Jacques Bos - Het ongrijpbare zelf

bos_ongrijpbare_zelf
Wat is ‘het zelf’? Die vraag blijft rondspoken, of het nu in de gedaante is van het zijn-wij-ons-brein-debat, de al dan niet Nederlandse identiteit, of populair-psychologische TED-talks. We geloven al lang niet meer in een mannetje dat in ons hoofd of hart de stuurknuppel hanteert. Toch leef je je alledaagse leven met het idee van een gedefinieerd zelf, waar je in zekere mate verantwoordelijk voor kunt worden gehouden. Je kunt je zelf kwijt zijn, waarna je ernaar op zoek moet. Het is de manier waarop we over het zelf spreken die uiteindelijk beslissend is voor hoe het zelf bestaat, betoogt Jacques Bos in Het ongrijpbare zelf.

Als het breindebat lang genoeg aanhoudt komt het misschien wel zover dat we ons ook ervaren als materialistisch en zelf-loos, ik zou haast willen zeggen, neuronisch. Een gang langs de historische opvattingen ervan laat in elk geval zien hoe recent de ervaring van het zelf als iets individueels en innerlijks is. Bos is historicus en filosoof en presenteert de geschiedenis van het denken over datgene wat het zelf heet. Door de bronnen te bestuderen van Homerus via Plato, Augustinus en Locke geeft hij inzicht in hoe onze alledaagse ervaring van het zelf is gevormd. Charles Taylor deed dat eerder in het monumentale Bronnen van het zelf (1989). Jacques Bos zegt anders dan Taylor geen cultuurkritische doelstelling te hebben. Dat brengt met zich mee dat zijn uitwaaierende betoog soms wat richtingloos aandoet.

Lees verder op Athenaeum.nl: Wat je zegt ben je zelf



Bookmark and Share
Comments

Marja Pruis over Patricia de Martelaere: Als je weg bent

als-je-weg-bent
Meteen vanaf het begin is duidelijk: Als je weg bent wordt een persoonlijk verhaal. Over Patricia de Martelaere ja, maar zeker ook over Marja Pruis, die het verhaal begint met haar bezoek aan een schrijfverblijf. Het gaat in Als je weg bent dan ook even veel over filosofe en schrijfster Patricia de Martelaere als over het schrijven van dit boek. Niet op het platgetreden postmodernistenpaadje, maar eerder geïnspireerd door het dagboek van de onderzoeker of de detective.

Patricia de Martelaere overleed in 2009, 51 jaar oud, na een ziekbed van een paar maanden. Twee jongvolwassen kinderen, een nieuw ontdekte onderzoekspassie (Chinese taal en de filosofie van de tao), een nieuwe liefde en nieuwe vriendschappen. Een sexy vrouw met aanbidders, maar bovenal: een intellectueel zwaargewicht, met een vaste aanstelling aan het Leuvense filosofiedepartement en met romans genomineerd voor de grote prijzen, al sinds ze op haar dertiende (!) haar literaire debuut maakte. Ook Pruis is fan, dat lees je. Maar dat wil niet zeggen dat er geen worsteling is. Zoals het hoort in een biografie.

Lees verder op Athnaeum.nl: Sexy vrouw en intellectueel zwaargewicht



Bookmark and Share
Comments

Peter Bieri en Paul van Tongeren: diepgravend zelfonderzoek vereist!

tongeren
Hoe moraal te funderen in een maatschappij die elke fundering van buitenaf weigert? We kunnen alleen van onszelf op aan toch? Laten we voor een 21e-eeuwse ethiek dan maar beginnen met een diepgravend zelfonderzoek, zeggen de filosofen Paul van Tongeren en Peter Bieri. Een kritisch zelfonderzoek vooral, dat niet voorbijgaat aan dat wat ons bepaalt van buitenaf. Vooral de taal en het (beschouwende) verhaal krijgen daarbij veel aandacht.

In de populaire filosofie is het individu zowel begin- als eindstation. Paul van Tongeren is uitgesproken kritisch over die stroming van de levenskunst, in zijn boek dat dan toch Leven is een kunst heet. Deze filosofen beloven misschien wel (zelf)hulp in zware tijden, stelt hij, maar doen dat door die zware tijden in een handomdraai te neutraliseren. Het is Amerikaanse wilskracht vermengd met stoïcijnen-light. Je krijgt wat je wilt als je er maar genoeg in gelooft. En als het tegenzit, moet je iets anders willen. Voor tegenslag en tragiek, toch onderwerp van de verhevenste kunst, is in de levenskunst geen plaats. Dat is voor deze hoogleraren te makkelijk gedacht.

Lees verder op 8WEEKLY: Voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen - Diepgravend zelfonderzoek met Peter Bieri en Paul van Tongeren



Bookmark and Share
Comments

Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk - Geert Jan Blanken

blanken
5 mei 2013 is de tweehonderdste geboortedag van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, wat ongetwijfeld aanleiding zal geven tot lezingen, boeken en artikelen. Ambo publiceert alvast Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk van Geert Jan Blanken. En voor 2013 staan bij Uitgeverij Damon, die een uitmuntend uitgegeven Kierkegaardreeks heeft, Opbouwende toespraken in verschillende geest en Wijsgerige kruimels & Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen op het programma. Twee titels waar Geert Jan Blanken wel raad mee weet.

Geen bouwpakketjes voor het leven
Blanken beperkt zich in zijn inleiding noch tot de bekendste werken uit het oeuvre noch tot de bekendste anekdotes uit de levensloop. Wat weet de gemiddelde krantenlezer over Søren Kierkegaard te vertellen? Hij mompelt wellicht iets over ‘de vader van het existentialisme’, en wappert dan met de handen om de geloofsfanaticus op afstand te houden. Het zijn van die typische karikaturen die een groot denker zich moet laten welgevallen (Kierkegaard had hier al bij leven last van), maar die nu ook weer niet uit de lucht gegrepen zijn. Deze twee thema’s - de existentie en het geloof - komen ook bij Blanken steeds terug, voorzien van een diepgravende context en de nodige nuancering.

Lees verder op Athenaeum.nl: Zelfonderzoek dat gegrond is in verbijstering



Bookmark and Share
Comments

'Bezit' 'ik' 'mijn' 'leven'? Ofwel: ik vs. leven

sontag
1. Van die ingewikkelde kwesties die je nachten wakker houden of jaar na jaar tussen de blaadjes van je notitieboekje opduiken: hoe verhoudt ‘mijn ik’ zich tot ‘mijn leven’? Eenvoudig toch: ik leef mijn leven. Toch ben ik niet de enige die voelt hoe het ik kan botsen met het leven. In 1970 noteert Susan Sontag in haar dagboek: ‘I would be more loyal to myself, less loyal to my “life”. I would stop treating my life as if its dimensions were already determined (or determinable) a vessel whose responsibility it’s mine to fill with high-class goodies.’ (Susan Sontag, As consciousness is harnessed into flesh)

2. Ik zocht terug in mijn eigen notitieboekje. Ja, daar was het, ergens in 2005 neergepend. Er is het ik, en het leven. Allebei van jou, maar soms kunnen ze als van twee verschillende personen lijken. Het leven speelt zich af ergens achter je rug, het ik ontsnapt aan je grip als een heliumballon. Terwijl je ze toch bezit, ze zijn je eigendom. Het gaat goed als je kunt zeggen: ‘Ik heb mijn leven in de hand.’ Maar waarschijnlijk valt het niet eens op als het zo is, op zulke momenten vallen leven en ik gewoon samen. In de literatuur – en in dagboeken – lezen we gewoonlijk vooral over de momenten dat het niet goed gaat, en de twee – ik en leven – mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Kierkegaard
3. ‘En dat is het trieste, wanneer men het leven van de mensen beziet, dat zovelen hun leven leiden in stille verlorenheid; ze leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich allengs ontvouwt en nu in die ontvouwing hun eigendom is, maar ze leven zich als het ware uit zichzelf weg, ze verdwijnen als schimmen, wier onsterfelijke ziel verwaait, en geen vragen naar haar onsterfelijkheid jagen hun angst aan, want voor ze sterven zijn ze al vervloeid in het niets.’ (Søren Kierkegaard, Of/Of)

4. Laat ik het nog problematischer maken. Alleen maar vertwijfelen over ‘ik’ en ‘mijn leven’ is nogal solipsistisch. Er is ook nog de buitenwereld. Wat als die je ook ontglipt? Als je ik en je leven ook nog afgesneden worden van de anderen? Pessoa in het Boek der rusteloosheid: ‘80. SMARTELIJK INTERVAL (...) Mijn leven is alsof men mij ermee sloeg.’ Mijn leven – mij – men. Wie is ‘men’? Is het ik werkelijk als een stoffig tapijt dat ervan langs krijgt met de mattenklopper van het leven? Of als de monnik die met een karwats aan zelfkastijding doet?

PessoaFernando
5. In 2005 schreef ik ook: je bent pas echt vrij als het leven je een lot toebedeelt. Omdat je zonder materiaal om mee te werken, gevangen blijft in leegte. Je hebt iets nodig om mee te experimenteren in vrijheid. Een lot is dan de grootste gift die je kunt krijgen. Of nou ja, gift, dat klinkt alsof er een Grote Gever is. Beter: een lot is het beste wat je kan overkomen. Gelukkig zette ik er ook bij: ‘misplaatst optimisme’.

6. Dat er een ik is dat zijn leven in bezit heeft, is een bruikbare illusie die het mogelijk maakt over jezelf en je leven na te denken. Maar filosofie en wetenschap geloven al lang niet meer in het mannetje/vrouwtje in de stuurhut van de ‘vessel’ zoals Sontag het noemt. Filosoof Julian Baggini beschrijft ons standaard ik-beeld als een kern, een pit die van alles vasthoudt, als vrolijke handtasjes – één voor elke eigenschap – plus een backpack vol herinneringen. Het zelf in bezit van zijn leven. Klopt niet. Baggini streept de pit door en wat overblijft zijn de handtasjes, aan elkaar verknoopt in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt. (Julian Baggini over het 'ware zelf' als netwerk)

7. En het leven? Van wie is het, als niemand het bezit? Wat blijft er over als we de pit wegstrepen? Nou, gebeurtenissen, toeval, het lot. Gebeurtenissen die zich even decentraal afspelen als de eigenschappen van je ik. Verbonden, op zijn best, door een netwerk van notitieboekjes.



Bookmark and Share
Comments

Seks en filosofie: Alain de Botton - Meer denken over seks

botton_seks
Seks en filosofie. Filosofie en seks. Zo, nu ben ik in elk geval verzekerd van heel veel pageviews. Zoiets moet Alain de Botton ook hebben gedacht, maar dan met betrekking tot verkochte exemplaren van zijn boekje Meer denken over seks

'Filosofie voor een ontspannen seksleven' staat er op de achterflap. Dat is belangrijk, omdat de vraag zich tijdens het lezen opdringt of je je niet hebt vergist met de veronderstelling een filosofisch werkje in handen te hebben. 'The School of Life' levert zelfhulpboeken nieuwe stijl, maar wél expliciet onder de noemer filosofie.

Lees verder op 8WEEKLY: Seks en filosofie. Filosofie en seks.



Bookmark and Share
Comments

2x de categorische imperatief van Kant: niet liegen en niet martelen

Opnieuw leen ik wat materiaal van Michael Sandel, dit keer om beter te begrijpen wat die categorische imperatief van Immanuel Kant nu betekent en voor implicaties heeft. Twee filmpjes, die corresponderen met de twee bekendste formuleringen van de imperatief, zoals Kant die geeft in zijn Fundering voor de metafysica van de zeden (1785).

1. ‘Handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt.’ Is het mogelijk om je gedrag of keuze uit te breiden tot een algemene of natuurwet - met andere woorden, stel dat iedereen steeds zo zou handelen als jij op het punt staat te doen, zou dat redelijkerwijs mogelijk zijn of stuit je dan op een logische tegenstrijdigheid? De beroemdste illustratie hiervan is het voorbeeld over het liegen. Je mag nooit liegen, aldus Kant, want als liegen een algemene wet zou zijn, zou 'liegen' en ook 'waarheid' betekenisloos worden. Sandel legt vanaf 09:18 tot ongeveer 20:00 helder en grappig uit hoe dat zit.



2. ‘Handel zo dat jij het menszijn, zowel in eigen persoon als in de persoon van ieder ander altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.’ We gebruiken allemaal voortdurend mensen als middel: de kassajuffrouw om af te rekenen, de kapper om je haar te laten knippen. Maar je mag nooit de mens tot dat middel reduceren. Elk mens, ook de grootste vijand, heeft waarde in zichzelf, een waarde die gerespecteerd dient te worden. Ook als het gaat om een kindermoordenaar die niet wil vertellen waar hij zijn slachtoffer verstopt heeft?



Lees ook over het Utilisme.
In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.



Bookmark and Share
Comments

Mag ik het ook leuk vinden? Over het waarom van filosofie

logo_fm
‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’ Zo’n dertig studenten zitten verwachtingsvol in het eerste college van de minor Praktische filosofie, een semester lange onderbreking van hun studie voeding, mode of elektrotechniek. Waarom ze voor filosofie hebben gekozen en niet voor bijvoorbeeld Ondernemerschap of Business in China? Tja, goede vraag. Voor de verdieping, om eens op een andere manier naar de wereld te kijken. En, voorzichtig, gewoon omdat het leuk lijkt.

Leuk is misschien wel het meest gehate woord onder taalliefhebbers, onderwijzers, ouders, iedereen boven de achttien. Toch ben ik blij met de aarzelende vraag van de student. Filosofie studeren omdat je het leuk vindt, is dat niet een beter begin dan ‘omdat het moet’ of ‘omdat ik dan interessant overkom’? Natuurlijk mag je het leuk vinden, zeg ik dan ook, ik hoop dat dat zo blijft (in gedachten zie ik het college over Kant al dichterbij komen).

Lees verder op Filosofie Magazine: 'Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’



Bookmark and Share
Comments

Michael Sandel test het utilisme, of: word donor

Een grappig filmpje dat simpele vragen lijkt op te werpen maar felle reacties teweeg kan brengen. Aangaande donorschap bijvoorbeeld. Een ruime meerderheid van mijn studenten is orgaandonor, zo bleek uit de discussie in de klas. En degene die het niet waren hadden daar over het algemeen bewust voor gekozen.





Bookmark and Share
Comments

Manifest voor een Existentialistische Partij

logo_fm
Morgen verkiezingen, vandaag een Manifest voor een Existentialistische Partij.
Op het blog van Filosofie Magazine.
8 punten, te beginnen met, uiteraard, Vrijheid.
Lees verder!



Bookmark and Share
Comments

Epicurus: genot en hedonisme als leidraad voor een gelukkig leven

epicurus
Epicurus staat bekend als de filosoof van het genot, van het hedonisme. In een sixties-achtige commune leefden hij en zijn vrienden en vriendinnen samen, vrij van verplichtingen, vol van vriendschap. Toch leidt de hedonistische ethiek van Epicurus tot een leven van matigheid en rust. Hoe zit dat?

* Bevredigen van lust - genot - is de weg naar geluk.
* Maar: lust moet je vooral begrijpen als afwezigheid van pijn. 'Hebben we geen pijn, dan hebben we geen lust meer nodig.'
* Instant lustbevrediging is vaak niet slim op de lange termijn (je wordt dik, loopt een soa op, belandt in de goot). In het goede leven streef je daarom naar de bevrediging van je behoeften, naar genot, maar wel door het verstand geleid. 
* Zelfredzaamheid staat voorop: richt je alleen op de behoeften die je zelf kunt bevredigen en waar externe factoren dus geen noodzakelijk belang in hebben.
* Geniet, maar zorg dat je niet afhankelijk wordt van genot. 
* De hoogste lust is van geestelijke aard: ataraxia, onverstoorbaarheid of gemoedsrust.

Het 'viervoudig medicijn' om gemoedsrust te bereiken:
1. De goden doen niets (daar hoef je dus niet je handelen op af te stemmen)
2. De dood betekent niets ('wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer' - daar hoef je dus niet bang voor te zijn)
3. Lust is gemakkelijk te bereiken (als je behoeftes beantwoorden aan het criterium van zelfredzaamheid)
4. Onlust is gemakkelijk te negeren of te vermijden (ga d'r maar aan staan)

Het belangrijkste is eigenlijk om inzicht te krijgen in je behoeftes. Daar hangt alles van af. Hoe doe je dat? Gebruik je verstand én je fantasie:

'Bij alle verlangens moet men de volgende vraag stellen: Wat zal er met mij gebeuren wanneer in vervulling gaat wat ik nu zo hartstochtelijk wens? En wat als het niet gebeurt?' 

Als je je hier een eerlijke voorstelling van maakt, kun je ook de volgende vraag beantwoorden: Gaat achter de hedonistische wens (bijvoorbeeld een mooi huis bezitten) niet een andere behoefte schuil (samenwonen met een lieve huisgenoot)? 

Op de vraag hoe je die laatste behoefte - lieve mensen om je heen hebben, niet toevallig het belangrijkste middel tot het verwerven van levensgeluk volgens Epicurus - kunt rijmen met zelfredzaamheid, heb ik helaas geen antwoord.

Epicurus' Brief over het geluk verscheen bij de Historische Uitgeverij. Lees ook Handige tips voor een sterk karakter - Aristoteles en deugdethiek en Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst.

In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.





Bookmark and Share
Comments

Handige tips voor een sterk karakter - Aristoteles en deugdethiek

boog
Wat is geluk? Geluk is gelukt zijn. Hoe doe je dat? Door te deugen. Wie deugt? Degene met een sterk karakter. Karakter heb je niet, dat krijg je. Steeds herhaald gedrag krassen onuitwisbare lijnen in - en die samen worden je karakter. Door oefening en educatie, kun je proberen goede eigenschappen te ontwikkelen (en net zo makkelijk slechte). Om te deugen, zijn deugden nodig, die je je door te oefenen eigen maakt. Ze moeten een innerlijke gesteldheid worden.

Een deugd is
'een stabiele levenshouding die ons in staat stelt keuzes te maken die het juiste midden aanhouden ten aanzien van onze voorkeuren zoals wijzelf en verstandige mensen in het algemeen dat in redelijkheid zouden bepalen'

Deugdzaam handelen is handelen
‘op het juiste moment, met betrekking tot de juiste objecten, in relatie tot de juiste mensen, om de juiste reden en op de juiste manier’

De deugd ligt in het midden, die kennen we allemaal. De dappere strijder beweegt zich tussen overmoed en lafheid, de gulle gever tussen verkwisting en gierigheid. Mooi vind ik altijd geestigheid, te situeren ergens tussen dorre verstarring en flauwe poep- en piesgrappen (zo zie ik dat dan maar voor me). Maar hoe kom je in dat midden terecht?

Joep Dohmen zegt in deze lezing (kijk minuut 45:20-1:00:38): Je moet weten wat je doet, je moet daar bewust voor kiezen en je moet daarin een innerlijke houding ontwikkelen, een dispositie. Dan weet je het juiste midden te kiezen.

En dan nu de handige tips om het juiste midden te vinden:
- Keer je af van wat het meest aan het midden is tegengesteld. Het ene extreem is erger dan het andere. (Het is wel lastig om te bepalen of nu verkwisting of gierigheid erger is.)

- Ga na waartoe jij het sterkst geneigd bent en vervolg je weg in tegenovergestelde richting. (Onze tijd kan daarom met een gerust hart collectief richting magere jaren bewegen, met onze neiging tot overvloed.)

- Zoek de balans door eerst naar het ene uiterste en dan naar het andere te gaan. (Dit houdt de belofte in van een paar spannende experimenten!)

- Kom je niet precies in het midden uit, volg dan de op een na beste koers. (Dat is nog altijd beter dan alles uit je handen laten vallen en in de goot te eindigen.)

- Pas op voor het aangename en het genot, dat zijn vaak verraderlijke motieven. (Vooral als het van korte termijn is.)

- Sta steeds achter je eigen handelen, wees overtuigd van je gedrag. (Second that.)

In het kader van het vak Ethiek dat ik verzorg in de minor Praktische Filosofie aan de HvA zal ik hier de komende tijd korte stukjes plaatsen over de basisbeginselen van ethiek.



Bookmark and Share
Comments

Rolf Dobelli - De kunst van het heldere denken

dobelli
Ze vormen een welkome afwisseling op de Zin-pagina van nrc.next, de columns van Rolf Dobelli over denkfouten. Nu is er een boekje met 52 voorbeelden van waar het rationele denken de mist in gaat.

De kunst van het heldere denken is als boek toch vooral een verzameling columns. De korte stukjes leunen sterk op anekdotes, voorzien van een hapsnap analyse en ondersteund met wetenschappelijke feitjes. Niettemin een aardige bundeling voor wie houdt van het werk van Nassim Nicholas Taleb (De zwarte zwaan) of de statistiek-debunking van Hans van Maanen.

Lees verder op 8WEEKLY: Trap niet in de valkuil van je eigen hersenen



Bookmark and Share
Comments

Het experiment geluk: cijfers, woorden

Geluksonderzoek concentreert zich nogal eens op statistische vragenlijsten van het type 'hoe eens bent u het met de volgende uitspraak: ik voel me gelukkig'. Dat roept bij filosofen natuurlijk meteen allerlei vragen op. Wat is geluk eigenlijk? Kun je wel zeggen hoe gelukkig je je op een bepaald moment voelt, of kan dat alleen achteraf? Is geluksgevoel intrinsiek, of afhankelijk van externe factoren?

Ik heb een tijdje meegedaan met een onderzoek naar geluksgevoel, dat uitgevoerd werd via een iPhone-app (dat was de belangrijkste reden om mee te doen, denk ik) en ook op die manier was opgezet. Elke dag moest je een indicatie geven van je geluksgevoel, en daar nog wat vragen omheen beantwoorden. Geen idee wat de uitkomst van het onderzoek was, want ik ben vroegtijdig afgehaakt. Wat ik leerde was in elk geval dat mijn stemming erg afhankelijk was van externe factoren. In de evaluatie meldde ik onder andere dat ik de vraag miste of ik gedronken had. Ik heb nog veel te leren van de (oude) filosofen, vrees ik.

Experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk
Een nieuwe vorm van filosofie bedrijven is de zogenaamde 'experimentele filosofie'. In een wat amateuristisch YouTube-filmpje, dat niettemin interactief is (kende ik nog niet) zie je een voorbeeld van experimenteel filosofisch onderzoek naar geluk. Of eigenlijk onze waarneming van geluk bij anderen. Wat blijkt? Als we de mate van geluk of ongeluk van een derde proberen in te schatten, laten we ons leiden door waardeoordelen over die persoon:


Vooroordelen over vooroordelen
Nu kun je in dit geval vraagtekens zetten bij de vooroordelen wat betreft de waarden die uit dit filmpje spreken. De mijne zijn het niet. Aardig is wel dat ik me meteen bewust werd van wat mijn waarden dan wel zijn: ik vond de tweede Maria vooral ongelukkig overkomen omdat ze zo graag wil zijn als iemand anders. Ze is niet autonoom (wellicht evenmin als ik met mijn externe factoren, maar die komen er nooit op neer dat ik wil lijken op iemand anders). Een queeste naar roem en de rock-'n-roll lifestyle vind ik niet per definitie verwerpelijk en een goede moeder zijn lijkt me niet per definitie een beter doel, zoals het filmpje wil doen geloven.

Interessant, ook filosofisch gezien, is natuurlijk dat die waardeoordelen bij het beoordelen van iemands ongeluk niet meespelen. Toch vragen de uitkomsten van dit soort filosofische experimenten nu juist om 'standaard' filosofisch onderzoek naar wat dat dan betekent. Heeft het te maken met ons empathisch vermogen dat zich niet laat hinderen door meer rationele waardeoordelen? Spreekt geluk van een ander misschien meteen onze competitieve drang aan, onze jaloezie?

Happyism en Happinez
In Vrij Nederland schreef Carel Peeters onlangs ook over de op z'n minst discutabele vraagstelling van het geluksonderzoek, 'de 1-2-3-schaal'. De literatuur geeft tegenwicht aan die op positieve psychologie gebaseerde onderzoeken, dat uiteindelijk lijkt te resulteren in de stortvloed aan Happinez- en Flow-achtige bladen. 'De uitkomsten zouden iets zeggen over de wereld van nu. Misschien zijn mensen sociologisch of economisch gezien wel ‘tamelijk gelukkig’. Maar wat hebben we daaraan, als de echte werkelijkheid veel genuanceerder is en in de literatuur te vinden is, bij Philip Roth, Jonathan Franzen of Martin Amis. Daar lees je hoe het werkelijk is gesteld. Je hoeft er zelfs niet voor naar de uitgesproken misantropische schrijvers. Al die sociologen, psychologen en sociaal-geografen zijn bezig met wat men in Amerika happyism noemt. Ze bepalen hoe grote groepen mensen zich zouden voelen. Je hebt er niets aan.'

Klare taal! Begeeft de 'experimentele filosofie' zich eigenlijk niet gewoon op het pad van de sociologie en de psychologie, daar waar volgens Carel Peeters een woord als geluk helemaal niet thuishoort? Wat is eigenlijk het verschil, als je niet verder ingaat op de betekenis van die waarden en woorden? Heeft het onderzoek uit het filmpje wel met geluk te maken, of gaat het soms alleen maar over die waardeoordelen waarmee we andere mensen de maat nemen?

Geluk als plicht
En hoe zit het met het waardeoordeel aller waardeoordelen, dat waarnaar het tegelijk grappige en lelijke woord happyism verwijst; namelijk dat iedereen wel zal streven naar geluk - sterker nog daarnaar moet streven. De tendens om geluk als een recht te zien - dat staat buiten kijf - en verder nog - geluk als plicht voor alle burgers? Om dat te ontmaskeren heb je inderdaad de literatuur nodig. 

Peeters haalt Kees van Kooten aan: 'Ze kunnen bijvoorbeeld aan hedonia lijden, het onvermogen om van geluk te genieten. Voor die aandoening is geen plaats in de 1-2-3-schaal. Er zijn mensen die vinden dat ze sober (niet uitbundig) moeten leven, anderen stellen zich komende rampen voor, er zijn mensen die denken dat ze geen recht op geluk hebben, weer anderen hebben geen talent voor frivoliteit.'

Wat inderdaad met mensen die geen aanleg hebben voor geluk? Of die zich er niet zo voor interesseren? Die bijvoorbeeld wijsheid belangrijker vinden, of zorgen voor anderen vanuit diepgevoeld (religieus) medelijden, of zoveel mogelijk kicks opdoen al moeten ze voortdurend over hun pijngrens heen. Die daar misschien hun 'geluk' uithalen als zin van het leven, maar niet op de 1-2-3 manier. 

The unhappy child
Peter Stearns noemde in een mooie lezing over de geschiedenis van het opvoeden - die steeds meer een geschiedenis van het opvoeden tot geluk is - dat type kind dat vergeten wordt, of erger nog totaal verkeerd begrepen, the unhappy child. Die kinderen bestaan en zijn misschien niet ongelukkig, maar gewoon peinzend aangelegd, soms neigend tot een verdrietige grondstemming, maar vast ook in de wieg gelegd voor wijsheid. Geef ze een Happinez en ze zullen juist ongelukkig worden door de confrontatie met zoveel schreeuwerig geluk. Op welke schaal ze staan? Dat ligt helemaal aan het vooroordeel waarmee de wereld naar ze kijkt. 



Bookmark and Share
Comments

10 x Levenskunst - Deugden en ondeugden

1. Frans de Waal
Heeft de moraal een natuurlijke, evolutionaire oorsprong? Of is moraal specifiek menselijk en niet los te zien van cultuur? Dat was de inzet van de lezing door prof. Joep Dohmen over het werk van bioloog Frans de Waal en in het bijzonder de notie van empathie. De Waal laat in zijn onderzoek naar het gedrag van apen zien dat empathie – en daarmee gedrag als wederkerigheid en troost – niet een verworvenheid van de mens is, maar ook bij dieren voorkomt. De mens is net als zijn naaste verwanten ‘van nature goed’, zij het dat hij ook van nature uitgerust is met ‘slechte’ eigenschappen als agressie en machtsbelustheid.
Lees verder: Empathie is nog geen moraal: Joep Dohmen over Frans de Waal

2. Wu wei
Een moderne moraal legt geen regels op, maar ondersteunt de natuurlijke neigingen tot het goede. Deugden die het vrije individu trainen in dat waar hij goed in is, in plaats van hem te beperken maken zo’n moraal praktisch. De 21e eeuw vraagt om een ethiek die geen regels en wetten formuleert, maar juist de verlammende werking van regels laat zien. Prof. Maarten van Buuren wil op zoek naar zo’n natuurlijke moraal, en het taoïsme is daar een eerste voorbeeld van. Zo blijkt uit zijn lezing in de serie Levenskunst, Wu wei, doen door niet te doen.
Lees verder: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

3. Aristoteles
De deugdethiek en de levenskunst: twee dominante filosofische stromingen van deze tijd. Beide kwamen op in de laatste decennia van de twintigste eeuw en zijn nu bepalend voor wat je zou kunnen noemen de ‘mainstream’-filosofie. Twee filosofieën met een verschillende oriëntatie. Deugden zijn gericht op karaktervorming, het ontwikkelen van een houding die zich vertaalt in bepaald gedrag. De centrale, achterliggende waarde: geluk, of ‘gelukt zijn’ in overeenstemming met de menselijke natuur. De levenskunst is eerder gericht op het vinden van een persoonlijke ‘zin’ en draait om de centrale waarde van ‘authenticiteit’, in overeenstemming met je individuele zijn. Prof. Joep Dohmen noemt het verbinden van deze twee ethieken hét filosofische probleem van deze tijd. Hoe kunnen deugden geïntegreerd worden in een actuele levenskunst?
Lees verder: Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit

4. Epicurus
De deugd is als een geneesmiddel. Zoals je een medicijn slikt om gezond te worden, zo beoefen je de deugd om geluk te bereiken. Epicurus zet zich met deze utilitaristische, op het nut gerichte visie op de deugden af tegen zijn grote voorgangers Plato en Aristoteles. Maar tegen welke prijs? Dat is de vraag die blijft hangen na de lezing van prof. dr. Maarten van Buuren over Epicurus in de serie Levenskunst.
Lees verder: Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst

5. Martha Nussbaum
Nut en rechtvaardigheid zijn de twee leidende principes van de moderne moraal. Martha Nussbaum, een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse filosofen, onderzoekt hoe die moraal weer een bredere invulling kan krijgen. Daarvoor grijpt ze terug op de levenskunstfilosofen van de klassieke oudheid, in het bijzonder Aristoteles. De centrale vraag in haar ethiek is dan ook ‘Hoe te leven’? Ethiek, Bildung, maar ook politieke filosofie krijgen allemaal haar aandacht onder de centrale noemer van het ‘goede leven’. Het goede, zo laat Joep Dohmen in zijn lezing over Nussbaum zien, is niet singulier maar meervoudig.
Lees verder: Geluk, ambivalentie en tragiek: Martha Nussbaum en levenskunst

6. Niccolò Machiavelli
Is de staatsterreur van Assad in Syrië goed te praten vanuit de machiavellistische ethiek? Als het zo is dat de slachting van tientallen, zo niet honderden burgers tegelijk door de machthebbers te verantwoorden is met Machiavelli in de hand, dan moet er toch iets mis zijn met de schrijver van Il principe. Een interessant punt dat Joep Dohmen Maarten van Buuren voor de voeten werpt in hun discussie na afloop van de lezing over Machiavelli in de serie Levenskunst.
Lees verder: Het doel heiligt de middelen: de ethiek van Machiavelli

7. Richard Sennett
Jobhoppen, relatiehoppen en religieshoppen, daaruit bestaat het leven tegenwoordig. Vaste relaties hebben we als ketens van ons af geworpen om ons helemaal te richten op vrijheid en zelfontplooiing. Daarmee hebben we echter een hoop waardevols weggegooid, dat niet zo makkelijk weer te hervinden is. Richard Sennett stelt in zijn werk deze cultuurpessimistische diagnose van de hedendaagse maatschappij, die haast geen samenleving meer te noemen is. Hoe krijgen we weer vaste grond onder de voeten?
Lees verder: De flexibele mens en zijn angsten: Richard Sennett

8. Friedrich Nietzsche
Maakt dit mij sterker? Dat is de leidende vraag in de nietzscheaanse levenskunst. Niet: is dit het goede of het ware, want ook het goede en het ware staan slechts in dienst van het vergroten van je eigen kracht. Als een illusie je op een zeker moment sterker maakt dan de waarheid – kies dan voor de illusie. Sommige waarheden kunnen zo hard en onhandelbaar zijn dat ze schadelijk worden – schuif ze dan terzijde. De waarheid en de illusie zijn deugdelijk als ze jou sterker maken en ondeugdelijk als ze je verzwakken, dat is de kern van Nietzsches deugdenethiek. Maar het volgen van de weg omhoog (de wil tot macht, dat wat je sterker maakt), gaat onvermijdelijk gepaard met lijden en zelfopoffering.
Lees verder: Nietzsche als deugdethicus

9. Alasdair MacIntyre
Ons leven is gefragmenteerd en we dreigen onszelf kwijt te raken. Dat is de niet erg vrolijke diagnose van de moderne mens die Alasdair MacIntyre stelt. Onder invloed van het liberalisme zijn we alleen nog maar bezig met onze individuele meningen en vieren we het consumentisme. Van een gemeenschappelijke moraal en sociale samenhang is geen sprake meer. Hoe die terug te vinden?
Lees verder: Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie

10. Richard Rorty
'Nu komt het aan op je idealisme, Miriam.' 'Ik ben wel idealistisch, omdat ik geloof dat je de wereld een beetje beter kunt maken. Maar niet voorgoed en niet op recept. Daarvoor blijf ik te veel een pragmaticus.' Ik droom niet altijd in filosofische dialoogjes, zeer zelden zelfs, maar blijkbaar had de Levenskunstlezing over Richard Rorty en het pragmatisme een snaar geraakt. Ik noem mezelf dan ook vaak pragmatisch, met als enige principe de Sartriaanse absolute vrijheid die absolute verantwoordelijkheid met zich meebrengt (dat principe laat ook weinig ruimte over voor de rest).
Lees verder: Richard Rorty en het nieuwe pragmatisme



Bookmark and Share
Comments

Richard Rorty en het nieuwe pragmatisme

levenskunst
'Nu komt het aan op je idealisme, Miriam.' 'Ik ben wel idealistisch, omdat ik geloof dat je de wereld een beetje beter kunt maken. Maar niet voorgoed en niet op recept. Daarvoor blijf ik te veel een pragmaticus.' Ik droom niet altijd in filosofische dialoogjes, zeer zelden zelfs, maar blijkbaar had de Levenskunstlezing over Richard Rorty en het pragmatisme een snaar geraakt. Ik noem mezelf dan ook vaak pragmatisch, met als enige principe de Sartriaanse absolute vrijheid die absolute verantwoordelijkheid met zich meebrengt (dat principe laat ook weinig ruimte over voor de rest).

