Beste boeken 2012

word-existentialist
De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z'n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen - boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 - mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox - Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste 'boek' van het jaar. 

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman - Alibi's. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster - Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain - Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong - Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams - Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams - Stoner)
Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green - Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész - Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon - Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel - Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer - Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor - Wat is wijsheid? 
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren - Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård - Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.



Bookmark and Share
Comments

Beste muziek 2012

danielrossen
1. Daniel Rossen - Silent Hour / Golden Mile
Een EP op 1, maar ik draai hem met gemak vijf keer achter elkaar.

2. Django Django - Django Django 
Om meerdere redenen gedenkwaardig op Motel Mozaïque

3. Ty Segall Band - Slaughterhouse
Ty, held.

4. Sharon van Etten - Tramp
Een zangeres naar mijn hart en dat is bijzonder

5. Dirty Projectors - Swing Lo Magellan
Omdat hier mijn meest gedraaide nummer op staat (Gun Has No Trigger)

In verdere willekeurige volgorde
Thee Oh Sees - Putrifiers II
Jack White - Blunderbuss
Jake Bugg - Jake Bugg
Mac DeMarco - 2
Dan Deacon - America
Disappears - Pre Language
Tyvek - On Triple Beams
The Revival Hour - Clusterchord EP
Moss - Ornaments
Balthazar - Rats

Gewoon, omdat ik altijd graag LCD Soundsystem in mijn lijstje zet (maar jammer genoeg nu echt voor het laatst), de afscheidsdocumentaire:
LCD Soundsystem - Shut Up And Play The Hits

Helaas, ik was een jaar te laat voor deze platen:
Mikal Cronin - Mikal Cronin (2011)
Adrian Younge Presents Venice Dawn - Something About April (2011)
Conan Moccasin - Forever Dolphin Love (2011)
Milagres - Glowing Mouth (2011)





Bookmark and Share
Comments

Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams - Stoner

stoner
Het is hier en daar genoemd als een van de 'beste boeken van 2012': Stoner van John Williams, een herontdekking uit 1965 en een onwaarschijnlijke bestseller. Onwaarschijnlijk, omdat het een intriest verhaal vertelt van een niet erg memorabel leven. Tenminste, aan de buitenkant is het onmemorabel, want Stoner behoort tot dat genre boeken dat laat zien dat elk leven en elke mens memorabel is, als je maar nauwkeurig genoeg kijkt.

Het is ook een roman óver literatuur, waarin dit bijzondere vermogen van literatuur om een middelmatig leven boven de middelmaat te verheffen gethematiseerd wordt, want dat is precies wat met Stoner gebeurt. De boerenzoon, voorbestemd tot een werkend leven op de akkers, gaat naar de universiteit voor een agrarische opleiding maar raakt al snel bevangen door de schone letteren. Zonder te begrijpen wat er met hem gebeurt ondergaat hij de betovering en laat die de gang van zijn hele verdere leven bepalen.

Dat klinkt al best memorabel. Al was het maar door dat spiegeleffect dat hierin zit, en dat Williams op haast alle thema's toepast. De weinig opzienbarende Stoner raakt onder invloed van de kracht van literatuur, hoe die het leven werkelijk tot leven kan brengen, ook al specialiseert hij zich in een weinig sexy onderwerp, iets met de late middeleeuwen en de invloed van Romeinse poëzie op de overgang naar de renaissance. Het boek van Williams over Stoner is zelf weer een voorbeeld van hoe met het woord een leven werkelijk tot leven wordt gebracht, haast nog meer tot leven dan Stoner ooit (in die fictieve wereld) lijkt te zijn geweest. Daar wordt hij geboren, werkt en sterft en niemand die er echt van opkijkt, ook hijzelf niet.

Dat is de intrieste stemming die in eerste blijft hangen tijdens en na het lezen: wie kijkt van dit leven op? Het is in alle opzichten mislukt, of laat ik zeggen: in geen enkel opzicht gelukt en dus ook gespeend van geluk. Het huwelijk: vanaf de wittebroodsweken een domper. De carrière: gefnuikt door een vete met een gehandicapte. Het kind: een bloem in de knop gebroken. De dood: roemloos.

He took a grim and ironic pleasure from the possibility that what little learning he had managed to acquire had led him to this knowledge: that in the long run all things, even the earning that let him know this, were futile and empty, and at last diminished into a nothingness they did not alter.

Het enige wat in het leven te leren valt is dat wat je leert in het leven nergens toe leidt. Er is maar één zekerheid: dat kennis eindigt in de zinloosheid van kennis. En die kennis heft haar eigen zinloosheid nooit op.

Maar er is toch meer aan de hand, zoals die haast magische werking van de literatuur. Terugdenkend blijven toch de passages - hoe kort ze ook zijn, in het verhaal en in Stoners levensloop - van uitzonderlijke krachtigheid hangen. Niet alleen van de Literatuur, maar ook van de Liefde, en van het Leraarschap. De kracht van die drie l'en overkomt je, maar je kunt hem niet vasthouden. Het gaat dan ook niet - concludeer ik weken na het uitlezen van Stoner - om de kennis, die zinloos is en alleen haar eigen zinloosheid weet te onderstrepen, maar om de ervaring. Die is toevallig, zoals liefde een toevallige samenkomst van twee mensen is en leraarschap die van een bevlogen meester en een leerling die zich openstelt, toevallig en tijdelijk. Maar het is die ervaring die van het leven een Leven maakt.

'Poor Daddy,' he heard Grace say, and he brought his attention back to where he was. 'Poor Daddy, things haven't been easy for you, have they?'
He thought for a moment and then he said, 'No. But I suppose I didn't want them to be.'

Ervaring
is niet makkelijk en hoeft dat ook niet te zijn. Dat is iets waar ik al vaker over heb geschreven. Deze roman is hoort zeker thuis in die voortgaande zoektocht naar wat leven waardevol maakt, als het geluk niet altijd voor het oprapen ligt. Zie bijvoorbeeld Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert en F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov.



Bookmark and Share
Comments

'Bezit' 'ik' 'mijn' 'leven'? Ofwel: ik vs. leven

sontag
1. Van die ingewikkelde kwesties die je nachten wakker houden of jaar na jaar tussen de blaadjes van je notitieboekje opduiken: hoe verhoudt ‘mijn ik’ zich tot ‘mijn leven’? Eenvoudig toch: ik leef mijn leven. Toch ben ik niet de enige die voelt hoe het ik kan botsen met het leven. In 1970 noteert Susan Sontag in haar dagboek: ‘I would be more loyal to myself, less loyal to my “life”. I would stop treating my life as if its dimensions were already determined (or determinable) a vessel whose responsibility it’s mine to fill with high-class goodies.’ (Susan Sontag, As consciousness is harnessed into flesh)

2. Ik zocht terug in mijn eigen notitieboekje. Ja, daar was het, ergens in 2005 neergepend. Er is het ik, en het leven. Allebei van jou, maar soms kunnen ze als van twee verschillende personen lijken. Het leven speelt zich af ergens achter je rug, het ik ontsnapt aan je grip als een heliumballon. Terwijl je ze toch bezit, ze zijn je eigendom. Het gaat goed als je kunt zeggen: ‘Ik heb mijn leven in de hand.’ Maar waarschijnlijk valt het niet eens op als het zo is, op zulke momenten vallen leven en ik gewoon samen. In de literatuur – en in dagboeken – lezen we gewoonlijk vooral over de momenten dat het niet goed gaat, en de twee – ik en leven – mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Kierkegaard
3. ‘En dat is het trieste, wanneer men het leven van de mensen beziet, dat zovelen hun leven leiden in stille verlorenheid; ze leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich allengs ontvouwt en nu in die ontvouwing hun eigendom is, maar ze leven zich als het ware uit zichzelf weg, ze verdwijnen als schimmen, wier onsterfelijke ziel verwaait, en geen vragen naar haar onsterfelijkheid jagen hun angst aan, want voor ze sterven zijn ze al vervloeid in het niets.’ (Søren Kierkegaard, Of/Of)

4. Laat ik het nog problematischer maken. Alleen maar vertwijfelen over ‘ik’ en ‘mijn leven’ is nogal solipsistisch. Er is ook nog de buitenwereld. Wat als die je ook ontglipt? Als je ik en je leven ook nog afgesneden worden van de anderen? Pessoa in het Boek der rusteloosheid: ‘80. SMARTELIJK INTERVAL (...) Mijn leven is alsof men mij ermee sloeg.’ Mijn leven – mij – men. Wie is ‘men’? Is het ik werkelijk als een stoffig tapijt dat ervan langs krijgt met de mattenklopper van het leven? Of als de monnik die met een karwats aan zelfkastijding doet?

PessoaFernando
5. In 2005 schreef ik ook: je bent pas echt vrij als het leven je een lot toebedeelt. Omdat je zonder materiaal om mee te werken, gevangen blijft in leegte. Je hebt iets nodig om mee te experimenteren in vrijheid. Een lot is dan de grootste gift die je kunt krijgen. Of nou ja, gift, dat klinkt alsof er een Grote Gever is. Beter: een lot is het beste wat je kan overkomen. Gelukkig zette ik er ook bij: ‘misplaatst optimisme’.

6. Dat er een ik is dat zijn leven in bezit heeft, is een bruikbare illusie die het mogelijk maakt over jezelf en je leven na te denken. Maar filosofie en wetenschap geloven al lang niet meer in het mannetje/vrouwtje in de stuurhut van de ‘vessel’ zoals Sontag het noemt. Filosoof Julian Baggini beschrijft ons standaard ik-beeld als een kern, een pit die van alles vasthoudt, als vrolijke handtasjes – één voor elke eigenschap – plus een backpack vol herinneringen. Het zelf in bezit van zijn leven. Klopt niet. Baggini streept de pit door en wat overblijft zijn de handtasjes, aan elkaar verknoopt in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt. (Julian Baggini over het 'ware zelf' als netwerk)

7. En het leven? Van wie is het, als niemand het bezit? Wat blijft er over als we de pit wegstrepen? Nou, gebeurtenissen, toeval, het lot. Gebeurtenissen die zich even decentraal afspelen als de eigenschappen van je ik. Verbonden, op zijn best, door een netwerk van notitieboekjes.



Bookmark and Share
Comments

Oek de Jong - Pier en oceaan. Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee

pieroceaan
'Je had gehoopt dat je leven anders zou zijn in een ander land. Maar het is hetzelfde... Het zal overal hetzelfde zijn.'

Pas op pagina 793 van Pier en oceaan van Oek de Jong zet ik een potloodstreep. Het boek is bijna uit en hier heb ik eindelijk het gevoel om tot een kern te zijn gekomen. Abel, die je hebt gevolgd vanaf zijn moeder, zwanger van hem, tot zijn laatste zomer thuis, inmiddels achttien, is hier tot een kern gekomen. Dit inzicht luidt de volwassenheid in - die beklemmende beperking van het leven en de ultieme vrijheid die ermee gepaard gaat. Pas als je beseft dat alles altijd hetzelfde zal zijn, is er ruimte om zelf iets te doen, dat is de paradoxale les van ouder worden, zelfstandig worden. Je kunt toevoegen dat niet alleen in een ander land het leven niet anders is, ook in een andere tijd was alles altijd al zoals het nog steeds is. Dat zie je aan Abel en zijn ouders - de verschillen zijn even groot als de (aan erfelijkheid en opvoeding te danken) overeenkomsten. Maar deze zinnen zeggen ook iets over de roman zoals je die nu leest. Abel is zelfs hetzelfde als ik. Of gaat de conclusie dat alles hetzelfde blijft toch niet helemaal op? De tijd die Oek de Jong beschrijft (het naoorlogse Nederland tot aan begin jaren zeventig) is nu toch echt voorbij. We zijn definitief een ander land binnengegaan, denk ik. 

De wereld van Pier en oceaan (concreet: Dokkum en Goes) is de oude wereld, de stille wereld van voor mobiele telefoons, internet en commerciële tv. Een wereld als een lange, lange zondag. Ook voor niet-gelovigen is het zondagsgevoel herkenbaar. Niks mocht en alles kwam tot stilstand. Ik mocht alles, maar kon niks. Als ik in het weekend bij m'n vader was gingen we naar het museum. Verder las ik een boek en schreef gesprekken op tussen mijn vader, zijn vriendin en m'n zus. Omdat ik nooit zo snel kon schrijven als zij konden spreken, was het resultaat een onbegrijpelijke wirwar van zinnen. Hilarisch (echt). Dan een treinreis van Amsterdam naar Culemborg en de zondag was weer voorbij.

Die zondag bestaat niet meer, toch? Die kinderen bestaan niet meer. Het lezen van Pier en oceaan deed me realiseren dat ik oud ben. Ik voelde me opeens dichterbij Oek de Jong, geboren in 1952, staan dan bij mijn oudste studenten, geboren eind jaren tachtig. Of, godbetert, dichter bij Arie Storm, die in een lovende bespreking zowaar de herkenbaarheid prees (dat mag ik wel, dat Arie Storm een roman prijst om zijn herkenbaarheid).

Oek de Jong vertelt zelf in interviews (zoals in Vrij Nederland) dat hij een voorbij tijd wilde vastleggen. Een voorbije tijd en ook duidelijk een voorbij landschap - dat al verandert in de loop van de roman (denk: nieuwbouwwijk). De Jong is geïnspireerd geraakt door Marcel Proust, zegt hij, de reden waarom ik het boek ben gaan lezen. Ik zie geen echte verwantschap, ja, dit is een evocatie van een jeugd en de familiegeschiedenis die eraan voorafgaat - maar de manier van beschrijven is totaal anders: we zitten hier midden in de tijd van handeling, er is geen oudere verteller die terugkijkt. Geen ik bovendien, en waar uiteindelijk bij Proust de haast filosofische reflectie de bovenhand krijgt, lijkt het De Jong vooral te doen om zintuiglijke ervaringen. Van het lichaam, het landschap, meisjes, seks. Hier geen mijmeringen over De Tijd of Het Geheugen (waar Proust in heerscht), maar een vinger die door de korst van het schaamhaar in het zachte daarachter duwt (je ziet de jaren zeventig meteen voor je), zijdeachtig water op de naakte huid, voeten die in het slik wegzinken en zelfs een beschrijving van het onbeschrijflijke, die je toch meteen snapt, al komt die neer op 'het' dan wel 'het eeuwige' waar Abel steeds naar op zoek is. 

Terugdenkend is dat toch wel prachtig, hoe kabbelend en weinig gevaarlijk de roman verder ook op mij overkwam: de beelden die Abel zijn hele jeugd vergezellen, soms een kwartslag draaiend, of letterlijk van gedaante veranderend. De jongen met een koffer lopend over een oprijlaan op weg naar huis, die later verandert in een jongen met een kauwtje op zijn schouder, zachtjes wegzinkend in een zwarte poel. Waar die beelden vandaan komen en wat ze betekenen mag je zelf bedenken, Oek de Jong gaat het je niet voorzeggen. Dat is mystiek, Hollandse mystiek. Net als de titel, die misschien wel het mooiste voorbeeld is van diezelfde mystiek, Pier en oceaan, mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee.

Ik heb mezelf geloof ik net naar een waardering van vier sterren geschreven in plaats van de drie die ik had gegeven. 



Bookmark and Share
Comments

Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Armando_gefechtsfeld
Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is allereerst het angstaanjagende, overrompelende zwart, dat je kan omsluiten als plotseling invallend duister – zo ondoordringbaar dat je bijna niet durft te ademen. Een groot doek van Armando waar je per ongeluk te dicht op gaat staan. De randen rafelig in je ooghoeken, zodat je geen uitweg meer ziet. Het omvouwt je, beknelt je, houdt je gevangen. Doodeng en fantastisch tegelijk. Bij zo’n doek begon mijn liefde voor het zwart, al klinkt zo’n liefde misschien masochistisch.

Onlangs zag ik van Armando een ander werk, met daarop een bosrand. (Ik stel het maar even zo droog, los van de beladenheid van het werk.) Een ander zwart, dat toch hetzelfde is. De bosrand markeert de grens naar een andere wereld, of nee, de bosrand ís die grens, een niet-op-zichzelf bestaand gebied, zoals de lijn tussen twee aangrenzende kleurvlakken niet bestaat. Als je de eerste boom voorbijgaat kom je in het land van de  sprookjes. Als dat te aangenaam klinkt: de bosrand verbergt ook de wereld van Twin Peaks, het zwartste sprookje voor volwassenen. Maar je stapt die eerste bomenrij niet voorbij, want een bosrand is iets waar je van een afstand naar kijkt. Je probeert door te dringen in de duisternis. Onmogelijk. Zelfs op de helderste zomerdag kun je niet door het bos heen kijken. Waardoor je blijft kijken, enigszins verontrust en met kippenvel op je blote armen. De dreiging die van het zwart van de bosrand uitgaat is te groot, te onbekend. Ze vibreert van ontembare wildheid. Het zwart temmen, dat moet de volgende stap zijn.

Lees verder bij De Optimist: Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart



Bookmark and Share
Comments

Susan Sontag - Zoals de geest gebonden is aan het vlees

sontag_geest
Zoals de geest gebonden is aan het vlees (As Consciousness is Harnessed into Flesh), het tweede deel van de dagboeken van Susan Sontag, leest als een karakterstudie. Een impliciete zelfanalyse via de analyse van anderen – vooral minnaressen – en van de allergrootste abstracties: Amerika vs. Europa, katholicisme vs. protestantisme vs. jodendom. Dat klinkt verstrekkend en ernstig, en dat is het ook. Susan Sontag (1933-2004) was hét voorbeeld van een intellectuele vrouw – en daar zijn er niet zo veel van. Maar waarom komt die zoon dan weer roet in het eten gooien?

Het eerste deel, Herboren, besloeg de jaren 1947 tot 1963. Sontags zoon David Rieff noemt het in zijn voorwoord de ‘Bildungsroman’ van zijn moeder, bij gebrek aan echt autobiografisch werk. Dit tweede deel gaat verder van 1964 tot 1980 en is veel dikker, ruim vijfhonderd pagina’s. Het zijn de overvolle jaren, vol van succes en vol van misère, zoals de kanker waarvoor Sontag wordt behandeld en die eigenlijk alleen via notities voor Ziekte als metafoor in het vizier komt. In die zin kun je deze dagboeken juist helemaal geen autobiografie noemen. En ook nauwelijks een biografisch document, want de context van Sontags leven waarin we de notities moeten lezen is zeer summier gegeven.

Lees verder op Athenaeum: Grasduinen door Sontags geestesleven



Bookmark and Share
Comments

F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov

grootinquisiteur
Over vrijheid en geluk, naar aanleiding van de opvoering van de gelijknamige eenakter met aansluitend discussie, geleid door ondergetekende, op de alumnidag van de Stichting Thomas More, 3 november 2012.

Sevilla, zestiende eeuw. Christus is teruggekeerd op aarde, verricht een wonder, wordt opgepakt en opgesloten door de inquisitie. De brandstapel wacht. In de nacht bezoekt de Grootinquisiteur zijn gevangene en legt hem uit hoe de wereld nu (dat wil zeggen, in de zestiende eeuw) in elkaar zit. De kerk heerst weliswaar in naam van Christus, maar dat is schijn. In werkelijkheid hanteren ze de principes van de duivel: ‘Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld.’ Christus is haast een moderne held – hoewel we hem zelf niet horen en alleen leren kennen via de woorden van de Grootinquisiteur. De nadruk op vrijheid, kennis en individualiteit die aan Christus wordt toegeschreven, staat lijnrecht tegenover de gehoorzaamheid die de kerk eist, het dom houden van de mensen en het streven naar gemeenschappelijkheid (eigenlijk: world domination). Het maakt van deze Christus een voorloper van de twintigste-eeuwse, existentiële mens. Misschien kunnen we zeggen, een echt eind-negentiende-eeuws mens, de tijd waarin Dostojevski de parabel schreef. In de kern draait deze monoloog om de vrijheid. Hieronder enkele gedachten over vrijheid en behoefte, geluk en het zwijgen.

*
Wat is de betekenis van de vrijheid? Laat ik proberen de verschillende denkbewegingen in de tekst te ontrafelen. Christus staat voor het geloof in vrijheid, geloof belijden in vrijheid. ‘Ik wil jullie vrijmaken’ – dat is de ware vrijheid. De kerk van de Grootinquisiteur heeft de mensen deze vrijheid afgepakt en er een illusie van vrijheid voor in de plaats gezet. Hij beweert dat mensen de vrijheid helemaal niet aankunnen. In feite is dat de existentialistische formulering van ‘de last van de vrijheid’. De mens kan niet omgaan met vrijheid; zodra hij die heeft, zoekt hij naar manieren om ervan af te komen, ‘ergens voor te kunnen knielen’. Is de vrijheid echt zo beangstigend?

*
In de woorden van de inquisiteur herkennen we wel een psychologisch inzicht dat hout snijdt. Namelijk: in hoeverre kun je vrij zijn als je behoeftig bent, ‘brood’ nodig hebt. Wat voor betekenis kan vrijheid hebben als je honger hebt? De moderne, existentiële vrijheid is misschien wel een elitair probleem. Je zult eerst moeten zorgen voor je behoeftes voor je je met zoiets als vrijheid kunt bezighouden.

Omgekeerd leveren die behoeftes je ook een excuus om je niet met vrijheid – die last – bezig te hoeven houden. Is de moderne, ‘elitaire’ mens niet almaar bezig met het najagen van behoeftes – laat hij zich niet gewillig knechten door het consumentisme, zoals dat dan heet, om maar niet met die ware opgave van vrijheid geconfronteerd te worden? Waar gaat het najagen van je behoeftes over in onvrijheid? Het is een val waar iedereen in gevangen zit: je bent niet vrij als je niet zelfstandig in je eigen behoeftes kunt voorzien. Je moet wel een mate van vrijheid opgeven voor het materiële. Maar het is heel makkelijk je in het materiële te verliezen en steeds meer behoeftes voor jezelf te creëren die om vervulling vragen, zodat je maar niet over ‘dat andere’ hoeft na te denken.

*
De Grootinquisiteur zegt: vrijheid tast het geluk van de massa aan. Haast niemand kan omgaan met de last van de vrijheid – men gaat daaronder gebukt en wij leveren de mensheid een gunst door haar die last af te nemen, te ontlasten. Geluk is rust, deemoed, vrij zijn van zorgen. Hij stelt vervolgens dat dit betekent: alleen de zwakke gelukkig kan zijn. Het schokkende is dat de Grootinquisiteur regelrecht toegeeft dat hij aan bedrog en leugens doet om zo de macht te verkrijgen.

Is vrijheid een overschat goed, dat geluk in de weg staat? Willen wat je hebt, is wel als recept voor geluk gegeven, in plaats van willen wat je niet kunt krijgen. Dat houdt ook in dat je een deel van je vrijheid (in wensen, dromen en verlangen) moedwillig moet opgeven, om gemoedsrust en dankbaarheid ervoor in de plaats te krijgen. Het probleem ligt natuurlijk in de dwang van de Grootinquisiteur: hij houdt de mensen klein en zwak, onder het mom van zelfopoffering. Terwijl geluk toch ook te maken heeft met een besef van accomplishment: niet meer willen dan je hebt, maar dan wel wetende dat wat je hebt in elk geval deels uit jezelf is voortgekomen. Rust mag een belangrijk bestanddeel zijn, maar dan wel rust na activiteit, productie. Deemoed, ja, maar dan iets als reflectieve deemoed. Ik noteerde eens: Geluk = Rust (na actie) + Reflectie (in realisme). Dichterbij een definitie ben ik nog niet gekomen.

*
Het einde van de monoloog intrigeert. Christus heeft de hele woordenstroom lang niet geantwoord. In feite geeft hij gehoor aan het bevel van de inquisiteur, die begint met te zeggen: ‘Zwijg!’. Als de tirade – een soort anti-preek – voorbij is, staat Christus op en geeft zijn aanklager een kus. Dan gebiedt de Grootinquisiteur hem om te gaan. Wat betekent die kus? Waarom laat de Grootinquisiteur Christus gaan? Maar even goed: waarom gaat hij? Hij doet precies wat de Grootinquisiteur van hem eist. Sommige toeschouwers ergerden zich aan de passiviteit van Christus. Waarom zegt hij niets terug? Waarom oefent hij niet daadwerkelijk zijn vrijheid uit door zich te verdedigen? Die passiviteit stoort.

Het zwijgen is echter ook op te vatten als een protest, weliswaar onhoorbaar, maar niet minder actief. Door te zwijgen laat Christus zien (horen) hoe het niet dwingen van mensen eruit kan zien, geeft hij tegenwicht aan de luidruchtige, van woorden overladen, bevelende tirannie van de Grootinquisiteur. Christus illustreert in zijn stille, zwijgende, stilzwijgende houding wat vrijheid is. Die is oneindig groot, niet in te vullen, niet op voorhand vorm te geven. Zijn zwijgen wordt zo een spiegel voor de ziel. Of de Grootinquisiteur in bezit is van een ziel valt te betwijfelen. Hij veroordeelt Christus zonder blikken of blozen tot de brandstapel. Maar dan zijn laatste woorden – ga heen en keer nooit weer… die tonen aan dat hij is in elk geval in staat is bewogen te worden.

De grootinquisiteur. Over het geloof van de vrijheid. Gespeeld door Paul Cobben en Quinten Rutten, 3 november 2012, Eindhoven.



