaalt.

Maar leidt dat niet tot - bijvoorbeeld - van de nood een deugd maken? Nee, want de gebeurtenis zelf blijft juist onaangeroerd, die verandert niet. In Vrij Nederland staat een prachtig interview met filosoof René Gude, die een been verloor aan kanker en nog steeds niet is genezen. Hij lijkt in de (ronduit miserabele) praktijk te brengen wat ik hier beschrijf: '"Shit is shit," onderkent Gude volgens de bevriende socioloog Herman Vuijsje, en toch blijft hij bij zijn intellectuele credo: geen negativisme a.u.b.' Zijn methode is 'tafelen', dat wil zeggen, het benoemen van de feiten en mogelijkheden, zonder daarover te oordelen. Als je oordelen toelaat, komen ook de emoties en dan slaat de verwarring toe. Een heel rationele manier om met ellende om te gaan. En een keiharde. 'Shit is shit' immers. Gude zegt zelf: 'Ik heb het compliment gekregen dat ik heel positief ben, maar als je keek naar wat wij aan het doen waren, dan waren wij het beest voortdurend in de bek aan het kijken.'

Dat is mooi uitgedrukt: het beest in de bek kijken. En het beest heeft een verrotte, stinkende, walmende muil, daar mag je van uitgaan. Waar zit het positieve dan in? In het niet oordelen. 'Negatief' is op zichzelf al een beoordeling. Misschien is het daarom ook eerder een houding van neutraliteit (ik kan natuurlijk niet over de situatie van Gude spreken, dus dit bedoel ik meer in het algemeen), van openheid. En dan kom ik weer uit bij dat waar ik eerder ook mee eindigde: vrijheid. Hoe beperkt ook, hoe verrot en stinkend die muil ook is die op het punt staat dicht te klappen en je op te vreten; door erin te kijken, je hoofd er helemaal in te steken, uit nieuwsgierigheid of beter weetgierigheid, ben je vrij. Ik geloof daar heilig in. Wie durft mij dan nog pessimist te noemen?

Dan is er nog de deugd van de productiviteit. Lees verder...



Bookmark and Share
Comments

Whatever doesn't kill me makes me stronger

hamer
'Whatever doesn't kill me makes me stronger.' In een zeer lezenswaardig artikel op Vanity Fair fileert de onlangs overleden schrijver Christopher Hitchens deze 'wijsheid'. Een uitspraak die van Nietzsche komt en is uitgegroeid tot een (Amerikaanse) volkswijsheid. Hitchens beschrijft de hel die hij doormaakt tijdens de behandeling van de kanker die hem uiteindelijk zou vellen. De kuren die bedoeld zijn om hem te genezen, maken hem verre van 'stronger'. Een miserabel hoopje mens is wat er van hem overblijft. Niks 'wat me niet doodmaakt, maakt me sterker'.

De analyse komt hard aan, in de beschrijving van de martelende pijnen waaraan hij lijdt. Het is een ontmaskering van de optimistische uitspraak als een trucje en een pertinente onwaarheid. Het deed me denken aan 'van de nood een deugd maken', waar ik eerder schreef. Ook een trucje, een mechanisme dat je inzet om van ellende iets moois te maken, maar dat die ellende daarmee niet wegneemt. 'Omliegen' is het woord dat erbij hoort.

Op de site van Filosofie Magazine onderzoekt Leon Heuts in een blog de betekenis van pijn in onze maatschappij. Ook lezenswaardig, zeker in het licht van Hitchens' ervaringen. 'Pijn is in de moderne samenleving bij uitstek het morele ijkpunt. Wie pijn als troefkaart uitspeelt, heeft het debat in handen. Een dier dat pijn lijdt, moet bijvoorbeeld haast wel wijzen op barbaarse handelingen.' Terwijl pijn ook als betekenisgevend gezien kan worden, zoals in de christelijke traditie bijvoorbeeld het geval is.

Is de uitspraak 'whatever doesn't kill me makes me stronger' dan niet een manier om betekenis te geven aan pijn? Ik denk het niet. Net als 'van de nood een deugd maken' wijst het juist op het willen wegnemen van de betekenis, door de pijn te ontkennen. De betekenis van de pijn wordt 'omgelogen' tot iets positiefs, tot een kracht. De essentie van de pijn, van de pure ellende zoals Hitchens die heeft ervaren, gaat daarmee verloren.

Toch denk ik wel dat ook dit een heel nuttig mechanisme is. Een van mijn zelfverklaarde motto's is 'je gaat er niet dood aan'. Eerder schreef ik:

Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: 'Je gaat er niet dood aan.' Soms herhaal ik met nadruk: 'Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders. (Werk aan de winkel I)

Beetje morbide misschien, maar het is juist vrolijk bedoeld. Want:

In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. (Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes)

'Je gaat er niet dood aan': dat is wat er overblijft als je het omliegen weghaalt en de ruimte voor betekenis openlaat. Dat is vrijheid.



Bookmark and Share
Comments

Favoriete albums en liedjes van 2011

Mijn favoriete albums van 2011:

Bill Callahan - Apocalypse
Ty Segall - Goodbye Bread
Stephen Malkmus & The Jicks - Mirror Traffic
Thee Oh Sees - Carrion Crawler / The Dream
St. Vincent - Strange Mercy
Timber Timbre - Creep On Creepin' On
Forest Fire - Staring At The X
The Black Keys - El Camino

Ik wilde ook Harlem - Hippies erin zetten, maar die is helaas al van 2010.

Liedjes:
Pete & Pirates - United
The Black Keys - Lonely Boy
The Drums - Money
Suuns - Bambi
Das Racist - Michael Jackson
Ill Street Blues - Hverdagsflirt
James Blake - I Never Learnt To Share
My Morning Jacket - Holdin On To Black Metal
Rioux - Place to Start
Hudson Mohawke - Thunder Bay
Tapes 'n Tapes - Freak Out

Alles bij elkaar in een Spotifylijst hier.



Bookmark and Share
Comments

Eindejaarslijstje: favoriete Studium Generale-lezingen in 2011

Het klinkt als een open deur of 'wij van wc-eens adviseren wc-eend', maar het was lastig een top 3 samen te stellen uit de vele lezingen die ik dit jaar bij Studium Generale heb begeleid. Maar vooruit.

SG4
1. Was there a 'Time' before the Big Bang? - Prof. dr. Renate Loll
Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

SG1
2. Levenskunst: Wu Wei. Doen door niet te doen door prof. Maarten van Buuren
Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat 'wu wei' verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

SG3
3. Sigmund Freud door Paul Schnabel in de reeks Kennis voor de toekomst
Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

SG2
Voor mij persoonlijk was het interview 'live on stage' met prof. Frans de Waal op festival deBeschaving het meest bijzondere om te doen dit jaar. Hij vertelde voor een volle festivaltent over apen en mensen, over macht en seks, over gedrag en moraal. Daar is helaas geen opname van. (Behalve als degene die op de eerste rij zat met een videocamera zich alsnog meldt!)



Bookmark and Share
Comments

Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid

florence_tonk
'Ze heeft altijd glashelder gezien wat ze niet, of niet langer, wil. Maar buiten de weigering lag nooit een wens.'

Wie wil je worden? Wat wil je doen? De vrijheid om je eigen leven vorm te geven en uit alle mogelijke levenspaden zelf een pad te kiezen en te volgen lijkt vanzelfsprekend. Maar die vrijheid is niet alleen een verworvenheid, ze is ook een opgave. Door de jonge, Nederlandse vrouw Emma in het afgelegen Oekraïense dorp Zagoeblene neer te zetten, laat Florence Tonk in haar roman Blijf bij ons zien dat vrijheid alles behalve vanzelfsprekend is.

De filosofie onderscheidt twee soorten vrijheid. Negatieve vrijheid betekent dat je niet beperkt wordt door externe omstandigheden zoals armoede, gevangenschap of onderdrukking. Is die vrijheid eenmaal bereikt, dan pas komt er ruimte voor positieve vrijheid; de vrijheid om keuzes te maken en je te ontwikkelen vanuit een interne motivatie. Emma beschikt over beide soorten vrijheid, maar wat doet ze ermee? Weinig. Haar vriend krijgt een baan aangeboden in de Oekraïne en zij gaat mee. Uit interne overtuiging? Nou nee: 'Ze is hier aangespoeld dankzij Rogier.'

In het appartement in Kiev verveelt ze zich en ze trekt zich terug in een vervallen datsja op het platteland. Daar leert ze mensen kennen die niet eens aan de eerste vorm van vrijheid toekomen. De dorpsbewoners maken weliswaar het beste van hun armetierige bestaan, maar blijven gevangenen van hun bestaan. De kernramp bij Tsjernobyl die hun geliefden heeft ontnomen, slecht onderwijs en algeheel gebrek bepalen hun levensloop. Weggaan is haast onmogelijk.

Emma droomt over een leven met haar minnaar Fedja. Ze weet dat het bij dromen moet blijven. Niet alleen is hij getrouwd, hij zal ook nooit met haar een leven op kunnen bouwen in Nederland. 'Eerst zat zijn land van binnen op slot, en nu van buiten.' Ze ziet hem voor zich, op de bank van haar gedroomde Nederlandse thuis. Een gevangene, die van zijn cel in Zagoeblene overgeplaatst is naar een andere cel een paar duizend kilometer verderop.

Het opent haar de ogen voor haar eigen bevoorrechte positie. En voor het feit dat ze daar bar weinig gebruik van maakt. Waarom heeft ze zich eigenlijk laten aanspoelen in Zagoeblene? Misschien juist om weg te lopen voor de opgave van de vrijheid. 'Misschien is dat het, misschien vormt Zagoeblene de ultieme ontsnapping aan die vraag waar ze al haar hele leven voor wegloopt. Wegkruipen tussen de mensen die niets te willen hebben in een dorp waar niets is, niets valt te willen. Waar je het moet doen met aarde, lucht, groen, een mottige dorpswinkel, een bushalte en een school.'

Tonk laat de landerige onbepaaldheid van Emma's leven in het dorp met een knal uit elkaar spatten. Of zij nu wél een eigenhandige keuze zal maken en haar leven op een positieve manier richting zal geven, kom je niet echt te weten. Dat maakt niet zoveel uit. Het is de worsteling die aan een keuze vooraf gaat die interessante literatuur oplevert. Emma vertrekt in het ongewisse. De arme dorpelingen blijven achter met hun eigen worstelingen. Net als de lezer.

En 'het is alsof er een barst in de wereld wordt gedrukt, waar allerlei nieuwe, opwindende, afschrikwekkende mogelijkheden doorheen sijpelen.'

Dit stuk maakt deel uit van de Blogtournee over Blijf bij ons.



Bookmark and Share
Comments

'Buffo' van Szymborska (of: serendipiteit)

Ter herinnering aan mijn vader Gerard Rasch, die vandaag 65 jaar zou zijn geworden. Ik geloof niet dat hij met pensioen was gegaan.

Vorige week werd ik gebeld over het gedicht 'Buffo' van Wisława Szymborska, dat in Gerards vertaling in een toneelstuk zal figureren - waarvoor dank @luukimhann. Vandaag figureert Szymborska bovendien in de Klassiekerreeks op 8WEEKLY.

Lees ook wat ik schreef op 8 december 2008, 8 december 2009 en 8 december 2010. En lees dit gedicht. Ik noem het zelf stiekem: Serendipiteit.


Buffo

Eerst zal onze liefde vergaan.
daarop volgen een-, tweehonderd jaar,
dan pas komen we weer bij elkaar:

als een stel komedianten,
lievelingen van het publiek,
komen we terug op de planken.

Een korte klucht waarin men zingt,
een beetje danst en heel veel lacht.
En na die rake zedenschets
volgt het applaus.

Onweerstaanbaar komisch ben je
op toneel, met je jaloezie
en die rare strik.

En mijn hoofd slaat op hol,
met hart en kroon en al,
een dom hart dat barst
en een kroon die valt.

Die dag zien we elkaar terug,
scheiden weer, in de zaal gelach,
zeven bergen en rivieren
hebben we tussen ons bedacht.

En alsof de echte rampen
in het leven niet genoeg zijn
- maken wij elkaar met woorden af.

Dat is het einde van de pret,
daarna buigen we heel diep.
De spectator gaat naar bed,
tranen in de ogen van plezier.

Zij zullen keurig leven,
de liefdestijger temmen,
laten eten uit hun hand.

Maar wij blijven rare snuiters
met belletjes aan hun muts,
we luisteren naar het gerinkel,
aandachtig als barbaren.

Wisława Szymborska, Einde en begin




Bookmark and Share
Comments

Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst

levenskunst
De deugd is als een geneesmiddel. Zoals je een medicijn slikt om gezond te worden, zo beoefen je de deugd om geluk te bereiken. Epicurus zet zich met deze utilitaristische, op het nut gerichte visie op de deugden af tegen zijn grote voorgangers Plato en Aristoteles. Maar tegen welke prijs? Dat is de vraag die blijft hangen na de lezing van prof. dr. Maarten van Buuren over Epicurus in de serie Levenskunst.

Atomisme
Epicurus' natuurkunde en kenleer vormen de basis voor zijn ethiek. Hij is een atomist; de werkelijkheid bestaat volgens hem uit atomen en leegte. We kennen die werkelijkheid alleen via de waarneming, via de zintuigen dus. Ook de waarneming is atomair. De beelden die bij ons binnenkomen zijn 'dunne vliesjes' die van de atomen onze zintuigen binnendringen. Dat geldt zelfs voor onze voorstelling van goden en mythes en voor onze dromen. Waarneming is bovendien altijd waar, omdat ze rechtstreeks uit de werkelijkheid afkomstig is. Het zijn onze meningen over en interpretaties van wat we zien die eventueel een onwaarheid zijn.

Ook de geest en ziel zijn atomen. Atomen die als je dood gaat vervliegen. Een onsterfelijke ziel bestaat volgens Epicurus niet en er is geen leven na de dood. Goden zijn er wel, maar ook zij zijn gemaakt van stof. Ze huizen ergens ver weg tussen de planeten en bemoeien zich niet met de mensen. Epicurus is met andere woorden een empiricus in hart en nieren. Er is geen enkele reden om bang te zijn voor de goden dan wel voor de dood.

Genot of welzijn?
Uit deze empirische leer volgt haast vanzelf dat ook Epicurus' ethiek natuurlijk is. Het doel van ons leven is door de natuur bij de geboorte meegegeven en het is aan ons om dat doel te verwerkelijken. Wat is dat dan? Epicurus staat bekend als de filosoof van het genot, de aartsvader van het hedonisme, maar eigenlijk is dat een verkeerde voorstelling van zaken. Zoals veel filosofen noemt ook Epicurus 'geluk' als het doel. Bij hem bestaat geluk uit iets als 'welzijn', zegt Maarten van Buuren.

Hedonisme associëren we met ongebreideld genot, met veel eten, veel drinken en veel seks. Maar het epicurisme is juist een levenskunst van matigheid. Welzijn bestaat uit het volgen van de natuurlijke verlangens en het uit de weg gaan van de onnatuurlijke verlangens. Eten hebben we nodig om te overleven, dat zit in de natuur. Copieus dineren hebben we echter niet nodig. De beperking van de verlangens gaat best ver. Epicurus beweert zelfs dat seks geen natuurlijk verlangen is, omdat we ook zonder wel in leven blijven. Het zegt iets over de individualistische inslag van Epicurus' ethiek. En het is een duidelijk pre-darwinistisch standpunt, zou je daaraan toe kunnen voegen.

Vriendeschap om het nut
Aan de andere kant doet de utilitaristische houding van Epicurus juist weer denken aan een evolutionair gegronde moraal. Als het gaat om deugden, komt de focus op het nut sterk naar voren. Deugden zijn voor Epicurus middelen om het doel - geluk - te bereiken. Dit in tegenstelling tot de deugdethiek van Plato en Aristoteles, die de deugden juist definieerden als eigenschappen die (ook) doel op zichzelf zijn. Zelfs een deugd als vriendschap is volgens Epicurus in de kern gebaseerd op nut. Dat levert nogal wat discussie op. Joep Dohmen haalt Montaigne aan, die over zijn boezemvriend zei: 'Omdat hij het was, omdat ik het was.' Dat is vriendschap ontdaan van elke nutsgedachte. Maarten van Buuren gelooft echter wel in Epicurus' opvatting dat elke vriendschap, hoe diep en waardevol die uiteindelijk ook wordt, altijd haar oorsprong vindt in het nut. Vriendschap als een natuurlijk verlangen, gebaseerd op de noodzaak tot overleven: dat klinkt toch haast als evolutionaire psychologie avant la lettre.

Gaat een natuurlijke moraal dan altijd gepaard met zo'n utilitaristische opvatting van deugden? De winst van Epicurus is dat hij laat zien dat geluk binnen ieders bereik ligt en dat angst onnodig is. Noch de dood, noch de goden hoeven we te vrezen. Het is ook mooi dat Epicurus er niet van uitgaat dat de afwezigheid van de goden leidt tot decadentie en degeneratie. Het afschaffen van angst hoeft niet per se mateloosheid met zich mee te brengen, omdat we juist worden teruggebracht naar wat de natuurlijke verlangens zijn. Maar als de relativering van waarden als vriendschap en rechtvaardigheid de prijs is die we daarvoor moeten betalen, hebben we dat er dan voor over?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert

escher2
1. Wat een genot als je opeens de betekenis van een staande uitdrukking of ingesleten woord begrijpt, alsof-ie zijn afgedragen kleren eindelijk uitdoet. Dat overkwam me al lang geleden (in 2004) met 'van een nood een deugd maken'. We lazen Nietzsche over de slavenmoraal, die 'idealen fabriceert': 'Ik krijg de indruk dat ze liegen; elke klank kleeft een suikerzoete zachtheid aan. De zwakte moet tot een verdienste omgelogen worden, zonder twijfel - … Ze zijn beklagenswaardig, zonder twijfel, al die mompelaars en valsemunters in hun knusse hoekjes, hoe warmpjes ze ook bij elkaar zitten - maar ze zeggen mij dat hun ellende een uitverkiezing en onderscheiding Gods is, dat je juist de honden ranselt waar je het meest aan gehecht bent…'

2. Dat veranderde voorgoed mijn blik op de wereld. Nog steeds maak ik vaak genoeg van de nood een deugd, maar het blijft steeds een verhaaltje dat ik mezelf vertel. De nood blijft nood, al zijn glorieuze naaktheid slechts ten dele verborgen onder de afgedragen kleren van de deugd. Dat klinkt niet heel prettig misschien, maar ik hou wel van een beetje ellende. Bovendien kan ik meer genieten van het 'omliegen' zoals Nietzsche het noemt, als het duidelijk is dat het een trucje is. Dan wordt omliegen kunst. En de ellende de waarheid.

3. Als je erop let hoor je voortdurend mensen deze truc toepassen en hoe vaker je het hoort, hoe ergerlijker het wordt. Wat je ook overkomt - ontslag, liefdesverdriet, een lekke band - je kunt het omliegen tot iets moois dat je niet had willen missen. (Het leven heeft geen clou, begrijp dat dan)

4. Dat doet denken aan wat Alain Finkielkraut schrijft over literatuur met een hoofdletter L. De echt grote schrijvers zijn degene die de afgedragen kleren wegrissen en laten zien wat voor vodden het eigenlijk zijn waar de waarheid zich in kleedt. (Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart)

[De woede van Voltaire over de gigantische aardbeving in Lissabon in 1755 waarbij tienduizenden mensen om het leven kwamen. Dat was ook een revelatie voor me: waarom zou je in zo'n geval niet woedend mogen zijn op de natuur? Maar dan echt woedend.]

5. Maar. Moet je niet blij zijn met deze vaardigheid? Is het niet een bruikbaar overlevingsmechanisme dat we niet kunnen en willen missen, aangezien de mensheid anders meteen in een collectieve depressie ten onder zou gaan? Psycholoog Daniel Gilbert noemt het mechanisme 'cooking the facts'. Dat klinkt alvast heel anders dan slavenmoraal of 'van de nood een deugd maken'. Lekker aan de slag om van de feitjes een smakelijk geheel te maken. En we kunnen ook niet anders, want het koken vindt plaats in de keuken van het onbewuste. Volgens Gilbert maar goed ook, want zodra je doorhebt wat je aan het doen bent werkt het niet meer. Misschien omdat je dan ziet dat je aan het omliegen bent? Dat de nood nooit echt kan transformeren in een deugd? (Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk)

6. Ik geniet juist meer van de goed uitgevoerde truc als ik weet dat het een truc is. Inderdaad, hij werkt niet meer. Whatever. In dat geval ligt geluk in schoonheid en kennis, niet in gemoedsrust.



Bookmark and Share
Comments

Tot tien tellen: tijd voor vergeving

vergeving
Twee vragen: wie durft zichzelf waarlijk vergevingsgezind te noemen? En wie reageert in een vervelende situatie op straat met een kort lontje en ingehouden woede? Het zijn lastige vragen om over jezelf te moeten beantwoorden. Toch durf ik mezelf wel vergevingsgezind te noemen, hoewel ik me ook wel herken in de woede die in één klap kan ontvlammen. Dat lijkt een paradox, maar misschien wijst die juist wel de weg naar een meer vergevingsgezind samenleven. Vergeving vraagt tijd en tijd, daar hebben we over het algemeen te weinig van.

Op de tweede avond naar aanleiding van De andere wang, over vergeving en vergelding, ligt het accent op de maatschappelijke aspecten. De samenleving krijgt steeds meer de trekken van een schuld- en afrekencultuur. ‘Je recht halen’ is het antwoord op alles wat je overkomt, of dat nu toe te schrijven is aan een bedrijf, een persoon, de natuur of gewoon het lot. En dat terwijl een meer vergevingsgezinde instelling veel rust en evenwicht kan brengen – zowel voor jezelf als in de wereld. 

Nieuwe en Oude Testament
Cultuurtheoloog Frank Bosman vertelt over vergeving in de christelijke traditie. In het Nieuwe Testament verbindt Jezus vergeving aan het universele principe van de wederkerigheid. ‘Ik doe iets voor jou, opdat jij iets voor mij doet.’ Dit betekent niet dat ik iemand vergeef om vervolgens zelf door diezelfde persoon ook vergeven te worden. Het is algemener: als ik jou vergeef, zal ooit ook iemand mij vergeven. Een geruststellende gedachte, die eerder lijkt te berusten op vertrouwen dan het wantrouwen van de boze burger die altijd in zijn recht meent te staan.

Op de eerste avond van het tweeluik georganiseerd in samenwerking met SLAU, kwam al naar voren dat vergeving tijd vergt. Maar ook op deze wederkerige manier is vergeving dus iets wat zich uitstrekt in de tijd. Het (her)vinden van evenwicht gaat nu eenmaal niet van het ene moment op het andere. Evenwicht en balans, dat zijn ook woorden die rechtsfilosoof Andreas Kinneging benadrukt als hij ingaat op de vraag wat vergeving nu eigenlijk is. Hij haalt een andere grondregel aan, die eerder lijkt te wortelen in het Oude Testament: ‘Op schuld moet boete volgen.’ Dus toch vergelding? Ja, maar die vergelding bestaat uit boete doen en dat kan ook betekenen: berouw tonen. Als de dader berouw voelt voor wat hij gedaan heeft, is de straf en dus de vergelding uitgevoerd en vergeving op zijn plaats.

Berouw en evenwicht
Vergelding en vergeving staan in deze zin niet haaks op elkaar. Beide hebben te maken met een evenwicht dat hersteld wordt. Dat gaat niet zonder dat er al een balans aanwezig is: tussen de daad en het berouw van de dader, en het lijden van het slachtoffer. Pas dan kan via vergeving het evenwicht hersteld worden, ten eerste tussen dader en slachtoffer als individuen en ten tweede in de maatschappij. Dat berouw daarbij echt een eerste vereiste is, werd wel duidelijk uit het indrukwekkende verhaal van Jack Keijzer, wiens zoon Pascal op zestienjarige leeftijd werd vermoord. Omdat de dader mijlenver verwijderd lijkt van enige vorm van spijt of berouw, zal vergeving wel nooit een optie zijn. Die gruwelijke moord was ook nog maar kort geleden – in 2007. En tijd is een cruciaal onderdeel van vergeving, misschien ook wel van berouw. Je zou het kunnen zien als de weegschaal die uit evenwicht is geraakt en die tijd nodig heeft om weer in balans te komen. De bewegingen bedaren en ten slotte is er weer evenwicht.

Tot tien tellen
Het is lastig om een discussie te voeren over tegelijkertijd zo’n onvoorstelbare menselijke tragedie en dat wat ‘het korte lontje’ wordt genoemd, een dagelijkse ergernis op straat. Kun je die twee wel echt met elkaar in verband brengen? Vanuit het perspectief van de oplossing wel. Het is misschien niet vergevingsgezindheid, maar eerder tijd waar het ons aan ontbreekt. ‘Eerst tot tien tellen’ is een grondregel die maar beter aan de andere twee kan worden toegevoegd.

Lees hier het nieuwsblog over het eerste deel van het tweeluik over vergeving en vergelding: Vergeven, vergelden, verraden.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Jennifer Egan - A Visit from the Goon Squad

egan
'How did I get from A to B?'

Op een brakke zaterdagmiddag, languit liggend op de bank, sloeg ik A Visit from the Goon Squad open. Pas toen het uit was, 350 pagina's verder (met, vooruit, een kleine bladspiegel), kwam ik van de bank af. Dat was me lang niet overkomen, zo'n leeservaring waarbij het boek jou lijkt op te vreten en je niet anders kunt dan je overgeven en hopen dat je het einde haalt. Maar er was meer.

Ergens op de helft, het was al avond en donker, leek het alsof ik werd opgetild en neergezet op een andere plek, in een andere tijd. Amsterdam, begin jaren negentig, op de bank bij mijn vader thuis. Ook zaterdagavond, en ook met een boek. Ik was over in de hoofdstad voor een van die tweewekelijkse weekendjes waar zoveel kinderen van gescheiden ouders herinneringen aan zullen hebben. Saai was het toen, maar nu ik er zomaar terugkom, twee decennia later, probeer ik het gevoel zo lang mogelijk vast te houden.

Een echte Proustiaanse 'mémoire involontaire', die je buiten de tijd plaatst en je daardoor voor even onsterfelijk maakt. Net als Proust probeer ik te doen alsof ik niks doorheb, ik lees gewoon verder en spied ondertussen om me heen. Boven me kan ik in de reflectie van het kantelraam mezelf zien zitten op de bank, Jennifer Egan in de hand, een glas wijn op tafel. Door dat glas wijn lijk ik op mijn vader, deze zaterdagavond. En ook nog steeds op mezelf zoals ik twintig jaar geleden was. Toch is dat niet genoeg reden waarom het kantelraam tegelijkertijd het Amsterdamse appartement lijkt te reflecteren. Het heeft natuurlijk ook te maken met het boek dat ik aan het lezen ben.

Jennifer Egan is net als ik een fan van Proust. Vast niet toevallig dat juist haar boek zo'n sterke Proustiaanse ervaring oproept. Twee motto's uit Op zoek naar de verloren tijd gaan aan het verhaal vooraf, waarvan er één direct verwijst naar de onvrijwillige herinnering die de tijd weet te overstijgen en op te heffen. En de goon squad uit de titel (knokploeg in de Nederlandse vertaling), dat is de tijd. De tijd die ons allemaal een keer op de bek komt slaan. Maar dat is het niet wat me op een Utrechtse bank naar boven doet kijken in een Amsterdamse reflectie. 'How did I get from A to B?' Dáár gaat het om.

Het is alleen de grote kunst die zo'n simpele vraag vol kan laden met betekenis en gewicht kan geven. Zo zwaar kan maken omdat je hele leven daar opeens in vervat blijkt te liggen. Alle personages stellen zichzelf die vraag, de een explicieter dan de ander: hoe ben ik hier gekomen, na al die tijd? What the fuck happened? Egans personages, die zich bewegen in de wereld van de muziek - met de bijbehorende verdovende middelen - lijken een stuk tijd te hebben verloren en moeten daar weer naar op zoek. Ondertussen zijn ze ergens aangekomen, door diezelfde tijd in de rug geduwd, zonder te kunnen stoppen, struikelend over hun eigen voeten. Ouder (en niet veel wijzer) kijken ze terug en zien ze dat het onherroepelijk is, de weg die ze in zijn geslagen, het punt B waar ze zijn aangekomen.

De personen in Egans roman hebben iets fatalistisch over zich. Het zullen die verdovende middelen misschien zijn, waardoor ze keuzes hebben gemaakt zonder door te hebben dat het keuzes waren (niet kiezen is ook kiezen, immers). Een prachtig citaat - dat betrekking heeft op een reliëf van Orpheus en Euridice - vat het fatalistische gevoel samen: 'He sensed between them an understanding too deep to articulate: the unspeakable knowledge that everything is lost.' Dan zul je terugblikkend op de verstreken tijd een reconstructie moeten maken die enigszins hout snijdt. Maar doen we dat niet allemaal? We schrijven een verhaal over ons leven, in ons hoofd of in gesprekken met vrienden en proberen dat zoveel mogelijk samenhang te geven.

'How did I get from A to B?' Nou, laat me je eens een verhaal vertellen…

Er zit een hoofdstuk in A Visit from the Goon Squad dat bestaat uit een powerpointpresentatie, iets wat iedere recensent wel even opmerkt. Maar waar gaat die presentatie over? Dat is natuurlijk veel interessanter. Het gaat over stiltes in muziek. Liedjes waarin secondelange stiltes zitten, als deel van het nummer. Stiltes die de muzikanten, managers en groupies van Egan in hun leven node missen. Het is de stilte waarin je jezelf de vraag kunt stellen hoe je hier, op dit punt bent aanbeland. De stilte waarin de knokploeg van de tijd je op je bek komt slaan. En ook de stilte waarin de tijd wordt opgeheven, je heel even onsterfelijk bent, terug in een Amsterdams appartement in het begin van de jaren negentig. De stilte van een brakke zaterdagmiddag, die overgaat in een avond en een nacht, waarin het boek jou opvreet, in plaats van andersom.



Bookmark and Share
Comments

Vergeven, vergelden, verraden

vergeving
Oververhitte korte lontjes aan de ene kant en degenen die hun emoties op kille, hautaine wijze weten te beheersen aan de andere kant. Je kan haast een tweedeling in de maatschappij tussen deze twee maken. De andere wang versus oog om oog, tand om tand. Vergeving tegenover vergelding. Op de eerste van twee avonden over dit thema, georganiseerd in samenwerking met SLAU en gemodereerd door Aleid Truijens, ging het over de persoonlijke invulling van het ‘glibberige begrip’ vergeving, in de woorden van Rob Schouten. Aanleiding was het boek De andere wang van Willem van Leeuwen, waarin hij op zoek gaat een antwoord op de vraag of vergeving mogelijk is en hoe dat dan werkt.

Ballast
‘Wrok is ballast, je kijkt niet meer vrij naar andere mensen,’ zegt Van Leeuwen over de redenen om zijn boek te schrijven. Wrok kan misschien een houvast bieden, maar kost enorm veel energie. Toch zijn de meeste mensen vooral bezig met schuld en genoegdoening, bijvoorbeeld in tv-programma’s als De rijdende rechter en Radar. Waar is de vergevingsgezindheid? Kunnen we die aanleren? Of moet je het in je opvoeding al hebben meegekregen? ‘Wat je niet gekregen hebt,’ zegt Willem van Leeuwen, ‘kun je ook niet weggeven.’ De wijze waarop vergeving als een soort taakje wordt onderwezen in een religieuze opvoeding, achten de sprekers daarentegen ook niet erg waardevol. Oprechtheid, zo blijkt, is een belangrijk onderdeel van werkzame vergeving. 

Stappenplan
Prof. Joachim Duyndam schreef een ‘stappenplan van vergeving’ al wil deze praktische benaming niet zeggen dat vergeving iets simpels is wat iedereen stap voor stap kan uitvoeren. Er zijn altijd twee partijen aanwezig in het proces van vergeving: dader en slachtoffer. De dader moet het slachtoffer om vergeving vragen, benadrukt Duyndam. Pas dan kan het slachtoffer de vergeving ook schenken. Daar is niet iedereen het mee eens. Stel dat de dader overleden is of om een andere reden niet meer in staat om te vragen – dan is vergeving toch niet meteen uitgesloten? Of gaat het dan niet meer om vergeving, maar om verzoening – waarbij het slachtoffer zich eerder verzoent met zijn lot dan degene die het hem heeft aangedaan vergeeft.

Er zijn veel voorwaarden voor vergeving, en vaak lukt het dan ook niet. De vergeving moet expliciet uitgesproken worden. Beide partijen moeten de ernst van de situatie onder ogen zien en ook min of meer hetzelfde inschatten. Vergeving heeft bovendien tijd nodig, maar niet te veel. Neem de Algerijnse nonnen die direct na een gewelddadige aanval op hun klooster zeiden de daders te vergeven. Dat is niet serieus te nemen, het komt te snel. Bovendien: waar is het berouw, de vraag om vergeving? Zulke wrede acties zomaar vergeven heeft bijna iets pervers. Alsof je geen respect betoont aan de slachtoffers, verraad pleegt aan hen die niet meer leven.

Verraad
Patricia Jimmink is een van degenen die haar persoonlijke verhaal vertelde aan Willem van Leeuwen. Ook zij heeft het over verraad. Ze kende een jeugd getekend door misbruik, waarin haar ouders haar verre van beschermden. Uiteindelijk vond ze een ‘modus om ermee te leven’, zonder haar ouders te kunnen vergeven. Het heeft lang geduurd voor ze haar verhaal naar buiten durfde te brengen. Dat zou voelen als verraad aan diezelfde ouders (moeder en stiefvader) die juist haar hadden verraden. Waarom het vergeven niet lukt? Is er te veel gebeurd? Voelt vergeving misschien ook als verraad aan jezelf, het kind dat je was? Het is een ingewikkeld kluwen van relaties, zo blijkt wel.