De pragmatische moraal verwijst simpel gezegd naar dat wat werkt in een bepaalde situatie. Ze is dus altijd afhankelijk van de context (en ik zou willen toevoegen: van de personen waar het om gaat). Deze 'anti-fundamentalistische' instelling vindt haar grond in het perspectivisme, de filosofische richting die het bestaan van één waarheid ontkent. Een waarheid is altijd ván iemand of voortkomend uit een wereldbeeld, een tijdgeest. De waarheid die toevallig wordt gezien als dé waarheid is gewoonweg de versie van degene met de meeste macht. Zie Nietzsche en Wittgenstein, maar ook Thomas Kuhn en zijn beschrijving van de geschiedenis van de wetenschap. Hoe we de wereld zien en hoe de wetenschap de wereld beschrijft, is veel meer afhankelijk van het paradigma waar we in leven dan dat het een waarheidsgetrouwe afbeelding van de werkelijkheid is.

Pragmatisme wordt nogal eens een eufemisme voor opportunisme genoemd. Onterecht, zegt Maarten van Buuren in zijn lezing, want opportunisme is handelen uit eigenbelang, terwijl het filosofisch pragmatisme begrepen moet worden als een ethiek gericht op het algemeen belang. Het blijft nogal vaag waaruit dat algemeen belang dan bestaat en vooral: wie dat bepaalt. Wat het werk van Rorty node mist, concludeert Van Buuren, is een reflectie op macht. Continentale denkers als Michel Foucault hebben laten zien dat machtsverhoudingen juist omdat ze vaak onzichtbaar blijven, steeds in het vizier van de filosofie moeten staan. 

Het algemeen belang - laten we zeggen, dat met het grootste nut voor de samenleving - is natuurlijk niet waar ik op duid als ik mezelf pragmaticus noem. Dan gaat het om mijn eigen beslissingen en keuzes. Misschien staat de val van het opportunisme dan alsnog wagenwijd open? Ik denk het niet. Want eigenlijk grijp ik vooral naar het pragmatisme in gesprekken met anderen, als een vriend me een probleem voorlegt of als ik samen met collega's voor een dilemma sta. Dan dwingt een pragmatische houding je te luisteren naar het hele verhaal, waarin precies de context van het probleem of dilemma zich ontvouwt. Zonder vooroordelen en al helemaal zonder zo'n gebruiksaanwijzing achter de hand die verdeeld is in twee kolommen: wat is uw probleem, onderneem dan de volgende acties.

Het pragmatisme, zo kwam ook naar voren, is bij uitstek een literaire filosofie. Niet zo gek, als het juist draait om context, situatie, personen en hun verhoudingen ten opzichte van elkaar - of, zo je wilt, hun machtsrelaties. Als een bruikbare ethiek op het niveau van de samenleving schiet het misschien op punten tekort, toch denk ik dat het waardevol blijft voor de individuele levenskunst. En misschien wel de enige manier om praktisch invulling te geven aan die verdammte vrijheid en verantwoordelijkheid.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Jan Bor - Wat is wijsheid? Een filosofische zoektocht

bor
Jan Bor is een filosoof met warme belangstelling voor de niet-westerse denktraditie, zoals eerder bleek uit Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie en De moed tot het onmogelijke: Kierkegaard en zen. Als hij de vraag stelt Wat is wijsheid? zoekt hij het antwoord dan ook in een verstrengeling van oosterse en westerse wijsbegeerte.

Die twee tradities staan niet tegenover elkaar, want ze houden zich bezig met dezelfde fundamentele vragen, al kan de uitwerking nog zo verschillend zijn. Zelfkennis bijvoorbeeld is cruciaal in elke filosofie. Bij Socrates evengoed als bij de oude zenboeddhisten stond de vraag 'wie ben ik' centraal. Het is ook de vraag die Jan Bor als jongeman op het pad van de wijsbegeerte brengt.

Lees verder op 8WEEKLY: Voorbij de grenzen van het denken



Bookmark and Share
Comments

De 5 paradoxen van authenticiteit

doorman_rousseau
Een lied van schijn en wezen, zo kun je de moderne worsteling met authenticiteit wel noemen. Een lied vol dissonanten. Authentiek zijn willen we allemaal wel en tegelijk snoeven we een beetje over dat modewoord, dat inmiddels behoorlijk besmet is geraakt door al het misbruik ervan. We verlangen ernaar en worstelen ermee. Daar mogen we Jean-Jacques Rousseau voor danken, de achttiende-eeuwse filosoof met een enorme invloed op het denken over politiek, onderwijs en subjectiviteit en bovendien auteur van wat wel de eerste autobiografie wordt genoemd, de Bekentenissen. In zijn boekje Rousseau en ik probeert Maarten Doorman die erfenis te duiden. Lastig, want authenticiteit is in de kern paradoxaal, zoals ze ook zowel verlangen als afkeer oproept.

Eerste paradox: we kennen onszelf niet
Schijn en wezen: daar houden filosofen zich vanaf het ontstaan van de wijsbegeerte mee bezig. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat echt is en wat niet? Kan de geest of de rede raken tot aan de kern der dingen? Is de wereld wel te kennen? 'Maar nieuw is het besef dat schijn en wezen betrekking hebben op ons eigen zelf. Dat is de ontdekking, of uitvinding waarmee Rousseau ons voortaan opzadelt. Wie zijn wij werkelijk? Waar komt ons gevoel van vervreemding vandaan, en kunnen we eraan ontsnappen?' Terwijl zelfkennis ook al sinds de Griekse Oudheid een doel en zelfs gebod was, is het de mogelijkheid van zelfkennis niet eerder zo geproblematiseerd. Niet zozeer de kennis in zelfkennis, maar het zelf.

Tweede paradox: je kunt niet terug, alleen vooruit
Herman Philipse hield onlangs een lezing over de politieke filosofie van Rousseau, waarin vrijheid zo'n belangrijke rol speelt. Rousseau gaat uit van een 'natuurtoestand' waarin de mens waarlijk vrij leefde. De maatschappij met al haar regels en beperkingen beknot hem maar. Toch moet je niet streven naar een terugkeer naar de natuurtoestand, hoe ideaal die ook mag zijn geweest. De vrijheid moet opnieuw geijkt, geherdefinieerd worden in het heden, of in elk geval voor de toekomst. Hetzelfde geldt voor authenticiteit. Doorman: 'Die authenticiteit verwijst uiteindelijk niet zozeer naar een oertoestand, als wel naar een ideaal - een mogelijke toestand.' Dat is wat moderne reclamemakers, muzikanten of politici misverstaan als ze authenticiteit inzetten: die wordt opgevat alsof ze terugverwijst naar iets goeds wat we zijn kwijtgeraakt.

Derde paradox: als we per ongeluk onszelf zijn, lijken we onecht
'Het scheppen van echtheid' - dat is de paradox van authenticiteit in een notendop. Mensen spelen tegenwoordig zo goed mogelijk 'zichzelf'. Als je zegt: 'hij is zichzelf gebleven' veronderstelt dat een oertoestand waarnaar wordt terugverwezen. Dat klopt dus niet. Hij speelt zichzelf. Maarten Doorman verwijst hier naar het boek Youtopia van Menno van der Veen, die het heeft over 'rolintegriteit', het binnen één persoon, jezelf, vatten van alle verschillende rollen die je speelt. Die unieke combinatie van verschillende rollen is misschien hoe we iets als een authentieke persoonlijkheid het dichtst kunnen naderen. Maar ook daarin schuilt een paradoxale valkuil. Want als je uit je rol valt, en dus in feite meer jezelf bent dan ooit, lijk je juist niet jezelf. Authenticiteit betekent daarom eerder oprecht lijken en niet zijn. Authenticiteit is in the eye of the beholder

Vierde paradox: authenticiteit is een kwestie van vorm, niet van inhoud
Dat leidt tot de volgende paradox. Terwijl authenticiteit in het ideale geval verwijst naar de inhoud, die echt en niet kunstmatig moet zijn, heeft ze eigenlijk eerder betrekking op vorm. Doorman noemt dat 'expressieve authenticiteit'. Het is goed om je af te vragen wat je verwacht: moet de inhoud authentiek zijn, of de vorm? Moeten we authentiek zijn, of lijken? Dean MacCannell spreekt van staged authenticity, bijvoorbeeld in het toerisme. Als we op reis op zoek zijn naar een authentieke ervaring, zijn vorm en inhoud dan niet even belangrijk? Het is makkelijk om meteen je voorkeur uit te spreken voor de inhoud, maar is dat wel eerlijk?

Vijfde paradox: wat de oplossing lijkt, is juist de oorzaak van het probleem
Misschien is het tijd voor een definitie van het begrip authenticiteit. Doorman haalt Andrew Potter aan: de zoektocht naar authenticiteit is een poging 'een verloren gewaande eenheid te herstellen die door modernisering verloren heet te zijn gegaan.' Die hele zoektocht berust op een illusie, dat is wel duidelijk. Die eenheid heeft nooit bestaan, het echte en ware is niet iets waar je naar terug kunt keren. Bovendien is dat echte en ware niet een objectieve eigenschap, maar ligt het als gezegd in the eye of the beholder. 'Het begrip authenticiteit verwijst niet naar iets wat bestaat of ooit bestaan heeft, maar naar oordelen, claims en voorkeuren ten opzichte van anderen en de wereld om ons heen.' Conclusie: 'De overal aanwezige hedendaagse strijd om echte, oprechte levensvormen is daarom niet de oplossing voor zo'n verlangen, maar juist de oorzaak ervan.'

Is het dan helemaal niet mogelijk om een positieve invulling te geven aan het streven naar authenticiteit? Jawel, dat is in elk geval wat de levenskunst probeert te doen. Lees daar meer over bij 10 schrijvers en denkers over Levenskunst.



Bookmark and Share
Comments

Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie

levenskunst
Ons leven is gefragmenteerd en we dreigen onszelf kwijt te raken. Dat is de niet erg vrolijke diagnose van de moderne mens die Alasdair MacIntyre stelt. Onder invloed van het liberalisme zijn we alleen nog maar bezig met onze individuele meningen en vieren we het consumentisme. Van een gemeenschappelijke moraal en sociale samenhang is geen sprake meer. Hoe die terug te vinden?

MacIntyre stelt dat het vertellen van verhalen aan elkaar en over jezelf weer voor eenheid kan zorgen. Verhalen zijn doelgericht maar ook onvoorspelbaar – net zoals het leven. Deugden kunnen daarbinnen weer zorgen voor een vorm van continuïteit. Het project om het gemeenschapsdenken weer een plaats te geven in de ethiek verdient waardering, zegt prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing over MacIntyre in de serie Levenskunst. Dat de uitwerking daarvan niet op ieders steun kan rekenen, bewijst de vurige discussie die prof. dr. Maarten van Buuren na afloop met hem aanging. Hoeveel individuele vrijheid ben je bereid in te leveren voor een stevige sociale orde?

Post-morele ethiek
De Schotse filosoof zorgde met zijn in 1981 verschenen boek After virtue voor een revival van de deugdethiek en het gemeenschapsdenken. Wat bijzonder is, is dat hij de moderne opvatting van de mens als individu niet ontkent, maar juist binnen het gemeenschapsdenken een plaats wil geven. Niettemin levert MacIntyre fikse kritiek op dat individualisme waar we onze liberale samenleving en moraal op hebben gebouwd. Niet een erg stevig fundament, vindt MacIntyre. Sterker nog: er heeft zich een ramp voltrokken in de morele cultuur en wat op het spel staat is het redden van de moraal.

De moderne moraal is te formuleren naar John Rawls: recht gaat boven goed. Dat wil zeggen, de verhoudingen tussen burgers moeten wettelijk geregeld zijn, maar de moraal (het ‘goed’) is neutraal, niet van hogerhand opgelegd. Wat goed is, is ieders vrije keuze. MacIntyre noemt dit een ‘post-morele ethiek’. Je hebt daar niets aan, want elke positie is te verdedigen zonder ooit tot overeenstemming te komen. De één is voor oorlog, want de democratie moet bevochten worden; de ander tegen oorlog, want elk mensenleven is doel op zich. Vóór abortus, want de vrouw heeft recht op zelfbeschikking; tégen abortus, want de mens mag niet ingrijpen in kwesties van leven en dood. ‘Dat vind ik nu eenmaal zo,’ is de dooddoener voor elke hedendaagse morele discussie.

Vrijheid en verbondenheid
Hoe nu deze betekenisloze moraliteit weer te reactiveren – zonder echter de gegevenheden van het liberalisme te negeren? Anders gezegd: op welke manier zijn vrijheid en verbondenheid aan elkaar te koppelen?

MacIntyre doet dat door zich te richten op de concrete praktijken van een samenleving. Daarvoor gaat hij terug naar de doelgerichte ethiek van Aristoteles. Ook wij leven ons leven met een doel voor ogen, dat we in de praktijk van ons leven proberen te optimaliseren. Bovendien is dat doel ingebed in een sociale orde en in een traditie. Bijvoorbeeld de praktijk van je beroep – huisarts, schrijver, onderwijzer. Daaraan geef je in je eigen, particulieren leven een persoonlijke betekenis, die echter niet los te zien is van de traditie.

Absolute vrijheid bestaat niet
En de deugden? De deugden van Homerus verschillen van die van Aristoteles, die weer mijlenver verwijderd zijn van die van het christendom. De rode draad is dat ze altijd in dienst staan van het doel en altijd ingebed zijn in de sociale orde. Ook deugden zijn daarom een manier om continuïteit en samenhang te creëren. Maar pas door het vertellen van verhalen komt die echt tot uitdrukking. Letterlijk, namelijk door de conversatie tussen mensen; maar ook door ons eigen leven te zien als een narratieve structuur. Het levensverhaal heeft een begin, midden en eind, personages daarin hebben intenties en zijn ingebed in een setting. En dat verhaal is weer verbonden met een geschiedenis, die voorbij het individu strekt. Je staat in een geschiedenis waarbinnen je speelruimte hebt om je eigen verhaal te maken.

De vraag is zo bezien niet hoeveel vrijheid je bereid bent in te leveren. De absolute vrijheid die we allemaal omarmen en die een erfenis van Sartre kan worden genoemd, bestaat volgens MacIntyre niet – en Joep Dohmen lijkt hem daarin te volgen. Maarten van Buuren verklaart zich daarentegen zeer fel Sartriaan. Welke kant kies jij? Of valt er niets te kiezen?

Kijk de lezing en discussie hier terug: Alasdair MacIntyre – Na de deugd. De laatste lezing van Levenskunst is op dinsdag 5 juni en gaat anders dan in eerste instantie aangekondigd over Richard Rorty en het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Stine Jensen - Dus ik ben weer

dusikbenweer
'De tv-serie is beter.' Dat oordeel hoor je niet al te vaak. Zeker niet als het gaat om een boek dat in de boekwinkel in de kast met het bordje 'Filosofie' terechtkomt. Toch valt na lezing van Dus ik ben weer, Stine Jensens 'nieuwe zoektocht naar identiteit', niet veel anders te concluderen.

Twee jaar geleden verscheen Dus ik ben, waarin Stine Jensen samen met Rob Wijnberg via verschillende varianten op 'ik denk dus ik ben' de moderne identiteit onderzocht. De grondtoon toen: identiteit is maakbaar. Dat idee is inmiddels achterhaald, schrijft Jensen in de proloog van dit tweede deel. Vooral vanwege de financiële crisis, maar ook onder invloed van de neurowetenschappen die stellen dat wij ons brein zijn en de vrije wil als een 'plezierige illusie' terzijde schuiven. Een interessant uitganspunt, dat in de uitwerking echter sterk te wensen overlaat.

Lees verder op 8WEEKLY: Goed denken begint bij nauwkeurig taalgebruik



Bookmark and Share
Comments

Bert Keizer - Waar blijft de ziel?

keizer
Er is iets geks aan de hand met de Maand van de Filosofie, die nog heel april zal duren. Het thema is dit jaar 'de ziel'. Ietwat oubollig? Zeker. Maar eigenlijk is het thema dan ook het überhippe 'brein'.

Waar blijft de ziel? is de titel van het essay dat bij deze gelegenheid wordt uitgegeven. Auteur Bert Keizer is arts en filosoof en schreef onder andere Onverklaarbaar bewoond, waarvoor hij meeliep op een afdeling hersenchirurgie. Nu gaat hij in de geschiedenis van de filosofie op onderzoek in een poging het verband tussen brein en lichaam, geest en ziel te ontrafelen.

Lees verder op 8WEEKLY: Verbeterde onwetendheid



Bookmark and Share
Comments

Nietzsche als deugdethicus

levenskunst
Maakt dit mij sterker? Dat is de leidende vraag in de nietzscheaanse levenskunst. Niet: is dit het goede of het ware, want ook het goede en het ware staan slechts in dienst van het vergroten van je eigen kracht. Als een illusie je op een zeker moment sterker maakt dan de waarheid – kies dan voor de illusie. Sommige waarheden kunnen zo hard en onhandelbaar zijn dat ze schadelijk worden – schuif ze dan terzijde. De waarheid en de illusie zijn deugdelijk als ze jou sterker maken en ondeugdelijk als ze je verzwakken, dat is de kern van Nietzsches deugdenethiek. Maar het volgen van de weg omhoog (de wil tot macht, dat wat je sterker maakt), gaat onvermijdelijk gepaard met lijden en zelfopoffering.

Levenskunst voor vergevorderden
Het is een filosofie die moeilijk te behappen is, zo geeft Maarten van Buuren toe. Maar, zegt hij: ‘Nietzsche brengt mij op de goede weg.’ Met levendige en persoonlijke voorbeelden licht Van Buuren de ‘levenslessen’ van Nietzsche toe. De vraag die blijft hangen is wel of het toepassen ervan niet vereist dat je al vergevorderd bent in het vormgeven van je eigen leven. In de deconstructie van ik en waarheid, en de nadruk op overgave en opoffering (voor jezelf natuurlijk, en niet voor een ander) zingt ook een gevaarlijke klank door. Nietzsche stierf krankzinnig – door de syfilis waarschijnlijk. Toch klinkt dat einde ook wel als een waarschuwing. Je mag wel stevig in je schoenen staan wanneer je zoals Van Buuren jezelf voor de spiegel eens goed de waarheid zegt. Ook al kies je er vervolgens voor in de illusie te geloven…

Deconstructie van het ik
Via een analyse van de alledaagse zin ‘Ik wil een kop koffie’ wordt duidelijk hoe de deconstructie van belangrijke begrippen als ‘ik’ en ‘waarheid’ werkt. Als we zeggen dat we een kop koffie willen, gaan we uit van onszelf als een subject dat aan de oorsprong staat van een handeling, die wij als individu willen. Dat klopt niet, stelt Nietzsche. Eerder zijn we een slaaf van onze wil: in plaats van over subject kun je het beter hebben over lijdend voorwerp. Koffieverslaving sleurt je de keuken in voor weer een kop, en ondertussen ben je met jezelf aan het onderhandelen over of je je koffiepauze wel verdiend hebt. Het ‘ik’, oftewel het ongedeelde ‘individu’, is daarom ook een illusie. We worden voortdurend heen en weer geslingerd in onszelf tussen ons willende deel en ons controlerende deel, tussen beheersing en overgave.

Zo deconstrueert Nietzsche (die werd opgeleid als filoloog, dus als taalkundige) het woord ‘ik’. Het is een etiket dat niet klopt met wat eronder zit. Veel later zouden Derrida en andere postmoderne filosofen deze manier van filosoferen door deconstructie overnemen. Naast het ik moet ook de waarheid eraan geloven; nog zo’n etiket dat niet strookt met de werkelijkheid. Waarheden bestaan niet, er zijn alleen opinies waartussen een machtsstrijd woedt. De sterkste opinie wint en gaat dan door voor de waarheid.

Zelfoverstijging gepaard aan zelfopoffering
Ik en waarheid bestaan niet (als duidelijk definieerbare eenheden) en kunnen dus ook niet centrale waarden van de filosofie zijn. Dat verduidelijkt misschien waarom ‘sterker worden’ de kern van Nietzsches levenskunst is (bekend als de ‘Wille zur Macht’). Maar het sterker worden is ook niet enkelvoudig; je wordt sterker en dat is het dan. Ook dat is te deconstrueren. Van Buuren legt uit dat het draait om zelfoverstijging, die altijd gepaard moet gaan met zelfopoffering. Zelfoverstijging door productief te zijn, door te scheppen, boeken te schrijven, kinderen te krijgen of lezingen te geven. Hoe sterker je bent, hoe sneller je groeit, hoe meer je creëert – hoe meer je jezelf ook de vernieling in helpt. Voor een vervuld leven moet je je overgeven aan het dionysische, aan de wilde en gevaarlijke kant van het bestaan die naast vervulling ook lijden brengt. Dat is de controversiële les die Nietzsche als deugdethicus ons meegeeft. Het brengt Maarten van Buuren naar eigen zeggen op de goede weg en bovendien in een zichtbaar goed humeur. Durf jij het aan om hem te volgen?

Volgende keren
Kijk de lezing over Nietzsche als deugdethicus hier terug. De volgende Levenskunstlezing is op dinsdag 1 mei en gaat over Alasdair MacIntyre. De laatste lezing uit deze reeks vindt plaats op 5 juni en gaat (anders dan aangekondigd) over de filosofie van het pragmatisme.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Mark Vernon - Een beetje geluk met filosofie

vernon
Filosofie bedrijven op webloglengte en daar ook nog een interessant boek uit samenstellen, zonder aan zeggingskracht in te boeten. De Britse filosoof Mark Vernon bewijst dat het kan in Een beetje geluk met filosofie.

Rare vertaling, die titel, die oorspronkelijk luidt: 42. Deep Thought on Life, the Universe, and Everything. Een verwijzing naar The Hitchhiker's Guide to the Galaxy, waarin '42' als antwoord uit de computer rolt op de vraag naar, tja, alles. Vernon presenteert 42 korte filosofische overdenkingen, met als vertrekpunt sprekende citaten. Die gaan van Horatius' 'Pluk de dag' tot Woody Allen: 'Ik wil niet onsterfelijk worden door mijn werk; ik wil onsterfelijk worden door niet dood te gaan.' Zo komt inderdaad alles aan bod, niet alleen geluk, en ook niet 'een beetje'.

Lees verder op 8WEEKLY: Filosofie op webloglengte



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe antwoorden op oude vragen: Welkom in Youtopia - Menno van der Veen

youtopia
'Youtopia' is de naam die Menno van der Veen heeft gemunt voor zijn beschrijving van 'de eenentwintigste-eeuwse way of life'. Dat wil zeggen: van de hoogopgeleide, zelfbewuste en semi-geëngageerde mens die leeft in een door en door gemedialiseerde wereld. Welkom in Youtopia is een merkwaardig boek, dat volkomen uit de bocht vliegt wanneer Van der Veen zijn Youtopia daadwerkelijk als een Utopia gaat beschouwen. Het stamt uit 2010 en lijkt op punten alweer verouderd. Bijvoorbeeld: waar is Facebook? Die alomtegenwoordige grootheid waarover filosofen sinds 2011 niet kunnen stoppen te praten, tot gapens aan toe? Merkwaardig en boeiend om te zien hoe snel het landschap in die gemedialiseerde wereld verandert.

De vragen die filosofen stellen veranderen daarentegen niet. Bij het in kaart brengen van Youtopia draait het om waarden als identiteit, (re)presentatie, narrativiteit, reflectie. Wie ben ik, waar sta ik, hoe geef ik betekenis, wat moet ik doen? Dat laat wel zien wat het middelpunt is van het Youtopische universum: ik, ik, ik en ik.

Wie ben ik? In elk geval niet een persoon die in bezit is van een zelf, 'het ware zelf' dat ergens diep vanbinnen weggestopt zit. Nee, identiteit wordt steeds meer opgevat als een netwerk, zoals bijvoorbeeld ook Julian Baggini in zijn TED-talk doet. Wie je bent is een combinatie van verschillende rollen of persona, die onder invloed van de omstandigheden sterker of juist zwakker naar voren treden. Wie je 'echte ik' of 'ware zelf' is doet er niet toe, die vraag is gewoonweg irrelevant (behalve als je het antwoord beschrijft in termen van meerduidigheid).

De buitenwereld krijgt al gauw een dienende functie in deze opstelling: ze levert het decor voor het rollenspel dat je speelt. Waar sta ik? Nou, in het middelpunt van je eigen belangstelling, als hoofdpersoon van je eigen verhaal. Nu is deze narratieve opvatting van wie je bent en hoe je je verhoudt tot de wereld niet nieuw. Nieuw is het gebruik van media daarbij. De Youtopisten gebruiken de (online) media om hun persoonlijke verhaal te vertellen. Het onderscheid tussen verhaal en wereld is daarbij volkomen verdwenen: het verhaal maakt de wereld en de wereld is stof voor het verhaal.

Hoe geef ik betekenis? Via gemedialiseerde verhalen dus, en meer nog: dat doe je direct. We toetsen onze ervaringen en indrukken in realtime aan beeld- en geluidsopnames die we daarvan maken. Van der Veen noemt dit mediareflectie, een verhelderend begrip. Opnames worden 'onderdeel van ons individuele geheugen en geven onze individuele ervaring vorm. Daarmee bepalen de media steeds meer ons zelfbeeld.' De technologie stelt ons daartoe in staat: 'De digitale camera maakt het mogelijk gevoelens en ervaringen vrijwel meteen te toetsen.' De camera op je telefoon al helemaal, en - daar komt ie - Facebook nog meer. 'Op een ervaring volgt direct het verslag, en als we ons later afvragen hoe we ons voelden ten tijde van die ervaring, lezen we het verslag terug omdat het eerlijker zou zijn dan ons geheugen. Of beter gezegd: het verslag is ons "geheugen". Omdat het zo dicht volgt op onze directe ervaring valt het onderscheid tussen wat we schreven, voelden of dachten meestal nauwelijks meer te reconstrueren.'

'Het probleem begint waar we geen onderscheid meer maken tussen een situatie en het verhaal dat we onszelf erover vertellen. Zodra we onze eigen verhalen gaan geloven als de letterlijke waarheid verliezen we onze verbinding met de wereld.' (Philipp Blomm in De Groene Amsterdammer, 7 december 2011)

Met dien verstande dat de Youtopist allang niet meer gelooft in het bestaan van een 'letterlijke waarheid' (hij is immers ruimschoots door de mangel van het postmodernisme gegaan en gelooft alleen nog maar in een persoonlijke waarheid) - ook Menno van der Veen signaleert een verloren verbinding met de wereld. Wat moet ik doen? Nou, zal iedereen meteen zeggen, ik moet sowieso niks. Ik luister alleen naar mijn persoonlijke waarheid. Ondanks globalisering is de wereld van de Youtopist juist heel klein geworden, in de zin dat hij zich niet bezighoudt met grote maatschappelijke problemen, zeker niet aan de andere kant van de wereld. Hooguit ondersteunt hij een individueel weeskind. Alles draait om de eigen omgeving; voor ethische problemen dan wel collectieve sociale bewegingen is daarin geen plaats, voor een individueel ondersteund project wel.

Ik herken veel in deze post-/hyper-/metamoderne antwoorden op oude filosofische vragen. Helaas vliegt Van der Veen als gezegd uit de bocht. Het tweede en derde deel van Welkom in Youtopia kun je maar liever voor gezien houden. Bovendien denk ik dat hij een miniem deel van de bevolking beschrijft, waartoe ik misschien wel behoor, maar de meeste van mijn vrienden niet. Ik laat maar wijselijk in het midden wie er beter af is.



Bookmark and Share
Comments

Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen

underground
Welzijnswerk beschrijven vanuit maoïstisch perspectief, dat klinkt vreemd en radicaal in onze oren, not done zelfs, maar in de jaren zeventig keek niemand er vreemd van op. Prof. dr. Hans Achterhuis legt de filosofie en ideologie van de jaren zeventig en tachtig bloot in de eerste lezing van de serie Underground. Zijn eigen werk en de ontwikkeling daarin legt een aantal paradoxen van die tijd bloot. Waarom het marxisme er met de haren bijtrekken als je schrijft over de praktijk van de zorg? Hij kan het zich niet meer goed voorstellen, maar onder de ‘culturele hegemonie van links’ die in de jaren zeventig heerste, was het vanzelfsprekend.

Compromisloos denken
Een andere paradox is de schijnbaar probleemloze overstap die radicale anarchisten in de loop van de jaren tachtig maakten naar het neoliberalisme. Staan die twee niet diametraal tegenover elkaar? Misschien niet. Achterhuis verheldert dat aan de hand van de Amerikaanse schrijfster en filosofe Ayn Rand over wie hij in zijn boek De utopie van de vrije markt ook schreef. Rand kan gezien worden als de belichaming van het neoliberalistisch gedachtegoed, maar werd in de jaren zestig ook gelezen door de hippies. Beide delen namelijk een anarchistische achtergrond en hebben een duidelijk utopische inslag. De ene, linkse utopie van gelijkheid en emancipatie, is haast ongemerkt ingeruild voor de andere, rechtse utopie van verregaande individualisering (je kunt ook zeggen: egoïsme) en de vrije markt. En daar zitten we nog steeds in gevangen, aldus Achterhuis. Het gevaarlijke van utopisch denken is de compromisloosheid waarmee het gepaard gaat.

Klassenstrijd of vrolijk engagement
Terug naar de jaren zeventig, die ‘verwarrende veelheid’ van stromingen en bewegingen die niet zelden in strijd waren met zichzelf, evenzeer als met de macht en het kapitaal. Er zijn twee ‘hoofdstromingen’ te onderscheiden, beide geworteld in de negentiende eeuw. De marxisten richtten zich op de klassenstrijd, die onder leiding van de partij door het proletariaat bevochten moest worden. Met bittere ernst en met het oog op een utopische toekomst. Voor de anarchisten ging het meer om het hier en nu, vrolijk engagement en do-it-yourself avant la lettre. Deze tweedeling van marxisten en anarchisten is ook in de sociale bewegingen van de jaren zeventig te zien, bijvoorbeeld in de vrouwenbeweging en in landbouwgroepen. Dat maakt het moeilijk een eenduidige typering te geven. Ook toen was het allerminst duidelijk waartoe iemand behoorde, omdat je binnen no time kon wisselen van overtuiging. Achterhuis geeft een grappig beeld van de kantine van het Instituut voor Andragologie, waar vóór de vakantie de Foucaultianen de dienst uitmaakten en ná de vakantie opeens de oranje gewaden van Bhagwan de ruimte kleurden.

Marx en Mao als kader
De idealen waren dus misschien wel radicaal, maar tegelijk vrij oppervlakkig en inwisselbaar. Hoewel de gewelddadige kant ook niet onder het tapijt geveegd mag worden. Achterhuis laat zien hoe makkelijk het was om mee te gaan in de heersende opvattingen van de tijd – ook zelf schreef hij immers met Marx en Mao als kader. Het is zijn verdienste dat hij deze intellectuele geschiedenis probeert te analyseren, samen met zijn eigen rol erin. De radicalen en revolutionairen die zonder omzien hoge functies met bijbehorende salarissen inrolden, omarmden even makkelijk de neoliberale utopie als eerder de communistische. De culturele hegemonie van links is nooit verzilverd in een politieke meerderheid, integendeel. Om onze eigen tijd van een culturele hegemonie van rechts beter te begrijpen, zijn dit soort analyses buitengewoon nuttig. Habermas noemde de 70’s en 80’s ‘de nieuwe onoverzichtelijkheid’ en dat is ook wel van toepassing op de 00’s en 10’s. Hans Achterhuis heeft in die onoverzichtelijkheid echter enige klaarheid weten te scheppen.

Volgende week
Volgende week spreekt dr. Caroline Nevejan over de kraakbeweging en de revolutionaire ontwikkelingen in cultuur en technologie die daarin plaatsvond. Wat heeft een sneeuwbal te maken met een flashmob? Je hoort het op 20 maart. De lezing van Hans Achterhuis kijk je hier terug: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

De flexibele mens en zijn angsten: Richard Sennett

levenskunst
Jobhoppen, relatiehoppen en religieshoppen, daaruit bestaat het leven tegenwoordig. Vaste relaties hebben we als ketens van ons af geworpen om ons helemaal te richten op vrijheid en zelfontplooiing. Daarmee hebben we echter een hoop waardevols weggegooid, dat niet zo makkelijk weer te hervinden is. Richard Sennett stelt in zijn werk deze cultuurpessimistische diagnose van de hedendaagse maatschappij, die haast geen samenleving meer te noemen is. Hoe krijgen we weer vaste grond onder de voeten?

Prof. dr. Joep Dohmen geeft in zijn lezing over Sennett in de serie Levenskunst toe dat hij de praktische uitwerking van Sennetts ideeën niet op alle punten overtuigend vindt. In de praktijk van bedrijfsleven en politiek zullen idealen als vakmanschap en respect gestalte moeten krijgen. Dohmen constateert dat er een spanning is tussen het individuele verlangen om een ‘vakman’ te worden en het verlangen naar sociale cohesie, zoals beide door Sennett beschreven worden.

Het kapitalisme heeft ons beroofd van de vaste pijlers die we hadden. Natuurlijk leidde die vastigheid ook tot vervreemding en verveling. Maar, vraagt Sennett, zal flexibilisering werkelijk het kwaad van de routine genezen? We zijn ‘flexibele mensen’ geworden. Aan de ene kant is dat omdat we voortdurend onszelf voorop zetten en niet meer loyaal zijn aan een ander, laat staan een werkgever. Aan de andere kant is het een uitwas van de manier waarop de economie werkt. Vandaag werd bekend gemaakt dat in 2011 nog maar 2000 mensen direct een vast contract kregen in een nieuwe functie, tegenover 83.000 in 2010. Het gaat verder dan dat: een op de vijf kinderen groeit op in een gezin zonder beide biologische ouders en nog veel meer huwelijken stranden.

Dohmen haalt een interessante notie van Sennett aan: voor het eerst geldt de elite als norm in de samenleving. Alleen het beste is nog goed genoeg en iedereen spiegelt zich aan de top. Zou het vroeger niet in een boer opkomen om zichzelf te vergelijken met zijn landheer, nu komt het niet in je op om je níet aan de sport-, film- of intellectuele sterren te meten. En als je voor de sterren onderdoet, heb je dat in feite aan jezelf te danken. In plaats van een ander om hulp te vragen, wenden we ons bij falen tot de overheid die steeds meer een abstracte instantie wordt. Hulp is eigenlijk een vies woord en afhankelijkheid een smet. Daarom is de flexmens angstig. Hij loopt voortdurend het risico om te falen – als hij zijn vaste bodem niet verliest (baan, relatie), dan wel zijn flexibiliteit. Dat klinkt als een verlies-verliessituatie.

Hoe komen we hieruit? Het zou helpen als we niet meer bang zijn voor routine, maar juist ritme opbouwen. Een bescheiden opstelling hebben tegenover de ander, hulpvaardigheid waarderen en respect niet eisen maar betonen. Er is niets mis met het opzetten van een ‘sociaal masker’ in het publieke domein, vindt Sennett. Uiteindelijk is het echter een kwestie van institutionele veranderingen. Bedrijfsleven, politiek en economie moeten fundamenteel anders ingericht worden. Anders heb je misschien wel allemaal geoefende, vakkundige, behulpzame individuen, maar blijft de samenleving ‘doelloos drijven’. Het is een moeilijk te verteren conclusie voor iedereen die best een steentje wil bijdragen aan een betere wereld, maar erop rekent dat in zijn eentje te kunnen doen, vanuit eigen inzicht en onplooiing – precies zoals Richard Sennett de eenentwintigste-eeuwer beschrijft.