Bookmark and Share
Comments

So, what is The New Aesthetic?

tna_setup
So, what is The New Aesthetic? It’s a buzzword for sure, but no one seems to be able to define it. Even the question whether it refers to an art movement, a style in design, or just simply a Tumblr-blog isn’t easily answered. SETUP Utrecht put together a small exhibition around this phenomenon and invited three speakers to help clear the picture. After an introduction by Tijmen Schep of SETUP, it was up to artist Darko Fritz, designer Frank Kloos, and researcher David M. Berry to get the discussion going.

It all started with James Bridle’s Tumblr, followed by a much-discussed essay by Bruce Sterling. Think of portraits made out of pixels (or sculptures even), #iseefaces, but also soundscapes constructed through algorithmic software. No wait, actually it started in the 60’s, as Darko Fritz showed. The first computer art was made; multidisciplinary artists used biology, artificial intelligence and well, art, to create a new vision of reality. Now this ‘computer art’ has exploded into the new aesthetic, boasting neon colour, freaky videos and retweets. How does the computer see the world? How does it recognize humans? Interpret patterns? And how do we in turn respond to that? Tijmen Schep called it ‘painting the black box colourful again’ (but also asking whether it would not be better to actually open it) – which resonated nicely with Frank Kloos proclaiming Malevich Black Square the first (and most radical) pixel painting ever.

Translation is a key word in the talks: for example, as David Berry shows, how do computers recognize humans? And what does that say about what it means to be human? How do the different ‘languages’ translate between human and machine, machine and human and machine-to-machine? Opinions differ as to which degree humans are already machines themselves. Are we caught in algorithms, tying us down like spider webs? Has ‘computationality’ already gone so far that we cannot escape or fight back? David Berry doesn’t agree, although his account of Google’s future plans heading at ‘augmented humanity’, not only predicting but also actually replacing our innermost thoughts, definitely hits my ‘creepy line’.

The positive thing about The New Aesthetic, whether it’s an art movement, design form or empty bucket, is that the work it produces makes this tension within the computated human world visible. The big goal for a long time has been precisely to make technology invisible, with the result that we don’t realize the state of computing we actually live in. Through glitch, distorted audio, memes, datamoshing, -bending et cetera this can be again foregrounded. Moreover, it can be done in a way that doesn’t just reach the closed-in academic world or the small group of online activists, but an enormous part of the online community. Actually, everyone online helps spread the word. Or image. Or sound.

The New Aesthetic seems a truly democratic art form, but maybe it is at the same time too grand an equalizer. Is it really OK to have an art work that’s taken days, weeks, maybe months to conceptualize and construct (next to the years of education preceding the creative moment) put up next to a funny meme rolling out of a meme generator in a few seconds, on a standard Tumblr? Isn’t that contradictive to the idea of creating some kind of consciousness of the algorithms controlling us? It’s good to see theory, art, design and debate come together. So, what is this New Aesthetic thing? Open the box and have a look.

Check the book New Aesthetic, New Anxieties, written during a Book Sprint at V2, Rotterdam. And visit the exhibition Coded Perception at SETUP (until November 18).



Bookmark and Share
Comments

Seks en filosofie: Alain de Botton - Meer denken over seks

botton_seks
Seks en filosofie. Filosofie en seks. Zo, nu ben ik in elk geval verzekerd van heel veel pageviews. Zoiets moet Alain de Botton ook hebben gedacht, maar dan met betrekking tot verkochte exemplaren van zijn boekje Meer denken over seks

'Filosofie voor een ontspannen seksleven' staat er op de achterflap. Dat is belangrijk, omdat de vraag zich tijdens het lezen opdringt of je je niet hebt vergist met de veronderstelling een filosofisch werkje in handen te hebben. 'The School of Life' levert zelfhulpboeken nieuwe stijl, maar wél expliciet onder de noemer filosofie.

Lees verder op 8WEEKLY: Seks en filosofie. Filosofie en seks.



Bookmark and Share
Comments

Film en filosofie: geen of/of

nffdebat
Wat doe je als je zoon een gruwelijke misdaad heeft gepleegd? Aangeven bij de politie of hem beschermen? Ethische dilemma’s maken filosofie praktisch en concreet, zijn een manier om te oefenen met abstracte ethische theorieën. Casuïstiek, in de verte verwant aan het gedachte-experiment. Behalve dat die laatste vaak zo onrealistisch zijn, gespeend van detail en persoonlijkheid – zeg maar gerust van de zaken die dilemma’s in ‘het echte leven’ zo ingewikkeld maken en de of/of-keuze zo absurd.

‘Duivelse dilemma’s’ heet het filmproject van Human: verfilmingen van of/of-keuzes, met alle ruimte voor detail en persoonlijkheid. Op het Nederlands Film Festival gingen filmers en filosofen met elkaar in gesprek. Boeiend en leerzaam, zolang film en filosofie niet zelf óók in het keurslijf van ‘of/of’ worden geduwd.

Lees verder bij Filosofie Magazine: Film en filosofie, geen of/of



Bookmark and Share
Comments

2x de categorische imperatief van Kant: niet liegen en niet martelen

Opnieuw leen ik wat materiaal van Michael Sandel, dit keer om beter te begrijpen wat die categorische imperatief van Immanuel Kant nu betekent en voor implicaties heeft. Twee filmpjes, die corresponderen met de twee bekendste formuleringen van de imperatief, zoals Kant die geeft in zijn Fundering voor de metafysica van de zeden (1785).

1. ‘Handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt.’ Is het mogelijk om je gedrag of keuze uit te breiden tot een algemene of natuurwet - met andere woorden, stel dat iedereen steeds zo zou handelen als jij op het punt staat te doen, zou dat redelijkerwijs mogelijk zijn of stuit je dan op een logische tegenstrijdigheid? De beroemdste illustratie hiervan is het voorbeeld over het liegen. Je mag nooit liegen, aldus Kant, want als liegen een algemene wet zou zijn, zou 'liegen' en ook 'waarheid' betekenisloos worden. Sandel legt vanaf 09:18 tot ongeveer 20:00 helder en grappig uit hoe dat zit.



2. ‘Handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.’ We gebruiken allemaal voortdurend mensen als middel: de kassajuffrouw om af te rekenen, de kapper om je haar te laten knippen. Maar je mag nooit de mens tot dat middel reduceren. Elk mens, ook de grootste vijand, heeft waarde in zichzelf, een waarde die gerespecteerd dient te worden. Ook als het gaat om een kindermoordenaar die niet wil vertellen waar hij zijn slachtoffer verstopt heeft?



Lees ook over het Utilisme.
In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.



Bookmark and Share
Comments

Mag ik het ook leuk vinden? Over het waarom van filosofie

logo_fm
‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’ Zo’n dertig studenten zitten verwachtingsvol in het eerste college van de minor Praktische filosofie, een semester lange onderbreking van hun studie voeding, mode of elektrotechniek. Waarom ze voor filosofie hebben gekozen en niet voor bijvoorbeeld Ondernemerschap of Business in China? Tja, goede vraag. Voor de verdieping, om eens op een andere manier naar de wereld te kijken. En, voorzichtig, gewoon omdat het leuk lijkt.

Leuk is misschien wel het meest gehate woord onder taalliefhebbers, onderwijzers, ouders, iedereen boven de achttien. Toch ben ik blij met de aarzelende vraag van de student. Filosofie studeren omdat je het leuk vindt, is dat niet een beter begin dan ‘omdat het moet’ of ‘omdat ik dan interessant overkom’? Natuurlijk mag je het leuk vinden, zeg ik dan ook, ik hoop dat dat zo blijft (in gedachten zie ik het college over Kant al dichterbij komen).

Lees verder op Filosofie Magazine: 'Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’



Bookmark and Share
Comments

Michael Sandel test het utilisme, of: word donor

Een grappig filmpje dat simpele vragen lijkt op te werpen maar felle reacties teweeg kan brengen. Aangaande donorschap bijvoorbeeld. Een ruime meerderheid van mijn studenten is orgaandonor, zo bleek uit de discussie in de klas. En degene die het niet waren hadden daar over het algemeen bewust voor gekozen.





Bookmark and Share
Comments

Zinnen als herinneringen: André Aciman - Alibi's

alibis
De autobiografische essays in Alibi's van André Aciman zijn een verkenning van de plaatsen waar de auteur geleefd heeft, die hij heeft verloren en gezocht. Een verkenning in één woord, van ballingschap.

Schrijven over de liefde, of beter: verliefdheid, dat doen er weinigen zo doordringend als de van oorsprong Egyptische André Aciman in zijn romans Noem me bij jouw naam en Witte nachten. Verliefdheid is het vehikel voor de achterliggende thematiek van herinnering, de ervaring van geluk en melancholie – en natuurlijk vooral hoe de ervaring van geluk door de processor van het geheugen verandert in melancholie. Al eerder schreef Aciman een essaybundel genaamd Valse papieren, wat bijna klinkt als een andere vertaling van Alibi's. In beide bundels gaat het over hetzelfde als in die romans: herinnering, ervaring, melancholie en geluk. Maar hier geen liefdesgeschiedenis die dit in een verhaalvorm giet.

Lees verder op 8WEEKLY: Zinnen als herinneringen

Meer lezen over André Aciman? Hier mijn stuk uit De Groene Amsterdammer over Witte nachten.



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe manieren van publiceren over kunst en cultuur

openconferentie
Mijn eerste bijdrage aan het INC-blog, over de Conferentie Open, 12 september 2012

De komende bezuinigingen treffen de hele culturele sector en ook Open, organisator van de conferentie over de toekomst van publiceren in kunst en cultuur, ontkomt er niet aan. Net als de Rijkskacademie in Amsterdam, waar op 12 september de bijeenkomst plaatsvond. De toekomst is digitaal voor instellingen in het nauw, natuurlijk ook vanwege de technologische ontwikkelingen. Op de overvolle conferentie komen alle vragen wel een keer langs. Waaruit bestaat een levendig online platform voor kunstenaars en kunstliefhebbers? Hoe verhouden die platforms zich tot traditionele ‘artbooks’? Welke gevolgen heeft digitaal uitgeven voor het hele uitgeefproces – van schrijver, vormgeving en redactie tot en verkoop en lezen? We zitten in een economisch gat en in een technologisch gat, zo vatte Florian Cramer het in de einddiscussie samen. Dat betekent aan de ene kant hopeloos zoeken en verlies draaien, maar aan de andere kant kan iedereen nú de toekomst van het uitgeven mee vormgeven.

Lees verder bij het Instituut voor Netwerkcultuur: Nieuwe manieren van publiceren over kunst en cultuur



Bookmark and Share
Comments

Manifest voor een Existentialistische Partij

logo_fm
Morgen verkiezingen, vandaag een Manifest voor een Existentialistische Partij.
Op het blog van Filosofie Magazine.
8 punten, te beginnen met, uiteraard, Vrijheid.
Lees verder!



Bookmark and Share
Comments

Epicurus: genot en hedonisme als leidraad voor een gelukkig leven

epicurus
Epicurus staat bekend als de filosoof van het genot, van het hedonisme. In een sixties-achtige commune leefden hij en zijn vrienden en vriendinnen samen, vrij van verplichtingen, vol van vriendschap. Toch leidt de hedonistische ethiek van Epicurus tot een leven van matigheid en rust. Hoe zit dat?

* Bevredigen van lust - genot - is de weg naar geluk.
* Maar: lust moet je vooral begrijpen als afwezigheid van pijn. 'Hebben we geen pijn, dan hebben we geen lust meer nodig.'
* Instant lustbevrediging is vaak niet slim op de lange termijn (je wordt dik, loopt een soa op, belandt in de goot). In het goede leven streef je daarom naar de bevrediging van je behoeften, naar genot, maar wel door het verstand geleid. 
* Zelfredzaamheid staat voorop: richt je alleen op de behoeften die je zelf kunt bevredigen en waar externe factoren dus geen noodzakelijk belang in hebben.
* Geniet, maar zorg dat je niet afhankelijk wordt van genot. 
* De hoogste lust is van geestelijke aard: ataraxia, onverstoorbaarheid of gemoedsrust.

Het 'viervoudig medicijn' om gemoedsrust te bereiken:
1. De goden doen niets (daar hoef je dus niet je handelen op af te stemmen)
2. De dood betekent niets ('wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer' - daar hoef je dus niet bang voor te zijn)
3. Lust is gemakkelijk te bereiken (als je behoeftes beantwoorden aan het criterium van zelfredzaamheid)
4. Onlust is gemakkelijk te negeren of te vermijden (ga d'r maar aan staan)

Het belangrijkste is eigenlijk om inzicht te krijgen in je behoeftes. Daar hangt alles van af. Hoe doe je dat? Gebruik je verstand én je fantasie:

'Bij alle verlangens moet men de volgende vraag stellen: Wat zal er met mij gebeuren wanneer in vervulling gaat wat ik nu zo hartstochtelijk wens? En wat als het niet gebeurt?' 

Als je je hier een eerlijke voorstelling van maakt, kun je ook de volgende vraag beantwoorden: Gaat achter de hedonistische wens (bijvoorbeeld een mooi huis bezitten) niet een andere behoefte schuil (samenwonen met een lieve huisgenoot)? 

Op de vraag hoe je die laatste behoefte - lieve mensen om je heen hebben, niet toevallig het belangrijkste middel tot het verwerven van levensgeluk volgens Epicurus - kunt rijmen met zelfredzaamheid, heb ik helaas geen antwoord.

Epicurus' Brief over het geluk verscheen bij de Historische Uitgeverij. Lees ook Handige tips voor een sterk karakter - Aristoteles en deugdethiek en Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst.

In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.





Bookmark and Share
Comments

Handige tips voor een sterk karakter - Aristoteles en deugdethiek

boog
Wat is geluk? Geluk is gelukt zijn. Hoe doe je dat? Door te deugen. Wie deugt? Degene met een sterk karakter. Karakter heb je niet, dat krijg je. Steeds herhaald gedrag krassen onuitwisbare lijnen in - en die samen worden je karakter. Door oefening en educatie, kun je proberen goede eigenschappen te ontwikkelen (en net zo makkelijk slechte). Om te deugen, zijn deugden nodig, die je je door te oefenen eigen maakt. Ze moeten een innerlijke gesteldheid worden.

Een deugd is
'een stabiele levenshouding die ons in staat stelt keuzes te maken die het juiste midden aanhouden ten aanzien van onze voorkeuren zoals wijzelf en verstandige mensen in het algemeen dat in redelijkheid zouden bepalen'

Deugdzaam handelen is handelen
‘op het juiste moment, met betrekking tot de juiste objecten, in relatie tot de juiste mensen, om de juiste reden en op de juiste manier’

De deugd ligt in het midden, die kennen we allemaal. De dappere strijder beweegt zich tussen overmoed en lafheid, de gulle gever tussen verkwisting en gierigheid. Mooi vind ik altijd geestigheid, te situeren ergens tussen dorre verstarring en flauwe poep- en piesgrappen (zo zie ik dat dan maar voor me). Maar hoe kom je in dat midden terecht?

Joep Dohmen zegt in deze lezing (kijk minuut 45:20-1:00:38): Je moet weten wat je doet, je moet daar bewust voor kiezen en je moet daarin een innerlijke houding ontwikkelen, een dispositie. Dan weet je het juiste midden te kiezen.

En dan nu de handige tips om het juiste midden te vinden:
- Keer je af van wat het meest aan het midden is tegengesteld. Het ene extreem is erger dan het andere. (Het is wel lastig om te bepalen of nu verkwisting of gierigheid erger is.)

- Ga na waartoe jij het sterkst geneigd bent en vervolg je weg in tegenovergestelde richting. (Onze tijd kan daarom met een gerust hart collectief richting magere jaren bewegen, met onze neiging tot overvloed.)

- Zoek de balans door eerst naar het ene uiterste en dan naar het andere te gaan. (Dit houdt de belofte in van een paar spannende experimenten!)

- Kom je niet precies in het midden uit, volg dan de op een na beste koers. (Dat is nog altijd beter dan alles uit je handen laten vallen en in de goot te eindigen.)

- Pas op voor het aangename en het genot, dat zijn vaak verraderlijke motieven. (Vooral als het van korte termijn is.)

- Sta steeds achter je eigen handelen, wees overtuigd van je gedrag. (Second that.)

In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.



Bookmark and Share
Comments

Een najaar vol nieuwe boeken 2012

blaadjes
Ze zijn er weer, de catalogi van de uitgeverijen, uitpuilend van boeken die dit najaar gepland staan. In de brievenbus en ook steeds vaker online te vinden voor een ieder die geïnteresseerd is. Het belooft een mooi filosofieseizoen te worden! Hieronder mijn selectie, boeken die ik hoop te lezen, bespreken, of op zijn minst bepotelen.

Essays
- Wie nog nooit een boek las van journalist en held Ryszard Kapuściński bestelle nu direct Ebbenhout of Imperium of een willekeurige andere titel. Zeker die 95% van de bevolking die graag op reis gaat. Over de biografie van Artur Domoslawski ontstond nogal wat ophef omdat hij de waarheid van sommige verhalen in twijfel trekt. Maar zelfs dan blijft dit een mens van buitengewone proporties. Kapuściński: non-fictie. (De Geus, januari 2013)

- Robin te Slaa heeft de handschoen opgenomen en publiceert bij Boom een essay onder de gedurfde titel Is Wilders een fascist? Na de grote historische studie naar de NSB, 'legt hij de voorman van de PVV langs de fascistische meetlat'.

- Katherine Losse werkte in de begindagen bij Facebook en schreef daar een boek over: Jonge heersers (Arbeiderspers, september).

- Nieuwe essays van André Aciman? Dat zou mooi zijn. Toch vrees ik dat Alibi's misschien een nieuwe vertaling zal blijken van Valse papieren. We zullen het zien, binnenkort (Ambo, augustus). Meer over Aciman hier.

Filosofie
- Bij uitgeverij Klement (@UitgKlement) zijn ze goed bezig. Deze filosofische uitgeverij speelt zichzelf veel te weinig in de picture, de interessante boeken die er allemaal staan te verschijnen in aanmerking genomen. Zoals een vertaling van Hannah Arendt - Denken. Het leven van de geest (september). Een nieuw boek van Paul van Tongeren dat helemaal aansluit op de thematiek van levenskunst en deugdethiek, Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst (november). Maar ook een boek met de wat afschrikwekkende titel Quarterlife crisis. Een ontspoorde zoektocht naar authenticiteit, van Tim van den Hoff, dat niettemin belooft iets nieuws te zeggen over een uitgemolken fenomeen (november).

- Ook uitgeverij Boom gaat ervoor. Een nieuwe reeks Profielen verschijnt, met eerste delen over Žižek door Marc De Kesel en Foucault door Machiel Karskens (oktober). Van die laatste komt bovendien een vertaling uit van De woorden en de dingen (ook oktober). Dan het boekje van Kant dat je schijnt te kunnen veranderen in Kantiaan, Naar de eeuwige vrede. Die uitdaging wil ik wel aangaan. En in de mooie reeks van korte filosofische kernteksten vier essays van Peter Sloterdijk over media, Mediatijd (ook al oktober).

- Het zelf is een van mijn eigen thema's (hoewel ik er al bijna genoeg van heb). Toch ben ik benieuwd naar Jacques Bos - Het ongrijpbare zelf (Bert Bakker, januari 2013): 'Het ongrijpbare zelf legt [filosofische] vooronderstellingen bloot en onderzoekt de oorsprong van onze moderne denkbeelden over het zelf.’

- Lemniscaat brengt het boek waar Bert Keizer in zijn mooie essay over de ziel de loftrompet over steekt: Alva Noë - Wij zijn toch niet ons brein? (november 2012).

- En in het verlengde van mijn regelmatig hernomen zoektocht naar de filosofie van de liefde kan ik niet anders dan nieuwsgierig zijn naar een filosofie van de seks, door Alain de Botton: Meer denken over seks (Arbeiderspers, september).

Romans
- Per Hultberg - Preludes. De Watervis, september 2012
Een pil die al jaren in het Deens in mijn kast staat, gekregen van mijn moeder die Hultberg goed gekend heeft. Nu in Nederlandse vertaling, bijzonder!
Edit: ik blijk twee titels door elkaar te hebben gehaald. De dikke pil in mijn kast is Requiem, de vertaling is Preludes. Nieuwsgierigheid blijft gelijk.

- Dezso Kosztolányi - De gouden vlieger. Van Gennep, november 2012
Een nieuwe Kosztolányi in vertaling is altijd iets om naar uit te kijken, zie ook hier.

- Alex Boogers - Alle dingen zijn schitterend. Podium, november 2012
Gewoon, de mooiste titel uit alle najaarscatalogi.

Veel leesplezier!



Bookmark and Share
Comments

Elf draden in het labyrint van de digitale netwerkcultuur

inc
Bijna twee maanden werk ik inmiddels alweer bij het Instituut voor Netwerkcultuur. Twee maanden aan nieuwe informatie, vragen, teksten, mensen; soms duizelingwekkend maar altijd boeiend en nieuwsgierig makend. Het onderzoeksveld van digitale netwerkcultuur, artistieke en politieke ontwikkelingen daarin, de filosofie erachter, reflectie op sociale media, van privacy tot identiteitsvorming: het is een veld in beweging, dat zich nog vormt terwijl je er wat over probeert te zeggen en dat zo snel doet dat het tegelijk al vraagt om moderne geschiedschrijving. Het onderzoek vraagt de inzet van allerlei disciplines, van softwareontwikkeling tot antropologie, filosofie, pedagogiek, ga zo maar door. Ik heb geprobeerd in die dynamiek wat lijnen te ontwarren van vragen die vooralsnog steeds terug lijken te keren - en die mij opvallen omdat ze me boeien. Voor degenen die diep in deze materie zitten misschien voor de hand liggend, maar voor relatieve beginners zoals ik draden die je een weg helpen door het labyrint van internetonderzoek.


Elf draden in het labyrint van de digitale netwerkcultuur

1. Om te beginnen is er de vormende rol van software en technologie. Als echte alfa ben ik me nooit zo bewust van de technologische keuzes die programmeurs hebben gemaakt bij bijvoorbeeld het in elkaar knutselen van een website of de schermindeling van mijn iPhone. Terwijl die keuzes direct je gebruik sturen. Neem het maken van een profiel in Facebook: de mogelijkheden zijn beperkt door de software, templates, interface. The medium is the message natuurlijk, maar daaronder vallen ook algoritmes en programmeertalen, tot aan de hardware die je de hele dag in je tasje bij je draagt. Niet alleen de computer is geprogrammeerd - via de computer worden gedrag en identiteit geprogrammeerd, zo je pessimistisch kunnen beweren. Dat betekent dat je persoonlijke autonomie deels afhangt van je begrip van de technologie - sorry alfa's! (Zie ook het vijf minuten-praatje van Douglas Rushkoff, Program or be Programmed: Ten Commands for a Digital Age)

2. Aan de andere kant: alle technologie is gemaakt door mensen, en er bestaat nog niet zoiets als echte artificial intelligence. Dat betekent dat je altijd rekening moet houden met de 'subjectiviteit' van zoekmachines, tags, programma's. Inmiddels weten we wel dat Google niet objectief is, maar dat is niet alleen omdat Google geld wil verdienen, maar ook omdat het nog altijd mensen zijn die Google maken. Dat maakt het soms moeilijker, maar ook mooier: kleine smetjes maken dat grote boze monster letterlijk menselijk. Daarbij komt: het onderscheid tussen mens en technologie is niet strak, net als de grens tussen online en offline - 'in real life'. Sterker nog, die grens is betekenisloos. Online is het echte leven.

3. Big data is everywhere. Data is hét wachtwoord van deze tijd en big data de toverspreuk: economisch (er wordt big money verdiend met big data), sociologisch (er wordt big research verricht met big data), medisch, persoonlijk, politiek en ga maar door. Binnenkort een aparte blogpost over dit big subject.

4. De begintijd van internet kenmerkte zich door decentralisatie en vervlakking van hiërarchie. Haast utopisch leek de virtuele wereld een zee van vrijheid, die iedereen kon helpen inrichten. Die tijden zijn voorbij. Zowel overheden als het bedrijfsleven proberen de controle steeds meer in handen te houden door centralisatie en (economische) hiërarchie. Sommige sites kun je in sommige landen niet bezoeken (nee, dat gaat niet alleen over China, denk ook maar aan filmpjes die buiten de VS niet te bekijken zijn), en bovenal, zoals altijd: geld is leidend en hiërarchie ontstaat zelfs in een gemeenschap als die van Wikipedia. Toch staat decentralisatie weer op de agenda. Bijvoorbeeld bij mensen die alternatieven onderzoeken voor Facebook, waarbij juist belangrijk is dat de macht, maar ook de opslag van data, niet centraal georganiseerd is. Zou het een dialectische beweging, zoals ook wel in de politiek te zien is?

5. Hierop voortbordurend: de gebruiker staat voorop, niet de maker. Voorbeeld: critical design. 'The designer as author, as craftsperson bringing together beginning, middle, and end, becomes redundant in a space in which every participant forges his or her own beginning, middle, and end. And that is exactly what happens in networked media. The narrative recedes, and the behavior of the design solution becomes prominent. What becomes important are questions that concern not the author but the users. How does the system respond to the input of its users? When a user says something to the system, how does the system respond? Uiteraard met in het achterhoofd: program or be programmed

6. The cult of the amateur, heet de moderne klassieker van Andrew Keen. Of je die cult van de amateur omarmt of niet, je zult het ermee moeten doen. Daartegenover staat echter een enorme behoefte aan expertise en onderzoek, juist om niet alles over te laten aan die amateur.