Strijd
Jimminks ouders lijden aan Alzheimer en kunnen dus niet meer om vergeving vragen. Er is ook veel tijd verstreken. Aan de voorwaarden uit Duyndams stappenplan is in elk geval niet voldaan. Vergeving moet gepaard gaan met enige strijd, strijd die in haar geval niet meer geleverd wordt of kan worden. Rob Schouten haalt de strijd naar voren in zijn column ‘Achilles en Jezus’. We hebben iets meer van Achilles’ temparament nodig als we denken aan vergeving – de wrok van het ‘oog om oog, tand om tand’. Jezus’ leerstelling dat we de andere wang moeten toekeren is maar al te vaak verworden tot het makkelijke wegwuiven zoals van de Algerijnse nonnen. Of, van de kant van de dader: best spijt willen betuigen, maar alleen op voorwaarde dat er vergeving op volgt. Spijt en vergeving zijn een soort koehandel; voor wat hoort wat. Nee, dan Achilles. Die vertegenwoordigt het andere extreem, met zijn buitenproportionele wrok, maar is wel een stuk boeiender.

Vergeving als deugd
De deugd van de vergeving ligt ergens in het midden tussen Jezus en Achilles, zou je kunnen zeggen. En net als bij andere deugden, gaat vergeven niet vanzelf. Er is tijd nodig, begrip en oprechtheid. Het lastigste schuilt misschien wel erin dat vergeven altijd draait om een relatie – iets wat zich dus uitstrekt tot buiten je eigen invloedssfeer. Is vergeving dan wel aan te leren?

In elk geval zou het helpen als het in de maatschappij wat vaker als een optie werd beschouwd, tegenover het aanwijzen van schuldigen of het wegwuiven van aangedaan leed. Maar kunnen we de tijd vrijmaken die het kost om begrip te kweken en berouw te tonen? Durven we de strijd met de ander en met onszelf aan? Vragen die in het tweede deel van dit tweeluik over vergeving en vergelding aan de orde kunnen komen.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij?

frampton
Montaigne moet wel een van de meest aimabele filosofen zijn. De zestiende-eeuwse humanist en uitvinder van het essay is ook een van de meest leesbare. Zijn nieuwsgierigheid naar wat het betekent om mens te zijn, gewoon in het dagelijks leven, werkt aanstekelijk.

Saul Frampton volgt in zijn aangename boek Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? Montaigne en de kunst van het leven de zoektocht die Montaigne onderneemt – zowel in zijn leven als in zijn werk – naar 'de mens'. 'De mens' dat is tegelijk Montaigne zelf, zoals hij verklaart in de beroemde aanhef van zijn Essays: ‘want ik portretteer mijzelf', 'ongedwongen en zonder opsmuk'.

Lees verder op 8WEEKLY: De nabijheid van Montaigne



Bookmark and Share
Comments

Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit

levenskunst
De deugdethiek en de levenskunst: twee dominante filosofische stromingen van deze tijd. Beide kwamen op in de laatste decennia van de twintigste eeuw en zijn nu bepalend voor wat je zou kunnen noemen de ‘mainstream’-filosofie. Twee filosofieën met een verschillende oriëntatie. Deugden zijn gericht op karaktervorming, het ontwikkelen van een houding die zich vertaalt in bepaald gedrag. De centrale, achterliggende waarde: geluk, of ‘gelukt zijn’ in overeenstemming met de menselijke natuur. De levenskunst is eerder gericht op het vinden van een persoonlijke ‘zin’ en draait om de centrale waarde van ‘authenticiteit’, in overeenstemming met je individuele zijn. Prof. Joep Dohmen noemt het verbinden van deze twee ethieken hét filosofische probleem van deze tijd. Hoe kunnen deugden geïntegreerd worden in een actuele levenskunst?

Vader van de deugdethiek
De ‘vader van de deugdethiek’, zo mag je Aristoteles wel noemen, en de Ethica Nicomachea is zijn standaardwerk. Daarin definieert hij wat een deugd is, namelijk het juiste midden tussen twee extremen. Hoe dat precies werkt, laat hij zien in zijn beschrijving van allerlei deugden. Het bekendste voorbeeld: dapperheid is het midden tussen lafheid en overmoed. Het midden kun je niet cijfermatig berekenen, maar is afhankelijk van de persoon, de situatie en welke deugd in het spel is.

De deugdenleer is een praktische ethiek die een hoger doel dient. Aristoteles is teleoloog, wat betekent dat alles gericht is op een ultiem doel. En dat is: geluk. Maar wat is geluk? Dat kun je het beste begrijpen in de zin van ‘gelukt zijn’. Je bent gelukt als mens wanneer de menselijke natuur, het potentieel dat in je zit, zoveel mogelijk tot bloei is gekomen. De deugden zijn de manier om dat te bereiken. Dat gaat niet vanzelf, want een deugd vraagt oefening, herhaling en dus tijd, veel tijd. Uiteindelijk moet de deugd als een ingekraste lijn in het karakter zijn, een eigenschap die zo vaak uitgeoefend is dat ze een stabiele, betrouwbare gewoonte is geworden. Een houding.

Een beetje integer
Dit kun je een perfectionistische ethiek noemen, aldus Joep Dohmen, maar dat wil niet zeggen dat de mens die de deugd nog niet volledig onder de knie heeft, in het geheel ‘niet deugt’. De deugdethiek biedt juist een kader voor ontwikkeling. Dohmen haalt Paul van Tongeren aan, de specialist op het gebied van deugdethiek. ‘Je kunt best een beetje integer zijn’, hoe gek dat ook klinkt. De weg naar het beheersen van de deugd integerheid is lang en vraagt om veel ervaring. Maar iemand die zich al jaren bezighoudt met integriteit is uiteraard verder op die weg gevorderd dan een groentje dat net komt kijken – ook al hebben ze beiden de deugd niet tot in perfectie onder de knie.

Integriteit is meteen een goed voorbeeld van een moderne deugd, misschien wel het 21e-eeuwse equivalent van dapperheid. Dat deze tijd veel kan hebben aan een moderne ethiek van deugden is voor Joep Dohmen – na enige aarzeling, zo geeft hij toe – wel duidelijk. Er is nog wel veel denkwerk te verrichten. Aristoteles ging uit van het bestaan van een menselijke natuur die tot bloei moest komen. Kunnen wij nog wel uit de voeten met zo’n teleologische opvatting van mens en natuur? Is het na het postmodernisme nog wel mogelijk om te spreken over centrale waarden? En waar ligt de intrinsieke motivatie om deugden te ontwikkelen? Kort gezegd: ‘waarom zou je?’

Koppeling met levenskunst
In de koppeling met een waardenfilosofie, zoals de levenskunst, kunnen zulke vragen wellicht beantwoord worden. De levenskunst is zoals gezegd gericht op het individualistische begrip authenticiteit – een centrale waarde die open blijft en niet terugvalt op het bestaan van een welbepaalde menselijke natuur die op doelgerichte wijze tot bloei moet komen. Bij het leven van een authentiek leven zijn keuzes allesbepalend. Ook deugden draaien om keuzes; het juiste midden is niet iets wat je aangereikt krijgt, maar iets waarvoor je kiest. Daarnaast stemt de aandacht voor context in zowel de deugdethiek als de levenskunst overeen. Ligt hier het begin van een nieuwe richting in de filosofie? Joep Dohmen ziet genoeg werk klaarliggen. Het zal een lange weg zijn, maar gelukkig weten we nu dat elk stukje dat je aflegt op die weg ook telt; je kunt immers best een beetje wijzer worden.

Kijk de lezing van Joep Dohmen terug: Aristoteles – de deugd ligt in het midden. Bekijk voor meer informatie over deugdethiek ook de lezing van Paul van Tongeren, Klassieke deugden. Of lees Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk

campert
'Iedereen die in geluk gelooft, is ongelukkig.' Iedereen die Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert leest, is in elk geval voor een paar uur gelukkig. En moet wel gaan geloven in literatuur.

Het leven is vurrukkulluk is de keuze van Nederland leest. Bij de bibliotheek kan ieder lid een gratis exemplaar ophalen, anderen kopen gewoon de fraai vormgegeven hardcover-editie in de boekwinkel. Remco Campert schreef het boek een halve eeuw geleden, het verscheen in 1961. Maar dat lees je er niet van af. Het had ook vandaag, nee morgen geschreven kunnen zijn. Inderdaad, het perfecte boek voor de leeslijst, maar ook een boek dat uit zijn voegen barst van schoonheid, humor, wijsheid, feest en zomer. En literatuur.

Lees verder bij 8WEEKLY: Hardop lachen en een zucht van weemoed



Bookmark and Share
Comments

Gedachtekunst: Hoe mijn hoofd er van binnen uitziet

People understand me so little that they do not even understand when I complain of being misunderstood.
—Søren Kierkegaard, Dagboek, februari 1836
________________________________________________________________________________

Mijn eigen post-it war:
post-it
Met dank aan de Denkwijzer. Wie is jouw filosofische soulmate? De mijne is duidelijk: Sartre.
________________________________________________________________________________

Het tussentijdse rapport over de fraude van Diederik Stapel met wetenschappelijke onderzoeksdata leest als een thriller. Of als een nieuwe vorm van poëzie.

(zogenaamd)
Tot zover was alles in orde. Maar dan volgde er een volstrekt fictieve fase. De experimenten werden (zogenaamd) uitgevoerd onder de volledige supervisie van de heer Stapel alleen. De heer Stapel had, naar eigen zeggen, uitstekende contacten met een groot aantal onderwijsinstellingen in het land. Die waren steeds weer bereid om in goed overleg met hem persoonlijk zulke onderzoeken uit te voeren, soms geholpen door (zogenaamd) betaalde research assistenten. Ter compensatie voor de inspanningen van de scholen gaf de heer Stapel er (zogenaamd) voordrachten en schonk hij (zogenaamd) de betreffende scholen van tijd tot tijd computers en beamers. De op die scholen verzamelde data werden vervolgens (zogenaamd) op die scholen zelf, veelal door (onbekende) assistenten, verwerkt en gecodeerd. De aldus ‘verkregen’ gegevens werden dan rechtstreeks aan de heer Stapel gegeven, nooit aan de partners.

Lees het hele rapport via Wetenschap24: Met een kofferbak snoep naar een fictieve school
________________________________________________________________________________

Steve’s final words were:
OH WOW. OH WOW. OH WOW.
A Sister’s Eulogy for Steve Jobs
________________________________________________________________________________

'Je komt aan het einde van het leven - nee, niet van het leven zelf, maar van iets anders: het einde van elke waarschijnlijkheid van verandering in dat leven. Er wordt je een lang rustmoment gegund, tijd genoeg voor het stellen van de vraag: wat heb ik nog meer fout gedaan?'
 
'Er is accumulatie. Er is verantwoordelijkheid. En daarenboven is er onrust. Is er grote onrust.' 
Julian Barnes, Alsof het voorbij is
________________________________________________________________________________

Telefoonseks
Al een jaar of vier had ik geen telefoonseks gehad. Het moest er maar weer eens van komen. Ik sms’te mijn vriendin: ‘Zullen we telefoonseks hebben? Morgen of vanavond?’
Het antwoord kwam snel: ‘Vanavond is beter, morgenavond heb ik een feest.’
In New York was het warm. Ik installeerde mij op mijn bed. We praatten, in het begin wat onwennig, en na 25 minuten zei ik: ‘Zullen we dan maar beginnen?’
Het erotische gesprek verliep moeizaam.
Na een tijdje zei ze: ‘Wacht, ik pak even een banaan.’
Ik hoorde haar de trap aflopen, keukenkastjes werden geopend en weer gesloten. ‘Wat voor banaan is het?’ vroeg ik.
‘Een kleine, biologische banaan.’
Er is een beroemd boek van Oliver Sacks getiteld De man die zijn vrouw voor een hoed hield.
Ik vrees dat als ik in de supermarkt op kleine biologische bananen stuit, ik het woord tot ze zal richten.

Arnon Grunberg
Voetnoot, 3 juli 2010
________________________________________________________________________________

Gelukkig hebben we de kater nog:
reve
Gerard Reve, uit Nader tot U
________________________________________________________________________________

I'm standing in a field
A field of questions
As far as the eye can see
Is this what it means
To be free
Or is this what it means
To be belong to the free


________________________________________________________________________________

Meer gedachtekunst
________________________________________________________________________________



Bookmark and Share
Comments

Filmpje: Krachtige taal





Bookmark and Share
Comments

Julian Barnes - Alsof het voorbij is

barnes_alsof
'Als je het uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen.' Laat dat in dit geval nu eens géén cliché zijn. Je doet het, na het lezen van die slotzinnen als mokerslagen, meteen opnieuw beginnen. En je wordt meteen beloond.

De voor de Man Booker Prize genomineerde korte roman Alsof het voorbij is door Julian Barnes is een kleinood, maar dan wel een zwarte diamant. Hard, schitterend en met een schijn van transparantie. In de openingszinnen – een soort opsomming van beelden – resoneert het hele verhaal, in de eerste scène resoneert de laatste zin. Of in de laatste zin de eerste scène.

Lees verder op 8WEEKLY: Niemand die niet beseft dat hij het niet weet



Bookmark and Share
Comments

Over het gebrek aan decorum dat leven heet

Bamse_dromerig
1. Al meer dan vier maanden stond het aluminium busje met de as van Bamse te wachten op het finale afscheid. Bij het asbusje was een waarschuwing geleverd: deze was niet bestemd voor het bewaren van de as tot in de eeuwigheid, als je de as niet snel zou uitstrooien zou de bus gaan roesten. Begin oktober wist ik me er dan eindelijk toe te zetten. Een zonnige herfstochtend, toevallig werd ik al om acht uur wakker. Met de asbus in mijn tas liep ik naar het Amsterdam-Rijnkanaal.

Hoe doe je dat? As uitstrooien van een huisdier? Moet je daar dan iets bij zeggen of gebaren? Wat als ik zou gaan huilen? Er lopen langs het kanaal altijd mensen met honden, hoe vroeg het ook is. Bij de aangewezen plek, waar een zijtak in het kanaal uitkomt, liep ik van het pad af. Ik had me verkeken op de oever, die twee à drie meter lager ligt. Om de as in het water te strooien moet ik dus half en half naar beneden glijden, de asbus in één hand, de andere achter me in het dauwnatte gras. Schuin naar achteren hellend haal ik het zakje uit de bus en scheur het open. Op z'n kop schud ik het leeg, de as drijft weg op het water. Gelukkig is het windstil. Op handen en voeten, het asbusje heb ik al omhoog gegooid, klim ik weer naar boven. Dat was dat. Het gebrek aan decorum stoort me. Maar wat had ik dan verwacht?

2. Al meer dan zeveneneenhalf jaar geleden is het inmiddels dat we aan het bed van mijn vader stonden. We hebben een afspraak met de dood, het is woensdagmiddag 10 maart. De huisarts - hij die straks de dodelijke injectie gaat geven - is rood aangelopen, het zweet parelt op zijn voorhoofd. Dat is verontrustend, want hij kan zich geen fout veroorloven. Een trillende hand kán gewoon niet. Tegelijk stelt het ook gerust. Stel je voor dat het hem niets deed, het feit dat hij iemand ging doodmaken met instemming van alle aanwezigen.

Nadat het gebeurd is (vergeef me dat ik juist hier zo makkelijk overheen stap), schenken wij overgeblevenen beneden een glas rode wijn in. Dat is mooi, want plechtig. Er moet echter ook gegeten worden. Niet veel later sta ik bij de Chinees te wachten op de babi pangang en foe jong hai. Onderwijl haalt de begrafenisondernemer de dode op; weer terug van de Chinees is hij weg. Hoe kunnen al deze dingen op dezelfde dag gebeuren? Ik verwonder me er nog steeds over. Decorum en gebrek aan decorum, de ergernis die dat opwekt en de verwondering. En troost.

3. Eén keer is een jongen huilend aan mijn voeten gevallen, me min of meer zijn hart op een fluwelen kussen aanbiedend, zich overleverend aan mijn genade. Goed, dat kun je zien als een enorm verlies van decorum van zijn kant, maar het was als een scène uit een ridderroman - het toppunt van decorum waar we wel nooit meer bij in de buurt zullen komen. Of een scène uit een film, een hartverscheurende scène; de ontroering! de kwetsbaarheid! Ik vond het onverteerbaar. Zoveel ernst en overgave, dat trek ik niet. Waar was het gebrek aan decorum dat ik zo hard nodig had?

(Bij Julian Barnes (Alsof het voorbij is) las ik onlangs: 'Ik heb een godsgruwelijke hekel aan die Engelse gewoonte om serieus zijn niet serieus te nemen. Daar heb ik echt een godsgruwelijke hekel aan.' Maar degene die deze woorden uitspreekt, pleegt niet veel later zelfmoord.)

4. De dierenarts die Bamse de dodelijke injectie ging geven waardoor ze zou inslapen, had het steeds over 'euthanasie plegen'. Ze zei precies dezelfde dingen als de huisarts zeven jaar terug. Ik wist niet of ik die twee gebeurtenissen met elkaar in verband mocht brengen, al was het maar in het binnenste van mijn gedachten. Je vader en je kat. Met de instemming van de aanwezigen. Ik hoop dat ik niet nogmaals word gevraagd te beslissen over leven en dood. Vooral omdat de juiste beslissing zo voor de hand liggend was in het zicht van het lijden.

Het was mooi en vredig. Soms moesten we lachen als Bamse toch weer een ademteug nam. Ze was nog steeds sterk, alleen geveld vanaf het middenrif. Bamse had in elk geval geen gebrek aan decorum, ze is altijd een aristocratisch poesje geweest. Toen het dan echt gedaan was, wist ik wel wat ging volgen. Langs de kassa en afrekenen.

5. Het is leven is misschien niet meer dan een opeenstapeling van gebrek aan decorum. Dat betekent niet dat we niet moeten proberen dat gebrek op te heffen. Misschien is het leven het voortdurend proberen het gebrek aan decorum op te heffen. En de dankbaarheid dat dat nooit helemaal lukt. En de troost die dat biedt.

(Of is dit alleen mijn leven?)



Bookmark and Share
Comments

Hassan Bahara en Patrick Pouw (red.) - WTF?! Volwassen worden na 11 september

wtf
In WTF?! Volwassen worden na 11 september brachten Hassan Bahara en Patrick Pouw '21 uitgesproken jonge Nederlanders over het afgelopen decennium' bijeen. Een bontgekleurd allegaartje dat je uitdaagt, je de ogen opent en vooruit, je soms ook doet gapen.

Het eerste stuk, van journalist Nadia Ezzerioli (1983), is meteen al inzichtelijk. Onder de veelzeggende titel 'Brandende fakkels bij elke Marokkaan op televisie' schrijft ze over de manier waarop de Marokkaanse gemeenschap aankijkt tegen Marokkanen die succesvol zijn in bijvoorbeeld de (Nederlandse) media of politiek. Kort gezegd: die hebben een probleem. Als je geliefd bent bij het Nederlandse publiek, maakt Ezzerioli duidelijk, doe je per definitie iets fout.

Lees verder op 8WEEKLY: Voorbij het hokjesdenken



Bookmark and Share
Comments

Dickens IV: lees en leef niet naar de letter maar naar de geest

dickens_fabriek
Als iedere volwassene net iets meer het kind in zichzelf in leven zou houden, zou de wereld een stukje mooier zijn. Dat moet je wel concluderen uit het werk van Charles Dickens, waarin kinderen de enigen zijn met een open vizier en een gevoelig hart. Via het kind laat Dickens zien hoe ruw en onbeschaafd de volwassen wereld met al haar regeltjes, bemoei- en geldzucht is. En het kind is degene die de volwassenen de ogen laat openen.

Charles Dickens was een ‘modernist’ zoals dat in de negentiende eeuw genoemd werd. Met zijn werk ageerde hij tegen onderdrukking en uitbuiting, en niet zonder succes. Hij was er niet alleen op uit om misstanden aan de kaak te stellen. Dickens geloofde ferm in het belang van verbeelding, verbeelding die gestimuleerd moet worden om uit te kunnen groeien tot moreel besef. In kinderen is die verbeelding nog levend. Het hele maatschappelijke systeem lijkt er echter op uit om de verbeelding uit te roeien, met uitwassen in het recht en onderwijs tot gevolg.

In de laatste van vier lezingen over Charles Dickens vertelde prof. Jan Lokin over de laatste jaren van de grote auteur, die haast in het harnas zou sterven en een veranderende, ietsje menselijker, maatschappij achterliet. Het is één ding om op de barricaden te klimmen en misstanden aan te klagen; Dickens ging het om iets fundamentelers, zo blijkt uit zijn liefde voor de verbeelding. Ook al werd hij dan een modernist genoemd, kenmerkend van Dickens was juist dat hij zich bij geen beweging of partij wilde aansluiten. Een partij is misschien bij uitstek een instrument dat de verbeelding om zeep helpt en een beweging loopt altijd het gevaar te verkeren in haar tegendeel.

Dat zie je bijvoorbeeld in A Tale of Two Cities, dat over de Franse Revolutie gaat. Eerst laat Dickens de enorme uitbuiting van de armen door de adel zien. Als het medelijden met die sloebers het hoogste punt bereikt, slaat de vlam in de pan en draaien de rollen om. Wat blijkt? De armen die de macht grijpen, voeren een schrikbewind dat niet onder doet voor dat van de adel. Dickens veroordeelt beide, of beter gezegd: veroordeelt onderdrukking op zich, wie ook onderdrukker of onderdrukte is. Het gaat niet om een politieke stellingname, maar om mensen.

Aan het eind van zijn leven kampte Dickens met vreselijke gezondheidsproblemen. Hij stierf op het toppunt van zijn roem; enkele maanden voor zijn dood was hij op audiëntie bij koningin Victoria en de prins en prinses van Wales waren als twee van duizenden bezoekers aanwezig bij zijn laatste voorlezing. Maar Dickens liet zich niet meeslepen en gaf zijn kinderen als laatste levensles de volgende woorden mee:

I commit my soul to the mercy of God through our Lord and Saviour Jesus Christ, and I exhort my dear children humbly to try to guide themselves by the teaching of the New Testament in its broad spirit AND TO PUT NO FAITH IN ANY MAN’S NARROW CONSTRUCTION OF ITS LETTER HERE NOR THERE.

Dat wil zeggen: lees niet naar de letter, maar naar de geest. Net als rechters zouden moeten doen, en dominees, politici natuurlijk, maar ook biografen van Dickens – eigenlijk alle volwassenen. Een actuele boodschap die niet vaak genoeg herhaald kan worden.

Kijk alle lezingen terug en lees de voorgaande nieuwsblogs via de programmapagina van Dickens. Literatuur als bron van kennis. De lezingen zijn opgenomen door Home Academy en verschijnen eind 2011 op cd.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens III: Dickens als sociale hervormer

dickens_fabriek
Elke grote schrijver heeft een schare lezers die niets slechts over hun held wil horen. Bij Charles Dickens gaat die verknochtheid nog dieper dan normaal, zo vertelt Dickens-biografe Claire Tomalin in een interview met The Guardian: ‘in the case of Dickens, who induces such intense (and intensely odd) passions in his devotees, you can multiply this by five’. Hoe komt het toch dat Dickens zulke ‘intense’, zelfs ‘passionele’ reacties oproept? Prof. Jan Lokin leest een aantal beschrijvingen van Dickens-personages voor. Ze zijn zo treffend gekarakteriseerd, met zulke unieke metaforen, dat je ze meteen als levensechte figuren voor ogen staan.

‘He was so bald and had such big whiskers that he seemed to have stopped his hair, by the sudden application of some powerful remedy, in the very act of falling off his head and to have fastened it irrevocably on his face.’

De grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges vertelde eens over zijn moeder dat zij een groot Dickens-fan was. Ze had de romans zo vaak gelezen dat ze een willekeurig exemplaar uit de kast kon pakken, die op een willekeurige bladzijde kon openslaan om dan te beginnen met lezen. De personages die ze tegenkwam waren als oude vrienden, wier levensverhalen ze kende en waar ze zonder problemen, in welke episode ook, opnieuw in kon stappen. Dat moet ook te danken zijn aan die typische Dickensiaanse manier van karakteriseren – waardoor ook iemand die je ontmoet in het echt leven direct kan doen denken aan bijvoorbeeld Mrs. Merdle:

‘Mrs Merdle was not young and fresh from the hand of nature but was young and fresh from the hand of her maid. She had large unfeeling handsome eyes and dark unfeeling handsome hair and a broad unfeeling handsome bosom. Mrs Merdle’s first husband had been a colonel under whose auspices the bosom had entered into competition with the snows of North America and had come off a little disadvantage in point of whiteness and at none in point of coldness.’

Het bijzondere aan het werk van Dickens is dat hij deze gave om mensen haast vriendschappelijk te laten worden met zijn creaties, inzette om sociale hervormingen teweeg te brengen. Met Oliver Twist bijvoorbeeld, pakte hij de armenzorg aan. Een doelbewuste aanval op het zeer strenge regime van de workhouses, maar zonder iets in te leveren aan literaire kwaliteit. De scène waarin Oliver om een tweede bord pap vraagt, had meer invloed op de publieke opinie dan alle rapporten en notities van instanties bij elkaar. Zo heeft Dickens via de literatuur bijgedragen aan het ontstaan van sociale bewegingen. Hij behield zijn onafhankelijkheid door zich zelf niet aan te sluiten bij een van die bewegingen of zich politiek uit te spreken. Hij liet zijn romans en verhalen voor hem spreken – met ongekend resultaat.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens II: Dickens en het recht

dickens_fabriek
Charles Dickens begon op zijn 24e aan wat zou uitgroeien tot zijn eerste roman: The Pickwick Papers. De schetsen verschenen als maandelijks feuilleton in de krant, voorzien van illustraties. Al in die eerste proeve van zijn kunnen toont Dickens zijn talenten: een onovertroffen observatievermogen en bijtende humor. Vanaf dat moment schrijft hij constant, soms aan twee romans tegelijkertijd. Zijn werk zal zichtbare invloed hebben, bijvoorbeeld op de ontwikkeling van de Engelse rechtspraak, zo vertelt prof. Jan Lokin in de tweede lezing over Dickens.

De Engelse rechtspraak van de negentiende eeuw ging terug tot de vroege middeleeuwen. Vonnissen werden weliswaar op rechtvaardige wijze uitgesproken, maar de procedures die de rechtbank moest volgen waren zo traag, inefficiënt en ronduit absurd dat het vele tragische gevallen opleverde. Dat gold in het bijzonder voor de Chancery Court, die jaren of zelfs generaties kon doen over het afhandelen van een testament. In de tussentijd vervielen families in schuld en armoede, hoe groot de erfenis waar ze recht op hadden ook mocht zijn.

Al in zijn eerste boek The Pickwick Papers wil Dickens deze uitwassen van het recht aan de kaak stellen. Hij doet dat door zijn bijzonder scherpe observatievermogen te combineren met bijzonder scherpe humor. Neem zijn beschrijving van de Court of Chancery:

‘Mist overal. Evenveel modder in de straten, als hadden de wateren zich pas teruggetrokken van de oppervlakte der aarde en het zou niet vreemd zijn een Megalosaurus te ontmoeten van een veertig voet lang, die als een reusachtige hagedis tegen Holborn Hill opwaggelde; maar er kan nooit een mist komen zo dicht, modder en slijk zo dik, dat zij het kunnen halen bij deze in het duister tastende en voortsukkelende Court of Chancery, deze pestbrengende in zonden vergrijsde instelling in het zich van hemel en aarde.’

Met zijn aanklacht in de vorm van fictie wist Dickens een groot publiek te bereiken, groter dan met zijn journalistieke stukken waarin hij ook over de misstanden in het recht schreef. Hij raakte het publiek met zijn verhalen – die gebaseerd konden zijn op waar gebeurde zaken – in het hart. De publieke opinie keerde zich mede hierdoor tegen de verouderde rechtspraak en uiteindelijk zou de Chancery Court afgeschaft worden.

Dat gebeurde pas jaren later, vlak voor Dickens’ dood. Met zijn eerste boek had hij wel meteen zijn reputatie gevestigd als bestsellerauteur. Door zijn populariteit kon hij een groot publiek bereiken en verschillende sociale hervormingen op de agenda zetten.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens I: van schoensmeerfabriek tot schrijvend hervormer

dickens_fabriek
Bij de naam Charles Dickens denken de meeste mensen waarschijnlijk meteen aan schrijnende verhalen over graatmagere fabrieksarbeiders in het negentiende-eeuwse Engeland. Weeskinderen die honds behandeld worden door gierige bovenmeesters met losse handjes. Of schuldenaars die zich met geen mogelijkheid uit het moeras van armoede weten te trekken. Allemaal terechte associaties. Pas na zijn dood werd bekend dat Dickens zelf die wereld van binnenuit kende.

In 2012 is het tweehonderd jaar geleden dat de Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren. Bij Studium Generale houdt professor Jan Lokin vier lezingen over het werk van Dickens en de betekenis daarvan in deze tijd. Hoewel de fabrieksarbeiders, weeskinderen en schuldenaars zoals Dickens ze beschreef niet meer van deze tijd lijken te zijn, zijn de romans waarin ze optreden nog steeds van grote waarde en schoonheid.

In de eerste lezing vertelt Lokin over de jeugd van Dickens, die gekenmerkt werd door financiële problemen in de familie, werk in een schoensmeerfabriek en – inderdaad – een bovenmeester met losse handjes. Maar ook door een fabelachtig geheugen gecombineerd met een enorme honger naar boeken. Bovendien was Dickens een acteertalent. Deze eigenschappen en omstandigheden bij elkaar opgeteld leggen de basis voor zijn schrijverschap.

Uit die toch wel extreme kinderjaren zijn drie gevolgen aan te wijzen die de rest van Dickens’ loopbaan hebben beïnvloed. Ten eerste is er de enorme productie van journalistiek en literair werk. Nooit meer zou Dickens slechte omstandigheden de baas laten worden over zijn leven. Financiële onafhankelijkheid werd voor hem een heilig doel, dat hij wist te realiseren door keihard te werken. Van loopjongen werkte hij zich op tot verslaggever in het parlement; hij reisde voor reportages door het hele land en schreef ondertussen zijn veelgelezen fictieve verhalen die als feuilleton in de krant verschenen.

Ten tweede legde Dickens zich toe op het bestrijden van de misstanden waar hij zelf zo onder gebukt was gegaan, van de gevangenis voor wanbetalers tot de schoensmeerfabriek en de letterlijk harde leerschool. Hij zou erin slagen de wereld met zijn boeken ook een klein beetje beter te maken. Maar hij hield ten slotte ook een jarenlange schaamte over aan de vernederingen die hij in zijn jeugd had meegemaakt. Niemand wist dat hij schreef uit persoonlijke ervaring en niet slechts uit professionele waarneming. Na zijn dood verscheen de eerste biografie gebaseerd op gesprekken met zijn goede vriend John Forster, waarin het zwijgen werd doorbroken. Nu konden de autobiografische elementen van zijn romans pas geduid worden.

Dickens blijkt zo een verbindingspunt te zijn van de grote geschiedenis van de Engelse maatschappij, de verpersoonlijking daarvan in een individueel leven én het begin van belangrijke hervormingen. Verleden, heden en toekomst komen in hem samen. En dan moet het verhaal over zijn schrijversloopbaan nog beginnen.

Kom volgende week luisteren naar deel twee van de serie over Dickens. Kijk hier de lezing over het leven van Dickens terug.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

pijl_boog
Een moderne moraal legt geen regels op, maar ondersteunt de natuurlijke neigingen tot het goede. Deugden die het vrije individu trainen in dat waar hij goed in is, in plaats van hem te beperken maken zo’n moraal praktisch. De 21e eeuw vraagt om een ethiek die geen regels en wetten formuleert, maar juist de verlammende werking van regels laat zien. Prof. Maarten van Buuren wil op zoek naar zo’n natuurlijke moraal, en het taoïsme is daar een eerste voorbeeld van. Zo blijkt uit zijn lezing in de serie Levenskunst, Wu wei, doen door niet te doen.

Het taoïsme van de Chinese wijsgeer en dichter Lao Tse is in de vierde eeuw voor Christus opgetekend in het beroemde boek Tao Te Ching. Het bestaat uit 81 hoofdstukken of gedichten. In die vorm tekent zich al af dat ‘dao’ niet verwijst naar een ethische imperatief of naar een set leefregels. Anders dan bijvoorbeeld de leer van Confucius, die wel bestaat uit zulke regels en waartegen Lao Tse zich met zijn eigen werk afzette. Hij schrijft dan ook niet voor de machthebbers of om een hiërarchische orde te bestendigen, zoals Confucius deed. Dao is dynamisch, natuurlijk, niet humanistisch en soms zelfs meedogenloos.

Hoe komen we weer in tune met de natuurlijke weg, met dao? Hoe zorg je dat je weer ‘spoort’? En waarom is dat eigenlijk iets om na te streven? Zo min als het bestaan van een ‘universele orde’ vanzelfsprekend is, hoeft het volgen daarvan nastrevenswaardig te zijn. Eenvoudige oefeningen kunnen je in aanraking brengen met de dao en je de harmonie laten ervaren die uitgaat van het ‘sporen’ ermee, aldus Maarten van Buuren. Meditatie is de bekendste, maar voor hemzelf werkt fietsen het beste. Wat volgt is een persoonlijke ‘tao van het fietsen’. Twijfels over bestaan en nut worden daarmee weggenomen: het bestaan van de orde ervaar je via die oefeningen. En het is nastrevenswaardig omdat in die ervaring iets als het goede leven werkelijkheid wordt. ‘Geluk,’ durft Maarten van Buuren het zelfs te noemen. En bovendien ontvankelijkheid, waarin kennis en oplossingen zich aandienen zonder dat je ook maar hoeft na te denken.