De lezing is hier geheel terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Het doel heiligt de middelen: de ethiek van Machiavelli

levenskunst
Is de staatsterreur van Assad in Syrië goed te praten vanuit de machiavellistische ethiek? Als het zo is dat de slachting van tientallen, zo niet honderden burgers tegelijk door de machthebbers te verantwoorden is met Machiavelli in de hand, dan moet er toch iets mis zijn met de schrijver van Il principe. Een interessant punt dat Joep Dohmen Maarten van Buuren voor de voeten werpt in hun discussie na afloop van de lezing over Machiavelli in de serie Levenskunst.

Functionele wreedheden
‘Het doel heiligt de middelen’, zo is de politieke filosofie van Machiavelli samen te vatten. Assads doel is de macht behouden, net zoals ‘il principe’ (de vorst), en hij doet dat door extreme middelen in te zetten. Kan dat geoorloofd zijn? De vraag is of de aard van het doel wat uitmaakt. Volgens Maarten van Buuren wel. Zeker uit het latere werk van Machiavelli, de Discorsi, spreekt de overtuiging dat een doel in dienst moet staan van de republiek, anders gezegd: het volk. Op die gronden kun je wreedheden van dictators afkeuren.

Niettemin staat Machiavelli bekend als een meedogenloze denker, die niet terugschrikt om wreedheden onder sommige omstandigheden verstandig te noemen, de beste keus, of zelfs ‘functioneel’. Het zijn smakelijke anekdotes die Van Buuren opdist, bijvoorbeeld over Cesare Borgia, de Italiaanse gruwelheerser die model stond voor Il principe. Meedogenloos was Machiavelli wellicht, maar dan vooral in de zin dat hij zich niet liet leiden door de heersende moraal; in zijn handelen noch in zijn denken.

Wat bijzonder is aan deze denker is dat hij niet beschrijft wat de mens zou moeten doen, maar wat hij doet. Machiavelli observeert en schrijft vervolgens op wat hij ziet. Zijn werkwijze, zegt Maarten van Buuren, is vergelijkbaar met die van Frans de Waal. In plaats van chimpanseekolonies bestudeert Machiavelli de kringen van de politiek en diplomatie in renaissancistisch Italië – maar beide worden evenzeer gekenmerkt door machtsspelletjes, wreedheid en een immorele basis.

Wij zijn allen machtspolitici
Immoreel ja, maar niet amoreel. Wat Machiavelli doet is een soort pre-Nietzscheaanse ‘Umwertung aller Werte’: hij zet zich af tegen de heersende waarden en deugden met een christelijk signatuur. Daartegenover zet hij klassieke, Romeinse deugden die te maken hebben met kracht, moed, onverschrokkenheid, maar ook met het belang van de staat en burgerschap boven een individuele relatie met een opperwezen. Een voorbeeld van Machiavellistische deugd is Borgia, maar aan die wrede heerser zullen wij ons niet snel willen spiegelen. Misschien wel aan de Romein naar wie de Amerikaanse stad Cincinnati is vernoemd. Cincinnatus staat als voorbeeldig dictator te boek: hij werd van zijn akkers geplukt om ten strijde te trekken als veldheer en ging na een zeer snelle oorlogsoverwinning gewoon weer verder met het bewerken van zijn land.

Uit deze anekdote spreekt het soort koelbloedigheid waar we zeker een voorbeeld aan mogen nemen, anders dan de als machiavellistisch bestempelde wreedheden van een machthebber als Assad. Maar de grootste les die we kunnen leren, zegt Van Buuren, is dat wij allen machtspolitici zijn. Op het werk, thuis, in een relatie of het gezin. Zoveel is er niet veranderd sinds de zestiende eeuw. Of sinds de chimpansees.

---

De volgende lezing in de serie Levenskunst is op 6 maart en gaat over Richard Sennett – De mens als maker. De lezing over Machiavelli is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Julian Baggini over het 'ware zelf' als netwerk

'Is there a real you?' is de oeroude vraag die Julian Baggini stelt in zijn TED-talk. En de vraag is niet retorisch, maar echt open. Er is misschien wel een 'real you' of anders gezegd een 'true self', maar alleen als je wilt accepteren dat iets 'waar' kan zijn en tegelijk dynamisch en veranderlijk.

We zien het zelf graag als een kern, een pit die onveranderlijk blijft. Die pit heeft een aantal dingen, als handtasjes waar ze vrolijk mee heen en weer zwaait of als een backpack met zich meesleept: herinneringen, overtuigingen, eigenschappen. Julian Baggini stelt een andere weergave van het zelf voor. Door de pit gaat een kruis en wat blijft zijn de handtasjes, die aan elkaar verknoopt zijn in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt.

Baggini gebruikt een inzichtelijke vergelijking. Van water zeggen we ook niet dat het een kern heeft die twee tasjes vasthoudt met een H erop en één met een O; het water is H2O. Net zo kun je het zelf beschouwen. En net zoals niemand het in zijn hoofd zal halen water daarom een illusie te noemen, is deze vorm van het zelf geen reden om het dan maar af te doen als illusoir.

Op TED-waardige wijze sluit Baggini zijn lezing vrij hysterisch, met een lofzang op de mogelijkheden die dit 'decentrale zelf' biedt. Want als het zelf bestaat uit de connecties tussen overtuigingen, herinneringen et cetera, dan bestaat daarin ook de mogelijkheid het te veranderen. Of (zou ik zeggen) de ontwikkeling ervan te beïnvloeden.

De conclusie is kan op een tegeltje: je ware zelf moet je niet zoeken, maar maken. Mooi.





Bookmark and Share
Comments

Alicja Gescinska - De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan

gescinska
Is de mens vrij om te doen wat hij wil, ook als dat crimineel is, of gewoon helemaal niets? Of is vrijheid een morele categorie? Alicja Gescinska, Vlaams filosofe met Poolse roots, betoogt het laatste. Vrijheid is niets waard als die niet gevuld wordt met 'het goede'.

Een interessant, maar helaas weinig overtuigend uitgewerkt standpunt. Dat komt vooral omdat Gescinska (1981) zichzelf volkomen overschreeuwt. De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan begint als een veelbelovend filosofisch exposé vanuit een persoonlijk gevoed vraagstuk. Dat helaas eindigt in een kakofonie van boude politiek-maatschappelijke stellingen en uitroeptekens.

Lees verder op 8WEEKLY: Dan liever Oblomov



Bookmark and Share
Comments

Geluk, ambivalentie en tragiek: Martha Nussbaum en levenskunst

levenskunst
Nut en rechtvaardigheid zijn de twee leidende principes van de moderne moraal. Martha Nussbaum, een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse filosofen, onderzoekt hoe die moraal weer een bredere invulling kan krijgen. Daarvoor grijpt ze terug op de levenskunstfilosofen van de klassieke oudheid, in het bijzonder Aristoteles. De centrale vraag in haar ethiek is dan ook ‘Hoe te leven’? Ethiek, Bildung, maar ook politieke filosofie krijgen allemaal haar aandacht onder de centrale noemer van het ‘goede leven’. Het goede, zo laat Joep Dohmen in zijn lezing over Nussbaum zien, is niet singulier maar meervoudig.

Ethiek
Wat is dan het goede? Dat blijft nogal impliciet. Een belangrijk onderdeel van Nussbaums beschrijving van het goede is dan ook dat het niet singulier of eenduidig is. Voor Plato was het goede weliswaar moeilijk te bereiken, maar in zijn aard wel helder. Nussbaum volgt Aristoteles in zijn kritiek op deze enkelvoudige opvatting van het goede. Zoals de titel van haar boek over dit onderwerp zegt, is zij geïnteresseerd in The Fragility Of Goodness, de broosheid van het goede.

Die broosheid is te beschrijven aan de hand van het tragische. Aristoteles heeft uitgebreid de tragedies bestudeerd en geeft die een plaats in zijn ethiek. Van de tragici leren we dat waardevolle zaken in het leven niet altijd commensurabel zijn. Een beroemd voorbeeld is Antigone. Zij staat voor de beslissing of zij haar overleden broer de laatste eer zal bewijzen, of de koning gehoorzamen die haar dat verboden heeft. Hier bestaat geen juiste keuze, beide opties zijn even ‘waarden-vol’ en door te kiezen voor het ene, moet zij het andere laten. Het is een tragische situatie bij uitstek, waarin de kwetsbaarheid van Antigone wordt getoond, maar ook de kwetsbaarheid van het goede zelf.

Hiermee is nog niet bepaald wat het goede dan precies inhoudt. Bestaat het alleen in ‘vervuilde’ vorm, vermengd met het noodlot en het tragische? Hoe moeten we ons daar dan toe verhouden? Nussbaum legt de nadruk op het individuele, concrete mensenleven, en op vorming die gericht is op zowel het praktisch denkvermogen als de emoties. Via de literatuur en kunst, zoals het verhaal van Antigone, kunnen we meer leren over de vele verschillende verschijningsvormen die het goede kan hebben. Het goede krijgt gestalte in een individueel, uniek leven zoals van Antigone. Bovendien leren we over de worstelingen met het noodlot die ieder mens zal moeten leveren.

Bildung
Ook de filosofie van het onderwijs gaat tegenwoordig hoofdzakelijk uit van ‘nut’ als leidend principe. In haar veelbesproken pamflet Not For Profit (Niet voor de winst), pleit Nussbaum voor een andere vorm van onderwijs, waarin de studenten allereerst een werk- en levenshouding ontwikkelen waarin plaats is voor zelfstandigheid, betrokkenheid en sensibiliteit.

In die vorming komt het pluralisme van ‘het goede’ weer terug. Onderwijs moet uitgaan van het bestaan van verschillende waarden en tradities en zich niet beroepen op ‘heilige boeken’. Dit onderwijs geënt op ‘liberal arts’ is er juist voor iedereen. Daar is wel een kanttekening bij te maken, want de invulling lijkt wat elitair. Niet iedereen heeft het in zich om Sophokles en zijn Antigone te doorgronden.

Politieke filosofie en capabilities
Nussbaum lijkt in haar politieke filosofie wel uit te gaan van mogelijkheden (capabilities) die alle mensen gemeenschappelijk hebben. Niet in gelijke mate, en ook niet terug te brengen tot één goed – want het goede is ook hier meervoudig van aard. Maar wat het precies inhoudt, raakt steeds verder op de achtergrond. In haar politieke denken is de vraag niet meer ‘Wat is een goed leven?’ maar ‘Wat is een slecht leven?’ Met andere woorden, het draait om het definiëren van de minimale voorwaarden voor sociale rechtvaardigheid. Positieve vorming en zelfverwerkelijking raken daarmee enigszins uit zicht. Bovendien, stelt Maarten van Buuren in de discussie na de lezing, is het tragische besef hier ook verdwenen. Er zijn talloze mensen die wel capabilities bezitten, maar die op een of andere manier niet tot ontwikkeling weten te brengen.

De verbinding tussen het vroege werk van Martha Nussbaum, dat meer op de individuele ontwikkeling via literatuur en kunst gericht is – en het latere, politiek-filosofische oeuvre, is daardoor niet makkelijk te expliciteren. Misschien moeten we weer terug naar de duizenden jaren oude tragedies. Treedt bij die Griekse personages immers niet steeds de onontkoombare verknooptheid van het persoonlijke en politieke naar voren?

Het persoonlijke en politieke zullen zeker ook in de volgende lezing voor de serie Levenskunst aan bod komen. Op 7 februari spreekt Maarten van Buuren over Machiavelli. De lezing over Martha Nussbaum is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Whatever doesn't kill me makes me stronger

hamer
'Whatever doesn't kill me makes me stronger.' In een zeer lezenswaardig artikel op Vanity Fair fileert de onlangs overleden schrijver Christopher Hitchens deze 'wijsheid'. Een uitspraak die van Nietzsche komt en is uitgegroeid tot een (Amerikaanse) volkswijsheid. Hitchens beschrijft de hel die hij doormaakt tijdens de behandeling van de kanker die hem uiteindelijk zou vellen. De kuren die bedoeld zijn om hem te genezen, maken hem verre van 'stronger'. Een miserabel hoopje mens is wat er van hem overblijft. Niks 'wat me niet doodmaakt, maakt me sterker'.

De analyse komt hard aan, in de beschrijving van de martelende pijnen waaraan hij lijdt. Het is een ontmaskering van de optimistische uitspraak als een trucje en een pertinente onwaarheid. Het deed me denken aan 'van de nood een deugd maken', waar ik eerder schreef. Ook een trucje, een mechanisme dat je inzet om van ellende iets moois te maken, maar dat die ellende daarmee niet wegneemt. 'Omliegen' is het woord dat erbij hoort.

Op de site van Filosofie Magazine onderzoekt Leon Heuts in een blog de betekenis van pijn in onze maatschappij. Ook lezenswaardig, zeker in het licht van Hitchens' ervaringen. 'Pijn is in de moderne samenleving bij uitstek het morele ijkpunt. Wie pijn als troefkaart uitspeelt, heeft het debat in handen. Een dier dat pijn lijdt, moet bijvoorbeeld haast wel wijzen op barbaarse handelingen.' Terwijl pijn ook als betekenisgevend gezien kan worden, zoals in de christelijke traditie bijvoorbeeld het geval is.

Is de uitspraak 'whatever doesn't kill me makes me stronger' dan niet een manier om betekenis te geven aan pijn? Ik denk het niet. Net als 'van de nood een deugd maken' wijst het juist op het willen wegnemen van de betekenis, door de pijn te ontkennen. De betekenis van de pijn wordt 'omgelogen' tot iets positiefs, tot een kracht. De essentie van de pijn, van de pure ellende zoals Hitchens die heeft ervaren, gaat daarmee verloren.

Toch denk ik wel dat ook dit een heel nuttig mechanisme is. Een van mijn zelfverklaarde motto's is 'je gaat er niet dood aan'. Eerder schreef ik:

Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: 'Je gaat er niet dood aan.' Soms herhaal ik met nadruk: 'Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders. (Werk aan de winkel I)

Beetje morbide misschien, maar het is juist vrolijk bedoeld. Want:

In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. (Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes)

'Je gaat er niet dood aan': dat is wat er overblijft als je het omliegen weghaalt en de ruimte voor betekenis openlaat. Dat is vrijheid.



Bookmark and Share
Comments

Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst

levenskunst
De deugd is als een geneesmiddel. Zoals je een medicijn slikt om gezond te worden, zo beoefen je de deugd om geluk te bereiken. Epicurus zet zich met deze utilitaristische, op het nut gerichte visie op de deugden af tegen zijn grote voorgangers Plato en Aristoteles. Maar tegen welke prijs? Dat is de vraag die blijft hangen na de lezing van prof. dr. Maarten van Buuren over Epicurus in de serie Levenskunst.

Atomisme
Epicurus' natuurkunde en kenleer vormen de basis voor zijn ethiek. Hij is een atomist; de werkelijkheid bestaat volgens hem uit atomen en leegte. We kennen die werkelijkheid alleen via de waarneming, via de zintuigen dus. Ook de waarneming is atomair. De beelden die bij ons binnenkomen zijn 'dunne vliesjes' die van de atomen onze zintuigen binnendringen. Dat geldt zelfs voor onze voorstelling van goden en mythes en voor onze dromen. Waarneming is bovendien altijd waar, omdat ze rechtstreeks uit de werkelijkheid afkomstig is. Het zijn onze meningen over en interpretaties van wat we zien die eventueel een onwaarheid zijn.

Ook de geest en ziel zijn atomen. Atomen die als je dood gaat vervliegen. Een onsterfelijke ziel bestaat volgens Epicurus niet en er is geen leven na de dood. Goden zijn er wel, maar ook zij zijn gemaakt van stof. Ze huizen ergens ver weg tussen de planeten en bemoeien zich niet met de mensen. Epicurus is met andere woorden een empiricus in hart en nieren. Er is geen enkele reden om bang te zijn voor de goden dan wel voor de dood.

Genot of welzijn?
Uit deze empirische leer volgt haast vanzelf dat ook Epicurus' ethiek natuurlijk is. Het doel van ons leven is door de natuur bij de geboorte meegegeven en het is aan ons om dat doel te verwerkelijken. Wat is dat dan? Epicurus staat bekend als de filosoof van het genot, de aartsvader van het hedonisme, maar eigenlijk is dat een verkeerde voorstelling van zaken. Zoals veel filosofen noemt ook Epicurus 'geluk' als het doel. Bij hem bestaat geluk uit iets als 'welzijn', zegt Maarten van Buuren.

Hedonisme associëren we met ongebreideld genot, met veel eten, veel drinken en veel seks. Maar het epicurisme is juist een levenskunst van matigheid. Welzijn bestaat uit het volgen van de natuurlijke verlangens en het uit de weg gaan van de onnatuurlijke verlangens. Eten hebben we nodig om te overleven, dat zit in de natuur. Copieus dineren hebben we echter niet nodig. De beperking van de verlangens gaat best ver. Epicurus beweert zelfs dat seks geen natuurlijk verlangen is, omdat we ook zonder wel in leven blijven. Het zegt iets over de individualistische inslag van Epicurus' ethiek. En het is een duidelijk pre-darwinistisch standpunt, zou je daaraan toe kunnen voegen.

Vriendeschap om het nut
Aan de andere kant doet de utilitaristische houding van Epicurus juist weer denken aan een evolutionair gegronde moraal. Als het gaat om deugden, komt de focus op het nut sterk naar voren. Deugden zijn voor Epicurus middelen om het doel - geluk - te bereiken. Dit in tegenstelling tot de deugdethiek van Plato en Aristoteles, die de deugden juist definieerden als eigenschappen die (ook) doel op zichzelf zijn. Zelfs een deugd als vriendschap is volgens Epicurus in de kern gebaseerd op nut. Dat levert nogal wat discussie op. Joep Dohmen haalt Montaigne aan, die over zijn boezemvriend zei: 'Omdat hij het was, omdat ik het was.' Dat is vriendschap ontdaan van elke nutsgedachte. Maarten van Buuren gelooft echter wel in Epicurus' opvatting dat elke vriendschap, hoe diep en waardevol die uiteindelijk ook wordt, altijd haar oorsprong vindt in het nut. Vriendschap als een natuurlijk verlangen, gebaseerd op de noodzaak tot overleven: dat klinkt toch haast als evolutionaire psychologie avant la lettre.

Gaat een natuurlijke moraal dan altijd gepaard met zo'n utilitaristische opvatting van deugden? De winst van Epicurus is dat hij laat zien dat geluk binnen ieders bereik ligt en dat angst onnodig is. Noch de dood, noch de goden hoeven we te vrezen. Het is ook mooi dat Epicurus er niet van uitgaat dat de afwezigheid van de goden leidt tot decadentie en degeneratie. Het afschaffen van angst hoeft niet per se mateloosheid met zich mee te brengen, omdat we juist worden teruggebracht naar wat de natuurlijke verlangens zijn. Maar als de relativering van waarden als vriendschap en rechtvaardigheid de prijs is die we daarvoor moeten betalen, hebben we dat er dan voor over?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert

escher2
1. Wat een genot als je opeens de betekenis van een staande uitdrukking of ingesleten woord begrijpt, alsof-ie zijn afgedragen kleren eindelijk uitdoet. Dat overkwam me al lang geleden (in 2004) met 'van een nood een deugd maken'. We lazen Nietzsche over de slavenmoraal, die 'idealen fabriceert': 'Ik krijg de indruk dat ze liegen; elke klank kleeft een suikerzoete zachtheid aan. De zwakte moet tot een verdienste omgelogen worden, zonder twijfel - … Ze zijn beklagenswaardig, zonder twijfel, al die mompelaars en valsemunters in hun knusse hoekjes, hoe warmpjes ze ook bij elkaar zitten - maar ze zeggen mij dat hun ellende een uitverkiezing en onderscheiding Gods is, dat je juist de honden ranselt waar je het meest aan gehecht bent…'

2. Dat veranderde voorgoed mijn blik op de wereld. Nog steeds maak ik vaak genoeg van de nood een deugd, maar het blijft steeds een verhaaltje dat ik mezelf vertel. De nood blijft nood, al zijn glorieuze naaktheid slechts ten dele verborgen onder de afgedragen kleren van de deugd. Dat klinkt niet heel prettig misschien, maar ik hou wel van een beetje ellende. Bovendien kan ik meer genieten van het 'omliegen' zoals Nietzsche het noemt, als het duidelijk is dat het een trucje is. Dan wordt omliegen kunst. En de ellende de waarheid.

3. Als je erop let hoor je voortdurend mensen deze truc toepassen en hoe vaker je het hoort, hoe ergerlijker het wordt. Wat je ook overkomt - ontslag, liefdesverdriet, een lekke band - je kunt het omliegen tot iets moois dat je niet had willen missen. (Het leven heeft geen clou, begrijp dat dan)

4. Dat doet denken aan wat Alain Finkielkraut schrijft over literatuur met een hoofdletter L. De echt grote schrijvers zijn degene die de afgedragen kleren wegrissen en laten zien wat voor vodden het eigenlijk zijn waar de waarheid zich in kleedt. (Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart)

[De woede van Voltaire over de gigantische aardbeving in Lissabon in 1755 waarbij tienduizenden mensen om het leven kwamen. Dat was ook een revelatie voor me: waarom zou je in zo'n geval niet woedend mogen zijn op de natuur? Maar dan echt woedend.]

5. Maar. Moet je niet blij zijn met deze vaardigheid? Is het niet een bruikbaar overlevingsmechanisme dat we niet kunnen en willen missen, aangezien de mensheid anders meteen in een collectieve depressie ten onder zou gaan? Psycholoog Daniel Gilbert noemt het mechanisme 'cooking the facts'. Dat klinkt alvast heel anders dan slavenmoraal of 'van de nood een deugd maken'. Lekker aan de slag om van de feitjes een smakelijk geheel te maken. En we kunnen ook niet anders, want het koken vindt plaats in de keuken van het onbewuste. Volgens Gilbert maar goed ook, want zodra je doorhebt wat je aan het doen bent werkt het niet meer. Misschien omdat je dan ziet dat je aan het omliegen bent? Dat de nood nooit echt kan transformeren in een deugd? (Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk)

6. Ik geniet juist meer van de goed uitgevoerde truc als ik weet dat het een truc is. Inderdaad, hij werkt niet meer. Whatever. In dat geval ligt geluk in schoonheid en kennis, niet in gemoedsrust.



Bookmark and Share
Comments

Tot tien tellen: tijd voor vergeving

vergeving
Twee vragen: wie durft zichzelf waarlijk vergevingsgezind te noemen? En wie reageert in een vervelende situatie op straat met een kort lontje en ingehouden woede? Het zijn lastige vragen om over jezelf te moeten beantwoorden. Toch durf ik mezelf wel vergevingsgezind te noemen, hoewel ik me ook wel herken in de woede die in één klap kan ontvlammen. Dat lijkt een paradox, maar misschien wijst die juist wel de weg naar een meer vergevingsgezind samenleven. Vergeving vraagt tijd en tijd, daar hebben we over het algemeen te weinig van.

Op de tweede avond naar aanleiding van De andere wang, over vergeving en vergelding, ligt het accent op de maatschappelijke aspecten. De samenleving krijgt steeds meer de trekken van een schuld- en afrekencultuur. ‘Je recht halen’ is het antwoord op alles wat je overkomt, of dat nu toe te schrijven is aan een bedrijf, een persoon, de natuur of gewoon het lot. En dat terwijl een meer vergevingsgezinde instelling veel rust en evenwicht kan brengen – zowel voor jezelf als in de wereld. 

Nieuwe en Oude Testament
Cultuurtheoloog Frank Bosman vertelt over vergeving in de christelijke traditie. In het Nieuwe Testament verbindt Jezus vergeving aan het universele principe van de wederkerigheid. ‘Ik doe iets voor jou, opdat jij iets voor mij doet.’ Dit betekent niet dat ik iemand vergeef om vervolgens zelf door diezelfde persoon ook vergeven te worden. Het is algemener: als ik jou vergeef, zal ooit ook iemand mij vergeven. Een geruststellende gedachte, die eerder lijkt te berusten op vertrouwen dan het wantrouwen van de boze burger die altijd in zijn recht meent te staan.

Op de eerste avond van het tweeluik georganiseerd in samenwerking met SLAU, kwam al naar voren dat vergeving tijd vergt. Maar ook op deze wederkerige manier is vergeving dus iets wat zich uitstrekt in de tijd. Het (her)vinden van evenwicht gaat nu eenmaal niet van het ene moment op het andere. Evenwicht en balans, dat zijn ook woorden die rechtsfilosoof Andreas Kinneging benadrukt als hij ingaat op de vraag wat vergeving nu eigenlijk is. Hij haalt een andere grondregel aan, die eerder lijkt te wortelen in het Oude Testament: ‘Op schuld moet boete volgen.’ Dus toch vergelding? Ja, maar die vergelding bestaat uit boete doen en dat kan ook betekenen: berouw tonen. Als de dader berouw voelt voor wat hij gedaan heeft, is de straf en dus de vergelding uitgevoerd en vergeving op zijn plaats.

Berouw en evenwicht
Vergelding en vergeving staan in deze zin niet haaks op elkaar. Beide hebben te maken met een evenwicht dat hersteld wordt. Dat gaat niet zonder dat er al een balans aanwezig is: tussen de daad en het berouw van de dader, en het lijden van het slachtoffer. Pas dan kan via vergeving het evenwicht hersteld worden, ten eerste tussen dader en slachtoffer als individuen en ten tweede in de maatschappij. Dat berouw daarbij echt een eerste vereiste is, werd wel duidelijk uit het indrukwekkende verhaal van Jack Keijzer, wiens zoon Pascal op zestienjarige leeftijd werd vermoord. Omdat de dader mijlenver verwijderd lijkt van enige vorm van spijt of berouw, zal vergeving wel nooit een optie zijn. Die gruwelijke moord was ook nog maar kort geleden – in 2007. En tijd is een cruciaal onderdeel van vergeving, misschien ook wel van berouw. Je zou het kunnen zien als de weegschaal die uit evenwicht is geraakt en die tijd nodig heeft om weer in balans te komen. De bewegingen bedaren en ten slotte is er weer evenwicht.

Tot tien tellen
Het is lastig om een discussie te voeren over tegelijkertijd zo’n onvoorstelbare menselijke tragedie en dat wat ‘het korte lontje’ wordt genoemd, een dagelijkse ergernis op straat. Kun je die twee wel echt met elkaar in verband brengen? Vanuit het perspectief van de oplossing wel. Het is misschien niet vergevingsgezindheid, maar eerder tijd waar het ons aan ontbreekt. ‘Eerst tot tien tellen’ is een grondregel die maar beter aan de andere twee kan worden toegevoegd.

Lees hier het nieuwsblog over het eerste deel van het tweeluik over vergeving en vergelding: Vergeven, vergelden, verraden.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Vergeven, vergelden, verraden

vergeving
Oververhitte korte lontjes aan de ene kant en degenen die hun emoties op kille, hautaine wijze weten te beheersen aan de andere kant. Je kan haast een tweedeling in de maatschappij tussen deze twee maken. De andere wang versus oog om oog, tand om tand. Vergeving tegenover vergelding. Op de eerste van twee avonden over dit thema, georganiseerd in samenwerking met SLAU en gemodereerd door Aleid Truijens, ging het over de persoonlijke invulling van het ‘glibberige begrip’ vergeving, in de woorden van Rob Schouten. Aanleiding was het boek De andere wang van Willem van Leeuwen, waarin hij op zoek gaat een antwoord op de vraag of vergeving mogelijk is en hoe dat dan werkt.

Ballast
‘Wrok is ballast, je kijkt niet meer vrij naar andere mensen,’ zegt Van Leeuwen over de redenen om zijn boek te schrijven. Wrok kan misschien een houvast bieden, maar kost enorm veel energie. Toch zijn de meeste mensen vooral bezig met schuld en genoegdoening, bijvoorbeeld in tv-programma’s als De rijdende rechter en Radar. Waar is de vergevingsgezindheid? Kunnen we die aanleren? Of moet je het in je opvoeding al hebben meegekregen? ‘Wat je niet gekregen hebt,’ zegt Willem van Leeuwen, ‘kun je ook niet weggeven.’ De wijze waarop vergeving als een soort taakje wordt onderwezen in een religieuze opvoeding, achten de sprekers daarentegen ook niet erg waardevol. Oprechtheid, zo blijkt, is een belangrijk onderdeel van werkzame vergeving. 

Stappenplan
Prof. Joachim Duyndam schreef een ‘stappenplan van vergeving’ al wil deze praktische benaming niet zeggen dat vergeving iets simpels is wat iedereen stap voor stap kan uitvoeren. Er zijn altijd twee partijen aanwezig in het proces van vergeving: dader en slachtoffer. De dader moet het slachtoffer om vergeving vragen, benadrukt Duyndam. Pas dan kan het slachtoffer de vergeving ook schenken. Daar is niet iedereen het mee eens. Stel dat de dader overleden is of om een andere reden niet meer in staat om te vragen – dan is vergeving toch niet meteen uitgesloten? Of gaat het dan niet meer om vergeving, maar om verzoening – waarbij het slachtoffer zich eerder verzoent met zijn lot dan degene die het hem heeft aangedaan vergeeft.

Er zijn veel voorwaarden voor vergeving, en vaak lukt het dan ook niet. De vergeving moet expliciet uitgesproken worden. Beide partijen moeten de ernst van de situatie onder ogen zien en ook min of meer hetzelfde inschatten. Vergeving heeft bovendien tijd nodig, maar niet te veel. Neem de Algerijnse nonnen die direct na een gewelddadige aanval op hun klooster zeiden de daders te vergeven. Dat is niet serieus te nemen, het komt te snel. Bovendien: waar is het berouw, de vraag om vergeving? Zulke wrede acties zomaar vergeven heeft bijna iets pervers. Alsof je geen respect betoont aan de slachtoffers, verraad pleegt aan hen die niet meer leven.

Verraad
Patricia Jimmink is een van degenen die haar persoonlijke verhaal vertelde aan Willem van Leeuwen. Ook zij heeft het over verraad. Ze kende een jeugd getekend door misbruik, waarin haar ouders haar verre van beschermden. Uiteindelijk vond ze een ‘modus om ermee te leven’, zonder haar ouders te kunnen vergeven. Het heeft lang geduurd voor ze haar verhaal naar buiten durfde te brengen. Dat zou voelen als verraad aan diezelfde ouders (moeder en stiefvader) die juist haar hadden verraden. Waarom het vergeven niet lukt? Is er te veel gebeurd? Voelt vergeving misschien ook als verraad aan jezelf, het kind dat je was? Het is een ingewikkeld kluwen van relaties, zo blijkt wel.

Strijd
Jimminks ouders lijden aan Alzheimer en kunnen dus niet meer om vergeving vragen. Er is ook veel tijd verstreken. Aan de voorwaarden uit Duyndams stappenplan is in elk geval niet voldaan. Vergeving moet gepaard gaan met enige strijd, strijd die in haar geval niet meer geleverd wordt of kan worden. Rob Schouten haalt de strijd naar voren in zijn column ‘Achilles en Jezus’. We hebben iets meer van Achilles’ temparament nodig als we denken aan vergeving – de wrok van het ‘oog om oog, tand om tand’. Jezus’ leerstelling dat we de andere wang moeten toekeren is maar al te vaak verworden tot het makkelijke wegwuiven zoals van de Algerijnse nonnen. Of, van de kant van de dader: best spijt willen betuigen, maar alleen op voorwaarde dat er vergeving op volgt. Spijt en vergeving zijn een soort koehandel; voor wat hoort wat. Nee, dan Achilles. Die vertegenwoordigt het andere extreem, met zijn buitenproportionele wrok, maar is wel een stuk boeiender.

Vergeving als deugd
De deugd van de vergeving ligt ergens in het midden tussen Jezus en Achilles, zou je kunnen zeggen. En net als bij andere deugden, gaat vergeven niet vanzelf. Er is tijd nodig, begrip en oprechtheid. Het lastigste schuilt misschien wel erin dat vergeven altijd draait om een relatie – iets wat zich dus uitstrekt tot buiten je eigen invloedssfeer. Is vergeving dan wel aan te leren?

In elk geval zou het helpen als het in de maatschappij wat vaker als een optie werd beschouwd, tegenover het aanwijzen van schuldigen of het wegwuiven van aangedaan leed. Maar kunnen we de tijd vrijmaken die het kost om begrip te kweken en berouw te tonen? Durven we de strijd met de ander en met onszelf aan? Vragen die in het tweede deel van dit tweeluik over vergeving en vergelding aan de orde kunnen komen.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij?

frampton
Montaigne moet wel een van de meest aimabele filosofen zijn. De zestiende-eeuwse humanist en uitvinder van het essay is ook een van de meest leesbare. Zijn nieuwsgierigheid naar wat het betekent om mens te zijn, gewoon in het dagelijks leven, werkt aanstekelijk.

Saul Frampton volgt in zijn aangename boek Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? Montaigne en de kunst van het leven de zoektocht die Montaigne onderneemt – zowel in zijn leven als in zijn werk – naar 'de mens'. 'De mens' dat is tegelijk Montaigne zelf, zoals hij verklaart in de beroemde aanhef van zijn Essays: ‘want ik portretteer mijzelf', 'ongedwongen en zonder opsmuk'.

Lees verder op 8WEEKLY: De nabijheid van Montaigne



Bookmark and Share
Comments

Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit

levenskunst
De deugdethiek en de levenskunst: twee dominante filosofische stromingen van deze tijd. Beide kwamen op in de laatste decennia van de twintigste eeuw en zijn nu bepalend voor wat je zou kunnen noemen de ‘mainstream’-filosofie. Twee filosofieën met een verschillende oriëntatie. Deugden zijn gericht op karaktervorming, het ontwikkelen van een houding die zich vertaalt in bepaald gedrag. De centrale, achterliggende waarde: geluk, of ‘gelukt zijn’ in overeenstemming met de menselijke natuur. De levenskunst is eerder gericht op het vinden van een persoonlijke ‘zin’ en draait om de centrale waarde van ‘authenticiteit’, in overeenstemming met je individuele zijn. Prof. Joep Dohmen noemt het verbinden van deze twee ethieken hét filosofische probleem van deze tijd. Hoe kunnen deugden geïntegreerd worden in een actuele levenskunst?

Vader van de deugdethiek
De ‘vader van de deugdethiek’, zo mag je Aristoteles wel noemen, en de Ethica Nicomachea is zijn standaardwerk. Daarin definieert hij wat een deugd is, namelijk het juiste midden tussen twee extremen. Hoe dat precies werkt, laat hij zien in zijn beschrijving van allerlei deugden. Het bekendste voorbeeld: dapperheid is het midden tussen lafheid en overmoed. Het midden kun je niet cijfermatig berekenen, maar is afhankelijk van de persoon, de situatie en welke deugd in het spel is.