7. Belangrijkste ontwikkeling in de laatste jaren: door de mobiele technologie gaat alles (persoonlijke contacten, nieuws, alles) in real time. Niet alleen het concept tijd verandert, maar ook ruimte. De ruimte is niet meer van belang en tegelijk van het grootste belang - het doet er niet meer toe waar je bent, als je maar online bent. En toch laat iedereen voortdurend weten waar hij is en wordt aan elke foto die je maakt automatisch een gps-coördinaat gekoppeld.

8. Nog zo'n paradox: globalisering gaat samen met steeds meer lokalisering. Het wereldwijde web is, tja, wereldwijd. Maar steeds meer is het de lokale gemeenschap die zich in die grenzeloze wereld profileert. Blogs worden geschreven in de native language (true), het grootste deel van het internet is al lang niet meer in het Engels, ook al lijkt het voor ons zo.

9. Alle problemen met privacy en commercie (het verband: de een wordt opgeofferd voor de ander) springen steeds meer in het oog, ook van het grote publiek. Natuurlijk is het een waardevolle les op alle vlakken in het leven: verlies nooit de commerciële belangen uit het oog. Alles draait om de klik. Met een discrepantie tussen kwantiteit en kwaliteit tot gevolg. Online wordt alles afgerekend op aantallen, op hits, op links. De meest lokale blogger opent met spanning de maandelijkse rapportages van Google analytics, als hij niet al de statistiekensites in real-time bijhoudt. Internet is te prijzen om de ruimte die het biedt aan de niche, aan de specialistische sites die ergens anders niet aan bod komen, de mogelijkheid voor iedereen om te publiceren. Maar hoe verhoudt zich dat tot de almacht van de klik? 

10. Ook een filosofisch verantwoorde les: het belang van de context rond de content. Alles draait om content, maar het bijzondere is dat de content vaak losstaat van zijn geschiedenis, het ontstaan ervan. Zoals ik een YouTube-filmpje op mijn site kan embedden en er een verhaaltje omheen kan schrijven dat de inhoud van het filmpje radicaal verandert. Daarom zijn lessen mediawijsheid broodnodig.

11. Kunst: de technologie van video bijvoorbeeld, laat de wereld zien - ze staat in dienst van de werkelijkheid. En andersom past de wereld zich aan de technologie aan, en bepaalt de technologie wat er in de wereld te zien is. 

Aanvullingen, leestips, links zijn meer dan welkom.



Bookmark and Share
Comments

Aanraders, afraders en no-shows: boeken waar ik naar uitkeek

najaar2011
Hoogzomer (zegt men), en de eerste najaarscatalogi vol nieuwe boeken komen alweer binnen. Eens zien naar welke nieuwe boeken ik een jaar geleden ook alweer uitkeek. Nieuwe boeken in het najaar 2011: ja, dat had ik dit voorjaar al kunnen hernemen, ware het niet dat uitgeverijen tot de werkelijk aller-, maar dan ook allerslechtste planners van de hele economie behoren - waardoor de helft van de najaarsboeken verschijnt in het voorjaar, in het volgend jaar, of gewoon helemaal niet.

Zoals Marja Pruis - Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere, dat nog steeds moet uitkomen bij Prometheus.

Timothy Wilson - De verhalen van ons leven. Leer je zelfbeeld te veranderen voor een beter bestaan.
'Die titel belooft meer dan het boek waarmaakt, want in feite presenteert Wilson enkele resultaten uit zijn sociaal-psychologische onderzoek naar groepsvorming, identiteit en processen van uitsluiting. Het meer theoretische gedeelte over de zogenaamde 'verhaalbewerkingsmethode' levert echter interessant materiaal om verder over te peinzen.’ Lees mijn uitgebreide verder peinzen: De verhalen van ons leven - Het beest in de bek kijken en Geluk als productiviteit.

Over Jan Bor - Wat is wijsheid? wil ik eigenlijk nog een echt blog schrijven, tot die tijd moet je het doen met een recensie: Voorbij de grenzen van het denken.

Omdat seks, drugs en filosofie gewoon wel aardig klinkt. Dat klinkt het nog steeds, maar ik heb zelden zo'n onleesbaar boek in handen gehad als Het hoorcollege. Seks, drugs en filosofie in Buenos Aires van Pola Oloixarac. Schijnbaar gehyped in haar thuisland, maar waarom Meulenhoff het nodig achtte dit hier op de markt te brengen is een raadsel. Niet uitgelezen, zelfs niet voor de recensie die ik er dus ook niet over schreef. (Bij deze.)

Een van de beste boeken van 2011 bleek Jeffrey Eugenides - Huwelijk. Over een driehoeksrelatie tussen twee jongens en een meisje: verder met mijn literaire onderzoek naar de liefde dus. Lees het resultaat hier: Over de liefde en reddende engelen.

Helle Helle - Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden.
Gelezen, maar nog niet verwerkt. Kom ik op terug.

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig.
Het verhaal van de liefde, gezien vanuit de man. Dan krijg je dus een Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten. En de recensie, Twee mannen, één vrouw, nul op het rekest.

Het was de hit van het najaar, prijswinnaar Julian Barnes - Alsof het voorbij is. Stiekem maakte de verhalenbundel Polsslag die eerder uitkwam misschien wel meer indruk op me. Maar toch: 'Als je het uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen.'

Hassan Bahara en Patrick Pouw - WTF? Volwassen worden na 11 september. Aardige bundeling van wisselende kwaliteit, Voorbij het hokjesdenken.

Jeanette Winterson - Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?
Deze memoires van Winterson heb ik nog niet gelezen. Weet je waarom? Omdat ik de titel opvatte als een stelling van Winterson, een ironische, half-retorische vraag die de insteek van die memoires zou vormen. Een zin die me erg aansprak en aanspreekt. Uit wat ik over het boek las, bleek echter dat het hier gaat om een uitspraak van Wintersons moeder - een niet ironische, volkomen retorische vraag, die wij moeten verfoeien. Jammer.

Anton Blok - De vernieuwers. Zegeningen van tegenslag in wetenschap en kunst.
Nog niet verschenen, Bert Bakker!

Jonah Lehrer - Uit het niets. De nieuwe wetenschap van creativiteit.
Oja.

Meer tips? Kijk onder de tag recensie of de categorie Literatuur of Filosofie. Later deze zomer een nieuw lijstje met boeken waar ik naar uitkijk.



Bookmark and Share
Comments

Rolf Dobelli - De kunst van het heldere denken

dobelli
Ze vormen een welkome afwisseling op de Zin-pagina van nrc.next, de columns van Rolf Dobelli over denkfouten. Nu is er een boekje met 52 voorbeelden van waar het rationele denken de mist in gaat.

De kunst van het heldere denken is als boek toch vooral een verzameling columns. De korte stukjes leunen sterk op anekdotes, voorzien van een hapsnap analyse en ondersteund met wetenschappelijke feitjes. Niettemin een aardige bundeling voor wie houdt van het werk van Nassim Nicholas Taleb (De zwarte zwaan) of de statistiek-debunking van Hans van Maanen.

Lees verder op 8WEEKLY: Trap niet in de valkuil van je eigen hersenen



Bookmark and Share
Comments

Het experiment geluk: cijfers, woorden

Geluksonderzoek concentreert zich nogal eens op statistische vragenlijsten van het type 'hoe eens bent u het met de volgende uitspraak: ik voel me gelukkig'. Dat roept bij filosofen natuurlijk meteen allerlei vragen op. Wat is geluk eigenlijk? Kun je wel zeggen hoe gelukkig je je op een bepaald moment voelt, of kan dat alleen achteraf? Is geluksgevoel intrinsiek, of afhankelijk van externe factoren?

Ik heb een tijdje meegedaan met een onderzoek naar geluksgevoel, dat uitgevoerd werd via een iPhone-app (dat was de belangrijkste reden om mee te doen, denk ik) en ook op die manier was opgezet. Elke dag moest je een indicatie geven van je geluksgevoel, en daar nog wat vragen omheen beantwoorden. Geen idee wat de uitkomst van het onderzoek was, want ik ben vroegtijdig afgehaakt. Wat ik leerde was in elk geval dat mijn stemming erg afhankelijk was van externe factoren. In de evaluatie meldde ik onder andere dat ik de vraag miste of ik gedronken had. Ik heb nog veel te leren van de (oude) filosofen, vrees ik.

Experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk
Een nieuwe vorm van filosofie bedrijven is de zogenaamde 'experimentele filosofie'. In een wat amateuristisch YouTube-filmpje, dat niettemin interactief is (kende ik nog niet) zie je een voorbeeld van experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk. Of eigenlijk onze waarneming van geluk bij anderen. Wat blijkt? Als we de mate van geluk of ongeluk van een derde proberen in te schatten, laten we ons leiden door waardeoordelen over die persoon:


Vooroordelen over vooroordelen
Nu kun je in dit geval vraagtekens zetten bij de vooroordelen wat betreft de waarden die uit dit filmpje spreken. De mijne zijn het niet. Aardig is wel dat ik me meteen bewust werd van wat mijn waarden dan wel zijn: ik vond de tweede Maria vooral ongelukkig overkomen omdat ze zo graag wil zijn als iemand anders. Ze is niet autonoom (wellicht evenmin als ik met mijn externe factoren, maar die komen er nooit op neer dat ik wil lijken op iemand anders). Een queeste naar roem en de rock-'n-roll lifestyle vind ik niet per definitie verwerpelijk en een goede moeder zijn lijkt me niet per definitie een beter doel, zoals het filmpje wil doen geloven.

Interessant, ook filosofisch gezien, is natuurlijk dat die waardeoordelen bij het beoordelen van iemands ongeluk niet meespelen. Toch vragen de uitkomsten van dit soort filosofische experimenten nu juist om 'standaard' filosofisch onderzoek naar wat dat dan betekent. Heeft het te maken met ons empathisch vermogen dat zich niet laat hinderen door meer rationele waardeoordelen? Spreekt geluk van een ander misschien meteen onze competitieve drang aan, onze jaloezie?

Happyism en Happinez
In Vrij Nederland schreef Carel Peeters onlangs ook over de op z'n minst discutabele vraagstelling van het geluksonderzoek, 'de 1-2-3-schaal'. De literatuur geeft tegenwicht aan die op positieve psychologie gebaseerde onderzoeken, dat uiteindelijk lijkt te resulteren in de stortvloed aan Happinez- en Flow-achtige bladen. 'De uitkomsten zouden iets zeggen over de wereld van nu. Misschien zijn mensen sociologisch of economisch gezien wel ‘tamelijk gelukkig’. Maar wat hebben we daaraan, als de echte werkelijkheid veel genuanceerder is en in de literatuur te vinden is, bij Philip Roth, Jonathan Franzen of Martin Amis. Daar lees je hoe het werkelijk is gesteld. Je hoeft er zelfs niet voor naar de uitgesproken misantropische schrijvers. Al die sociologen, psychologen en sociaal-geografen zijn bezig met wat men in Amerika happyism noemt. Ze bepalen hoe grote groepen mensen zich zouden voelen. Je hebt er niets aan.'

Klare taal! Begeeft de 'experimentele filosofie' zich eigenlijk niet gewoon op het pad van de sociologie en de psychologie, daar waar volgens Carel Peeters een woord als geluk helemaal niet thuishoort? Wat is eigenlijk het verschil, als je niet verder ingaat op de betekenis van die waarden en woorden? Heeft het onderzoek uit het filmpje wel met geluk te maken, of gaat het soms alleen maar over die waardeoordelen waarmee we andere mensen de maat nemen?

Geluk als plicht
En hoe zit het met het waardeoordeel aller waardeoordelen, dat waarnaar het tegelijk grappige en lelijke woord happyism verwijst; namelijk dat iedereen wel zal streven naar geluk - sterker nog daarnaar moet streven. De tendens om geluk als een recht te zien - dat staat buiten kijf - en verder nog - geluk als plicht voor alle burgers? Om dat te ontmaskeren heb je inderdaad de literatuur nodig. 

Peeters haalt Kees van Kooten aan: 'Ze kunnen bijvoorbeeld aan hedonia lijden, het onvermogen om van geluk te genieten. Voor die aandoening is geen plaats in de 1-2-3-schaal. Er zijn mensen die vinden dat ze sober (niet uitbundig) moeten leven, anderen stellen zich komende rampen voor, er zijn mensen die denken dat ze geen recht op geluk hebben, weer anderen hebben geen talent voor frivoliteit.'

Wat inderdaad met mensen die geen aanleg hebben voor geluk? Of die zich er niet zo voor interesseren? Die bijvoorbeeld wijsheid belangrijker vinden, of zorgen voor anderen vanuit diepgevoeld (religieus) medelijden, of zoveel mogelijk kicks opdoen al moeten ze voortdurend over hun pijngrens heen. Die daar misschien hun 'geluk' uithalen als zin van het leven, maar niet op de 1-2-3 manier. 

The unhappy child
Peter Stearns noemde in een mooie lezing over de geschiedenis van het opvoeden - die steeds meer een geschiedenis van het opvoeden tot geluk is - dat type kind dat vergeten wordt, of erger nog totaal verkeerd begrepen, the unhappy child. Die kinderen bestaan en zijn misschien niet ongelukkig, maar gewoon peinzend aangelegd, soms neigend tot een verdrietige grondstemming, maar vast ook in de wieg gelegd voor wijsheid. Geef ze een Happinez en ze zullen juist ongelukkig worden door de confrontatie met zoveel schreeuwerig geluk. Op welke schaal ze staan? Dat ligt helemaal aan het vooroordeel waarmee de wereld naar ze kijkt. 



Bookmark and Share
Comments

J.M. Coetzee en Paul Auster - Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011

coetzee_auster
Twee literaire grootheden van de afgelopen decennia, J.M. Coetzee en Paul Auster, ontmoeten elkaar, gek genoeg pas in 2008. Het is een ontmoeting die meteen vruchten afwerpt. Coetzee stelt Auster voor een briefwisseling te beginnen. Die wil wel, maar dan 'niet alleen eettafelgesprekken - iets rigoureuzers'. Het resultaat is nu, na drie jaar heen en weer schrijven, verschenen: Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Een vriendschap is het zeker, en een rigoureuze vriendschap ook.

Een boek als dit voelt als een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid: twee grote hedendaagse schrijvers gunnen je een blik in hun leven, hun preoccupaties en werkwijze, maar ook in hun privéleven. Gaandeweg ontwikkelen ze een vriendschap die ontroert. We zijn getuigen van hun worsteling met het ouder worden, met hun eigen vak en relevantie als schrijver, met de wereldpolitiek en de ongemakken van beroemd zijn. Dat is veel ja, maar dat hoort bij zo'n cadeau.

Lees verder op Athenaeum.nl: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid



Bookmark and Share
Comments

Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten

cain_stil
Als ik aan zure matten denk, of 'zure matten’ typ zoals nu, voel ik meteen mijn speekselklieren aan het werk gaan, haast alsof mijn wangen hamsterachtig opzwellen. Wat blijkt? Je reactie op zure dingen is een beproefde manier om te testen of je tot het introverte dan wel extraverte persoonlijkheisdtype behoort, zo las ik in Stil van Susan Cain. Daarin beschrijft ze wat introvert zijn betekent, wat de 'kracht' ervan is en waarom die zeker in de Amerikaanse cultuur niet onderkend wordt. Soms doet ze dat op wel erg defensieve wijze, maar al met al is het boek voor mij een eye-opener geweest. En niet alleen omdat ik nu weet waar dat excessief watertanden op wijst. (Hier vind je Cains TED-talk en een link naar een artikel van haar.)

Introvert dan wel extravert zijn; het klinkt als een gemakkelijke typering, maar Cain laat zien hoeveel verschillende dingen ermee te maken hebben. Ze begint met een soort alledaagse psychologie: we hebben allemaal wel een idee van hoe introverte en extraverte mensen zich gedragen. Daar hangen ook allerlei oordelen aan vast, impliciet ('die stille jongen heeft vast niks te zeggen, saaaaaai!' - terwijl, wat is er eigenlijk mis met ernst als deugd?) maar ook expliciet (grappig zijn de passages waarin Cain bijeenkomsten van zelfhulpgoeroes bezoekt, die stuk voor stuk gaan over het aankweken van extraversie, blijkbaar moet je van je introversie af geholpen worden). Het onderwijs is ingericht naar die oordelen, net als de werkvloer. Politiek, economie, culturele misverstanden: werkelijk alles weet Cain aan haar thema op te hangen.

Terug naar de basis. De wetenschappelijke basis van experimenten met citroensap. Hoe test je zoiets als introversie? Probleem is juist dat het daarin gaat om een voorkeur voor het innerlijke leven en ook letterlijk voor alleen zijn. Lange tijd richtte de sociale wetenschap zich alleen op de uiterlijke verschijningsvormen van gedrag. Terwijl innerlijk gedrag óók gedrag is, al kun je het niet observeren. Ook op dit gebied heeft de 'physical turn' in het onderzoek een heel nieuw veld aan vragen en mogelijke hypothesen blootgelegd. Zoals het citroenexperiment (door mij vertaald naar de zure matten), dat overigens al in 1967 voor het eerst werd uitgevoerd. Als je gaat watertanden bij de gedachte aan zure matten, heb je een introverte aanleg - je reageert namelijk bovengemiddeld op externe prikkelingen.

Prikkeling lijkt het toverwoord te zijn waarmee al die thema's - het lichamelijke, maatschappelijke, sociale, morele et cetera - te koppelen zijn. Hoe reageer je op prikkelingen? Ben je snel overprikkeld of zoek je steeds naar meer? Daar kun je je aan de hand van de voorbeelden die Cain geeft een beeld van vormen. Haar anekdotes en persoonsbeschrijvingen - van zichzelf en anderen - zijn inzichtelijk, soms herkenbaar, soms juist niet, maar altijd waard om over na te denken en jezelf aan te spiegelen. Een aantal van mijn voorkeuren valt op zijn plek: bijvoorbeeld voor de abstracte kunst van Mondriaan en De Stijl. En landschappen zoals woestijn (sneeuw-, rots-, zand- dat maakt niet uit, gewoon lege vlaktes). Aan de andere kant: ik ben van de harde muziek die liefst altijd op de achtergrond staat te spelen. (Wel rechttoe rechtaan, zoals ik schreef in mijn Nummer van de dag.)

Cain geeft wel af op de zelfhulpcultus, maar ze weet dondersgoed dat ze er zelf ook aan meedoet. Ze wil natuurlijk ons introvertelingen een hart onder de riem steken. De belangrijkste vraag die je dan moet zien te beantwoorden is: wat is je optimale prikkelingsniveau? Introverte mensen reageren heftig op veel prikkelingen, extraverte mensen kunnen wat dat betreft meer hebben. (Vandaar dat drukke - huilende - kinderen over het algemeen juist introvert zijn, anders dan veel mensen verwachten.) Uiteindelijk probeer je als introverte mens in een extraverte maatschappij je leven dan maar zo te organiseren dat het past bij dat optimale prikkelingsniveau - zoals natuurlijk iedereen dat doet. (Dat is overigens de vreugde van ouder worden: eindelijk je leven leiden naar je eigen inzicht.)

Soms gaat dat makkelijk, soms word je tegengewerkt. Om af te sluiten twee concrete voorbeelden die me aanspraken:

Social media
'de sociale media hebben nieuwe vormen van leiderschap mogelijk gemaakt voor tientallen mensen die niet in het sjabloon van de Harvard Business School passen.' ... 'Onderzoek heeft zelfs aangetoond dat introverte mensen gemiddeld meer dan extraverte mensen intieme feiten over zichzelf prijsgeven via internet die hun familie en vrienden zouden verbazen, vaker zeggen dat ze hun "ware ik" via internet kunnen uiten, en meer tijd besteden aan bepaalde internet-discussievormen.'

Herkenbaar. Eerder viel me een soort discrepantie op tussen mijn Twitter- en Facebookgebruik als het gaat om wat je vertelt en aan wie. Er is 'de grote wereld' en er zijn je nabije vrienden. Juist intieme informatie deel ik soms sneller met de grote, anonieme wereld dan met de kleine kring. Die laatste weet het op waarde te schatten en te interpreteren, wat niet altijd de bedoeling is, of wat beangstigend kan zijn. Twitter is volkomen openbaar en ik word gevolgd door allerlei mensen die ik helemaal niet ken. Toch zet ik sommige persoonlijke dingen daar eerder op dan op Facebook, waar de mensen mij beter kennen en dus weten waar ik het over heb. (Ik begrijp die beroemdheden dan ook wel, die allerlei privé-zaken spuien voor het grote publiek. Het maakt namelijk niet uit, want het publiek ken je niet, en kan daarom niet aan je komen.) Juist iets aan bekenden vertellen is eng, daar zet je jezelf op het spel. Het publiek kun je sturen, je bekenden niet, die brengen veel meer ter tafel wat je niet in de hand hebt en kunnen jou bovendien daarmee confronteren.

De kantoortuin
'Kantoortuinen verlagen de productiviteit en verslechteren de geheugenfunctie. Ze vertonen een relatie met groot personeelsverloop. Ze maken mensen ziek, vijandig, ongemotiveerd en onzeker. Mensen die in een kantoortuin werken, hebben meer kans op hoge bloeddruk, stress en griep; ze maken vaker ruzie met collega's, ze zijn bang dat collega's hun telefoongesprekken afluisteren en op hun computerscherm spieden. Ze voeren minder persoonlijke en vertrouwelijke gesprekken met collega's. Ze worden vaak blootgesteld aan luid en oncontroleerbaar lawaai, dat de hartslag verhoogt; dat zorgt voor de afgifte van cortisol, het vecht-of-vluchthormoon dat het lichaam bij stress aanmaakt; en dat mensen sociaal afstandelijk, licht ontvlambaar, agressief maakt en ongenegen om anderen te helpen.'

Verdere toelichting overbodig.



Bookmark and Share
Comments

Zie je jezelf van buitenaf of van binnenuit?

orwell
Stel je de volgende situatie voor: vanavond speelt het Nederlands elftal. Je hebt afgesproken om bij vrienden te gaan kijken en je weet dat er ook iemand bij zal zijn op wie je stiekem een beetje verliefd bent. De hele dag zit je vol zenuwen en voortdurend maak je je voorstellingen van hoe je binnenkomt en hem ziet - moet je drie zoenen geven of een hand? je naam nog eens zeggen? een oranje shirt aan of juist niet? heel hard juichen of ironisch commentaar leveren? wat nou als je jezelf niet in kunt houden? Kortom: het maalt in je hoofd over jezelf in een toekomstige situatie. Nu is de vraag: zie je jezelf van binnenuit of van buitenaf?

Ik zal zelf als eerste antwoorden: ik zie mezelf altijd van buitenaf. Als ik dagdroom of denk aan wat er vanavond of morgen staat te gebeuren, zie ik mezelf in gedachten van een afstandje bezig met zus of zo. Gek, want het spreekt voor zich dat ik mezelf nooit van een afstandje heb gezien. Nu zijn er vast mensen die dit psychologisch weten te duiden (en dan komen de 'van buitenaf-types' er vast slechter van af dan de 'ik val met mijzelf samen-figuren') of neurologisch in verband brengen met de lichaam-geest-problematiek (zoals bijvoorbeeld in het boek van Thomas Metzinger). Een citaat van George Orwell zette me echter op een ander, literair, spoor:

[F]or fifteen years or more, I was carrying out a literary exercise of a quite different kind: this was the making up of a continuous ‘story’ about myself, a sort of diary existing only in the mind. … For minutes at a time this kind of thing would be running through my head: ‘He pushed the door open and entered the room. A yellow beam of sunlight, filtering through the muslin curtains, slanted on to the table, where a match-box, half-open, lay beside the inkpot. With his right hand in his pocket he moved across to the window. Down in the street a tortoiseshell cat was chasing a dead leaf’, etc. etc.
[voor het uitgebreide citaat klik op het plaatje]

Dit is iets anders dan de vraag hoe je perspectief geregeld is in je dagdromen, toch moest ik meteen daaraan denken. Als je een doorlopend verhaal over jezelf vertelt, durf ik er vergif op in te nemen dat je in je gedachten over jezelf het perspectief van een buitenstaander aanneemt.

Andere vragen die altijd leuk zijn om te stellen als je niks meer weet te zeggen:
* Hoe zie je jezelf in je droom? (ook van buitenaf)
* Denk je voornamelijk in woorden of in beelden? (eh, beide)
* En dus: vertel je een doorlopend verhaal over jezelf aan niemand in het bijzonder (vroeger meer dan nu)

Orwells innerlijke dagboek herkende ik meteen. Zeker toen ik jonger was leek het alsof ik mezelf niet anders dan als personage kon zien - niet in een verheven literaire vertelling, maar eerder in een vrij slechte soap. Het verhaal nam dan ook vaak een filmische vorm aan, alsof er voortdurend camera's op me gericht waren. Alleen in meer poëtische buien hoorde ik in mijn hoofd de talige beschrijvingen zingen waar Orwell ook op wijst. Voorbeeld. Als ik als kind in de trein zat keek ik uit het raampje en zag ik mezelf langs het spoor rennen, of op een paard alle hindernissen nemen, letterlijk vliegensvlug rennend door de weilanden en springend over hekken, zigzaggend langs bomen, zwevend over water. Nu heb ik vele, vele uren en dagen, bij elkaar opgeteld weken, in de trein doorgebracht tussen Culemborg en Odense (Denemarken). Is het vertellen van een verhaal - ook al is het plotloos en saai, eigenlijk even plotloos en saai als een treinreis van tien uur - niet gewoon een manier om je tijd door te komen?