Daarmee is nog niet gezegd wat ‘doen door niet te doen’ eigenlijk inhoudt. Is het gewoon een soort ‘go with the flow’, waarbij je alle regels afwerpt om op zoek te gaan naar je kern, liefst achteroverhangend en genietend van het nietsdoen? Dat klinkt wel erg gemakzuchtig. Ten onrechte, zegt Van Buuren, want wu wei duidt op een zorgrelatie. Zorg voor een ander – denk bijvoorbeeld aan de opvoeding van een kind, waarbij stimuleren belangrijker is dan verbieden. Juist door te veel regels in te stellen, zal het kind ontaarden. Hetzelfde geldt bij de zorgrelatie voor jezelf. Harmonie met de dao bereik je door steeds verder terug te gaan en steeds meer regels en obstakels af te leggen, tot je de ‘oorspronkelijke leegte’ bereikt.

Dit zal voor veel mensen ver van hun bed klinken. Kan het taoïsme wel een moraal voor onze tijd zijn? Staat er niet te veel techniek en afleiding tussen het individu en de wereld? Is het volgen van de natuurlijke orde nog wel een optie in onze door en door gemedieerde werkelijkheid? Een andere vraag kan zijn of in onze tijd het teruggaan tot de leegte, door het afleggen van alle grenzen en beperkingen niet automatisch leidt tot een extatische volheid.

In de volgende lezingen over Levenskunst: deugden en ondeugden zullen dit soort vragen ongetwijfeld terugkomen. De volgende keer, op woensdag 9 november, gaat het over Aristoteles. De lezing van Maarten van Buuren kijk je hier terug: Wu wei: doen door niet te doen.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Lees ook mijn persoonlijke overweging bij 'doen door niet te doen’: Actie is altijd beter dan geen actie.



Bookmark and Share
Comments

De andere wang van Willem van Leeuwen

anderewang
Vergeven is een deugd die niet sexy is. Nee, ‘opkomen voor jezelf’, ‘je recht halen’ dat zijn de deugden van nu. Miriam Rasch las 'De andere wang' van journalist Willem van Leeuwen en schreef een blog. Vergeving is meer dan een irrationeel of zweverig gevoel. ‘Het is een redelijk proces: je moet je proberen te verplaatsen in de situatie van de ander.’

Vergeving, het klinkt al gauw zijig en zalvend, maar dat wordt het niet in het boek van Van Leeuwen. Want zodra hij richting zweverigheid gaat, corrigeert hij zichzelf ferm. Fijn. Van Leeuwen vertrekt vanuit een persoonlijk gevoelde wrok en rancune, dat zet het onderwerp alvast op scherp. Die wrok is zo sterk dat het zijn dagelijkse welbevinden in de weg staat. De lulligste dingen die hem ooit zijn aangedaan door niet echt belangrijke figuren uit het verleden blijven haast letterlijk geëtst in zijn herinnering.

Lees verder bij het Humanistisch Verbond: Vergeven doe je nooit alleen
Mijn andere blogs voor www.humanistischverbond.nl vind je hier.



Bookmark and Share
Comments

Krachtige taal: over retorica, emoties en framing

megafoon
Bij de Algemene Beschouwingen werd pijnlijk duidelijk hoe belangrijk taal en retorica zijn in de politiek. En via het politieke debat ook voor het publieke sentiment. Meer dan over de inhoud, ging het na afloop vooral over hóe er gesproken werd. Het jaarlijkse Vredesdagensymposium, een samenwerking van Studium Generale met Oikos en SIB Utrecht, stond in het teken van dit actuele onderwerp. Krachtige taal kan zowel onderdrukken en als hoop geven. In de lezingen van Maarten van Rossem, Mariëtte Willemsen en Lucien van Liere kwam steeds het belang van de context terug. Een context die gevuld is met het persoonlijke, met emoties en menselijkheid. Het onderzoeken en benoemen daarvan schept de mogelijkheid de kracht van taal te benutten, zonder de schaduwzijde van retorica te ontkennen.

Hitler en Roosevelt
Prof. Maarten van Rossem leidt de dag in met een lezing over retorica in de politiek. Dat is meteen een knap staaltje redenaarskunst, dat impliciet duidelijk maakt dat persoonlijkheid, eigenheid en humor belangrijke aspecten zijn bij het spreken voor publiek. Van Rossem benadrukt de context bij retorica: wie spreekt, waar en voor wie en met welk medium? Retorica is eigenlijk niet te generaliseren. Hitler sprak urenlang voor duizenden toehoorders. Als je dat in fragmenten terugkijkt op een klein YouTube-schermpje, is niet te begrijpen wat de impact was. Retorische gaven lijken een belangrijk talent voor een politicus, maar Hitler is een extreem voorbeeld van het gevaar dat zulk talent ook kan opleveren. ‘Als Hitler niet zo’n groot redenaar was geweest, had alles anders gelopen,’ daar is Maarten van Rossem van overtuigd.

De moderne retorica ontstond bij de radiopraatjes van Roosevelt. Daarmee zie je dat het medium een groot deel van de context uitmaakt. Tegenwoordig wordt niet vaak meer gesproken voor duizenden toeschouwers. Zelfs de grote toespraken van de Amerikaanse president moeten het vooral ook goed doen op tv. Uitzinnige emoties en denderende woorden kunnen dan niet. Juist een rustige, bedaagde spreektrant is belangrijk. Maar het belangrijkste is tegenwoordig nog wel ironie en zelfspot. Iets wat Van Rossem zelf tot in de puntjes beheerst. Hoewel misschien in een bijzondere vorm: de geïroniseerde (zelf)vergroting. ‘Nooit zal ik voor iemand een tekst schrijven. Ten eerste schrijf ik geen teksten, ten tweede kan niemand ze zo goed uitspreken als ik.’ De Senaatszaal hangt aan zijn lippen.

Grieken, Romeinen en Martha Nussbaum
’s Avonds gaan dr. Mariëtte Willemsen en dr. Lucien van Liere dieper in op het thema krachtige taal. De klassieke retorica gaat (zoals alles) terug tot Plato. Mariëtte Willemsen geeft een overzicht van het denken over welsprekendheid in de Griekse en Romeinse wijsbegeerte. Hoewel er verschillende soorten speeches bestaan en die ook verschillende doelen kunnen hebben, komt altijd de drie-eenheid ethos, pathos en logos  terug. De spreker die wil overtuigen moet karakter tonen, goed informeren en uitleggen, en de emoties aanspreken. Vooral dat laatste heeft de aandacht van Willemsen, want emoties spelen een veel grotere rol in taal dan vaak gedacht.

Aan de hand van het werk van Martha Nussbaum, laat Willemsen zien hoe emoties altijd ook een cognitieve dimensie hebben; ze zijn als het ware geladen met overtuigingen, waarden en oordelen. ‘Het denken is bij emoties in geding,’ heet het. Dat betekent dat zelfs als in een tekst of toespraak niet overduidelijk op het gevoel wordt gespeeld, emoties zich op de achtergrond welzeker doen gelden. Hier zouden we ons steeds bewust van moeten zijn, die achtergrond vraagt steeds om onderzoek.

Framing
Een moderne vorm van retorica is framing. De laatste tijd wordt veel gesproken over dit begrip dat werd gemunt in de jaren zeventig. Lucien van Liere legt uit wat het precies inhoudt. Een frame is een ‘collectie stereotyperingen’ die bijvoorbeeld op een bevolkingsgroep wordt gelegd. Een enkel woord of beeld kan voldoende zijn. Door een Amerikaanse soldaat niet bij zijn naam te noemen, maar te bestempelen als ‘een Amerikaan’, wordt de (fundamentalistische) moord op hem een moord op Amerika. Frames zijn meestal een uitdrukking van vijandschap. Ze verbergen op een simplistische manier de kwetsbaarheid van de mens die erachter zit. De Amerikaanse soldaat, maar ook bijvoorbeeld een moslima die wordt aangeduid als ‘hoofddoekje’, wordt beroofd van zijn individualiteit. De context verdwijnt en daarmee elke vorm van meerduidigheid. Interpretatie is niet meer nodig: de persoon valt samen met het enkele woord en kan niets meer of anders zijn dan dat. Dat werkt lekker makkelijk en snel, reden waarom frames zo geliefd zijn. Én gevaarlijk.

Opnieuw blijkt de context essentieel. Van Liere pleit voor een versterking van het ‘biografische perspectief’; communicatie van mens tot mens, van individu tot individu. In de persoonlijke ontmoeting kan het abstracte frame doorbroken worden. Met die kanttekening dat we nooit helemaal buiten de frames kunnen stappen, die hebben we ook nodig in het omgaan met de complexe wereld. Zoals Mariëtte Willemsen wees op het bevragen van de emotionele achtergrond, ook als die niet meteen zichtbaar is, zo ziet Van Liere graag dat we de frames waarin we denken bevragen. Emoties kunnen ons op het spoor zetten van zo’n frame.

Ethos, logos en pathos in evenwicht brengen: dat is niet alleen waar de spreker op uit moet zijn, maar ook de toehoorder. Dan is misschien de gevaarlijke kant van retorica, waar Maarten van Rossem in zijn openingslezing op wees, te beteugelen.

Kijk de avondlezingen van Mariëtte Willemsen en Lucien van Liere hier terug. De lezing van Maarten van Rossem komt later online.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Actie is altijd beter dan geen actie

pijl_boog
'Actie is altijd beter dan geen actie.' Met dat zinnetje kan ik de afgelopen maanden wel samenvatten. En het waren lange maanden, volgepropt met allerlei life events zoals dat dan heet. Nu klinkt zo'n zinnetje misschien als een wat loze levensles. Het zij zo, het is ook wel overzichtelijk om het leven zo eens bij de kladden te grijpen. Bovendien zijn dit soort mantra's behulpzaam. Je hebt niet altijd tijd om jezelf aan een diepgaand zelfonderzoek te onderwerpen of om Schopenhauer erop na te slaan. (Van wie ik die andere mantra ook nog steeds gebruik: 'Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.')

Dat zinnetje klinkt simpel, maar er valt genoeg over te zeggen. Is het een aansporing voor luie mensen? Nee, dat denk ik niet. Ik vind mezelf heel vaak heel lui, maar door de bank genomen doe ik bij elkaar opgeteld zoveel dat ik mezelf toch niet lui kan noemen, ondanks die slome middagen waarop niets uit mijn handen komt. Waarom moet er dan aangespoord worden? Als ik naga om wat voor situaties het gaat, komt het steeds neer op: situaties waarin het voelt alsof ik andere mensen lastig val.

'Andere mensen lastig vallen', dat zegt al genoeg. Terwijl je belt met de zoveelste medewerker van een - ik roep maar wat - hypotheekbank, die jou uitknijpt en verkeerde informatie geeft die zomaar duizenden euro's kan kosten… nou ja, op zo’n moment hoef je je toch geen zorgen te maken dat je zo'n medewerker lastig valt? Toch voelt het zo. Ander voorbeeld: mensen (mannen) die van alles van jou willen, waarom zou je je zorgen maken om hun gevoelens? Onzin! Toch voelt het zo. Daarom is voor mijn soort mensen actie altijd beter dan geen actie.

En vanzelfsprekend is zo'n mantra heus niet. Neem de volgende lezing in de Levenskunst-reeks, die is getiteld 'Doen door niet te doen'. Het is de vertaling van een principe uit het taoïsme, 'Wu Wei'. Doen door niet te doen: een soort go with the flow, de natuur vooral z'n gang laten gaan. Eerder verdiepte ik me al een beetje in het taoïsme omdat het me zo heerlijk ontspannend in de oren klinkt (zie hier). De weg volgen, niet te veel handelen, alles op zijn beloop laten. Maar De Grote Onrust achtervolgt me altijd, hoe lui ik me vaak ook voel. Het verlangen naar ontspanning, naar het blussen van het verlangen, naar kluizenaarschap zelfs, mag nog zo groot zijn, ik moest concluderen dat ik er niet voor in de wieg ben gelegd.

Het is dus geen luiheid die me dwarszit, daar was ik al achter. Het is gewoon ordinaire, twijfelachtige, zelfwegcijferende onzekerheid. Bah.

Inmiddels ben ik dus zover dat ik het ronduit niet eens ben met het 'doen door niet te doen'. Liever het tegenovergestelde, actie is altijd beter dan geen actie. Misschien is mooier: 'Handelen is altijd beter dan niet handelen.' Dat is weer te extrapoleren naar: 'Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken.' Dat klinkt als de schreeuwerigheid waaraan iedereen tot in de politiek aan toe zich tegenwoordig schuldig maakt, en dat is absoluut niet wat ik bedoel. In eerste instantie is je mond houden vaak beter dan je mond opendoen. Maar als het erom gaat dat je je afvraagt of je iets nu wel of niet tegen iemand moet zeggen: je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. (Tegenvoorbeelden uiteraard ook voorradig in het kader van de uitzonderingen op de regel.) Vandaar ook deze blogpost.

Want je weet zelf: 'Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.'

Lees hier meer over Wu Wei en levenskunst.



Bookmark and Share
Comments

De kroon op de evolutie

gewervelden
De mens, dat moet wel de kroon op de evolutie zijn. Het eindpunt dat we maar met pijn en moeite als ‘voorlopig’ willen bestempelen. In de laatste lezing van prof. Jelle Reumer over de evolutie van de gewervelden gaat het over zoogdieren. Primaten, even- en onevenhoevigen en hun onderlinge verwantschappen. En over de mens, maar niet als allerlaatste. Nee, de mens ziet Reumer zeker niet als kroon op de evolutie.

Homo sapiens is een van de vierduizend levende zoogdiersoorten, samen met de apen behorend tot de primaten. De mens, zijn voorgangers en de mensapen stammen allemaal af van de vroege ‘hominide’. Die evolueert verder in een tak waaraan de chimpansees en bonobo’s ontspruiten, en een andere tak die via de eerste ‘mensachtigen’ zal leiden tot de mens. Dat afsplitsen van mens en aap gebeurde al miljoenen jaren geleden, terwijl de soort ‘homo sapiens’ pas 200.000 jaar geleden ontstaat.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Herfst, tweemaal


'Ja ja, hoor de blaadjes waaien. Maar wat schoot ik daarmee op?'

Uit: Yves Petry, De maagd Marino

---

Voor de verachters van de binnenkamer

Waarom ga ik nog altijd naar buiten,
ik weet wat daar is.
De langgerekte fluittoon de aangrenzende
resten, de drooggekookte klaarheid der dingen:
precieze verhoudingen.

En daar heb ik dus een schijthekel aan
(een regenbui balsemt milddadig)
dat alles is zoals het is

waarom ga ik nog wandelen, om een esdoorn in zijn esdoorn-zijn
te sterken? (hierachter sterven er geruisloos)

de esdoorn moet zijn eigen rottige zelf maar toeknikken


Van de heerlijke nieuwe dichter Maarten van der Graaff.



Bookmark and Share
Comments

De aarde als experimentele proeftuin: evolutie van het zoogdier

gewervelden
Evolutie is een geleidelijk proces van miljoenen jaren van adaptatie en ontwikkeling. Niet zo gek dat de grenzen tussen de verschillende soorten vaag zijn. Er zijn overgangsfiguren te vinden tussen de ene soort en de andere, zelfs tussen de ene klasse en de andere – bijvoorbeeld tussen reptiel en zoogdier. De tiktaalik, die als eerste vis het water uit kroop, waarom is dat geen reptiel? Eigenlijk vooral omdat wij hem nu eenmaal bij de vissen hebben ingedeeld. De groep van de reptielen fungeert als een vergaarbak van soorten, waaruit de meest uiteenlopende beesten zijn ontstaan, van de mens tot de vogels.

Wat maakt een zoogdier tot een zoogdier? Dat is de vraag waarmee prof. Jelle Reumer het derde deel van Evolutie van de gewervelden opent. Er zijn veel kenmerken te noemen die in het oog springen: haargroei bijvoorbeeld, of de melkklieren. Toch is het onderscheidende kenmerk van het zoogdier niet aan de buitenkant te vinden. Drie piepkleine botjes in het middenoor definiëren het zoogdier als zoogdier. De ontwikkeling van het gehoororgaan is een boeiend hoofdstuk in het verhaal van de evolutie. Het voert namelijk terug op de allereerste primitieve vissen, de gordaten die kaakloos door het leven gingen. Uit hun kieuwboog, een soort kraakbenen onderkaakje, ontstaat via de kaak van het reptiel uiteindelijk het oor. ‘U luistert dus naar mij,’ zegt Jelle Reumer, ‘met behulp van het kaakgewricht van een hagedis.’



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over de liefde: romantiek van rebellie naar soap

prins_witte_paard
Dat meerdere liefdes van je leven elkaar opvolgen, is tegenwoordig gemeengoed. Toch moet elk van die Grote Liefdes even meeslepend als uniek zijn, alsof het in elk geval op dat moment voor eeuwig is en ondenkbaar dat het ooit weer overwaait.

Eigenlijk is het raar: als je wordt gedumpt verzekeren al je vrienden je dat er nog veel meer vissen in de zee zijn. Maar niemand zal dat willen zeggen op het moment dat de liefde nog bestaat. Zo zit je dan voortdurend in een spagaat tussen absolute en relatieve liefde, tussen gevoelens die niet intens genoeg kunnen zijn en de rede die je vertelt dat elk gebroken hart gelijmd kan worden.

Alweer enige tijd geleden las ik een interessant interview met Richard David Precht in de Volkskrant (18 augustus). Hij schreef ook alweer enige tijd geleden Liefde voor gevorderden (2009). In het interview staat een passage over de ontwikkeling van de romantische liefde, die begon als rebellie tegen de gevestigde orde maar langzamerhand zelf de norm is geworden. Toch wel een eye-opener:

'In de 19de eeuw was de romantische liefde een daad van rebellie, bezongen door schrijvers als Jane Austen, Gustave Flaubert en Theodore Fontane. Meestal was de hoofdpersoon een vrouw; zij wilde trouwen met haar grote liefde, niet met een welgestelde partij uit een goede familie. Dat ideaal sijpelde betrekkelijk langzaam door. (...) Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren zestig, was er geen houden meer aan. De romantiek daalde af van de wereldliteratuur naar de soap, van Pride and Prejudice naar As The World Turns. De romantische liefde was geen rebellie meer, maar norm. Maar hoe hoger de eisen, hoe sterker de teleurstelling. De romantiek blijkt haar schaduwzijden te hebben: instabiele relaties, mensen die vruchteloos blijven zoeken naar die ene ideale partner, vrouwen die ongewild kinderloos blijven.'

Goed, die schaduwkanten kennen we allemaal. Is er iets in het leven dat geen schaduwkanten heeft? Nee toch? Dat gemier over instabiliteit en vruchteloos gezoek zal niet anders zijn dan in de tijd vóór Emma Bovary.

Precht heeft verderop nog een boeiende gedachte in petto. Hij begint met opnieuw een (impliciet gehouden) paradox. We zoeken in een liefdesrelatie jarenlange opwinding, meeslepende gevoelens die je doen geloven dat je de Ware aan de haak hebt geslagen. Maar we willen ook een 'maatje' (oei), een beste vriend met wie je avondenlang diepzinnige gesprekken voert en die het niet erg vindt als je in je berenpyjama met ongewassen haren tegen hem aan hangt:

'In de liefde zoeken we opwinding, we willen dat de ander ons hartkloppingen bezorgt. Maar we zoeken ook vertrouwen, geborgenheid, begrip. Dat zijn precies de psychische voedingsstoffen die we van onze ouders krijgen.'

Opwinding? (Van je ouders?)
'Geen seksuele opwinding. Maar ouders maken het leven van hun kinderen interessant. Kijk daar: een olifant, een ezel! Toen mijn zoon klein was, kwam hij naar me toe. Papa, ik verveel me. Dat betekent: geef me opwinding, niet: geef me geborgenheid.'

Dat is interessant. De ware is degene die je verveling verdrijft. Tot hij zelf vervelend wordt natuurlijk.



Bookmark and Share
Comments

Niks reptielerigs is ons vreemd

gewervelden
‘De bekende vliezen die breken voor een geboorte, zijn dezelfde vliezen die je tegenkomt bij een ei pellen.’ Jelle Reumer vertelt dat deze woorden, uit zijn mond opgetekend door NRC Handelsblad, in elk geval één collega het plezier van een zachtgekookt eitje in de ochtend voorgoed hebben ontnomen.

De ontwikkeling van het ei, van kikkerdril gelegd in het water tot de foetus die in het lichaam wordt gedragen, is een beeldende illustratie van de evolutie van de gewervelden. Het moment dat de vis tiktaalik uit het water het land op kroop, was een belangrijke stap in die evolutie. Voor de echte verovering van het land was echter een ‘droogtebestendig ei’ nodig, een ei met een schil eromheen. Met het ontstaan van dat ei, ontstaan ook de reptielen, die zich op land kunnen voortplanten. ‘De remmen zijn los,’ aldus Reumer. Uit een ei komt een compleet wezen gekropen, niet een klein visje dat zich in het water nog verder moet ontwikkelen. Dat betekent dat een enorme groei mogelijk is, denk maar aan struisvogeleieren. 



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Empathie is nog geen moraal: Joep Dohmen over Frans de Waal

levenskunst
Heeft de moraal een natuurlijke, evolutionaire oorsprong? Of is moraal specifiek menselijk en niet los te zien van cultuur? Dat was de inzet van de lezing door prof. Joep Dohmen over het werk van bioloog Frans de Waal en in het bijzonder de notie van empathie. De Waal laat in zijn onderzoek naar het gedrag van apen zien dat empathie – en daarmee gedrag als wederkerigheid en troost – niet een verworvenheid van de mens is, maar ook bij dieren voorkomt. De mens is net als zijn naaste verwanten ‘van nature goed’, zij het dat hij ook van nature uitgerust is met ‘slechte’ eigenschappen als agressie en machtsbelustheid.

Empathie is daarmee bij uitstek een ‘moderne deugd’ te noemen, geworteld in de natuurwetenschap en voorzien van kwantitatief bewijs. Een mooie leidraad voor het onderzoek naar een ‘moraal van de eenentwintigste eeuw’ zoals Joep Dohmen en Maarten van Buuren dat in de serie Levenskunst: deugden en ondeugden voor ogen hebben.

Maar mogen we wel voetstoots aannemen dat moraal daadwerkelijk zo’n natuurlijke oorsprong heeft? Dohmen zet daar zijn vraagtekens bij, onder andere door de filosoof Kant aan te halen. Het vermogen om je in te leven in een ander en om de behoeften van een soortgenoot te herkennen delen we misschien met de dieren. De vraag is of dat wel iets met moraliteit te maken heeft. De mens kan juist ook afstand nemen van zijn empathie. Is deze vrijheid niet essentieel als we spreken over ethiek? Als dat zo is, dan moet de conclusie toch zijn dat moraal misschien een evolutionaire basis heeft, als een mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontstaan ervan, maar dat cultuur toch doorslaggevend is.

Het is ook de cultuur die zorgt dat empathie als deugd kan worden gezien. Inlevingsvermogen kan gebruikt worden om de ander de meest vreselijke dingen aan te doen, zoals de meest verfijnde marteltechnieken, zo klinkt een kritische noot. Empathie is dan toch niet een inherent positieve eigenschap die gelinkt is aan de moraal? Zo bezien verschrompelt empathie tot niets meer dan een vermogen dat vooral cognitief is. Je neemt het perspectief van de ander aan en begrijpt: als ik dit doe, voelt hij dat, dus laat ik zus en zo handelen. Deze ‘koele perspectiefname’ is iets anders dan de ‘warme’ empathie, die is afgestemd op de emoties van een ander. Haast lijfelijk kun je ondergaan hoe de ander zich in een situatie voelt, denk maar aan de adem die stokt bij het zien van een iemand die valt.

Natuurlijk kun je dit vermogen, ook de warme variant, op een kwade manier gebruiken. Maar geldt niet voor alle deugden dat zij het juiste midden zijn tussen twee extremen? Zoals dapperheid het midden is tussen lafheid en overmoed, is empathie misschien ook op deze klassieke, Aristotelische wijze te ontleden. Daar kwamen Dohmen en Van Buuren niet aan toe. Ik denk dat het ‘koele’ en het ‘warme’ de beide uitersten van het spectrum beslaan: berekendheid aan de ene kant, hypersensitiviteit aan de andere. Empathie zal zowel cognitief als emotioneel moeten zijn om als deugd de weg te wijzen naar het goede leven. Daarbij ontsnap je niet aan vorming en oefening – aan cultuur dus. Maar het is goed om te weten dat de eerste, fundamentele stappen al voor ons gezet zijn door die tredmolen die evolutie heet.

De lezing over empathie is in zijn geheel hier terug te kijken. Kijk ook de lezing terug die Frans de Waal hield op festival deBeschaving. Eerdere stukken over levenskunst: 10 schrijvers en denkers over Levenskunst

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Als een vis in de oersoep: begin van evolutie

gewervelden
‘Wij mensen zijn gewoon doorgeëvolueerde kwastvinnige beenvissen.’ De menselijke schedel is in al zijn onderdelen te herleiden tot botten en zelfs kieuwopeningen van evolutionaire voorouders die honderden miljoenen jaren geleden in het water leefden. Prof. Jelle Reumer vertelt het verhaal van de evolutie van de gewervelden haast geamuseerd. Dat de mens een product is van een evolutionaire geschiedenis die begon in de oersoep, zullen weinig mensen in het publiek betwijfelen. Om zo in vogelvlucht langs drieëneenhalf miljard jaar aanpassing en ontwikkeling te scheren, zet het menselijk leven toch wel in een heel relativerend licht.

Relativeren is ook nodig, want het antropocentrisch denken zit diep ingebakken: we zijn geneigd om onszelf (oftewel de mens) als middelpunt van de wereld zien en als voorlopig eindpunt van de evolutie. Zelfs een hoogleraar in de paleontologie zoals Jelle Reumer ontkomt daar niet aan, bekent hij. Het is nu eenmaal moeilijk om buiten je eigen gezichtspunt te stappen en de hele natuurlijke leefwereld in ogenschouw te nemen, uitgestrekt over die enorm lange geschiedenis. Niettemin: als je het een kip zou vragen, zou die evengoed beweren het middel- en eindpunt van de evolutie te zijn.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Nanocolumn: Komkommertijd, een goed moment voor ethische discussies

nanoplaza
Komt het door de academische komkommertijd dat ik de laatste maanden niet zo veel over nano heb gehoord? Of juist door de afwezigheid van komkommertijd deze zomer, die – figuurlijk gesproken – ‘lang en heet’ was? Misschien is nano gewoon uit? Dat hoeft niet eens heel erg te zijn.

Lees verder op Nanoplaza: Komkommertijd: een goed moment voor ethische discussies



Bookmark and Share
Comments

Bas Heijne - Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk

echt_zien
Een persoonlijk gevoelde kloof, zelfs weerzin of in elk geval een afwezigheid van noodzaak: de liefde van Bas Heijne voor levenslange vriend de literatuur zit duidelijk in een dipje. Een dipje dat samengaat met een breed gedragen beeld van de literatuur als maatschappelijk totaal irrelevant.

In Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk onderzoekt Bas Heijne waar deze marginalisering van de literatuur mee te maken kan hebben. Een interessante insteek van het derde essay in de serie 'Over de roman' en wat een verademing na de al te singuliere essays van A.F.Th. van der Heijden en Connie Palmen. Eindelijk een deeltje dat daadwerkelijk de vraag onderzoekt die aan de reeks ten grondslag ligt, ook al moet de conclusie zijn dat zowel de vragen als de antwoorden al vaker genoteerd zijn.

Lees verder op 8WEEKLY: Smaak is 'smaak' geworden



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe boeken in het najaar 2011

najaar2011
Het nieuwe boekenseizoen begint dit weekend met Manuscripta. De uitgeverijen kunnen wel doen alsof de zomer ook een seizoen op zichzelf is, maar net als het weer liet ook de boekenproductie te wensen over, alle mooie beloftes ten spijt. Hieronder een selectie uit de najaarscatalogi, van boeken waar ik benieuwd naar ben.

Filosofie en levenskunst:
Marja Pruis - Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere. Prometheus, nov.
Omdat Patricia de Martelaere een interessante filosofe was die veel te jong overleed, en omdat Marja Pruis een goede essayist is die verwondering combineert met zelfspot en tegelijk analytisch sterk is.

Timothy Wilson - De verhalen van ons leven. Leer je zelfbeeld te veranderen voor een beter bestaan. Contact, okt.
Omdat ik eigenlijk af ben van de hele levensverhaalfilosofie, maar toch nog een boek wil lezen dat wellicht verre blijft van de popi-jopi autobiohype en een grondig fundament legt voor wat toch blijft fascineren. Zie ook hier.

Jan Bor - Wat is wijsheid? Bert Bakker, jan.

Omdat ik benieuwd ben of deze filosoof in zijn persoonlijke zoektocht naar wijsheid niet vervalt in zweverigheid of al te subjectief gewauwel. Bor verbindt westerse met oosterse filosofie, het abstracte met het persoonlijke. Ook omdat het een dun boekje is waarin één grote vraag wordt gesteld en daar hou ik van.

Romans:
Pola Oloixarac - Het hoorcollege. Seks, drugs en filosofie in Buenos Aires. Meulenhoff, okt.
Omdat seks, drugs en filosofie gewoon wel aardig klinkt.

Jeffrey Eugenides - Huwelijk. Prometheus, okt.
Omdat The Virgin Suicides heel lang een van mijn favoriete boeken was, ik later nooit meer iets van Eugenides las en hoop dat dit een goede hernieuwde kennismaking oplevert. Over een driehoeksrelatie tussen twee jongens en een meisje: verder met mijn literaire onderzoek naar de liefde dus.

Helle Helle - Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden. Contact, jan.
Omdat ik wel eens iets van deze Deense schrijfster wil lezen. En achttienjarige, dolende meisjes in een provinciestad: prima. Zie ook hier.

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig. Van Gennep, feb.
Omdat die titel dreigt een gevleugelde uitdrukking te worden. En omdat het belooft het verhaal van de liefde te beschrijven, gezien vanuit de man. Wie weet wat ik daarvan opsteek.

Julian Barnes - Alsof het voorbij is. Atlas, okt.
Omdat de verhalenbundel Polsslag van Barnes een van de mooiste boeken was die ik dit jaar las. Zie ook hier.

Essays:
Hassan Bahara en Patrick Pouw - WTF? Volwassen worden na 11 september. Prometheus, sep.
Omdat ik zelf net volwassen had moeten zijn in 2001 maar het nog niet was. 'Niet de usual suspects, maar 21 uitgesproken jonge Nederlanders.’ Zie ook hier.

Jeanette Winterson - Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn? Contact, okt.
Omdat het bizarre levensverhaal van Winterson hoe dan ook interessante memoires voortbrengt en omdat memoires van vrouwelijke schrijfsters hoe dan ook mijn aandacht verdienen. De titel is er bovendien een om in te lijsten. Zie ook hier.

Wetenschap:
Anton Blok - De vernieuwers. Zegeningen van tegenslag in wetenschap en kunst. Bert Bakker, nov.
Omdat dit gewoon heel goed klinkt: 'Met behulp van een collectieve biografie en inzichten uit de antropologie traceert De vernieuwers een algemeen patroon waarin niet zozeer talent of een hogere intelligentie (waarnaar psychologen voor een verklaring van uitzonderlijke wetenschappelijke prestaties lange tijd vergeefs gezocht hebben), maar – naast passie –tegenslag en fortuinlijke ontmoetingen een beslissende rol gespeeld hebben.’

Jonah Lehrer - Uit het niets. De nieuwe wetenschap van creativiteit. Contact, nov.
Omdat ik al heel lang bezig ben in Proust was a Neuroscientist, een collectie essays van Lehrer die mij niet weet te pakken. Te veel vergezochte verbanden tussen literatuur en wetenschap om maar feitjes te kunnen opdissen die mij niet verder brengen. Dit boek ligt meer in de lijn van zijn professionele achtergrond, dus toch een tweede kans waard. Zie ook hier.



Bookmark and Share
Comments

Alan Hollinghurst - Kind van een vreemde

kindvaneenvreemde
500 bladzijden literaire vertellerskunst over de ondergang van een familie, is dat wel helemaal van deze tijd? Een vraag die zich voortdurend opdringt bij het lezen van Kind van een vreemde van Alan Hollinghurst, die toch geldt als een van de grootste Britse hedendaagse schrijvers. In 2004 won hij de Man Booker Prize en Kind van een vreemde staat op de longlist van dit jaar.

Een jonge dichter, Cecil Valance, schrijft een lang vers in het poesiealbum van Daphne, het zusje van zijn vriend. Als Valance omkomt in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, verkrijgt zijn vrij middelmatige lofzang op Engeland een iconische status. Ook de persoon van Valance zal in de eeuw die volgt steeds weer belangstelling blijven wekken. In vijf delen komt via deze opzet de hele twintigste eeuw langs.

Lees verder op 8WEEKLY: Verleiding zonder bevrediging



Bookmark and Share
Comments

Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk

Stel, je wordt voor het altaar verlaten. Dat moet wel een van de meest dramatische gebeurtenissen van je leven zijn. Het ergste wat je kan overkomen, iets wat niemand mee wil maken. Maar stel: je vraagt een aantal mannen en vrouwen die het hebben meegemaakt, die daadwerkelijk voor het altaar zijn verlaten, hoe ze die gebeurtenis zouden beschrijven. Als het ergste wat ze ooit is overkomen? Of als het beste? Tien tegen één dat een flink deel zal zeggen: verlaten worden voor het altaar is het beste wat me ooit is overkomen.