De deugdenleer is een praktische ethiek die een hoger doel dient. Aristoteles is teleoloog, wat betekent dat alles gericht is op een ultiem doel. En dat is: geluk. Maar wat is geluk? Dat kun je het beste begrijpen in de zin van ‘gelukt zijn’. Je bent gelukt als mens wanneer de menselijke natuur, het potentieel dat in je zit, zoveel mogelijk tot bloei is gekomen. De deugden zijn de manier om dat te bereiken. Dat gaat niet vanzelf, want een deugd vraagt oefening, herhaling en dus tijd, veel tijd. Uiteindelijk moet de deugd als een ingekraste lijn in het karakter zijn, een eigenschap die zo vaak uitgeoefend is dat ze een stabiele, betrouwbare gewoonte is geworden. Een houding.

Een beetje integer
Dit kun je een perfectionistische ethiek noemen, aldus Joep Dohmen, maar dat wil niet zeggen dat de mens die de deugd nog niet volledig onder de knie heeft, in het geheel ‘niet deugt’. De deugdethiek biedt juist een kader voor ontwikkeling. Dohmen haalt Paul van Tongeren aan, de specialist op het gebied van deugdethiek. ‘Je kunt best een beetje integer zijn’, hoe gek dat ook klinkt. De weg naar het beheersen van de deugd integerheid is lang en vraagt om veel ervaring. Maar iemand die zich al jaren bezighoudt met integriteit is uiteraard verder op die weg gevorderd dan een groentje dat net komt kijken – ook al hebben ze beiden de deugd niet tot in perfectie onder de knie.

Integriteit is meteen een goed voorbeeld van een moderne deugd, misschien wel het 21e-eeuwse equivalent van dapperheid. Dat deze tijd veel kan hebben aan een moderne ethiek van deugden is voor Joep Dohmen – na enige aarzeling, zo geeft hij toe – wel duidelijk. Er is nog wel veel denkwerk te verrichten. Aristoteles ging uit van het bestaan van een menselijke natuur die tot bloei moest komen. Kunnen wij nog wel uit de voeten met zo’n teleologische opvatting van mens en natuur? Is het na het postmodernisme nog wel mogelijk om te spreken over centrale waarden? En waar ligt de intrinsieke motivatie om deugden te ontwikkelen? Kort gezegd: ‘waarom zou je?’

Koppeling met levenskunst
In de koppeling met een waardenfilosofie, zoals de levenskunst, kunnen zulke vragen wellicht beantwoord worden. De levenskunst is zoals gezegd gericht op het individualistische begrip authenticiteit – een centrale waarde die open blijft en niet terugvalt op het bestaan van een welbepaalde menselijke natuur die op doelgerichte wijze tot bloei moet komen. Bij het leven van een authentiek leven zijn keuzes allesbepalend. Ook deugden draaien om keuzes; het juiste midden is niet iets wat je aangereikt krijgt, maar iets waarvoor je kiest. Daarnaast stemt de aandacht voor context in zowel de deugdethiek als de levenskunst overeen. Ligt hier het begin van een nieuwe richting in de filosofie? Joep Dohmen ziet genoeg werk klaarliggen. Het zal een lange weg zijn, maar gelukkig weten we nu dat elk stukje dat je aflegt op die weg ook telt; je kunt immers best een beetje wijzer worden.

Kijk de lezing van Joep Dohmen terug: Aristoteles – de deugd ligt in het midden. Bekijk voor meer informatie over deugdethiek ook de lezing van Paul van Tongeren, Klassieke deugden. Of lees Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

pijl_boog
Een moderne moraal legt geen regels op, maar ondersteunt de natuurlijke neigingen tot het goede. Deugden die het vrije individu trainen in dat waar hij goed in is, in plaats van hem te beperken maken zo’n moraal praktisch. De 21e eeuw vraagt om een ethiek die geen regels en wetten formuleert, maar juist de verlammende werking van regels laat zien. Prof. Maarten van Buuren wil op zoek naar zo’n natuurlijke moraal, en het taoïsme is daar een eerste voorbeeld van. Zo blijkt uit zijn lezing in de serie Levenskunst, Wu wei, doen door niet te doen.

Het taoïsme van de Chinese wijsgeer en dichter Lao Tse is in de vierde eeuw voor Christus opgetekend in het beroemde boek Tao Te Ching. Het bestaat uit 81 hoofdstukken of gedichten. In die vorm tekent zich al af dat ‘dao’ niet verwijst naar een ethische imperatief of naar een set leefregels. Anders dan bijvoorbeeld de leer van Confucius, die wel bestaat uit zulke regels en waartegen Lao Tse zich met zijn eigen werk afzette. Hij schrijft dan ook niet voor de machthebbers of om een hiërarchische orde te bestendigen, zoals Confucius deed. Dao is dynamisch, natuurlijk, niet humanistisch en soms zelfs meedogenloos.

Hoe komen we weer in tune met de natuurlijke weg, met dao? Hoe zorg je dat je weer ‘spoort’? En waarom is dat eigenlijk iets om na te streven? Zo min als het bestaan van een ‘universele orde’ vanzelfsprekend is, hoeft het volgen daarvan nastrevenswaardig te zijn. Eenvoudige oefeningen kunnen je in aanraking brengen met de dao en je de harmonie laten ervaren die uitgaat van het ‘sporen’ ermee, aldus Maarten van Buuren. Meditatie is de bekendste, maar voor hemzelf werkt fietsen het beste. Wat volgt is een persoonlijke ‘tao van het fietsen’. Twijfels over bestaan en nut worden daarmee weggenomen: het bestaan van de orde ervaar je via die oefeningen. En het is nastrevenswaardig omdat in die ervaring iets als het goede leven werkelijkheid wordt. ‘Geluk,’ durft Maarten van Buuren het zelfs te noemen. En bovendien ontvankelijkheid, waarin kennis en oplossingen zich aandienen zonder dat je ook maar hoeft na te denken.

Daarmee is nog niet gezegd wat ‘doen door niet te doen’ eigenlijk inhoudt. Is het gewoon een soort ‘go with the flow’, waarbij je alle regels afwerpt om op zoek te gaan naar je kern, liefst achteroverhangend en genietend van het nietsdoen? Dat klinkt wel erg gemakzuchtig. Ten onrechte, zegt Van Buuren, want wu wei duidt op een zorgrelatie. Zorg voor een ander – denk bijvoorbeeld aan de opvoeding van een kind, waarbij stimuleren belangrijker is dan verbieden. Juist door te veel regels in te stellen, zal het kind ontaarden. Hetzelfde geldt bij de zorgrelatie voor jezelf. Harmonie met de dao bereik je door steeds verder terug te gaan en steeds meer regels en obstakels af te leggen, tot je de ‘oorspronkelijke leegte’ bereikt.

Dit zal voor veel mensen ver van hun bed klinken. Kan het taoïsme wel een moraal voor onze tijd zijn? Staat er niet te veel techniek en afleiding tussen het individu en de wereld? Is het volgen van de natuurlijke orde nog wel een optie in onze door en door gemedieerde werkelijkheid? Een andere vraag kan zijn of in onze tijd het teruggaan tot de leegte, door het afleggen van alle grenzen en beperkingen niet automatisch leidt tot een extatische volheid.

In de volgende lezingen over Levenskunst: deugden en ondeugden zullen dit soort vragen ongetwijfeld terugkomen. De volgende keer, op woensdag 9 november, gaat het over Aristoteles. De lezing van Maarten van Buuren kijk je hier terug: Wu wei: doen door niet te doen.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Lees ook mijn persoonlijke overweging bij 'doen door niet te doen’: Actie is altijd beter dan geen actie.



Bookmark and Share
Comments

De andere wang van Willem van Leeuwen

anderewang
Vergeven is een deugd die niet sexy is. Nee, ‘opkomen voor jezelf’, ‘je recht halen’ dat zijn de deugden van nu. Miriam Rasch las 'De andere wang' van journalist Willem van Leeuwen en schreef een blog. Vergeving is meer dan een irrationeel of zweverig gevoel. ‘Het is een redelijk proces: je moet je proberen te verplaatsen in de situatie van de ander.’

Vergeving, het klinkt al gauw zijig en zalvend, maar dat wordt het niet in het boek van Van Leeuwen. Want zodra hij richting zweverigheid gaat, corrigeert hij zichzelf ferm. Fijn. Van Leeuwen vertrekt vanuit een persoonlijk gevoelde wrok en rancune, dat zet het onderwerp alvast op scherp. Die wrok is zo sterk dat het zijn dagelijkse welbevinden in de weg staat. De lulligste dingen die hem ooit zijn aangedaan door niet echt belangrijke figuren uit het verleden blijven haast letterlijk geëtst in zijn herinnering.

Lees verder bij het Humanistisch Verbond: Vergeven doe je nooit alleen
Mijn andere blogs voor www.humanistischverbond.nl vind je hier.



Bookmark and Share
Comments

Krachtige taal: over retorica, emoties en framing

megafoon
Bij de Algemene Beschouwingen werd pijnlijk duidelijk hoe belangrijk taal en retorica zijn in de politiek. En via het politieke debat ook voor het publieke sentiment. Meer dan over de inhoud, ging het na afloop vooral over hóe er gesproken werd. Het jaarlijkse Vredesdagensymposium, een samenwerking van Studium Generale met Oikos en SIB Utrecht, stond in het teken van dit actuele onderwerp. Krachtige taal kan zowel onderdrukken en als hoop geven. In de lezingen van Maarten van Rossem, Mariëtte Willemsen en Lucien van Liere kwam steeds het belang van de context terug. Een context die gevuld is met het persoonlijke, met emoties en menselijkheid. Het onderzoeken en benoemen daarvan schept de mogelijkheid de kracht van taal te benutten, zonder de schaduwzijde van retorica te ontkennen.

Hitler en Roosevelt
Prof. Maarten van Rossem leidt de dag in met een lezing over retorica in de politiek. Dat is meteen een knap staaltje redenaarskunst, dat impliciet duidelijk maakt dat persoonlijkheid, eigenheid en humor belangrijke aspecten zijn bij het spreken voor publiek. Van Rossem benadrukt de context bij retorica: wie spreekt, waar en voor wie en met welk medium? Retorica is eigenlijk niet te generaliseren. Hitler sprak urenlang voor duizenden toehoorders. Als je dat in fragmenten terugkijkt op een klein YouTube-schermpje, is niet te begrijpen wat de impact was. Retorische gaven lijken een belangrijk talent voor een politicus, maar Hitler is een extreem voorbeeld van het gevaar dat zulk talent ook kan opleveren. ‘Als Hitler niet zo’n groot redenaar was geweest, had alles anders gelopen,’ daar is Maarten van Rossem van overtuigd.

De moderne retorica ontstond bij de radiopraatjes van Roosevelt. Daarmee zie je dat het medium een groot deel van de context uitmaakt. Tegenwoordig wordt niet vaak meer gesproken voor duizenden toeschouwers. Zelfs de grote toespraken van de Amerikaanse president moeten het vooral ook goed doen op tv. Uitzinnige emoties en denderende woorden kunnen dan niet. Juist een rustige, bedaagde spreektrant is belangrijk. Maar het belangrijkste is tegenwoordig nog wel ironie en zelfspot. Iets wat Van Rossem zelf tot in de puntjes beheerst. Hoewel misschien in een bijzondere vorm: de geïroniseerde (zelf)vergroting. ‘Nooit zal ik voor iemand een tekst schrijven. Ten eerste schrijf ik geen teksten, ten tweede kan niemand ze zo goed uitspreken als ik.’ De Senaatszaal hangt aan zijn lippen.

Grieken, Romeinen en Martha Nussbaum
’s Avonds gaan dr. Mariëtte Willemsen en dr. Lucien van Liere dieper in op het thema krachtige taal. De klassieke retorica gaat (zoals alles) terug tot Plato. Mariëtte Willemsen geeft een overzicht van het denken over welsprekendheid in de Griekse en Romeinse wijsbegeerte. Hoewel er verschillende soorten speeches bestaan en die ook verschillende doelen kunnen hebben, komt altijd de drie-eenheid ethos, pathos en logos  terug. De spreker die wil overtuigen moet karakter tonen, goed informeren en uitleggen, en de emoties aanspreken. Vooral dat laatste heeft de aandacht van Willemsen, want emoties spelen een veel grotere rol in taal dan vaak gedacht.

Aan de hand van het werk van Martha Nussbaum, laat Willemsen zien hoe emoties altijd ook een cognitieve dimensie hebben; ze zijn als het ware geladen met overtuigingen, waarden en oordelen. ‘Het denken is bij emoties in geding,’ heet het. Dat betekent dat zelfs als in een tekst of toespraak niet overduidelijk op het gevoel wordt gespeeld, emoties zich op de achtergrond welzeker doen gelden. Hier zouden we ons steeds bewust van moeten zijn, die achtergrond vraagt steeds om onderzoek.

Framing
Een moderne vorm van retorica is framing. De laatste tijd wordt veel gesproken over dit begrip dat werd gemunt in de jaren zeventig. Lucien van Liere legt uit wat het precies inhoudt. Een frame is een ‘collectie stereotyperingen’ die bijvoorbeeld op een bevolkingsgroep wordt gelegd. Een enkel woord of beeld kan voldoende zijn. Door een Amerikaanse soldaat niet bij zijn naam te noemen, maar te bestempelen als ‘een Amerikaan’, wordt de (fundamentalistische) moord op hem een moord op Amerika. Frames zijn meestal een uitdrukking van vijandschap. Ze verbergen op een simplistische manier de kwetsbaarheid van de mens die erachter zit. De Amerikaanse soldaat, maar ook bijvoorbeeld een moslima die wordt aangeduid als ‘hoofddoekje’, wordt beroofd van zijn individualiteit. De context verdwijnt en daarmee elke vorm van meerduidigheid. Interpretatie is niet meer nodig: de persoon valt samen met het enkele woord en kan niets meer of anders zijn dan dat. Dat werkt lekker makkelijk en snel, reden waarom frames zo geliefd zijn. Én gevaarlijk.

Opnieuw blijkt de context essentieel. Van Liere pleit voor een versterking van het ‘biografische perspectief’; communicatie van mens tot mens, van individu tot individu. In de persoonlijke ontmoeting kan het abstracte frame doorbroken worden. Met die kanttekening dat we nooit helemaal buiten de frames kunnen stappen, die hebben we ook nodig in het omgaan met de complexe wereld. Zoals Mariëtte Willemsen wees op het bevragen van de emotionele achtergrond, ook als die niet meteen zichtbaar is, zo ziet Van Liere graag dat we de frames waarin we denken bevragen. Emoties kunnen ons op het spoor zetten van zo’n frame.

Ethos, logos en pathos in evenwicht brengen: dat is niet alleen waar de spreker op uit moet zijn, maar ook de toehoorder. Dan is misschien de gevaarlijke kant van retorica, waar Maarten van Rossem in zijn openingslezing op wees, te beteugelen.

Kijk de avondlezingen van Mariëtte Willemsen en Lucien van Liere hier terug. De lezing van Maarten van Rossem komt later online.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Empathie is nog geen moraal: Joep Dohmen over Frans de Waal

levenskunst
Heeft de moraal een natuurlijke, evolutionaire oorsprong? Of is moraal specifiek menselijk en niet los te zien van cultuur? Dat was de inzet van de lezing door prof. Joep Dohmen over het werk van bioloog Frans de Waal en in het bijzonder de notie van empathie. De Waal laat in zijn onderzoek naar het gedrag van apen zien dat empathie – en daarmee gedrag als wederkerigheid en troost – niet een verworvenheid van de mens is, maar ook bij dieren voorkomt. De mens is net als zijn naaste verwanten ‘van nature goed’, zij het dat hij ook van nature uitgerust is met ‘slechte’ eigenschappen als agressie en machtsbelustheid.

Empathie is daarmee bij uitstek een ‘moderne deugd’ te noemen, geworteld in de natuurwetenschap en voorzien van kwantitatief bewijs. Een mooie leidraad voor het onderzoek naar een ‘moraal van de eenentwintigste eeuw’ zoals Joep Dohmen en Maarten van Buuren dat in de serie Levenskunst: deugden en ondeugden voor ogen hebben.

Maar mogen we wel voetstoots aannemen dat moraal daadwerkelijk zo’n natuurlijke oorsprong heeft? Dohmen zet daar zijn vraagtekens bij, onder andere door de filosoof Kant aan te halen. Het vermogen om je in te leven in een ander en om de behoeften van een soortgenoot te herkennen delen we misschien met de dieren. De vraag is of dat wel iets met moraliteit te maken heeft. De mens kan juist ook afstand nemen van zijn empathie. Is deze vrijheid niet essentieel als we spreken over ethiek? Als dat zo is, dan moet de conclusie toch zijn dat moraal misschien een evolutionaire basis heeft, als een mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontstaan ervan, maar dat cultuur toch doorslaggevend is.

Het is ook de cultuur die zorgt dat empathie als deugd kan worden gezien. Inlevingsvermogen kan gebruikt worden om de ander de meest vreselijke dingen aan te doen, zoals de meest verfijnde marteltechnieken, zo klinkt een kritische noot. Empathie is dan toch niet een inherent positieve eigenschap die gelinkt is aan de moraal? Zo bezien verschrompelt empathie tot niets meer dan een vermogen dat vooral cognitief is. Je neemt het perspectief van de ander aan en begrijpt: als ik dit doe, voelt hij dat, dus laat ik zus en zo handelen. Deze ‘koele perspectiefname’ is iets anders dan de ‘warme’ empathie, die is afgestemd op de emoties van een ander. Haast lijfelijk kun je ondergaan hoe de ander zich in een situatie voelt, denk maar aan de adem die stokt bij het zien van een iemand die valt.

Natuurlijk kun je dit vermogen, ook de warme variant, op een kwade manier gebruiken. Maar geldt niet voor alle deugden dat zij het juiste midden zijn tussen twee extremen? Zoals dapperheid het midden is tussen lafheid en overmoed, is empathie misschien ook op deze klassieke, Aristotelische wijze te ontleden. Daar kwamen Dohmen en Van Buuren niet aan toe. Ik denk dat het ‘koele’ en het ‘warme’ de beide uitersten van het spectrum beslaan: berekendheid aan de ene kant, hypersensitiviteit aan de andere. Empathie zal zowel cognitief als emotioneel moeten zijn om als deugd de weg te wijzen naar het goede leven. Daarbij ontsnap je niet aan vorming en oefening – aan cultuur dus. Maar het is goed om te weten dat de eerste, fundamentele stappen al voor ons gezet zijn door die tredmolen die evolutie heet.

De lezing over empathie is in zijn geheel hier terug te kijken. Kijk ook de lezing terug die Frans de Waal hield op festival deBeschaving. Eerdere stukken over levenskunst: 10 schrijvers en denkers over Levenskunst

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Filosofisch zappen

Op de website van het Humanistisch Verbond:

'Filosofie op tv is altijd goed nieuws.' Miriam Rasch keek eerder dit jaar naar 'Dus ik ben'. Komende zondag zendt HUMAN alweer de laatste aflevering van 'Het Filosofisch kwintet' uit. Aanleiding voor Rasch eens te onderzoeken wat er nog meer aan filosofie te zien is. Op YouTube bijvoorbeeld. Of Facebook. En passant creëert ze haar eigen zomergastenprogramma.

Lees het hele stuk Filosofisch zappen.

Hieronder de filmpjes, lees over het eerste filmpje van Jacques Derrida (die je niet mag embedden) ook hier.

Jacques Derrida On Love and Being
Of de grote Franse filosoof even iets over de liefde kan zeggen. Nee, ‘mijn hoofd is leeg als het gaat om liefde’. Om vervolgens een prachtige filosofie van de liefde uit zijn mouw te schudden en die en passant ook nog aan de vraag naar het Zijn te koppelen.

Over Marx’ beroemde uitspraak ‘Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert; es kommt aber darauf an, sie zu verändern.’ Heidegger hakt hem in anderhalve minuut in mootjes.

Alledaagse vragen in het perspectief van de wijsgerige ethiek. Een leuke manier om snel kennis te maken met het denkraam van de filosofie.

In een paar minuten krijg je een vraagstuk voorgeschoteld waardoor je anders naar de wereld kijkt: de uitvoering mag te wensen overlaten, de inhoud is zeker aan te raden.

De BBC is natuurlijk heer en meester als het gaat om inzichtelijke, knap gemaakte documentaires over filosofie en wetenschap. Veel ervan zijn op YouTube in delen terug te kijken. Maar zelfs een stukje zoals dit is al de moeite waard.

Stephen Fry beantwoordt de vraag welke filosofen hem hebben beïnvloed. ‘Philosophy is an odd thing…’ Intelligent, grappig en provocatief, zoals je dat van Fry mag verwachten.

Klassieker: Duitse en Griekse wijsgeren strijden tegen elkaar op het voetbalveld. ‘Beckenbauer is a bit of a surprise there.’ Voor wie na Het Filosofisch Kwintet wil lachen met een filosofisch elftal.

Bij Studium Generale gebeurt ook steeds meer met YouTube en korte filmpjes. Kijk op het kanaal van Studium Generale UU voor bijvoorbeeld filmpjes over Levenskunst met Maarten van Buuren en Joep Dohmen.


Bookmark and Share
Comments

Jacques Derrida over de filosofie van liefde

derrida_liefde
(klik op het plaatje om naar het filmpje te gaan, 4:50 minuten)

L'amour? Ou la mort?

Dat begint goed, als de interviewster aan Jacques Derrida vraagt of hij iets over de liefde wil zeggen. L'amour dus. Daar iets over. Terecht geeft de grote Franse filosoof haar een standje: 'iets zeggen over de liefde'? Wat is dat voor een verzoek, stel gewoon een vraag.

Dus nee, hij kan niets zeggen over liefde in het algemeen. Het is onmogelijk. Hoewel.

Daar gaat ie dan toch. Liefde draait (net als zoveel, zo niet alles in de filosofie) om het verschil tussen het wie en het wat. Hou ik van iemand om wie hij is of om wat hij is? Word ik verliefd op de unieke singulariteit van de persoon? Of op zijn eigenschappen? In het begin, zegt Derrida, word je verleid door de kwaliteiten van iemand. De liefde sterft af als blijkt dat de persoon niet die kwaliteiten bezit, of er niet mee samenvalt. Dan gaat het dus niet om wie iemand is, maar om wat iemand wel of niet is. 'Liefde is gevangen zijn tussen het wie en het wat.'

Ik zou zeggen (met Proust), dat de eigenschappen die we aan iemand toedichten in feite uit onszelf afkomstig zijn. Wie iemand is, als singulariteit - daar kom je nooit helemaal achter, ook niet bij jezelf. En wat iemand is weet je ook nooit, omdat eigenschappen ten eerste meervoudig zijn, ten tweede kunnen veranderen en ten derde categorieën zijn of hokjes. Hokjes zijn vierkant en mensen zijn rond.

Zou liefde dan gericht moeten zijn op singulariteit? Gaat het om het doorgronden van de unieke persoon? Is 'echte liefde' de liefde voor het wie? Zoals in de zin van Kierkegaards sprong in het onbekende? Ik denk van niet. Je kunt nu eenmaal het wie alleen leren kennen via het wat en het wat via het wie. Of is het zoals de dood, ook al zo'n singulariteit die je alleen kunt benaderen via eigenschappen die nooit precies genoeg zijn. Pas als je doodgaat leer je de dood echt kennen. Leer je in de dood van de liefde de liefde pas kennen? L'amour, la mort, tragique.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde - deel 3: Søren Kierkegaard

Lees ook deel 1 en deel 2.

‘Taking a next lover to remember the previous one…’ Dit citaat van Søren Kierkegaard is vrees ik niet erg representatief – zie het als een mooie conversation starter. Kierkegaard (op wie ik ben afgestudeerd) schreef onder vele pseudoniemen en dit citaat komt uit de mond van een ervan. Het is vooral Kierkegaards eigen liefdesverhaal waar ik het over wil hebben.

Kierkegaard
Terug naar het idee van liefde en locatie. Misschien moet echte liefde inderdaad wel onafhankelijk zijn van locatie. Betekent echte liefde juist het loslaten van je vertrouwde positie: een sprong in het onbekende. Dat is wat Kierkegaard zou zeggen (en dat spreekt niet echt uit het bovenstaande citaat). De uitdrukking leap of faith is dan ook terug te leiden tot Kierkegaard. Meestal is het van toepassing op faith, geloof, de sprong in het diepe die geloven voor hem betekent, maar je kunt het toepassen op alles… waaronder de liefde.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Peter Singer over speciesisme

speciesisme
Hoe moeten we met dieren omgaan? Kan de ethiek formuleren wat een goede houding tegenover dieren moet inhouden? Filosoof Peter Singer is te gast in Nederland en sprak in Utrecht over 'Ethics and Animals'. Singer is al sinds de jaren zeventig de bekendste voorvechter van dierenrechten gebaseerd op filosofische argumenten, dus het antwoord verbaast niet. Ja, de ethiek kan dat en moet dat. Hoe we nu met dieren tegen dieren aankijken mag iets beter zijn dan vroeger, het lijden dat dieren door de hand van de mens ondergaan is er niet minder op geworden en moet veranderen. Singer sprak niet zozeer over dierenrechten (waar je de laatste tijd ook wel vaak over hoort), maar legde aan de hand van het begrip 'speciesisme' uit waarom dieren een plek verdienen binnen de wet.

Speciesisme is kort gezegd discriminatie op grond van de soort. Zoals racisme een bepaalde groep minderwaardig acht of rechten ontzegt op grond van ras, en seksisme op grond van geslacht, doet speciesisme dat op grond van je soort. Mensen, apen, huiskatten, kippen, vissen et cetera. Meestal is rationaliteit het criterium dat wordt gebruikt om de mens als soort bovenaan de hiërarchie te plaatsen. Singer stelt daar in navolging van Jeremy Bentham het lijden voor in de plaats. 'The question is not Can they reason? nor Can they talk? but Can they suffer?

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over Bas Heijne op Humanistisch Verbond

heijne
Mensen zijn alleen bezig met hun eigen belevingswereld en dat is de oorzaak van vele problemen. Niet alleen in de politiek of media, maar voortdurend verheffen mensen hun eigen opvattingen en emoties tot standaard. Aan de hand van boeken van Bas Heijne, Dostojevski en Kierkegaard onderzoekt Miriam Rasch hoe openheid, beleving, eigenheid en individualiteit kunnen samengaan.

Lees verder over Moeten wij van elkaar houden van Bas Heijne op de website van het Humanistisch Verbond: De eigen opvatting en emotie als standaard



Bookmark and Share
Comments

Statusangst en de remedie van Schopenhauer

statusangst
Ik heb eens de fout gemaakt om zomaar, zonder nadenken, te laten vallen dat ik misschien wel een beetje last heb van statusangst. Op mijn werk. Dat heb ik geweten, want die tussen neus en lippen door geplaatste opmerking is al een paar keer terug in mijn gezicht geboomerangd.

Wat ik bedoelde was dat ik soms bang ben dat mensen me niet serieus nemen. Dat komt natuurlijk voort uit een menselijk al te menselijke onzekerheid over het eigen kunnen (misschien wel vrouwelijk al te vrouwelijk). Tijdens mijn studie is dat verder gevoed doordat de mannelijke studenten serieuzer werden genomen dan ik (een vrouw), ook al waren ze minder serieus met hun studie bezig dan ik.

Nu werk ik aan de universiteit en ontmoet ik aan de lopende band doctoren, hoogleraren en oude mensen die op gratis lezingen afkomen. Om de vriendelijke der openingszinnen te memoreren: 'Goh, wat studeer jij?' 'Is dit een leuk bijbaantje?' Zucht. (Begin ik al vervelend te klinken? So be it.)

Om me te wapenen tegen die mensen - die het over het algemeen goed bedoelen -, om me te wapenen tegen mezelf en mijn achteloze opmerking die maar niet ongedaan gemaakt wil worden, besloot ik het boek Statusangst te lezen. Ik had me de titel van Alain de Bottons boek eigen gemaakt zonder het ooit opengeslagen te hebben. (Ik hoor nu sommige mensen denken: als dat is hoe het zit met die belezenheid van jou, geen wonder dat je dan last hebt van statusangst. So be it.)

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Filosofen en social media: een oppervlakkige relatie

echte_vrienden
'There is no going back to reality just as there is no going back to virginity.' Thomas de Zengotita (geciteerd in Stine Jensen, Echte vrienden)

Als ik zo langzamerhand ergens genoeg van heb, is het wel het aanhoudende geschrijf over social media, en dan in het bijzonder door filosofen. Je weet van tevoren al waar het op uit gaat lopen als iemand als Ad Verbrugge zijn licht laat schijnen over die oppervlakkige, vluchtige platformen, want door ze oppervlakkig en vluchtig te noemen zijn ze al verdoemd. Je zou denken dat juist filosofen door de vooroordelen héén willen denken en dus ermee beginnen om die veronderstelde oppervlakkigheid of luchtigheid te onderzoeken. Waar komt die kwalificatie vandaan? Is die terecht? Bestaat er überhaupt een causaal verband tussen oppervlakkigheid en verderfelijkheid?

Het startpunt van zo'n onderzoek kan - ik zeg maar wat - het aanmaken van een Twitter- of Facebookaccount zijn. Ik krijg altijd sterk de indruk het daar al mis gaat. Ad Verbrugge is niet actief op Twitter en heeft op Facebook alleen maar een fanpagina (waar niet veel meer op staat dan een link naar zijn lemma op Wikipedia). Niettemin zegt hij in een interview met Filosofie Magazine dingen als:

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

De prijs van de vrijheid na de dood van God

levenskunst
Maarten van Buuren was de zwartkijker en Joep Dohmen de optimist in de serie Levenskunst, waarin zij handvatten voor een goed leven onderzochten aan de hand van schrijvers en filosofen. Maar eigenlijk kan alle vrolijkheid overboord, zo zeiden ze al aan het begin van de Kunst- en wetenschapslezing. Daar presenteerden zij hun boek De prijs van de vrijheid, waarin essays over de denkers en schrijvers zijn gebundeld. Niks vrijheid blijheid. Vrijheid is een last. Je kunt van je leven iets moois maken – levenskunst bedrijven – maar dat is hard werken. Niettemin is het een opgave voor iedereen die geeft om vrijheid, en dus om onze moderne verworvenheden, om iets van die vrijheid te maken. ‘Daarom hebben wij een belangrijk boek geschreven,’ aldus Joep Dohmen.

Moderne vrijheid

Waar komt dat moderne vrijheidsbegrip vandaan? Prof. Maarten van Buuren opende met een inleiding op de geschiedenis van de moderne vrijheid. Nietzsche verklaarde God dood en maakte daarmee een einde aan de richtinggevende instantie in het leven. De mens verwierf daarmee een enorme vrijheid om zijn eigen richting te kunnen volgen – maar hij verloor orde en duidelijkheid. Vrijgemaakt van onderdrukking, wordt de mens geconfronteerd met de vraag waartoe hij vrij is. ‘De prijs van de vrijheid is de prijs die we hebben moeten betalen voor de moord op God,’ aldus Van Buuren.

Vervolgens stelde Dostojevski de volgende vraag: als God dood is, is dan alles toegestaan? Hoeveel vrijheid kan een mens eigenlijk aan? Zal niet iedereen elkaar uitroeien – de mens is de mens een wolf, toch? Sartre ging nog een stap verder. Als God dood is, is alles contingent. De wereld, de mens, ons leven: alles is toevallig en zonder noodzaak. Daar kun je op twee manieren op reageren: jezelf wijsmaken dat er tóch een richtinggevende instantie is. Of de absolute vrijheid op je nemen en je leven als een project zelf ontwerpen. In de levenskunst zal de een echter beter slagen dan de ander. En zo komt Van Buuren uit bij Michel Houellebecq, die laat zien dat grotere vrijheid gelijk opgaat met grotere ongelijkheid.

Postseculiere orde
Het grote streven van de westerse mens, gaat prof. Joep Dohmen verder, is niettemin het leiden van een eigen leven. De vraag hoe dat moet is actueler dan ooit, nu de modernisering die ten tijde van Nietzsche en Dostojevski werd ingezet, volledig is gerealiseerd. We leven in een postseculiere orde, die radicaal verschilt van een halve eeuw geleden, toen Dohmen en Van Buuren opgroeiden. We moeten nu onze eigen levensstijl ontwikkelen, we ontkomen er niet aan. Joep Dohmen wijst op het belang van de context als het gaat om levenskunst. Aan de hand van Michel Foucault, Peter Bieri en Charles Taylor legt hij uit dat vrijheid altijd gesitueerd is.

Foucault wijst er bijvoorbeeld op dat identiteit beïnvloed wordt door veel verschillende factoren. Toch is hij geen determinist, we zijn niet helemaal overgeleverd aan onze genen, ons brein of onze omgeving. De vraag is dan waar de marge ligt van de vrijheid. Niet alleen werken externe factoren in op wie we zijn, ook zijn we zelf altijd ingebed in een gemeenschap. Leven doe je met anderen. Zoals Taylor zegt gaat het om een driehoek van jezelf, de ander en de omgeving. Daarbinnen ontvouwt zich je leven, en de waarde van je keuzes hangt samen met de wereld waar je in staat. Het kan niet zo zijn dat elk individu maar kiest wat hij wil, zonder dat je nog van waarde kunt spreken. Precies in die gerichtheid op de samenleving ziet Dohmen antwoorden voor de actuele vraag hoe we met vrijheid om moeten gaan.

De rol van de wetenschap
Hoe moet dat dan? Kan de wetenschap daar ook nog een rol in spelen? Dohmen en Van Buuren, beiden hoogleraar, blijken nogal sceptisch over de wetenschap. Volgens Dohmen moeten we oppassen voor een al te wetenschappelijke samenleving, de ‘expertsamenleving’. De wetenschap kan niet vertellen hoe je moet handelen, hoe je leven te leiden. Daarmee gaan zij in tegen de heersende tendens om wetenschap juist als basis te zien van de staatsinrichting, economie, moraal, tot individueel handelen en oordelen aan toe. Denk maar aan de liefde die wordt gereduceerd tot hormonale oprispingen of de rechtspraak die steeds meer laat afhangen van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek – psychisch, forensisch of juridisch.

Joep Dohmen stelt dat we op zoek moeten naar een gedeeld hypergood om de samenleving (weer) op orde te krijgen en met de uitdagingen van de toekomst – wetenschap, technologie, duurzaamheid – om te kunnen gaan. Hij is optimistisch: het zal hard werken zijn, maar dat hypergood moet te vinden zijn. Niet door wetenschap, maar door filosofie. Maarten van Buuren ziet de ontdekking van zo'n hypergood nog niet gebeuren. Maar ook hij ziet geen heil in wetenschap. Wat zegt die over mij? Niets, de wetenschap kan mij niet vertellen wat ik moet kiezen of doen. Zij heeft pas belang nadat die fundamentele levensvragen beantwoord, of ten minste onderzocht zijn.

Zo lijken Van Buuren en Dohmen toch terug te zijn bij hun oorspronkelijke tegenstelling van zwartkijker en optimist. In elk geval geloven ze beiden in de kracht van de literatuur en filosofie. En er wordt vanavond harder gelachen dan ooit tevoren in het Academiegebouw.