Ik denk het wel. Iemand met een geest 'voorbestemd om schrijver te worden' - dan heb ik het vooral over George Orwell - is altijd in desperate need of material. Of toch in elk geval als kind en jongeling, als het leven saai is en de verveling je nog dagenlang kan teisteren. Ik weet zeker dat veel lezers (ofwel veellezers) dit herkennen: letterlijk álles lezen wat in je handen valt, van reclamefolder tot shampoofles. (Dan word je ouder en heb je daar geen tijd meer voor, omdat er altijd nog tien boeken en twintig tijdschriften op je wachten, nog los van de vergaarbak die Instapaper heet.) Een continu verhaal vertellen aan niemand in het bijzonder drukt ook de behoefte uit aan actie en sensatie. Weg met de saaiheid en de verveling!

Maar ook toont zich hier de geboorte van de schrijver. Iedereen heeft wel eens gedacht dat hij ten onder zal gaan aan ennui, en daarom in zijn hoofd een sensationeel verhaal bedacht waarin alles anders zal zijn. De schrijver heeft nog een andere behoefte daar bovenop: de behoefte aan het werken met taal. Ook daarin is hij in desperate need of materiaal. In zijn verhaal, verteld in stilte aan niemand in het bijzonder, traint hij zijn literaire taalgevoel. Het gaat hem niet alleen om drama en sensatie, maar ook om beschrijvingen. De nauwkeurigheid van een vergelijking, de melodie van een zin, woordenschat en opmerkingsvermogen. Alleen degene die compulsief is zal ver komen.

Of zijn dit allemaal smoesjes omdat ik bang ben dat jezelf standaard van buitenaf beschouwen eigenlijk duidt op een persoonlijkheidsstoornis (in het slechtste geval) of ijdele hoogmoed (ook in het slechtste geval)?



Bookmark and Share
Comments

10 x Levenskunst - Deugden en ondeugden

1. Frans de Waal
Heeft de moraal een natuurlijke, evolutionaire oorsprong? Of is moraal specifiek menselijk en niet los te zien van cultuur? Dat was de inzet van de lezing door prof. Joep Dohmen over het werk van bioloog Frans de Waal en in het bijzonder de notie van empathie. De Waal laat in zijn onderzoek naar het gedrag van apen zien dat empathie – en daarmee gedrag als wederkerigheid en troost – niet een verworvenheid van de mens is, maar ook bij dieren voorkomt. De mens is net als zijn naaste verwanten ‘van nature goed’, zij het dat hij ook van nature uitgerust is met ‘slechte’ eigenschappen als agressie en machtsbelustheid.
Lees verder: Empathie is nog geen moraal: Joep Dohmen over Frans de Waal

2. Wu wei
Een moderne moraal legt geen regels op, maar ondersteunt de natuurlijke neigingen tot het goede. Deugden die het vrije individu trainen in dat waar hij goed in is, in plaats van hem te beperken maken zo’n moraal praktisch. De 21e eeuw vraagt om een ethiek die geen regels en wetten formuleert, maar juist de verlammende werking van regels laat zien. Prof. Maarten van Buuren wil op zoek naar zo’n natuurlijke moraal, en het taoïsme is daar een eerste voorbeeld van. Zo blijkt uit zijn lezing in de serie Levenskunst, Wu wei, doen door niet te doen.
Lees verder: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

3. Aristoteles
De deugdethiek en de levenskunst: twee dominante filosofische stromingen van deze tijd. Beide kwamen op in de laatste decennia van de twintigste eeuw en zijn nu bepalend voor wat je zou kunnen noemen de ‘mainstream’-filosofie. Twee filosofieën met een verschillende oriëntatie. Deugden zijn gericht op karaktervorming, het ontwikkelen van een houding die zich vertaalt in bepaald gedrag. De centrale, achterliggende waarde: geluk, of ‘gelukt zijn’ in overeenstemming met de menselijke natuur. De levenskunst is eerder gericht op het vinden van een persoonlijke ‘zin’ en draait om de centrale waarde van ‘authenticiteit’, in overeenstemming met je individuele zijn. Prof. Joep Dohmen noemt het verbinden van deze twee ethieken hét filosofische probleem van deze tijd. Hoe kunnen deugden geïntegreerd worden in een actuele levenskunst?
Lees verder: Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit

4. Epicurus
De deugd is als een geneesmiddel. Zoals je een medicijn slikt om gezond te worden, zo beoefen je de deugd om geluk te bereiken. Epicurus zet zich met deze utilitaristische, op het nut gerichte visie op de deugden af tegen zijn grote voorgangers Plato en Aristoteles. Maar tegen welke prijs? Dat is de vraag die blijft hangen na de lezing van prof. dr. Maarten van Buuren over Epicurus in de serie Levenskunst.
Lees verder: Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst

5. Martha Nussbaum
Nut en rechtvaardigheid zijn de twee leidende principes van de moderne moraal. Martha Nussbaum, een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse filosofen, onderzoekt hoe die moraal weer een bredere invulling kan krijgen. Daarvoor grijpt ze terug op de levenskunstfilosofen van de klassieke oudheid, in het bijzonder Aristoteles. De centrale vraag in haar ethiek is dan ook ‘Hoe te leven’? Ethiek, Bildung, maar ook politieke filosofie krijgen allemaal haar aandacht onder de centrale noemer van het ‘goede leven’. Het goede, zo laat Joep Dohmen in zijn lezing over Nussbaum zien, is niet singulier maar meervoudig.
Lees verder: Geluk, ambivalentie en tragiek: Martha Nussbaum en levenskunst

6. Niccolò Machiavelli
Is de staatsterreur van Assad in Syrië goed te praten vanuit de machiavellistische ethiek? Als het zo is dat de slachting van tientallen, zo niet honderden burgers tegelijk door de machthebbers te verantwoorden is met Machiavelli in de hand, dan moet er toch iets mis zijn met de schrijver van Il principe. Een interessant punt dat Joep Dohmen Maarten van Buuren voor de voeten werpt in hun discussie na afloop van de lezing over Machiavelli in de serie Levenskunst.
Lees verder: Het doel heiligt de middelen: de ethiek van Machiavelli

7. Richard Sennett
Jobhoppen, relatiehoppen en religieshoppen, daaruit bestaat het leven tegenwoordig. Vaste relaties hebben we als ketens van ons af geworpen om ons helemaal te richten op vrijheid en zelfontplooiing. Daarmee hebben we echter een hoop waardevols weggegooid, dat niet zo makkelijk weer te hervinden is. Richard Sennett stelt in zijn werk deze cultuurpessimistische diagnose van de hedendaagse maatschappij, die haast geen samenleving meer te noemen is. Hoe krijgen we weer vaste grond onder de voeten?
Lees verder: De flexibele mens en zijn angsten: Richard Sennett

8. Friedrich Nietzsche
Maakt dit mij sterker? Dat is de leidende vraag in de nietzscheaanse levenskunst. Niet: is dit het goede of het ware, want ook het goede en het ware staan slechts in dienst van het vergroten van je eigen kracht. Als een illusie je op een zeker moment sterker maakt dan de waarheid – kies dan voor de illusie. Sommige waarheden kunnen zo hard en onhandelbaar zijn dat ze schadelijk worden – schuif ze dan terzijde. De waarheid en de illusie zijn deugdelijk als ze jou sterker maken en ondeugdelijk als ze je verzwakken, dat is de kern van Nietzsches deugdenethiek. Maar het volgen van de weg omhoog (de wil tot macht, dat wat je sterker maakt), gaat onvermijdelijk gepaard met lijden en zelfopoffering.
Lees verder: Nietzsche als deugdethicus

9. Alasdair MacIntyre
Ons leven is gefragmenteerd en we dreigen onszelf kwijt te raken. Dat is de niet erg vrolijke diagnose van de moderne mens die Alasdair MacIntyre stelt. Onder invloed van het liberalisme zijn we alleen nog maar bezig met onze individuele meningen en vieren we het consumentisme. Van een gemeenschappelijke moraal en sociale samenhang is geen sprake meer. Hoe die terug te vinden?
Lees verder: Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie

10. Richard Rorty
'Nu komt het aan op je idealisme, Miriam.' 'Ik ben wel idealistisch, omdat ik geloof dat je de wereld een beetje beter kunt maken. Maar niet voorgoed en niet op recept. Daarvoor blijf ik te veel een pragmaticus.' Ik droom niet altijd in filosofische dialoogjes, zeer zelden zelfs, maar blijkbaar had de Levenskunstlezing over Richard Rorty en het pragmatisme een snaar geraakt. Ik noem mezelf dan ook vaak pragmatisch, met als enige principe de Sartriaanse absolute vrijheid die absolute verantwoordelijkheid met zich meebrengt (dat principe laat ook weinig ruimte over voor de rest).
Lees verder: Richard Rorty en het nieuwe pragmatisme



Bookmark and Share
Comments

Richard Rorty en het nieuwe pragmatisme

levenskunst
'Nu komt het aan op je idealisme, Miriam.' 'Ik ben wel idealistisch, omdat ik geloof dat je de wereld een beetje beter kunt maken. Maar niet voorgoed en niet op recept. Daarvoor blijf ik te veel een pragmaticus.' Ik droom niet altijd in filosofische dialoogjes, zeer zelden zelfs, maar blijkbaar had de Levenskunstlezing over Richard Rorty en het pragmatisme een snaar geraakt. Ik noem mezelf dan ook vaak pragmatisch, met als enige principe de Sartriaanse absolute vrijheid die absolute verantwoordelijkheid met zich meebrengt (dat principe laat ook weinig ruimte over voor de rest).

De pragmatische moraal verwijst simpel gezegd naar dat wat werkt in een bepaalde situatie. Ze is dus altijd afhankelijk van de context (en ik zou willen toevoegen: van de personen waar het om gaat). Deze 'anti-fundamentalistische' instelling vindt haar grond in het perspectivisme, de filosofische richting die het bestaan van één waarheid ontkent. Een waarheid is altijd ván iemand of voortkomend uit een wereldbeeld, een tijdgeest. De waarheid die toevallig wordt gezien als dé waarheid is gewoonweg de versie van degene met de meeste macht. Zie Nietzsche en Wittgenstein, maar ook Thomas Kuhn en zijn beschrijving van de geschiedenis van de wetenschap. Hoe we de wereld zien en hoe de wetenschap de wereld beschrijft, is veel meer afhankelijk van het paradigma waar we in leven dan dat het een waarheidsgetrouwe afbeelding van de werkelijkheid is.

Pragmatisme wordt nogal eens een eufemisme voor opportunisme genoemd. Onterecht, zegt Maarten van Buuren in zijn lezing, want opportunisme is handelen uit eigenbelang, terwijl het filosofisch pragmatisme begrepen moet worden als een ethiek gericht op het algemeen belang. Het blijft nogal vaag waaruit dat algemeen belang dan bestaat en vooral: wie dat bepaalt. Wat het werk van Rorty node mist, concludeert Van Buuren, is een reflectie op macht. Continentale denkers als Michel Foucault hebben laten zien dat machtsverhoudingen juist omdat ze vaak onzichtbaar blijven, steeds in het vizier van de filosofie moeten staan. 

Het algemeen belang - laten we zeggen, dat met het grootste nut voor de samenleving - is natuurlijk niet waar ik op duid als ik mezelf pragmaticus noem. Dan gaat het om mijn eigen beslissingen en keuzes. Misschien staat de val van het opportunisme dan alsnog wagenwijd open? Ik denk het niet. Want eigenlijk grijp ik vooral naar het pragmatisme in gesprekken met anderen, als een vriend me een probleem voorlegt of als ik samen met collega's voor een dilemma sta. Dan dwingt een pragmatische houding je te luisteren naar het hele verhaal, waarin precies de context van het probleem of dilemma zich ontvouwt. Zonder vooroordelen en al helemaal zonder zo'n gebruiksaanwijzing achter de hand die verdeeld is in twee kolommen: wat is uw probleem, onderneem dan de volgende acties.

Het pragmatisme, zo kwam ook naar voren, is bij uitstek een literaire filosofie. Niet zo gek, als het juist draait om context, situatie, personen en hun verhoudingen ten opzichte van elkaar - of, zo je wilt, hun machtsrelaties. Als een bruikbare ethiek op het niveau van de samenleving schiet het misschien op punten tekort, toch denk ik dat het waardevol blijft voor de individuele levenskunst. En misschien wel de enige manier om praktisch invulling te geven aan die verdammte vrijheid en verantwoordelijkheid.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Arnon Grunberg - De man zonder ziekte

de_man_zonder_ziekte
We hebben geen goden meer om ons ten gronde te richten. Wat dan wel? In de moderne tragedie van De man zonder ziekte, de nieuwe roman van Arnon Grunberg, leiden het irrationele, het ondergrondse, onbewuste en het duistere hoofdpersoon Sam naar de ondergang. Hij kan nog zo rationeel en berekenend denken te werken aan zijn eigen lot, uiteindelijk wacht het lot hem op in het donkere Irakese hol waar hij verhoord wordt, de bunker waar hij als architect aan werkt. Zijn gehandicapte zus kan niet praten (neemt dus niet deel aan die rationele wereld). Zij wil dood. Die heeft het tenminste begrepen.

Hij werpt een blik op zijn zus. Eigenlijk is ze nog geen mens, eerder een constructie die niet ten einde gebouwd is, ze is het vermoeden van een mens, een bouwput, en hij hoopt dat ze nu eindelijk zal worden afgebouwd. … Misschien was dit een transactie: hij zou sterven, zij genezen.

Wat gebeurt er in een tragedie? Je maakt keuzes, bewuste keuzes die een andere uitkomst hebben dan verwacht. Dat doet Sam ook. Misschien is hij niet heel erg overtuigd, maar hij vaart op zijn rationaliteit en neutraliteit. Helaas voor hem, er zijn andere, oncontroleerbare krachten aan het werk. In de goden geloven we niet meer, maar dat betekent niet dat we geen speelbal meer zijn van het lot.

'De man zonder ziekte': dat klinkt als een goede start in het leven. Toch lijkt de familie van Sam gedetermineerd, met zijn gehandicapte zus en vroeg gestorven vader. 'Waar hebben we dit aan verdiend?' vraagt zijn moeder als haar zoon gemarteld en wel terugkomt van een opdracht in Irak. Sam weet: ik had beter moeten opletten. De man zonder ziekte klinkt bij nader inzien dreigend. Zo'n smetteloos figuur moet een lesje leren. Vrij zijn van ziekte maakt je aantrekkelijk voor het noodlot. 

Onzichtbare krachten trekken je je lot binnen, of ze nu onzichtbaar zijn omdat ze zich letterlijk onder de grond bevinden, of ergens onder de oppervlakte van jezelf. Onder valse voorwendselen wordt Sam naar Irak gelokt, maar dat doet er niet zoveel toe. Het moest hem overkomen, hij moest zijn lesje leren. Al zijn keuzes zijn in feite vooropgezet, er is niets bewusts aan. Hij mag mooie woorden spreken over zijn idealen van architectuur die genereus is, van de gevende architect die met een beetje geluk zoveel geld verdient dat zijn zusje haar behandeling in Amerika kan krijgen. Maar misschien is hij alleen maar architect geworden om deze tragedie te ondergaan. Wat hem overkomt is niet een gevolg van zijn toevallige bestaan als architect, hij is architect geworden zodat dit hem kon overkomen. 

Waarom? Om exemplarisch te zijn (zoals een personage van Grunberg betaamt). En wat voor lesje? Een lesje van het onbewuste, zou ik zeggen. Hij is het slagveld waar een oorlog woedt tussen rationaliteit en irrationaliteit. In het Midden-Oosten gelden rationele beslissingen niet meer en regeert het toeval met een onontkoombaarheid die we niet kunnen vatten. Soms doet Sam het juiste, zoals zich niet verzetten tegen zijn bewakers. Louter toeval. Bewust bedacht, maar toevallig. (Overigens vind ik het haast dapper te noemen hoe Grunberg het Midden-Oosten als locus van het irrationele aanwijst. Zacht gezegd komt de regio er niet goed van af. Het is er vies, onrechtvaardig en pervers; en als er al iets mooi is, is het slechts vernis en krioelen daaronder de kakkerlakken.)  

Als ik nog Literatuurwetenschap studeerde, zou ik zeggen dat de ruimte van het Midden-Oosten het onbewuste is en Zwitserland het bewuste. Of zelfs all the freudian way gaan: het Id en het Superego met Sam daartussenin. Nu ik dit zo opschrijf, komt het me voor dat juist de ontmoeting tussen die twee de interessantste passages van het boek uitmaken. De redding door het Rode Kruis uit de hell-hole van Irak, het moment dat de vertegenwoordiger van de Zwitserse ambassade hem opzoekt in zijn cel in Dubai. Wrange scènes, vooral omdat zo pijnlijk duidelijk wordt dat het westen - het rationele, schone bewuste - absoluut niet kan omgaan met de irrationele, onbewuste smerigheid die óók over de mensen wordt uitgestort.

Mijn eerste reactie op De man zonder ziekte was: wat een kil boek. Dat vind ik nog steeds. Maar misschien is kilheid de enig mogelijke reactie voor Sam, zijn vriendin Nina en alle andere personages. De martelende werkelijkheid van Irak, gespiegeld aan de beangstigende krochten van het onbewuste is zo confronterend, daar kun je alleen maar afstand van proberen nemen. Je gevoelens uitschakelen, doorgaan met je leven, succesvol zijn, geld verdienen - dat is de manier waarop we geacht zijn ons te gedragen. 

Ze schudt haar hoofd. 'Het is zinloos,' zegt ze. 'Iedereen maakt fouten, maar je hebt je lesje geleerd.' Ze klinkt streng en liefdevol.
Wat zou hij dan precies geleerd moeten hebben? Ze hadden zijn neus gebroken en dat zou een lesje moeten zijn? De martelkamer bleek een sanatorium, hij is er al met al als een beter mens uit gekomen. Is dat wat de mensen willen horen?
Sam neemt een hap van de appeltaart, die goed gelukt is. Bakken kan ze. De smaak van de gekaramelliseerde appels stemt hem mild. Misschien heeft Nina gelijk. Hij zal zijn lot aanvaarden, niet meer proberen het verleden te doorgronden in de ijdele hoop dat het verleden verandert als je het begrijpt.

Maar we kennen ook allemaal de zachte drang waarmee 'het verschrikkelijke' aan ons trekt, alsof het ons aangelijnd houdt als een hond. Als we te ver afdwalen haalt het ons met tedere rukjes weer naar zich toe. En maar al te graag geven we daaraan gehoor, gaan we terug de diepte in, zoals Sam terug gaat naar de regio waar hij gemarteld werd.

Hij zou erbij moeten horen maar hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij er niet bij hoort, dat hij naast hun vrolijkheid staat zoals zijn zus naast gezonde mensen.

Hoewel het dus ontegenzeggelijk een kil boek is, zonder mededogen en meedogenloos (twee verschillende dingen), lijkt dat me ook juist de sleutel tot het verhaal. Hoe zijn we zo kil geworden? Hoe verhoudt de emotionele kilheid die beschaving heet, zich tot emotionele kilheid die marteling mogelijk maakt? Afstand nemen van het irrationele, het absurde, het perverse betekent niet dat dat ook afstand neemt van jou. Dat is het moderne noodlot, dat je achtervolgt en waaraan niet te ontsnappen valt. Toch nog een lesje geleerd.



Bookmark and Share
Comments

Heilige datum en Parijs, 1912

nijinsky
Vandaag honderd jaar geleden, 29 mei 1912, danste Vaslav Nijinsky het ballet l'Après-midi d'un Faune, naar een gedicht van Mallarmé op muziek van Claude Debussy, in Parijs (oh, heerlijk Parijs van vlak voor de Eerste Wereldoorlog! Ik zou in je willen wonen). Ik las er al maanden geleden over: Nijinsky, het goddelijke beest.

Mooi, een 'balletrel' - en een voorbeeld van hoe 'bad publicity' de beste PR is die je kunt hebben. De voorstelling werd een hype en zo'n groot succes dat 29 mei voor impresario Serge Diaghilev een 'heilige datum' was geworden en hij in 1913 weer een première met Nijinsky plande, deze keer van het nog beruchtere Le sacre du printemps. 29 mei een heilige datum! Dat vind ik leuk, omdat ik vandaag jarig ben.

Het dagboek van Nijinsky (hier met een -i op het eind) uit de periode 1918-1919 probeerde ik nog weer langer geleden te lezen omdat het zijn pad naar de waanzin zou beschrijven en tja, dat interesseert me nu eenmaal. Maar het was me meteen al te gek om maar te kunnen volgen en ik heb het niet uitgelezen. Na mijn tripje naar Parijs onlangs en dit honderdjarig jubileum ga ik er toch weer een blik in werpen, op de première van een nieuw levensjaar.



Bookmark and Share
Comments

Jan Bor - Wat is wijsheid? Een filosofische zoektocht

bor
Jan Bor is een filosoof met warme belangstelling voor de niet-westerse denktraditie, zoals eerder bleek uit Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie en De moed tot het onmogelijke: Kierkegaard en zen. Als hij de vraag stelt Wat is wijsheid? zoekt hij het antwoord dan ook in een verstrengeling van oosterse en westerse wijsbegeerte.

Die twee tradities staan niet tegenover elkaar, want ze houden zich bezig met dezelfde fundamentele vragen, al kan de uitwerking nog zo verschillend zijn. Zelfkennis bijvoorbeeld is cruciaal in elke filosofie. Bij Socrates evengoed als bij de oude zenboeddhisten stond de vraag 'wie ben ik' centraal. Het is ook de vraag die Jan Bor als jongeman op het pad van de wijsbegeerte brengt.

Lees verder op 8WEEKLY: Voorbij de grenzen van het denken



Bookmark and Share
Comments

Zijn wij ons brein? E-book en afscheid

e-bookZijnwijonsbrein-
Zijn wij ons brein? Bij Studium Generale vroegen we verschillende wetenschappers om op deze stelling te reageren en vragen aan elkaar te stellen over de vrije wil, lichaam en geest. Elk vakgebied heeft weer een ander perspectief op de problematiek, trekt andere conclusies, maar bovenal: stelt andere vragen. Die interdisciplinariteit is typisch 'Studium Generale' en het resultaat is precies waarom ik zoveel plezier beleef aan wetenschap en filosofie. Het mooiste is dat het resultaat voor iedereen beschikbaar is. Alle reacties werden verzameld in een e-boek, dat hier gratis te downloaden is.

Gedrag ontstaat dankzij materie, maar kan daar niet uit worden afgeleid.

Dit citaat uit de bijdrage van neuroloog Jan van Gijn schreef ik alweer lang geleden over in mijn notitieboekje. Nog steeds blader ik er regelmatig naar terug (mijn geheugen laat me op dit soort momenten altijd in de steek). In zo'n eenvoudige zin zet Van Gijn de hele discussie neer en geeft meteen de problemen van te ver doorgevoerd reductionisme aan. Het hele boek staat vol met dit soort overwegingen - eenvoudig, niet nodeloos ingewikkeld, maar ook diepgaand en niet nodeloos versimpelend.

Mijn favoriete essay is dat van dr. Martijn van den Heuvel. (Ook weer een neuroloog, opvallend.) Van den Heuvel benadert het brein en al die vurende neuronen die wij zogenaamd zouden zijn vanuit de chaostheorie. In het onderstaande filmpje legt hij uit waarom wij niet ons brein zijn; we zijn de verbindingen in ons brein, het 'connectome'. Een overtuigende theorie als je het mij vraagt.



Juist omdat deze beschrijving van het brein - en daarmee samenhangend de vrije wil en het lichaam-geest-probleem - geworteld is in de materie maar tóch ruimte weet te laten aan chaos, verandering en de beheersing daarvan, spreekt ze zo aan.

Mijn 'ik' is dan misschien niet meer dan functionele interacties tussen anderhalve kilo structurele connecties, maar het zijn wel míjn connecties die leiden tot een uniek, zelfgeorganiseerd evenwicht. Geïnitieerd door mijn genen en gevormd door mijn ervaringen en omgeving. Een prachtige creatie, volledig uniek, onvoorspelbaar en voor elk mens anders.

Nogmaals de link om het e-boek te downloaden met naast de essays van Martijn van den Heuvel en Jan van Gijn ook stukken van filosofen, taalkundigen, juristen et cetera, gratis en voor niks (en ik kan je vertellen dat er heel veel uren in zitten, ook van mij): Zijn wij ons brein?

Veel plezier ermee!

Vandaag is mijn laatste werkdag bij Studium Generale. Per 1 juni ga ik aan de slag bij de Hogeschool van Amsterdam bij het Instituut voor Netwerkcultuur en als docent.