Psycholoog Daniel Gilbert, van wie dit voorbeeld afkomstig is, doet onderzoek naar hoe mensen hun toekomstig (geluks)gevoel weten in te schatten. Niet zo goed, zo blijkt. En dat vooral omdat de impact van gebeurtenissen veel groter wordt geacht dan ze in werkelijkheid is. Neem het verlatingsverhaal: uiteindelijk maak je er inderdaad een verhaal van, waarin alle elementen betekenis krijgen. 'Ik mag m'n ex wel dankbaar zijn dat ie is weggelopen, want een paar jaar later ontpopte hij zich tot crimineel.' Of (deze kun je bij elke tegenslag gebruiken): 'Deze dramatische gebeurtenis heeft me alleen maar sterker gemaakt dan ik daarvoor was.' (Hoogmoedigen willen hierbij graag Nietzsche op z'n Amerikaans aanhalen: if it doesn't kill me, it makes me stronger.) Je kunt zelfs een cirkelredenering gebruiken: door weg te lopen bij het altaar, bewees hij dat hij het niet waard was om mee te trouwen.




Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Zomergasten: Marc-Marie Huijbregts, controle en overgave

huijbregts
Als de eerste aflevering van Zomergasten de toon heeft gezet voor de komende weken, dan staan er nog een paar mooie avonden te wachten. Marc-Marie Huijbregts bleek een interessante persoonlijkheid en aimabele gast; de avond ontrolde zich zoekend en toch elegant langs de thematische lijnen van controle en overgave. En was zo zelf een oefening in controle en overgave.

Iedereen die de lijst fragmenten bekijkt ziet meteen dat het draait om overgave, verklaarde Marc-Marie Huijbregts aan het begin. En in het leven draait het ook om overgave ging hij verder; in de liefde, op het toneel, misschien zelfs in een interview. Je moet een 'stukje van jezelf geven en achterlaten'. Goed, dat zouden we nog wel eens zien.

Al snel viel op dat het minder ging om overgave, maar om de keerzijde daarvan, namelijk controle. Marlene Dietrich die niet gefilmd of gefotografeerd wil worden, en in een interview steeds verwijst naar 'het contract'. Dan het haarstukje van Marc-Marie dat hij ging dragen om zijn beginnende kaalheid te verbergen. Want: 'kaal zou ik echt een man zijn geworden'. Jezelf verbergen heeft ook wel iets oneerlijks, gaf hij toe, maar de neiging tot controle is blijkbaar sterk. Eerder draaide het dus om een onvermogen tot overgave.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Filosofisch zappen

Op de website van het Humanistisch Verbond:

'Filosofie op tv is altijd goed nieuws.' Miriam Rasch keek eerder dit jaar naar 'Dus ik ben'. Komende zondag zendt HUMAN alweer de laatste aflevering van 'Het Filosofisch kwintet' uit. Aanleiding voor Rasch eens te onderzoeken wat er nog meer aan filosofie te zien is. Op YouTube bijvoorbeeld. Of Facebook. En passant creëert ze haar eigen zomergastenprogramma.

Lees het hele stuk Filosofisch zappen.

Hieronder de filmpjes, lees over het eerste filmpje van Jacques Derrida (die je niet mag embedden) ook hier.

Jacques Derrida On Love and Being
Of de grote Franse filosoof even iets over de liefde kan zeggen. Nee, ‘mijn hoofd is leeg als het gaat om liefde’. Om vervolgens een prachtige filosofie van de liefde uit zijn mouw te schudden en die en passant ook nog aan de vraag naar het Zijn te koppelen.

Over Marx’ beroemde uitspraak ‘Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert; es kommt aber darauf an, sie zu verändern.’ Heidegger hakt hem in anderhalve minuut in mootjes.

Alledaagse vragen in het perspectief van de wijsgerige ethiek. Een leuke manier om snel kennis te maken met het denkraam van de filosofie.

In een paar minuten krijg je een vraagstuk voorgeschoteld waardoor je anders naar de wereld kijkt: de uitvoering mag te wensen overlaten, de inhoud is zeker aan te raden.

De BBC is natuurlijk heer en meester als het gaat om inzichtelijke, knap gemaakte documentaires over filosofie en wetenschap. Veel ervan zijn op YouTube in delen terug te kijken. Maar zelfs een stukje zoals dit is al de moeite waard.

Stephen Fry beantwoordt de vraag welke filosofen hem hebben beïnvloed. ‘Philosophy is an odd thing…’ Intelligent, grappig en provocatief, zoals je dat van Fry mag verwachten.

Klassieker: Duitse en Griekse wijsgeren strijden tegen elkaar op het voetbalveld. ‘Beckenbauer is a bit of a surprise there.’ Voor wie na Het Filosofisch Kwintet wil lachen met een filosofisch elftal.

Bij Studium Generale gebeurt ook steeds meer met YouTube en korte filmpjes. Kijk op het kanaal van Studium Generale UU voor bijvoorbeeld filmpjes over Levenskunst met Maarten van Buuren en Joep Dohmen.


Bookmark and Share
Comments

Polsslag van Julian Barnes

polsslag
De verhalen in Polsslag van Julian Barnes spelen zich af tussen het explosieve moment dat twee mensen verliefd worden en de implosie van de dood. Hij wil de zintuiglijke ervaring onder woorden brengen: een haast paradoxaal streven dat hem bijzonder goed afgaat.

Het gaat in Polsslag natuurlijk om de hartenklop (die aanwezig is in de liefde en afwezig in de dood), maar de polsslag brengt het hele lichaam tot leven: tast, smaak, geur, zicht. Hoe beschrijf je, beredeneer je de betekenis van de zintuigen? Barnes doet dat door te laten zien wat er gebeurt als ze wegvallen: er zijn personages met gevoelloze vingers, acute blindheid, een weggevallen reukvermogen. Maar vooral gaat het om hoe die zintuigen je verbinden met anderen, in de liefde en de dood.

Lees verder op 8WEEKLY: Op zoek naar begrip van wezenlijke thema’s. Over het werk van Julian Barnes.



Bookmark and Share
Comments

Jacques Derrida over de filosofie van liefde

derrida_liefde
(klik op het plaatje om naar het filmpje te gaan, 4:50 minuten)

L'amour? Ou la mort?

Dat begint goed, als de interviewster aan Jacques Derrida vraagt of hij iets over de liefde wil zeggen. L'amour dus. Daar iets over. Terecht geeft de grote Franse filosoof haar een standje: 'iets zeggen over de liefde'? Wat is dat voor een verzoek, stel gewoon een vraag.

Dus nee, hij kan niets zeggen over liefde in het algemeen. Het is onmogelijk. Hoewel.

Daar gaat ie dan toch. Liefde draait (net als zoveel, zo niet alles in de filosofie) om het verschil tussen het wie en het wat. Hou ik van iemand om wie hij is of om wat hij is? Word ik verliefd op de unieke singulariteit van de persoon? Of op zijn eigenschappen? In het begin, zegt Derrida, word je verleid door de kwaliteiten van iemand. De liefde sterft af als blijkt dat de persoon niet die kwaliteiten bezit, of er niet mee samenvalt. Dan gaat het dus niet om wie iemand is, maar om wat iemand wel of niet is. 'Liefde is gevangen zijn tussen het wie en het wat.'

Ik zou zeggen (met Proust), dat de eigenschappen die we aan iemand toedichten in feite uit onszelf afkomstig zijn. Wie iemand is, als singulariteit - daar kom je nooit helemaal achter, ook niet bij jezelf. En wat iemand is weet je ook nooit, omdat eigenschappen ten eerste meervoudig zijn, ten tweede kunnen veranderen en ten derde categorieën zijn of hokjes. Hokjes zijn vierkant en mensen zijn rond.

Zou liefde dan gericht moeten zijn op singulariteit? Gaat het om het doorgronden van de unieke persoon? Is 'echte liefde' de liefde voor het wie? Zoals in de zin van Kierkegaards sprong in het onbekende? Ik denk van niet. Je kunt nu eenmaal het wie alleen leren kennen via het wat en het wat via het wie. Of is het zoals de dood, ook al zo'n singulariteit die je alleen kunt benaderen via eigenschappen die nooit precies genoeg zijn. Pas als je doodgaat leer je de dood echt kennen. Leer je in de dood van de liefde de liefde pas kennen? L'amour, la mort, tragique.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde - deel 3: Søren Kierkegaard

Lees ook deel 1 en deel 2.

‘Taking a next lover to remember the previous one…’ Dit citaat van Søren Kierkegaard is vrees ik niet erg representatief – zie het als een mooie conversation starter. Kierkegaard (op wie ik ben afgestudeerd) schreef onder vele pseudoniemen en dit citaat komt uit de mond van een ervan. Het is vooral Kierkegaards eigen liefdesverhaal waar ik het over wil hebben.

Kierkegaard
Terug naar het idee van liefde en locatie. Misschien moet echte liefde inderdaad wel onafhankelijk zijn van locatie. Betekent echte liefde juist het loslaten van je vertrouwde positie: een sprong in het onbekende. Dat is wat Kierkegaard zou zeggen (en dat spreekt niet echt uit het bovenstaande citaat). De uitdrukking leap of faith is dan ook terug te leiden tot Kierkegaard. Meestal is het van toepassing op faith, geloof, de sprong in het diepe die geloven voor hem betekent, maar je kunt het toepassen op alles… waaronder de liefde.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over de liefde - deel 2: Marcel Proust

Lees ook deel 1.

Proust
Marcel Proust is een van de belangrijkste auteurs die mijn gedachten over de liefde hebben gevormd. Deze Franse schrijver leefde van 1871 tot 1922 en is beroemd vanwege zijn meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Een verhaal dat zeven boekdelen beslaat en berucht is door de zinnen die een halve pagina beslaan. Zoals literatuurwetenschappers graag grappen: het boek dat iedereen kent maar niemand helemaal heeft gelezen.

Kan wezen, maar ik las het van a tot z en liet het mijn leven veranderen. De roman gaat kort gezegd over alles, maar de liefde is toch wel een van de grote thema’s: het liefdesverhaal van het hoofdpersonage Marcel en het meisje Albertine.

balbec
Ook Marcel en Albertine ontmoeten elkaar – net als ik en mijn kortstondige buitenlandse geliefde – op locatie. Ze zijn namelijk op een strandvakantie in het (fictieve) plaatsje Balbec. Jong, knap en verlegen als ze zijn, gaat het niet direct om een volwaardig, volwassen liefdesverhaal. Maar ze vallen voor elkaar en dat is het begin van een groots verhaal over liefde – een verhaal met een unhappy end.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over de liefde - deel 1

Ik mocht op de summercourse van IPC een praatje houden over literatuur en filosofie in het dagelijks leven. Welk onderwerp spreekt dan meer tot de verbeelding dan de liefde? Vandaag deel 1, deel 2 over Marcel Proust en deel 3 over Søren Kierkegaard volgen.

What we talk about when we talk about love

Carver
Ging ik echt een praatje houden over de liefde? Ja. Maar – ben je dan een deskundige? Het spijt me zeer, maar nee, dat ben ik niet. Laat dat meteen duidelijk zijn. Liefde is simpelweg een onderwerp dat iedereen op de een of andere manier interesseert; en het is een populair onderwerp van alle schrijvers en lezers.

Ik zal een beetje filosofie combineren met een snufje literatuur om zo hardop na te denken over het gewone, alledaagse leven. Het zal niet te abstract worden, want het gaat er juist om het abstracte zo concreet mogelijk te maken.

Dus – ‘What we talk about when we talk about love’ – ik moet bekennen dat ik deze titel heb gestolen. Raymond Carver gaf hem aan een van zijn verhalen en ik heb dat verhaal niet eens gelezen. Hij schrijft: ‘It ought to make us feel ashamed when we talk like we know what we’re talking about when we talk about love.’ Met andere woorden: we weten niets over de liefde en als we doen alsof, houden we onszelf voor de gek.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Het leven heeft geen clou, begrijp dat dan

veerboot
In sommige boeken valt alles op zijn plek, en juist het afgemaakte karakter van het verhaal is onbevredigend. Alles klopt en alles heeft betekenis en dat strookt niet bepaald met mijn ervaring. Bovendien is het ietwat saai.

Hetzelfde gevoel krijg ik als mensen op die manier hun leven proberen te duiden. Ik sprak met een Russische vrouw die in elke vezel mijn tegendeel was. Elke uitspraak die we deden, wees erop dat Russische en Nederlandse vrouwen wel de twee polen moeten zijn van wat er zo'n beetje mogelijk is in het vrouwelijke spectrum. Dat stel ik zo generaliserend omdat het hele gesprek (en we brachten een middag en avond samen door) steeds weer uitkwam op culturele verschillen, geworteld in overtuigingen waar je normaal gesproken niet zo bij stil staat. Kort gezegd: ik heb me nooit zó geëmancipeerd en atheïstisch gevoeld als toen.

We zaten op de veerboot naar Helsingborg. Ik hield de deur open voor een kind. 'I cannot believe you opened the door… for a man!' zei zij. 'A man? He was fourteen years old, a kid.' 'Yes, but he is a man. You do not hold the door for a man.' Ik protesteerde. 'No,' ging ze verder, 'you have to let the man help you, or you will never find a man. And then you will remain incomplete, like one half, unhappy and unfulfilled.' Wow.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes

op_zee
En toen werd hij wakker en bleek het allemaal een droom. Of: en toen werd eindelijk de diagnose gesteld en bleek hij al die tijd al hallucinant te zijn. Twee manieren om níet een verhaal te eindigen. Net als 'en ze leefden nog lang en gelukkig'. Eind goed al goed is gewoon niet interessant. Wakker worden uit een droom of gelabeld worden als psychisch gestoord klinkt misschien iets minder fijn, maar is voor de lezer die net al je avonturen heeft beleefd even onbevredigend.

Dat onbevredigende gevoel bleef me ook bij na het lezen van de roman Op zee van Toine Heijmans. Het is goed geschreven, beklemmend en bovendien geïllustreerd met prachtige tekeningen. De ik-figuur gaat maandenlang alleen zeilen. Op het laatste stukje, van het noorden van Denemarken terug naar Harlingen, krijgt hij gezelschap van zijn zevenjarige dochter. Al vanaf de eerste bladzijden weet je dat het mis zal gaan en de tekeningen van een zwarte, dreigende zee maken dat je angstig verder leest.

Zonder te verklappen wat er misgaat en hoe dat vervolgens afloopt, wil ik toch iets zeggen over het einde. Het zette me aan het denken over wat ik verlang van eindes - en dus van een leeservaring. Met zo'n vijftig bladzijden te gaan, bemerkte ik dat mijn angst veranderde; ik was niet meer bang voor de zee en voor die vader met zijn veel te jonge dochter. Ik was bang dat het toch nog goed ging aflopen. Dat is raar. Ben ik een sadist die alleen geniet van het allerergste lijden? Wil ik mezelf zo graag pijnigen met de scherpste pijn die een personage kan ondergaan? Iedereen gaat dood en niets komt ooit goed!

Het deed me denken aan Ronald Giphart. Ik had een kleine twitterdiscussie met hem over een van zijn roman Ik omhels je met duizend armen. Het verhaal van de dood van zijn moeder, een vreselijke episode. En toch had ik daar aan het eind ook zo'n onbevredigend gevoel, omdat het gek genoeg leek alsof alles toch nog goed kwam, ondanks de dood. Een prachtig afscheid, een familie samengebracht in verdriet, een les geleerd. Haast feelgood. Het maakte me boos. (Laat ik het erop houden dat ik het las vanuit een zeer persoonlijke zoektocht naar iets van 'zingeving'.)

Vervolgens las ik zijn andere roman IJsland en verdomd, daar gebeurde hetzelfde. Ondanks de trieste gebeurtenissen, toch een 'goed einde’ of misschien moet ik zeggen een zinvol einde. En dus een onbevredigend gevoel. Wat is dat toch? Misschien moet ik toch concluderen dat ik simpelweg niet tegen goede eindes kan. Maar waarom? Noem ik mezelf niet tegelijkertijd een optimist in hart en nieren? Dan zou ik goede eindes moeten omarmen met duizend armen.

Nee, ik voel me voor de gek gehouden. Mijn eerste ingeving is: het is niet realistisch. Een onzinargument, want het allerergste is over het algemeen niet realistisch. In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. Realistisch is het dus juist wel, zelfs 'hij werd wakker en het bleek allemaal een droom'.

Het is dan ook erger: ik voel me écht voor de gek gehouden, zoals je dat voelt bij de droom die als een konijn uit de hoge schrijvershoed komt. Aan het eind van Op zee verandert het perspectief. Dan weet je wel hoe laat het is (meer verklap ik niet) - je bent voor de gek gehouden. Hetzelfde gebeurde in IJsland: wij lezers wisten niet alles, maar waren samen met de hoofdpersoon voor de gek gehouden.

Eigenlijk stoppen deze verhalen waar ze hadden moeten beginnen: met een zwierig gebaar wordt het konijn uit de hoge hoed getrokken en dan valt het doek. Maar wat ik wil weten is wat er achter dat doek gebeurt. Ik wil niet de buiging van de goochelaar zien, ik wil hem zijn make-up zien afpoetsen. Je moet tot op de bodem graven en zelfs als de bodem een rotsbodem blijkt te zijn, wil ik weten wat dáár nog eens onder zit. Dat is bikkelen, bikkelen met een verroeste pikhouweel.



Bookmark and Share
Comments

Het echte leven? Een (irrationeel) spelletje

parkeren
Ik heb wel eens urenlang 's nachts buiten gezeten, op een parkeerterrein, in de regen, zonder jas, omdat ik boos was en vond dat degene die mij boos had gemaakt gestraft moest worden. Uiteraard lag de dader prinsheerlijk te slapen. Ik strafte alleen maar mezelf. De volgende dag werd ik voor gek uitgemaakt. Zie je nou wel dat diegene straf verdiende? Later heb ik hier vaak over nagedacht, de ultieme belachelijkheid ervan. Mezelf straffen om een ander te straffen, wat dacht ik in vredesnaam? Ik dacht natuurlijk niet, dat is het punt.

Begin dit jaar, na de kerstvakantie, schreef ik over die rare paradox dat je terug op je werk verzucht 'het echte leven is weer begonnen', terwijl je aan het begin van de vakantie ook uitriep: 'dit is het echte leven hoor!' Misschien bestaat er niet zoiets als het echte leven, of misschien zijn beide levens even echt of onecht. Als je het leven beschouwt als een spel doet dat stomme onderscheid van echt en onecht er niet meer toe, want hoewel je weet dat een spelletje fictie is (wie heeft ooit serieus de wereld veroverd met Risk of miljoenen verworven met Monopoly), speel je het met doelgerichte ernst en met inachtneming van semi-willekeurige regeltjes.

Als je hebt gekookt en je gaat opscheppen, wie geef je dan het mooiste stuk vlees? Jezelf? Sommige mensen, moeders vooral, geven zichzelf standaard het minst volle bord, met de aangebrande stukjes. 'Wil je niet mijn stuk?' vraagt de ander misschien wel. 'Welnee, dit is goed genoeg voor mij.' Om dan op het sterfbed te verzuchten dat ze hun hele leven benadeeld zijn.

Op aanraden van mijn moeder (een groot eter) kocht ik Games People Play van Eric Berne, de jaren zestig-bestseller over het leven als een opeenstapeling van spelsituaties. Berne was psycholoog en schrijft dus geen filosofische verhandeling, maar geeft een systematiek van menselijk gedrag. Het grootste gedeelte van het boekje beslaat droge beschrijvingen van allerlei relaties en situaties, waarin mensen als pionnen bepaalde (onbewuste) spelregels volgen. De titels zijn het leukst, van 'See what you made me do' en 'Now I've got you, you son of a bitch' tot de 'Frigid woman'. Die titels vertellen eigenlijk al genoeg.

Mijn zus en ik hebben vaak, heel vaak, samen meegezongen met de radio of tv. Ik probeerde zo mooi mogelijk te zingen; zij zo lelijk mogelijk. 'Waarom zing je zo lelijk?' vroeg ik een keer. 'Omdat ik niet kan zingen, en als ik overdreven vals doe, dan denkt iedereen dat het expres is. Dan is het grappig.' Wat het dan ook was. Was haar verdraaide, valse stem beter dan mijn jammerlijk mislukte poging mooi te zingen?

Het leven als een spel, dat klinkt vrolijk, maar je hoort al dat dat tegenvalt. In Bernes analyse zijn dit soort situaties terug te brengen tot een paar rollen die je kunt spelen. Het kind, de ouder en de neutrale volwassene. Het kind vertoont irrationeel gedrag, de ouder paternaliseert en daartussen zit ergens de persoon die je bent, die handelt en praat. Dit soort systemen irriteert me altijd een beetje, omdat het zo simplistisch is (dat druist in tegen mijn hart voor literatuur). Niettemin moet ook ik toegeven dat veel van die spelletjes erg herkenbaar zijn, zoals clichés ook altijd gewoon waar zijn.

Ik kan slecht tegen onnauwkeurig taalgebruik. Niet alleen op papier, maar ook in gesprekken. En dan gaat het niet alleen om woordgebruik, maar ook om wat er gezegd wordt. Mensen die een verhaal opdissen dat ik al ken en dat dan verkeerd vertellen. Die een vraag stellen vanuit een soort stream of consciousness, incoherent en ook nog met verkeerde verwijswoorden. Dan doe ik alsof ik ze niet begrijp en dwing ik ze om duidelijker te zijn, zich te herhalen, net zolang tot de vraag correct is. Terwijl ik al lang het antwoord weet en dat ook meteen had kunnen geven. Dit is waarlijk een van mijn slechtste eigenschappen.

Interessant bij Berne is dat irrationeel gedrag zo'n groot deel van de systematiek uitmaakt. Met andere woorden, irrationaliteit krijgt haar rechtmatige plaats en wordt zelfs voorspelbaar. Is dat niet ook wat literatuur laat zien? In elk geval de literatuur waar ik van houd; verhalen over mensen die welbewust tegen zichzelf kiezen, hun eigen ondergang bewerkstelligen en worstelen met hun rationele dubbelganger. Zie bijvoorbeeld Huid en haar van Arnon Grunberg; een roman die ook nog eens handelt over economie - zogenaamd de meest rationele wetenschap, die juist tot in alle poriën doordrongen is van irrationele keuzes.

Iedereen die rookt, eet of drinkt om zichzelf te troosten, winkelt zonder geld op de bank, valt op foute mannen dan wel vrouwen, begrijpt dat. Zij die het niet begrijpen, liegen.

Veel van Bernes spelletjes zijn self-fulfilling prophecies. 'See what you made me do': jij wilde dat ik mee ging naar dat feest op jouw werk, nu heb ik je baas beledigd. 'Now I've got you, you son of a bitch': jij bent zo'n eikel, denk maar niet dat ik vriendelijk tegen je ga doen, zie je nou wel hoe je reageert, onbeleefde klootzak die je er bent.

Ten slotte een positief spelletje, de antithese van de son of a bitch. Als een eikel reageert als een onbeleefde klootzak moet je simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Ook al word je beledigd tot op het bot, simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Dan win je de wereld en miljoenen, gegarandeerd.

Lees ook: Het echte leven? Een spelletje



Bookmark and Share
Comments

Zomer 2011 in boekenland

hollinghurst
De zomer is in boekenland een heus seizoen geworden, naast het voor- en najaar, schreef ik gisteren. Een volwaardig seizoen kun je het echter niet noemen - gelukkig maar, want boeken worden er al meer dan genoeg geproduceerd. Grote namen verschijnen niet als iedereen, inclusief televisie en boekenbijlage, op vakantie is. Hieronder mijn oogst uit de aanbiedingen van de uitgeverijen.

Alan Hollinghurst - Kind van een vreemde. Prometheus, juni
Dit klinkt voor mij als het ideale vakantieboek, behalve dat het net uitkomt als ik al op vakantie ben:

'In de late zomer van 1913 logeert de jonge, aristocratische dichter Cecil Valance op het familielandgoed van zijn Cambridge-vriend George Sawle. Het weekend dat hij daar doorbrengt is vol verrassingen en verrukkingen voor de hele familie Sawle, maar in het bijzonder voor het zestienjarige zusje van George, Daphne, als Cecil een gedicht aan haar opdraagt. Een gedicht dat een houvast voor een hele generatie zal blijken, een ode aan het oude Engeland dat op het punt staat voorgoed te veranderen.'

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij. Ambo, augustus
Dit boek stond aangekondigd voor het voorjaar, maar staat nu voor augustus gepland.

'Volgens Montaigne gaat het er in het leven niet zozeer om zo veel mogelijk kennis te vergaren, maar te proberen de onvatbare ervaring die het leven is, te accepteren. We moeten niet krampachtig proberen de betekenis van het leven te doorgronden - we moeten het zelf zin geven. Met Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? laat Saul Frampton zien dat Montaignes gedachtegoed nog steeds springlevend is en ons kan inspireren om de kunst van het leven te verstaan.'

Twee andere boeken die al zo vaak vooruit zijn geschoven, dat ik eigenlijk niet geloof dat ze nu wel echt gaan verschijnen zijn Het Parijse licht van Ger Groot, over de Franse filosofie in de twintigste eeuw (een absolute must have dus, wat mij betreft) en het volgende deel in de reeks essays over de roman: Een intieme geschiedenis van Monica van Paemel (hoewel de eerste deeltjes, van A.F.Th van der Heijden en van Connie Palmen, mij tegenvielen). Ger Groot blijkt na enig speurwerk nu gepland te staan voor november, Van Paemel is een soort spook geworden. Die ambitieuze, gesubsidieerde essayreeks 'Over de roman' mag inmiddels wel mislukt worden verklaard.

Ik noem toch nog één herdruk, omdat het een boek is dat iedereen een keer mee moet nemen op vakantie (ja, nu echt): De kunst van het reizen van Alain de Botton. Hij stelt de vraag waarom mensen reizen, wat de lol is van toeristische attracties en vieze hotelkamers. De mooiste hoofdstukken zijn die waarin hij beschrijft hoe je beter kunt waarnemen en daardoor alles beter kunt onthouden. En hoe je op vakantie nu eens echt kunt uitrusten. (Olympus pockets, 15 euro)



Bookmark and Share
Comments

Boeken voorjaar 2011: een terugblik

catalogi
De zomer begint onderhand ook een volwaardig boekenseizoen te worden, naast het voor- en najaar. Alle uitgeverijen fabriceren een zomercatalogus vol titels 'voor de vakantie' en 'voor aan het strand'. Veel herdrukken maar ook redelijk wat nieuws. Morgen de boeken waar ik het meest naar uitkijk. Maar eerst eens zien wat mijn tips van het afgelopen voorjaar hebben opgeleverd.

Justine Le Clercq - De roemlozen. Podium
In 2006-2007 volgde ik de masterclass Literair schrijven van Uitgeverij Querido. Justine Le Clercq was een van mijn 'klasgenoten'. In februari debuteerde zij met haar roman De roemlozen. En ik debuteerde met een videorecensie (check ook mijn videorecensie van Max Blecher):

Joris van Casteren - Het zusje van de bruid. Prometheus
Over Het zusje van de bruid, dat ook in februari verscheen, is nogal wat ophef geweest. Het autobiografische 'relaas van een onmogelijke liefde' zou oneerbiedig zijn, parasiteren op het ongeluk van anderen en verleidde een recensente zelfs tot een furieuze persoonlijke afrekening met de schrijver (lees dan liever deze intelligente bespreking). Ik las het pas onlangs en schreef er zelf (nog) niet over. Het is een verontrustend verhaal, dat zeker, maar naar mijn mening verteld met veel mededogen en een soort 'stille kracht'. Van Casteren gebruikt zijn nuchtere, kale stijl om afstand te creëren tot een zeer tragische geschiedenis uit zijn eigen leven. Dat levert een bijzondere combinatie op van een haast journalistiek verslag met een uiterst persoonlijke verbondenheid. Afstand gepaard aan nabijheid, zonder grote woorden of sentimentaliteit. Het heeft me lang bezig gehouden.

Michel Houellebecq - De kaart en het gebied. Arbeiderspers
Al lang verschenen, controversieel geworden en gelauwerd in Frankrijk, maar wij moesten nog even wachten. Aan de ene kant is dat zuur, aan de andere kant is het goed dat de vertaler de tijd krijgt en geen broddelwerk aflevert louter om de verkoopcijfers. Het was de moeite van het wachten waard: over de gedachtekunst van Michel Houellebecq - De kaart en het gebied.

Dezso Kosztolanyi - De avonturen van Kornel Esti. Van Gennep
Yes! Kornel Esti komt nog een keer tot leven! riep ik een half jaar geleden uit. Iedereen die Esti al kende, zal hetzelfde zeggen, anderen krijgen de kans om kennis te maken met een vriend voor het leven. Dezso Kosztolanyi - De avonturen van Kornel Esti

Joep Dohmen en Maarten van Buuren - De prijs van de vrijheid. Ambo
Het boek naar aanleiding van de reeks Levenskunst bij Studium Generale, die ik presenteerde (zie ook 10 schrijvers en denkers over Levenskunst). Op 11 april vond de presentatie plaats, ook bij Studium Generale. Lees daarover bij De prijs van de vrijheid na de dood van God. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het boek nog niet gelezen heb. Heugelijk nieuws voor het najaar: vanaf 7 september zijn de heren terug met een tweede serie Levenskunst, over deugden en ondeugden.

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat, of speelt ze met mij? Ambo
Deze is doorgeschoven naar de zomer en verschijnt dus weer in het lijstje tips voor straks.

John Gray - Het onsterfelijkheidscommité. Ambo
Het enige boek waar ik naar uitzag dat ik niet heb gelezen. Stom.

Twee boeken van dit voorjaar die ook het vermelden waard zijn: Moeten wij van elkaar houden van Bas Heijne. En misschien geen hoogstaande literatuur, maar wel stof tot nadenken: de biografie van Julian Assange, de man die de wereld verandert.



Bookmark and Share
Comments

Rem Koolhaas - The Generic City

generic_city
De stad als een natuurlijk organisme dat beweegt en groeit, onafhankelijk van en onverschillig tegenover de mensen die er wonen: zo beschrijft Rem Koolhaas de moderne metropool in 'The Generic City’. Een toekomstvisie die moeilijk voor te stellen is en ook hopeloos gedateerd overkomt. Het stuk stamt uit 1994 en ademt ook een tijd van postmodernisme en optimisme - een tijd die duidelijk voorbij is. Des te interessanter om serieus te bestuderen in mijn leesclubje (thema: de stad).

Wat is The Generic City - de generieke stad? Koolhaas zegt wel dat die al bestaat, hoofdzakelijk in Azië, maar de beschrijvingen die hij geeft zijn zo out there dat het toch vooral om een futuristische plek lijkt te gaan. Een metropool, uitgestrekt en voortdurend aan verandering onderhevig; een stad zonder geschiedenis. Ze bestaat uit slechts drie elementen: wegen, gebouwen en natuur. Die laatste lijkt het belangrijkste, want Koolhaas omschrijft de andere twee - wegen en gebouwen - ook steeds in natuurlijke metaforen. De stad, schrijft hij, is als een mangrovebos. Als iets niet werkt of bevalt wordt het achtergelaten zonder er verder naar om te kijken, als in het evolutionaire proces van natuurlijke selectie. Er is wel een plan, maar het plan maakt geen verschil en kan net zo makkelijk uitgevoerd als verlaten worden. Onvoorspelbaarheid is de drijvende kracht: 'the systematic application of the unprincipled'.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Non-fictie schrijven: tips en tegenstrijdigheden

notes
'Je maakt het boek dat nog niet bestaat en dat je zou willen lezen,' stelt Johan de Boose in een interview met Vrij Nederland over zijn roman Bloedgetuigen. Dat hoor je wel vaker van schrijvers, ook in de bundel schrijversinterviews Het moet pijnlijk blijven kwam de stelling regelmatig terug. - Waarom schrijf je? Omdat het boek dat ik wilde lezen er nog niet was. Dat heb ik altijd hoogst merkwaardig gevonden.

Van kinderboekenauteurs kan ik het me voorstellen: je herinnert je een gemis aan bepaalde boeken en dat gemis ga je als je groot bent vullen. Van non-fictieboeken begrijp ik het al iets minder goed - maar daarvan kun je wel zeggen dat je een boek wilt schrijven over een onderwerp dat nog niet beschreven is. Maar zeker bij romans vind ik het hoogst merkwaardig. Irritant zelfs. Ik lees niet omdat ik op zoek ben naar iets wat ik al ken. Ik wil verrast worden door iets wat ik nog niet ken en ook nooit zelf had kunnen bedenken. Het mooiste zijn natuurlijk de gevallen dat je denkt: dit heb ik zelf al vaak gedacht, maar ik heb er nooit de woorden voor kunnen vinden. Hoe zou je dan zelf zo'n boek kunnen schrijven? Die houding getuigt van een stuitende onbescheidenheid.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Van wie is nanotechnologie?

nanoplaza
Mijn tweede blog voor Nanoplaza - platform voor discussie over de maatschappelijke impact van nanotechnologie - staat online. Van wie is nanotechnologie? En, ook niet onbelangrijk: van wie is de informatie die zij oplevert? Hoe zit het met privacy en hoe zit het met de knaken?

Lees verder op Nanoplaza.
Mijn eerste bijdrage maakte ik naar aanleiding van een onderzoekje bij vrienden en bekenden. Hier terug te vinden: Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...’