Verder kijken en lezen
De lezing van gisteren is hier terug te zien. De serie Levenskunst liep in 2009-2010 en is ook online terug te zien. In september 2011 start het vervolg op deze serie bij Studium Generale. Lees op dit blog ook 10 schrijvers en denkers over levenskunst.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

10 filosofische vragen om over het verhaal van je leven na te denken

lifestory
Wat is het echte leven? Een verhaal dat je jezelf vertelt? Is het niet een illusie dat het leven zich keurig als een verhaal ontvouwt? Of je nu vindt dat de notie 'levensverhaal' leugenachtig of achterhaald is, of juist graag jezelf beschouwt als hoofdpersoon in je eigen one-woman-show, het verhaal biedt een goede vorm voor zelfonderzoek. Al was het maar om erachter te komen waar het verhaal ontspoort. Hieronder tien vragen die je jezelf kunt stellen bij het nadenken over het verhaal van je leven.
Lees ook 10 filosofische vragen op weg naar zelfkennis

1. Welk mythische verhaal vertelt jouw leven? Wat is het scharnierpunt?
Je kunt zeggen dat een mythe een beschreven verhaal is waarvan de kern een uitvergroting is. Die uitvergroting vertelt over de oorsprong van iets - de mens, het leven, of een deel daarvan; liefde, oorlog, broederschap. Wat gebeurt er als je van je eigen leven een verhaal maakt en streeft naar mythische proporties? Wat is het oorspronkelijke verhaal van je leven? Wat ga je uitvergroten? (Creatief zelfonderzoek: streven naar mythe en verhaal)

2. Waar in je levensverhaal ben je een onbetrouwbare verteller?
Julian Barnes schrijft: 'what is useful to us generally conflicts with what is true'. True. Daarin ligt het vervelende van die narratieve levensopvatting: je kunt alles wel zo draaien dat het past in een lopend verhaal. Je maakt je ervaringen bruikbaar, maar of het ook recht doet aan de werkelijkheid? We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers als het gaat om ons levensverhaal. Waar zit een conflict tussen wat mooi past in het verhaal en dat wat in werkelijkheid gebeurde? (We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers)

3. Als je het hebt over het echte leven, waar heb je het dan over? En als spel?
'Dit is pas het echte leven!' Of; 'Na je afstuderen begint het echte leven.' Wat is dan het niet-echte leven? Je kunt het leven, echt of niet, ook omschrijven als een spel: het is doelgericht, interactief, conflictueus et cetera. (Het echte leven? Een spelletje)

4. Welke voorbeeldfiguren heb je? En welke waarden hangen aan hem/haar vast?
Een goed voorbeeld doet navolgen. Ik heb het vaker gehad over de methode van zelfonderzoek, die uitgaat van de vraag op wie je zou willen lijken. Naar aanleiding van de lezing van Joachim Duyndam over voorbeeldfiguren ging ik nadenken over wie voor mij als voorbeeldfiguur geldt. En belangrijker nog: waarom. Want de waarde die zo'n figuur representeert is een waarde die leidend voor je is. (Persoonlijke waarden: wat heb je eraan?)

5. Waardoor word je beperkt in je autonomie?
Laten we voor het gemak even ervan uitgaan dat elk individu autonoom is en beschikt over een vrije wil. Dan nog wordt die onafhankelijk door allerlei invloeden beperkt. Afkomst, sekse, ideologie, opvoeding… je kan het zo gek niet bedenken. Dit zijn de heteronome invloeden in je leven. Zonder die in kaart te brengen, zul je nooit ook maar een schijn van kans hebben als autonoom individu, of je nu gelooft in de vrije wil of niet. (Hoe onzichtbare factoren je leven sturen: zenuwen, kleding, taal)

6. Wat voor attributen, zoals kleding, gebruik je om je identiteit uit te drukken?
Het is misschien niet goed om je te profileren alleen door je kleding, zonder dat er iets achter schuil gaat. Maar via kleding en andere attributen kun je je identiteit benadrukken. Liever dan de mode te volgen, kun je in je eigen stijl tonen wie je bent. Je kunt daar maar beter over nadenken, want de omgeving zal via je kleding altijd een oordeel proberen te vormen over de naakte mens die eronder zit. (Mode, kleding, stijl en identiteit: over het kiezen van een winterjas)

7. Ga je voor kennis of voor macht? Schoonheid of waarheid?
Er zijn twee soorten schrijvers beweerde ik: zij die verlangen naar controle en daarom een romanwereld optrekken die zij als een God kunnen beheersen. En zij die schrijven om de wereld zoals die is te begrijpen. Dat is een fundamenteel verschil. Je kunt dit ook vertalen naar een meer algemene levenshouding. Ga je voor macht of voor kennis? Voor schoonheid of waarheid? En wat betekenen die begrippen dan? (Waarom schrijf je? Ga je voor kennis of macht?)

8. Wat is een mens?
Je kunt jezelf beschouwen als brein, als aap of als ziel: rationeel, emotioneel, spiritueel. Uitgaande van je genen, van je geschiedenis of van je ideeën. Nature of nurture, gegevenheden en mogelijkheden. Wat is het belangrijkst? (Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken)

9. Hoe is je houding tegenover tijd?
Alle filosofie is leren sterven… of: leren omgaan tijd. Je verhouding met de tijd bepaalt in hoge mate je houding tegenover jezelf. Tijd is natuurlijk ook een belangrijk verhaalelement. Wanneer is de tijd snel gegaan, waar ligt een breuk in de tijd? Ben je een laatbloeier, vroegwijs, vroegrijp. Is je levensverhaal een rechte lijn of misschien cyclisch? (Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven)

10. Het verhaal van het lichaam
Ik heb het hier niet vaak over de fysieke kant van het leven. Maar je bent natuurlijk een lichaam. Dat is ook een verhaal om te vertellen. (Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden)



Bookmark and Share
Comments

Afstand en aanwezigheid

albert_camus
'Haar ontbreekt zowel de afstand tot zichzelf als de aanwezigheid bij de anderen'. Een prachtige beschrijving van de moeder van Albert Camus, schrijver, filosoof, Nobelprijswinnaar, door Alain Finkielkraut in Een intelligent hart. Dat is een buitengewoon intelligent boek dat een blogje op zichzelf verdient. Maar eerst even over die zin, die mijn ogen minutenlang op de pagina vasthield.

'Afstand tot zichzelf en aanwezigheid bij anderen': het klinkt als een gevleugelde uitdrukking, die als je erover nadenkt eigenlijk best ingewikkeld is. Bij nader inzien beschrijft ze echter een streven voor wat de mens moet zijn. Camus' moeder was een dove analfabete, die precies deze twee eigenschappen miste. Dat betekent dat zij géén afstand tot zichzelf had. Ze viel volledig met zichzelf samen. Afstand tot jezelf vereist blijkbaar beheersing van taal. Het is wel voor te stellen als je denkt aan bijvoorbeeld dronkenschap: dan val je ook helemaal met jezelf samen en ben je nogal eens je verfijnde taalvermogen kwijt. De ervaring is dan niet-talig, krijgt geen gestalte in taal.

Zodra je je ervaring in taal gaat beschrijven, neem je er ook afstand van. Je trekt je terug uit die intense kern van beleving om er objectiverend iets van te zeggen. Goed. En die tweede eigenschap die Camus' moeder moet missen? Zij heeft géén 'aanwezigheid bij anderen'. Dat klinkt op het eerste gezicht verwarrend, want je zou bijna verwachten dat iemand die zo dicht bij zichzelf staat ook 'aanwezig bij anderen' zou zijn. Maar het probleem is dat ze niet dichtbij zichzelf staat, maar met zichzelf samenvalt. Je zou kunnen zeggen: er blijft niets over voor een ander.

Wat houdt dat eigenlijk in, aanwezig zijn bij anderen? Ik denk zoiets als aandacht hebben, oprechte interesse, luisteren naar, het levensverhaal van iemand kennen (en onthouden, vaak vergeten mensen dat cruciale punt. Vind ik.). Om dat te bereiken is afstand tot jezelf nodig, je moet jezelf naar de achtergrond kunnen dirigeren en je persoonlijke behoeftes tijdelijk uitschakelen. In dit geval niet om jezelf tot object van onderzoek te nemen, maar om de ander alle aandacht te geven die nodig is bij een betekenisvolle ontmoeting.

Die twee dingen: afstand tot jezelf en aanwezigheid bij anderen horen dus bij elkaar, maar zijn zeker niet hetzelfde. Beiden lijken echter te maken te hebben met wat reflectie is, of zou moeten zijn. Reflectie op jezelf, of een ander.

Die gevleugelde woorden riepen bij mij een ander 'motto' in herinnering, dat voor mij nog steeds het meest kernachtig uitdrukt waar je als mens naar moet streven. 'Een koud hoofd combineren met een warm hart.' (Overigens heb ik nooit de bron van dit motto kunnen terugvinden, ik meen alleen nog te weten dat ik het van een historische Duitser heb (zeventiende of achttiende eeuw). Op Google krijg ik alleen mezelf als bron en Job Cohen, die Rita Verdonk van het omgekeerde heeft beticht: een heet hoofd en een koel hart.)

Een koud hoofd: dat is afstand kunnen nemen tot jezelf, je losscheuren van je eigen persoonlijkheid, relativeren en reflecteren. Een warm hart: dat is aanwezig zijn bij anderen, emoties delen, medeleven tonen. Wat mij betreft twee zaken die bij elkaar een goed mens maken.

Arm moedertje Camus.



Bookmark and Share
Comments

Over Julian Assange. De man die de wereld verandert

assange
Julian Assange, oprichter van Wikileaks, gebruikt de hype in zijn strijd tegen machthebbers. Maar in de handen van diezelfde machthebbers wordt dat een wapen dat zich tegen hem zelf keert. Miriam Rasch analyseert in haar tweede column het fenomeen Assange en de relatie met het begrip mimetische begeerte.’

Over Julian Assange. De man die de wereld verandert, van Carsten Görig en Kathrin Nord (Lebowski). Lees verder op Humanistisch Verbond: De hype als boemerang

Eerder schreef ik over de documentaires Weapon Of War en Pray The Devil Back To Hell op de website van het Humanistisch Verbond: Het beeld van schuld, wroeging en vergeving



Bookmark and Share
Comments

We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers

barnes_frightened
Je leven begrijpen als een verhaal; toen ik daar voor het eerst over hoorde, was het wel een openbaring. Inmiddels ben ik een beetje aan het terugkomen op deze 'narratieve' filosofie. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is de narrative turn wel erg populair geworden. En daarnaast is het verhaal van het leven ook geen sluitend verhaal.

Om met het eerste te beginnen. Ik heb altijd een beetje last van recalcitrantie bij populaire zaken. Kinderachtig, ik weet het. Zodra iedereen ergens mee wegloopt, heb ik het alweer gehad. Toch schuilt er ook meer achter. Overal kun je tegenwoordig cursussen volgen om je levensverhaal op te tekenen of je familiegeschiedenis te schrijven. Het is te gemakkelijk geworden, te plat. Iedereen wil wel hoofdpersoon zijn in een unieke vertelling. Alle complexiteit van het concept wordt afgevlakt tot er een eenvoudige mal overblijft. Giet je leven erin en er komt een kunstzinnige creatie uit, je hebt je zin, een zinvol leven. Nee, zo werkt het niet.

Voor de echte duiding moet je dan toch bij de echte literatuur zijn. Ik lees nu Julian Barnes' boek over de dood - beter: over zijn doodsangst, Nothing To Be Frightened Of. Hij schrijft: 'what is useful to us generally conflicts with what is true'. True. Daarin ligt het vervelende van die narratieve levensopvatting: je kunt alles wel zo draaien dat het past in een lopend verhaal. Je maakt je ervaringen bruikbaar, maar of het ook recht doet aan de werkelijkheid? Vooruit, ik ben de eerste om toe te geven dat zoiets als de werkelijkheid ook volkomen onbetrouwbaar is. Maar er is een fine line tussen 'alles is perceptie' en regelrecht fabuleren.

Het gaat er ook niet om dat het verhaal te ver afdrijft van iets als waarheid. (Want wat is nou helemaal waarheid?) Eerder gaat het om de zelfverloochening die dan in het spel is. Denken in verhaallijnen ontneemt je het zicht op jezelf, op dat wat tegen je eigen vooroordelen ingaat. Barnes noemt ons dan ook 'onbetrouwbare vertellers'. True.

Ik schreef dat ik een beetje terugkom op de narratieve filosofie. Dat is niet helemaal waar, ik kom er niet op terug, maar ik denk dat je erdoorheen moet gaan. Het denken over jezelf in termen van hoofdpersonage in een verhaal dat zich in de loop van je leven ontvouwt, levert namelijk ook heus wel veel op. Door het verleden te analyseren, leer je de toekomst vorm te geven. Het losgeslagen projectiel kan zo een iets rechtere baan krijgen. Op die baan liggen obstakels, er zijn orkanen en je hebt al sinds je geboorte een afwijking naar links, maar toch.

Misschien is dat het leven: eerst lijkt alles een enorme chaos en denk je niet dat je ooit iemand zal worden met een interessant levensverhaal (of je denkt, dat komt vanzelf als ik ouder ben). Vervolgens drukt dat leven je met je neus op de feiten, die om je heen dwarrelen als de geldbiljetten in de windcabines van ouderwetse spelshows. Je kunt ze nooit allemaal te pakken krijgen, er nooit een nette rode draad doorheen rijgen. Als je dan maar besluit om te gaan zitten tot de wind is gaan liggen, heb je aan het eind helemaal niets. Ook geen lol in het spel.

Ik gebruik altijd een soortgelijke metafoor in erg turbulente tijden. Het voelt dan alsof er een wolk van ballonnen om je heen wordt opgelaten en je probeert ze allemaal vast te grijpen. Aan dunne touwtjes die bijna onzichtbaar zijn zweven ze steeds verder omhoog de lucht in, terwijl jij op de grond staat, op je tenen, te proberen ze allemaal te pakken. Als je er een hebt, laat je de ander weer los. En dat je denkt in metaforen is tegelijk een bewijs dat het leven wel degelijk een verhaal is.



Bookmark and Share
Comments

Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn

tijd
‘Objectieve tijd bestaat niet.’ Professor Maarten van Buuren zet in de eerste lezing in de serie Tijd meteen het publiek op scherp. Tijd bestaat niet als iets buiten de mens, want ‘tijd is een scheppende daad van ons bewustzijn’. Aan de hand van Augustinus, Husserl en Heidegger legt hij uit wat dit betekent voor de manier waarop wij in het leven staan.

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.

Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.

Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.

Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.

Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.

Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.

De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

Kierkegaard - Brieven: plan, geheim en misverstand

kierkegaard_brieven
'Niets brengt een mens zo tot ontwikkeling als het vasthouden aan een plan, tegen de hele wereld in. Zelfs als het iets slechts zou zijn, dan nog zou het een mens in hoge mate ontwikkelen.'

Søren Kierkegaard, Brieven, 31 oktober 1841

De opgave om een plan te trekken in het leven, een idee ten uitvoer te brengen, vasthoudend te zijn, komt in zoveel teksten terug, dat het haast wel waar moet zijn. Zo ook bij Kierkegaard, van wie ik de Nederlandse bloemlezing uit zijn Brieven lees. Tegelijk verklaart hij zich in deze brieven ook schatplichtig aan het misverstand. Nu zijn misverstanden inherent aan het brievenschrijven. Net als bij sms en e-mail gaat er in een papieren vriendschap nuance verloren. Brieven raken zoek of worden juist te haastig verstuurd zonder ze nog eens over te lezen.

Maar het misverstand betekent bij Kierkegaard meer. Het is een fundamentele gesteldheid van het menselijk verkeer - en in die zin besteedde ik er een flink deel aan van mijn afstudeeronderzoek voor de master Wijsbegeerte. Op zoek naar wat ik daar toentertijd ook alweer over beweerde, stuitte ik in mijn digitale bureaula op de introductie die ik schreef voor de verdediging van mijn scriptie. Omdat ik verbaasd was hoezeer die woorden uit 2005 nog steeds voor mij opgaan (want het is niet alleen een samenvatting van mijn onderzoek, maar ook van mijn levensovertuiging), en dus blijkbaar een plan vormen waar ik mij aan vasthoud (goed dan wel slecht), wat weer bovenstaand citaat illustreert - daarom hieronder een letterlijke kopie.

--

Het probleem dat ten grondslag ligt aan mijn onderzoek is de vraag hoe we kunnen begrijpen dat de mens vrij is, terwijl hij toch ook gebukt gaat onder de dingen die hem in de werkelijkheid, buiten zijn wil en buiten zijn macht om overkomen. Dit probleem is tevens het kernpunt van de tekst ‘Weerspiegeling’ uit Of/Of van Søren Kierkegaard. In dit stuk gaat het om het ‘ware tragische’. En dat is volgens Kierkegaard precies de samenkomst in de mens van vrijheid of subjectiviteit en gebondenheid, determinatie door de feitelijke werkelijkheid.
In de tekst wordt dit uitgewerkt aan de hand van de menselijke verhoudingen: het blijkt dat deze dubbelheid van de menselijke conditie pas echt problematisch wordt in de omgang met de ander. Het is een kennisprobleem: ik kan mezelf niet volledig doorgronden vanwege de duistere inwerking van de werkelijkheid op mijn leven. Daardoor kan ik ook niet de ander kennen, of uitleg geven aan de ander over mijn leven.

Kierkegaard symboliseert dit door ‘het geheim’. Het geheim is een concrete uitwerking van de kloof tussen mijn subjectiviteit, mijn idealiteit, iets wat helemaal van mij is, en de werkelijkheid van de andere mens die hier geen kennis van heeft. Maar een geheim is niet alleen iets van mijzelf: het wordt me gegeven door een ander ofwel de noodzaak tot geheimhouding wordt ingegeven door de ander, door de reacties van anderen. Het geheim is niet altijd een gegeven dat ikzelf wel ken en begrijp – het kan ook iets in mezelf zijn dat voor mezelf verborgen blijft, juist omdat het zo met de ander verbonden is. Dat helpt natuurlijk niet bij de omgang, want als ik mezelf niet volledig doorschouw, kan de ander het ook niet. Ik kán mezelf niet aan de ander openbaren.

Het misverstand is dan ook structureel in de relaties tussen mensen. Overigens wordt dat niet alleen maar als vervelend beschouwd, maar zelfs als wenselijk. Later zal duidelijk worden waarom.

Om dat echter te kunnen begrijpen was het nodig ook andere teksten van Kierkegaard in mijn onderzoek te betrekken. Uiteindelijk volg ik hem door de ethische levensfase en de religieuze levensfase heen om meer licht op dit punt te laten schijnen. Het blijkt mogelijk om een soort ‘oplossing’ te formuleren. Het geheim blijft een grote rol spelen, maar verandert van gedaante. Het is niet meer alleen op te vatten als een concreet feit dat ik verborgen houd voor de mensen om me heen, maar als iets fundamenteel menselijks. Het geheim, of misschien eerder het heimelijke, dat ook voor mezelf een geheim is en blijft, representeert dan ‘het andere’. In het religieuze verbindt Kierkegaard het andere aan de goddelijke oorsprong, maar we kunnen het ook op een seculiere manier begrijpen. Wat de gang door de andere teksten duidelijk heeft gemaakt is dat het tragische niet zozeer gelegen is in de kloof tussen mijzelf en de ander, de kloof die ontstaat omdat de ander mij niet zou kunnen begrijpen en ik een geheim voor hem bewaar.

Het tragische misverstand is precies de overtuiging dat ik als enige een geheim heb dat ondeelbaar is. ‘Het andere’ in de algemene zin is namelijk iets dat alle mensen delen. Ieder mens, kunnen we zeggen, is op een volstrekt eigen manier volstrekt anders – maar in het feit dat dat geldt voor ieder mens ligt toch een gemeenschappelijkheid besloten. Hoewel de tragische kloof tussen mijn subjectiviteit en de werkelijkheid, tussen mij en de ander, tussen de vrijheid en de gegevenheid dus zeker bestaat, betekent dat niet dat een gedeeld beleven daarvan onmogelijk is.

En daarin ligt denk ik een zinvolle manier om met dit probleem om te gaan. Het geheime of andere – dat dus in verband staat met het passief gebukt gaan onder gebeurtenissen die ons overkomen – is niet alleen maar iets negatiefs, maar bezit een openheid naar de andere mensen, en ook een zekere schoonheid. Bovendien is heeft het een oneindigheid, omdat het heimelijke karakter van het andere nooit onthuld kán worden, de sluiers kunnen nooit opgelicht worden. Het is daarom niet alleen zonde maar ook onzinnig om te streven naar een opheffing van die passieve lijdelijkheid.



Bookmark and Share
Comments

Georg Simmel - Metropolis. Leven in de grootstad

metropolis
Nadat mijn Heidegger-leesclub een vroege dood gestorven was, diende zich gelukkig al snel een ander gezelschap aan. Vorige week kwamen we voor het eerst bij elkaar. Het is geen leesclub rond één schrijver of filosoof, maar rond een thema: de stad. Het eerste wat we hebben gelezen: Metropolis (1903) van Georg Simmel (voor teksten zie hier).

Ik had nog nooit van de beste man gehoord. Reden temeer om hier een kort stukje over hem te schrijven. Simmel was een Duitse filosoof uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Nietzsche- en Kantkenner en een van de grondleggers van de sociologie. Metropolis geldt dan ook als verplichte kost voor sociologiestudenten. Simmel is een observator, een fenomenoloog avant la lettre. Zoals in Metropolis, waarin hij het leven in de grote stad beschrijft zonder daarbij van tevoren een waardering uit te spreken of een richting te kiezen. Daardoor is het stuk soms wat verwarrend: positieve en negatieve kwalificaties wisselen elkaar af, zonder dat Simmel daarin positie kiest. We moeten ook niet oordelen, maar begrijpen, zo eindigt Simmel het stuk.

Hoe leven mensen dan in de grootstad? En hoe leven ze met elkaar? Beschrijvingen van de individuele beleving en van de grote, maatschappelijke structuren wisselen elkaar af. Ze illustreren en verhelderen elkaar, als in een hermeneutische cirkel waarin het deel iets zegt over het geheel en het geheel over het deel. Zoals het een negentiende-eeuwse socioloog betaamt dus. Maar ook inhoudelijk blijkt de verhouding tussen deel en geheel, tussen individu en maatschappij de kern van het betoog te vormen. In de grote stad ben je één van velen. Op het platteland één van weinigen. Op het platteland kent iedereen je, zonder dat je daar moeite voor hoeft te doen. Sterker nog: je mag je niet onderscheiden, want daarmee val je buiten de groep. In de stad heb je juist een plicht om op te vallen.

Wat ik aardig vond aan Simmels stuk is de passage over specialisatie. We kennen allemaal het schrikbeeld van de marxistische vervreemding. Alle arbeiders verrichten nog maar zo'n klein, gespecialiseerd deeltje van het totale werkproces, dat ze totaal vervreemd raken van het geheel, van het eindproduct. Maar bij Simmel leidt specialisatie leidt niet per se of niet alleen tot vervreemding, maar ook tot individualiteit. Je moet je door specialisatie onderscheiden van alle anderen die hetzelfde kunnen als jij. Iets vinden wat alleen jij kunt aanbieden. Oftwel, op z'n eenentwintigste-eeuws: een unique selling point.

Simmel beschrijft een opeenvolging van stadia, die ook toepasbaar zijn op de ontwikkeling van de mensheid als geheel (opnieuw deel en geheel dus). Allereerst zijn er de kleine gemeenschappen waarin iedereen een vaste rol heeft, die op een hiërarchische manier geordend zijn. Hoe hoger in de hiërarchie je staat, hoe meer vrijheid je hebt. De minst vrije mens, bijvoorbeeld een kind, leeft in de kleinste, beperkte wereld (het gezin). Mannen (natuurlijk mannen) die in de geschiedenis iets groots hebben verricht, stonden allemaal juist in een veel groter, omspannend netwerk, bijvoorbeeld op staatsniveau.

Die kleine gemeenschappen bewegen in de richting van meer gelijkheid en nivellering van de hiërarchie. Het was het ideaal van de Franse Revolutie. De ideale mens was de algemene mens, weliswaar vrij, maar niet onderscheidend. Dat komt pas met de Romantiek. Dan wordt individualiteit het hoogste goed. Op zoek naar je unieke ik, de allerindividueelste emotie en gedachte.

De metropolis, zegt Simmel, is de plek waar deze verschillende tendensen tegen elkaar strijden. Met die aantekening dat de individualisering dus de sterkste tendens lijkt te zijn in de grootstad. Een beetje abstract wordt het dan. Maar de beweging richting vrijheid en individualisering die hij beschrijft, waarbij je een steeds groter verband moet opzoeken (oftewel uit de kleinere verbanden moet breken), vind ik een mooie.

Volgende keer gaan we Aantekeningen uit het ondergrondse van Dostojevski lezen. Uiteraard mijn keuze en uiteraard komt er dan ook hier iets over te lezen.



Bookmark and Share
Comments

Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken

swaab
In de kerstvakantie las ik drie boeken tegelijk. Dat is niet zo uitzonderlijk, maar de drie pasten wonderwel bij elkaar. De ene was Een tijd voor empathie van Frans de Waal, de andere Wij zijn ons brein van Dick Swaab en ten slotte Niets cadeau van Gerard Visser, waar ik al eerder over berichtte. De eerste twee las ik voor het werk - beide hoogleraren komen bij Studium Generale spreken - de laatste uit belangstelling voor een van 'de beste boeken van 2010' (eigenlijk verschenen in 2009). Gedurende mijn lectuur viel me echter op dat de drie eigenlijk rond dezelfde vraag cirkelen. Wat is de mens?

Wij zijn ons brein beschrijft de mens aan de hand van de hersenen. Swaab laat geen twijfel bestaan over zijn definitie van de mens. De inleiding opent: 'Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen. De bouw van deze fantastische machine bepaalt onze mogelijkheden, onze beperkingen en ons karakter; wij zijn onze hersenen.' Prima, denk je, daar valt niet aan te ontsnappen. Ook als ik iets voel - zeg, een gebroken hart - dan kan ik dat wel ergens in mijn borstkas lokaliseren, maar het voelen, de registratie van de geprikkelde zenuwen en de lokalisatie daarvan in de hartstreek, speelt zich allemaal in de hersenen af.

Zijn de hersenen, en is dus de mens die zijn hersenen is, daarmee ook een machine? Dat woord staat daar niet toevallig maar verwijst naar een van de hevigste discussies uit de filosofie, namelijk over lichaam en geest. Descartes zag het lichaam als een machine, bezield door de geest. Als de geest zoals Swaab beschrijft volledig is terug te voeren op het lichaam, maakt dat van de mens als geheel dan ook een machine? Maar kan een machine mogelijkheden voortbrengen? Is een mogelijkheid niet het tegendeel van iets mechanisch?

Dieren zouden volgens Descartes ook machines zijn. Frans de Waal beschrijft de mens vanuit zijn onderzoek naar dieren. Het gaat hem in Een tijd voor empathie om de biologische oorsprong van uitingen van hulp, troost, altruïsme en empathie. Ik zeg maar heel neutraal 'uitingen' want ook bij hem gaat het om lichamelijke reacties en niet om iets ondefinieerbaars als 'gevoelens'. Die lichamelijke reacties zijn in de evolutie voorgeprogrammeerd, zoals het brein dat ook is. Maar waar ligt de scheidslijn tussen een uiting en een gevoel? Ik vind het mooi dat De Waal het niet schuwt om te spreken over gevoelens bij dieren als hij vele ontroerende anekdotes opdist, bijvoorbeeld over een alfa-aap die een eendengezinnetje uit het water redt.

De mogelijkheden krijgen bij De Waal meer ruimte. Als we beschikken over de juiste informatie, kunnen we daar gebruik van maken, zegt hij. Door de nadruk te leggen op de empathische vermogens die we van nature hebben, die ontwikkeld zijn gedurende miljoenen jaren evolutie, is het mogelijk om het menselijke samenleven die kant op te sturen. Dat de mens een dier is, wordt meestal gezegd om de wrede en agressieve kant van de mens te beschrijven. Dat kan ook anders. Ik vraag me af wat Swaab daarvan vindt (misschien kan ik het hem vragen als hij bij Studium Generale komt).

Zo is de scheiding tussen lichaam en geest en die tussen mens en dier weggeschreven. En ook de scheiding tussen nature en nurture. Wat is aangeboren en wat is aangeleerd? Bij het lezen van Wij zijn ons brein leek me dat opeens een onzinnige vraag. Het karakter is voorgeprogrammeerd in de hersenen, niet alleen door de genen die je meekrijgt, maar ook door wat er in de baarmoeder gebeurt. Opvoeders hebben echter ook een karakter - dat bepaalt toch juist hoe zijn hun nageslacht opvoeden. Opvoeding en brein vallen samen.

Ook Gerard Visser gaat in Niets cadeau, een filosofisch essay over de ziel uit van de eenheid van lichaam en geest. Sterker nog, hij vertrekt vanuit de lichamelijke ervaring, die nergens en overal gelokaliseerd is. Ongeveer, zo stel ik me voor, zoals ook dieren de wereld ervaren. Als een uitgestrektheid die in haar totaliteit tot je komt, een openheid zwanger van mogelijkheden. Hij geeft het voorbeeld van een hond die aan je been snuffelt. Je denkt niet na over wat er gebeurt, hoeft zelfs niet naar beneden te kijken om te constateren dat het om een hond gaat. Je voelt direct een reactie die zowel lichamelijk als geestelijk is: genegenheid, angst, ergernis of wat dan ook.

Hoe komt die ervaring tot stand? Via de machine van de hersenen, uit een oeroud evolutionair instinct of ligt daarin iets als een ziel verborgen? Opnieuw gaat het hier om mogelijkheden. De ziel - en nu zeg ik het in mijn eigen woorden - is een optelsom van gerealiseerde mogelijkheden. Én je verhouding tot nog openstaande mogelijkheden. Eigenlijk staan zelfs gerealiseerde mogelijkheden nog open, want ook met het verleden sta je in een dynamische verhouding die kan veranderen. Nog een grens geslecht. Het antwoord van Visser op de vraag 'Wat is een mens?' is een nieuwe vraag: 'Wie is de mens?' Een mens is geen wat maar een wie.

Hoe hier een einde aan te breien? Niet, denk ik. De drie boeken zijn de punten van een driehoek en ergens daarbinnen zit de mens gevangen. Je bent je brein, een zeer complexe machine die onderhevig is aan allerlei controleerbare en oncontroleerbare invloeden. Je bent een dier, waarin rare evolutionaire overblijfselen huizen. En je bent een 'wie', die van niets iets kan maken.



Bookmark and Share
Comments

Vrijheid en noodzakelijkheid voor iedereen

niets_cadeau
Vrijheid en noodzakelijkheid: twee kernbegrippen in de filosofie. Je zou de hele geschiedenis van de wijsbegeerte kunnen beschrijven aan de hand van de vraag of we een vrije wil hebben, wat de mens 'beweegt' en of je daar invloed op hebt. De meest ingewikkelde filosofische theorieën hangen met dit begrippenpaar samen. De mooiste momenten zijn wanneer je zo'n complexe problematiek opeens kunt voelen, op een heel simpele manier. Zo'n moment had ik bij het lezen van Niets cadeau van Gerard Visser, een 'filosofisch essay over de ziel'.

Daarin gaat het niet over de meest eenvoudige materie. De ziel is een besmet begrip in de filosofie en dan onderzoekt hij het ook nog aan de hand van moeilijke Duitsers als Wilhelm Dilthey en Heidegger. Wat de ziel is, hangt samen met de vraag naar vrijheid en noodzakelijkheid. Als je uitgaat van het bestaan van de ziel, zit daar meteen een zekere noodzakelijkheid in: je hebt hem en je hebt het er ook maar mee te doen. Maar zonder dat je er in vrijheid ook daadwerkelijk iets mee doet, blijft de ziel… zielloos.

Visser maakt dat in een passage over Kierkegaard en Heidegger invoelbaar en voor iedereen begrijpelijk. Kierkegaard schrijft uiteindelijk steeds naar het religieuze toe. Hij stelt: 'Ik ben een christen.' Om te vervolgen: 'Bén ik een christen?' Heidegger breidt deze gedachtegang uit. Hij zegt: 'Ik ben er.' En vraagt: 'Bén ik er?'

Dat is allemaal nog erg abstract. Visser laat echter zien hoe dit verder door kan werken. Je kunt namelijk van alles invullen in de twee zinnetjes. Zelf schrijft hij: 'Ik ben vader van mijn kinderen.' Duidelijk. Maar: 'Bén ik vader?' Dat kan iedereen zelf uitproberen. 'Ik ben…' 'Bén ik…?' Als het goed is voel je de filosofie knarsend in werking treden.

Visser schrijft: 'Die vraag, die een feitelijke stand van zaken op slag verandert in de mogelijkheid die zij existentieel gezien is, staat voorop. Zij kan zich tot op mijn sterfbed blijven aandienen.'

Wat betekent dat precies? Dat laatste geeft aan dat het in de filosofie van Heidegger steeds uitloopt op je verhouding tot de dood. Het is de dood die maakt dat we onszelf dit soort vragen stellen. De dood is daarmee het punt geworden waarin het leven samenbalt, een soort prisma waarin het leven is gevangen maar ook naar alle kanten uitstraalt. Pas op het sterfbed eindigt de zingeving van het leven, de vraag 'Bén ik' blijft zich tot dat moment steeds weer aandienen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat je tussendoor die vraag niet ook over andere dingen mag stellen, als een soort deelonderzoekjes binnen het grote geheel.

'Ik ben blogger.' 'Bén ik een blogger?' De omkering opent een scala aan vragen, waarden, aannames, twijfels, mogelijkheden. Van een 'feitelijke stand van zaken' - inderdaad, ik hou een weblog bij, dus ik ben blogger, klaar over en uit, zaak gesloten - ga ik over naar 'de mogelijkheid die zij existentieel gezien is' - de zaak is heropend. Met andere woorden: noodzakelijkheid verandert in vrijheid.

Van hieruit kun je verder redeneren over wát zich in deze vrijheid openbaart (de ziel?), en of de 'existentiële mogelijkheid' al dan niet een opdracht of verplichting met zich meebrengt. Wat je daar verder ook van maakt, om de vraag 'Bén ik…?' kan niemand heen. Dat is een soort philosophy for the millions. Mooi.



Bookmark and Share
Comments

Peter Sloterdijk - Filosofische temperamenten

Filosofische temperamenten van Peter Sloterdijk stond op mijn lijstje van boeken waar ik naar uitzag. 'Van Plato tot Foucault' is de ondertitel van het boekje; negentien hoofdstukjes in 175 pagina's, daar houd ik van. Kennismaken met een van de grote nog levende filosofen aan de hand van een beknopt overzicht van dode filosofen, dat leek me wel wat. Van Sloterdijk had ik nog nooit iets gelezen. Natuurlijk verwachtte ik geen schoolse inleiding in de filosofie, dan kies je niet een boek van Sloterdijk. Nee, ik wilde juist ook iets van hem te weten komen.