Bookmark and Share
Comments

De 5 paradoxen van authenticiteit

doorman_rousseau
Een lied van schijn en wezen, zo kun je de moderne worsteling met authenticiteit wel noemen. Een lied vol dissonanten. Authentiek zijn willen we allemaal wel en tegelijk snoeven we een beetje over dat modewoord, dat inmiddels behoorlijk besmet is geraakt door al het misbruik ervan. We verlangen ernaar en worstelen ermee. Daar mogen we Jean-Jacques Rousseau voor danken, de achttiende-eeuwse filosoof met een enorme invloed op het denken over politiek, onderwijs en subjectiviteit en bovendien auteur van wat wel de eerste autobiografie wordt genoemd, de Bekentenissen. In zijn boekje Rousseau en ik probeert Maarten Doorman die erfenis te duiden. Lastig, want authenticiteit is in de kern paradoxaal, zoals ze ook zowel verlangen als afkeer oproept.

Eerste paradox: we kennen onszelf niet
Schijn en wezen: daar houden filosofen zich vanaf het ontstaan van de wijsbegeerte mee bezig. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat echt is en wat niet? Kan de geest of de rede raken tot aan de kern der dingen? Is de wereld wel te kennen? 'Maar nieuw is het besef dat schijn en wezen betrekking hebben op ons eigen zelf. Dat is de ontdekking, of uitvinding waarmee Rousseau ons voortaan opzadelt. Wie zijn wij werkelijk? Waar komt ons gevoel van vervreemding vandaan, en kunnen we eraan ontsnappen?' Terwijl zelfkennis ook al sinds de Griekse Oudheid een doel en zelfs gebod was, is het de mogelijkheid van zelfkennis niet eerder zo geproblematiseerd. Niet zozeer de kennis in zelfkennis, maar het zelf.

Tweede paradox: je kunt niet terug, alleen vooruit
Herman Philipse hield onlangs een lezing over de politieke filosofie van Rousseau, waarin vrijheid zo'n belangrijke rol speelt. Rousseau gaat uit van een 'natuurtoestand' waarin de mens waarlijk vrij leefde. De maatschappij met al haar regels en beperkingen beknot hem maar. Toch moet je niet streven naar een terugkeer naar de natuurtoestand, hoe ideaal die ook mag zijn geweest. De vrijheid moet opnieuw geijkt, geherdefinieerd worden in het heden, of in elk geval voor de toekomst. Hetzelfde geldt voor authenticiteit. Doorman: 'Die authenticiteit verwijst uiteindelijk niet zozeer naar een oertoestand, als wel naar een ideaal - een mogelijke toestand.' Dat is wat moderne reclamemakers, muzikanten of politici misverstaan als ze authenticiteit inzetten: die wordt opgevat alsof ze terugverwijst naar iets goeds wat we zijn kwijtgeraakt.

Derde paradox: als we per ongeluk onszelf zijn, lijken we onecht
'Het scheppen van echtheid' - dat is de paradox van authenticiteit in een notendop. Mensen spelen tegenwoordig zo goed mogelijk 'zichzelf'. Als je zegt: 'hij is zichzelf gebleven' veronderstelt dat een oertoestand waarnaar wordt terugverwezen. Dat klopt dus niet. Hij speelt zichzelf. Maarten Doorman verwijst hier naar het boek Youtopia van Menno van der Veen, die het heeft over 'rolintegriteit', het binnen één persoon, jezelf, vatten van alle verschillende rollen die je speelt. Die unieke combinatie van verschillende rollen is misschien hoe we iets als een authentieke persoonlijkheid het dichtst kunnen naderen. Maar ook daarin schuilt een paradoxale valkuil. Want als je uit je rol valt, en dus in feite meer jezelf bent dan ooit, lijk je juist niet jezelf. Authenticiteit betekent daarom eerder oprecht lijken en niet zijn. Authenticiteit is in the eye of the beholder

Vierde paradox: authenticiteit is een kwestie van vorm, niet van inhoud
Dat leidt tot de volgende paradox. Terwijl authenticiteit in het ideale geval verwijst naar de inhoud, die echt en niet kunstmatig moet zijn, heeft ze eigenlijk eerder betrekking op vorm. Doorman noemt dat 'expressieve authenticiteit'. Het is goed om je af te vragen wat je verwacht: moet de inhoud authentiek zijn, of de vorm? Moeten we authentiek zijn, of lijken? Dean MacCannell spreekt van staged authenticity, bijvoorbeeld in het toerisme. Als we op reis op zoek zijn naar een authentieke ervaring, zijn vorm en inhoud dan niet even belangrijk? Het is makkelijk om meteen je voorkeur uit te spreken voor de inhoud, maar is dat wel eerlijk?

Vijfde paradox: wat de oplossing lijkt, is juist de oorzaak van het probleem
Misschien is het tijd voor een definitie van het begrip authenticiteit. Doorman haalt Andrew Potter aan: de zoektocht naar authenticiteit is een poging 'een verloren gewaande eenheid te herstellen die door modernisering verloren heet te zijn gegaan.' Die hele zoektocht berust op een illusie, dat is wel duidelijk. Die eenheid heeft nooit bestaan, het echte en ware is niet iets waar je naar terug kunt keren. Bovendien is dat echte en ware niet een objectieve eigenschap, maar ligt het als gezegd in the eye of the beholder. 'Het begrip authenticiteit verwijst niet naar iets wat bestaat of ooit bestaan heeft, maar naar oordelen, claims en voorkeuren ten opzichte van anderen en de wereld om ons heen.' Conclusie: 'De overal aanwezige hedendaagse strijd om echte, oprechte levensvormen is daarom niet de oplossing voor zo'n verlangen, maar juist de oorzaak ervan.'

Is het dan helemaal niet mogelijk om een positieve invulling te geven aan het streven naar authenticiteit? Jawel, dat is in elk geval wat de levenskunst probeert te doen. Lees daar meer over bij 10 schrijvers en denkers over Levenskunst.



Bookmark and Share
Comments

Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie

levenskunst
Ons leven is gefragmenteerd en we dreigen onszelf kwijt te raken. Dat is de niet erg vrolijke diagnose van de moderne mens die Alasdair MacIntyre stelt. Onder invloed van het liberalisme zijn we alleen nog maar bezig met onze individuele meningen en vieren we het consumentisme. Van een gemeenschappelijke moraal en sociale samenhang is geen sprake meer. Hoe die terug te vinden?

MacIntyre stelt dat het vertellen van verhalen aan elkaar en over jezelf weer voor eenheid kan zorgen. Verhalen zijn doelgericht maar ook onvoorspelbaar – net zoals het leven. Deugden kunnen daarbinnen weer zorgen voor een vorm van continuïteit. Het project om het gemeenschapsdenken weer een plaats te geven in de ethiek verdient waardering, zegt prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing over MacIntyre in de serie Levenskunst. Dat de uitwerking daarvan niet op ieders steun kan rekenen, bewijst de vurige discussie die prof. dr. Maarten van Buuren na afloop met hem aanging. Hoeveel individuele vrijheid ben je bereid in te leveren voor een stevige sociale orde?

Post-morele ethiek
De Schotse filosoof zorgde met zijn in 1981 verschenen boek After virtue voor een revival van de deugdethiek en het gemeenschapsdenken. Wat bijzonder is, is dat hij de moderne opvatting van de mens als individu niet ontkent, maar juist binnen het gemeenschapsdenken een plaats wil geven. Niettemin levert MacIntyre fikse kritiek op dat individualisme waar we onze liberale samenleving en moraal op hebben gebouwd. Niet een erg stevig fundament, vindt MacIntyre. Sterker nog: er heeft zich een ramp voltrokken in de morele cultuur en wat op het spel staat is het redden van de moraal.

De moderne moraal is te formuleren naar John Rawls: recht gaat boven goed. Dat wil zeggen, de verhoudingen tussen burgers moeten wettelijk geregeld zijn, maar de moraal (het ‘goed’) is neutraal, niet van hogerhand opgelegd. Wat goed is, is ieders vrije keuze. MacIntyre noemt dit een ‘post-morele ethiek’. Je hebt daar niets aan, want elke positie is te verdedigen zonder ooit tot overeenstemming te komen. De één is voor oorlog, want de democratie moet bevochten worden; de ander tegen oorlog, want elk mensenleven is doel op zich. Vóór abortus, want de vrouw heeft recht op zelfbeschikking; tégen abortus, want de mens mag niet ingrijpen in kwesties van leven en dood. ‘Dat vind ik nu eenmaal zo,’ is de dooddoener voor elke hedendaagse morele discussie.

Vrijheid en verbondenheid
Hoe nu deze betekenisloze moraliteit weer te reactiveren – zonder echter de gegevenheden van het liberalisme te negeren? Anders gezegd: op welke manier zijn vrijheid en verbondenheid aan elkaar te koppelen?

MacIntyre doet dat door zich te richten op de concrete praktijken van een samenleving. Daarvoor gaat hij terug naar de doelgerichte ethiek van Aristoteles. Ook wij leven ons leven met een doel voor ogen, dat we in de praktijk van ons leven proberen te optimaliseren. Bovendien is dat doel ingebed in een sociale orde en in een traditie. Bijvoorbeeld de praktijk van je beroep – huisarts, schrijver, onderwijzer. Daaraan geef je in je eigen, particulieren leven een persoonlijke betekenis, die echter niet los te zien is van de traditie.

Absolute vrijheid bestaat niet
En de deugden? De deugden van Homerus verschillen van die van Aristoteles, die weer mijlenver verwijderd zijn van die van het christendom. De rode draad is dat ze altijd in dienst staan van het doel en altijd ingebed zijn in de sociale orde. Ook deugden zijn daarom een manier om continuïteit en samenhang te creëren. Maar pas door het vertellen van verhalen komt die echt tot uitdrukking. Letterlijk, namelijk door de conversatie tussen mensen; maar ook door ons eigen leven te zien als een narratieve structuur. Het levensverhaal heeft een begin, midden en eind, personages daarin hebben intenties en zijn ingebed in een setting. En dat verhaal is weer verbonden met een geschiedenis, die voorbij het individu strekt. Je staat in een geschiedenis waarbinnen je speelruimte hebt om je eigen verhaal te maken.

De vraag is zo bezien niet hoeveel vrijheid je bereid bent in te leveren. De absolute vrijheid die we allemaal omarmen en die een erfenis van Sartre kan worden genoemd, bestaat volgens MacIntyre niet – en Joep Dohmen lijkt hem daarin te volgen. Maarten van Buuren verklaart zich daarentegen zeer fel Sartriaan. Welke kant kies jij? Of valt er niets te kiezen?

Kijk de lezing en discussie hier terug: Alasdair MacIntyre – Na de deugd. De laatste lezing van Levenskunst is op dinsdag 5 juni en gaat anders dan in eerste instantie aangekondigd over Richard Rorty en het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Paul Auster – Winterlogboek: The story about what it means to be alive (without wanting to sound pompous)

winterlogboek
Geen richtinggevoel hebben – typisch een vrouweneigenschap. En een eigenschap van Paul Auster. In zijn nieuwste boek Winterlogboek schrijft hij erover hoe hij altijd gedesoriënteerd uit de metro komt, hoe hij in het rechthoekige stratenplan van New York weet te verdwalen, hoe hij zelfs verkeerd loopt als hij rekening houdt met zijn belabberde gevoel voor oost en west, noord en zuid. Herkenbaar, net als die innerlijke gesprekken waarin je je al dan niet niet falende richtinggevoel om de tuin probeert te leiden. (En hoera voor de iPhone met gps.) Ook in zijn lezing zaterdag bij City2Cities kwam Auster erop terug. Later die avond wees ik hem de weg naar de wc. ‘I will come back looking for you!’ zei hij. Ik bleef toch maar op hem staan wachten, want de portier had ook de lichten al uitgedaan.

Winterlogboek bevat Austers memoires geschreven vanuit het lichaam, ‘een catalogus van zintuiglijke gegevens’. Mens zijn, dat is in de eerste plaats: een lichaam zijn, want een lichaam zijn is levend zijn. ‘The story about what it means to be alive.’ Leven, dat begint in het lichaam en eindigt in het lichaam, en pijn en genot – die lichamelijke waarheden – zijn daar de uitdrukking van. De metafoor voor het levende lichaam is: wandelen. Misschien klinkt het raar dat iemand die steevast verdwaalt zoveel houdt van wandelen als Paul Auster. Wie zijn boeken kent, kent ze ook als ode aan de wandeling en aan het verdwalen. Door te verdwalen kom je de essentie op het spoor. Dwalen in een stad is dwalen in jezelf, zoals hij zaterdag zei. Door te verdwalen krijgt het toeval een kans, het toeval dat je iets vindt. 'Zo zie je jezelf telkens wanneer je weer eens nadenkt over wie je bent: een man die loopt, een man die al zijn hele leven door de straten van steden loopt.' Na de lezing hield ik de deur van de Aula voor hem open: ‘I have to smoke,’ zei hij dwingend. ‘I’ll walk with you,’ antwoordde ik, want zelfs in het Academiegebouw kun je hopeloos verdwalen.

Auster is een verstokte roker. Roken is je overgeven aan je lichaam en in die overgave je lichaam naar de knoppen helpen. Het lichaam is uit op zijn eigen ondergang. Rokers kunnen heel intellectueel doen over hun verslaving, maar uiteindelijk is het intellect net zo goed de slaaf van de sigaret als het lichaam zelf. Het intellect is natuurlijk ook maar een deel van het lichaam. Over roken en drinken schrijft hij: het zijn 'krukken om je kreupele ik overeind te houden'. En: 'Je bent zonder enige twijfel een beschadigd en gewond mens, iemand die vanaf het allereerste begin een wond in zich draagt (waarom ben je anders al je hele volwassen leven bezig woorden op papier te bloeden?)'. De concrete beschadiging (een dikke laag teer op de longen) wordt zonder omhaal een symbolische beschadiging (een wond in je dragen), die weer concreet wordt (bloed).

Het bewonderenswaardige en absoluut fantastische hieraan is dat Auster die allereerste wond niet uitmelkt, niet overanalyseert, zelfs niet duidelijk benoemt. Het is een wond uit het verleden, van voor het bestaan van zijn lichaam. Daarom is de keuze voor de geschiedenis van het lichaam zo goed – dat is er pas op het moment dat jij er bent en heeft zogezegd geen voorgeschiedenis. Het maakt zijn eigen geschiedenis. Het verhaal over de moord in de familie (dat in elk geval een deel van de wond zal uitmaken) is vanuit zo'n optiek niet meer relevant, of in elk geval niet allesbepalend. Hier moet ook de keuze voor het jij-perspectief mee te maken hebben. Die creëert afstand in wat een al te intieme setting kan worden (het eigen lichaam, hoewel Auster dat beschrijft als een soort Elckerlyc).

In een interview op Cutting edge zegt Auster over de keuze voor dat perspectief juist het tegenovergestelde. Het creëert intimiteit: ‘Door de tweede persoon enkelvoud te gebruiken, creëerde ik een zeker intimiteit. Ik ben tegen mezelf aan het spreken alsof ik een vreemdeling voor mezelf ben. Het leest alsof ik aan het fluisteren ben. Tegelijkertijd voelt de lezer die steeds ‘jij’ leest zich ook aangesproken en begrijpt hij dat wat hij leest ook over hem gaat. Ik sta dus heel erg achter die misschien ongebruikelijke keuze omdat ze in mijn ogen noodzakelijk was.’

‘Everybody here is so young,’ zei hij terwijl we naar de uitgang liepen voor een sigaartje. Ik vertelde hem mijn leeftijd. ‘That’s what I mean.’ (Dank u, meneer Auster.) Toen Auster even oud was als ik nu zat hij behoorlijk diep in de put. Hij was nog niet de gevierde schrijver die hij nu is (schreef een handvol poëzie voor een handvol poëzielezers), was gescheiden van zijn eerste vrouw, had een dode vader in z’n kop, zat aan de grond en opgescheept met zichzelf. Het is hierom dat je ook als je de winter van je leven nog niet hebt bereikt, herkenning put uit die oudemannenmemoires. Ik ken Paul Auster niet anders dan de beroemde schrijver uit Brooklyn, maar dat is maar de helft van zijn leven.

In een indringende scène beschrijft Auster hoe hij redding vond uit deze impasse. Het zien van een repetitie van een moderne dansvoorstelling – zonder muziek! – betekent het scharnierpunt op weg naar de Auster zoals ik en iedereen hem kent. De dansers brengen hem terug bij zichzelf en daarmee ook bij zijn schrijverschap. De waarheid die hem geopenbaard wordt is opnieuw lichamelijk, het is een woordeloze waarheid. Via die dansers verbindt hij het schrijven weer aan het lichaam:

'op een bepaald moment begon zich iets in je te openen, voelde je jezelf door de spleet tussen woord en wereld vallen, de kloof die het menselijk leven scheidt van ons vermogen om de waarheid van het menselijk leven te bevatten of uit te drukken, en om redenen die je nog steeds verbazen, vervulde die plotselinge val door de ledige, onbegrensde lucht je met een gevoel van vrijheid en geluk, en toen de voorstelling was afgelopen, zat je niet meer vast, was je verlost van de twijfels waaronder je het voorbije jaar gebukt was gegaan.'

Verderop schrijft hij: 'Schrijven begint in het lichaam, het is de muziek van het lichaam' ... 'Schrijven als een mindere vorm van dans.' Dat mag zo zijn, maar schrijven is wel een meer blijvende vorm dan dans. Alle schrijvers schrijven om bewaard te blijven, zo zei Auster ook in het vraaggesprek van zaterdag. Je mag in de winter van je leven zijn gekomen, en steeds dichter het einde naderen, die personages blijven bestaan ook nadat jij er niet meer bent.

Eigenlijk had ik aan Auster willen vragen of hij zich wel eens bezig heeft gehouden met boeddhisme and the likes. Maar dat durfde ik niet, of het kwam er niet van. Maar die leegte en stilte fascineren me, ook omdat mijn eerste reactie na het uitlezen was: ik ben er stil van. Misschien komt het omdat ik nu ook bezig ben in het kleine boek met de grote titel Wat is wijsheid van Jan Bor, waarin hij vertelt over zijn persoonlijke onderzoek naar deze vraag – die hem leidt langs zen en het boeddhisme en uiteindelijk aan de rand van de afgrond, een immense leegte doet belanden. Een woordeloze waarheid, zoals Auster hierboven schrijft. Deze passage beschrijft haast hetzelfde als Bor doet, maar dan vreugdevol in plaats van beangstigend. Dat laat zien dat ‘waarheid’ niets met vreugde of pijn te maken heeft, niet positief of negatief is, niet het goede is of het kwade. Het is. En in dat zijn zitten pijn en genot aan elkaar verknoopt als twee koppen aan hetzelfde lichaam, zoals Socrates op de ochtend van zijn sterfdag zegt (ik lees ook nog eens Faidon erbij).

Ik vroeg Auster daarentegen of hij wel eens van moeder droomt. Het hele boek door gaat het over de dood van zijn moeder en dan, op het eind, vertelt hij over de gesprekken die hij in zijn dromen voert met zijn vader (gesprekken die hij zich niet herinnert – ook weer een stille waarheid). Nee, hij droomde vrijwel nooit van zijn moeder. Maar de dood van zijn vader was ook veel langer geleden, zei hij, alsof het al dan niet van iemand dromen daarmee samenhangt.

Toen uiteindelijk alle tweehonderd mensen hun drie boeken hadden laten signeren, schoof ik mijn exemplaar van The invention of solitude naar voren over de tafel. Het boek, dat deels gaat over de dood van zijn vader, heeft veel voor me betekend. Het exemplaar is een flodderige Penguin-paperback, maar toch wilde ik juist hierin een handtekening hebben. Vooruit, ook in Winterlogboek. Ik vroeg hem of Winterlogboek voor hem verbonden is met The invention of solitude – het ene gaat over zijn vader, het andere, de laatste, over zijn moeder. ‘They are!’ riep hij. Auster pakte de twee boeken en hield ze op schouderhoogte, de armen ver uit elkaar. ‘But they are thirty years apart!’ Wat als je er goed over nadenkt inderdaad bizar is.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Danish rap / Dansk rap / Deense rap

Sinds dag één ben ik fan van Spotify - zoals mijn vrienden zullen getuigen, die ik ermee blijf lastig vallen tot ze zelf ook Spotifyfan zijn. En sinds mijn vakantie in Helsingør vorige zomer ben ik fan van Deense rap (danks-hop?). 1+1=2, luister mee. (Mijn algemene favorietenlijst vind je trouwens hier.)





Bookmark and Share
Comments

Stine Jensen - Dus ik ben weer

dusikbenweer
'De tv-serie is beter.' Dat oordeel hoor je niet al te vaak. Zeker niet als het gaat om een boek dat in de boekwinkel in de kast met het bordje 'Filosofie' terechtkomt. Toch valt na lezing van Dus ik ben weer, Stine Jensens 'nieuwe zoektocht naar identiteit', niet veel anders te concluderen.

Twee jaar geleden verscheen Dus ik ben, waarin Stine Jensen samen met Rob Wijnberg via verschillende varianten op 'ik denk dus ik ben' de moderne identiteit onderzocht. De grondtoon toen: identiteit is maakbaar. Dat idee is inmiddels achterhaald, schrijft Jensen in de proloog van dit tweede deel. Vooral vanwege de financiële crisis, maar ook onder invloed van de neurowetenschappen die stellen dat wij ons brein zijn en de vrije wil als een 'plezierige illusie' terzijde schuiven. Een interessant uitganspunt, dat in de uitwerking echter sterk te wensen overlaat.

Lees verder op 8WEEKLY: Goed denken begint bij nauwkeurig taalgebruik



Bookmark and Share
Comments

Bert Keizer - Waar blijft de ziel?

keizer
Er is iets geks aan de hand met de Maand van de Filosofie, die nog heel april zal duren. Het thema is dit jaar 'de ziel'. Ietwat oubollig? Zeker. Maar eigenlijk is het thema dan ook het überhippe 'brein'.

Waar blijft de ziel? is de titel van het essay dat bij deze gelegenheid wordt uitgegeven. Auteur Bert Keizer is arts en filosoof en schreef onder andere Onverklaarbaar bewoond, waarvoor hij meeliep op een afdeling hersenchirurgie. Nu gaat hij in de geschiedenis van de filosofie op onderzoek in een poging het verband tussen brein en lichaam, geest en ziel te ontrafelen.

Lees verder op 8WEEKLY: Verbeterde onwetendheid



Bookmark and Share
Comments

Mislukking als drijvende kracht

mensendokter
Het is een ontroerende vraag die ene Herman V. deze week in Vrij Nederland aan de mensendokter stelt: 'Hoe kan ik vrede vinden in mijn eigen middelmatigheid?'
Mensendokter Grunberg geeft eigenlijk geen antwoord op deze hartenkreet, maar legt juist uit hoe je kunt ontsnappen aan de middelmatigheid. Om te beginnen: het mislukken omhelzen. 'Alleen door steeds beter te mislukken kan men ontsnappen aan de middelmatigheid.' Mislukking is een veel en veel betere optie dan middelmatigheid. Daar ben ik het roerend mee eens. Mislukking kan juist als drijvende kracht werken.


1. Paradox
Allereerst de paradox van de mislukking: als je streeft naar mislukking en je realiseert je doel, dan ben je gelukt in het mislukt zijn. Het streven naar mislukking draagt gelukt zijn in zich mee, hoe je het ook wendt of keert. (Zie ook Werk aan de winkel III)

2. Wetenschappelijke methode
Streven naar mislukking is de wetenschappelijke methode. Vooruitgang in de wetenschap ontstaat door de mislukking op te zoeken, door het ontkrachten en niet het bevestigen van een hypothese. (Popper light)

3. Online succes
Dat klinkt misschien heel negatief. Maar het is juist door te experimenteren dat je ontdekt wat wel werkt en wat niet. Een experiment moet je niet beginnen als je bang bent dat het zal mislukken. Wat is een van de zeven geheimen van succes van megablog The Huffington Post? Onophoudelijk experimenteren: fail fast, cheap and often.

4. Ruimte voor het persoonlijke
Dat doet denken aan Beckett (dank): 'Ever tried. Ever failed. No matter. Try Again. Fail again. Fail better.' Dit citaat uit het verhaal 'Worstward Ho' (1983) blijkt na een Google-actie gevleugeld te zijn en wordt bijvoorbeeld genoemd als levensmotto door theatermaker Jos Thie (Trouw, 20 juni 2011): 'Geloof nooit een kunstenaar die zegt dat hij geslaagd is. Kunst is permanent falen. Dat is niet leuk om te horen, maar volgens mij is juist dat falen de motor waar het allemaal om draait. Het niet bereiken van perfectie is wat kunst interessant maakt. Volgens mij is mislukking de basis van de moderne kunst. In de middeleeuwen had je schilders die allerlei taferelen perfect na konden schilderen. Totdat het een keer iemand niet lukte. Hij faalde en maakte daarmee ruimte voor het persoonlijke.’