Bookmark and Share
Comments

Dezsö Kosztolányi - De avonturen van Kornél Esti

esti2
Kornél Esti is een levenslange vriend van iedereen die De bekentenissen van Kornél Esti las. Wat een plezier om te ontdekken dat schrijver Dezsõ Kosztolányi nog meer Esti-verhalen schreef, nu met enkele verspreide verhalen verzameld in De avonturen van Kornél Esti.

Bijna zou je jaloers worden op de lezers die met Esti kennismaken door deze avonturen; zij hebben nog een hele roman in het verschiet liggen. Dat boek uit 1933, vertaald in 2006, werd de hemel in geprezen, maar is nooit zo beroemd geworden als het werk van bijvoorbeeld Kosztolányi's landgenoot Sándor Márai. Hoewel de 'overige verhalen' die het tweede deel van deze bundel uitmaken zeker de moeite waard zijn, is het overduidelijk dat Kosztolányi door de schepping van zijn alter ego Esti zijn plek aan het literaire firmament verdient.

Lees verder op 8WEEKLY: Maak kennis met een vriend voor het leven
En lees ook op dit blog Kornel Esti, de enige held in dit verhaal en over een andere roman van Kosztolányi: Nero, de bloedige dichter



Bookmark and Share
Comments

Michel Houellebecq - De kaart en het gebied

de_kaart_en_het_gebied
Gedachtekunst. Dat is wat Michel Houellebecq in zijn laatste roman De kaart en het gebied bedrijft. Hoofdpersoon is beeldend kunstenaar Jed Martin, die in enorme series van honderden objecten werkt. Houellebecq beschrijft ze uitputtend, soms wellustig, maar altijd objectief - als in een catalogus. Alsof hij ze om zich heen heeft liggen: de honderden foto's van producten vervaardigd door de mens waarmee Martin zijn kunstenaarschap begint. De duizenden foto's van Michelinkaarten die hij zo heeft bewerkt dat ze een levend landschap lijken. De schilderijen van mensen in functie van een elementair beroep. En ten slotte de filmpjes waarin menselijke artefacten overwoekerd worden door de natuur.

Wat uit de kunst van Martin blijkt, is dat het in dit boek te doen is om werk. En dat is precies wat De kaart en het gebied, maar eigenlijk alles van Houellebecq, zo interessant maakt. Hij schrijft over het meest basale uitgangspunt van de westerse wereld, dat wat je persoonlijke leven grotendeels structureert, dag in dag uit: werk. En wat daarmee samenhangt: geld.

De mens is een slaaf van zijn werk en van zijn inkomen, dat weten we inmiddels wel. Geld koopt een mooie oude dag, als je wilt een mooie dood, maar geen liefde of gezondheid. Al die rijke en succesvolle mensen zijn totaal uitgeblust, zelfs de seks wil niet meer lukken. De eenzaamheid sijpelt door het boek heen, en zelfs die roept op den duur bij de personages geen weerstand meer op. Sterker, de eenzaamheid wordt een gekozen bestemming.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Peter Singer over speciesisme

speciesisme
Hoe moeten we met dieren omgaan? Kan de ethiek formuleren wat een goede houding tegenover dieren moet inhouden? Filosoof Peter Singer is te gast in Nederland en sprak in Utrecht over 'Ethics and Animals'. Singer is al sinds de jaren zeventig de bekendste voorvechter van dierenrechten gebaseerd op filosofische argumenten, dus het antwoord verbaast niet. Ja, de ethiek kan dat en moet dat. Hoe we nu met dieren tegen dieren aankijken mag iets beter zijn dan vroeger, het lijden dat dieren door de hand van de mens ondergaan is er niet minder op geworden en moet veranderen. Singer sprak niet zozeer over dierenrechten (waar je de laatste tijd ook wel vaak over hoort), maar legde aan de hand van het begrip 'speciesisme' uit waarom dieren een plek verdienen binnen de wet.

Speciesisme is kort gezegd discriminatie op grond van de soort. Zoals racisme een bepaalde groep minderwaardig acht of rechten ontzegt op grond van ras, en seksisme op grond van geslacht, doet speciesisme dat op grond van je soort. Mensen, apen, huiskatten, kippen, vissen et cetera. Meestal is rationaliteit het criterium dat wordt gebruikt om de mens als soort bovenaan de hiërarchie te plaatsen. Singer stelt daar in navolging van Jeremy Bentham het lijden voor in de plaats. 'The question is not Can they reason? nor Can they talk? but Can they suffer?

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over Bas Heijne op Humanistisch Verbond

heijne
Mensen zijn alleen bezig met hun eigen belevingswereld en dat is de oorzaak van vele problemen. Niet alleen in de politiek of media, maar voortdurend verheffen mensen hun eigen opvattingen en emoties tot standaard. Aan de hand van boeken van Bas Heijne, Dostojevski en Kierkegaard onderzoekt Miriam Rasch hoe openheid, beleving, eigenheid en individualiteit kunnen samengaan.

Lees verder over Moeten wij van elkaar houden van Bas Heijne op de website van het Humanistisch Verbond: De eigen opvatting en emotie als standaard



Bookmark and Share
Comments

Le réveil mortel

reveil_mortel
'Le réveil mortel': dat klinkt als een klok. De klok die het besef in je wakker slaat van sterfelijkheid, dan wel. Meer nog: van jouw eigen sterfelijkheid. Julian Barnes brengt het ter sprake in Nothing To Be Frightened Of, zijn mooie, overvolle essay over doodsangst. 'Le réveil mortel', 'the wake-up call to mortality', komt van Charles du Bos, een begin-twintigste-eeuwse Franse criticus.

Barnes was een puber toen zijn wake-up call kwam, en zijn boek over doodsangst is er in feite het resultaat van. Onmiddellijk vraag je je af wanneer de sterfelijkheid voor het eerst bij jezelf ontwaakte. Ik weet het niet goed. Ik kan me wel de eerste keren herinneren dat de dood zich aandiende. Mijn tante die stierf toen ik ongeveer zes jaar oud was. Later zag ik mijn cavia onder mijn ogen sterven. Maar van die momenten herinner ik me vooral mijn onbegrip en niet een bliksemflits waarmee mijn eigen sterfelijkheid aan mij werd geopenbaard. Toen mijn vader ongeneeslijk ziek was, was ik bang dat ik opeens dood zou gaan en daarmee alles nog ingewikkelder zou maken. Mijn eigen sterfelijkheid gekoppeld aan die van een ander.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Filmpje: Tijd - een wetenschapsfilosofische verkenning



Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’



Bookmark and Share
Comments

Thomas More alumnidag

alumni
Een filosofische speeddate, verdiepende gesprekken, livemuziek en borrel. Op 14 mei 2011 verzamelden alumni van de Stichting Thomas More zich in de Winkel van Sinkel in Utrecht voor een energieke middag vol uitwisseling en ontmoeting.

Op Storify een verslag in woord, beeld en geluid.



Bookmark and Share
Comments

Robert Williams - Luke en Jon

luke_jon
Twee jongens die allebei hun moeder hebben verloren, trekken samen op en brengen zin terug in hun leven. Hoe triest het verhaal ook is, Luke en Jon is een typische jongerenroman die niet op alle vlakken boven het maaiveld uitsteekt.

De roman van de Ierse Robert Williams is genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs die deze maand wordt uitgereikt. De publicatie ervan is al het resultaat van een bekroning: hij won met het manuscript de 'Not Yet Published-prijs'.

Lees verder op 8WEEKLY: Een wonder verstopt in een vlakke roman



Bookmark and Share
Comments

Eten, schrijven en beminnen: Virginia Woolf en Madame Sabatier

reclame2
Je moet geld verdienen om te kunnen leven. Ja, dat weet iedereen. Als pas afgestudeerde kwam dit inzicht evengoed keihard bij me aan. Geld is cruciaal. Stel dat je wilt schrijven, omdat schrijven leven is. Dan moet je dus geld hebben om te kunnen schrijven. Onzin. Schrijven doe je toch uit noodzaak, uit (brr) urgentie? Ik vond het lange tijd een onopgelost raadsel. Het ontsnapte me, die crucialiteit van geld. Tot ik A Room of One's Own van Virginia Woolf las.

Virginia Woolf begint haar voordrachten over 'women and fiction' met dat alledaagse gegeven: om te schrijven moet je geld hebben. Vrouwen en fictie? Dat is haast een fictieve combinatie, althans in 1928. Het antwoord op de vraag waarom dat zo is, is banaal: vrouwen hebben geen geld. Met geld koop je tijd - tijd om te schrijven. Zoals zij zelf deed toen ze een kleine erfenis kreeg waar ze jaarlijks van kon rondkomen. Het is een saai argument, maar wel cruciaal. Onbegrijpelijk voor mannen, in de tijd (nog niet zo lang geleden) dat vrouwen letterlijk geen muntstuk als eigen bezit konden hebben.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Ik wil meer Max Blecher!



Zie ook mijn recensie voor 8WEEKLY en mijn beste boeken van 2010.



Bookmark and Share
Comments

Michael Köhlmeier - Idylle met verdrinkende hond

kohlmeijer
Michael Köhlmeier verloor zijn dochter bij een ongeluk in de Alpen. Het overweldigende landschap gaat schuil onder een enorm pak sneeuw wanneer zijn redacteur op bezoek komt om samen te werken aan zijn volgende roman.

Het is een toepasselijk decor voor een verhaal vol ingehouden woede over het lot dat het leven zo wreed kan verstoren. Idylle met verdrinkende hond is een puntgave, autobiografische novelle die vanuit een klein verhaal grote vragen stelt. Hoe verhoud je je tot je dode kind? Is het mogelijk om ondankbaarheid jegens het lot om te buigen naar dankbaarheid voor de tijd die je gegeven is?

Lees verder op 8WEEKLY: De ondankbaarheid van een hond



Bookmark and Share
Comments

Kathryn Schulz: On being wrong





Bookmark and Share
Comments

Zes lessen van genieën uit de wetenschap – ook handig voor gewone stervelingen

Vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap: Isaac Newton, Florence Nightingale, Charles Darwin en Sigmund Freud. Vier lezingen lang ging Studium Generale op zoek naar de betekenis van deze genieën voor de 21e eeuw en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen, ook gewone stervelingen. Waar ligt het aan dat bijvoorbeeld Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Uit vier weken en een veelvoud aan verhalen zijn zes tips te destilleren voor iedereen die streeft naar een geniaal bestaan.

1. Werk keihard aan één stuk door
Om maar meteen elke romantiek uit het leven van een genie te verwijderen: een groots wetenschapper (dan wel kunstenaar, dan wel filosoof) word je door hard te werken. En dan niet vijf dagen in de week, acht uur per dag de uren op kantoor uitzitten, maar geconcentreerd en oplossingsgericht bezig zijn. Net zo lang als het nodig is. Newton kon dagen achter elkaar uiterst gefocust nadenken over wiskundige problemen. Vergelijk het met de flow waar je op je werk misschien soms in komt, een half uurtje maximaal. En dat dan tot het moment dat je de wet van de zwaartekracht hebt ontdekt, bewezen en beschreven. Soms kan het nodig zijn de juiste omstandigheden te creëren. Darwin reisde jarenlang rond de wereld op de Beagle, zonder afleiding en met niets anders omhanden dan de natuur om te bestuderen.

2. Neem met een open en nauwkeurige blik de wereld waar
Wat moet je dan beginnen tijdens dat werk? Gewoon, registreren. Diezelfde Darwin wist het principe van natuurlijke selectie te ontdekken door simpelweg de wereld om hem heen met het blote oog te bestuderen. Het kan erg moeilijk zijn om al je vooroordelen aan de kant te schuiven en de werkelijkheid te aanschouwen alsof je haar voor de eerste keer zag. Mét behoud van alle kennis die je hebt opgedaan, want je moet wel weten waar je op moet letten. Waarnemen kan ook betekenen: luisteren. Freud was de eerste die zonder te oordelen de tijd nam om te luisteren naar zijn patiënten. Hij schortte zijn oordeel op en spitste zijn oren. Zijn oren die een jarenlange opleiding als arts achter de rug hadden.

3. Stel bestaande grenzen ter discussie
Creatief nadenken, daar heeft elke goeroe de mond vol van. Maar wat betekent het precies? Heel concreet: een genie doorbreekt grenzen, bij voorkeur tussen vaststaande categorieën waar iedereen zijn wereldbeeld aan ophangt. Darwin veranderde de mens in een aap, Nightingale zag dat gezonde soldaten evengoed stierven als hun gewonde kameraden (namelijk door infecties), Freud ontdekte dat normale mensen ook met psychische problemen worstelen. Wat is gezond en wat is ziek? Is de mens een dier? De wetenschap slecht de grenzen tussen zulke categorieën, maar streeft – zie 1. – naar een herdefiniëring die helder is als kristal – zie 2.

4. Wees niet bang om tegen de stroom in te gaan
Als je als toekomstig genie hebt ontdekt dat er niet veel klopt van de categorieën die men gebruikt om de wereld te begrijpen, kan het pretty scary zijn om dat vervolgens wereldkundig te maken. Darwin hield zijn evolutietheorie twintig jaar op de plank, omdat hij wist dat hij explosief materiaal in handen had (dat zijn vrome vrouw niet leuk zou vinden). Toen Freud seksualiteit introduceerde als grondthema van de menselijke ontwikkeling, kon hij voorspellen dat hem dat niet in dank zou worden afgenomen. Toch publiceerden zij hun bevindingen. Of neem Florence Nightingale: haar grote liefde was wiskunde, maar als vrouw mocht zij in de negentiende eeuw niet studeren. De verpleging in, dat kon nog net. Nightingale ging als vrouw naar het front en zette haar op eigen houtje opgedane kennis van de statistiek in. Om zo honderden levens te redden. Wie zet er nu statistiek in aan het front? Zie 3.

5. Combineer afstand met empathie
Vier lezingen over genieën die de loop van de geschiedenis eigenhandig hebben veranderd, door keihard te werken, tegen de stroom in te gaan en… nee, ze volgden niet hun passie. Juist door afstand te houden tot je onderwerp, in combinatie met empathie, is iets als nauwkeurige waarneming mogelijk. Of stel dat je een taboe moet doorbreken. Dan is het beter om niet ‘je passie’ op het spel te zetten, maar juist enige distantie in te bouwen. Te veel is natuurlijk ook niet goed, bovendien gaat niemand dagen achtereen geconcentreerd zitten nadenken over een probleem dat hem eigenlijk geen bal interesseert (zie 1.) of zijn reputatie en huwelijk op het spel zetten voor een gebbetje (zie 4.).

6. Zorg dat je genen goed zijn, en het lot je gunstig gezind
Beetje flauw om te eindigen met goede genen? De greep uit de gene pool is immers als een lot uit de loterij. Je kunt er toch niets aan doen dat je wel of niet intelligent bent – wat alle genieën zijn – of geluk hebt – wat alle genieën hebben. Draai het dan om: er zijn talloze intelligente mensen die alles in hun schoot geworpen krijgen en die toch niets presteren van enigerlei waarde. Charles Darwin was als jongen een niksnut die zijn studie geneeskunde verlummelde. Maar toen het lot de Beagle op zijn pad bracht, greep hij die uitzonderlijke kans met beide handen aan. De rest is geschiedenis, heet het dan. Op naar de toekomst.

Lees verder over de vier genieën:
Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs
Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld
Charles Darwin: genie met de kracht van een aardverschuiving
Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend



Bookmark and Share
Comments

Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

freud
Sigmund Freud is verguisd om zijn te stringente theorieën, maar het is zonde als daarmee zijn invloed op de psychologische praktijk en op het denken over de mens geen aandacht meer krijgt. Freud is feitelijk de ontdekker van de neurose, waar we allemaal wel eens aan lijden zonder meteen psychisch gestoord te zijn. Hij stelde daarmee de grens van normaal en abnormaal, gek en niet-gek ter discussie. Neuroses zijn te behandelen door goed te luisteren en vanuit een open blik betekenis te verlenen aan het verhaal van een patiënt. Dat dit nu allemaal vanzelfsprekend klinkt, hebben we aan Freud te danken, zo betoogde prof. Paul Schnabel in zijn lezing over dit ‘genie in de wetenschap’.

Bewaarder in een gesticht
Interesse in het verhaal van de mens: in Freuds tijd – hij leefde van 1856 tot 1939 – was het zeer ongebruikelijk om te luisteren naar een patiënt. Dat komt ook omdat de psychiatrie zich bezig hield met psychotische patiënten, voor wie geen andere ‘behandeling’ mogelijk was dan vastbinden en opsluiten. Freud ontdekte een nieuwe categorie patiënten, die daarvoor niet bestond. Freud, die werd opgeleid tot arts-onderzoeker, vond de zware gevallen niet boeiend. Psychoses waren niet te behandelen of te genezen – medicijnen waren er nog niet – dus de arts functioneerde als een bewaarder in een gesticht, net als in een gevangenis.

In analyse
De patiënten – vooral vrouwen – die Freud begon te behandelen, leden niet aan psychoses maar aan neuroses. Zij ‘leden aan het leven’. In feite is Freud daarmee de schepper van de moderne psychologische praktijk zoals die nog steeds floreert. Dat geldt niet voor de psychoanalyse, de therapeutische methode die niet lang geleden met veel bombarie uit het zorgverzekeringspakket werd gegooid. Niet genoeg bewezen effect en bovendien te duur. Schnabel geeft een interessant inkijkje in zijn eigen ervaring ‘in analyse’ en laat zien hoe Freuds ideeën aan de basis staan van de psychotherapeutische praktijk zoals we die nog steeds kennen. Maar ook de manier waarop we over onszelf denken en praten is verregaand bepaald door begrippen die Freud ooit heeft gemunt in het Wenen van het fin de siècle.

Taboe op seksualiteit
Het luisteren naar de patiënt, soms zelfs door een uur lang simpelweg te zwijgen, was baandoorbrekend. Freud doorbrak nog wel meer taboes, waarvan het spreken over seksualiteit het allergrootste was. Juist door een methode te ontwikkelen van ‘maximale nabijheid met behoud van minimale distantie’ kon hij de grenzen van het fatsoenlijke gesprek openbreken. Op de divan moest alles gezegd worden, alle associaties moesten vrij kunnen stromen. Schnabel geeft een pakkend voorbeeld hoe dat mis kan gaan, als de therapeut de noodzakelijke distantie niet meer in acht houdt, namelijk het geval van Keith Bakker.



Taboe
Wat kan de wetenschapper van nu leren van Freud? Behoud een open, haast amorele blik. Schep distantie, maar wel met gevoel en empathie. Geef de tijd aan de ander en zijn verhaal, ook al is tijd tegenwoordig een schaars goed. En wees niet bang voor een taboe meer of minder. Hoewel, het is altijd beter om te mikken op een taboe minder.

De lezing van Paul Schnabel over Freud is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Klassieker: Dostojevski - Aantekeningen uit het ondergrondse

ondergrondse
Waarom lees je? Waar ben je naar op zoek in de literatuur? 'Ik lees om te zien waartoe de taal in staat is,' zei iemand met wie ik hierover in discussie was. 'Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is,' antwoordde ik. Op dat moment las ik Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski. Aantekeningen uit het ondergrondse, de korte roman die hij twee jaar voor Misdaad en straf schreef, daalt af tot op de bodem van de menselijke existentie. Op die bodem is het donker en koud, en toch keer je er steeds weer terug.

Lees verder op 8WEEKLY over vrije wil en determinisme, zelfhaat en haat voor de ander, kortom: Op de bodem van het menselijk bestaan.



Bookmark and Share
Comments

Statusangst en de remedie van Schopenhauer

statusangst
Ik heb eens de fout gemaakt om zomaar, zonder nadenken, te laten vallen dat ik misschien wel een beetje last heb van statusangst. Op mijn werk. Dat heb ik geweten, want die tussen neus en lippen door geplaatste opmerking is al een paar keer terug in mijn gezicht geboomerangd.

Wat ik bedoelde was dat ik soms bang ben dat mensen me niet serieus nemen. Dat komt natuurlijk voort uit een menselijk al te menselijke onzekerheid over het eigen kunnen (misschien wel vrouwelijk al te vrouwelijk). Tijdens mijn studie is dat verder gevoed doordat de mannelijke studenten serieuzer werden genomen dan ik (een vrouw), ook al waren ze minder serieus met hun studie bezig dan ik.

Nu werk ik aan de universiteit en ontmoet ik aan de lopende band doctoren, hoogleraren en oude mensen die op gratis lezingen afkomen. Om de vriendelijke der openingszinnen te memoreren: 'Goh, wat studeer jij?' 'Is dit een leuk bijbaantje?' Zucht. (Begin ik al vervelend te klinken? So be it.)

Om me te wapenen tegen die mensen - die het over het algemeen goed bedoelen -, om me te wapenen tegen mezelf en mijn achteloze opmerking die maar niet ongedaan gemaakt wil worden, besloot ik het boek Statusangst te lezen. Ik had me de titel van Alain de Bottons boek eigen gemaakt zonder het ooit opengeslagen te hebben. (Ik hoor nu sommige mensen denken: als dat is hoe het zit met die belezenheid van jou, geen wonder dat je dan last hebt van statusangst. So be it.)

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Charles Darwin: genie met de kracht van een aardverschuiving

Darwin
Charles Darwin staat in het hart van een van de grootste omwentelingen in de geschiedenis van de wetenschap: de paradigmawisseling van een zinvol en statisch universum naar een dynamische wereld waar natuurlijke selectie zorgt voor een evolutie van soorten. Hoe hij het principe van de natuurlijke selectie heeft kunnen ontdekken alleen door zijn waarneming is uitzonderlijk knap. Dat maakt van Darwin een genie: zijn beschrijving van de evolutietheorie – of zoals prof. Jelle Reumer prefereert te zeggen, evolutiekunde – is later door talloze onderzoeken bevestigd, op manieren waar Darwin nog geen weet van kon hebben.

Is Darwin dan de voorbeeldige wetenschapper die alle studenten van nu zouden moeten navolgen? Nou nee, Darwin als voorbeeld voor de jeugd, dat lijkt Jelle Reumer een buitengewoon slecht idee. ‘Darwin was een niksnut uit een bekakt milieu.’ Hij begint aan een studie geneeskunde, maar breekt die af. Uit arren moede kiest hij dan maar voor theologie. De enige graad die de grote evolutiebioloog ooit gehaald heeft, was een kandidaats in de godsdienstwetenschap. Belangrijker voor Darwin waren zijn hobby’s. Struinen door de velden, jagen, fossielen verzamelen, lezen over biologie en natuur, kortom dat waarmee hij later de wereld zou veranderen en waarin hij zou uitblinken.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld

lady_lamp
Op dezelfde dag dat prof. dr. Marieke Schuurmans (UMC) een lezing houdt over Florence Nightingale als rolmodel voor toekomstige wetenschappers, zendt EenVandaag een reportage uit over verpleegsters in opleiding, die massaal de ouderenzorg de rug toekeren. Wat is er aan de hand? De verhalen over geld- en tijdgebrek in de zorg zijn bekend. Uit de interviews bleek echter dat de jonge verpleegkundigen er vooral ook mee worstelden dat ze niet serieus worden genomen. Ze worden ingezet als goedkope arbeidskracht terwijl hun opleiding nog niet is afgerond en niemand durft er wat van te zeggen. Beiden keerden de ouderenzorg de rug toe en zien hun klasgenoten hetzelfde doen.

Statistiek en hygiëne
Beeldvorming is belangrijk, zeker als het gaat om beroepen als de verpleging, waar leegloop dreigt terwijl de vraag almaar gaat stijgen. Kan een icoon als Florence Nightingale daarbij helpen? Nightingale, zo vertelt Marieke Schuurmans, had zelf ook behoorlijk te lijden onder verkeerde beeldvorming. Nog steeds staat ze bekend als ‘the lady with the lamp’: een zachtmoedige verpleegster die met veel toewijding zorgde voor de Britse soldaten in de Krimoorlog. Een beeld dat het resultaat is van een negentiende-eeuwse mediahype.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Filosofen en social media: een oppervlakkige relatie

echte_vrienden
'There is no going back to reality just as there is no going back to virginity.' Thomas de Zengotita (geciteerd in Stine Jensen, Echte vrienden)

Als ik zo langzamerhand ergens genoeg van heb, is het wel het aanhoudende geschrijf over social media, en dan in het bijzonder door filosofen. Je weet van tevoren al waar het op uit gaat lopen als iemand als Ad Verbrugge zijn licht laat schijnen over die oppervlakkige, vluchtige platformen, want door ze oppervlakkig en vluchtig te noemen zijn ze al verdoemd. Je zou denken dat juist filosofen door de vooroordelen héén willen denken en dus ermee beginnen om die veronderstelde oppervlakkigheid of luchtigheid te onderzoeken. Waar komt die kwalificatie vandaan? Is die terecht? Bestaat er überhaupt een causaal verband tussen oppervlakkigheid en verderfelijkheid?

Het startpunt van zo'n onderzoek kan - ik zeg maar wat - het aanmaken van een Twitter- of Facebookaccount zijn. Ik krijg altijd sterk de indruk het daar al mis gaat. Ad Verbrugge is niet actief op Twitter en heeft op Facebook alleen maar een fanpagina (waar niet veel meer op staat dan een link naar zijn lemma op Wikipedia). Niettemin zegt hij in een interview met Filosofie Magazine dingen als:

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

De prijs van de vrijheid na de dood van God

levenskunst
Maarten van Buuren was de zwartkijker en Joep Dohmen de optimist in de serie Levenskunst, waarin zij handvatten voor een goed leven onderzochten aan de hand van schrijvers en filosofen. Maar eigenlijk kan alle vrolijkheid overboord, zo zeiden ze al aan het begin van de Kunst- en wetenschapslezing. Daar presenteerden zij hun boek De prijs van de vrijheid, waarin essays over de denkers en schrijvers zijn gebundeld. Niks vrijheid blijheid. Vrijheid is een last. Je kunt van je leven iets moois maken – levenskunst bedrijven – maar dat is hard werken. Niettemin is het een opgave voor iedereen die geeft om vrijheid, en dus om onze moderne verworvenheden, om iets van die vrijheid te maken. ‘Daarom hebben wij een belangrijk boek geschreven,’ aldus Joep Dohmen.

Moderne vrijheid

Waar komt dat moderne vrijheidsbegrip vandaan? Prof. Maarten van Buuren opende met een inleiding op de geschiedenis van de moderne vrijheid. Nietzsche verklaarde God dood en maakte daarmee een einde aan de richtinggevende instantie in het leven. De mens verwierf daarmee een enorme vrijheid om zijn eigen richting te kunnen volgen – maar hij verloor orde en duidelijkheid. Vrijgemaakt van onderdrukking, wordt de mens geconfronteerd met de vraag waartoe hij vrij is. ‘De prijs van de vrijheid is de prijs die we hebben moeten betalen voor de moord op God,’ aldus Van Buuren.

Vervolgens stelde Dostojevski de volgende vraag: als God dood is, is dan alles toegestaan? Hoeveel vrijheid kan een mens eigenlijk aan? Zal niet iedereen elkaar uitroeien – de mens is de mens een wolf, toch? Sartre ging nog een stap verder. Als God dood is, is alles contingent. De wereld, de mens, ons leven: alles is toevallig en zonder noodzaak. Daar kun je op twee manieren op reageren: jezelf wijsmaken dat er tóch een richtinggevende instantie is. Of de absolute vrijheid op je nemen en je leven als een project zelf ontwerpen. In de levenskunst zal de een echter beter slagen dan de ander. En zo komt Van Buuren uit bij Michel Houellebecq, die laat zien dat grotere vrijheid gelijk opgaat met grotere ongelijkheid.

Postseculiere orde
Het grote streven van de westerse mens, gaat prof. Joep Dohmen verder, is niettemin het leiden van een eigen leven. De vraag hoe dat moet is actueler dan ooit, nu de modernisering die ten tijde van Nietzsche en Dostojevski werd ingezet, volledig is gerealiseerd. We leven in een postseculiere orde, die radicaal verschilt van een halve eeuw geleden, toen Dohmen en Van Buuren opgroeiden. We moeten nu onze eigen levensstijl ontwikkelen, we ontkomen er niet aan. Joep Dohmen wijst op het belang van de context als het gaat om levenskunst. Aan de hand van Michel Foucault, Peter Bieri en Charles Taylor legt hij uit dat vrijheid altijd gesitueerd is.

Foucault wijst er bijvoorbeeld op dat identiteit beïnvloed wordt door veel verschillende factoren. Toch is hij geen determinist, we zijn niet helemaal overgeleverd aan onze genen, ons brein of onze omgeving. De vraag is dan waar de marge ligt van de vrijheid. Niet alleen werken externe factoren in op wie we zijn, ook zijn we zelf altijd ingebed in een gemeenschap. Leven doe je met anderen. Zoals Taylor zegt gaat het om een driehoek van jezelf, de ander en de omgeving. Daarbinnen ontvouwt zich je leven, en de waarde van je keuzes hangt samen met de wereld waar je in staat. Het kan niet zo zijn dat elk individu maar kiest wat hij wil, zonder dat je nog van waarde kunt spreken. Precies in die gerichtheid op de samenleving ziet Dohmen antwoorden voor de actuele vraag hoe we met vrijheid om moeten gaan.

De rol van de wetenschap
Hoe moet dat dan? Kan de wetenschap daar ook nog een rol in spelen? Dohmen en Van Buuren, beiden hoogleraar, blijken nogal sceptisch over de wetenschap. Volgens Dohmen moeten we oppassen voor een al te wetenschappelijke samenleving, de ‘expertsamenleving’. De wetenschap kan niet vertellen hoe je moet handelen, hoe je leven te leiden. Daarmee gaan zij in tegen de heersende tendens om wetenschap juist als basis te zien van de staatsinrichting, economie, moraal, tot individueel handelen en oordelen aan toe. Denk maar aan de liefde die wordt gereduceerd tot hormonale oprispingen of de rechtspraak die steeds meer laat afhangen van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek – psychisch, forensisch of juridisch.

Joep Dohmen stelt dat we op zoek moeten naar een gedeeld hypergood om de samenleving (weer) op orde te krijgen en met de uitdagingen van de toekomst – wetenschap, technologie, duurzaamheid – om te kunnen gaan. Hij is optimistisch: het zal hard werken zijn, maar dat hypergood moet te vinden zijn. Niet door wetenschap, maar door filosofie. Maarten van Buuren ziet de ontdekking van zo'n hypergood nog niet gebeuren. Maar ook hij ziet geen heil in wetenschap. Wat zegt die over mij? Niets, de wetenschap kan mij niet vertellen wat ik moet kiezen of doen. Zij heeft pas belang nadat die fundamentele levensvragen beantwoord, of ten minste onderzocht zijn.

Zo lijken Van Buuren en Dohmen toch terug te zijn bij hun oorspronkelijke tegenstelling van zwartkijker en optimist. In elk geval geloven ze beiden in de kracht van de literatuur en filosofie. En er wordt vanavond harder gelachen dan ooit tevoren in het Academiegebouw.

Verder kijken en lezen
De lezing van gisteren is hier terug te zien. De serie Levenskunst liep in 2009-2010 en is ook online terug te zien. In september 2011 start het vervolg op deze serie bij Studium Generale. Lees op dit blog ook 10 schrijvers en denkers over levenskunst.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

10 filosofische vragen om over het verhaal van je leven na te denken

lifestory
Wat is het echte leven? Een verhaal dat je jezelf vertelt? Is het niet een illusie dat het leven zich keurig als een verhaal ontvouwt? Of je nu vindt dat de notie 'levensverhaal' leugenachtig of achterhaald is, of juist graag jezelf beschouwt als hoofdpersoon in je eigen one-woman-show, het verhaal biedt een goede vorm voor zelfonderzoek. Al was het maar om erachter te komen waar het verhaal ontspoort. Hieronder tien vragen die je jezelf kunt stellen bij het nadenken over het verhaal van je leven.
Lees ook 10 filosofische vragen op weg naar zelfkennis

1. Welk mythische verhaal vertelt jouw leven? Wat is het scharnierpunt?
Je kunt zeggen dat een mythe een beschreven verhaal is waarvan de kern een uitvergroting is. Die uitvergroting vertelt over de oorsprong van iets - de mens, het leven, of een deel daarvan; liefde, oorlog, broederschap. Wat gebeurt er als je van je eigen leven een verhaal maakt en streeft naar mythische proporties? Wat is het oorspronkelijke verhaal van je leven? Wat ga je uitvergroten? (Creatief zelfonderzoek: streven naar mythe en verhaal)

2. Waar in je levensverhaal ben je een onbetrouwbare verteller?
Julian Barnes schrijft: 'what is useful to us generally conflicts with what is true'. True. Daarin ligt het vervelende van die narratieve levensopvatting: je kunt alles wel zo draaien dat het past in een lopend verhaal. Je maakt je ervaringen bruikbaar, maar of het ook recht doet aan de werkelijkheid? We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers als het gaat om ons levensverhaal. Waar zit een conflict tussen wat mooi past in het verhaal en dat wat in werkelijkheid gebeurde? (We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers)

3. Als je het hebt over het echte leven, waar heb je het dan over? En als spel?
'Dit is pas het echte leven!' Of; 'Na je afstuderen begint het echte leven.' Wat is dan het niet-echte leven? Je kunt het leven, echt of niet, ook omschrijven als een spel: het is doelgericht, interactief, conflictueus et cetera. (Het echte leven? Een spelletje)

4. Welke voorbeeldfiguren heb je? En welke waarden hangen aan hem/haar vast?
Een goed voorbeeld doet navolgen. Ik heb het vaker gehad over de methode van zelfonderzoek, die uitgaat van de vraag op wie je zou willen lijken. Naar aanleiding van de lezing van Joachim Duyndam over voorbeeldfiguren ging ik nadenken over wie voor mij als voorbeeldfiguur geldt. En belangrijker nog: waarom. Want de waarde die zo'n figuur representeert is een waarde die leidend voor je is. (Persoonlijke waarden: wat heb je eraan?)