Het begint veelbelovend. In het 'Woord vooraf' beschrijft hij filosofie 'als denkwijze, en in het verlengde daarvan als levenswijze'. Eens. Sloterdijk presenteert daarom 'een galerij van karakterstudies en intellectuele portretten', met als achterliggende gedachte: 'wat voor filosofie je kiest, hangt af van de vraag wat voor mens je bent.' We hebben dus leven, karakter en mens als de zijden van een driehoek waarlangs het licht van de filosofie breekt. Muziek in mijn oren.

De uitwerking valt echter tegen. Ik zit heus niet te wachten op biografische schetsjes of sappige anekdotes. Ik houd van woorden die ik nog niet ken en daarvan staan er in Filosofische temperamenten genoeg. Maar ik word uit deze teksten niet wijs. In sommige stukken krijg je wel een idee van een 'intellectueel portret', zoals in het eerste stuk over Plato waarin de oervader wordt neergezet als een man van de ‚mensendressuur’, die steeds het verband legt tussen persoonlijke en openbare orde. Het is de opgave van elk mens om zich tot zo'n 'innerlijke vrede' te ontwikkelen, zodat de 'uiterlijke vrede' vanzelf kan volgen.

Of deze, over Aristoteles: 'Toen Aristoteles in zijn Metafysica de zin opschreef dat alle mensen van nature naar kennis streven, veralgemeniseerde hij wat voor hem een permanente persoonlijke ervaring was tot een antropologische stelling.' Dat is klare taal, hier toont Sloterdijk aan wat hij in het voorwoord poneert, dat filosofie een levenswijze is. Met dat soort karakteriseringen in de hand kan de lezer nagaan wat het beste past bij zijn eigen intellectuele portret.

Vanaf Leibniz verloor ik echter mijn concentratie. Ik had het hoofdstukje over Leibniz uit en zag noch een mens voor me, noch een denkwijze. Ook na terugbladeren is me niet duidelijk geworden wat de compositie of kleurstelling van dit portret was. Nog steeds denk ik bij Leibniz alleen aan die vreemde kwibus die deze wereld de best mogelijke van alle werelden vond. Dat wat ik in een ver verleden uit de schoolse inleiding heb opgepikt dus.

De portretten van hoogst interessante figuren als Kierkegaard (mijn afstudeerobject) of Wittgenstein (die nog altijd in mijn kast stof staat te vergaren), lijken op die in slechtbezochte musea: verborgen in de schaduwen van de tijd, bloedeloos en grauw.

Het boek is een verzameling inleidingen bij heruitgaven van de belangrijkste teksten van deze grote filosofen. Wat moeten we daarvan denken? Voor welk publiek is dit bedoeld? Een weinig filosofische vraag misschien, maar een die zich toch sterk opdringt. Een geïnteresseerde leek zal waarschijnlijk niet zo snel het verzameld werk van Fichte of Husserl oppakken. En als hij dat al doet, ben ik bang dat na het lezen van de korte inleiding van Sloterdijk - zelfs al beslaat die in sommige gevallen niet meer dan drie pagina's - de moed om aan het echte werk te beginnen hem in de schoenen is gezonken.

Misschien is de echte vraag wel wat voor 'denkwijze, en in het verlengde daarvan levenswijze' van de schrijver hieruit spreekt. Is het mogelijk een portret van Sloterdijk zelf te schilderen? Ik geef hem het voordeel van de twijfel en maak ervan dat hij een filosoof is die niet over andere filosofen moet schrijven, maar die je uit eerste hand moet leren kennen.



Bookmark and Share
Comments

Richard Sennett: verhaal zonder ontknoping

Maar als je een gewone werknemer bent, moet je je stem vinden. Dan moet je, zoals onze voorvaders uit de Renaissance, principes van continuïteit en eenheid vinden in de manier waarop je je concrete ervaring vertelt.

'Stem' is zowel een persoonlijk als een sociaal vraagstuk. Fragmentarische ervaringen in de tijd bijeenhouden vereist het vermogen een stap terug te doen van de verwondende of desoriënterende macht van iedere gebeurtenis. Je stem vinden vereist het nemen van enige distantie ten opzichte van het onmiddellijke. Louter uitlevering aan het ogenblik verzwakt je stem.

(…)

Als ik een kenmerk moest noemen van die dragende, verschillen registrerende stem, dan is dat het afwijzen van het zoeken naar een ontknoping in iemands eigen levensverhaal. Er is continuïteit aangebracht, die de verschillende gebeurtenissen door omvang en context met elkaar verbindt, maar de persoon wiens stem mondig is geworden, verwacht geen catharsis, geen plotselinge, verblindende openbaring van heelheid.

(…)

Op dezelfde manier vereist een humane zienswijze ook nu de omarming van het toeval en de breuk. Humanisme verwijst deels naar het besluit van het zelf om continuïteiten te maken van die slecht passende stukjes ervaring, door er zowel in als buiten te staan.

Richard Sennett in De Groene Amsterdammer, 'De mens als werk in uitvoering' (25 november 2010, 134/47)



Bookmark and Share
Comments

Tijd

Ik pas op het huis van iemand die zichzelf wil vinden ergens in diep donker Afrika. Best een mooie flat, maar wel enigszins studentikoos. Al na één dag miste ik allerlei zaken waar je niet bij stil staat dat je ze nodig hebt. Olijfolie. Citroensap uit een flesje. Maar ook: een keukendoek, een puntenslijper, een verlengsnoer. Een diep bord. In het keukenkastje vond ik een bonte stapel borden, geen twee dezelfde, maar allemaal net een maatje te klein.

Ik zat op de leren tweezitsbank die schuilging onder een Mexicaanse geweven doek en voelde me vijf jaar terug de tijd in gekatapulteerd. Het zette me aan het denken over alle spullen die ik om me heen heb verzameld. Als een vogel die een nest bouwt en altijd wel nóg een mooie tak kwijt kan of dat hemelsblauwe stukje plastic niet kan laten liggen. En zoveel spullen heb ik niet eens, mijn achthonderd boeken daargelaten. Olijfolie en een puntenslijper – het is ook maar wat je spullen noemt.

Ik probeerde me voor geest te halen hoe het vroeger was, vóór het nest vol spullen. Wat deed ik ook alweer? Oh ja, ik behaalde mijn masterdiploma in de Wijsbegeerte, bijna op de dag af vijf jaar geleden. Misschien kwam het doordat ik in een vreemd huis op een vreemde bank zat, dat het leek alsof ik terugdacht aan het leven van een vreemde. En vier jaar geleden? vroeg ik die vreemde. Drie? Twee? Een?

Op de allerkleinste natuurkundige schaal kan een deeltje op twee plaatsen tegelijk zijn. Tijd, zoals we die gewoon zijn te meten en te gebruiken, geldt daar niet. Teruggaan naar het verleden of reizen naar de toekomst is vooralsnog niet mogelijk, verzekeren de geleerden. Dat een deeltje tegelijkertijd op twee plaatsen kan zijn is ook al wonderlijk genoeg. Als je erover nadenkt, voel je je hersenen protesteren.

Hoewel, in de kunst is het nooit een punt geweest. Beschreef Proust niet precies de ervaring van op twee plaatsen tegelijkertijd zijn? In het heden van Parijs en in de onsterfelijke herinnering aan Venetië, dat in lichaam en geest tot leven komt? Tijdreizen is in Hollywood al jaren mogelijk. Sciencefiction vormt een genre op zich.

Ik denk aan die vreemde die ik ben over één jaar, twee, drie, vier. Welke spullen heb ik dan? Ben ik dan misschien op zoek naar mezelf in donker Afrika? Kon ik de vijf jaar van het korte verleden nog betrekkelijk makkelijk reconstrueren, met de vijf jaren die voor me liggen is dat een stuk lastiger. Ik troost me met de gedachte dat zelfs Proust de toekomst niet kon evoceren, net zomin als de kwantumtheorie haar kan voorspellen. Komt vanzelf goed, over een jaar of vijf.

[Dit is mijn laatste column voor More (86, november 2010). Kijk ook op www.thomasmore.nl]
Lees hier de andere columns die ik schreef voor More



Bookmark and Share
Comments

Hoe onzichtbare factoren je leven sturen: zenuwen, kleding, taal

Hoe het fictieve reëel wordt (je kunt ook zeggen, hoe het immateriële en materiële in elkaar doorwerken), doordat de meest uiteenlopende factoren invloed uitoefenen op het leven - dat is toch wel een van mijn grote fascinaties. Hoe kan het dat romans, producten van de fantasie die alleen bestaan uit inkt op papier, de lezer laten huilen? Hoe kan een dode filosoof via zijn boeken levens veranderen? Hoe kan het aantrekken van een leren jas een andere persoonlijkheid onthullen? Hoe kan een droom die je vergeten was je overdag een bepaalde richting opsturen? Lang geleden schreef ik al dat dit niet een thema of fascinatie is, maar een blik op de wereld. 'Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt.' Chemische reacties - dat blijft vooralsnog de beste metafoor voor dit weefwerk van fictie en realiteit. De laatste weken achtervolgen de chemische reacties me weer in allerlei gestalten.

Zo ben ik bezig in een boeiende studie naar melancholie, door de Zweedse Karin Johannisson: De kamers van de melancholie. Hoe verandert melancholie - een soort vergaarbak voor allerlei stemmingen - door de tijd heen, vraagt zij. En vooral: waarom? Wat zijn de historische en culturele redenen dat melancholie op een bepaald moment in de tijd op een specifieke manier wordt ingevuld? Neem nu nervositeit. Door het uitvinden van het 'concept' van het zenuwstelsel gingen mensen last krijgen van hun zenuwen en zich ernaar gedragen. Ze werden nerveus, soms tot in het ziekelijke.

Veranderingen in beschrijving van het lichaam veranderen dus ook de ervaring van dat lichaam. Dat hoor je ook wel over ziektes als anorexia en ADHD. Johannisonn argumenteert nog verder. Het gaat haar niet alleen om medische beschrijvingen, maar ook om sociale beeldvorming - die een soort impliciete beschrijving is. Neem opnieuw het zenuwstelsel. Eind achttiende eeuw was het bon ton om last te hebben van je zenuwen. Een verfijnd zenuwstelsel was een kenmerk van de elite en stond in direct verband met een verfijnde smaak. Dat gold zowel voor mannen als vrouwen. Die kwamen samen in de salons om elkaar voor te lezen uit Julie van Rousseau (of onze Nederlandse evenknie Julia van Rhijnvis Feith) en daarbij tranen te plengen. Mocht ook midden op straat, als je een langgemiste vriend tegenkwam, zelfs had dat 'lang' maar een uur geduurd.

Was dat allemaal toneel? Natuurlijk niet en natuurlijk wel. Die dames en heren kenden de conventies door en door, wisten op welke manier je een zakdoek naar je betraande oog moest brengen, hoe hard je mocht snikken zonder over te gaan op snotteren. Maar dat zegt niets over het gevoel erachter, dat evengoed 'echt' was en soms ook een last. Met de overgang naar de negentiende eeuw raakte de sleet in het sentimentalisme en in de loop van de tijd werd een grote gevoeligheid juist een teken van zwakte - behorend tot de lagere klassen of gewoon tot de vrouw. Iets om je voor te schamen in elk geval. Johannisonn beschrijft hoe beheersing in de mode begon te raken, wat weer zijn eigen kwaaltjes met zich meebrengt. Lichamelijke ervaringen, culturele codes, geneeskunde, literatuur en geestelijk welbevinden hangen allemaal samen.

Ook kleding, toch een materieel siersel, heeft invloed op je lichamelijke ervaringen en hoe je daar weer psychisch tegenover staat. Niet zo lang geleden schreef ik daar nog over, en onlangs stond een interessant artikel in De Groene Amsterdammer dat dit idee op een extreme manier bevestigde. Twee Deense filmmakers vertellen over hun documentaire Armadillo, die ze draaiden bij de Deense troepenmacht in Afghanistan.

'Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervoer dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.'

Het is dat zij niet net als de 'echte' soldaten ook een geweer in hun handen hadden, anders waren ze wel mee gaan schieten, zo moet je concluderen na lezing van het artikel. Het is een extreem voorbeeld van wat in het dagelijks leven ook voortdurend gebeurt als je 's ochtends je kleren aantrekt.

Taal is dan nog niet genoemd. De manier waarop taal de werkelijkheid niet alleen beschrijft maar ook vormt is een bekend gegeven, ook in meer extreme voorbeelden. Zie bijvoorbeeld het artikel over de taal van Geert Wilders, Taal is niet stom, met de veelzeggende ondertitel 'De grenzen van de grote mond. Woorden kunnen daden zijn.' Maar ook hier geldt dat het mechanisme in het dagelijks leven, zonder grote mond, al van toepassing is. Hoort dus ook in het rijtje thuis. In NRC Handelsblad las ik over het gebruik van metaforen, die een basis hebben in de lichamelijke ervaring. Wat denk je hiervan?

'In het Fins en in sommige Inuïttalen, schrijft IJzerman in zijn proefschrift, ontbreekt bijvoorbeeld de metafoor van warmte voor liefde en vriendschap. Dat komt, denkt hij, doordat temperatuur in extreem koude gebieden zo met overleving samenhangt, dat ze het woord daarvoor exclusief willen houden. "Warmte" is te belangrijk om uit te lenen aan andere domeinen.' (Denken met je lichaam)

Ik denk dat opmerkzaamheid op dit soort invloeden heel belangrijk is als je iets van het leven wilt begrijpen. Zeker omdat dit alles in relatie staat tot de autonomie. Weinig mensen zullen beweren dat ze geheel autonoom in het leven staan, vrij van elke invloed en los van alles en iedereen. Toch denk je bij beperkingen van je autonomie eerder aan grote zaken als religie of de maatschappelijke status van je ouders, die je toevallig bij je geboorte meekrijgt. Maar die speelt ook 's ochtends voor de kledingkast, in de metaforen die je gebruikt, de manier waarop je je geliefde aanspreekt, hoe je huilt, hoe je melancholie ervaart. Zolang je je daar niet van bewust bent, zullen al die invloeden inderdaad je autonomie beperken. Er is echter een wereld te winnen door die invloeden bewust te gebruiken en daarmee je autonomie juist te vergroten.



Bookmark and Share
Comments

Frank Meester - Zie mij. Filosofie van de ijdelheid

Zie mij
Waarom streven we naar succes? Waarom willen we er mooi uitzien? Omdat we ijdel zijn, aldus Frank Meester in Zie mij, zijn 'filosofie van de ijdelheid'. IJdelheid is een deugd, zegt hij, net als moed en eerlijkheid. Toch staat ijdelheid te boek als een slechte eigenschap, een zonde zelfs.

Dat is onterecht, aldus Meester. IJdelheid doet ons niet alleen streven naar succes en een mooi uiterlijk. Waarom hebben we succes en waarom zien we er mooi uit? Omdat we ijdel zijn. IJdelheid brengt dingen tot stand - positieve dingen - die anders niet zouden gebeuren. Het is daarmee een drijvende kracht bij het realiseren van je dromen, waarmee de wereld steeds een stukje beter wordt.

Lees verder op 8WEEKLY: Egostreling voor de ijdele mens

Of lees verder op dit blog:



Bookmark and Share
Comments

Voorbeeldfiguren: Arnon Grunberg en Jack White

Bewondering is een van de mooiste dingen die er is, maar helaas bewondert men maar weinig. In coachtermen: het is een vaardigheid die weinig mensen actief beheersen. (Ik schreef al eerder over de vreemde (Nederlandse) opvatting dat bewondering ongepast is, zie De ziekte van de bewondering.) Als je niemand bewondert, dan leef je niet. Bewondering is de eerste stap naar zelfverwerkelijking. Want het mag dan lijken dat je met testjes en vragenlijsten erachter kunt komen wie je bent en wie je wilt worden, maar pas door je te spiegelen aan een ander, leer je echt iets over je 'persoonlijke waarden'.

Ik bewonder best veel mensen, maar er zijn er maar een paar die ik echt een voorbeeldfiguur zou noemen. Twee daarvan: Arnon Grunberg, schrijver en Jack White, muzikant. Welke betekenis of waarde representeren zij dan voor mij? Eerst maar eens zien of die twee iets gemeenschappelijks hebben. Of beter gezegd: of er een gemene deler is die mij aanspreekt. En stemt die dan overeen met het statische rijtje waarden dat ik eergisteren had achterhaald? (Authenticiteit, humor, intellectuele bevlogenheid, erkenning en ontwikkeling.) Ja en nee.

Als ik denk aan Arnon Grunberg en Jack White, valt me meteen op hoeveel ze op elkaar lijken. Voor míj lijken ze op elkaar, voor iemand anders kunnen ze waarschijnlijk niet meer verschillend zijn. Dat komt omdat ik bepaalde kwaliteiten waardeer, die niet iedereen voorop zet en die misschien niet eens iedereen herkent. (Ik denk dat dit wel een goede methode is om de belangrijke waarden te achterhalen: door twee voorbeeldfiguren te nemen en te zien waar ze overeenstemmen, in jouw interpretatie.)

Goed. Wat mag het dan wel zijn? Eigenzinnigheid is het woord dat in me opkomt. Maar dat klinkt te slap. Schaamteloosheid, dat is beter. En dan niet schaamteloos in de zin van 'zet zichzelf constant voor aap', maar in de zin van 'geen last hebbend van schaamte'. (Of het zo is, weet ik natuurlijk niet, maar ik zie hen zo.) Wat hiermee samenhangt is dat ze niets ontziend zijn, zwart en duister. Niks geen doekje tegen het bloeden, laat die wond maar lekker open zodat de pijn zichtbaar is en voelbaar wordt.

Dit kan misschien nog verbonden worden met de authenticiteit uit mijn eigen rijtje. Maar dat is dan wel een heel specifiek soort authenticiteit, rauw en realistisch. De volgende eigenschap die ik aan beide figuren toeschrijf, is echter niet op te hangen aan een van mijn vijf waarden. Dat is namelijk productiviteit, een sense of urgency. Wat ik bewonder is de gigantische energie en de enorme output die dat oplevert. Het nooit genoeg vinden, altijd door willen, dat herken ik wel. Maar ik zie het eerder als een gegevenheid. Interessant om het ook als een waarde te beschouwen: dan wordt het opeens iets wat je bewust kunt inzetten en gebruiken, zelfs verbeteren.

En hoe zit het met de andere waarden uit mijn rijtje? Intellectuele bevlogenheid: ja, dat hebben ze wel. Humor? Ja hoor, maar gek genoeg is dat het laatste waar ik aan denk als het gaat om voer voor mijn bewondering. Natuurlijk, ik vind Grunberg grappig (het gebeurt niet vaak dat ik hardop zit te grinniken bij een boek, zoals nu met Grunbergs recent verschenen roman Huid en haar), maar het is niet waarom ik hem als voorbeeldfiguur zou zien. Dat is eerder het tegenovergestelde: de volstrekte zwartgalligheid, niets ontziende eerlijkheid, het openleggen van de rauwe wond in het bestaan.

Dan is er nog de waarde van erkenning, tja, die hebben zij al. En ontwikkeling lijkt ook niet echt van toepassing. Opeens daagt het me: het gaat om het verband tussen de waarden, zoals het in een biografie ook gaat om het patroon dat levensfeiten vormen. Authenticiteit is het doel. Productiviteit is de weg. Ontwikkeling is nodig om er te komen. Intellectuele bevlogenheid zorgt voor de inhoud. Erkenning is de bevestiging van de buitenwereld. En humor? Dat is wat ik zelf inbreng. Zo bezien is het niet zo gek dat ik dit laatste het allerbelangrijkste vind.



Bookmark and Share
Comments

Persoonlijke waarden: wat heb je eraan?

persoonlijke_kracht
Hoe te leven? Niemand die het weet, maar een goed voorbeeld kan inspiratie geven. Naar aanleiding van de lezing van Joachim Duyndam over voorbeeldfiguren ging ik nadenken over wie voor mij als voorbeeldfiguur geldt. En belangrijker nog: waarom. Want de waarde die zo'n figuur representeert is een waarde die leidend voor je is. De 'persoonlijke waarden' zongen sowieso al door mijn hoofd na het coachgesprek van vorige week en de opdracht die ik toegestuurd kreeg, bedoeld om mijn persoonlijke waarden te achterhalen.

Door uit te gaan van een situatie waarin je gelukkig was, en ongelukkig, door te kijken naar wat je bewondert in anderen en nog zo wat vragen, ontstaat er in die opdracht een rijtje van vijf waarden. Prima, maar wat moet je ermee? Wat voor situatie kies je en wie zijn in hemelsnaam die anderen? Ieder werkend mens reutelt zonder moeite een paar van die woorden eruit, in mijn geval: authenticiteit, humor, intellectuele bevlogenheid, erkenning en ontwikkeling. Nogmaals: prima, maar wat moet je ermee?

Op de fiets gingen mijn pas ontdekte persoonlijke waarden in mijn hoofd een gesprek aan. Humor en intellect bijvoorbeeld, betekenen die twee samen niet dat ik grappen maak ten koste van de domheid van anderen? Ik hou niet van komedie, kan niet lachen om cabaret. Wil ik niet vooral ad rem en scherp zijn, mensen verbluffen met mijn snelle geest, als beoefenaar van de Aristotelisch deugd eutrapeleia? (Ziet u wel hoe slim ik ben?)

Op de workshop 'Persoonlijke kracht’ die ik vorige week volgde, ging het ook al over waarden. Als afsluiting moest iedere deelnemer een van haar persoonlijke waarden hardop uitspreken. Ik was als een van de laatsten aan de beurt. Iedereen keek me verwachtingsvol aan. 'Ik ben…' ik aarzelde, alsof ik niet durfde. 'Ik heb… best wel een beetje, misschien, humor.' Iedereen lachte. Bewijs geleverd. Maar bewijs waarvan?

En dan die authenticiteit en de behoefte aan erkenning: dat slaat natuurlijk nergens op. Als je authentiek bent, heb je de bevestiging van anderen toch niet nodig. Trouwens, is authenticiteit niet een achterhaald begrip, uitgesleten door overgebruik en besmet door misbruik? Laat staan ontwikkeling. Lekker origineel ook, zich ontwikkelen wil iedereen wel. Ja maar, bracht ik in, het gaat me niet om verticale ontwikkeling, steeds meer en steeds beter, maar horizontaal. Het gaat me er om de fundamentele onzekerheid te omarmen, het toeval af te buigen in mijn richting, nooit iets zeker te weten, zelfs niet wie ik ben. Maar hoe kun je dan authentiek zijn? vroeg de stem in mijn hoofd snedig, en een beetje vals.

Hoewel dit gesprek in mijn hoofd me niet veel verder bracht, ben ik er toch wijzer van geworden, wijzer in elk geval dan het statische rijtje op het coachformulier. Ik dacht aan Hans Goedkoop, die in zijn lezing het verhaal het allerbelangrijkste middel noemde om een leven te begrijpen. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn. De waarden krijgen pas betekenis in een verhaal, als je laat zien hoe ze botsen op de werkelijkheid, of hoe ze als een Lebenslüge fungeren, zonder ooit echt te worden.

Ook de voorbeeldfiguren van Duyndam spreken tot je door verhalen, in romans of in het verhaal van jouw leven en de mensen om je heen en in de wijde wereld. Het statische rijtje waarden leeft niet en is dat niet precies dat de vraag waar het mee begint… hoe moet ik leven?

Over twee van mijn voorbeeldfiguren - Jack White en Arnon Grunberg - en hoe zij waarden belichamen en concreet maken, zal ik het morgen overmorgen hebben.



Bookmark and Share
Comments

Leesclubjes die het leven veranderen

lezen
'Het Veranderen van Levens door Literatuur': dat is de ietwat prozaïsche titel van een Amerikaanse cursus voor misdadigers. Ze krijgen als straf een leesclubje opgelegd door de rechter. En zowaar, het lezen van literatuur in groepsverband werkt, zo blijkt uit een artikel in Trouw (niet online beschikbaar, maar de cursus heeft een eigen site: Changing Lives Through Literature).

Wat is het idee? Veroordeelden maken via literatuur kennis met 'gecompliceerde karakters'. 'Ze zien hoe complex het menselijk leven kan zijn, dat mensen niet of goed of slecht zijn. Deelnemers herkennen zich in karakters en beseffen dat hun worstelingen niet uniek zijn.' Een van de deelnemers die was afgekickt kwam in de verleiding weer een shot te nemen, maar werd daarvan afgehouden doordat hij dacht aan Hemingways The Old Man And The Sea.

Ik zit tegenwoordig in ook in een leesclubje. Vrijwillig. We lezen Zijn en tijd van Heidegger. Gelukkig is er een leeswijzer om je te helpen dat notoir onleesbare boek te doorgronden. Waarom zou je onleesbare boeken willen lezen van filosofen die elk woord in een andere dan de gangbare betekenis gebruiken? De leeswijzer opent met een verwijzing naar filosoof Cornelis Verhoeven, die hier een antwoord op heeft geformuleerd:

'Misschien is filosofie wel iets dat ons op een bepaald moment overkomt of overvalt en waar wij nogal passief tegenover staan, bijvoorbeeld een plotselinge breuk in de vanzelfsprekendheid van ons bestaan tot nu toe.'

Dat lijkt me ook van toepassing op de veroordeelden die voor straf Hemingway bestuderen. Een breuk in de vanzelfsprekendheid van hun (criminele) bestaan: ze zijn opgepakt en voor de rechter verschenen. Verhoeven geeft aan dat zo'n moment je vatbaar maakt voor filosofie - wat ik zou willen uitbreiden met literatuur. De cursus laat zien waarom dat zo is: filosofie en literatuur kunnen je leven op zo'n moment veranderen, juist omdat je er vatbaar voor bent.

Ik schreef al eerder over Hans Goedkoop en zijn boek Een verhaal dat het leven moet veranderen. Dat levert weer een ander perspectief, namelijk van de recensent. Goede boeken zijn die boeken, die op een breukmoment (op z'n existentialistisch: grenssituatie) je leven kunnen veranderen. Ethiek en literatuur schurken hier heel dicht tegen elkaar aan. Kan een boek je leven ook ten slechte veranderen? Of activeert het alleen iets wat al aanwezig was? Het leren kennen en waarderen van complexiteit lijkt in zichzelf al een positieve waardering te hebben.

Dat is in elk geval wel wat Martha Nussbaum beweert, een filosofe die ik hogelijk bewonder omdat zij onder woorden brengt waarom mensen lezen, hoe het hun leven verandert - ten goede. Als lezer heb je een persoonlijke verstandhouding met het boek dat je leest. Juist die persoonlijke insteek maakt het moeilijk om er iets zinnigs over te zeggen. Hoe breng je onder woorden wat het boek met je doet, op een manier die ook voor anderen interessant is? Hoe verbind je je persoonlijke ervaring met een werk aan een algemeen geldende waardering? Lastig. Toch ligt in die verbinding van het persoonlijke en het algemene via de literatuur of filosofie mijn grootste belangstelling. En de criminelenleesclub, Heidegger, Verhoeven, Goedkoop en Nussbaum delen die.

Laatst vroeg iemand mij op welk moment ik aan de filosofie was geraakt, als een junk die steeds weer een shot nodig heeft. Ik kende toen nog niet het citaat van Verhoeven, maar mijn antwoord ging al in de richting van een 'breuk in de vanzelfsprekendheid van het bestaan tot nu toe'. Ik denk dat je zelf verhalen moet vertellen om dit soort momenten uit te drukken. Zoals het verhaal over de afgekickte die langs een dealer liep en toen een stem uit The Old Man And The Sea in zijn hoofd hoorde. Maar zulke verhalen moeten niet op zichzelf blijven staan, maar steeds weer teruggevoerd worden naar de bron waar ze uit ontspringen. Alleen dan kunnen anderen deelgenoot worden van de verandering. En wellicht zelf ook een verandering ondergaan.



Bookmark and Share
Comments

Waarheidsvinding als morele daad en deugd. De Nacht van Descartes III

Een rechter die een uitspraak doet ('Schuldig') verricht daarmee een handeling. Door te zeggen dat een verdachte schuldig is, is de verdachte dat ook. De taalhandeling van de rechter, bepaalt daarmee de werkelijkheid, het verloop van de gebeurtenissen in de wereld. Wat een macht! En wat een mogelijkheden die macht te misbruiken!

Naar aanleiding van de Nacht van Descartes, over de rechterlijke macht (derde en laatste deel). Lees ook deel I, Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden en deel II, Schakelbewijs: stof in de hoeken van de kamer

Er zijn wel meer van dat soort uitspraken te bedenken (ben even de officiële term kwijt). De gemeenteambtenaar die man en vrouw, of liever mens en mens, tot echtgenoten verklaart. Maar ook degene die roept 'ik maak het uit!' of juist liefjes antwoord geeft op de vraag 'wil je verkering met me?' Grensgevallen zijn er ook. De arts die de dood vaststelt, hoe zit het daarmee? Of, lastiger, de arts die een diagnose stelt van een ziekte die zich niet in uiterlijke verschijnselen openbaart en daarmee een circus van behandelingen in gang zet?

(Of op een welhaast metafysisch niveau: een dichter die de werkelijkheid beschrijft in metaforen. Of niet eens de werkelijkheid, maar een mogelijke werkelijkheid… De verhalen van Borges die parallelle universa tot leven roepen.)

Terug naar de rechter. Als de rechter zijn oordeel uitspreekt, is het gebaseerd op een zoektocht naar de ware gang van zaken. Oftewel, gewoon de waarheid. Dat, zo bleek op de Nacht van Descartes, maakt van de waarheidsvinding van de rechter een morele daad. En bij die morele daad horen ook morele deugden. De morele deugden van waarheidsvinding, volgens filosoof Bernard Williams, zijn 'accuracy and sincerety', oftewel accuratesse en oprechtheid.

Bij de waarheidsvinding moet 'het wettelijk bewijs aan de overtuiging voorafgaan'. Het is niet moeilijk in te zien waarom accuratesse en oprechtheid hierbij van belang zijn. Accuratesse moet ervoor zorgen dat alle informatie verzameld wordt - nauwkeurig maar ook compleet. Gemakzuchtig alleen die feiten gebruiken die bij je overtuiging passen is er niet bij. Oprechtheid zorgt ervoor dat je je niet door anderen laat verleiden, door chantage of simpelweg door een mooi verhaal. Maar oprechtheid past niet alleen tegenover de feiten (of neutraler gesteld, de informatie), maar ook tegenover jezelf. Om te oordelen over een ander, is zelfkennis onmisbaar, zo weet de filosofie al sinds duizenden jaren.

Die vriend die de hoekjes niet stofzuigt (vooruit, misschien een gebrek aan accuratesse), heeft meer ook aan het laatste dan aan het eerste. De feiten liggen in de hoeken van de kamer voor het opzuigen. Oprechtheid tegenover jezelf en via jezelf tegenover de ander aanwenden, vraagt net iets meer moeite.



Bookmark and Share
Comments

Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden. De Nacht van Descartes I

Naar aanleiding van De Nacht van Descartes, over de rechterlijke macht (deel I). Lees ook deel II, Schakelbewijs: stof in de hoeken van de kamer en deel III, Waarheidsvinding als morele daad en deugd.

De orde in het recht kan heteronoom of autonoom van aard zijn. Een heteronome rechtsorde komt van buiten: god bijvoorbeeld, of erfopvolging. Autonomie in het recht wil zeggen dat je zelf wilt bepalen welke normen je volgt, of je überhaupt normen volgt. De orde ligt dan in elk mens zelf. Dit lijkt me ook van toepassing op het persoonlijke leven, los van wetten en gezag. Vroeger werd bepaald hoe je je leven leidde door een orde die van boven over de mens heerste. Tegenwoordig willen we zelf bepalen hoe we ons leven leiden, welke keuzes we maken en welke maatstaven belangrijk zijn.

Als je jezelf wilt leren kennen en begrijpen, is het goed om soms eens 'over jezelf recht te spreken'. Met een blinddoek op en een weegschaal in de hand kijken naar de daden die je hebt gepleegd en een reconstructie maken hoe het zover heeft kunnen komen. Dan is het ook goed om te onderzoeken waar je eigen orde vandaan komt. Is die in hoofdzaak autonoom of heteronoom? Ik denk dat in deze tijd de autonome, 'individuele' orde meer bepaald wordt van buiten dan we misschien willen toegeven.

Eigenlijk weet iedereen dat natuurlijk. Je ouders, je vrienden, de omstandigheden waarin je leeft - dat heeft allemaal invloed op wie je bent en welke keuzes je maakt. Dat is vanzelfsprekend. Klein voorbeeld: zelfs als ik heel boos ben wil ik nooit van huis gaan zonder afscheid te nemen. Dat is echt iets wat ik van huis uit heb meegekregen. Ik kan niet begrijpen dat anderen dat niet hetzelfde voelen - stel dat je onder een auto komt! Het is mijn hoogst individuele normpje, maar die heb ik niet zelf bedacht, hij is me ingeprent door mijn moeder.

Niet alleen ouders en vrienden beïnvloeden je normatieve kader, ook boeken, films, televisieseries, eigenlijk alles wat je maar tot je neemt en tot een interesse uitgroeit (of juist niet). Ik moet bekennen dat ik me lange tijd liet leiden door romantische idealen over dichters en rocksterren. Dat doet elke jongere misschien, maar ik merk dat het gedroomde bestaan van vrijheid, rebellie en gevaarlijke ideeën nog steeds in mijn achterhoofd (of misschien eerder in mijn milt of alvleesklier) als een soort golvende beweging aan me trekt. Dat zou je in kaart moeten brengen, zoals dat ook in Zomergasten gebeurt - dat is eigenlijk een drie uur durend onderzoek naar de herkomst van je autonome innerlijke orde. Die dus, opnieuw, lang niet zo autonoom blijkt te zijn.

Ten slotte heb je ook nog de fysieke omstandigheden die inwerken op je autonomie. Lichamelijke omstandigheden als ziekte en gebrek (om het even ouderwets uit te drukken), en gewoon het feit dat je een mens bent met een menselijk gestel. Denk alleen al aan de onderzoeken die uitwijzen dat knappe mensen meer bereiken in het leven omdat ze knap zijn, of dat nu komt omdat ze meer goodwill van anderen krijgen of dat ze meer zelfvertrouwen hebben. (Overigens was mijn ervaring bij Literatuurwetenschap dat jonge, blonde, slanke meiden harder moesten werken om serieus te worden genomen als academica dan middelmatig uitziende jongemannen. Een frustratie die mijn orde zeker mede gevormd heeft.)

Er zijn wetenschappers die alle autonomie afwijzen en zeggen dat de vrije wil niet bestaat: we doen dingen voor we weten dat we ze doen, laat staan voordat we beslissen om het te doen. Onze hersenen zouden zo in elkaar zitten dat ze je voortdurend een idee voorschotelen van vrije wil en bewustzijn, maar eigenlijk is dat een illusie. In dat laatste geval is de orde noch autonoom, noch heteronoom te noemen. Want ook de vurende neuronen in mijn hersenen zijn nog altijd mijn vurende neuronen, of ik daar nou invloed op heb of niet. (In die onderzoeken staat altijd 'bijna alle beslissingen' of 'vrijwel zeker alle handelingen'. Prima, één procent vrije wil is nog altijd een vrije wil en niet geen vrije wil.) Ik dwaal af.