5. De kunstenaar
'Was ever a writer so besotted by failure as F. Scott Fitzgerald? As a young man he craved literary success and achieved it, instantly (…) He was twenty-four and had everything he wanted. (…) "I remember riding a taxi one afternoon between very tall buildings under a mauve and rose sky; I began to bawl because I had everything I wanted and knew I would never be so happy again." That's one way of looking at it; another would be that he was already looking forward to the real business of regret, loss, decline and ruin. Fitzgerald understood that he had to climb to a dizzy height if the fall was going to be spectacular enough to satisfy him. He needed to achieve success in order to be convinced of the colossal scale of his subsequent failure.'
Geoff Dyer in Working the room, over The Beautiful And Damned van F. Scott Fitzgerald

6. Karakter en zelfkennis
Zonder naar de bodem van je karakter af te dalen en daar te bikken in de keiharde rotsgrond, weet je niet wie je bent en waar je toe in staat bent. (Mislukking en het karakter als catastrofe) En dan nog. Zelfs als je alles bent verloren - niet méér zou kunnen mislukken - ben je nog geen mislukkeling. Je bent een tragische held. 'We wouldn't call Hamlet a loser, he is someone who has lost.' (Alain de Botton over mislukking (en succes))

7. Authenticiteit
Maar wat nu als iemand je een mislukking noemt? 'Wat een mislukkeling is hij toch' of 'Zij is nou écht mislúkt.' Dat is toch vreselijk?' Denk dan gewoon eraan dat mislukken het authentiekste is dat je als modern individu kunt doen, en dus het allerhoogste wat je kunt bereiken. Mislukken is de ultieme bevestiging van authenticiteit. Écht!

(Dat zal dan de reden zijn waarom je geen vrede moet zoeken in middelmatigheid.)



Bookmark and Share
Comments

Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode

muzikaal
Iedereen is muzikaal: het is de titel van de jaarlijkse Kunst- en wetenschapslezing, dit keer verzorgd door prof. dr. Henkjan Honing, het is ook de titel van zijn boek over muzikaliteit, én de kortste samenvatting van zijn wetenschappelijke stelling. Muzikaliteit is een heel gewone eigenschap die alle mensen delen; a-muzikaliteit is juist bijzonder. Ongeveer vier procent van de mensen lijdt aan ‘amusie’ – wat betekent dat je moeite hebt om verschillende melodieën te onderscheiden of platter gezegd, ‘toondoof bent.

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?

Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.

We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).

Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).

Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.

De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.

Kaketoe Snowball:


[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

10 keer antwoord op de vraag 'Waarom bloggen?' (en hoe het vol te houden)

Bloggen wordt al lang niet meer geassocieerd met schrijven over je vrijgezellenbestaan of je kat. Bloggen is volwassen geworden en heet curatie, bloggers zijn de curatoren.
1. What is curation?


2. 7 regels voor het nieuwe curatorschap: Doe wat je zegt van Theo Ploeg

Zelf een blog beginnen?
3. Bloggen is voor mij schrijven en het allerbeste boek over schrijven is On writing van Stephen King. Voor praktische tips en een schop onder je kont.
4. Lees hier online Gij zult bloggen van Ernst-Jan Pfauth of een kort overzicht van de inhoud. Het blog van Ernst-Jan Pfauth is sowieso een must-follow voor alle bloggers: pfauth.com
5. Handboek communities van Erwin Blom was voor mij een grote stimulans en heeft uiteindelijk geleid tot het nieuwsblog van Studium Generale
6. Van dit soort lijstjes zijn er talloze te vinden, je hoeft er in feite maar een te lezen als je begint met bloggen om ze vervolgens te laten voor wat ze zijn: 12 Things That Will Kill Your Blog Post Every Time. Hoewel... neem deze er ook bij, vanwege de andere insteek die vooral goed is voor de productiviteit (zoals Lesson #4: Don’t watch TV or go to meetings): 10 Lessons Seth Godin Can Teach You About Blogging

De curator/blogger is niet een onzichtbare archivaris in de kelder van het internet, maar treedt als persoon op de voorgrond. Iets over mijn eigen beweegredenen dus:
7. Verslaafd aan filosofie: waarom een weblog?
8. Na twee jaar bloggen schreef ik Jarig weblog: op naar de volgende twee jaar! Met daarin onder andere de volgende links:
a. 'Zoek uit hoe je de onderwerpen waarin je de meeste expertise hebt te gelde kunt maken en schrijf er een ‘asset’-verhaal over.' Uit: Schrijf artikelen die over jaren nog worden gelezen!
b. 'Concrete tips met een optimistische toon (Zo kan het ook!).' Uit:
Bepaal het speelveld, win de wedstrijd
c. Mik op het hoogste, er zijn al genoeg mensen die gaan voor doorsnee. Zie:
Een onrealistisch doel is de sleutel tot blogsucces

Plaatje!
9. Toffe infographic voor inspiratieloze dagen: 22 manieren om boeiende content te creëren

Ten slotte een kijktip (en de eigenlijke aanleiding om dit lijstje samen te stellen): 
10. de TED-talk van Joris Luyendijk, over het delen van je 'learning curve'. Hoe? Op een blog natuurlijk:


Tips meer dan welkom.



Bookmark and Share
Comments

Objet trouvé

flapuit



Bookmark and Share
Comments

Nietzsche als deugdethicus

levenskunst
Maakt dit mij sterker? Dat is de leidende vraag in de nietzscheaanse levenskunst. Niet: is dit het goede of het ware, want ook het goede en het ware staan slechts in dienst van het vergroten van je eigen kracht. Als een illusie je op een zeker moment sterker maakt dan de waarheid – kies dan voor de illusie. Sommige waarheden kunnen zo hard en onhandelbaar zijn dat ze schadelijk worden – schuif ze dan terzijde. De waarheid en de illusie zijn deugdelijk als ze jou sterker maken en ondeugdelijk als ze je verzwakken, dat is de kern van Nietzsches deugdenethiek. Maar het volgen van de weg omhoog (de wil tot macht, dat wat je sterker maakt), gaat onvermijdelijk gepaard met lijden en zelfopoffering.

Levenskunst voor vergevorderden
Het is een filosofie die moeilijk te behappen is, zo geeft Maarten van Buuren toe. Maar, zegt hij: ‘Nietzsche brengt mij op de goede weg.’ Met levendige en persoonlijke voorbeelden licht Van Buuren de ‘levenslessen’ van Nietzsche toe. De vraag die blijft hangen is wel of het toepassen ervan niet vereist dat je al vergevorderd bent in het vormgeven van je eigen leven. In de deconstructie van ik en waarheid, en de nadruk op overgave en opoffering (voor jezelf natuurlijk, en niet voor een ander) zingt ook een gevaarlijke klank door. Nietzsche stierf krankzinnig – door de syfilis waarschijnlijk. Toch klinkt dat einde ook wel als een waarschuwing. Je mag wel stevig in je schoenen staan wanneer je zoals Van Buuren jezelf voor de spiegel eens goed de waarheid zegt. Ook al kies je er vervolgens voor in de illusie te geloven…

Deconstructie van het ik
Via een analyse van de alledaagse zin ‘Ik wil een kop koffie’ wordt duidelijk hoe de deconstructie van belangrijke begrippen als ‘ik’ en ‘waarheid’ werkt. Als we zeggen dat we een kop koffie willen, gaan we uit van onszelf als een subject dat aan de oorsprong staat van een handeling, die wij als individu willen. Dat klopt niet, stelt Nietzsche. Eerder zijn we een slaaf van onze wil: in plaats van over subject kun je het beter hebben over lijdend voorwerp. Koffieverslaving sleurt je de keuken in voor weer een kop, en ondertussen ben je met jezelf aan het onderhandelen over of je je koffiepauze wel verdiend hebt. Het ‘ik’, oftewel het ongedeelde ‘individu’, is daarom ook een illusie. We worden voortdurend heen en weer geslingerd in onszelf tussen ons willende deel en ons controlerende deel, tussen beheersing en overgave.

Zo deconstrueert Nietzsche (die werd opgeleid als filoloog, dus als taalkundige) het woord ‘ik’. Het is een etiket dat niet klopt met wat eronder zit. Veel later zouden Derrida en andere postmoderne filosofen deze manier van filosoferen door deconstructie overnemen. Naast het ik moet ook de waarheid eraan geloven; nog zo’n etiket dat niet strookt met de werkelijkheid. Waarheden bestaan niet, er zijn alleen opinies waartussen een machtsstrijd woedt. De sterkste opinie wint en gaat dan door voor de waarheid.

Zelfoverstijging gepaard aan zelfopoffering
Ik en waarheid bestaan niet (als duidelijk definieerbare eenheden) en kunnen dus ook niet centrale waarden van de filosofie zijn. Dat verduidelijkt misschien waarom ‘sterker worden’ de kern van Nietzsches levenskunst is (bekend als de ‘Wille zur Macht’). Maar het sterker worden is ook niet enkelvoudig; je wordt sterker en dat is het dan. Ook dat is te deconstrueren. Van Buuren legt uit dat het draait om zelfoverstijging, die altijd gepaard moet gaan met zelfopoffering. Zelfoverstijging door productief te zijn, door te scheppen, boeken te schrijven, kinderen te krijgen of lezingen te geven. Hoe sterker je bent, hoe sneller je groeit, hoe meer je creëert – hoe meer je jezelf ook de vernieling in helpt. Voor een vervuld leven moet je je overgeven aan het dionysische, aan de wilde en gevaarlijke kant van het bestaan die naast vervulling ook lijden brengt. Dat is de controversiële les die Nietzsche als deugdethicus ons meegeeft. Het brengt Maarten van Buuren naar eigen zeggen op de goede weg en bovendien in een zichtbaar goed humeur. Durf jij het aan om hem te volgen?

Volgende keren
Kijk de lezing over Nietzsche als deugdethicus hier terug. De volgende Levenskunstlezing is op dinsdag 1 mei en gaat over Alasdair MacIntyre. De laatste lezing uit deze reeks vindt plaats op 5 juni en gaat (anders dan aangekondigd) over de filosofie van het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig

Men in love, zo zou de roman ook kunnen heten waarmee Patrick Lapeyre de Prix Fémina won, de grote Franse literaire prijs die toegekend wordt door een vrouwelijke jury. Lapeyre wordt geroemd om zijn onderzoek naar 'de verliefde man', zoals Het leven is kort en het verlangen oneindig te lezen is. Twee mannen, één vrouw, nul op het rekest.

Een onderzoek naar de verliefde man, dat doet denken aan wat Milan Kundera schreef over rokkenjagers. De Don Juans van deze wereld zijn er volgens hem in twee soorten: de man die op zoek is naar De Ene, de vrouw aller vrouwen. Na elke verovering is hij teleurgesteld, want De Ene bestaat natuurlijk niet. Door naar de volgende. De andere soort is niet op zoek naar één vrouw, maar wil alle vrouwen leren kennen. Hij geniet van de overvloed en variatie die beschikbaar is, als een kind in een snoepwinkel. Een type dat je vaak tegenkomt ontbreekt in deze classificatie: de rokkenjager die noch de Ene zoekt, noch de veelheid, maar zichzelf. De narcistische rokkenjager kun je hem noemen, die feitelijk niet geïnteresseerd is in de ander, maar op zoek is naar bevestiging.

Lees verder op 8WEEKLY. En lees ook mijn Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten hieronder.



Bookmark and Share
Comments

Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten

lapeyre
Een onderzoek naar 'de verliefde man' in zeven citaten (uit de roman Het leven is kort en het verlangen oneindig van Patrick Lapeyre).* 

1. ‘Het is alsof ze op hem inwerkt als zo’n hallucinerend middel dat je bewustzijn verruimt en tegelijk je hersencellen verwoest.’
Het meisje is zo'n nimfachtig type dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. Waarom eigenlijk? Ze is knap, maar wel iets te dun. Wat doet ze voor werk? Geen idee, niet belangrijk. Ze loopt in de bediening van een restaurant en in de avonduren volgt ze een toneelcursus of zo. Ze is ietwat labiel en onpeilbaar. Altijd blut. Objectief gezien niet veel soeps. Maar in de liefde geldt 'objectief gezien' niet. Je moet het ook niet groter maken dan het is en over Gevoel beginnen. Een uitwisseling van feromonen die de leegte vullen van reeds bestaande frustratie (of die nu met een slecht huwelijk, een stomme baan of innerlijke onrust te maken heeft) - that's it. En dan ben je overgeleverd aan de biologie.

2. ‘Ze is nu zo dichtbij dat Blériot het gevoel heeft dat, mocht hij per ongeluk iets te ver overhellen, hij haar als een slaapwandelaar in de armen zou vallen.’
De slaapwandelaar is zich bewust van zijn lichaam, beweegt en stuurt het, maar verkeert mentaal in een staat van zeer laag bewustzijn, een droomstaat. Alles wat hij doet is in feite per ongeluk, oftewel: hem niet aan te rekenen. Hoe dichtbij zal zij komen? Een slaapwandelaar mag je niet wekken. Hij mag wel in jouw armen ontwaken. Graag zelfs.

3. ‘seks is de reminiscentie aan seks’
Wat er ook gebeurt, we'll always have sex. Overgeleverd aan de biologie als hij is, hallucinerend en/of slaapwandelend, denkt hij eigenlijk maar weinig aan seks. Als hij wakker wordt en in de spiegel kijkt, uit het raam hangend een sigaretje rookt, en objectief gezien niet zoveel moois meer kan ontdekken aan het verwoesten van je hersencellen - juist dan kun je, objectief gezien, net zo goed seks hebben (met wie is niet zo belangrijk, als het maar een herhaling van eerdere seks is). Wie weet kicken de feromonen dan weer in en sla je zo twee vliegen in één klap.

4. ‘Alle mannen verlangen terug naar die eindeloze tijd waarin het leven nog de elasticiteit van het mogelijke heeft.’
Verliefd worden is het openvouwen van oneindige mogelijkheden; verliefd zijn is pendelen tussen hoop en wanhoop; liefde is consolidatie - die zich uiteindelijk samenbalt in frustratie. Milan Kundera verdeelde de Don Juans van deze wereld in twee soorten: zij die in alle vrouwen zoeken naar De Ene - die natuurlijk niet bestaat; en zij voor wie alle vrouwen anders zijn, anderen die ze allemaal willen leren kennen. De derde categorie beschreef hij niet: zij die vooral zoeken naar zichzelf. Niet wie zij nu zijn, maar wie ze ooit beloofden te worden.

5. ‘Persoonlijk houdt hij wel van de verpletterende rust van een zondagmiddag.’
Consolidatie (waar de zondagmiddag het epitome van is), is ergens wel prettig. Het is fijn om de druk ervan op je schouders te voelen, zoals het fijn kan zijn als een lichaam op jouw lichaam ligt te slapen - onbeweeglijk, niet-bewust, warm en zwaar en verpletterend. Tot je naar adem happend bovenkomt natuurlijk. Persoonlijk.

6. ‘Hij staat op het punt te antwoorden dat je niet alles kunt hebben en niet tegelijk aanwezig en afwezig, trouw en ontrouw kunt zijn. Logisch gezien kan ze hem dus niet zijn vrijheid teruggeven, zoals ze heeft gedaan door bij hem weg te gaan, en hem tegelijkertijd vragen om haar gevangene te blijven.’
Marcel Proust schreef over de vrouw als gevangene van haar geliefde, in deze eeuw is de man dat net zo goed. Verliefd zijn is pendelen tussen hoop en wanhoop. Soms kan het makkelijker te zijn om de pendel met een ruk naar beneden stil te laten hangen, ook al is het aan de kant van de wanhoop. De vraag is welke hand de pendel vast heeft: de zijne of de hare? Maakt ook eigenlijk niet uit, ze lopen immers hand in hand.

7. ‘Gezonken, denkt Blériot bij zichzelf alsof het om een zeeslag gaat.’ ‘Buiten sneeuwt het op halve kracht. Het is een dag om onder de dekens te blijven en een boek over Napoleons terugtocht uit Rusland te lezen.’
Liefde is oorlog. (Vul zelf zinnen aan met bijvoorbeeld de woorden loopgraven, wapenstilstand, vredesmissie, heldendom, Bevrijdingsdag, Dodenherdenking et cetera.)

*Waar 'hij' staat, mag ook 'zij' gelezen worden, en vice versa.



Bookmark and Share
Comments

Dingen denken, dingen doen, dingen veranderen: do-it-yourself

underground
‘Hier in Nederland is het té goed.’ Mensen moeten wakker geschud worden, ‘je moet dingen gaan denken, dingen gaan doen … en door dat te gaan doen kunnen we misschien ook wel echt wat veranderen.’ We zijn te gast in punkwinkel No Fun, in het Amsterdam van 1977 (Wonderland, een documentaire over punk in Nederland, 1977). Het is een opvallende uitspraak dat het in Nederland té goed zou gaan. Verzetten de punks zich niet tegen juist tegen werkloosheid en gebrek aan goede woonruimte, tegen een maatschappij zonder toekomstperspectief? Oftewel: No Future nu, zoals Leonor Jonker haar boek over de punk in Nederland noemde. Zij opent de derde avond van de serie Underground met het filmfragment uit de punkdocumentaire.

Beste vrienden met je ouders
Misschien kwamen die grote maatschappelijke problemen – jeugdwerkloosheid, leegstand – pas een paar jaar later echt aan de oppervlakte. In het begin van de jaren tachtig verandert ook de punk- en kraakscène; die wordt steeds extremer en de reacties van de autoriteiten verharden mee. Is dat wat ons nu ook te wachten staat? Een steeds terugkerende vraag is waarom jongeren nu, 35 jaar later, zo weinig hun stem laten horen, niet massaal de straat op gaan of zich zelfs maar afzetten tegen de generaties boven hen. Je zou kunnen zeggen dat het ondanks de crisis nog steeds ‘té goed’ is hier in Nederland. Is het weer tijd om de mensen wakker te schudden?

Een stevig (generatie)conflict, waardoor je weer ‘dingen gaat denken, dingen gaat doen’ is misschien precies wat de crisis nodig heeft, lijkt Thomas van Aalten te vinden. Het is de vraag of generatieconflicten nog wel van deze tijd zijn. Tegenwoordig zet je je niet meer af tegen je ouders, maar ben je vrienden van elkaar. Beste vrienden zelfs. Leonor Jonker herkent dat wel. Van Aalten en Jonker schelen minder dan tien jaar, maar tussen hen tekent zich een groot verschil af: ergens in die tien jaar is de verhouding tussen jeugd en ouders totaal veranderd, van conflict naar vriendschap. Dat verandert ook de houding tegenover verzet en protest.

Punk in alle huiskamers
Je kunt je afvragen of de geest van verzet wel echt zo wijd verspreid was in de jaren zeventig en tachtig. Punkers en krakers maakten maar een heel klein deel van de bevolking uit, vormden een echte underground-cultuur, geconcentreerd in de grote stad. Hebben we daar niet een vertekend beeld van? En is het wel eerlijk als we de hele jeugd van nu vergelijken met zo’n kleine groep van toen? Martijn Haas ging op zoek ging naar de mooie, spannende verhalen voor zijn geschiedenis van de Amsterdamse jaren tachtig, verteld aan de hand van losgeslagen en uitzonderlijke types.

Zoals Mike von Bibikov, hoofdpersoon van zijn laatste boek Bibikov for President, die de bestaande politiek wilde ontkennen en een nieuwe staatsvorm bedenken. Met zijn partij De Reagering nam hij deel aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen om zo de politiek van binnenuit te veranderen (met weinig succes). Met de piratenzender Rabotnik TV werd ingebroken op de kabel zodat Bibikov in alle huiskamers te zien was. Toch wel iets anders dan YouTube, waar ook elke zonderling zich kan laten zien, maar niemand ernaar hoeft te kijken.

Do-it-yourself
Het gaat er ook niet zozeer om of de punkmentaliteit representatief was voor de jaren tachtig (natuurlijk was zij dat niet, we kennen ook allemaal de gepolijste muziek uit die tijd, het ‘greed is good’ van Gordon Gekko en de suffige bloemkoolwijken in provinciestadjes). Belangrijker is te luisteren naar wat het meisje in de punkwinkel No Fun zegt: we moeten dingen doen en denken en dan kunnen we misschien wel iets veranderen. Het is die eenvoudige overtuiging – ‘do-it-yourself’, ga niet zitten wachten tot iemand het voor jou doet – die de moeite waard is om weer leven in te blazen. Daar heb je geen idealen of generatieconflict voor nodig. En wat het idee erachter is? Dat bedenken we over een jaar of dertig wel.

Kijk voor meer beeld, verhalen en discussie: Van underground tot commercie in muziek, kunst en tv met Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker. Hans Achterhuis ging eerder in op de achtergronden van de ideologie van de jaren zeventig en tachtig: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten en Caroline Nevejan sprak in een persoonlijk verhaal over kraken en hacken tot ontwerp en bestuur.

Lees ook:
Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen
Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Mark Vernon - Een beetje geluk met filosofie

vernon
Filosofie bedrijven op webloglengte en daar ook nog een interessant boek uit samenstellen, zonder aan zeggingskracht in te boeten. De Britse filosoof Mark Vernon bewijst dat het kan in Een beetje geluk met filosofie.

Rare vertaling, die titel, die oorspronkelijk luidt: 42. Deep Thought on Life, the Universe, and Everything. Een verwijzing naar The Hitchhiker's Guide to the Galaxy, waarin '42' als antwoord uit de computer rolt op de vraag naar, tja, alles. Vernon presenteert 42 korte filosofische overdenkingen, met als vertrekpunt sprekende citaten. Die gaan van Horatius' 'Pluk de dag' tot Woody Allen: 'Ik wil niet onsterfelijk worden door mijn werk; ik wil onsterfelijk worden door niet dood te gaan.' Zo komt inderdaad alles aan bod, niet alleen geluk, en ook niet 'een beetje'.

Lees verder op 8WEEKLY: Filosofie op webloglengte



Bookmark and Share
Comments

Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

underground
‘Het persoonlijke is politiek’: die leus vat zowel de maatschappelijke tendensen als de persoonlijke instelling in de jaren zeventig en vroege jaren tachtig samen. Na de val van de Muur in 1989 lijkt dat te zijn veranderd. Het persoonlijke is na twee decennia durfkapitalisme vooral handelswaar geworden. Hoog tijd om het heft weer in eigen hand te nemen. De praktische idealen van de kraakbeweging, waarin do-it-yourself, het creatieve experiment, vrijheid en transparantie centraal stonden, zijn een heroverweging waard. Caroline Nevejan levert met haar lezing in de serie Underground over kraken en hacken, bestuur en ontwerp voldoende stof daarvoor.

De politiek analyseren en daar je persoonlijke handelen op afstemmen: dat was de dagelijkse consequentie van het persoonlijke dat politiek werd. Dat geeft al aan dat de groep of beweging voorop stond, en niet zoals we nu gewend zijn het individu, zoals Hans Achterhuis in zijn lezing ook stelde. De emancipatie van bepaalde groepen in de bevolking – vrouwen, homoseksuelen – heeft pas later de weg vrijgemaakt voor het hyperindividualisme dat we nu kennen. In het geval van de krakers ging het concreet natuurlijk om woonruimte, leegstand en het behoud van oude stadspanden. Om de kraakbeweging in stand te houden was het nodig om die als groep voorop te zetten en als persoon zo anoniem mogelijk te blijven.

Die anonimiteit binnen een hechte groep lijkt een bijzondere voedingsbodem voor creativiteit en experimenteerdrift te zijn geweest. Belangrijker nog is het behoud van zelfstandigheid. Een voorbeeld zijn de ‘eigen media’. Nevejan vertelt hoe het internet ontstond als een netwerk om elkaar op de hoogte te houden, en later ook om contact te houden met bijvoorbeeld oppositiegroepen in het buitenland. Tegenwoordig zijn de media haast standaard níet ‘eigen media’. Ook al hebben we het idee dat onze profielpagina’s op Facebook en LinkedIn persoonlijk zijn en van onszelf, alle gegevens zijn in handen van commerciële bedrijven. Bovendien is ons ‘persoonlijke’ profiel volkomen gestandaardiseerd naar een eenduidig format.

Het persoonlijke is om die reden nog steeds behoorlijk politiek, aldus Nevejan. We vinden het persoonlijke nu belangrijker dan wat dan ook, terwijl we dus tegelijk steeds meer conformering toestaan. In de jaren tachtig, met haar groepsgevoel en solidariteit, bleef je weliswaar anoniem (krakers kenden elkaar alleen bij de voornaam) en werd het individu dat uit de groep trad niet beschermd. Maar in de ‘vrije ruimte’ die letterlijk en figuurlijk beschikbaar was – in de gekraakte schoolgebouwen met hun grote klaslokalen, en in de vrijheid om niet gehinderd door al te veel regels te experimenteren met kunst en nieuwe samenlevingsvormen – ontstond misschien wel meer ‘eigens’ dan nu mogelijk is.

Gelijkheid was belangrijk en hiërarchie werd zoveel mogelijk vermeden. Uiteindelijk ontstaan overal machtsverhoudingen en structuren. Het is zaak om die zo transparant mogelijk te houden, iets wat in deze tijd juist niet gebeurt. Zeker in onze gemedialiseerde maatschappij, die ook door en door commercieel is, lopen belangen voortdurend door elkaar. De jongeren die in opstand kwamen tijdens de Arabische Lente, hebben enorm veel te danken aan Facebook en Twitter, maar verzuchten ook dat ze de media niet alleen hadden moeten gebruiken, maar ook hadden moeten proberen over te nemen. Of dat mogelijk is? Dat is de verkeerde vraag, begrijp je uit het verhaal van Nevejan. Het gaat erom hier en nu actie te ondernemen en het mogelijk te maken.