5. Waardoor word je beperkt in je autonomie?
Laten we voor het gemak even ervan uitgaan dat elk individu autonoom is en beschikt over een vrije wil. Dan nog wordt die onafhankelijk door allerlei invloeden beperkt. Afkomst, sekse, ideologie, opvoeding… je kan het zo gek niet bedenken. Dit zijn de heteronome invloeden in je leven. Zonder die in kaart te brengen, zul je nooit ook maar een schijn van kans hebben als autonoom individu, of je nu gelooft in de vrije wil of niet. (Hoe onzichtbare factoren je leven sturen: zenuwen, kleding, taal)

6. Wat voor attributen, zoals kleding, gebruik je om je identiteit uit te drukken?
Het is misschien niet goed om je te profileren alleen door je kleding, zonder dat er iets achter schuil gaat. Maar via kleding en andere attributen kun je je identiteit benadrukken. Liever dan de mode te volgen, kun je in je eigen stijl tonen wie je bent. Je kunt daar maar beter over nadenken, want de omgeving zal via je kleding altijd een oordeel proberen te vormen over de naakte mens die eronder zit. (Mode, kleding, stijl en identiteit: over het kiezen van een winterjas)

7. Ga je voor kennis of voor macht? Schoonheid of waarheid?
Er zijn twee soorten schrijvers beweerde ik: zij die verlangen naar controle en daarom een romanwereld optrekken die zij als een God kunnen beheersen. En zij die schrijven om de wereld zoals die is te begrijpen. Dat is een fundamenteel verschil. Je kunt dit ook vertalen naar een meer algemene levenshouding. Ga je voor macht of voor kennis? Voor schoonheid of waarheid? En wat betekenen die begrippen dan? (Waarom schrijf je? Ga je voor kennis of macht?)

8. Wat is een mens?
Je kunt jezelf beschouwen als brein, als aap of als ziel: rationeel, emotioneel, spiritueel. Uitgaande van je genen, van je geschiedenis of van je ideeën. Nature of nurture, gegevenheden en mogelijkheden. Wat is het belangrijkst? (Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken)

9. Hoe is je houding tegenover tijd?
Alle filosofie is leren sterven… of: leren omgaan tijd. Je verhouding met de tijd bepaalt in hoge mate je houding tegenover jezelf. Tijd is natuurlijk ook een belangrijk verhaalelement. Wanneer is de tijd snel gegaan, waar ligt een breuk in de tijd? Ben je een laatbloeier, vroegwijs, vroegrijp. Is je levensverhaal een rechte lijn of misschien cyclisch? (Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven)

10. Het verhaal van het lichaam
Ik heb het hier niet vaak over de fysieke kant van het leven. Maar je bent natuurlijk een lichaam. Dat is ook een verhaal om te vertellen. (Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden)



Bookmark and Share
Comments

Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs

newton2
Met Isaac Newton werd de moderne wetenschap geboren en vierde zij meteen haar hoogtepunt. Newton verpersoonlijkt het moderne denken en de drang naar weten. Professor Floris Cohen, die het boek Isaac Newton en het ware weten schreef, aarzelt niet Newton een genie te noemen. Waar ligt het aan dat Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Newton muntte de beroemde uitspraak: ‘If I have seen further it is only by standing on the shoulders of giants.’ Nu geldt Newton zelf als een reus, op wiens schouders de wetenschappers van de toekomst staan,

In de reeks Kennis voor de toekomst passeren vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap de revue. Na Isaac Newton volgen Florence Nightingale, Darwin, Freud. Steeds met de vraag wat deze genieën in de 21e eeuw voor betekenis hebben en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen. Soms leert de bestudering van het verleden je meer over de toekomst dan de nieuwste en meest geavanceerde technologie dat kan.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Waarom schrijf je? Ga je voor kennis of macht?

het_moet_pijnlijk_blijven
'Waarom schrijf je?' Echt zo'n vraag waarop evenveel antwoorden als schrijvers zijn. Tegelijk zijn alle antwoorden terug te voeren op een klein aantal oerredenen. Dat viel me in elk geval op na het lezen van Het moet pijnlijk blijven. Vijftig schrijversinterviews, bijeengebracht door Frénk van der Linden en Freddy van Thijn. Dat maakt vijfhonderd pagina's aan antwoorden op die vraag 'Waarom schrijf je?' Tussendoor krijg je het gewroet in de kindertijd, de trauma's, het worstelen met geloof - al die dingen waar Nederlandse schrijvers zo goed in zijn (wat ook ligt aan de interviewers natuurlijk).

Nadat ik ze allemaal had gelezen (en dan gaan al die schrijvers wel een beetje op elkaar lijken) bedacht ik me dat er twee soorten schrijvers zijn: zij die verlangen naar controle en daarom een romanwereld optrekken die zij als een God kunnen beheersen. En zij die schrijven om de wereld zoals die is te begrijpen. Dat is een fundamenteel verschil.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Driedubbel leven met Kader Abdolah, Floris Cohen en Isaac Newton

newtonCohenAbdolah

Met een kopje koffie op het terras van café Hoffmann: dat is nog eens lekker werken. ‘Zit je daar wel goed,’ vraagt Floris Cohen, ‘je zit almaar tegen de zon in te knijpen.’ Geen probleem, op deze eerste lentedag. Cohen, verbonden aan het Descartes Centrum aan het Janskerkhof, vertelt over Newton, genie met een onuitstaanbaar karakter. Het stralende weer nodigt uit tot een ontspannen gesprek over de lezing die Cohen voor Studium Generale zal houden in de lustrumreeks Kennis voor de toekomst. Dat was in mijn droom vannacht wel anders.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’

rivier
Om de tijd te beschrijven en te begrijpen, heb je metaforen nodig, dat is in de acht weken van de wetenschapsfilosofische serie Tijd wel gebleken. Alle wetenschappers grepen metaforen aan om de betekenis van het concept tijd in hun discipline te verhelderen. Van de letterkundige Maarten van Buuren – van wie je beeldend taalgebruik verwacht – die sprak over gangen en deuren in de herinnering, tot theoretisch fysicus Renate Loll, die een artistieke impressie van de kwantumschaal toonde.

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.

Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.

Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.

Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.

Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.

En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).

Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.

De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.



Bookmark and Share
Comments

City2Cities literatuurfestival: zie ik je daar?

straat_literatuur

City2Cities Internationale Literatuurdagen Utrecht is een nieuw literair festival. Op het programma staan schrijvers, dichters en letterkundigen uit Edinburgh, Stockholm en natuurlijk Utrecht. Mij tref je er ook, als presentator bij twee programmaonderdelen. Kom ook!

Universiteitsmuseum, zaterdag 9 april vanaf 13.30 uur: Reflecties
Zuipen, schelden, neuken: Schotland in de letteren
Het werk van Marianne Frederiksson
Het werk van Carl Michael Bellman
Joanne sings the poets
Schaamteloos moorden: Stockholm in de Letteren
A hotbed of genius: Enlightened Edinburgh
'Ode to a Haggis' door Anneke Brassinga

Toegang met een passe-partout voor de Straat van de Literatuur (12,50 euro)

Young Poets Society: Preview
Drie jonge dichters uit Edinburgh, Utrecht en Stockholm vertaalden elkaars poëzie.

Speciaal voor City2Cities vertaalden drie jonge dichters uit Utrecht, Stockholm en Edinburgh met behulp van jonge vertalers elkaars poëzie. Tijdens een speciale City2Cities-editie van iPoetry Live treden de drie dichters op met deze vertalingen. Ook dragen ze een aantal van hun eigen gedichten voor. Young Poets Claire Askew, Alex Bengtsson en Ellen Deckwitz worden, voorafgaand aan hun optreden bij iPoetry Live tijdens de afternoonsession geïnterviewd over het vertaalproces en de moeilijkheden die het vertalen van poëzie met zich mee brengt. Ook zal in het interview aandacht besteed worden aan de rol die de stad speelt in de literatuur van de drie Young Poets.

14 april 2011, 17:00 uur
Spiegeltent, Hamburgerstraat 28, Utrecht

Taal: Nederlands, Zweeds, Engels
Toegang: gratis



Bookmark and Share
Comments

Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart

finkielkraut
'Het kunstwerk, zei Alain in concreto, behoort niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.'

Zo opent Alain Finkielkraut het eerste essay van Een intelligent hart, een stuk over Milan Kundera. Het is een statement dat ook op alle andere essays van toepassing is, ze vat in het kort de programmatische leeswijze samen die Finkielkraut vervolgens in zijn interpretaties van literaire meesterwerken uitleeft: literatuur moet ons van denkautomatismen bevrijden. Wie die Alain is wiens woorden hier herhaald worden, is mij niet helemaal duidelijk. Finkielkraut zelf? Misschien heb ik iets over het hoofd gezien? En waar dat 'in concreto' op slaat is me ook een raadsel, er is immers niets abstracts aan vooraf gegaan. Het lijkt wel alsof Finkielkraut zijn essay in medias res begint, in het midden van het verhaal. Dat komt ook door die verleden tijd van 'zei', doorgaans voorbehouden aan fictie.

Waarom op deze manier het openingsessay beginnen? Slordigheid is het niet, dat is onbestaanbaar bij een filosoof die zo scherpzinnig over literatuur schrijft. Nee, ik denk dat het een subtiel (want kom, je leest er toch meteen overheen) spel is met wat hij later betoogt over de functie van literatuur en literatuurkritiek (deze laatste in de academische zin van het woord, geen recensie maar interpretatie). Zijn opvatting over wat literatuur is of moet zijn is best ingewikkeld. Er zijn boeken die een vluchtweg bieden uit de chaos van de werkelijkheid; romantische sprookjes, die de terreur van de willekeur ontkennen door er een betekenisvol geheel van te breien. In die sprookjes hangt alles samen, alles heeft betekenis, leidt ergens toe. Leugens zijn het.

Gek genoeg krijgt die leugenachtige betekenisvolheid gestalte in realistische verhalen. Het zijn gemakzuchtige verhalen die niet verder kijken dan de oppervlakte en daar betekenis aan opleggen. Ongeveer zoals wanneer je causale verbanden legt tussen zaken die niets met elkaar te maken hebben. Ik laat een glas vallen en precies op dat moment wordt er aangebeld, dat moet wel iets betekenen. Maar in plaats van dat zo'n betekenis een diepere laag aanboort, is ze juist een zinloze betekenis. Achter de oppervlakte blijkt dat er geen betekenis, geen samenhang is. De verhalen die dat laten zien, maken volgens Finkielkraut de echte literatuur uit. Tegenover de verhalen die toevallige gebeurtenissen aan de oppervlakte aan elkaar breien tot een leugenachtig weefsel, staan de verhalen die het weefsel uit elkaar scheuren. (Maar ook dat zijn verhalen.)

In De Grap van Milan Kundera gaat dat zo: 'De schrijver in ons en de hoofdpersoon zijn een illusie armer. Die auteur en die hoofdpersoon geloofden heilig in de eeuwige herinnering (aan mensen, dingen, daden en volkeren) en in het herstel (van daden, vergissingen, zonden en onrecht). Maar nu ontdekken zij de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. "Alles stroomt, alles wijkt en niets houdt stand," zei Heraclitus al. En Kundera, vijfentwintig eeuwen later: "Alles zal vergeten en niets hersteld worden. In plaats van herstel (wraak of vergiffenis) komt vergetelheid. Niemand zal aangedaan onrecht herstellen, maar alle onrecht wordt vergeten. "' (cursivering van Finkielkraut)

Het zien van causale verbanden waar die niet zijn - ook herinnering en herstel vallen daaronder - is een denkautomatisme bij uitstek. Een biologisch mechanisme met evolutionair voordeel bovendien. Daar komen ook de mooiste dingen uit voort, toch is het een automatisme dat doorbroken moet worden. Kunst en literatuur gaan niet alleen over het creëren van schoonheid, maar ook om het ontmaskeren ervan. Als je die eerste zin leest, denk je automatisch: wie is Alain, van welke abstractie is dit het 'in concreto'? Wel, misschien is hij niemand en ging er niets aan deze woorden vooraf.

Ik vond het jammer dat Finkielkraut niet ook een essay over Marcel Proust schreef. Proust is bij uitstek een schrijver die van dit programma - het verscheuren van het leugenachtige weefsel van denkautomatismen - zijn levenswerk heeft gemaakt. Waar Finkielkraut het heeft over de lezer, maakt Proust het tot een gebod voor de schrijver. Schrijven draait om het doorbreken van taalautomatismen, zegt hij (niet in die woorden natuurlijk). Denk: clichés vermijden. De achterliggende reden is dezelfde, want het cliché is de uitdrukkingsvorm van het automatisme in het denken (en, ook belangrijk: in het kijken). Proust kan werkelijk woest uithalen naar hen die niet voorbij het clichématige beeld komen. Een clichématig beeld is namelijk ook gemakzuchtig en oppervlakkig en dus leugenachtig, net als de sprookjes die betekenis breien.

Dat uit zich al in gewone gesprekken. 'Hoe gaat het?' 'Druk druk druk.' - misschien het makkelijkste voorbeeld. Waarom zeggen we 'druk druk druk' alsof het één woord is. Zijn we wel druk? Willen we niet gewoon indruk maken? Is het niet een vluchtweg, een sociaal wenselijk antwoord, hoe dan ook een totale nietszeggende zinsnede? Het is een ingesleten uitdrukking (= een cliché) die staat voor het eerste gezicht. Het is de taak van de kunstenaar om daar voorbij te kijken. Dat is een heel praktisch advies: het eerste wat in je opkomt is nooit precies genoeg, zegt nooit wat er echt aan de hand is, wat je echt ziet, wat je echt voelt. Dat wat je als eerste invalt is altijd een cliché, een beeld ooit bedacht door een ander. Je moet op het tweede gezicht kijken, het derde, het vierde, net zolang tot je bij iets waarachtigs in de buurt komt (uiteraard is dat nooit helemaal te bereiken in taal). Voor mij was het lezen van Proust een ervaring alsof een weefsel voor mijn ogen werd opengescheurd, precies wat Finkielkraut van literatuur verlangt.

Het kunstwerk behoort niet tot de categorie van het nuttige, is de stelling. Het doorbreken van automatismen, zeker op de manier waarop Finkielkraut dat doet in Een intelligent hart en Proust in zijn Op zoek naar de verloren tijd is echter wel iets. Nuttig? Ja, hoe vies het ook klinkt, dat is ook nuttig.



Bookmark and Share
Comments

Druk druk druk

tijd
In Nederland zijn twee antwoorden mogelijk op de vraag hoe het gaat: ‘Goed, lekker druk’ of ‘Nou, druk druk druk hoor.’ Drukte kan zowel positief als negatief zijn, dat zal iedereen herkennen. Onder tijdsdruk presteer je beter, maar te veel tijdsdruk geeft stress. Over de verschillende kanten van tijdsdruk sprak prof. Tanja van der Lippe in haar lezing over de sociologische benadering van tijd.

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?

Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.

Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.

Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.

Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?

Kijk de lezing terug: Tijdnood?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images

L'année dernière à Marienbad is zo'n Franse film uit begin jaren zestig met bloedmooie acteurs en een onduidelijke verhaallijn. Experiment in de kunst heeft veel te maken met tijd, misschien omdat tijd raakt aan alle aspecten van kunst. Een verhaal ontvouwt zich in de tijd, maar niet altijd - of misschien wel nooit - rechtlijnig. Om tijd te ervaren heb je je geheugen nodig, maar het geheugen is onbetrouwbaar. Ieder mens heeft zijn eigen geheugen. Tijd heeft ook te maken met perspectief, je kunt een verhaal steeds opnieuw vertellen in een ander perspectief en het zal steeds anders zijn. Tijd kromt, in de natuurkunde en in het leven. Dat op de voorgrond plaatsen is wat gebeurt in experimentele kunst.

1.Marienbad_schaduwen
De mensen hebben schaduwen, maar de ruimte niet

Wat mij vooral interesseert in de beeldende kunst, ook in L'année dernière à Marienbad, is niet het moment dat de tijd kromt of vervormt, niet de meerdere perspectieven of het onbetrouwbare geheugen, maar de tijd die stilstaat. Dat is nu precies wat in literatuur niet kan. (Haast niet kan.) Abandoned images. Ik weet niet waar ik die term vandaan heb, maar die woorden zijn precies wat ik bedoel. Ook deze film wordt daarmee gespeeld. Hoe vaak wens je niet dat je tijd stil kon zetten, niet per se omdat het moment zo mooi is, maar om je ervan te vergewissen dat je geheugen je niet in de steek laat. Of op zijn minst de tijd langzamer te laten lopen, om je meer tijd te gunnen om de gebeurtenissen in je op te nemen. Soms gaat de tijd opeens vanzelf heel langzaam, maar dat is meestal een teken van verveling.

2.marienbad

Abandoned images. Misschien komt het door de samenvoeging van 'verlaten', wat een menselijke aanwezigheid suggereert die er niet meer is, met 'beeld', een ding dat is losgezongen van de mens, los van de mens bestaat. Het is de uitdrukking van de afwezigheid en daardoor des te meer van de aanwezigheid. Dat wat er ooit was en nu voorgoed voorbij is, zonder boe of ba opgegaan in een verleden dat niet bestaat. Het duidelijkst is dat in de foto van het verlaten feest.

3.abandoned_image

Alles is stil en in de stilte hoor je wat er is geweest. Je hoort terwijl je kijkt dat wat er niet meer is. Dat kan alleen in de beeldende kunst. Nee, niet alleen in de beeldende kunst.

'Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.' Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)

4.Shining
Overlook Hotel

Of zie je dat wat er gaat komen? Is dit niet een verlaten feest maar de voorafschaduwing van iets veel ergers? Dat wat weggaat kan terugkomen. Ook al bestaat het verleden niet, de toekomst komt eraan. De toekomst bestaat ook niet, volgens dezelfde regels. Maar het heden verandert, daarin verdwijnen niet alleen dingen, maar komen dingen ook tot stand.

5.bosrand

Abandoned images zijn een samenballing van de angst dat alles is verdwenen en de angst voor wat er nog gaat komen. Of de hoop dat alles is verdwenen en de hoop op wat er komen gaat. Nee, dat laatste is niet waar. Er is altijd dreiging, de dreiging van wat schuilgaat in de toekomst. Sommige mensen putten hoop uit die dreiging. De meeste mensen zijn er bang voor. Wat zie je in de bosrand?

'De bosrand is een topos van het sprookje, daar eindigt het werkelijke en begint het wonderlijke. [En op die overgang staat alles, ook de tijd, stil.] Het levende bos van In de ban van de ring. Het bewegende bos van Macbeth (dat een nepbos is, maar als je in Schotland naar de bossen op de heuvels kijkt, begrijp je dat dat niet uitmaakt). De rand van het bos is als een huid: zowel deel van het lichaam als de grens van het lichaam, waarbinnen onzichtbare, onbegrijpelijke en intense dingen gebeuren. … Als we de huid opensnijden en er binnen gaan komt iets heel anders tevoorschijn dan wat achter de ongeschonden rand leefde. Een dood, bloedend systeem. … In het bos van dit gedachtekunstwerk vind je een open plek ('open plek in het bos' drie letters - tra) die als een uitgestrekte bedstee is, met wuivend gras, veldbloemen en konijnen. Je ziet die plek niet, maar uit alles spreekt dat hij er is, onvindbaar maar aanwezig.' (Gedachtekunst: De bosrand)

6.bloed
Overlook Hotel

Het bloed dat schuilgaat en zich een weg naar buiten perst. The Shining speelt in een verlaten hotel, waar de tijd stil lijkt te staan. Wat verlaten is kan altijd terugkomen en met wat voor kracht... Die kracht toont zich in de film juist in het stille, vertraagd afgedraaide beeld en eigenlijk nog meer in de filmstill. Ik krijg hier rillingen van (hoewel dat misschien ook komt door de herinnering aan het verloop van de film). Dit plaatje is zowel het vervolg op een abandoned image als zelf een abandoned image. Eerst zien we een ruimte, die de adem inhoudt (de adem van de mensen die er ooit nog rondliepen). Dan is er het bloed dat met geweld de ruimte inneemt. Hier is die beweging - hop - stilgezet. Nu is de beweging verlaten.

Riget

'Perhaps their arrogance became too pronounced, and their persistent denial of the spiritual. For it is as if the cold and damp have returned. Tiny signs of fatigue are appearing in the solid, modern edifice. No living person knows it yet, but the gateway to the Kingdom is opening once again.' (Riget)

7.Mondriaan
Compositie met twee lijnen

Ook dit is een abandoned image. Maar verlaten waardoor? 'Mondriaan, zei Kounellis, heeft de schaduw uit de schilderkunst verwijderd.' (Rudi Fuchs in De Groene Amsterdammer) Opeens valt het op dat de beelden allemaal plat, bijna zonder schaduw zijn, zoals die eerste uit L'année dernière à Marienbad. Komt hier nog wel iets áán, op ons toe, vanuit de niet-bestaande toekomst? Rudi Fuchs schrijft: 'Zoals de lijnen nu verschoven zijn, suggereren ze een soort openvouwen van ruimte (of wit licht), als bij het openen van een boek.'

'Het witte vlak dringt zich naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt. Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen. (Over Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw)

8.bergervisconti
Berger en Visconti

Mensen hebben schaduwen, maar zijn evengoed verlaten.

[Het format met foto’s en associaties heb ik gejat van This Recording, een weergaloos blog uit de VS)



Bookmark and Share
Comments

Afstand en aanwezigheid

albert_camus
'Haar ontbreekt zowel de afstand tot zichzelf als de aanwezigheid bij de anderen'. Een prachtige beschrijving van de moeder van Albert Camus, schrijver, filosoof, Nobelprijswinnaar, door Alain Finkielkraut in Een intelligent hart. Dat is een buitengewoon intelligent boek dat een blogje op zichzelf verdient. Maar eerst even over die zin, die mijn ogen minutenlang op de pagina vasthield.

'Afstand tot zichzelf en aanwezigheid bij anderen': het klinkt als een gevleugelde uitdrukking, die als je erover nadenkt eigenlijk best ingewikkeld is. Bij nader inzien beschrijft ze echter een streven voor wat de mens moet zijn. Camus' moeder was een dove analfabete, die precies deze twee eigenschappen miste. Dat betekent dat zij géén afstand tot zichzelf had. Ze viel volledig met zichzelf samen. Afstand tot jezelf vereist blijkbaar beheersing van taal. Het is wel voor te stellen als je denkt aan bijvoorbeeld dronkenschap: dan val je ook helemaal met jezelf samen en ben je nogal eens je verfijnde taalvermogen kwijt. De ervaring is dan niet-talig, krijgt geen gestalte in taal.

Zodra je je ervaring in taal gaat beschrijven, neem je er ook afstand van. Je trekt je terug uit die intense kern van beleving om er objectiverend iets van te zeggen. Goed. En die tweede eigenschap die Camus' moeder moet missen? Zij heeft géén 'aanwezigheid bij anderen'. Dat klinkt op het eerste gezicht verwarrend, want je zou bijna verwachten dat iemand die zo dicht bij zichzelf staat ook 'aanwezig bij anderen' zou zijn. Maar het probleem is dat ze niet dichtbij zichzelf staat, maar met zichzelf samenvalt. Je zou kunnen zeggen: er blijft niets over voor een ander.

Wat houdt dat eigenlijk in, aanwezig zijn bij anderen? Ik denk zoiets als aandacht hebben, oprechte interesse, luisteren naar, het levensverhaal van iemand kennen (en onthouden, vaak vergeten mensen dat cruciale punt. Vind ik.). Om dat te bereiken is afstand tot jezelf nodig, je moet jezelf naar de achtergrond kunnen dirigeren en je persoonlijke behoeftes tijdelijk uitschakelen. In dit geval niet om jezelf tot object van onderzoek te nemen, maar om de ander alle aandacht te geven die nodig is bij een betekenisvolle ontmoeting.

Die twee dingen: afstand tot jezelf en aanwezigheid bij anderen horen dus bij elkaar, maar zijn zeker niet hetzelfde. Beiden lijken echter te maken te hebben met wat reflectie is, of zou moeten zijn. Reflectie op jezelf, of een ander.

Die gevleugelde woorden riepen bij mij een ander 'motto' in herinnering, dat voor mij nog steeds het meest kernachtig uitdrukt waar je als mens naar moet streven. 'Een koud hoofd combineren met een warm hart.' (Overigens heb ik nooit de bron van dit motto kunnen terugvinden, ik meen alleen nog te weten dat ik het van een historische Duitser heb (zeventiende of achttiende eeuw). Op Google krijg ik alleen mezelf als bron en Job Cohen, die Rita Verdonk van het omgekeerde heeft beticht: een heet hoofd en een koel hart.)

Een koud hoofd: dat is afstand kunnen nemen tot jezelf, je losscheuren van je eigen persoonlijkheid, relativeren en reflecteren. Een warm hart: dat is aanwezig zijn bij anderen, emoties delen, medeleven tonen. Wat mij betreft twee zaken die bij elkaar een goed mens maken.

Arm moedertje Camus.



Bookmark and Share
Comments

Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...'

nanoplaza
'Is de buzz rond nanotechnologie terecht, of ook een beetje een hype? De overheid stopt miljoenen in voorlichting, begint discussies tussen publiek, deskundigen en beleidsmakers, burgers moeten geïnformeerd, angsten weggenomen. Maar in de kroeg praat ik er nooit over en ook op straat is nano niet het gesprek van de dag. Leeft nano soms alleen in de kring van onderzoekers en voorlichters, een kring als de Ourobouros, die zichzelf in de staart bijt?’

Lees verder op NanoPlaza: 'Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...'



Bookmark and Share
Comments

Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies

entropie
‘Mijn doel met deze lezing is filosofisch: ik wil dat jullie aan het eind minder begrijpen van tijd dan aan het begin.’ Victor Gijsbers is wetenschapsfilosoof en natuurkundige en dat is ook te merken aan zijn behandeling van het begrip tijd. Tijd is hier niet het element dat betekenis geeft aan het menselijk bestaan of een klok ingebed in het brein. Natuurkundige tijd als de vierde dimensie heeft niets, maar dan ook helemaal niets van doen met de mens. Een opvatting die wel degelijk invloed kan hebben op hoe wij mensen, over tijd nadenken.

Het eerste deel van Gijsbers lezing gaat over de asymmetrie van tijd. Waarom loopt tijd vooruit en niet achteruit? Waarom wordt iedereen altijd ouder en nooit jonger? Dat lijken triviale vragen, maar stelt niet iedereen zich die wel eens? Het zou mooi zijn als de wetenschap een verklaring hiervoor kon geven – wie weet zou dat ook de deur openen naar verandering. Helaas is de natuurkunde hier nog niet over uit. Want wat blijkt: geen enkele natuurwet zegt dat iedereen altijd ouder móet worden in plaats van jonger. Natuurwetten zijn juist allemaal tijdsymmetrisch. Hoe zit het dan? Het heeft te maken met entropie. In een helder betoog legt Gijsbers uit hoe entropie werkt en waarom het als antwoord op deze vraag juist níet werkt. (In plaats van het hier na te vertellen, verwijs ik graag naar de opname.)

Een andere manier om vanuit de natuurkunde na te denken over tijd, heeft te maken met de status van heden, verleden en toekomst. In ons dagelijks leven zijn dit drie heel verschillende begrippen, elk met een andere emotionele lading. Het verleden kan bijvoorbeeld nostalgie oproepen, maar de toekomst niet. Gespannen verwachtingen hebben we daarentegen alleen over de toekomst en als je in een flow zit, bevind je je ontegenzeggelijk in het heden. De natuurkunde heeft daar geen boodschap aan. De emotionele verhouding tot een punt in de tijd is persoonlijk, en die persoon moet in de wetenschappelijke theorie uitgeschakeld worden.

De natuurkundige die zijn persoon uitschakelt en zich als een soort god buiten de wereld opstelt om zijn onderzoeksobject te bestuderen, ziet een ‘vierdimensionaal blok’ van ruimtetijd. Momenten in de tijd hebben geen status van heden, verleden of toekomst, het zijn gewoon punten op een lijn. In een experiment onderzoekt de wetenschapper hoe een toestand verandert op één punt ten opzichte van een ander punt. Wat kan het hem schelen of dat in het verleden ligt of in de toekomst? Het resultaat blijft hetzelfde – of zijn theorie deugt niet.

Zijn heden, verleden en toekomst dan verzinsels van de mens, zonder fysische grond? Zijn het metaforen die we gebruiken om uitdrukking te geven aan onze emoties? Emoties die betrekking hebben op punten op een tijdlijn, onderworpen aan natuurwetten? Als dat zo is, moeten we misschien wel ons dagelijks leven veranderen. Einstein verzuchtte na de dood van een vriend: ‘Now he has departed from this strange world a little ahead of me. That means nothing. People like us, who believe in physics, know that the distinction between past, present and future is only a stubbornly persistent illusion.’

Als verleden en toekomst niets betekenen, een illusie zijn, hoeven we niet te treuren over de ouderdom en de dood. De asymmetrie van tijd hoeft dan ook niets te betekenen. Maar verliezen we dan niet ook de schoonheid van de herinnering, de opwinding van voorpret en misschien wel onze hele persoonlijkheid? En waar blijft de vrije wil in een vierdimensionaal blok ruimtetijd, waarin natuurwetten alle processen sturen zonder omzien naar de mens? Een hoop vragen waarmee Victor Gijsbers ons achterlaat. Hij heeft zijn doel behaald!

Kijk de lezing hier terug: De filosofie van tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Over Julian Assange. De man die de wereld verandert

assange
Julian Assange, oprichter van Wikileaks, gebruikt de hype in zijn strijd tegen machthebbers. Maar in de handen van diezelfde machthebbers wordt dat een wapen dat zich tegen hem zelf keert. Miriam Rasch analyseert in haar tweede column het fenomeen Assange en de relatie met het begrip mimetische begeerte.’

Over Julian Assange. De man die de wereld verandert, van Carsten Görig en Kathrin Nord (Lebowski). Lees verder op Humanistisch Verbond: De hype als boemerang

Eerder schreef ik over de documentaires Weapon Of War en Pray The Devil Back To Hell op de website van het Humanistisch Verbond: Het beeld van schuld, wroeging en vergeving



Bookmark and Share
Comments

Gesproken recensie: Justine Le Clercq - De roemlozen





Bookmark and Share
Comments

Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

oerknal
Tijd is fundamenteel voor het bestaan van ons universum – dat was de conclusie van de lezing over tijd in de theoretische fysica, door professor Renate Loll. Tijd kun je benaderen als een kwantitatief gegeven en op die manier speelt het een rol in alle natuurkundige processen. Een formulering van natuurwetten kan niet zonder de notie van tijd, waarin veranderingen zich afspelen. Ook in experimenten die natuurwetten onderzoeken en proberen te bewijzen is ‘tijd’ altijd aanwezig als het referentiekader waarbinnen de natuurkunde werkt. Maar tijd is ook als kwalitatief fenomeen, een ding op zichzelf te bestuderen.

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?

Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.

De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’

Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.

Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.

Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?

Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.

Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Stine Jensen - Het broekpak van Olivia Newton-John

Jensen
Over de liefde zijn boekenkasten volgeschreven, van grootse romans en tragedies tot dokterromannetjes. De laatste jaren raakt ook de non-fictie steeds meer geïnfecteerd met het liefdesvirus: er verschijnt een constante stroom boeken over de liefde in filosofie, in film en literatuur, in de hersenen, als foefje van de hormonen. Filosofe Stine Jensen voegt daar nog een titel aan toe: Het broekpak van Olivia Newton-John. Stukken tegen de liefde.

Waar die honger naar boeken over liefde vandaan komt, zal niemand kunnen zeggen. Heeft het te maken met de toename van singles, die ook een belangrijke doelgroep vormen van marketeers (en vaak hoog opgeleide vrouwen zijn, dus lezers)? Is het misschien wel een prettig idee dat verliefdheid niet meer is dan een stofje in de hersenen, of worstelen we daar juist mee en hebben we een filosofie van de liefde nodig als tegenhanger? Andere schrijvers stellen dat het liefdesvirus onder de mensen is verspreid door moderne sprookjes van de media en filmindustrie. Terwijl niemand een perfecte relatie heeft, schotelen schrijvers en televisiemakers het publiek een beeld voor van eeuwigdurende liefde met heftige ups en downs, maar altijd met een happy end.

Lees verder op 8WEEKLY: Die vermaledijde liefde



Bookmark and Share
Comments

Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven

tijd2
De tijd als het element waarin onze existentie zich ontvouwt; de tijd als ritme, gestuurd door de biologische klok in onze hersenen: dat zijn twee vormen van tijd die we als individu ervaren, waar we ons persoonlijk toe moeten verhouden. In de derde lezing over tijd ging het over geschiedenis, en geschiedenis is niets anders dan een collectieve ervaring van tijd. Harry Jansen beschreef drie manieren waarop tijd in de geschiedschrijving ingezet wordt. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
'Jaaa, the Rise and Fall of Miriam Rasch!' riep ik na afloop van de lezing in de kroeg. Soms zit je in de lift, soms gaat alles in het leven bergafwaarts. Sommige mensen hebben het over cycli van zeven jaar (The Seven Year Itch, maar ook is dit idee gebaseerd op de biologische celvernieuwing die elke zeven jaar voltooid zou zijn). Ik geloof daar niet zo in, maar dat je leven in een golvende beweging gaat, herken ik wel. Tijd wordt in dit geval dus gedefinieerd in positief, opgaand en negatief, neergaand. Wat heeft dat eigenlijk met tijd te maken? Ik denk dat het vooral een andere manier is om tijd in je persoonlijke leven te meten. Zoals je kunt zeggen: dat was vóór Pietje en ná het ontslag.