Wellicht is het een mooi project: alle heteronome zaken in kaart brengen die je autonomie, persoonlijke 'rechtsorde' beïnvloeden. Dat moet dan op een paar niveaus gebeuren:

Sociaal: waar kom je vandaan, wie zijn je vrienden en waarom (in de - impliciete - keuze voor je vrienden vinden heteronomie en autonomie elkaar).
Cultureel: waar hou je van, waar liggen je interesses, welke idealen volg je en waarom.
Fysiek: hoe werken je fysieke eigenschappen mee of tegen? Zijn ze een beperkingen om het leven te leiden dat je wilt? Zijn de beperkingen misschien een aansporing om meer te maken van je leven?

Ik denk dat steeds hetzelfde zal blijken. De orde waarnaar mensen tegenwoordig leven is misschien wel individueel en hoogst particulier, maar niet autonoom. Anders zou er een leeg gat overblijven, gevuld met niets. Als je dat eenmaal beseft, kun je beter verdedigen waarom je precies je eigen keuze maakt en niet een andere. Maar het behoedt je voor de arrogantie die ook een beetje bij deze tijd hoort, waarin iedereen zijn eigen zogenaamd autonome orde boven die van alle anderen stelt. Als je inziet dat die ook berust op zaken buiten jezelf, kun je erover discussiëren, eraan twijfelen, hem beoordelen en resocialiseren. Met een blinddoek op en een weegschaal in de hand.



Bookmark and Share
Comments

De kaart is niet het gebied

Overal klinkt rumoer over de nieuwe roman van Michel Houellebecq La carte et le territoire. Ik zal moeten wachten op de vertaling om mijn mening te vormen. Toch levert de roman nu al een inzicht op. Vertaler Martin de Haan schreef op zijn weblog over de titel: de kaart en het gebied. Blijkbaar is dat een bekende uitdrukking, of in elk geval een bekend begrippenpaar, met een betekenis die ver voorbij de cartografie strekt. De Nederlandse Wikipedia herbergt zelfs een interessant artikel over de Kaart-gebiedverhouding (dat weer een vertaling is van het Engelse lemma, dat dan weer wel).

De kaart is niet het gebied is een uitspraak van Alfred Korzybski, uit 1931. Dat klinkt als een open deur. Maar zoals vaker: denk er eens echt over na. Wat is een kaart eigenlijk? En een gebied? De kaart is een weergave van een gebied. Wat impliceert dat? Als het woord weergave valt, kun je je geld erop zetten dat de open deur bij het eerste zuchtje tocht met een klap dicht slaat.

Goed, een kaart is een schematische, geschaalde weergave van iets, gemaakt om orde aan te brengen, voor een gebruiker. Het gebied, dat is allereerst het land. Of is het dat waar een kaart van gemaakt is, land of niet? Voorbeeld: kranten staan tegenwoordig vol infographics, een soort kaarten. Van de politiek, van de olieramp in Mexico, van uitstervende dieren. Zijn dat ook gebieden? Waarom niet.

De politiek is echter niet een tastbaar ding, een stuk land dat je kunt doorkruisen en in kaart brengen. De politiek is altijd al in kaart gebracht. Politiek is een vorm van in kaart brengen, die kaart aanpassen, herdefiniëren, aanpassen aan de veranderende omstandigheden of veranderen met als doel de omstandigheden te veranderen. De politiek is een kaart van het grondgebied. Het gebied zelf is dus een kaart van een ander gebied. En misschien geldt dat wel voor alles. Iedereen die boven Nederland heeft gevlogen, weet dat het land lijkt op een kaart ervan.

Gregory Bateson: 'het gebied is altijd al een representatie, door het netvlies, de hersenen, de taal, het schrijven. Het proces van weergeven zal dat er steeds uitfilteren, zodat de psychische wereld slechts gevormd wordt door kaarten van kaarten, tot in het oneindige.' (bron van alle aangehaalde citaten: Wikipedia)

Toch is het in al die gevallen wel mogelijk om een onderscheid te maken tussen de een en het ander. In sommige gevallen, valt zelfs dat onderscheid weg. Die gevallen zijn kunst. Neil Gaiman zegt over sprookjes dat je die niet na kunt vertellen, je kunt ze alleen vertellen. (Dat er nu juist van sprookjes enorm schematische structuren bestaan, doet even niet terzake.) Hetzelfde hoor je wel over poëzie. Als een dichter zijn punt zou kunnen uitleggen in een betoog, had hij wel een betoog geschreven. Het gedicht is het punt, het valt met zichzelf samen. 'De meest nauwkeurig mogelijke kaart zou het gebied zijn, en zou dus volmaakt nauwkeurig en volmaakt zinloos zijn. Het sprookje is de kaart, die het gebied is.'

Nauwkeurigheid is het sleutelwoord. Een kunstenaar maakt iets wat zo nauwkeurig is (wat uiteraard iets totaal anders is dan netjes of ordelijk) dat je het niet op een andere manier kunt uitdrukken. Van het gebied is geen kaart te maken. De enige manier om het gebied van de kunst te verkennen is door de kunst als kaart van zichzelf te gebruiken. Hooguit kunnen verhalen van ervaren reizigers je helpen opmerkzaam te maken van landmarks.

Het begon met een gebied waar een kaart van werd gemaakt. Vervolgens vielen gebied en kaart samen. Jean Baudrillard gaat nog verder: 'Het gebied gaat niet langer vooraf aan de kaart, en overleeft die ook niet. Toch gaat de kaart vooraf aan het gebied – het voorafgaan van simulacra – en daardoor wordt het gebied teweeggebracht.' Met andere woorden: de verhouding is omgekeerd. De kaart brengt het gebied voort. Hiervan is de politiek weer een goed voorbeeld.

Of deze meervoudige verhouding tussen kaart en gebied misschien ook van toepassing is op vertaling en vertaalde, de oorspronkelijke Franse roman van Houellebecq en de Nederlandse vertaling van De Haan, vraag ik me af. En op dit stukje daar weer over? De Nederlandse Wikipedia-pagina is een vertaling van het Engelse lemma, dat weer put uit bronnen op internet en uit de bibliotheek, annotaties bij teksten die al dan niet bestaan en die iets beschrijven dat misschien alleen in de 'psychische wereld' zoals Bateson noemt. Wat is kaart en wat is gebied? Het gebied van de literatuur is natuurlijk ook een kaart van een ander gebied - de werkelijkheid of de literaire traditie of de persoonlijkheid van een auteur, die op zichzelf ook weer een kaart zijn van en verwijzen naar een volgend gebied...



Bookmark and Share
Comments

Alain de Botton over mislukking (en succes)

We wouldn't call Hamlet a loser, he is someone who has lost.
(Alain de Botton, TEDTalk A kinder, gentler philosophy of success)

Dit citaat is onvertaalbaar en prachtig. Het duidt precies aan wat tragiek inhoudt: verliezen van het leven, zonder een mislukkeling te zijn. Er gaat ook een grote troost van uit. Ik schreef in Mislukking en het karakter als catastrofe: 'Graven tot op de bodem van je catastrofale karakter, de mislukking recht in de ogen kijken en weer omhoog klimmen om de hele wereld je vondsten te tonen.’

Dat is wat Hamlet (Shakespeare) heeft gedaan. Misschien moet er geen mislukking staan, maar verlies. Het leven is een aanhoudende strijd met de wereld en uiteindelijk verliest iedereen. Door je verlies te tonen aan de wereld van wie je hebt verloren, boek je toch nog een symbolische overwinning. Wel oppassen dat je je niet verliest in de glorie van het verlies en via de omgekeerde weg van slachtoffercultus jezelf als overwinnaar ziet.





Bookmark and Share
Comments

Mislukking en het karakter als catastrofe

Tegenover het zelfonderzoek als mythe, waarbij je jezelf uitvergroot, het verhaal van je leven laat centreren rond één scharnierpunt, of dat nu een gebeurtenis of een eigenschap is - daartegenover staat de mislukking.

Is niet alles in het leven gedoemd te mislukken, al was het maar doordat er onvermijdelijk een eind aan komt? Is het dan niet beter de mislukking te omarmen, om je schouders te slaan als een mantel, er helemaal in te verdwijnen?

Het leven is een aaneenschakeling van mislukkingen, maar juist in die mislukkingen, in de kleinzieligheid en miezerigheid ervan, ligt het grootse drama van de mens besloten.

Zo raakt de mislukking alweer aan het mythische. De catastrofale mislukking, die trekken krijgt van een tragische ondergang. Opnieuw een scharnierpunt waaromheen het leven draait.

Het is moeilijker om creatief zelfonderzoek te doen naar je leven als mislukking dan als mythisch verhaal. 'I know of nothing more difficult than knowing who you are and having the courage to share the reasons for the catastrophe of your character with the world.' (Uit David Shields, Reality Hunger)

De catastrofe van je karakter… dat gaat nog een stap verder. Je leven kan mislukken, misschien heeft het lot niets voor je in petto. Je kunt je leven zelfs moedwillig laten mislukken, er een project van maken en de ondergang zo goed mogelijk orkestreren. (Ooit was ik dat van plan: 'Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.'). In het ene geval kun je er niets aan doen, in het andere geval is er toch nog íets gelukt.

De catastrofe van je karakter: daar kun je zelf niets aan doen, maar je kunt er ook geen eer aan behalen. Het is de bodem van de mislukking. Is elk karakter een catastrofe? Zo klinkt het wel. Als je maar diep genoeg graaft, kom je vanzelf op die bodem terecht, de keiharde, betonnen bodem waar niets meer op kan groeien. Geen project, geen verantwoording, geen troost.

Het stopt niet bij het bereiken van de bodem. Je moet weer naar boven klimmen, om wat je hebt gevonden 'met de wereld te delen'. Zónder er een prachtig, mythisch verhaal van te bakken.

Wat mij betreft is dit een definitie van literatuur (een van vele mogelijke definities). Graven tot op de bodem van je catastrofale karakter, de mislukking recht in de ogen kijken en weer omhoog klimmen om de hele wereld je vondsten te tonen.



Bookmark and Share
Comments

Ironie en zelfironie: 7 opmerkingen

Hoe zit het met zelfironie, vroeg iemand naar aanleiding van het stuk over zelfonderzoek als mythe. Goeie vraag. Zeven gedachten.

1. Ik moet bij ironie altijd denken aan de film Reality Bites, waarin Winona Ryder de kans krijgt zich te presenteren aan een tv-bobo. De dame in powersuit zegt neerbuigend: Define irony. Winona staat met haar bek vol tanden. Haar vriendje Ethan Hawke, aan wie ze even neerbuigend en vol verontwaardiging het voorval vertelt, antwoordt zonder nadenken. 'Het tegenovergestelde zeggen van wat je eigenlijk bedoelt, met de bedoeling dat wel duidelijk te maken.'

2. De ironie van Socrates: jezelf dommer voordoen dan je bent om de onwetendheid van de ander te ontmaskeren.

3. De ironie van Kierkegaard bouwt voort op die van Socrates. Ironie inzetten om reflectie op gang te brengen en vraagtekens te zetten bij alles wat je weet, alle vooroordelen die je hebt. Je hebt eerder te veel kennis dan te weinig. Uiteindelijk is zijn ironie een oneindige, absolute negativiteit die in zichzelf verdwijnt. Eindeloze reflectie, die uiteindelijk resulteert in onbegrijpelijkheid. Toch maakt zijn voortdurende ironie van Kierkegaard een uitzonderlijk humoristisch filosoof. Humoristischer ook dan Socrates. En dat heeft misschien wel te maken met zelfironie.

4. Wat is dan zelfironie? Sowieso is duidelijk dat ironie iets te maken heeft met het zelf. De filosofen zetten het in om de ander iets over zichzelf te leren. Maar dat klinkt ontzettend pedant: ik zal jou eens even wat over jezelf leren, maar doe dat door het omgekeerde te zeggen van wat ik bedoel. Hier heeft Socrates soms wel een handje van, als ik het mag zeggen. Dan doet Kierkegaard het beter. Hij voert allerlei personages op, alter ego's, pseudoniemen en heteroniemen waarachter zijn eigen zelf totaal versnippert. Hoe zelfironisch wil je het hebben? Jezelf laten verdwijnen achter talloze in elkaar spiegelende personages en auteurs, om de ander eens over zichzelf te laten reflecteren.

5. Dat klinkt weer als een veel te ernstig, nobel doel. De ironische distantie, is dat niet gewoon de methode van een slappeling die nooit eens zijn ware gezicht durft te tonen? Dat betoogde ik immers na het zien van Zomergast Annet Malherbe. Al die fascinaties, niets is meer een échte obsessie, alles is wegwuifbaar met een hand waarachter een vergoelijkend lachje klinkt. Ironie, dat is toch lachen? En zelfironie, dat is toch lachen om jezelf?

6. Dan zijn we weer terug bij Kierkegaard, die lachte om zichzelf, maar met een enorme ernst. Sorry, ik ontkom er niet aan. Of denk aan Houellebecq, die de neiging naar het sociale van de mens beschrijft als ironie van de evolutie: je kan er om lachen, maar niet hartelijk, eerder wanhopig. Oscar Wilde, die leefde als een personage (in de negentiende eeuw kon je dit woord makkelijk zo gebruiken), met een zelfironie die volkomen ernstig was. Uiteindelijk ontkomt ironie niet aan ernst, omdat het doel ervan ernstig is, met gebruikmaking van de methodiek van humor: omkering, overdrijving, acteerwerk.

7. Zelfonderzoek als mythe ging precies om die dingen: omkering (je leven als kernachtig verhaal voorstellen terwijl het in werkelijkheid chaotisch is), overdrijving (niemand gelooft werkelijk dat hij een mythische held is) en acteerwerk (je moet desondanks een klein beetje geloven dat je een mythische held bent). Uiteindelijk leert het je precies het omgekeerde van wat je zegt: want het leven is onbegrijpelijk toevallig, begint zonder aanleiding en stopt zonder afsluiting. En hooguit een decennium na je dood is iedereen je alweer vergeten. Hoe ironisch.



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Creatief zelfonderzoek: streven naar mythe en verhaal

Zelfkennis is belangrijk, maar de vorm waarin je die kennis giet ook. Aan suffe feiten over jezelf heb je niets en leuk zijn ze ook niet. Zelfonderzoek is pas boeiend als het je op een creatieve manier bezighoudt. Nog mooier: als het ergens toe leidt.

Niemand schrijft wetten voor over de methoden en resultaten van zelfonderzoek. Sterker nog, de ongelimiteerde vrijheid die je bij dat onderzoek hebt, is precies wat het onderzoek zo leuk maakt. Wie controleert het waarheidsgehalte van jouw kennis? Bestaat er überhaupt een waarheid over het zelf? De vraag stellen is hem beantwoorden. Waarom dan niet helemaal los gaan bij het nadenken over je leven? Als je echt een beetje inzicht hebt in wie je bent, hou je jezelf heus met beide benen op de grond. Hieronder een paar ideeën voor een creatief zelfonderzoek, met jezelf als de held van een zelfgeschreven verhaal. Op weg naar een glorieus einde.

'Self-study of any seriousness aspires to myth. Thus do we endlessly inscribe and magnify ourselves.' (David Shields) Oftewel: Een serieuze zoektocht naar zelfkennis streeft naar mythe, om jezelf steeds verder een verhaal in te schrijven en je persoonlijkheid te vergroten.

Het gaat hier om drie dingen: zelfonderzoek als mythe, schrijven en vergroting. Je kunt zeggen dat een mythe een beschreven verhaal is waarvan de kern een uitvergroting is. Die uitvergroting vertelt over de oorsprong van iets - de mens, het leven, of een deel daarvan; liefde, oorlog, broederschap. Wat gebeurt er als je van je eigen leven een verhaal maakt en streeft naar mythische proporties? Wat is het oorspronkelijke verhaal van je leven? Wat ga je uitvergroten?

De 21e eeuw is de eeuw van het verhaal. Alle media draaien op verhalen, haast nog liever van 'gewone' mensen dan van buitengewone sterren. In de filosofie bestaat de belangstelling voor het verhaal als structuur voor zelfonderzoek al langer. Je leven interpreteren als een verhaal is een manier om je leven zin te geven, maar ook om je herinneringen te structureren en de chaos van het bestaan te temmen.

Dat heeft niet alleen betrekking op het verleden. Juist door je leven op die manier te interpreteren, maak je een richtsnoer voor de toekomst. Wat is de mythische kern van je leven? Als je die vraag hebt beantwoord, kun je ook een visie op de toekomst ontwikkelen. Niet als een noodlottig vooruitzicht, het verhaal als een keten van gebeurtenissen waaraan niet te ontsnappen is, maar als een verhaal waar je zelf tegelijk de schrijver én hoofdpersoon van bent. 'Je moet iets vinden wat bij jouw leven past - een principiële kern die veertig jaar artistieke arbeid kan doorstaan.' (Art: de kunst van het richten)

Het leven ís geen verhaal, mensen vertellen hun verhaal. Uitzondering op deze regel is het mythische leven van Oscar Wilde, die de uitspraak muntte 'Life imitates art'. In zijn geval kun je beter zeggen: 'Life is art'. Waar zou jij voor kiezen? Een leven dat de kunst imiteert en daardoor aan schoonheid wint, of een leven dat een kunstwerk is en daardoor niet ontkomt aan tragiek en ironie?

Ik voel me zelf aangetrokken door de mythe van gedaanteverwisseling. Zoals bij de grootste sterren, die hun gedaanteverwisselingen zo ver uitvergroten dat ze ongrijpbaar worden. Hun verhaal is gefragmenteerd, een collage van hoogtepunten. Als een slang stropen ze hun huid af en komt er een nieuwe gedaante tevoorschijn. Het is de mythe van Bob Dylan in I'm Not There.

'Er zijn sterren die er op hameren dat ze altijd zichzelf zijn gebleven, met andere woorden: miezerig gepeupel. Mythische sterren zul je dat niet horen zeggen. Zij blijven nooit zichzelf, omdat dat zelf niet bestaat; ze blijven nooit dezelfde, omdat ze voor hun sterrendom al anders waren. De voorwaarde voor onsterfelijkheid: je verleden dood verklaren en jezelf opnieuw geboren laten worden. De woestijn in trekken en je ziel aan de duivel verkopen. Keer op keer.'

We zijn niet allemaal een ster van de magnitude van Bob Dylan of Oscar Wilde. Dat velen dat wel aspireren, bewijzen de steeds verder uitgekauwde realityprogramma's echter wel. Wat je verder ook van die shows denkt, ze maken iets duidelijk over het scheppen van je eigen verhaal en je eigen mythe, hoe klein of individueel die ook zijn.

'Er zijn zoveel realityprogramma's dat je kunt zeggen dat inmiddels tientallen mensen per jaar een niet-reëel leven leiden, hoewel ik het toch niet meteen mythisch zou willen noemen. Figuranten in een verhaal, dat ze zelf niet schrijven. Enkelen weten het verhaal naar hun hand te zetten en het fictieve voor zichzelf om te buigen in realiteit.' Succes hebben degenen die streven naar mythe, zichzelf het verhaal in schrijven en (een deel van) zichzelf uitvergroten. 'Het is zaak om het verhaal naar je hand te zetten en het fictieve om te buigen in realiteit.' Dan ontstaat een chemische reactie tussen fictie en realiteit. Doe er je voordeel mee.

Schrijf je een traditioneel verhaal met een enkelvoudige plot of een gefragmenteerd verhaal gebaseerd op gedaanteverwisseling? Er is nog een derde optie. Zowel de enkelvoudige plot als de opeenvolgende gedaanteverwisselingen zijn lineair van aard. Wat gebeurt er als je het nu probeert te beschrijven? Leg het heden onder een vergrootglas, blaas het op tot alle details zichtbaar zijn. Wie zie je? Gokje: je ziet meerdere versies van jezelf.

Ieder mens heeft meerdere rollen: kind, geliefde, professional. Je kunt je afvragen of je dan wel jezelf bent. Maarten Doorman zegt: 'Aan de ene kant is het onverstandig om te proberen jezelf te zijn - want het zal je niet lukken - en is het beter om goed na te denken over de rol die je speelt. Maar tegelijkertijd rijst daarbij de vraag: wie is het die die rol verzint? Ben je dat dan niet toch weer zelf?' Juist door een caleidoscopische blik op het nu, met al die verschillende versies van jezelf die daarin rondlopen, merk je dat die vraag er niet echt toe doet. 'Liever zie ik de rol als een uitvergroting van een bepaalde eigenschap van jezelf. Je draait bij wijze van spreken een kant van je gezicht naar het licht.'

Voelt het een beetje ongemakkelijk om zoveel met jezelf bezig te zijn, jezelf op te blazen tot mythische proporties en de heldenrol te spelen in een zelfgeschreven verhaal? Denk dan aan wat filosoof Frank Meester zegt: 'We fantaseren over ons leven, proberen er een mooi verhaal van te maken waarin we zelf een heldenrol spelen. Dat noemen we dan ijdel. En daar is niets mis mee.'



Bookmark and Share
Comments

Denis Grozdanovitch - De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen

grozdanovitch_bijnanietsdoen
'Zijn eerste boek werd genomineerd voor zeven literaire prijzen, die hij geen van alle won.' Denis Grozdanovitch, over wie het hier gaat, schreef deze zin ongetwijfeld zelf. Zijn boek De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen bezit dezelfde luchtige, ironische toon.

Die luchtige toon is wel vermengd met soms ondoorgrondelijke, zeer Frans aandoende zinsconstructies die zich alinea's lang voortslingeren. Ook de inhoud is een mengeling tussen luchtige levenslessen en zo abstracte filosofie, dat je je afvraagt of de auteur zelf wel weet wat hij bedoelt.

Lees verder op 8WEEKLY: Luchtige ironie die zwaar op de maag ligt



Bookmark and Share
Comments

Objectieve gevolgen van subjectieve interpretaties

wcpapier
Je herinneringen zijn een groot deel van je 'zelf'. Als alle cellen in je lichaam zich elke zeven jaar vernieuwen, is je herinnering zelfs het enige wat je nog verbindt met je zelf door de tijd heen. Je kunt je afvragen hoe echt herinneringen zijn. Je kunt je ook afvragen of het antwoord daarop belangrijk is.

Een bekende sociologische uitspraak zegt: 'If men define situations as real, they are real in their consequences.' De situatie of context is op zichzelf niet een 'werkelijkheid'. En de manier waarop je de situatie ziet en interpreteert ook niet. Elk mens doet dat op zijn eigen, individuele manier. Maar je handelt wel naar die interpretatie en dat handelen is wél reëel. De niet-reële interpretatie heeft dus reële gevolgen. Om terug te komen op de herinneringen: ook al zijn ze niet echt, ze kunnen heel reële gevolgen hebben.

Ik kwam de uitspraak tegen in De ogen van de ander van Christien Brinkgreve. (Ondertitel: De sociale bronnen van zelfkennis.) Het is een sociaal-wetenschappelijk werk en geen filosofische exercitie, waardoor het me een beetje tegenviel. Maar het citaat hierboven had ik niet willen missen. De uitspraak staat bekend als het Thomas-theorema van W.I. Thomas (Brinkgreve schrijft W.F. Thomas), en stamt uit 1928. Het is een kernachtige formulering van de ondeelbaarheid van het echte en onechte.

De bekendste voorbeelden van het theorema hebben met economie te maken. Op Wikipedia is een grappig voorbeeld te vinden. 'The 1973 oil crisis resulted in the so-called "toilet paper panic." The rumour of an expected shortage of toilet paper - resulting from a decline in the importation of oil - caused people to stockpile supplies of toilet paper and this caused a shortage. This shortage, seeming to validate the rumour, is also an example of a self-fulfilling prophecy.'

De stelling is ook toe te passen op dagelijks leven, op wie je bent. Zoals bij herinneringen: de herinnering mag dan gebrekkig zijn of gebaseerd op een fictie, ze stuurt de keuzes die je maakt. Dat is niet erg, maar wel iets om je bewust van te zijn. Jouw interpretatie van de werkelijkheid is op zichzelf niet objectief, maar heeft wel 'objectieve' gevolgen. Dat is de eerste stap naar zelfrelativering en reflectie. En open communicatie met anderen. Brinkgreve: 'Als mensen van zichzelf en elkaar zien hoe hun cognities [dus hun definitie van een bepaalde situatie] over en weer zijn en hoe deze kunnen verschillen, kan dat schelen in misverstand en miscommunicatie, in vele arena's van het bestaan.'

Alles is perceptie, heet het ook wel eens. Ik ben echter geen aanhanger van het solipsisme, dat alleen wil uitgaan van wat bestaat in de waarneming en het bewustzijn van een individu. Juist de reële gevolgen van die waarneming en dat bewustzijn maken het leven interessant. In Chemische reacties schreef ik, naar aanleiding van het cliché dat een boek je leven kan veranderen: 'Een niet-bestaande wereld komt binnen in de mens, gaat een chemische reactie aan met alles wat in dat mens leeft aan opvattingen, herinneringen, wensen, dromen, en komt vervolgens weer naar buiten in handelingen, uitspraken, beslissingen - kortom een materieel veranderde wereld.'

Brinkgreve stipt ook kort aan dat dit een thema is in zowel wetenschap als literatuur. Op de literatuur gaat ze verder niet in. Terwijl dit nu juist is wat literatuur vermag: verhalen laten zien hoe een individuele interpretatie van een situatie die situatie verandert (liefst uit de hand laat lopen, anders is het niet boeiend). Is dat niet wat in tragedies gebeurt? Of in de romans van Thomas Rosenboom en Dostojevski? Dat zijn natuurlijk - fictieve - extremen. Maar let er eens op in je eigen leven: welke definitie plak jij op een situatie, en welke reële gevolgen heeft die definitie dan? En welke definitie geven anderen van hetzelfde?



Bookmark and Share
Comments

Over herinneringen

1. In Kopenhagen ging ik naar het allereerste adres waar ik ooit woonde: Finsensvej 10C. Ik ben er niet geboren, dat gebeurde in het ziekenhuis om de hoek, en heb er maar twee jaar gewoond. Ik herinnerde me dan ook helemaal niets van de straat of de omgeving. Jaren geleden ging ik met mijn moeder naar het tweede adres, daar vlakbij. Ook daar woonden we maar twee jaar. Daar wist ik nog heel veel van. Ik liep rond op het appartementencomplex en wees: hier om de hoek is een speeltuin met een dichte glijbaan, daar verderop de kleuterschool. Dat kan ik nu niet meer. Ik herinner me niet meer wat ik als vierjarige meemaakte, maar ik herinner mijn herinnering van toen ik er later terugkwam.

2. Iedereen zal zich wel eens hebben afgevraagd: herinner ik me wat er gebeurd is of de foto's die ervan bestaan? (Een heel andere vraag is: herinner ik me een echte gebeurtenis, of was het een droom?) Was ik wel eens over de brug tussen Funen en Seeland gereden? vroeg iemand me. Ik wist het niet meer. Ik zag de brug voor me, maar dat kon net zo goed een tv-beeld zijn. Google leert dat de brug in 1998 voltooid is, dus ik moet er zeker overheen zijn gereden, voor het laatst in 2001. Misschien herinner ik het me, misschien ook niet. Voor sommige reizigers is het reden genoeg om geen foto's meer te maken. Ik deed in Kopenhagen het omgekeerde: mijn foto's zijn snapshots van gedachten die ik me wil herinneren. Zoals het bejaarde stel dat in de trein van 12.39 naar Humlebaek flessen Tuborg dronk. Dat is in Denemarken niet een uitzonderlijk plaatje, maar een alledaags moment.

3. In haar dagboek (Reborn) noteert Susan Sontag een paginalange lijst van details uit haar herinnering. Details uit haar kindertijd, uitspraken van familieleden, gelezen boeken, namen van klasgenoten, etenswaren, 'Deciding about God'. Er is geen samenhang, geen chronologie, geen uitleg. De naakte feiten.

4. Siri Hustvedt vertelt in The Shaking Woman over een methode die ze gebruikt om het geheugen op gang te brengen bij geestelijk gestoorden die ze schrijfles geeft. Begin gewoon met een vel papier en schrijf op: I remember… De rest volgt vanzelf, in een 'ketting van associaties'. Door het opschrijven (met de hand), gebeurt het ook: 'Ik herinner me…' zet de herinnering in gang. Het is een memory machine. Hustvedt beschrijft een patiënt met geheugenverlies, die door te schrijven zijn herinneringen terugkreeg. 'The talking Neil had amnesia. Neil's writing hand did not.'

5. Hoe weet je of wat je opschrijft, ook niet een tweedehands herinnering is? Doet die vraag er wel toe? Is niet alle herinnering een constructie, een verhaal? Susan Sontag doet alsof ze een boekhoudkundig rapport van haar jeugd geeft, geheel objectief en waarheidsgetrouw. Eigenlijk had ze overal 'I remember' voor moeten zetten. Die contextuering maakt wat volgt tot een verhaal. David Shields schrijft in Reality Hunger dat zich herinneren eigenlijk hetzelfde is als fictie schrijven. Of beter gezegd: de grens tussen feit en fictie is blurry tot non-existent. Feiten zijn altijd een constructie of interpretatie, en fictie is altijd gebaseerd op de werkelijkheid. 'Did this happen? Yes. Did this happen in this way? The answer to that, if you're a grown-up, is "Not necessarily."'

6. Als je je iets herinnert van vroeger, toen je klein was, zie je jezelf dan van buiten of van binnen? Ik zie mezelf altijd van buiten, van een paar meter afstand (hoewel ik mezelf natuurlijk in werkelijkheid natuurlijk nog nooit van buiten heb gezien). Herinnering is nooit een directe herbeleving van het herinnerde moment. Je gaat als het ware op reis terug in de tijd, en je tegenwoordige oudere zelf is aanwezig bij het kind dat je was. De herinnering deelt je in tweeën. (Behalve de mémoire involontaire van Marcel Proust. Maar ook die onvrijwillige herinnering moet door het bewustzijn en de reflectie gaan, wil ze betekenis krijgen.)

7. In Kopenhagen las ik wat in Stadia op de levensweg, van een van de beroemdste Kopenhagenaars aller tijden: Søren Kierkegaard. Het boek begint met een mijmering over het verschil tussen geheugen en herinnering. Reflectie, waarbij je je opdeelt in tweeën om van een afstand naar jezelf te kijken, is het kenmerk van herinnering (en een van de hoogste waarden waar Kierkegaard altijd op uit komt). Feitenlijstjes representeren het geheugen, ze worden neergepend zonder reflectie. Door jezelf tot subject te maken - 'I remember' - stap je van het geheugen over op de herinnering.

finsensvej
8. Een ander kenmerk van herinnering volgens Kierkegaard, is dat ze het beste gedijt bij contrastwerking. (Wie heeft niet een keer een gelukkig ogenblik verstoord zien worden door de herinnering aan ongeluk.) 'Wanneer het geheugen steeds weer wordt opgefrist, verrijkt het de ziel met een massa details, die de herinnering verstrooien.' (Het gaat dus eerder om een verarming dan een verrijking.) Stom idee dus om naar mijn geboortestad af te reizen? Ach, van de Finsensvej herinnerde ik me toch al niets meer. En nu kan ik af en toe terugdenken aan het saluut dat die twee bejaarden in de trein leken te geven aan het leven, of aan hun beroemde stadsgenoot.



Bookmark and Share
Comments

Leestips voor een zomer met een filosofisch tintje

Dikke thrillers zijn het geijkte leesvoer op vakantie. Niks mis mee. Wil je toch ook eens iets anders? Hieronder mijn leestips voor een zomer met een filosofisch tintje. Niet te lang en niet te dik, niet te moeilijk maar zeker ook niet te makkelijk, goed te doen op de camping met een glas witte wijn erbij, stof tot nadenken en voor gesprekken onder de sterrenhemel.

1. Alain de Botton - De kunst van het reizen
Het ultieme vakantieboek. Waarom gaan mensen op reis? Steeds meer en steeds verder? Hoe zorg je ervoor dat je het vakantiegevoel langer vasthoudt? Het mooist vind ik het hoofdstuk over het vastleggen van herinneringen en details. Hoe? Door te tekenen. Al tijdens het lezen van dit boek, zul je je vakantie anders beleven, dat garandeer ik. Met plaatjes! (10 euro)

2. Ryszard Kapuscinski - Ebbenhout
Het ultieme boek over Afrika. Afrika? Ja, zelfs al mocht je niets hebben met Afrika dan is dit boek een aanrader, omdat het je beeld van Afrika voorgoed verandert. Ik ken tientallen mensen die met tegenzin aan dit boek begonnen en het vervolgens aan hun hele vriendenkring cadeau hebben gedaan. Ik was er zelf één van. Kapuscinski is de journalist met negen levens. Hoe overleef je de Sahara, een staatsgreep en vuistgrote kakkerlakken, en dat allemaal op één dag? Hij leert het je.

3. Montaigne - Essays
Alle essays bij elkaar maken een baksteen van een boek. Maar kies er een paar uit (sommige zijn maar twee bladzijden lang) en geniet van de humor en scherpte van Montaigne. Wedden dat je daarna wenst dat je hem zou kunnen ontmoeten, om met hem te proosten en met hem onder de sterrenhemel verder te praten? Er zijn kleine, thematische bundeltjes verschenen van een aantal essays, over toeval, het uiterlijk, de liefde en de vriendschap. Het leukst is natuurlijk om uit de baksteen je eigen selectie te maken. Over droefgeestigheid, kannibalen en een gedrochtelijk kind.

4. Nietzsche - Schopenhauer als opvoeder
Hier heb ik al vaker over geschreven. In negentig (leesbare!) pagina's zet Nietzsche je op scherp. Het stuk is een zelfhulpboek avant-la-lettre. Zonder de open deuren, stijlfouten en tenenkrommende bekentenissen van de populair-psychologische esoterie die vandaag de dag de wereld overstelpt. Mét opdrachten, tips en aforismen die je gedachten doen rillen van zelfbewustzijn. Onderdeel van de Oneigentijdse beschouwingen.

5. Kierkegaard - De ongelukkigste
Doe mij een plezier en lees eens iets van Søren Kierkegaard, de Deense filosoof en vader van het existentialisme. Bijvoorbeeld een stuk uit Of/of: 'De ongelukkigste'. Niet het vrolijkste stuk (twaalf pagina's ellende), maar wel huiveringwekkend mooi: 'Zoals bekend moet ergens in Engeland een graf zijn, dat zich niet onderscheidt door een prachtig monument of een weemoedig stemmende omgeving, maar door een korte inscriptie - "de ongelukkigste". Naar verluidt heeft men het graf geopend, maar geen spoor gevonden van een lijk.'

6. Rob Wijnberg - Boeiuh
Behoefte aan iets actuelers? Als je Boeiuh nog niet gelezen hebt, moet je dat zeker doen. Rob Wijnberg schrijft in dit pamflet over zijn eigen generatie (ook nog net de mijne, denk ik). Op een betrokken en persoonlijke manier. Ik ben het niet overal mee eens, maar dat zet juist aan het denken. Van Temptation Island tot wetenschap en filosofie, en van de Amsterdamse uitgaansscène tot information overlaad.