Kijk de lezing van Caoline Nevejan hier terug. Volgende week is het tijd om de jaren zeventig en tachtig te laten herleven in beeld en geluid. Niet alleen punk, maar ook de commercie deed zijn intrede. Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker leiden je rond.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe antwoorden op oude vragen: Welkom in Youtopia - Menno van der Veen

youtopia
'Youtopia' is de naam die Menno van der Veen heeft gemunt voor zijn beschrijving van 'de eenentwintigste-eeuwse way of life'. Dat wil zeggen: van de hoogopgeleide, zelfbewuste en semi-geëngageerde mens die leeft in een door en door gemedialiseerde wereld. Welkom in Youtopia is een merkwaardig boek, dat volkomen uit de bocht vliegt wanneer Van der Veen zijn Youtopia daadwerkelijk als een Utopia gaat beschouwen. Het stamt uit 2010 en lijkt op punten alweer verouderd. Bijvoorbeeld: waar is Facebook? Die alomtegenwoordige grootheid waarover filosofen sinds 2011 niet kunnen stoppen te praten, tot gapens aan toe? Merkwaardig en boeiend om te zien hoe snel het landschap in die gemedialiseerde wereld verandert.

De vragen die filosofen stellen veranderen daarentegen niet. Bij het in kaart brengen van Youtopia draait het om waarden als identiteit, (re)presentatie, narrativiteit, reflectie. Wie ben ik, waar sta ik, hoe geef ik betekenis, wat moet ik doen? Dat laat wel zien wat het middelpunt is van het Youtopische universum: ik, ik, ik en ik.

Wie ben ik? In elk geval niet een persoon die in bezit is van een zelf, 'het ware zelf' dat ergens diep vanbinnen weggestopt zit. Nee, identiteit wordt steeds meer opgevat als een netwerk, zoals bijvoorbeeld ook Julian Baggini in zijn TED-talk doet. Wie je bent is een combinatie van verschillende rollen of persona, die onder invloed van de omstandigheden sterker of juist zwakker naar voren treden. Wie je 'echte ik' of 'ware zelf' is doet er niet toe, die vraag is gewoonweg irrelevant (behalve als je het antwoord beschrijft in termen van meerduidigheid).

De buitenwereld krijgt al gauw een dienende functie in deze opstelling: ze levert het decor voor het rollenspel dat je speelt. Waar sta ik? Nou, in het middelpunt van je eigen belangstelling, als hoofdpersoon van je eigen verhaal. Nu is deze narratieve opvatting van wie je bent en hoe je je verhoudt tot de wereld niet nieuw. Nieuw is het gebruik van media daarbij. De Youtopisten gebruiken de (online) media om hun persoonlijke verhaal te vertellen. Het onderscheid tussen verhaal en wereld is daarbij volkomen verdwenen: het verhaal maakt de wereld en de wereld is stof voor het verhaal.

Hoe geef ik betekenis? Via gemedialiseerde verhalen dus, en meer nog: dat doe je direct. We toetsen onze ervaringen en indrukken in realtime aan beeld- en geluidsopnames die we daarvan maken. Van der Veen noemt dit mediareflectie, een verhelderend begrip. Opnames worden 'onderdeel van ons individuele geheugen en geven onze individuele ervaring vorm. Daarmee bepalen de media steeds meer ons zelfbeeld.' De technologie stelt ons daartoe in staat: 'De digitale camera maakt het mogelijk gevoelens en ervaringen vrijwel meteen te toetsen.' De camera op je telefoon al helemaal, en - daar komt ie - Facebook nog meer. 'Op een ervaring volgt direct het verslag, en als we ons later afvragen hoe we ons voelden ten tijde van die ervaring, lezen we het verslag terug omdat het eerlijker zou zijn dan ons geheugen. Of beter gezegd: het verslag is ons "geheugen". Omdat het zo dicht volgt op onze directe ervaring valt het onderscheid tussen wat we schreven, voelden of dachten meestal nauwelijks meer te reconstrueren.'

'Het probleem begint waar we geen onderscheid meer maken tussen een situatie en het verhaal dat we onszelf erover vertellen. Zodra we onze eigen verhalen gaan geloven als de letterlijke waarheid verliezen we onze verbinding met de wereld.' (Philipp Blomm in De Groene Amsterdammer, 7 december 2011)

Met dien verstande dat de Youtopist allang niet meer gelooft in het bestaan van een 'letterlijke waarheid' (hij is immers ruimschoots door de mangel van het postmodernisme gegaan en gelooft alleen nog maar in een persoonlijke waarheid) - ook Menno van der Veen signaleert een verloren verbinding met de wereld. Wat moet ik doen? Nou, zal iedereen meteen zeggen, ik moet sowieso niks. Ik luister alleen naar mijn persoonlijke waarheid. Ondanks globalisering is de wereld van de Youtopist juist heel klein geworden, in de zin dat hij zich niet bezighoudt met grote maatschappelijke problemen, zeker niet aan de andere kant van de wereld. Hooguit ondersteunt hij een individueel weeskind. Alles draait om de eigen omgeving; voor ethische problemen dan wel collectieve sociale bewegingen is daarin geen plaats, voor een individueel ondersteund project wel.

Ik herken veel in deze post-/hyper-/metamoderne antwoorden op oude filosofische vragen. Helaas vliegt Van der Veen als gezegd uit de bocht. Het tweede en derde deel van Welkom in Youtopia kun je maar liever voor gezien houden. Bovendien denk ik dat hij een miniem deel van de bevolking beschrijft, waartoe ik misschien wel behoor, maar de meeste van mijn vrienden niet. Ik laat maar wijselijk in het midden wie er beter af is.



Bookmark and Share
Comments

Piet Calis - Literaire vriendschappen en andere misverstanden

calis
Literaire vriendschappen en andere misverstanden is de titel van Piet Calis’ gelegenheidsuitgave voor de Boekenweek. Het is niet een overzicht van illustere koppels als Willem Kloos en Jacques Perk of Ter Braak en Du Perron, maar een bundeling van portretten van 62 ‘literaire vrienden’ van de literatuurwetenschapper. Al die schrijvers – en een heel enkele schrijfster – zitten opgepropt in dit dikke rode boekje als een straatklinker. Elk krijgen ze zo’n vijf pagina’s, elk van hen introduceert Calis aan de hand van een interview of een persoonlijker ontmoeting. Dat leidt wel eens tot een herontdekking of een aardig citaat, maar vooral tot heel veel namen, feiten en anekdotes, en niet tot een verhaal.

Lees verder op Athenaeum: Literaire namen, feiten en anekdotes

Goede Boekenweek gewenst!



Bookmark and Share
Comments

Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen

underground
Welzijnswerk beschrijven vanuit maoïstisch perspectief, dat klinkt vreemd en radicaal in onze oren, not done zelfs, maar in de jaren zeventig keek niemand er vreemd van op. Prof. dr. Hans Achterhuis legt de filosofie en ideologie van de jaren zeventig en tachtig bloot in de eerste lezing van de serie Underground. Zijn eigen werk en de ontwikkeling daarin legt een aantal paradoxen van die tijd bloot. Waarom het marxisme er met de haren bijtrekken als je schrijft over de praktijk van de zorg? Hij kan het zich niet meer goed voorstellen, maar onder de ‘culturele hegemonie van links’ die in de jaren zeventig heerste, was het vanzelfsprekend.

Compromisloos denken
Een andere paradox is de schijnbaar probleemloze overstap die radicale anarchisten in de loop van de jaren tachtig maakten naar het neoliberalisme. Staan die twee niet diametraal tegenover elkaar? Misschien niet. Achterhuis verheldert dat aan de hand van de Amerikaanse schrijfster en filosofe Ayn Rand over wie hij in zijn boek De utopie van de vrije markt ook schreef. Rand kan gezien worden als de belichaming van het neoliberalistisch gedachtegoed, maar werd in de jaren zestig ook gelezen door de hippies. Beide delen namelijk een anarchistische achtergrond en hebben een duidelijk utopische inslag. De ene, linkse utopie van gelijkheid en emancipatie, is haast ongemerkt ingeruild voor de andere, rechtse utopie van verregaande individualisering (je kunt ook zeggen: egoïsme) en de vrije markt. En daar zitten we nog steeds in gevangen, aldus Achterhuis. Het gevaarlijke van utopisch denken is de compromisloosheid waarmee het gepaard gaat.

Klassenstrijd of vrolijk engagement
Terug naar de jaren zeventig, die ‘verwarrende veelheid’ van stromingen en bewegingen die niet zelden in strijd waren met zichzelf, evenzeer als met de macht en het kapitaal. Er zijn twee ‘hoofdstromingen’ te onderscheiden, beide geworteld in de negentiende eeuw. De marxisten richtten zich op de klassenstrijd, die onder leiding van de partij door het proletariaat bevochten moest worden. Met bittere ernst en met het oog op een utopische toekomst. Voor de anarchisten ging het meer om het hier en nu, vrolijk engagement en do-it-yourself avant la lettre. Deze tweedeling van marxisten en anarchisten is ook in de sociale bewegingen van de jaren zeventig te zien, bijvoorbeeld in de vrouwenbeweging en in landbouwgroepen. Dat maakt het moeilijk een eenduidige typering te geven. Ook toen was het allerminst duidelijk waartoe iemand behoorde, omdat je binnen no time kon wisselen van overtuiging. Achterhuis geeft een grappig beeld van de kantine van het Instituut voor Andragologie, waar vóór de vakantie de Foucaultianen de dienst uitmaakten en ná de vakantie opeens de oranje gewaden van Bhagwan de ruimte kleurden.

Marx en Mao als kader
De idealen waren dus misschien wel radicaal, maar tegelijk vrij oppervlakkig en inwisselbaar. Hoewel de gewelddadige kant ook niet onder het tapijt geveegd mag worden. Achterhuis laat zien hoe makkelijk het was om mee te gaan in de heersende opvattingen van de tijd – ook zelf schreef hij immers met Marx en Mao als kader. Het is zijn verdienste dat hij deze intellectuele geschiedenis probeert te analyseren, samen met zijn eigen rol erin. De radicalen en revolutionairen die zonder omzien hoge functies met bijbehorende salarissen inrolden, omarmden even makkelijk de neoliberale utopie als eerder de communistische. De culturele hegemonie van links is nooit verzilverd in een politieke meerderheid, integendeel. Om onze eigen tijd van een culturele hegemonie van rechts beter te begrijpen, zijn dit soort analyses buitengewoon nuttig. Habermas noemde de 70’s en 80’s ‘de nieuwe onoverzichtelijkheid’ en dat is ook wel van toepassing op de 00’s en 10’s. Hans Achterhuis heeft in die onoverzichtelijkheid echter enige klaarheid weten te scheppen.

Volgende week
Volgende week spreekt dr. Caroline Nevejan over de kraakbeweging en de revolutionaire ontwikkelingen in cultuur en technologie die daarin plaatsvond. Wat heeft een sneeuwbal te maken met een flashmob? Je hoort het op 20 maart. De lezing van Hans Achterhuis kijk je hier terug: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

De flexibele mens en zijn angsten: Richard Sennett

levenskunst
Jobhoppen, relatiehoppen en religieshoppen, daaruit bestaat het leven tegenwoordig. Vaste relaties hebben we als ketens van ons af geworpen om ons helemaal te richten op vrijheid en zelfontplooiing. Daarmee hebben we echter een hoop waardevols weggegooid, dat niet zo makkelijk weer te hervinden is. Richard Sennett stelt in zijn werk deze cultuurpessimistische diagnose van de hedendaagse maatschappij, die haast geen samenleving meer te noemen is. Hoe krijgen we weer vaste grond onder de voeten?

Prof. dr. Joep Dohmen geeft in zijn lezing over Sennett in de serie Levenskunst toe dat hij de praktische uitwerking van Sennetts ideeën niet op alle punten overtuigend vindt. In de praktijk van bedrijfsleven en politiek zullen idealen als vakmanschap en respect gestalte moeten krijgen. Dohmen constateert dat er een spanning is tussen het individuele verlangen om een ‘vakman’ te worden en het verlangen naar sociale cohesie, zoals beide door Sennett beschreven worden.

Het kapitalisme heeft ons beroofd van de vaste pijlers die we hadden. Natuurlijk leidde die vastigheid ook tot vervreemding en verveling. Maar, vraagt Sennett, zal flexibilisering werkelijk het kwaad van de routine genezen? We zijn ‘flexibele mensen’ geworden. Aan de ene kant is dat omdat we voortdurend onszelf voorop zetten en niet meer loyaal zijn aan een ander, laat staan een werkgever. Aan de andere kant is het een uitwas van de manier waarop de economie werkt. Vandaag werd bekend gemaakt dat in 2011 nog maar 2000 mensen direct een vast contract kregen in een nieuwe functie, tegenover 83.000 in 2010. Het gaat verder dan dat: een op de vijf kinderen groeit op in een gezin zonder beide biologische ouders en nog veel meer huwelijken stranden.

Dohmen haalt een interessante notie van Sennett aan: voor het eerst geldt de elite als norm in de samenleving. Alleen het beste is nog goed genoeg en iedereen spiegelt zich aan de top. Zou het vroeger niet in een boer opkomen om zichzelf te vergelijken met zijn landheer, nu komt het niet in je op om je níet aan de sport-, film- of intellectuele sterren te meten. En als je voor de sterren onderdoet, heb je dat in feite aan jezelf te danken. In plaats van een ander om hulp te vragen, wenden we ons bij falen tot de overheid die steeds meer een abstracte instantie wordt. Hulp is eigenlijk een vies woord en afhankelijkheid een smet. Daarom is de flexmens angstig. Hij loopt voortdurend het risico om te falen – als hij zijn vaste bodem niet verliest (baan, relatie), dan wel zijn flexibiliteit. Dat klinkt als een verlies-verliessituatie.

Hoe komen we hieruit? Het zou helpen als we niet meer bang zijn voor routine, maar juist ritme opbouwen. Een bescheiden opstelling hebben tegenover de ander, hulpvaardigheid waarderen en respect niet eisen maar betonen. Er is niets mis met het opzetten van een ‘sociaal masker’ in het publieke domein, vindt Sennett. Uiteindelijk is het echter een kwestie van institutionele veranderingen. Bedrijfsleven, politiek en economie moeten fundamenteel anders ingericht worden. Anders heb je misschien wel allemaal geoefende, vakkundige, behulpzame individuen, maar blijft de samenleving ‘doelloos drijven’. Het is een moeilijk te verteren conclusie voor iedereen die best een steentje wil bijdragen aan een betere wereld, maar erop rekent dat in zijn eentje te kunnen doen, vanuit eigen inzicht en onplooiing – precies zoals Richard Sennett de eenentwintigste-eeuwer beschrijft.

De lezing is hier geheel terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Jaap van Ginneken - Het enthousiasmevirus

ginneken
‘Stemmingsbesmetting’: met dat woord duidt Jaap van Ginneken, massapsycholoog en schrijver, een heel aantal fenomenen, van Occupy en plotselinge verschuivingen in de publieke opinie tot teamgeest op de werkvloer. Door de sociale media en mobiel internet doet stemmingsbesmetting zich nog vaker en sneller voor. Nieuwe wetenschappelijke inzichten in bijvoorbeeld werking van spiegelneuronen in de hersenen tonen aan dat die ‘explosieve verspreiding van gevoelens’ ook diep in de natuur verankerd is. In Het enthousiasmevirus beschrijft hij deze twee ontwikkelingen op een toegankelijke, soms wat overvloedige wijze.

Lees verder op Athenaeum.nl: Hoe gevoelens besmetten - op afstand



Bookmark and Share
Comments

Introvert vs. extravert: Susan Cain

cain
Sinds een paar maanden werk ik in een kantoortuin. Dat is wel even wennen na drie jaar de luxe te hebben gehad van mijn eigen kamer. Natuurlijk, 'de lijntjes zijn korter' en het is best gezellig af en toe. Maar geconcentreerd werken is vrijwel onmogelijk geworden. Voor mij althans. Door de inzichtelijke en zeldzaam innemende TED-talk The power of introverts van Susan Cain, begrijp ik beter waarom.

Tegenwoordig zijn het klaslokaal en de werkvloer zo ingericht dat vooral extraverte mensen goed functioneren. Cain heeft het over het nieuwe 'groupthink', de overtuiging dat leren en werken het beste gaat in groepsverband, door samenwerking, brainstorms et cetera. Terwijl introverte mensen nu juist gedijen bij stilte en eenzaamheid. De overtuiging is inmiddels omgeslagen in een vooroordeel: zij die graag de eenzaamheid opzoeken, om een boek te lezen of gewoon na te denken, worden al gauw beschouwd als incapabele mensen - simpelweg omdat sociale vaardigheden het allerbelangrijkst worden geacht. En nee, introverte mensen ontberen niet zozeer sociale vaardigheden, ze hoeven gewoon niet altijd in een sociale omgeving te verkeren. Liever niet zelfs.

Dat vind ik heel herkenbaar. Cain spreekt over de omgeving die volgepropt is met stimulansen. Goed voor de extraverte, minder voor de introverte. Mijn eigen omgeving is inderdaad op de een of andere manier altijd al zo stimulerend zonder enige inbreng van buitenaf, dat ik die er niet ook nog bij hoef te hebben. Stapels boeken die erom schreeuwen gelezen en overdacht te worden, muziek die ik nog moet ontdekken, filmpjes terug te kijken, en niet in de laatste plaats mijn leven dat vraagt om reflectie: laat mij maar zogenaamd stil in een hoekje zitten, ik hou mezelf wel bezig. Mensen leiden alleen maar af. En als ik sociaal wil zijn (wil ik vaak genoeg hoor), dan zoek ik het wel op.

De waarden die Cain tegenover 'groupthink' stelt zijn me uit het hart gegrepen: privacy, vrijheid en autonomie. Die scheppen de tijd en ruimte om te lezen, schrijven en denken (drie handelingen die steeds in elkaar grijpen en elkaar versterken, als je er tijd en ruimte voor schept) - en daaruit kan pas inzicht voortkomen.

De laatste tijd heb ik maar weinig tijd gevonden om te bloggen, zelfs te weinig tijd om te lezen (naar mijn zin, ik lees ongetwijfeld nog steeds veel in de optiek van de extraverteling). Daar moet verandering in komen. Cain roept op om de 'wildernis' in te gaan, met andere woorden, de eenzaamheid op te zoeken (solitude is in dit verband een zoveel beter woord). Dat klinkt als je terugtrekken, maar dat is het juist niet. Het is hard werken, het is outreach, midden in de wereld staan en zoveel mogelijk tot je nemen en weer naar buiten brengen. Alleen zit 'het geraas en gebral' in je eigen hoofd, ook al komt het van een ander. Ik luister naar wat Theo Ploeg schrijft in zijn opbeurende en aanstekelijke blog Doe wat je zegt. Bij deze!

Als je je ook een onbegrepen introverteling voelt of mensen zoals mij een beetje raar vindt, kijk dan vooral naar Cains TED-talk. Of lees haar artikel The Rise of the New Groupthink bij de New York Times. Susan Cains boek is getiteld Quiet: The Power of Introverts in a World That Can’t Stop Talking. De vertaling Still komt binnenkort uit bij de Arbeiderspers.













Bookmark and Share
Comments

Tumblr: Myriaden

Nieuw!
myriaden.tumblr.com
Snapshot literatuur, filosofie, poëzie en kunst.

desnos

Tumblr-tips welkom.




Bookmark and Share
Comments

'Astro' van The White Stripes

white_stripes
Een van de leukere ontdekkingen eind vorig jaar was voor mij muziekblog Nummer van de dag, waar elke dag een liedje wordt voorzien van een mooi verhaal, een analyse tot op de seconde of een grappige anekdote. Pop, soul, hiphop, rock uit tientallen jaren aan popmuziek komt er langs, altijd een verrassing. Ik vond het dan ook een eer dat ik gevraagd werd om een gastbijdrage te leveren. Uiteraard kostte het kiezen van het nummer wat hoofdbrekens (probeer het maar eens), nu het er eenmaal staat voelt het alsof ik geen andere keuze had. 02:42 raggen, jongen, meisje, gitaar, drums.

Lees mijn bijdrage op Nummer van de dag: '
Astro’ van The White Stripes - Waarom moeilijk doen als je stampen kan?



Bookmark and Share
Comments

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan: Nu alleen zijn is verboden

heytze
Dit stuk maakt deel uit van de blogtournee over de onlangs verschenen dichtbundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (Uitgeverij Podium). Check Not just any book voor meer informatie. Eerder schreef ik over Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid.

Eerst ben je samen en gelukkig; dan ben je alleen tussen de mensen; daarna alleen nog alleen; en uiteindelijk is er niets behalve het niets. Als dat besef eenmaal is doorgedrongen kun je beter terug gaan denken: van het levenloze niets terug naar jezelf, al is dat eenzaam, naar de anderen hoe gevoelloos ze ook zijn, om te eindigen bij het begin, bij jou.

Bij het lezen van de nieuwe bundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan, slinger je steeds heen en weer tussen de verre uithoeken van het steenkoude en levenloze heelal dat zich uitstrekt ver voorbij de maan, naar het piepkleine leven dat je leidt, in een huis, met mensen die, ja, ademhalen maar evengoed levens leiden zonder zin.

Julian Barnes beschrijft in Nothing to be frightened of, zijn fenomenale essay over zijn angst voor de dood, 'le réveil mortel - the wake-up call to mortality'. Het moment waarop je ineens weet: ik ga dood. En dood betekent: niks meer. Waardoor leven misschien ook wel niks betekent. Je kunt je wel een god wanen en soms de touwtjes van de wereld in je handen voelen, in elk geval de touwtjes van je eigen leven. Als de man achter de schermen, die alle schermen tegelijk ziet, zoals Heytze schrijft. Maar het blijft een waan. Als je ver genoeg kijkt moet je zien dat er geen god is en dat jij hem niet bent.

Het absurde, heet dat in goed filosofisch jargon.

Ach, zo'n betekenisloos heelal, het heeft ook wel iets prettigs. Je hebt met niemand iets te schaften, behalve met jezelf. En van jezelf kun je in elk geval op aan. Toch? Mwah. 'Wie zou je ermee hebben behalve jezelf, en zelfs dat valt te bezien.' (Binnen en buiten) De ander dan? 'Maar ik zou niemand weten, alleen jij, en zelfs bij ons heb ik zo mijn vraagtekens.' (Achter ons)

Heytze weet heel goed de tragiek te vangen van dat ietwat sneue hoopje mens dat tegen beter weten in er nog iets van probeert te maken. Sneu hoopje, omdat je in het licht van dat enorme, mechanische heelal maar 'één tussen miljarden' bent. Het is moderne tragiek: doorgaan omdat het niet anders kan, niet tegengewerkt door een god of het noodlot, maar voortgedreven door de tijd. De tijd, die is nog veel meedogenlozer dan welke god ook. God, die liet nog plaats voor hoop. Zelfs die is er niet meer voor ons, wij die 'op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren’. (Schaduwen)

Zo voortgedreven door de tijd, ligt de hoop (toch eigenlijk een projectie op de toekomst) vooral in de herinnering. Terug dus, naar het samenzijn, 'niet langer alleen'. De wens en de hoop zijn niet gericht op een hiernamaals of een betekenisvol leven, maar op het terugdraaien van de tijd. Ik hoef niemand te vertellen dat dat onmogelijk is. Dat maakt het verlangen tragisch. En ook mooi. Er is in dit lege universum veel schoonheid te vinden. Niet zozeer in het licht, maar juist in de duisternis. 'The tunnel at the end of the light', zoals Bukowski in het motto dicht, verandert van een duistere, enge plek in een veilige haven.

Er staan veel regels (soms zinnen) in de bundel die je wilt onthouden. Trefzekere tragiek. (Dat is in elk geval een zekerheid die de dichter nog geboden is.) Het mooiste gedicht vind ik 'Het uur van het schaap'. Het is duister en eng en zeker niet veilig. Maar het biedt je één absolute zekerheid.

'Nu alleen zijn is verboden.'



Bookmark and Share
Comments

Het doel heiligt de middelen: de ethiek van Machiavelli

levenskunst
Is de staatsterreur van Assad in Syrië goed te praten vanuit de machiavellistische ethiek? Als het zo is dat de slachting van tientallen, zo niet honderden burgers tegelijk door de machthebbers te verantwoorden is met Machiavelli in de hand, dan moet er toch iets mis zijn met de schrijver van Il principe. Een interessant punt dat Joep Dohmen Maarten van Buuren voor de voeten werpt in hun discussie na afloop van de lezing over Machiavelli in de serie Levenskunst.

Functionele wreedheden
‘Het doel heiligt de middelen’, zo is de politieke filosofie van Machiavelli samen te vatten. Assads doel is de macht behouden, net zoals ‘il principe’ (de vorst), en hij doet dat door extreme middelen in te zetten. Kan dat geoorloofd zijn? De vraag is of de aard van het doel wat uitmaakt. Volgens Maarten van Buuren wel. Zeker uit het latere werk van Machiavelli, de Discorsi, spreekt de overtuiging dat een doel in dienst moet staan van de republiek, anders gezegd: het volk. Op die gronden kun je wreedheden van dictators afkeuren.