In deze vorm van tijd zit ook herhaling, een soort eeuwige wederkeer. Het is een cyclische structuur. Kijk bijvoorbeeld naar je schooltijd: je begint op de basisschool helemaal onderaan en na zes jaar zit je in de hoogste klas. King of the school. Vervolgens mag je helemaal opnieuw beginnen in de brugklas. Ben je eindelijk een stoere eindexamenkandidaat, begint de ellende weer van voren af aan als eerstejaars op de universiteit. Je eerste baan, je tweede baan, enzovoort, enzovoort. De liefde? I rest my case.

2. Gefaseerde tijd: Generaties
De gefaseerde tijd is niet een cyclus, maar een opeenstapeling van levensfeiten. Je komt als kindje ter wereld met misschien een paar aangeboren eigenschappen, maar met een zee van tijd voor je. Meteen begint het: je bent een zuigeling, dan een dreumes, peuter, kleuter et cetera et cetera, ik ken alle officiële benamingen voor de verschillende levensstadia niet. Je bewandelt de trap omhoog en misschien doe je aan het eind van je leven weer een paar stappen naar beneden. Wijsheid komt met de jaren is de lijfspreuk.

Sommige mensen hebben een haast ergerniswekkend talent voor het leven deze tijdvorm. Ze vinden hun (al dan niet) grote liefde bij wie ze de rest van hun leven blijven. Ze kiezen de juiste studie, rollen in een interessante baan, dan volgen huwelijk, huis en kind, en nog een kind, en een groter huis. Pas als ze zelf tegen de middelbare leeftijd lopen begint het leven met een beetje drama te strooien, de hoogbejaarde ouders sterven een zachte dood, ze krijgen een beetje last van ouderdomskwaaltjes, wat fijn is, want anders is er niets om over te klagen, de kinderen zijn het huis uit, er komen kleinkinderen, het testament wordt opgemaakt, de hond gaat dood en het bejaardenhuis wacht. Bah.

3. Durende tijd: Herinneringen
Ooit, toen ik nog toneelspeelster wilde worden, las ik een interview met een beroemd acteur, die vertelde hoe hij tranen acteerde. Hij had een theelepeltje dat zo geladen was met herinneringen en emoties uit zijn kindertijd, dat hij het maar tevoorschijn hoefde te halen om de tranen in zijn ogen te doen opwellen. Hij bracht het verleden tastbaar terug in het heden, op een zintuiglijke manier - een historische sensatie, zij het individueel. Dat wilde ik ook!

Later, toen ik allang geen toneelspeelster meer wilde worden, bleef mijn fascinatie voor zulke persoonlijke historische sensaties bestaan. Niet voor niets ben ik nu Proustiaan. Proust, die de tijd als duur meer nog dan Bergson aan de mensen heeft gegeven, in al haar zintuiglijkheid. De tijd als duur ervaar je vooral in de 'onvrijwillige herinnering'. Een geur, een bepaalde lichtinval, een object - bijvoorbeeld een theelepeltje - brengt je een herinnering te binnen. Nee, heftiger: transporteert je, lichaam, geest en al, terug de tijd in, terwijl je toch in het heden blijft. Met andere woorden: heden en verleden bestaan tegelijkertijd. Conclusie: op zulke momenten ben je onsterfelijk. (Dat denken de acteurs misschien ook op zo'n moment.)

Deze tijd is niet cyclisch en ook niet opbouwend, maar gefragmenteerd. Alle drie de vormen van tijd zijn interessante instrumenten om over je leven na te denken, om andere accenten te leggen en verbanden duidelijk te maken. Maar de tijd als duur, die gefragmenteerd is en je kan overvallen op momenten dat je er het minst op bedacht bent (of waar je je zoals de acteur in kunt trainen), bevalt mij het best. Ze past bij de onbetrouwbare verteller die het toeval willens en wetens ont-toevalt.



Bookmark and Share
Comments

Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap

tijd
Tijd als element van het bestaan; de biologische klok die ons begeleidt van geboorte tot dood. Dat zijn individueel beleefde vormen van tijd – hoe gedeeld menselijk of dierlijk ze ook zijn. In de geschiedenis gaat het om de collectief ervaren tijd. Dr. Harry Jansen beschrijft drie manieren waarop de historicus om kan gaan met het begrip tijd: de golvende, de gefaseerde en de durende tijd. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.

Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.

2. Gefaseerde tijd: Chronologie De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)

Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.

3. Durende tijd: Historische sensatie De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).

In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…

Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers

barnes_frightened
Je leven begrijpen als een verhaal; toen ik daar voor het eerst over hoorde, was het wel een openbaring. Inmiddels ben ik een beetje aan het terugkomen op deze 'narratieve' filosofie. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is de narrative turn wel erg populair geworden. En daarnaast is het verhaal van het leven ook geen sluitend verhaal.

Om met het eerste te beginnen. Ik heb altijd een beetje last van recalcitrantie bij populaire zaken. Kinderachtig, ik weet het. Zodra iedereen ergens mee wegloopt, heb ik het alweer gehad. Toch schuilt er ook meer achter. Overal kun je tegenwoordig cursussen volgen om je levensverhaal op te tekenen of je familiegeschiedenis te schrijven. Het is te gemakkelijk geworden, te plat. Iedereen wil wel hoofdpersoon zijn in een unieke vertelling. Alle complexiteit van het concept wordt afgevlakt tot er een eenvoudige mal overblijft. Giet je leven erin en er komt een kunstzinnige creatie uit, je hebt je zin, een zinvol leven. Nee, zo werkt het niet.

Voor de echte duiding moet je dan toch bij de echte literatuur zijn. Ik lees nu Julian Barnes' boek over de dood - beter: over zijn doodsangst, Nothing To Be Frightened Of. Hij schrijft: 'what is useful to us generally conflicts with what is true'. True. Daarin ligt het vervelende van die narratieve levensopvatting: je kunt alles wel zo draaien dat het past in een lopend verhaal. Je maakt je ervaringen bruikbaar, maar of het ook recht doet aan de werkelijkheid? Vooruit, ik ben de eerste om toe te geven dat zoiets als de werkelijkheid ook volkomen onbetrouwbaar is. Maar er is een fine line tussen 'alles is perceptie' en regelrecht fabuleren.

Het gaat er ook niet om dat het verhaal te ver afdrijft van iets als waarheid. (Want wat is nou helemaal waarheid?) Eerder gaat het om de zelfverloochening die dan in het spel is. Denken in verhaallijnen ontneemt je het zicht op jezelf, op dat wat tegen je eigen vooroordelen ingaat. Barnes noemt ons dan ook 'onbetrouwbare vertellers'. True.

Ik schreef dat ik een beetje terugkom op de narratieve filosofie. Dat is niet helemaal waar, ik kom er niet op terug, maar ik denk dat je erdoorheen moet gaan. Het denken over jezelf in termen van hoofdpersonage in een verhaal dat zich in de loop van je leven ontvouwt, levert namelijk ook heus wel veel op. Door het verleden te analyseren, leer je de toekomst vorm te geven. Het losgeslagen projectiel kan zo een iets rechtere baan krijgen. Op die baan liggen obstakels, er zijn orkanen en je hebt al sinds je geboorte een afwijking naar links, maar toch.

Misschien is dat het leven: eerst lijkt alles een enorme chaos en denk je niet dat je ooit iemand zal worden met een interessant levensverhaal (of je denkt, dat komt vanzelf als ik ouder ben). Vervolgens drukt dat leven je met je neus op de feiten, die om je heen dwarrelen als de geldbiljetten in de windcabines van ouderwetse spelshows. Je kunt ze nooit allemaal te pakken krijgen, er nooit een nette rode draad doorheen rijgen. Als je dan maar besluit om te gaan zitten tot de wind is gaan liggen, heb je aan het eind helemaal niets. Ook geen lol in het spel.

Ik gebruik altijd een soortgelijke metafoor in erg turbulente tijden. Het voelt dan alsof er een wolk van ballonnen om je heen wordt opgelaten en je probeert ze allemaal vast te grijpen. Aan dunne touwtjes die bijna onzichtbaar zijn zweven ze steeds verder omhoog de lucht in, terwijl jij op de grond staat, op je tenen, te proberen ze allemaal te pakken. Als je er een hebt, laat je de ander weer los. En dat je denkt in metaforen is tegelijk een bewijs dat het leven wel degelijk een verhaal is.



Bookmark and Share
Comments

Wat is de mens - revisited

olifant
Dat er niet één verhaal te vertellen is over de mens, de geschiedenis, over wat dan ook, daar is iedereen zo langzamerhand wel van doordrongen. De consequenties daarvan pakken soms nog verschillend uit. De één wordt relativist: de waarheid bestaat niet en vooruitgang ook niet, de mens speelt altijd theater en is als een ui zonder kern, alle kunst is evenveel waard want over smaak valt niet te twisten. De ander blijft vasthouden aan een vorm van zekerheid; we kunnen heus wel onderscheid maken tussen iets wat meer waar is dan iets anders, of mooier of echter.

Vaak is dat criterium van zekerheid ergens in het zelf verankerd. Als ík vind dat de rol van intellectueel voor mij authentieker is dan de rol van feestbeest, als ik overtuigd ben van deze wetenschappelijke theorie en niet van die andere, als ik kan zeggen waarom een schilderij van Mondriaan beter is dan het gefriemel van mijn neefje, dan moet daar iets in zitten. Zelf behoor ik tot de laatste groep, ik houd niet van relativisme. Hoewel ik de bezwaren van de pragmatische zekerheid ken en levensgroot acht. Want wie ben ik om als criterium voor de waarheid te gelden? Nou ja, ik ben een mens, zoveel is zeker. De vraag is dus: 'Wat is de mens'?

Marcus Düwell, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, haalde in zijn lunchlezing Kant aan: in de vraag 'wat is de mens' laten alle vragen van de filosofie zich samenvatten. 'Wat is de mens': aan die vraag valt ten eerste op dat hij de mens objectiveert, als een ding dat je kunt onderzoeken. Een het. Dat is natuurlijk wetenschappelijk verantwoord. Eerder schreef ik over de definitie van het object mens door Frans de Waal en Dick Swaab, die de mens inderdaad 'apart zetten' om hem aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen (ook al is dat dan in een vergelijking met apen zoals De Waal doet of door te focussen op één onderdeel, namelijk de hersenen bij Swaab). De derde definitie, door Gerard Visser, behelsde een herformulering van de vraag. Wát een mens is? Antwoord: een wie. De juiste vraag is dan 'Wie is de mens?' Je voelt al meteen dat je in die herformulering overgaat van een algemene uitspraak op een individuele. Kun je in algemene termen over de mens spreken, of moet je hem altijd benaderen als uniek persoon? Of is dit gewoon een kwestie van ofwel wetenschap ofwel filosofie (of kunst) bedrijven?

Düwell liet zien dat er ook in de wetenschap verschillende perspectieven op de mens zijn, die op gespannen voet met elkaar kunnen komen te staan. Er is het natuurwetenschappelijke perspectief dat de mens ziet als een dier (waartoe De Waal en Swaab behoren). Dan is er het culturele perspectief, dat zich richt op de artistieke scheppingen van de mens en ten slotte is er het morele perspectief, dat uitgaat van de ethische overwegingen, de mens als vrij wezen. Het zijn in feite drie manieren om de mens te beschrijven, niet zozeer drie verschillende definities. Zoals de olifant uit het bekende voorbeeld. Een blinde voelt aan de olifant en beschrijft hem. Maar hij voelt een poot, terwijl zijn vriend de slurf vasthoudt. Uiteindelijk heeft niemand de ware olifant gezien, want de olifant is al zijn eigenschappen bij elkaar.

De perspectieven stemmen enigszins overeen met de drie voorbeelden waar ik mee begon: de waarheid die al dan niet bestaat, de kunstzinnige smaak waar al dan niet over te twisten valt en het zelf dat al dan niet authentiek of vrij is. Je kunt niet één van die perspectieven boven alle andere plaatsen of tot verklaring van alles bombarderen. Vooral de natuurwetenschappers doen dat wel, aldus Düwell. Zij monopoliseren het antwoord op de vraag wat de mens is. Met de grootste vanzelfsprekendheid wordt het biologische als bewijs voor van alles aangehaald (zelfs voor de meest tegenstrijdige zaken, zoals egoïsme bij Richard Dawkins en empathie bij Frans de Waal). Terwijl het niet logisch is. Móet ik moreel doen omdat ik niet anders kan, ben ik moreel omdat de apen het ook zijn? Zo gesteld lijkt dat inderdaad een absurde aanname.

Eigenlijk hebben we in het dagelijks leven niet zoveel last van dit soort vragen. Zoals veel filosofen ook zeggen: of de vrije wil nu bestaat of niet, het belangrijkste is dat de mens het idee heeft dat hij bestaat. Dat is al reden genoeg om erover na te denken. Dat getuigt mijns inziens ook van een frisse, open instelling die zweeft tussen het relativerende ontkennen en jezelf beschouwen als criterium voor de waarheid. Ik hou wel van zulk pragmatisme, ook in de filosofie.

Kijk de lezing terug op de nieuwe website van Studium Generale (!).
En lees ook Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken



Bookmark and Share
Comments

De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein

tijd
Als het donker wordt, word je moe; als je de middelbare leeftijd bereikt kom je in de overgang en van vrouwen in de dertig zeggen we dat hun biologische klokje tikt. Tijd zit ingebakken in ons lichaam, in de hele cyclus van de geboorte tot de dood. Dat gaat verder dan je misschien denkt. De meeste kinderen worden geboren in de vroege ochtend van een woensdag of een donderdag. En in de hersenen van overleden mensen is te zien hoe laat zij stierven, omdat de tijd letterlijk stil is blijven staan. Over deze en andere feiten van de biologische, lichamelijke tijd, sprak prof. dr. Dick Swaab in zijn lezing voor de serie Tijd.

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.

Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.

De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.

Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.

De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.

Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

Grensssituaties

in_limbo
'Grenssituatie' was een tijdje een gevleugeld woord toen ik literatuurwetenschap studeerde. De liefde, kamernood en natuurlijk het weekend: alles was één grote grenssituatie. Grenssituaties, daar ben ik altijd dol op geweest. Niet in het echte leven maar in de literatuur. In het echte leven zijn grenssituaties vervelend (ik zit nu, terwijl ik schrijf, ook in limbo). In het echte leven achtervolgen grenssituaties me, zijn ze als een schaduw die je niet af kunt schudden en die op slechts één uur van de dag verdwenen lijkt. In de literatuur zoek ik ze op, hongerig naar schaduwen, begerig naar ellende.

Het begrip is een uitvinding van de existentialistische filosoof Karl Jaspers. Het duidt op situaties die 'tot op de bodem raken', waardoor je 'uit de baan van de gewone gang' wordt geslingerd en waarin je 'radicaal op jezelf teruggeworpen' bent. De oorlog is een archetypische grenssituatie, net als de dood. Ook de wat lichtere versie kun je je makkelijk voorstellen: het einde van een relatie, ontslag en werkloosheid. Je zit in een grenssituatie tussen twee werelden in, het vóór en het ná, een breuk die uiteindelijk je leven zal structureren (vóór en ná Pietje). De grenssituatie kun je je ook ruimtelijk voorstellen, niet alleen als een individuele overgang in het leven, maar ook als tussenwereld. Daar waar de doden wonen, de frontlinies van een oorlog, of zoals in De pest van Camus, waar de pestepidemie op zichzelf een grenssituatie is, maar de stad in quarantaine ook.

De grenssituatie is zo populair onder existentialistische schrijvers en filosofen omdat je daarin de heilige drie-eenheid van de existentialisten aan het werk ziet: vrijheid, verantwoordelijkheid en keuzes. Uit de grenssituatie kun je alleen ontsnappen door een keuze te maken in vrijheid, zonder je te iets aan te trekken van conventies. De grenssituatie werpt je helemaal terug op jezelf en niemand kan er iets aan doen, behalve jezelf.

Daarom is de grenssituatie natuurlijk ook zo populair in de literatuur, of in elk geval in een vertakking ervan. Als ik kijk naar de geschiedenis van mijn persoonlijke favorieten exploreren ze allemaal het grensgebied:
- van de monsters van Stephen King (een monster is een wezen dat onbegrensd is, het overtreedt gangbare categorieën zoals levend/dood of mens/dier),
- via de fantastische wereld van Edgar Allan Poe (het fantastische is dat waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of het echt gebeurt of niet, voor geen van beide is bewijs te leveren),
- naar de koortswanen van Dostojevski (wat speelt zich af in het hoofd en wat in de buitenwereld - dat is totaal onduidelijk),
- en zelfs mijn allervroegste favoriet: De dolle tweeling-reeks, die zich afspeelt in de wereld van de kostschool, een grensgebied bij uitstek, want het is tegelijk thuis en niet-thuis, school en niet-school, de kinderen zijn vrij van hun ouders maar horig aan de juffen en matrones.

Misschien ben ik nu de literatuur naar het model toe aan het interpreteren. Alles wat krom is valt recht te praten. Want hoe zit het dan met Proust? Ja, die is voortdurend ziek, wat een grenssituatie op zichzelf is. Hij neemt deel aan het leven en toch niet. Vriendin Albertine wordt aan het lijntje gehouden, het is aan en toch uit - de grenssituatie die we allemaal misschien wel het beste kennen (dat, en de dood). En Grunberg, en Houellebecq? Wat is hun grenssituatie dan?

Een andere manier om literatuur te schematiseren (wat altijd verhelderend werkt tot een bepaald punt waarop het belachelijk wordt, zoals hierboven) is het conflict. Er is een hoofdpersoon, die een doel wil bereiken. Er is een ander personage dat dat verhindert: de tegenstrever. Ik vind dit persoonlijk een oersaai schema. Interessant wordt het als je het combineert met de grenssituatie. In plaats van een duidelijke protagonist en antagonist, zoals dat dan heet, zijn beiden verenigd in één en hetzelfde personage. Dáár begint de Echte Literatuur, waar iemand zowel streeft naar een doel als zichzelf van dat doel afhoudt. Zonder precies te weten waarom. Het tragische geïnternaliseerd. Zie Grunberg en Houellebecq.

De weg uit een grenssituatie is de keuze. Net als bij het intern-tragische. Door te kiezen stel je grenzen vast, definieer je categorieën, maak je een eind aan de twijfel. Dat helpt natuurlijk niet als je vecht tegen monsters als Dracula of geesten uit de schemerwereld. Dan moet je handelen. Misschien is kiezen wel hetzelfde als handelen. De keuze als een daad. Niet per se een vrije daad, niet per se een goede of een rationele daad, en misschien wel een tragische daad. Dat laat de literatuur wel zien. The instant of decision is madness, wist Kierkegaard al.

(de afbeelding is het schilderij 'In limbo’ van Odd Nerdrum)



Bookmark and Share
Comments

Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn

tijd
‘Objectieve tijd bestaat niet.’ Professor Maarten van Buuren zet in de eerste lezing in de serie Tijd meteen het publiek op scherp. Tijd bestaat niet als iets buiten de mens, want ‘tijd is een scheppende daad van ons bewustzijn’. Aan de hand van Augustinus, Husserl en Heidegger legt hij uit wat dit betekent voor de manier waarop wij in het leven staan.

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.

Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.

Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.

Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.

Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.

Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.

De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

The willing suspension of disbelief: ik geloof Ger Groot

albatros
A willing suspension of disbelief: een van de eerste theoretische uitspraken die probeert te zeggen hoe literatuur werkt. Samuel Coleridge, dichter en kompaan van William Wordsworth, deed de uitspraak in 1817 en tot op de dag van vandaag krijgt elke letterenstudent hem om de oren geslagen. Eerlijk gezegd heb ik nooit begrepen hoe het precies zat met die willing suspension of disbelief. Of liever gezegd, het leek mij een pertinente onwaarheid die het verdiende om bijgezet te worden in het pantheon van mooi geformuleerde maar verder waardeloze theorieën. Ik zal wel gek zijn, dacht ik dan. Gelukkig weet ik mij na het lezen van Vergeten te bestaan gesteund door Ger Groot, hoogleraar literatuur en filosofie in Nijmegen.

Want het klinkt mooi, maar wat staat er nou? En waar gaat het over? Coleridge wil het grote raadsel van de literatuur beschrijven: hoe komt het dat je als lezer je helemaal kunt verliezen in fictie, in iets wat niet echt is? Niet alleen in het geval van realistische romans - want die bestonden in 1817 nog niet - maar juist in het geval van poëzie en proza over ridders, draken, dromen, herinneringen, geesten en meer van dat soort onrealistische humbug. Wat een lezer doet, zegt Coleridge, is welbewust zijn niet-geloof opzij zetten. Met andere woorden, je pakt een boek, weet dat het niet echt is, dat je er niet in moet geloven, maar voor de duur van het lezen besluit je om dat te negeren. Dan kun je je laten meeslepen door het verhaal.

In mijn ogen is dat een veel te wantrouwige instelling tegenover literatuur. En ook veel te bewust. Om met dat laatste te beginnen: wie pakt er ooit een boek met de woorden, 'zo, en nu suspendeer ik for the time being even mijn ongeloof'. Ik begin vaak sceptisch aan een boek, als ik nog niet eerder iets van de schrijver gelezen heb. Of juist vol verwachtingsvol plezier, als het een boek is waar ik naar uit kijk. Maar ik begin nooit met het opzij zetten van mijn ongeloof in een fictioneel verhaal. Ger Groot schrijft dat fictie- en non-fictieboeken vaak grotendeels op dezelfde manier gelezen worden en daar ben ik het helemaal mee eens. Je wilt er iets uit halen, of dat nu waarheid of werkelijkheid is, en je wilt genieten van de taal waarin dat is uitgedrukt. Het tijdelijk uitschakelen van het niet-geloven klinkt ook nogal denigrerend. Alsof een roman erom smeekt geloofd te worden, terwijl iedereen weet dat ie nep is. Maar vooruit, omdat hij het zo graag wil doen we wel even alsof.

Ik zie het allemaal anders. Ik geloof in fictie, niet omdat ik mijn niet-geloof heb uitgeschakeld - wat een negatief gefundeerd geloof zou betekenen - maar omdat ik geloof in wat die roman mij zegt. Waarom zou je anders lezen? Alleen maar voor het genot, om de dagelijkse werkelijkheid te ontvluchten? Nee, omdat de literatuur een waarheid vertelt die niet op een andere manier verteld kan worden. Daar moet je dan wel in geloven. Dat een dichter (en Coleridge is niet zo maar de eerste de beste!) niet verder kijkt dan het concrete niveau van de fictionaliteit van spoken en draken en dan beweert dat daar een onwaarheid in schuilt, heb ik altijd onbegrijpelijk gevonden. Wil Coleridge met zijn beschrijving van het 'spook' van de albatros dat steeds maar de oude zeeman blijft achtervolgen (uit zijn epische gedicht The Rime Of The Ancient Mariner) dan alleen maar een sprookje vertellen? Nee toch, hij wil een waarheid uitspreken over de mens, over ouder worden, enzovoort enzovoort. Goed, dichters moeten dan misschien ook vooral dichten en niet theoretiseren.

Ger Groot schrijft in Vergeten te bestaan, zijn oratie: 'Ze [de literatuur] heeft de taak op zich genomen de diepste menselijke waarheden tot uitdrukking te brengen, maar kon dat slechts doen door zich van de werkelijkheid los te maken. Fictionaliteit is het zegel van een waarheid die hoger wil zijn dan de onwrikbaarheden van de empirie. De laatste zijn toetsbaar, de eerste niet; maar wanneer het om hun betekenis voor de menselijke existentie gaat, valt het gewicht van de laatste in het niet bij dat van de eerste.'

Zo is het.



Bookmark and Share
Comments

Essay op Humanistisch Verbond punt nl

'Weapon of War won een Gouden Kalf in de categorie beste korte documentaire. Het contrast tussen de rust van de jonge Afrikaanse soldaten en de gruwelijke daden die ze hebben begaan, maakte grote indruk op Miriam Rasch. 'Je zou bijna vergeten dat vergeving een reactie is op iets vreselijks,' schrijft ze in een essay.’

Lees het hele essay over de documentaires Weapon Of War en Pray The Devil Back To Hell op de website van het Humanistisch Verbond: Het beeld van schuld, wroeging en vergeving

'Miriam gaat vaker essays en/of columns schrijven voor onze website.' Belofte maakt schuld, dus nu op zoek naar een nieuw onderwerp!



Bookmark and Share
Comments

The Social Network: 6 keer (geen) tragedie

the_social_network
Is The Social Network een moderne tragedie? De film handelt over de uitvinding van Facebook en de weg naar het grote geld voor Mark Zuckerberg, een weg die geplaveid is met een aantal (mensen)offers, vooral dat van zijn beste vriend Eduardo Saverin. In een aantal recensies (opvallend: vooral in de Vlaamse) wordt de film getypeerd als 21e-eeuwse / Amerikaanse / moderne tragedie. Dat is natuurlijk een uitgesleten uitdrukking die niet zoveel zegt, een cliché dat critici wel vaker van stal halen zonder daar verder echt iets mee te bedoelen. Maar als je de film iets serieuzer benadert als tragedie, vallen toch een aantal interessante zaken op. Vijf redenen waarom The Social Network een tragedie lijkt, en één reden waarom hij dat toch niet is.

1. De fatale vrouw
Hoewel er geen grote vrouwenrollen zijn, draait alles in The Social Network om meisjes. Wat drijft de mannen in hun streven naar de top? Vrouwen. In de eerste scène wordt Zuckerberg gedumpt - de directe aanleiding voor het ontstaan van een website waar tegenwoordig 500 miljoen mensen wereldwijd een profiel hebben. Vrouwen en seks, dat is waar de wereld op draait, aldus Zuckerberg. Hij heeft de pijnlijke les van zijn ex-vriendin heel goed geleerd en omgezet in een gigasucces.

2. De eer
Iets minder geprononceerd in The Social Network is ander klassiek tragisch motief: de eer. De film wordt verteld via twee rechtszaken die tegen Mark Zuckerberg zijn aangespannen. Uiteraard gaat het daarin om geld, een stukje van de taart. De achterliggende drijfveer, dat wat alles in beweging zet, is echter eer. De gebroeders Winklevoss klagen Zuckerberg aan omdat hij hun idee zou hebben gestolen. Wanneer besluiten ze om naar de rechter te stappen om hun gelijk te halen? Nadat ze een belangrijke roeiwedstrijd verliezen, van - kan het meer onterend - 'the Dutchies'. (Terwijl het eerder onterend werd gevonden om als Harvard man je gelijk bij de rechter te bevechten.) En dan die rare vriendschap tussen Zuckerberg en Saverin die gedoemd is kapot te gaan. 'Is het omdat ik werd toegelaten tot de Phoenix-club en jij niet?' vraagt Saverin aan zijn voormalige boezemvriend. Hoe kinderachtig het ook is, hoe onbelangrijk zo’n clubje ook klinkt, de wereld draait op dit soort trivialiteiten. De sociale vorm van het butterfly-effect is de rode draad in deze film. Excellent.

3. De dunne scheidslijn tussen mannenvriendschap en rivaliteit
Zie 2. De eer.

4. Toeval
Alle bovenstaande redenen zijn samen te vatten onder de noemer 'toeval', beter: 'onvermijdelijk toeval'. Dat is weer een andere, seculiere manier om te zeggen: noodlot. Klinkt paradoxaal, onvermijdelijk toeval. Iets wat onvermijdelijk is, is geen toeval toch? Misschien niet. Het onvermijdelijke kiest een toevallige vorm om zich te manifesteren. Neem het meisje bij wie Sean Parker, latere zakenpartner van Zuckerberg, voor het eerst hoort over Facebook. (Overigens: weer een meisje dat richting geeft aan het streven van een man.) Dat meisje is totaal onbelangrijk, wie zij is, is toevallig. Maar dat Parker in contact moest komen met Facebook, is onvermijdelijk. Het hele verhaal van The Social Network is op deze manier te ontleden.

5. De held
Dat Zuckerberg uit die berg toevalligheden de juiste kansen weet te pikken, maakt van hem een held. Een van de interessantste dingen van de film vond ik de manier waarop de geest van Zuckerberg wordt verbeeld. Je leert niets over zijn gevoelsleven of zijn innerlijke gedachten, je zult het moeten doen met wat hij hardop zegt. (Wat een opluchting om eens niet lastig te worden gevallen door een voice-over.) Uit wat hij zegt en ook hóe hij het zegt blijkt de werking van een bijzondere geest. Merkwaardige associaties en gedachtensprongen, afgevuurd in een razendsnel tempo. Hij heeft een scherp oog voor kansen, hij herkent in het toevallige het onvermijdelijke. Voortdurend vertaalt hij individuele hang-ups naar algemene concepten. Briljant. De hele film vertrekt uit de juridische vraag of hij nu wel of niet het Facebook zelf bedacht heeft. Maar uiteindelijk gaat het erom dat hij Facebook herkend heeft als the next big thing.

6. Geen ondergang
Toch is The Social Network geen tragedie en Zuckerberg geen tragische held. Een tragische held creëert met zijn scherpe geest, gedreven door vrouwen of eer geen miljardenbedrijf, maar zijn eigen ondergang. Hij maakt met de beste bedoelingen krachten los die hij niet kan beheersen en die hem zullen doden of krankzinnig maken. Denk maar aan Oedipus, of Romeo en Julia. Goed, Zuckerberg verliest zijn beste vriend, maar hij krijgt er een nieuwe voor terug. Hij verlangt nog steeds naar het meisje dat hem (terecht) aan de kant heeft gezet, zonder hoop dat zij het verlangen ooit zal beantwoorden. Maar dat is nou niet echt genoeg om van een tragisch einde te spreken. Het verhaal ís natuurlijk ook nog lang niet geëindigd. Zuckerberg heeft naar het schijnt gezegd dat hij het jammer vindt dat er een film over hem is gemaakt terwijl hij nog leeft. Dat kan ik me van hem voorstellen. Voor de kijker is juist het feit dat deze film een verhaal vertelt dat in werkelijkheid zich nog aan het ontvouwen is, fascinerend en buitengewoon post-post-postmodern.



Bookmark and Share
Comments

Armando wint VSB-prijs: 'radicale somberte'

'Op Armando!'
'Op de wanhoop!'

Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.

Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando 'radicale somberte'. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht 'Een galg', dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.

Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.


Het ijkpunt van Armando - zegt men steevast - blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek. 

armando_waldrand
Dat deed me terugdenken aan een aantal schilderijen die ik van hem zag op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, samengesteld door Koningin Beatrix. Grote doeken, geen kleur, alleen wit en zwart. Ik houd van grote zwarte vlakken (zoals bij de Van Doesburgh die ik jarenlang als muurschildering had). Je kunt erin verdrinken, ze benemen je de adem. Je eigen lijden is dan opeens nietig, onbetekenend. Dat is de reden dat kunst in het teken van het lijden zo mooi en noodzakelijk kan zijn: het heft je eigen lijden op in het zicht van de absolute somberte. Ik vond de schilderijen haast letterlijk verpletterend, die intense zwartheid - zowel van vorm als inhoud. Misschien niet de meest subtiele kunst, maar wel effectief. Ik hou van effect, dat moet gezegd worden.(Heuglijk nieuws dus dat het Armando Museum dat zo noodlottig getroffen werd door brand, misschien naar Utrecht komt!)

Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.

Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over 'radicale somberheid' om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom - vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het 'dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,' zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.

'Ik kan niks,' verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da's dus niet waar en niet raar. Armando besloot: 'Nogmaals: neem me niet kwalijk.' Doen we niet.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.




Bookmark and Share
Comments

Kierkegaard - Brieven: plan, geheim en misverstand

kierkegaard_brieven
'Niets brengt een mens zo tot ontwikkeling als het vasthouden aan een plan, tegen de hele wereld in. Zelfs als het iets slechts zou zijn, dan nog zou het een mens in hoge mate ontwikkelen.'

Søren Kierkegaard, Brieven, 31 oktober 1841

De opgave om een plan te trekken in het leven, een idee ten uitvoer te brengen, vasthoudend te zijn, komt in zoveel teksten terug, dat het haast wel waar moet zijn. Zo ook bij Kierkegaard, van wie ik de Nederlandse bloemlezing uit zijn Brieven lees. Tegelijk verklaart hij zich in deze brieven ook schatplichtig aan het misverstand. Nu zijn misverstanden inherent aan het brievenschrijven. Net als bij sms en e-mail gaat er in een papieren vriendschap nuance verloren. Brieven raken zoek of worden juist te haastig verstuurd zonder ze nog eens over te lezen.

Maar het misverstand betekent bij Kierkegaard meer. Het is een fundamentele gesteldheid van het menselijk verkeer - en in die zin besteedde ik er een flink deel aan van mijn afstudeeronderzoek voor de master Wijsbegeerte. Op zoek naar wat ik daar toentertijd ook alweer over beweerde, stuitte ik in mijn digitale bureaula op de introductie die ik schreef voor de verdediging van mijn scriptie. Omdat ik verbaasd was hoezeer die woorden uit 2005 nog steeds voor mij opgaan (want het is niet alleen een samenvatting van mijn onderzoek, maar ook van mijn levensovertuiging), en dus blijkbaar een plan vormen waar ik mij aan vasthoud (goed dan wel slecht), wat weer bovenstaand citaat illustreert - daarom hieronder een letterlijke kopie.