Niettemin staat Machiavelli bekend als een meedogenloze denker, die niet terugschrikt om wreedheden onder sommige omstandigheden verstandig te noemen, de beste keus, of zelfs ‘functioneel’. Het zijn smakelijke anekdotes die Van Buuren opdist, bijvoorbeeld over Cesare Borgia, de Italiaanse gruwelheerser die model stond voor Il principe. Meedogenloos was Machiavelli wellicht, maar dan vooral in de zin dat hij zich niet liet leiden door de heersende moraal; in zijn handelen noch in zijn denken.

Wat bijzonder is aan deze denker is dat hij niet beschrijft wat de mens zou moeten doen, maar wat hij doet. Machiavelli observeert en schrijft vervolgens op wat hij ziet. Zijn werkwijze, zegt Maarten van Buuren, is vergelijkbaar met die van Frans de Waal. In plaats van chimpanseekolonies bestudeert Machiavelli de kringen van de politiek en diplomatie in renaissancistisch Italië – maar beide worden evenzeer gekenmerkt door machtsspelletjes, wreedheid en een immorele basis.

Wij zijn allen machtspolitici
Immoreel ja, maar niet amoreel. Wat Machiavelli doet is een soort pre-Nietzscheaanse ‘Umwertung aller Werte’: hij zet zich af tegen de heersende waarden en deugden met een christelijk signatuur. Daartegenover zet hij klassieke, Romeinse deugden die te maken hebben met kracht, moed, onverschrokkenheid, maar ook met het belang van de staat en burgerschap boven een individuele relatie met een opperwezen. Een voorbeeld van Machiavellistische deugd is Borgia, maar aan die wrede heerser zullen wij ons niet snel willen spiegelen. Misschien wel aan de Romein naar wie de Amerikaanse stad Cincinnati is vernoemd. Cincinnatus staat als voorbeeldig dictator te boek: hij werd van zijn akkers geplukt om ten strijde te trekken als veldheer en ging na een zeer snelle oorlogsoverwinning gewoon weer verder met het bewerken van zijn land.

Uit deze anekdote spreekt het soort koelbloedigheid waar we zeker een voorbeeld aan mogen nemen, anders dan de als machiavellistisch bestempelde wreedheden van een machthebber als Assad. Maar de grootste les die we kunnen leren, zegt Van Buuren, is dat wij allen machtspolitici zijn. Op het werk, thuis, in een relatie of het gezin. Zoveel is er niet veranderd sinds de zestiende eeuw. Of sinds de chimpansees.

---

De volgende lezing in de serie Levenskunst is op 6 maart en gaat over Richard Sennett – De mens als maker. De lezing over Machiavelli is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Antoine de Kom - Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf

de_kom
Verdachte H. loopt met de psychiater die hem onderzoekt door de tuin van de instelling waar hij wordt vastgehouden op verdenking van moord. H. heeft geen stoornis, concludeert Antoine de Kom, de psychiater. Hij lijdt aan een patstelling: ‘zijn en/of niet-zijn’. Dat klinkt bekend.

H. is Hamlet, een van de tien ‘wereldberoemde misdadigers’ die Antoine de Kom, tevens dichter, onderzoekt in zijn intrigerende boek Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf. De onderzochte subjecten – negen mannen en een vrouw – zijn niet allemaal literaire personages, wel zijn ze allemaal dood. Bin L., De S.(ade) en E.(ichmann) zijn enkelen van de beoefenaars van het kwaad, die De Kom ontmoet.

Lees verder op Athenaeum.nl: Moordverdachte als een luipaard



Bookmark and Share
Comments

Julian Baggini over het 'ware zelf' als netwerk

'Is there a real you?' is de oeroude vraag die Julian Baggini stelt in zijn TED-talk. En de vraag is niet retorisch, maar echt open. Er is misschien wel een 'real you' of anders gezegd een 'true self', maar alleen als je wilt accepteren dat iets 'waar' kan zijn en tegelijk dynamisch en veranderlijk.

We zien het zelf graag als een kern, een pit die onveranderlijk blijft. Die pit heeft een aantal dingen, als handtasjes waar ze vrolijk mee heen en weer zwaait of als een backpack met zich meesleept: herinneringen, overtuigingen, eigenschappen. Julian Baggini stelt een andere weergave van het zelf voor. Door de pit gaat een kruis en wat blijft zijn de handtasjes, die aan elkaar verknoopt zijn in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt.

Baggini gebruikt een inzichtelijke vergelijking. Van water zeggen we ook niet dat het een kern heeft die twee tasjes vasthoudt met een H erop en één met een O; het water is H2O. Net zo kun je het zelf beschouwen. En net zoals niemand het in zijn hoofd zal halen water daarom een illusie te noemen, is deze vorm van het zelf geen reden om het dan maar af te doen als illusoir.

Op TED-waardige wijze sluit Baggini zijn lezing vrij hysterisch, met een lofzang op de mogelijkheden die dit 'decentrale zelf' biedt. Want als het zelf bestaat uit de connecties tussen overtuigingen, herinneringen et cetera, dan bestaat daarin ook de mogelijkheid het te veranderen. Of (zou ik zeggen) de ontwikkeling ervan te beïnvloeden.

De conclusie is kan op een tegeltje: je ware zelf moet je niet zoeken, maar maken. Mooi.





Bookmark and Share
Comments

Alicja Gescinska - De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan

gescinska
Is de mens vrij om te doen wat hij wil, ook als dat crimineel is, of gewoon helemaal niets? Of is vrijheid een morele categorie? Alicja Gescinska, Vlaams filosofe met Poolse roots, betoogt het laatste. Vrijheid is niets waard als die niet gevuld wordt met 'het goede'.

Een interessant, maar helaas weinig overtuigend uitgewerkt standpunt. Dat komt vooral omdat Gescinska (1981) zichzelf volkomen overschreeuwt. De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan begint als een veelbelovend filosofisch exposé vanuit een persoonlijk gevoed vraagstuk. Dat helaas eindigt in een kakofonie van boude politiek-maatschappelijke stellingen en uitroeptekens.

Lees verder op 8WEEKLY: Dan liever Oblomov



Bookmark and Share
Comments

Daniel Kahneman over het conflict tussen ervaring en herinnering

'We don't choose between experiences, we choose between the memory of experiences.'

In de TED-talk The riddle of experience vs memory bespreekt Daniel Kahneman een 'cognitieve valkuil' waar onderzoekers van geluk maar al te vaak in vallen. De ervaring van het geluk is iets anders dan de herinnering aan die ervaring. Of met andere woorden: de onmiddellijkheid van het moment moet je niet verwarren met de reflectie achteraf. 

Herken je dit? Je ontmoet een leuke jongen (of meisje) en je gaat een paar keer samen uit. Na een paar afspraakjes loopt het spaak. Met een knal spat het prille geluk uiteen. Al die tijd bleek hij een stuk of zes 'projectjes' te hebben lopen waar jij er toevallig één van was. Wat een vreselijke ervaring, denk je. Maar de ervaring, die paar mooie avonden en wilde nachten, is helemaal niet veranderd. Die momenten zijn immers allang vervlogen en blijven onveranderlijk gelukkig. Het is de herinnering die is veranderd en die het geluk transformeert tot iets vreselijks.

We hebben twee zelven, aldus Kahneman: het ervarende zelf en het herinnerende zelf. De eerste is degene die in het heden leeft, in de onmiddellijkheid van het moment. De tweede kijkt terug op het verleden en vertelt daar verhalen over, gebaseerd op de herinnering. Bij het denken over geluk zijn we geneigd de twee zelven te verwarren. Ze raken met elkaar in conflict. Enter ellende.

Is het niet zonde om de gelukkige ervaring weg te gooien, alleen omdat de herinnering er achteraf een grauwsluier overheen trekt? Vind ik wel. Ik probeer altijd het geluk voor ogen te houden dat een moment bezat, los van wat er verder op volgde. Dat is niet makkelijk, want wat de boel verder compliceert is het belang dat nu net het einde van een ervaring heeft bij het construeren van de herinnering eraan. Kahneman vertelt over patiënten die een pijnlijke medische ingreep ondergaan. Bij de een eindigt de ingreep na een korte tijd (zeg, vijf minuten) op het hoogtepunt van de pijn. De ander moet tien minuten lijden, maar van die tien minuten zijn de laatste vier niet zo heel erg. Zijn herinnering aan de ingreep zal daarom minder negatief zijn dan van zijn lotgenoot, ook al duurde de ingreep dubbel zo lang. 

Zo werkt het ook in de liefde. Als het prille geluk inderdaad met een knal uiteenspat, zal het moeilijker zijn om de herinnering aan de gelukkige momenten ook gelukkig te houden. Hoe lang of hoe kort ze ook duurden. Een cognitieve valkuil, in de woorden van Kahneman 'the tiranny of the remembering self'. Dat is er eentje om met een lange aanloop sierlijk overheen te springen. 

(Overigens is tussen de regels door in Kahnemans praatje ook een pleidooi te horen voor een levenskunst van de ervaring, voor actie is altijd beter dan geen actie. Mooi.)





Bookmark and Share
Comments

Zelfportret via datavisualisatie

FB-fotomozaiek_klein
Zelfs als je niet een heel fanatieke internetter bent, laat je voortdurend een online spoor van data achter. Als je achter je computer zit, maar ook elke keer als je incheckt met je OV-chipkaart. Heb je ook nog een zakelijk profiel, een Facebookaccount en een twittermanie - zoals ik - dan groeit de berg informatie die er over je te vinden is op internet uit tot een Mount Everest, in kiezelsteentjes uiteengeslagen (maar ik reis wel anoniem). Onoverzichtelijk, gevaarlijk, privacygevoelig, dat weten we inmiddels wel. Maar met wat hulp is al die data ook op een andere manier te interpreteren. Op een workshop datavisualisatie bij SETUP in Utrecht leerde ik een digitaal zelfportret te maken. Een blik in de spiegel die misschien zelfs een stapje in de richting van zelfverwerkelijking kan betekenen.

Het is interessant om te zien hoeveel informatie er met een paar simpele tooltjes uit een online profiel te halen is. Niet alleen van jezelf, maar ook van je vrienden. Als je dat op je scherm ziet verschijnen, in honderden regels onder elkaar, word je je daar wel bewust van. Daarnaast krijg je door het (al dan niet creatief) bewerken van die data ook inzicht in jezelf. En het levert mooie plaatjes op, zoals het mozaïek van al mijn Facebook-foto's.

Als inleiding vertelt schrijver David Mulder over zijn kunstproject 'Turf'. Een jaar lang turfde hij werkelijk alles in zijn dagelijks leven, van kopjes koffie via wc-bezoek naar uren slaap. Turven is op zich geen moderne hobby, er zijn altijd mensen geweest die dag in dag uit hun gewicht, drankgebruik, sigaretten of calorieën hebben bijgehouden. Denk maar aan Bridget Jones. Het beschrijven van je 'quantified self' is een natuurlijk, menselijk verlangen. Maar die beschrijving is nu veel makkelijker geworden, zeker waar het gaat om het verwerken van de gegevens.

Het gaat ook verder dan alleen cijfertjes en statistieken: via de cijfertjes, die automatisch in grafieken en kaarten inzichtelijk worden gemaakt, maak je je levensverhaal zichtbaar. En dat kan anders uitpakken dan je had verwacht. Zoals het mozaïek van foto's: bij elkaar geplaatst in een grid vertonen de foto's één groot portret. Wat spreekt daaruit? Het zijn mijn herinneringen, maar samen vormen die een beeld dat andere mensen weer op hun eigen manier interpreteren.

Het turven, merkte Mulder, beïnvloedt je daadwerkelijke gedrag omdat je nu eenmaal van tevoren een ideaalbeeld van jezelf hebt – zelfs in de meest alledaagse, betekenisloze handelingen. Dat geldt ook voor het 'online turven', als je het bijhouden van je online profielen zo kunt noemen. Een voorbeeld dat ik wel herken is Last.fm, dat automatisch bijhoudt welke muziek je afspeelt. Heb ik bezoek met een belabberde muzieksmaak, dat mijn iTunes overneemt, dan krimp ik ineen van schaamte bij de gedachte aan mijn online voor iedereen te raadplegen Last.fm-lijst.

Al van oudsher geldt dat we graag verhalen vertellen over onszelf. Iets bestaat misschien pas in de reflectie erop. Als iets niet past in ons overkoepelende verhaal, ook al is het maar als afwijkend zijlijntje, dan schrappen we het uit onze realiteit. En die reflectie, dat vertellen, loopt nu veelal via sociale media. Anders dan vroeger zijn we zijn daar nu voortdurend, in real time mee bezig. Op vakantie wacht je niet meer tot je thuis bent om je definitieve verhaal te vertellen aan de thuisblijvers, maar ben je dag in dag uit dat verhaal aan het updaten. Haast als een echte roadnovel of zelfs een ouderwets feuilleton.

Daar stonden ze aan het eind van de middag dan allemaal bij elkaar: eindeloze rijen met al mijn statusupdates van Facebook en Twitter. Normaal gesproken kijken we niet vaak terug naar wat we allemaal ooit hebben geantwoord op de vraag 'what's happening'. Al was het maar omdat je moet weten hoe je al die data bij elkaar schraapt. Dat brengt wel reflectie op gang. Is dit wie ik ben? Wie ik wil zijn?

Bovenaan las ik: 'Iemand probeerde me net aan het schrikken te maken door heel hard in mijn gezicht te roepen: EY, IK BEN SCHIZOFREEN! Maar ik schrok niet. Hij had eerst namelijk heel lief hallo gezegd.' Ik herinner me dat ik dit op Facebook zette, maar niet de gebeurtenis zelf. Hetzelfde kun je met foto's hebben, vooral uit je kindertijd. Herinner je je echt dat moment, of alleen de foto die je al talloze malen hebt gezien? Maar er is een groot verschil wanneer je alles in real time boekstaaft (natuurlijk niet alles, alleen zij die nog nooit daadwerkelijk op Twitter hebben gekeken, denken dat mensen alle kopjes koffie noemen die ze op een dag drinken). Je wordt een personage in een verhaal dat niet eens op waargebeurde feiten gebaseerd hoeft te zijn. Een verhaal dat je zelf schrijft en dat tegelijkertijd jou schrijft. Want je mag een personage zijn in een half fictief verhaal, zodra het verloop van dat verhaal je gedrag gaat beïnvloeden, is het maar al te reëel.

Dat kun je allemaal heel erg vinden. Ik denk dat het alleen maar erg is als je je van die half-fictieve status niet bewust bent. Daarom is het goed om eens een middag aan een datavisualisatiezelfportret te knutselen. Bovendien kun je het ten goede aanwenden: je wordt voortdurend geconfronteerd met jezelf en daardoor aangezet tot gedragsveranderingen. Meestal nog ten goede ook, omdat je wilt overeenstemmen met een bepaald ideaalbeeld. Dat is de andere kant van het doemdenken dat de nadruk legt op de prestatiedruk en competitiedrang die met sociale media gepaard zouden gaan. Ook niet onbelangrijk: het prikkelt de creativiteit. En dat vind ik eh, leuk.

Workshop Data-is-me bij SETUP, 14 januari 2012



Bookmark and Share
Comments

Geluk, ambivalentie en tragiek: Martha Nussbaum en levenskunst

levenskunst
Nut en rechtvaardigheid zijn de twee leidende principes van de moderne moraal. Martha Nussbaum, een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse filosofen, onderzoekt hoe die moraal weer een bredere invulling kan krijgen. Daarvoor grijpt ze terug op de levenskunstfilosofen van de klassieke oudheid, in het bijzonder Aristoteles. De centrale vraag in haar ethiek is dan ook ‘Hoe te leven’? Ethiek, Bildung, maar ook politieke filosofie krijgen allemaal haar aandacht onder de centrale noemer van het ‘goede leven’. Het goede, zo laat Joep Dohmen in zijn lezing over Nussbaum zien, is niet singulier maar meervoudig.

Ethiek
Wat is dan het goede? Dat blijft nogal impliciet. Een belangrijk onderdeel van Nussbaums beschrijving van het goede is dan ook dat het niet singulier of eenduidig is. Voor Plato was het goede weliswaar moeilijk te bereiken, maar in zijn aard wel helder. Nussbaum volgt Aristoteles in zijn kritiek op deze enkelvoudige opvatting van het goede. Zoals de titel van haar boek over dit onderwerp zegt, is zij geïnteresseerd in The Fragility Of Goodness, de broosheid van het goede.

Die broosheid is te beschrijven aan de hand van het tragische. Aristoteles heeft uitgebreid de tragedies bestudeerd en geeft die een plaats in zijn ethiek. Van de tragici leren we dat waardevolle zaken in het leven niet altijd commensurabel zijn. Een beroemd voorbeeld is Antigone. Zij staat voor de beslissing of zij haar overleden broer de laatste eer zal bewijzen, of de koning gehoorzamen die haar dat verboden heeft. Hier bestaat geen juiste keuze, beide opties zijn even ‘waarden-vol’ en door te kiezen voor het ene, moet zij het andere laten. Het is een tragische situatie bij uitstek, waarin de kwetsbaarheid van Antigone wordt getoond, maar ook de kwetsbaarheid van het goede zelf.

Hiermee is nog niet bepaald wat het goede dan precies inhoudt. Bestaat het alleen in ‘vervuilde’ vorm, vermengd met het noodlot en het tragische? Hoe moeten we ons daar dan toe verhouden? Nussbaum legt de nadruk op het individuele, concrete mensenleven, en op vorming die gericht is op zowel het praktisch denkvermogen als de emoties. Via de literatuur en kunst, zoals het verhaal van Antigone, kunnen we meer leren over de vele verschillende verschijningsvormen die het goede kan hebben. Het goede krijgt gestalte in een individueel, uniek leven zoals van Antigone. Bovendien leren we over de worstelingen met het noodlot die ieder mens zal moeten leveren.

Bildung
Ook de filosofie van het onderwijs gaat tegenwoordig hoofdzakelijk uit van ‘nut’ als leidend principe. In haar veelbesproken pamflet Not For Profit (Niet voor de winst), pleit Nussbaum voor een andere vorm van onderwijs, waarin de studenten allereerst een werk- en levenshouding ontwikkelen waarin plaats is voor zelfstandigheid, betrokkenheid en sensibiliteit.

In die vorming komt het pluralisme van ‘het goede’ weer terug. Onderwijs moet uitgaan van het bestaan van verschillende waarden en tradities en zich niet beroepen op ‘heilige boeken’. Dit onderwijs geënt op ‘liberal arts’ is er juist voor iedereen. Daar is wel een kanttekening bij te maken, want de invulling lijkt wat elitair. Niet iedereen heeft het in zich om Sophokles en zijn Antigone te doorgronden.

Politieke filosofie en capabilities
Nussbaum lijkt in haar politieke filosofie wel uit te gaan van mogelijkheden (capabilities) die alle mensen gemeenschappelijk hebben. Niet in gelijke mate, en ook niet terug te brengen tot één goed – want het goede is ook hier meervoudig van aard. Maar wat het precies inhoudt, raakt steeds verder op de achtergrond. In haar politieke denken is de vraag niet meer ‘Wat is een goed leven?’ maar ‘Wat is een slecht leven?’ Met andere woorden, het draait om het definiëren van de minimale voorwaarden voor sociale rechtvaardigheid. Positieve vorming en zelfverwerkelijking raken daarmee enigszins uit zicht. Bovendien, stelt Maarten van Buuren in de discussie na de lezing, is het tragische besef hier ook verdwenen. Er zijn talloze mensen die wel capabilities bezitten, maar die op een of andere manier niet tot ontwikkeling weten te brengen.

De verbinding tussen het vroege werk van Martha Nussbaum, dat meer op de individuele ontwikkeling via literatuur en kunst gericht is – en het latere, politiek-filosofische oeuvre, is daardoor niet makkelijk te expliciteren. Misschien moeten we weer terug naar de duizenden jaren oude tragedies. Treedt bij die Griekse personages immers niet steeds de onontkoombare verknooptheid van het persoonlijke en politieke naar voren?

Het persoonlijke en politieke zullen zeker ook in de volgende lezing voor de serie Levenskunst aan bod komen. Op 7 februari spreekt Maarten van Buuren over Machiavelli. De lezing over Martha Nussbaum is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Hoe een zin te schrijven: Stanley Fish en Dostojevski's Duivels

fishduivels
'Zichzelf blijven is het slimst - dat gelooft immers niemand.'

Deze zin komt uit Duivels van Dostojevski en is in al zijn eenvoud fantastisch. Sinds ik het boekje How To Write A Sentence And How To Read One van Stanley Fish las, valt mijn oog vaker op dit soort juweeltjes. Fish is een zinnen-aficionado, en dit boekje zijn evangelie. Eerste zinnen, laatste zinnen, gewoon mooie zinnen: hij probeert ze te begrijpen én te schrijven. Hoewel het verre van volledig is, staan er een aantal mooie overdenkingen in. Wat maakt een zin tot een goede zin? Ik las het boekje naast Duivels, dus hierbij mijn eigen overdenkingen, aan de hand van de roman van de meester.

1. Onvergetelijk goede zinnen zijn als een steen, gegooid uit onverwachte hoek. (Ik zou zeggen: als een katapult afgeschoten vanuit het struikgewas.) Een goede zin maakt steeds meer tempo om uiteindelijk hard aan te komen, bam! in je hoofd. De zin is een wereld op zichzelf, hard en af. De zin hierboven ('Zichzelf blijven is het slimst - dat gelooft immers niemand.') is een goed voorbeeld. Hij begint met een haast clichématige constatering, gekeuvel, om na de gedachtestreep een eigenzinnig wereldbeeld je hoofd binnen te katapulteren. Een wereldbeeld dat het keuvelende cliché op z'n kop zet. In vier woorden.

Of neem deze:
'Als ik op dat moment gedroomd had, zou ik het nog niet hebben geloofd.'
Dit lijkt een paradox. Meestal geloof je iets juist als je zeker weet dat je het met je eigen, wakkere ogen hebt gezien. Wat de spreker ziet is zó ongeloofwaardig dat het uit een droom lijkt te komen. Het is echter nog ongeloofwaardiger dan alle waanbeelden die een droom kan fabriceren. Of vertolkt dit misschien een diepere waarheid? Moet je alleen geloven in dat wat je droomt? De persoon die deze zin uitspreekt is alleen al door deze zin een individu, omringd door zijn eigen werkelijkheid. Duizelingwekkend, zoals de werkelijkheid bij Dostojevski zich wel vaker voordoet.

2. Zinnen kunnen 'naar voren leunen', lean forward. Dan zijn ze geen in zichzelf besloten, harde en affe wereld, maar dragen ze eerder de belofte van die wereld, die zich zal ontvouwen na de punt. Fish bespreekt zulke naar voren leunende zinnen in een hoofdstuk over eerste zinnen van romans. Wat mij betreft kunnen dat soort 'eerste zinnen' zich in het hele verloop van een boek kunnen voordoen, bij elke nieuwe plotontwikkeling.

Bijvoorbeeld, opnieuw in alle eenvoud:
'Toch gebeurde er in dit geval iets anders, iets raadselachtigs.'
Een heerlijk Dostojevskiaanse, negentiende-eeuwse zin. Er gebeurt iets. Wat gebeurt er? Niet dat ene wat je zou verwachten. Nee, iets anders. De zin roteert om het woord 'anders'. Dat slaat op 'de andere van een aantal mogelijkheden'. Maar wat er gebeurt is ook anders, buiten het gewone vallend. Iets raadselachtigs, iets wat zich opent, iets wat vragen oproept, iets complex, iets anders. Er voltrekt zich een intrige. 

3. Fish heeft ook een eenvoudige tip om zelf zulke zinnen te leren schrijven. Analyseer de zin - allereerst op de schoolse manier van grammaticale zinsontleding, vervolgens inhoudelijk (vormen de woorden een paradox? een tegenstelling? hoe volgt de informatie van de ene bijzin op de andere?). En imiteer. Hij geeft vele voorbeelden van eigen imitaties, in het volle besef dat hij met zijn imitaties de meesters niet overtreft. Vooral bij aforistische zinnen werkt het imiteren. Durf ik dat aan?

Men neme een Dostojevskiaans aforisme:
'Mijn uitgangspunt is onbeperkte vrijheid, mijn conclusie onbeperkte dictatuur.'

De structuur is duidelijk: 
Mijn uitgangspunt is [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord B], mijn conclusie [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord -B].

Bedenk dan waar je iets over wilt zeggen. Bijvoorbeeld over liefde. Welke haast filosofische concepten staan in het denken over liefde als B en -B tegenover elkaar? Laten we zeggen: de Ene, romantische liefde, en de toevallige aantrekkingskracht van velen. Welk bijvoeglijk naamwoord is op beide van toepassing? Laten we zeggen: eeuwig. Of hartverscheurend. Of voorbestemd. Voeg ten slotte alles bij elkaar.

'Mijn uitgangspunt is eeuwige liefde, mijn conclusie eeuwige aantrekkingskracht.'

Of:
'Mijn uitgangspunt is hartverscheurende romantiek, mijn conclusie hartverscheurende seks.'

Of:
'Mijn uitgangspunt is de voorbestemde Ene, mijn conclusie het voorbestemde toeval.'

Stanley Fish, How To Write A Sentence And How To Read One. HarperCollins Publishers, 2011

Meer over Duivels dat eerder Boze geesten heette: Waarom ik zo van Dostojevski houd
Meer over liefde hier.



Bookmark and Share
Comments