--

Het probleem dat ten grondslag ligt aan mijn onderzoek is de vraag hoe we kunnen begrijpen dat de mens vrij is, terwijl hij toch ook gebukt gaat onder de dingen die hem in de werkelijkheid, buiten zijn wil en buiten zijn macht om overkomen. Dit probleem is tevens het kernpunt van de tekst ‘Weerspiegeling’ uit Of/Of van Søren Kierkegaard. In dit stuk gaat het om het ‘ware tragische’. En dat is volgens Kierkegaard precies de samenkomst in de mens van vrijheid of subjectiviteit en gebondenheid, determinatie door de feitelijke werkelijkheid.
In de tekst wordt dit uitgewerkt aan de hand van de menselijke verhoudingen: het blijkt dat deze dubbelheid van de menselijke conditie pas echt problematisch wordt in de omgang met de ander. Het is een kennisprobleem: ik kan mezelf niet volledig doorgronden vanwege de duistere inwerking van de werkelijkheid op mijn leven. Daardoor kan ik ook niet de ander kennen, of uitleg geven aan de ander over mijn leven.

Kierkegaard symboliseert dit door ‘het geheim’. Het geheim is een concrete uitwerking van de kloof tussen mijn subjectiviteit, mijn idealiteit, iets wat helemaal van mij is, en de werkelijkheid van de andere mens die hier geen kennis van heeft. Maar een geheim is niet alleen iets van mijzelf: het wordt me gegeven door een ander ofwel de noodzaak tot geheimhouding wordt ingegeven door de ander, door de reacties van anderen. Het geheim is niet altijd een gegeven dat ikzelf wel ken en begrijp – het kan ook iets in mezelf zijn dat voor mezelf verborgen blijft, juist omdat het zo met de ander verbonden is. Dat helpt natuurlijk niet bij de omgang, want als ik mezelf niet volledig doorschouw, kan de ander het ook niet. Ik kán mezelf niet aan de ander openbaren.

Het misverstand is dan ook structureel in de relaties tussen mensen. Overigens wordt dat niet alleen maar als vervelend beschouwd, maar zelfs als wenselijk. Later zal duidelijk worden waarom.

Om dat echter te kunnen begrijpen was het nodig ook andere teksten van Kierkegaard in mijn onderzoek te betrekken. Uiteindelijk volg ik hem door de ethische levensfase en de religieuze levensfase heen om meer licht op dit punt te laten schijnen. Het blijkt mogelijk om een soort ‘oplossing’ te formuleren. Het geheim blijft een grote rol spelen, maar verandert van gedaante. Het is niet meer alleen op te vatten als een concreet feit dat ik verborgen houd voor de mensen om me heen, maar als iets fundamenteel menselijks. Het geheim, of misschien eerder het heimelijke, dat ook voor mezelf een geheim is en blijft, representeert dan ‘het andere’. In het religieuze verbindt Kierkegaard het andere aan de goddelijke oorsprong, maar we kunnen het ook op een seculiere manier begrijpen. Wat de gang door de andere teksten duidelijk heeft gemaakt is dat het tragische niet zozeer gelegen is in de kloof tussen mijzelf en de ander, de kloof die ontstaat omdat de ander mij niet zou kunnen begrijpen en ik een geheim voor hem bewaar.

Het tragische misverstand is precies de overtuiging dat ik als enige een geheim heb dat ondeelbaar is. ‘Het andere’ in de algemene zin is namelijk iets dat alle mensen delen. Ieder mens, kunnen we zeggen, is op een volstrekt eigen manier volstrekt anders – maar in het feit dat dat geldt voor ieder mens ligt toch een gemeenschappelijkheid besloten. Hoewel de tragische kloof tussen mijn subjectiviteit en de werkelijkheid, tussen mij en de ander, tussen de vrijheid en de gegevenheid dus zeker bestaat, betekent dat niet dat een gedeeld beleven daarvan onmogelijk is.

En daarin ligt denk ik een zinvolle manier om met dit probleem om te gaan. Het geheime of andere – dat dus in verband staat met het passief gebukt gaan onder gebeurtenissen die ons overkomen – is niet alleen maar iets negatiefs, maar bezit een openheid naar de andere mensen, en ook een zekere schoonheid. Bovendien is heeft het een oneindigheid, omdat het heimelijke karakter van het andere nooit onthuld kán worden, de sluiers kunnen nooit opgelicht worden. Het is daarom niet alleen zonde maar ook onzinnig om te streven naar een opheffing van die passieve lijdelijkheid.



Bookmark and Share
Comments

Elif Batuman - De bezetenen. Avonturen met de Russische literatuur en haar lezers

batuman
Dit weekend is de Amerikaanse schrijfster Elif Batuman in Nederland, te gast op het Winternachten festival. Het is alweer een paar maanden geleden dat ik haar boek De bezetenen las (ondertitel Avonturen met de Russische literatuur en haar lezers). Een merkwaardig boek, dat vooral interessant is waar het tekortschiet. Nee, dat is te hard gezegd. Het is interessant op te veel verschillende manieren, waardoor het als geheel tekortschiet.

Batuman schrijft over haar favoriete Russische auteurs en vooral ook over zichzelf. De ondertitel had beter kunnen luiden Avonturen met de Russische literatuur en Elif Batuman als lezer daarvan. Daar houd ik van: persoonlijke literatuurkritiek. Wat doet een boek met mij als persoon, hoe werkt het door in mijn leven? En hoe lees ik vanuit mijn persoonlijke leven een boek? Het grote probleem bij zulke kritiek is meteen duidelijk, want die verzandt al snel in persoonlijke meninkjes en anekdotes die voor anderen niet boeiend zijn. Batuman houdt redelijk haar evenwicht, maar dreigt soms wel hopeloos onderuit te tuimelen.

Haar sterke kant is humor. Ze vertelt over haar tijd als promovendus aan Stanford, hoe ze min of meer toevallig de Russische letterkunde inrolt en in aanraking komt met de meesterwerken van onder anderen Babel en Tolstoj. Haar analyses van die werken zijn sterk en intelligent, en de manier waarop ze ze brengt is onderhoudend en origineel. Ze vertelt over gesprekken die ze heeft met medestudenten, docenten en andere onderzoekers, waaruit dan bijna organisch interpretaties voortkomen. Haar zelfrelativering is verfrissend.

Ook de literatuur zelf ontsnapt niet aan relativering, of eigenlijk vooral de academische wereld die eromheen bestaat. De nazaten van Isaak Babel, die op een congres in Stanford over zijn werk komen opdraven, zijn te belachelijk voor woorden. In de grappige passages over die oude dametjes die zelf werkelijk niets te melden hebben, blijft de grootheid van Babel overeind en krijgt de universitaire wereld met haar heldenverering een flinke knauw. Een ander hilarisch stuk betreft een symposium op het beroemde landgoed Jasnaja Poljana van Tolstoj, waar mompelende wetenschappers in slecht Engels totaal irrelevante onzin verkondigen over de Grote Schrijver. En ook Batuman zelf doet er aan mee, met haar paper over de hypothese dat Tolstoj vermoord werd. Je gaat bijna verlangen naar bezuinigingen in het hoger onderwijs bij al die verspilling van tijd en geld. Batuman profiteert met open vizier van alle projectjes en reisbeurzen die op haar pad komen. Innemend, maar ook een beetje ergerlijk.

Af en toe slaat die zelfrelativering door, vreemd genoeg naar twee kanten. Batuman doet zichzelf te kort door zich steeds weg te zetten als iemand die overal maar inrolt zonder dat echt te verdienen. De stukken die ze schrijft over de negentiende-eeuwse Russen zijn scherpzinnig en aansprekend. Ze weet daarin perfect de balans te houden tussen het persoonlijke en het algemene: waarom zijn deze boeken belangrijk en waarom zijn ze voor mij als mens belangrijk? Ze mag zichzelf best wat meer credits geven.

Daartegenover staan de drie lange hoofdstukken 'Zomer in Samarkand', over haar reis naar Centraal-Azië waar ze Oezbeeks gaat bestuderen. De balans slaat bijna helemaal door naar het hyperindividuele. In een combinatie van reisverhaal (sowieso al niet mijn favoriete genre zal ik eerlijk bekennen), liefdesroman, Oezbeekse geschiedenis en iets wat bedoeld is als een Samarkandse comédie humaine draaft ze bladzijden lang door tot je het gevoel hebt bijna te verdrinken in dezelfde verveling en luchtdichtheid die ze steeds weer beschrijft. Hoogst oninteressant vergeleken bij de absurde gesprekken op conferenties en vertellingen over het tsaristische Rusland die de andere hoofdstukken bieden.

Die hoofdstukken maken van De bezetenen (wat natuurlijk verwijst naar Dostojevski) toch een aanrader voor iedereen die houdt van de Russische literatuur (en wie dat niet doet is gek). Hieronder een citaat waarin de bijzondere combinatie van belezenheid en intelligentie, humor en ernst van Elif Batuman naar voren komt. De schrijver Tredjakovski is de risee van het Russische literaire wereldje en krijgt zelfs regelmatig een pak slaag, gewoon omdat hij belachelijk is:

'Tredjakovski heeft naar men zegt precies honderd boeken geschreven, allemaal zo saai dat je er niet goed van wordt. "Op het lied 'Vaarwel mijn schat' heb ik een kritiek van twaalf delen geschreven, in folio," merkt een op Tredjakovski geïnspireerde figuur in een komedie uit 1750 op. (…) Achteraf gezien hadden de klappen die Tredjakovski opliep een tragisch en profetisch karakter. Om de twintigste-eeuwse dichter Chodasevitsj te citeren: "Op die vooravond van de maskerade, toen Volynski Tredjakovski mishandelde, begon de geschiedenis van de Russische literatuur […], de geschiedenis van de vernietiging van de Russische schrijvers."'

Mooi.



Bookmark and Share
Comments

Georg Simmel - Metropolis. Leven in de grootstad

metropolis
Nadat mijn Heidegger-leesclub een vroege dood gestorven was, diende zich gelukkig al snel een ander gezelschap aan. Vorige week kwamen we voor het eerst bij elkaar. Het is geen leesclub rond één schrijver of filosoof, maar rond een thema: de stad. Het eerste wat we hebben gelezen: Metropolis (1903) van Georg Simmel (voor teksten zie hier).

Ik had nog nooit van de beste man gehoord. Reden temeer om hier een kort stukje over hem te schrijven. Simmel was een Duitse filosoof uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Nietzsche- en Kantkenner en een van de grondleggers van de sociologie. Metropolis geldt dan ook als verplichte kost voor sociologiestudenten. Simmel is een observator, een fenomenoloog avant la lettre. Zoals in Metropolis, waarin hij het leven in de grote stad beschrijft zonder daarbij van tevoren een waardering uit te spreken of een richting te kiezen. Daardoor is het stuk soms wat verwarrend: positieve en negatieve kwalificaties wisselen elkaar af, zonder dat Simmel daarin positie kiest. We moeten ook niet oordelen, maar begrijpen, zo eindigt Simmel het stuk.

Hoe leven mensen dan in de grootstad? En hoe leven ze met elkaar? Beschrijvingen van de individuele beleving en van de grote, maatschappelijke structuren wisselen elkaar af. Ze illustreren en verhelderen elkaar, als in een hermeneutische cirkel waarin het deel iets zegt over het geheel en het geheel over het deel. Zoals het een negentiende-eeuwse socioloog betaamt dus. Maar ook inhoudelijk blijkt de verhouding tussen deel en geheel, tussen individu en maatschappij de kern van het betoog te vormen. In de grote stad ben je één van velen. Op het platteland één van weinigen. Op het platteland kent iedereen je, zonder dat je daar moeite voor hoeft te doen. Sterker nog: je mag je niet onderscheiden, want daarmee val je buiten de groep. In de stad heb je juist een plicht om op te vallen.

Wat ik aardig vond aan Simmels stuk is de passage over specialisatie. We kennen allemaal het schrikbeeld van de marxistische vervreemding. Alle arbeiders verrichten nog maar zo'n klein, gespecialiseerd deeltje van het totale werkproces, dat ze totaal vervreemd raken van het geheel, van het eindproduct. Maar bij Simmel leidt specialisatie leidt niet per se of niet alleen tot vervreemding, maar ook tot individualiteit. Je moet je door specialisatie onderscheiden van alle anderen die hetzelfde kunnen als jij. Iets vinden wat alleen jij kunt aanbieden. Oftwel, op z'n eenentwintigste-eeuws: een unique selling point.

Simmel beschrijft een opeenvolging van stadia, die ook toepasbaar zijn op de ontwikkeling van de mensheid als geheel (opnieuw deel en geheel dus). Allereerst zijn er de kleine gemeenschappen waarin iedereen een vaste rol heeft, die op een hiërarchische manier geordend zijn. Hoe hoger in de hiërarchie je staat, hoe meer vrijheid je hebt. De minst vrije mens, bijvoorbeeld een kind, leeft in de kleinste, beperkte wereld (het gezin). Mannen (natuurlijk mannen) die in de geschiedenis iets groots hebben verricht, stonden allemaal juist in een veel groter, omspannend netwerk, bijvoorbeeld op staatsniveau.

Die kleine gemeenschappen bewegen in de richting van meer gelijkheid en nivellering van de hiërarchie. Het was het ideaal van de Franse Revolutie. De ideale mens was de algemene mens, weliswaar vrij, maar niet onderscheidend. Dat komt pas met de Romantiek. Dan wordt individualiteit het hoogste goed. Op zoek naar je unieke ik, de allerindividueelste emotie en gedachte.

De metropolis, zegt Simmel, is de plek waar deze verschillende tendensen tegen elkaar strijden. Met die aantekening dat de individualisering dus de sterkste tendens lijkt te zijn in de grootstad. Een beetje abstract wordt het dan. Maar de beweging richting vrijheid en individualisering die hij beschrijft, waarbij je een steeds groter verband moet opzoeken (oftewel uit de kleinere verbanden moet breken), vind ik een mooie.

Volgende keer gaan we Aantekeningen uit het ondergrondse van Dostojevski lezen. Uiteraard mijn keuze en uiteraard komt er dan ook hier iets over te lezen.



Bookmark and Share
Comments

Experiment: laat iemand aan jou een gedicht voorlezen

voorlezen
Wil je eens een ander soort gesprek met iemand voeren? Of überhaupt iemand aan het praten krijgen? Laat diegene een gedicht voorlezen. Maakt niet uit wat voor gedicht, van wie of waarover. Boeit niet of je het snapt of mooi vindt. Alleen al de handeling van het voorlezen en voorgelezen worden schept de atmosfeer voor een anders dan anders-gesprek.

Daar kwam ik achter toen ik bij zes hoogleraren langsging om gedichten op te nemen om te gebruiken op het Huis van de Poëzie. Dat leverde een paar bijzondere, ik zou bijna zeggen, intieme momenten op. Hoe werkt dat en werkt het bij iedereen? Ik denk dat het werkt op een vergelijkbare manier als het schrijven van Ik herinner me... dat daadwerkelijk herinneringen tot leven brengt of het formuleren van een goed voornemen, dat voorwaarde is voor het uitvoeren van dat voornemen.

Heel sec: als je een gedicht voorleest, praat je hardop tegen iemand en bezig je een bijzondere taal, met metaforen, rijmwoorden, enjambementen en wat dies meer zij. Je spreekt bedachtzaam, met nadruk op bepaalde woorden of juist niet, met een aarzeling aan het eind van de regel, met verschillende toonhoogtes. Kort gezegd: met aandacht voor wat je zegt en met aandacht voor degene die luistert.

Diegene die luistert is de andere helft van de vergelijking, zoals de Engelsen mooi zeggen. (De Engelsen zeggen wel heel lelijk 'read aloud'. Dat maakt het vóórlezen nog veel rijker aan betekenis.) De luisteraar stelt zich open, luistert naar de ander, probeert chocola te maken van wat hij hoort. Je droomt een beetje weg, fixeert je blik op de boekenkast of de hoek van het plafond. Je hoort opeens echt de stem van de voorlezer. En je hoort hoe hij bedachtzaam spreekt, waar de nadruk komt te liggen, hoe hij misschien aarzelt zonder dat dat de bedoeling was, zich bijna verspreekt en ondertussen het gedicht recht probeert te doen.

Dan is het gedicht voorbij. Een minuut later valt er een stilte. Misschien is die een moment ongemakkelijk - je zit daar met z'n tweeën na een handeling die niet geheel alledaags is (dit is dus ook heel anders dan een literaire avond waar dichters hun teksten via de microfoon een slecht verlichte zaal in sturen). En dan, dan komen de mooie gesprekken opeens, zonder verdere aanloop of loos gekwebbel. Door de speciale aandacht die het gedicht al heeft losgemaakt voor praten, luisteren, de taal en de betekenis. Dat is iets wat alleen het gedicht doet. Ik heb nog gedacht dat het misschien ook met muziek zou werken of met een prozatekst, maar dat denk ik niet. (Dat zal vast ook iets doen, maar weer iets anders dan anders.)

Blijft de vraag over: werkt het bij iedereen? Dat weet ik niet. De hoogleraren vormen niet echt een representatieve groep en het aantal is te laag om er iets algemeens over te zeggen. Een empirisch onderzoekje naar deze werking lijkt me wel interessant. Dus ik zou zeggen: neem de proef op de som en vraag iemand een gedicht voor te lezen. Dit bijvoorbeeld.



Bookmark and Share
Comments

Max Blecher - Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid

Blecher
'Een herontdekt meesterwerk!': een marketingslogan die wel heel vaak op nieuwe uitgaven wordt geplakt, meestal familieromans uit het vooroorlogse Midden- of Oost-Europa. Soms is die kwalificatie geheel op zijn plaats. Zoals met Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid uit 1936, geschreven door de Roemeens-joodse Max Blecher en nu in een vertaling van Jan Mysjkin, verschenen in de serie L.J. Veen Klassiek.

Lees verder op 8WEEKLY: Van de schoonheid en de afgrond



Bookmark and Share
Comments

Het echte leven? Een spelletje

spelletje
Hoe vaak zeggen mensen na de vakantie niet: 'Zo. En nu weer terug naar het echte leven.' Ik moet zeggen dat ik me er ook wel eens schuldig aan heb gemaakt. Het is een uitdrukking die behoort tot het standaardarsenaal van elke kantoorklerk. En standaarduitdrukkingen moet je altijd wantrouwend tegemoet treden. Is het als je erover nadenkt niet een heel gek onderscheid? Waarom zou werken het echte leven zijn en vakantie dus onecht, een nepleven?

Beeldende kunst, merkkleding, bekende persoonlijkheden: in de meeste gevallen is het 'echte' schaars en de overvloed nep, namaak. En juist bij het leven zou dat niet zo zijn? In die gevallen gaat het misschien vooral om producten en niet om processen. Echte kunst, echte Louis Vuitton, een echt, authentiek karakter: dat is een andere vorm van echtheid dan van het zogenaamde 'echte leven'. Vaak genoeg zeg je ook als de tent eenmaal staat op de camping in Frankrijk of op de weide van Lowlands: 'Dit is pas het echte leven!' Verwarrend blijkbaar, die echtheid.

Soms, zeker na de vakantie, kijk ik naar mijn eigen leven alsof het een dom spelletje is waar iedereen aan meedoet. Dat is zeker niet het echte leven, niemand is zichzelf, het klerkenlijf lijkt niet meer te passen. Kijk naar die gespeelde ernst! Terwijl je achter alle grimassen onverschilligheid vermoedt. Zo'n onthechte staat maakt je pas écht ernstig. Werken is nep, denk je dan, namaak, imitatie, rollenspel. Het echte leven lijkt verder weg dan een dag of twee terug het verleden in.

Het kan beangstigend zijn om je zo los te koppelen. Voor je het weet ben je ook ontkoppeld van jezelf. Wie is die blonde actrice die zo slecht doet alsof ze mij is? Ben ik in een parallel universum beland? Het duizelt, alsof je de steentjes onder je voeten weg voelt schieten, wandelend langs de existentiële afgrond. Wacht eens, had Sartre het ook niet over het toneelspel van de conventies, de ober die een rol speelt áls ober, de verliefde jongeman die verliefd speelt en zijn object die haar preutse rol tot in de puntjes beheerst? Zij zijn ter kwader trouw en dus juist ónecht, niet authentiek. Het leven als een spel is de keerzijde van het echte leven.

Wacht, spelletjes zijn toch leuk? Als het leven een spel is, moet het daar dan niet juist leuker van worden en niet ellendiger? Zo lijkt het alsof het spel alleen maar negatief gedefinieerd is, als iets vals dat een afschaduwing is van het echte ideaal. Zoals een nep-Guccizonnebril van een echt exemplaar. Bijna als de schaduwen in Plato's grot. Niet nodig. Het leven als een spel kan ook een neutrale beschrijving zijn, of zelfs iets positiefs.

Daar wilde ik meer over weten, maar het is een moeilijk gebied om je even in te verdiepen. Voor je het weet zit je tot in je nek in filosofen als Heidegger en Wittgenstein. In deze digitale era is het wel de moeite waard. Wie een goed boek weet over de verschillende filosofische kanten van het spel, laat het me weten. Wat alvast opvalt is dat alle definities van spel ook van toepassing zijn op het leven:

Het spel:
- is doelgericht - dat is het leven ook, we leven allemaal naar het einde toe;
- gaat volgens bepaalde regels - ook ons leven is vergeven van regels, die niet los staan van ons bestaan, maar daarin vanaf het begin zijn geïntegreerd, als in het pre-menselijke stadium;
- draait om beslissingen nemen - zelfs als je niet kiest, is dat een keuze (mijn motto);
- is interactief - alles in het leven draait om je verhouding met de ander, ook met jezelf;
- gaat om een raadsel dat moet worden opgelost of heeft de vorm van een conflict - het raadsel oplossen heeft te maken met je eigen ontwikkeling, het conflict met de interactiviteit;
- en natuurlijk is er de lol die je eraan wilt beleven, gecombineerd met de ernst waarmee het spel vaak gespeeld wordt.

Wikipedia vertelt verder dat Ludwig Wittgenstein zich weliswaar als eerste filosoof met het spel bezighield, maar er op uitkwam dat een definitie geven onmogelijk is. Zoveel verschillende activiteiten dragen kenmerken van het spel en noemen we ook spel, dat je spel eigenlijk niet kunt afbakenen. Dat is alvast een goede aanwijzing dat 'spel' dus ook gebruikt kan worden om het leven te beschrijven, zonder het meteen te veroordelen. Maar verder zegt het dus niets... Eerder had ik het al over grenzen die geslecht worden tussen dieren en mensen, nature en nurture. Is dit weer een grens om neer te halen? Wordt het allemaal niet te deconstructivistisch op die manier? Is dat niet uit de tijd?

Een citaat om mee af te sluiten. Stephen Linhart: 'Mensen zeggen dat je moet kiezen tussen spelen of het echte leven. Ik denk dat de claim dat er een scheiding tussen die twee is erg gevaarlijk is.' Gevaarlijk spel, dat is misschien wel het echte leven. Voor die andere vorm van het echte leven (op de camping) gebruik je gewoon lekker bijdetijds 'du leven'. En het werken? Dat moet je niet mooier of lelijker maken dan het is. Dat is gewoon. Leven.



Bookmark and Share
Comments

Hoe goed goede voornemens werken

superwoman
Het zal wel niet meer mogen, goede voornemens formuleren. Vorig jaar beschreef ik er twee: minder koffie drinken en meer herlezen. Dat eerste is gelukt. Ik vrees echter dat ik in 2010 welgeteld één (1) boek herlezen heb. Niet het minste: The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Ik heb er niet eens iets over geschreven, dus nu is ook het herleesmoment alweer weggezakt in mijn geheugen. Vooral de deprimerende stemming van het boek is me bijgebleven, het was veel zwarter dan ik me herinnerde.

Zoals het schrijven gedachten voortbrengt die zonder het schrijven nooit waren geboren, zo is soms ook het formuleren van een goed voornemen nodig om het uit te kunnen laten komen. De eerste voorwaarde voor het ontstaan van iets nieuws - een gedachte of een verandering in gedrag - is de explicitering, zo lijkt het. Precies zoals oud papier zichzelf niet wegbrengt, maar vraagt om iemand die opstaat en het gewoon doet. Of zoals je mailbox immer leeg blijft als je zelf nooit een mailtje stuurt en niemand je zal volgen op Twitter als je nooit twittert.

Natuurlijk ken ik ook genoeg mensen die het allemaal maar onzin vinden. Waarom zou je alleen op 1 januari beginnen met goede voornemens? Dat zijn dezelfde mensen die vinden dat Valentijnsdag stom is omdat je het hele jaar je geliefde moet verwennen en Kerst omdat je dan verplicht gezellig moet doen met je familie. Gek genoeg zijn dit ook meestal de mensen die hun geliefde eigenlijk nooit verwennen en meestal best ongezellig zijn en nooit op familiebezoek gaan. Want de reden dat je op 1 januari (of 8 januari) begint met goede voornemens is juist dat je het de rest van het jaar níet doet. 1 januari is in feite ook een soort explicitering, een voorwaarde die nodig is om überhaupt iets te laten gebeuren.

Nu zal ik iets verklappen aan hen die tot zover hebben gelezen: ik had eigenlijk een heel ander goed voornemen vorig jaar, dat ik willens en wetens heb verzwegen. Waarom? Omdat het gênant zou zijn als het niets werd en toch voorgoed op Google bleef rondzwerven. Maar aangezien het voornemen een beetje gelukt is wil ik het nu, een jaar later, wel vertellen. Mijn voornemen was om het schrijven op de een of andere manier professioneler te maken. Het werd de andere manier, want in plaats van mezelf af te beulen zonder te weten waarvoor, heb ik (al eind januari 2010) voor Studium Generale een nieuwsblog opgezet, zodat ik binnen mijn bestaande baan meer en professioneel kon gaan schrijven. Best slim van mezelf, al zeg ik het zelf. En het is een succes gebleken: niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor Studium Generale als organisatie.

Uiteindelijk heb ik mezelf ook afgebeuld buiten werktijd. Dit blog onderging een subtiele gedachtewisseling (zie Jarig weblog: op naar de volgende twee jaar), wat ook zijn vruchten heeft afgeworpen. De unieke bezoekers verdubbelden (dank!) en ik krijg veel leuke en diepgaande reacties. De Groene Amsterdammer publiceerde een recensie van mijn hand en betaalde daarvoor (ook wel eens leuk). Dit jaar ga ik aan het International People's College in Helsingør een workshop geven voor de summerschool. Het voert te ver om te zeggen dat dit allemaal voortkomt uit een goed voornemen op 1 januari, maar zonder de expliciete beslissing om iets voor elkaar te krijgen, was er helemaal niets gebeurd. (Overigens heb ik ruimschoots tijd en zin om mezelf af te beulen, dus laat het horen als je me ergens voor nodig hebt.)

Was is dan mijn goede voornemen voor 2011? Het herlezen laat ik zitten. Nu wil ik weer meer klassiekers lezen - iets wat ik voorheen erg veel deed, maar de laatste tijd heb laten verslappen. Terwijl een klassieker bijna altijd zijn reputatie waarmaakt. Gelukkig zette ik het afgelopen jaar een essayreeks op voor 8WEEKLY over klassiekers, waar ik nog steeds zelf een bijdrage voor moet schrijven. Dat is er dan alvast één (1).

U raadt het al: mijn echte voornemens blijven nog even geheim. Vooruit dan, nog één laatste: Tante Lien worden. Check hieronder why.




Bookmark and Share
Comments

Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken

swaab
In de kerstvakantie las ik drie boeken tegelijk. Dat is niet zo uitzonderlijk, maar de drie pasten wonderwel bij elkaar. De ene was Een tijd voor empathie van Frans de Waal, de andere Wij zijn ons brein van Dick Swaab en ten slotte Niets cadeau van Gerard Visser, waar ik al eerder over berichtte. De eerste twee las ik voor het werk - beide hoogleraren komen bij Studium Generale spreken - de laatste uit belangstelling voor een van 'de beste boeken van 2010' (eigenlijk verschenen in 2009). Gedurende mijn lectuur viel me echter op dat de drie eigenlijk rond dezelfde vraag cirkelen. Wat is de mens?

Wij zijn ons brein beschrijft de mens aan de hand van de hersenen. Swaab laat geen twijfel bestaan over zijn definitie van de mens. De inleiding opent: 'Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen. De bouw van deze fantastische machine bepaalt onze mogelijkheden, onze beperkingen en ons karakter; wij zijn onze hersenen.' Prima, denk je, daar valt niet aan te ontsnappen. Ook als ik iets voel - zeg, een gebroken hart - dan kan ik dat wel ergens in mijn borstkas lokaliseren, maar het voelen, de registratie van de geprikkelde zenuwen en de lokalisatie daarvan in de hartstreek, speelt zich allemaal in de hersenen af.

Zijn de hersenen, en is dus de mens die zijn hersenen is, daarmee ook een machine? Dat woord staat daar niet toevallig maar verwijst naar een van de hevigste discussies uit de filosofie, namelijk over lichaam en geest. Descartes zag het lichaam als een machine, bezield door de geest. Als de geest zoals Swaab beschrijft volledig is terug te voeren op het lichaam, maakt dat van de mens als geheel dan ook een machine? Maar kan een machine mogelijkheden voortbrengen? Is een mogelijkheid niet het tegendeel van iets mechanisch?

Dieren zouden volgens Descartes ook machines zijn. Frans de Waal beschrijft de mens vanuit zijn onderzoek naar dieren. Het gaat hem in Een tijd voor empathie om de biologische oorsprong van uitingen van hulp, troost, altruïsme en empathie. Ik zeg maar heel neutraal 'uitingen' want ook bij hem gaat het om lichamelijke reacties en niet om iets ondefinieerbaars als 'gevoelens'. Die lichamelijke reacties zijn in de evolutie voorgeprogrammeerd, zoals het brein dat ook is. Maar waar ligt de scheidslijn tussen een uiting en een gevoel? Ik vind het mooi dat De Waal het niet schuwt om te spreken over gevoelens bij dieren als hij vele ontroerende anekdotes opdist, bijvoorbeeld over een alfa-aap die een eendengezinnetje uit het water redt.

De mogelijkheden krijgen bij De Waal meer ruimte. Als we beschikken over de juiste informatie, kunnen we daar gebruik van maken, zegt hij. Door de nadruk te leggen op de empathische vermogens die we van nature hebben, die ontwikkeld zijn gedurende miljoenen jaren evolutie, is het mogelijk om het menselijke samenleven die kant op te sturen. Dat de mens een dier is, wordt meestal gezegd om de wrede en agressieve kant van de mens te beschrijven. Dat kan ook anders. Ik vraag me af wat Swaab daarvan vindt (misschien kan ik het hem vragen als hij bij Studium Generale komt).

Zo is de scheiding tussen lichaam en geest en die tussen mens en dier weggeschreven. En ook de scheiding tussen nature en nurture. Wat is aangeboren en wat is aangeleerd? Bij het lezen van Wij zijn ons brein leek me dat opeens een onzinnige vraag. Het karakter is voorgeprogrammeerd in de hersenen, niet alleen door de genen die je meekrijgt, maar ook door wat er in de baarmoeder gebeurt. Opvoeders hebben echter ook een karakter - dat bepaalt toch juist hoe zijn hun nageslacht opvoeden. Opvoeding en brein vallen samen.

Ook Gerard Visser gaat in Niets cadeau, een filosofisch essay over de ziel uit van de eenheid van lichaam en geest. Sterker nog, hij vertrekt vanuit de lichamelijke ervaring, die nergens en overal gelokaliseerd is. Ongeveer, zo stel ik me voor, zoals ook dieren de wereld ervaren. Als een uitgestrektheid die in haar totaliteit tot je komt, een openheid zwanger van mogelijkheden. Hij geeft het voorbeeld van een hond die aan je been snuffelt. Je denkt niet na over wat er gebeurt, hoeft zelfs niet naar beneden te kijken om te constateren dat het om een hond gaat. Je voelt direct een reactie die zowel lichamelijk als geestelijk is: genegenheid, angst, ergernis of wat dan ook.

Hoe komt die ervaring tot stand? Via de machine van de hersenen, uit een oeroud evolutionair instinct of ligt daarin iets als een ziel verborgen? Opnieuw gaat het hier om mogelijkheden. De ziel - en nu zeg ik het in mijn eigen woorden - is een optelsom van gerealiseerde mogelijkheden. Én je verhouding tot nog openstaande mogelijkheden. Eigenlijk staan zelfs gerealiseerde mogelijkheden nog open, want ook met het verleden sta je in een dynamische verhouding die kan veranderen. Nog een grens geslecht. Het antwoord van Visser op de vraag 'Wat is een mens?' is een nieuwe vraag: 'Wie is de mens?' Een mens is geen wat maar een wie.

Hoe hier een einde aan te breien? Niet, denk ik. De drie boeken zijn de punten van een driehoek en ergens daarbinnen zit de mens gevangen. Je bent je brein, een zeer complexe machine die onderhevig is aan allerlei controleerbare en oncontroleerbare invloeden. Je bent een dier, waarin rare evolutionaire overblijfselen huizen. En je bent een 'wie', die van niets iets kan maken.



Bookmark and Share
Comments

Jaap van Heerden - Fascinaties. Een intellectuele biografie

fascinaties
Wetenschapsfilosofie: voor een select academisch gezelschap het hoogste van het hoogste, maar niet direct iets dat bij het grote publiek de harten sneller doet kloppen. Misschien dat het woord daarom niet voorkomt op de flap van Fascinaties, een kleine verzameling essays van Jaap van Heerden. Terwijl het de perfecte, achteloze kennismaking vormt met de wetenschapsfilosofie.

Lees verder op 8WEEKLY: Intellectueel getob op het hoogste niveau



Bookmark and Share
Comments