7. Marjolijn Februari, Roel Bentz van den Berg
De twee beste essayisten van Nederland (in my humble opinion) wil ik ook nog noemen. Wil je eens een keer een essay lezen, kies er een van Februari of Bentz van den Berg. De kunst van het essayschrijven beheersen ze tot in de puntjes: ze zijn persoonlijk maar stijgen boven zichzelf uit, ze zijn stellig in hun twijfel, ze schrijven kraakhelder en met humor, ze kruipen onder je huid zonder dat je het door hebt. En ideaal voor de vakantie: je kunt af en toe een hapje nemen en daarna weer verder razen door het een of andere spannende boek. Ik denk dat ik wel weet wat blijft hangen.



Bookmark and Share
Comments

Bewegen tussen Tao en Marx

kierkegaard_corsair
’Filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.’

Op het terras van Kafé België raakten we verzeild in een discussie met een man, die begon over antroposofie en eindigde met de vraag of onze voeten wel genoeg aandacht kregen. 'Dit gesprek neemt een wending…' begon ik en voor ik de zin had afgemaakt, stonden we al op om de man met zijn antroposofische voetmassages alleen te laten.

Toch zijn het juist zulke gesprekken waarin je heel snel tot de essentie van dingen kunt komen. Je kent elkaar niet, het is een spel, dus waarom zou je niet meteen de diepte in springen? En waarom zou je niet serieus antwoorden op persoonlijke vragen, als het toch maar een spel is?

Vooruit, eerst grappig doen. Dus wat is het doel van het leven? Doodgaan.

Opeens begreep ik waarom het taoïsme niets voor mij is. Ik weet weinig van de zin van het leven (die is er denk ik niet) of 'het' doel (is er ook niet). Mijn eigen doel van mijn leven kan ik wel benoemen: niet stilstaan, altijd vooruitgaan, zelfs als het leven je in z'n achteruit dwingt, me ontwikkelen en de wereld begrijpen. Nu is de wereld zo groot dat je haar nooit zult bedwingen, maar dat geeft niet. Het doel is op voorhand onbereikbaar, dat maakt het overzichtelijk en leuk.

Opeens schoot me het citaat van Karl Marx te binnen, dat in de imposante hal van de Berlijnse Humboldt Universität de studenten toewerpt:

Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert; es kommt aber darauf an, sie zu verändern.

Het citaat stamt nog uit de Oost-Duitse tijd. Na de val van de muur mocht het niet verwijderd worden, omdat het monumentale gebouw inmiddels een beschermde status had gekregen. Ironie van de geschiedenis.

Mijn doel is verandering. Het doel van het taoïsme is niet verandering, eerder stilstand of regressie. De drang naar verandering is soms wel vervelend. Alsof het nooit goed genoeg is en je geen genoegen kunt nemen met weinig. (Het is natuurlijk ook nooit genoeg, objectief gezien).

In verschillende boeken wordt het een typisch westers, Amerikaans verschijnsel genoemd: altijd bezig met meer en beter, nooit tevreden. Of het zou een overblijfsel van het calvinisme zijn, een rigide arbeidsethos dat geen ruimte laat voor luiheid en pleziertjes. Tja. Het eerste klinkt mij te materialistisch in de oren, alsof het alleen maar gaat om het vergroten van bezit of macht. Terwijl het voor mij te maken heeft met het vergroten van immateriële zaken als inzicht en zelfkennis. Wat het calvinisme betreft: ik herken me wel in het arbeidsethos, aan de andere kant weet iedereen die mij kent dat ik mezelf geen pleziertje zal ontzeggen.

Je kunt het ook anders zien: de drang naar verandering als uiting van bescheidenheid. Ik vind mezelf ook lang nog niet goed genoeg en weet dat ik nog maar zo weinig weet en begrepen heb. Ik kan niet achterover leunen en het best vinden, dat zou namelijk een zelfoverschatting inhouden.

Het komt er dus op aan in beweging te blijven. Dat ik naar een boekje over taoïsme grijp, komt omdat ik ook wel eens moe ben van bewegen en verlang naar een beetje stilstand. Maar ik hoef er maar over te lezen en het begint alweer te kriebelen. Het is de Grote Onrust (waar misschien Marx een mooi Duits woord voor heeft?).

Wat ik wil is de Grote Onrust in toom houden zonder hem stil te leggen. Een rustige schil van dagelijks leven, om een innerlijke kern die constant in beweging blijft, groeit en ontwikkelt. Zonder materialisme na te streven en zonder calvinistisch te zijn. Ik zoek nog even verder en hou jullie op de hoogte.



Bookmark and Share
Comments

Taoïsme en de wortel van het geluk

taoisme
Kluizenaarschap lijkt mij soms heel aantrekkelijk. Je terugtrekken in een grot, heel stil leven, zonder veel beweging en ophef, tot uiteindelijk zelfs de gedachten stilvallen. Of in een klooster, met een grote moestuin waar je 's ochtends werkt om 's avonds te kunnen eten. 's Middags boeken lezen en elke nacht acht uur slaap. Jammer alleen dat het bruid-van-God-aspect erbij komt kijken.

Ik weet wel dat dagdromen als deze nooit verwerkelijkt zullen worden. Maar een klein beetje kluizenaar en een snufje kloosterling zou toch wel moeten kunnen in het dagelijkse, eenentwintigste-eeuwse leven? Op zoek naar inspiratie las ik (want ik ben zo iemand die een boek pakt als ze inspiratie zoekt, terwijl je ook gewoon zou kunnen beginnen met tomatenplantjes zaaien) een werkje over Taoïsme, van Patricia de Martelaere. Zij is een filosoof (was, moet ik zeggen, want ze overleed in 2009 op 51-jarige leeftijd) van de Westerse stempel, met een grote kennis van de Chinese taal en filosofie. Een goede inleider voor een onderwerp dat toch een beetje zweverig kan zijn - althans daar was ik bang voor.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

10 schrijvers en denkers over Levenskunst

1. Schrijven is een vorm van zelfonderzoek. Door je gedachten te ordenen en onder woorden te brengen, vergaar je zelfkennis. Zelfkennis is een voorwaarde voor een goed leven: je leert omgaan met de veranderlijke aard van het leven. Schrijven biedt daarbij een houvast, maar ook de mogelijkheid om op onderzoek uit te gaan en ideeën uit te proberen. Had Montaigne nu geleefd, dan had hij vast een weblog gehad. Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid

2. Lezen is een vorm van zelfonderzoek. Filosofische of literaire teksten, zoals de maximes van La Rochefoucauld, confronteren de lezer met zijn waarden, door een andere (interpretatie van de) werkelijkheid voor te spiegelen. Soms is die confrontatie zo heftig dat je liever niet verder leest. Maar juist dan is het zaak om zo eerlijk mogelijk jezelf in de ogen te zien. La Rochefoucauld: Authenticiteit en eigenbelang – het lastige evenwicht van de honnête homme

3. Schep je eigen waarden, los van de groep. Mensen zoeken aansluiting bij groepen en ideologieën, omdat ze onzeker zijn en beschermd willen worden. Maar dat werkt je eigenlijk alleen maar tegen. Er is geen set van gegeven waarden die absoluut is en waar je je aan moet conformeren. Levenskunst gaat om het zoeken en scheppen van je eigen waarden. Friedrich Nietzsche: ‘De dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst

4. Er zijn geen antwoorden, alleen standpunten. Als God dood is, is dan alles geoorloofd? Misschien, misschien ook niet. De literatuur kan beide antwoorden in hetzelfde werk geven, zoals in de grote romans van Dostojevski. Hij toont meerdere theorieën en gezichtspunten zonder een oordeel te vellen. Het is aan de lezer om de polyfone perspectieven te onderzoeken en tegen elkaar af te wegen en zijn eigen standpunt in te nemen. Fjodor Dostojevski: Mensen zijn dom en slecht

5. Levenskunst is zorg voor jezelf. Het doel van levenskunst is vrijheid. Datgene wat de vrijheid om je leven vorm te geven zoals je wilt in de weg zit, verdient de meeste zorg. Je leeft en zorgt altijd in een context en de vrijheid daarin is altijd beperkt. Zorg voor jezelf brengt daardoor automatisch zorg voor de ander met zich mee. Michel Foucault: Het leven een kunstwerk

6. Ook loslaten is deel van levenskunst. In de mystieke ervaring of roes verlies je je kenmerkende eigenschappen en val je buiten de heersende moraal. Het is belangrijk om de mystieke ervaring niet meteen op te vullen met allerlei gegevenheden, maar te onderzoeken. Hoe stevig sta je in je schoenen, als de grond onder je voeten verdwijnt? Robert Musil: Mystiek zonder God

7. Authenticiteit kan niet zonder het gemeenschappelijke. De bron van een authentieke levenshouding ligt in het individu, maar krijgt pas echt gestalte in relatie tot de ander. Dialoog en het onderzoeken van gedeelde waarden zijn essentieel in het vormgeven van je eigen leven. Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’

8. De mens is absoluut vrij en absoluut alleen. Er zijn een paar gegevenheden in het leven, zoals je geslacht en je afkomst, maar er is geen doel of opdracht. Door keuzes te maken en je bewust te zijn van je verhouding tot de buitenwereld, schep je het project van je eigen leven. Pas in de praktijk van het existeren, ontstaat er zoiets als een essentie of basis. Jean-Paul Sartre en het existentialisme

9. Cognitieve afwegingen leiden tot goede keuzes. Er zijn altijd meerdere opties als je voor een beslissing gesteld staat. Die verschillende opties kun je onderzoeken, rationeel en emotioneel en met gebruik van je voorstellingsvermogen. Dan zal je wil de juiste keuze maken en daarvoor gaan. De toekomst staat niet vast; je hebt de macht haar met je vrije wil te veranderen. Peter Bieri / Pascal Mercier: Levenskunst als denkproces

10. Middenin de pijn staan en hard stampen. Via onderzoek naar je meest pijnlijke en duistere ervaringen, kom je tot de kern van wat het betekent om mens te zijn en jezelf te zijn. Hoe doe je dat? Door veel te lezen en door te schrijven. Want, zo leerde Montaigne al: schrijven is een vorm van zelfonderzoek. Michel Houellebecq: alleen in boeken jezelf kunnen zijn

Kijk de volledige lezingen over deze schrijvers en denkers terug via de website van Studium Generale.



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

10 filosofische vragen op weg naar zelfkennis

vraagteken
Zelfkennis is een belangrijk thema op dit blog. Filosofische zelfkennis welteverstaan, niet zelfkennis die berust op psychologie van de koude grond, waar zelfhulpboeken zo goed in zijn. Wat is dan filosofische zelfkennis en hoe kom je eraan? Dat is iets waar ik de komende tijd vaker over zal berichten. Zelfkennis krijg je pas als je een nietsontziende eerlijkheid tegenover jezelf bezigt en jezelf voortdurend een spiegel voorhoudt.

Hieronder tien vragen om jezelf te stellen, op weg naar filosofische zelfkennis. Het zijn vragen die eerder voorbij zijn gekomen, onder elkaar gezet met linkjes erbij naar de betreffende posts. Lijkt een beetje op een zelfhulpboek? Misschien. Ik spreek je aan de andere kant nog wel. Eén ding nog: neem nooit genoegen met je eerste antwoord.
Lees ook 10 filosofische vragen om over het verhaal van je leven na te denken

Ik begin met een trits vragen die aan de oppervlakte raken.
1. In welk hokje zou ik mezelf stoppen? Oftewel: wie ben je en waar onderscheidt zich dat door? Iedereen bezit bepaalde kenmerken, die je een identiteit geven in de buitenwereld. Welke daarvan vind je belangrijk? Hoogopgeleid zijn, kinderen hebben, hedonist of asceet zijn. Of de kenmerken verder gaan dan de buitenkant, doet er even niet toe.

2. Tot welke groep behoor ik? Deze vraag sluit aan op 1, maar heeft te maken met het milieu waarmee je je identificeert. Je behoort tot meerdere groepen in de maatschappij, maar met welke voel je je verbonden: studenten, werkende moeders, Marokkanen of bejaarden? En waarom?

3. Welke materiële zaken dragen dat uit? Ik was drie dagen op reis voor Studium Generale en kwam erachter dat mijn mobiele internet niet werkt in Berlijn. Dat zorgde voor enige paniek, maar ook had ik meteen aansluiting met de andere internetverslaafden in de groep. (Zie ook: Help, wie ben ik!)

Wie je bent, heeft te maken met hoe je verschilt van al die andere mensen op de wereld. Niet alleen aan de buitenkant en in de statistiek, maar ook in je opvattingen en overtuigingen.
4. Ben ik een optimist of een pessimist? Lijkt makkelijk, maar er zit meer achter dan je denkt. (Zie ook: Pessimisten zijn niet intelligent, maar ongelukkig)

5. Hoe verdeel ik de mensen om me heen? Als je het hebt over anderen, welke tweedelingen breng je dan aan? Zij die veel eten onder stress en zij die niets meer kunnen eten. Zij die vinden dat ze altijd te weinig doen terwijl ze heel veel werk verzetten en zij die geen last hebben van de Grote Onrust. Waarom zijn die criteria belangrijk? Ben je blij met de kant waar je zelf staat? (Zie ook: 3 manieren om de mensheid op te delen)

Als je heel veel losse eindjes hebt verzameld, heb je nog geen duidelijk beeld van jezelf, eerder information overload. Zelfkennis is óók gestructureerde kennis, die een verhaal maakt van het verleden en richting geeft aan de toekomst.
6. Wie is mijn voorbeeld? Om je betere ik te realiseren (uiteraard een proces dat je nooit kunt voltooien), moet je weten wat dat betere ik is, en om daar achter te komen, heb je een voorbeeld nodig om je op te richten. Het voorbeeld van Nietzsche was Schopenhauer, wie is dat van jou en waarom? Niet meteen zeggen: je vader. (Zie ook: Word wie je bent)

7. Vul in: Ik ... dus ik ben. Niet alleen oppervlakkige kenmerken en karaktereigenschappen bepalen wie je bent. Door je keuzes bepaal je hoe je je leven vormgeeft. Wat ligt er aan de basis van je beslissingen? Wat maakt het hart van jou als mens uit? (Zie ook: Wat maakt dat je dus bent?)

Dan is het nu tijd voor absolute eerlijkheid, een strenge blik in de afgrond van de ziel.
8. Kun je leven met de keuzes die je hebt gemaakt? Als je keuzes maakt, wordt één optie werkelijkheid en de rest verdwijnt in het niets. Kun je dat tegenover jezelf verantwoorden of heb je spijt van je beslissingen? (Zie ook: Over gewetensvragen: nogmaals Peter Bieri)

9. Wat is de leugen van jouw leven? De droom die de mens als een wortel voor zijn eigen neus laat bungelen, die hem op gang houdt, maar die voor altijd onbereikbaar blijft. 'Mijn leven is draaglijk omdat ik me altijd dommer voordoe dan ik ben.' Of: ooit ga ik op wereldreis, want ik ben eigenlijk niet zo burgerlijk als het lijkt. (Zie ook: Lebenslüge: even kennismaken)

10. Zou je jezelf je eigen leven toewensen? En wat als het antwoord daarop 'nee' is? (Zie ook: Zou je jezelf je eigen leven toewensen?)



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Over gewetensvragen: nogmaals Peter Bieri

slang
Kun je leven met de herinnering aan identiteiten die je hebt verworpen? Het is een gewetensvraag zoals die wel vaker langskomen op dit blog, deze keer in de formulering van Peter Bieri (eigenlijk: Joep Dohmen over Peter Bieri). Levenskunst is volgens Bieri een bewust denkproces, waarin de afweging van keuzes centraal staat. De rationele afweging resulteert vervolgens in de wil om iets te doen. (Zie ook Levenskunst als bewust denkproces.)

Als je een keuze maakt om iets wel of niet te doen in je leven - wel of niet studeren bijvoorbeeld - betekent dat automatisch dat minstens één optie geen werkelijkheid wordt. Je kunt immers niet én wel studeren én niet studeren. Een van de twee moet het onderspit delven. En dan rijst de vraag: Kun je leven met de herinnering aan identiteiten die je hebt verworpen?

Hoe ouder je wordt, hoe indringender deze vraag klinkt. De rij met opties in de kolom 'verworpen' wordt langer en langer, de kolom 'gekozen' heeft na een paar groeistuipen een haast definitieve vorm aangenomen - een vorm die meestal gedrongen zal zijn, maar in elk geval altijd schril zal afsteken bij de lange rij verworpen keuzes.

Is dat erg? Ik denk dat het wel meevalt. Juist het denkproces dat voorafgaat aan een levensbelangrijke beslissing, moet ervoor zorgen dat je geen spijt van die beslissing krijgt. Het antwoord op de vraag of je met die verworpen identiteiten kunt leven is dan automatisch 'ja'. Als je alle opties hebt afgewogen en de wil je in de richting van een keuze brengt, is spijt niet meer van toepassing.

Ik weet niet of Bieri het over spijt heeft, dat is wat ik ervan maak. Ik kreeg het Handwerk van de vrijheid voor mijn verjaardag, dus ik zal het binnenkort controleren. Spijt hebben over een beslissing die je bij je volle bewustzijn hebt gemaakt, na een gedegen innerlijk onderzoek, is onzinnig. Deze opvatting heeft me wel eens in de problemen gebracht. Ik heb keuzes gemaakt die niet handig waren, maar waar ik toch geen spijt van wilde betuigen. Men denkt dan al gauw dat je er geen verantwoordelijkheid voor wilt nemen.

Terwijl het precies andersom werkt: als ik zeker weet dat ik die keuze niet anders had kunnen maken, omdat ik met alle informatie die ik had nu eenmaal dit heb gekozen, moet ik juist verantwoordelijkheid nemen. Als ik spijt krijg en zeg: ik had het anders moeten doen, had ik maar geweten wat ik nu weet, dan schuif ik mijn verantwoordelijkheid af, in de hoop op vergeving. Ik kan bij mijn volle verstand een achterlijke keuze maken. Weet je wat, het is achterlijk maar ik doe het lekker toch. Zolang ik maar onthoud dat donders goed weet dat het belachelijk is.

De vraag van Bieri moet je jezelf dus niet achteraf stellen, omdat je ervoor moet zorgen dat je dan het antwoord al weet. Achteraf is het een retorische vraag: Kun je leven met de herinnering aan identiteiten die je hebt verworpen? Uiteraard, want ik weet waarom ik ze verworpen heb. De vraag is de stem van het geweten tijdens het denkproces. Als ik kies om niet te studeren, kan ik dan leven met de gedachte aan een gemiste studie?

Eigenlijk moet je de vraag dus herformuleren zodat hij op de toekomst is gericht. Nog mooier is om een vraag te stellen over de eindeloze mogelijkheden die nog voor je liggen. Dat zegt Bieri ook: je moet je de verwerkelijking van alle mogelijkheden tot in detail voorstellen. Wat houdt mijn leven in als ik A kies? Hoe ziet mijn dag eruit bij B?

Het is de filosofische omkleding van een alledaagse wijsheid: dat je niet op een dag wakker wilt worden om te beseffen dat je leven voorbij is zonder dat je hebt gedaan wat je wilde. Dan kun je met recht spijt hebben. Eigenlijk komt levenskunst erop neer dat je ervoor zorgt dat je nergens spijt over hoeft te hebben. Dan doe ik het nog best aardig.



Bookmark and Share
Comments

Levenskunst als bewust denkproces: Peter Bieri / Pascal Mercier

peter_bieri
Hoe zou mijn leven zijn geweest als mijn ouders niet waren geëmigreerd toen ik klein was? Wat was ik geworden als ik niet was gaan studeren? Iedereen denkt wel eens na over al die onvervulde mogelijkheden in het leven. Je kunt niet én studeren én niet studeren. Het is een leuk denkspelletje, maar ook bittere ernst. Juist door bewust je mogelijkheden na te gaan en je een voorstelling te maken van wat voor gevolgen verschillende keuzes zouden hebben, leef je bewust en word je wie je bent. Levenskunst is ook een cognitief proces, zo betoogt de Zwitserse filosoof Peter Bieri.

Het Handwerk van de vrijheid is het filosofische hoofdwerk van Bieri, die onder het grote publiek vooral bekendheid geniet als Pascal Mercier, schrijver van Nachttrein naar Lissabon. Het filosofische en literaire werk zijn nauw met elkaar verbonden. Juist de verbeelding en expressie krijgt in Bieri's filosofie een grote rol toebedeeld, en in zijn romans kan hij laten zien hoe dat in zijn werk gaat.

De titel Handwerk van de vrijheid laat zien dat voor Bieri levenskunst een proces is ('handwerk') waar je aan kunt werken en dat tot op zekere hoogte te controleren is. 'Over de ontdekking van de vrije wil' luidt de ondertitel en een analytische benadering van de wil vormt de basis van Bieri's filosofie. In de lezing voor de serie Levenskunst over Bieri, zette professor Joep Dohmen deze analyse van de wil uiteen. Kort gezegd gaat aan de wil een veelheid van wensen vooraf. De wil is de wens die uiteindelijk gekozen wordt, na afweging van mogelijkheden en middelen. Hij is een oordeel over de verschillende wensen die je hebt en uit zich in een bereidheid dat oordeel te volgen. Bieri gaat dus uit van een vrije wil, die uit een denkproces ontstaat.

Door de nadruk op de wil te leggen, komt een heel nieuw thema aan de oppervlakte in het denken over levenskunst, zoals we dat in de voorgaande lezingen hebben gehoord. Niettemin komen ook bij Bieri vragen terug die bij de andere denkers en schrijvers spelen: over de vrijheid en over de taal bijvoorbeeld. Voor Bieri hangt vrijheid samen met een open toekomst, waarin de wil speelruimte heeft. Het denkspelletje is ernst: maak je in een toekomst die open ligt een keuze, dan zal dat ook echt invloed hebben op het verloop van die toekomst. En een andere keuze maken is mogelijk, door de speelruimte van de wil.

Hoe kom je er dan achter wat te kiezen? Hierbij spelen taal en verbeelding een rol. Staande op een cruciaal punt in je leven (studeren of niet studeren? kinderen of geen kinderen?), moet je met je voorstellingsvermogen aan de slag. Door de consequenties van de verschillende keuzes te verbeelden, kun je de keuzes tegen elkaar afwegen. Hoe ziet mijn leven eruit als ik niet ga studeren? Wat betekent dat écht? En als ik wel ga studeren? Het is een heel geconcentreerde vorm van kiezen, werkelijk bewust leven, zoals Joep Dohmen benadrukte.

De expressie in taal is een ander thema dat in de loop van de reeks steeds is teruggekomen, en ook bij Bieri prominent aanwezig is. Dat heeft twee kanten. Het gaat om het verwoorden van wat je wilt en wie je bent, want pas door dat heel precies uit te drukken (te articuleren, zegt Bieri) kom je erachter wat dat is. Zomaar wat roepen is hetzelfde als zomaar wat kiezen: het kan nooit eigen zijn, van jezelf. Aan de bewuste keuze gaat een bewuste bewoording in de taal vooraf.

Maar dat kan geen mens zomaar. Niemand wordt geboren met een duidelijke articulatie, letterlijk en figuurlijk. Die moet je leren van anderen. Bijvoorbeeld door het zien van films, het spreken met vrienden en het lezen van boeken. Dat houdt de verbeelding aan het werk, zet je aan tot reflectie en scherpt je vermogen om jezelf uit te drukken. Eigenlijk precies wat Studium Generale ook met de reeks Levenskunst beoogt (may I add: wat ik ook met dit blog beoog). Op 8 juni is alweer de laatste lezing, zorg dat je erbij bent om met een veranderde blik op de wereld de zaal weer te verlaten!

Bekijk de lezing Hoe eigen ik mezelf toe?

De onbekende uit mijn droom was niet bij de lezing over Peter Bieri, maar des te meer bekenden, wat natuurlijk veel leuker is. Hierboven het stuk dat ik voor het Studium Generale nieuwsblog over de lezing schreef.



Bookmark and Share
Comments

Wat maakt dat je dus bent?

afgrond
Ik berichtte al eerder over het project 'Dus ik ben', dat bestaat uit een boek en een website. Over het boek van Rob Wijnberg en Stine Jensen ben ik niet wildenthousiast, het weblog waar gasten hun eigen invulling geven van het beroemde 'Ik denk, dus ik ben' biedt veel stof tot nadenken. Een sympathiek project, waarin de filosofische twijfel voorop staat. Waar interessante mensen laten zien dat intelligentie eerder te maken heeft met het niet-weten dan met het weten. Helemaal op en top filosofie dus.

Je ontkomt er niet aan het jezelf voor te leggen: Ik ..., dus ik ben. Probeer het, en je begrijpt meteen die weifelende, nadenkende toon in alle stukken. Het is namelijk verdomde moeilijk. In mijn recensie schreef ik ironisch 'Ik lees, dus ik ben' en 'Ik word gelezen, dus ik ben'. Maar dat voelt tweedehands. Je bent zonder object ook iets. Gaat het dan om taal? Of om gezien worden? Of nog abstracter? Ik neigde al gauw naar - hoe verrassend - ik denk, dus ik ben, of liever ik denk na, dus ik ben. Is dat niet prachtig? Door zo'n 'opdracht' kom je uit eigen denkbeweging uit op een van de beroemdste filosofische stellingen die er bestaan. Om achteraf pas op te merken dat die invulling niet heel origineel is.

Verder dus maar. Wat maakt dat ik ben? Fundamenteler vragen krijg je niet gauw. Ik moest denken aan de levenskunstlezingen, waarin het steeds gaat over vrijheid, kiezen, beweging. Dat is de hoek waar ik het zoeken moet. Ik kies, dus ik ben? Ik ben vrij, dus ik ben? Alleen al om de lelijke formulering valt de laatste af. En niet elke keuze maakt dat je bent, het gaat om de keuze tegen jezelf en anderen in, een vrije keuze vanuit hoofd en hart, een gedurfde keuze.

Ik durf, dus ik ben! Nu ben ik niet de meest avontuurlijke persoon op aarde. Je hoort mij niet over bungeejumpen, jungletochten of hallucinatoire experimenten. (Bang ben ik ook niet, hoor.) Ik maakte eens een bergwandeling over een besneeuwd pad, langs een diepe afgrond vol rotsen. Halverwege ben ik omgekeerd. Ook al was het even ver om terug te gaan als heen. Toch herinner ik me dat moment niet als een nederlaag, maar eerder als een overwinning. In dit geval was 'nee' de juiste beslissing. Ik keek in de afgrond, de duizelende afgrond van Sartre, en het boeide me niet wat de anderen ervan zouden denken. Ik ging terug, wat een opluchting. Dus toch kiezen? Ik durf te kiezen, dus ik ben?

Al deze dingen dacht ik gisterenavond, vlak voor ik ging slapen. Eindelijk was ik eruit: ik durf te kiezen, dus ik ben. Ook als kiezen betekent: teruggaan. Het beeld dat erbij hoorde: de foto die iemand van mij maakte op de besneeuwde richel, waar ik al half omgekeerd sta, op weg terug (sorry, niet digitaal beschikbaar).

Was ik er echt uit? 's Nachts ging in een droom mijn gedachtegang verder. Ik liep met iemand te praten, een onbekende. Ik vertelde hem mijn bevindingen, trots dat ik een origineel standpunt voor mijzelf had ontdekt. Hij zei: 'Het gaat je er dus eigenlijk om, altijd voor jezelf te kiezen. Ook al is het een "nee". Je stelt je eigenbelang voorop. Dan moet je zeggen: Ik ben egoïstisch, dus ik ben.' Ik sputterde tegen, maar moest die onbekende cynicus toch gelijk geven.

Vanochtend dacht ik verder. Wat kon ik tegen hem inbrengen? Want zo zat het toch niet, dat elk kiezen egoïstisch is? Dat is in elk geval niet wie ik ben of wil zijn. Ik dacht terug aan de mens, wiens hersenstructuur is ingesteld op betekenis geven en daarmee op sociaal gedrag (Een steen als een mens). En ik dacht aan het pact dat Castorp en Claudia in De Toverberg sluiten vóór Peeperkorn (Notities van een synestheet). En aan de beschrijving van loyaliteit door Pascal Mercier in Nachttrein naar Lissabon: 'Daarom kwam het op loyaliteit aan. Dat was geen gevoel, zei hij, maar een wil, een beslissing, het partij kiezen door de ziel.'

Zijn dat niet de meest gedurfde keuzes, vóór iemand gemaakt en dóór de ziel gaand? Ik denk het wel. Jammer genoeg komen dit soort tegenwerpingen altijd te laat. Ik zal ze die onbekende nooit meer kunnen meegeven. Of zou hij toevallig morgen bij de Levenskunstlezing over Pascal Mercier aanwezig zijn?



Bookmark and Share
Comments

Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent


'A man for all seasons' werd Thomas More door zijn vrienden genoemd. En die vrienden waren zelf al niet de minste: Erasmus was More's beste vriend. In een brief schreef More aan hem 'my darling', en Erasmus hield het bij mellitissime Thoma ('zoetste Thomas'). 'A man for all seasons' klinkt in hedendaagse oren misschien niet direct als een aanbeveling. Het riekt naar draaikonterij en opportunisme of naar de manier waarop verschillende mensen en partijen voorgangers claimen. Nietzsche is in die zin ook een man voor alle seizoenen (van de massaliteit van de nazi's tot de artistieke Einzelgänger), net als alle filosofen van de Verlichting. Lees verder
Comments

Over liefde: Solovjov en Kierkegaard

vladimir_solovjov
Vladimir Solovjovs Over liefde stond al jaren op mijn 'nog te lezen'-lijst. Het duurde tijden voor ik het tweedehands op de kop kon tikken, toen stond het nog een tijd te verstoffen op de plank en nu ik het eindelijk heb gelezen, vraag ik me af waarom. Ik kan de redenen niet meer terughalen die ik ooit had - het zal naar aanleiding van een artikel of boek zijn geweest. Aan de andere kant: doe mij een negentiende-eeuwse Rus, ik ben hoe dan ook geïnteresseerd.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Wensdroom: wortel worden

wortel
Een ascetisch leven in een verlaten grot, ergens in een vergeten eiland in de Egeïsche Zee: een beetje overdreven natuurlijk, maar toch een steeds terugkerend idee. Een ideaalbeeld, overdreven zoals het een ideaalbeeld betaamt. Misschien kan ik het beter uitleggen als ik zeg: ik wil een wortel zijn.

Ja, heel duidelijk uitgelegd inderdaad! Een wortel?! En wat heeft dat met een grot te maken?

Het leven in een verlaten grot is een leven los van alle verleidingen, van al het teveel, los van alle anderen. Een ascetisch leven - niet in de christelijke, priesterachtige zin, maar eerder in de Romeinse. En wat gebeurt er als je lang genoeg in een grot leeft? Dan ga je eruit zien als een wortel. Lees verder
Comments

Stine Jensen en Rob Wijnberg: Dus ik ben

dus_ik_ben
Een weblog, artikelen in nrc.next, een televisieprogramma (dit najaar bij HUMAN): Dus ik ben is niet alleen een boek, maar een project. Stine Jensen en Rob Wijnberg zetten bij hun zoektocht naar de moderne identiteit alle middelen in die tegenwoordig voorhanden zijn. Mensen zijn uitgenodigd online 'mee te denken', samen met onder anderen Robbert Dijkgraaf, Arie Boomsma en Sunny Bergman. Had het boek niet het sluitstuk van het project moeten vormen in plaats van een tussenstand te geven?

Lees verder op 8WEEKLY: Op zoek naar de moderne identiteit
En lees ook mijn (oudere) recensies van Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant en Stine Jensen, Dokter Jazz
Comments

Namendiefstal

Radboudstichting wordt Stichting Thomas More

Je bent een goedwillend mens, een brave burger. Je paspoort is bijna verlopen, dus je vraagt ruim op tijd een nieuwe aan. Maar het pakketje met nieuwe paspoorten, waarin ook dat van jou zit, bereikt nooit het gemeentehuis. Onderweg is het gestolen door mensenhandelaars en andere onderwereldfiguren. Dan word je midden in de nacht ruw uit bed gehaald door agenten met kogelvrije vesten en getrokken pistolen. ‘Meekomen!’ ‘Maar ik heb niets gedaan, ik ben een goedwillend mens, een brave burger,’ probeer je. Helaas, je naam is niet meer van jou. Identiteitsfraude, heet dat met een juridische term. Het betekent meer dan een regel in het strafboek. Je bent niet alleen je paspoort kwijt. Je bent jezelf kwijt.

In zo’n geval zit er soms maar één ding op: je naam veranderen.

De vergelijking met mensenhandelaren en onderwereldfiguren lijkt misschien wat overdreven. Toch helpt het om je voor te stellen hoe het is als iemand opeens jouw naam gaat gebruiken, zoals de Radboudstichting overkwam. Iemand pikt niet alleen je naam, maar slaat de spiegel waarin je jezelf altijd hebt herkend in gruzelementen. Het ergste zijn de mensen die niet begrijpen hoe ernstig dat is, die zeggen, ach het is maar een naam, een paspoort. We helderen het op en gaan over tot de orde van de dag. Die orde bestaat namelijk niet meer.

U merkt wel, namen liggen nogal gevoelig bij mij. Ondergetekende (kijk nog maar eens goed) is nooit slachtoffer geweest van paspoortroof of identiteitsfraude, maar kampt met een ander probleem, dat hiermee te maken heeft. Ik moet mijn naam altijd spellen. Ik heet geen Miriam Rasch, maar Miriam-met-een-i Rasch-met-es-cee-ha. En dan vragen ze nog niet eens naar mijn tweede naam (Dueholm). Ook al spel ik mijn naam, de meeste mensen noemen me Mirjam, Myriam of zelfs Meriam. Tas, Los, Ros, Hasj. Vrienden die ik al jaren ken, denken nog steeds dat ik Mirjam heet. Ze schrijven het zelfs op de uitnodiging voor hun bruiloft. ‘Ik kom niet hoor!’ roep ik dan. (Ik ga natuurlijk wel en zet met grote, zwierige letters mijn naam in het gastenboek.)

Ik kan me erg opwinden over verkeerd gebruikte of gespelde namen. Niet omdat ik een frikkig type ben dat met een rietje de misspeller op de vingers wil tikken. Mensen die niet weten hoe je heet, weten ook niet wie je bent. Ze beroven je van je identiteit. Een Mirjam is anders dan een Miriam. En mevrouw Los een ander dan (mejuffrouw) Rasch.

Daarom kan ik me heel goed voorstellen wat de Radboudstichting heeft bewogen om haar naam te veranderen. De grote vraag is alleen: wat zou Thomas More ervan denken?

Miriam Rasch

[verschenen als column in More 85, april 2010. Kijk ook op www.thomasmore.nl] Lees verder
Comments

Jean-Paul Sartre en het existentialisme

levenskunst
‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’ Hele generaties zagen deze woorden van Jean-Paul Sartre als strijdkreet. Woorden die een vrij leven mogelijk maakten. Maar wat betekent het eigenlijk, dat de existentie aan de essentie vooraf gaat? Professor Maarten van Buuren (Moderne Letterkunde, UU) legt het in zijn lezing voor de serie Levenskunst uit aan de hand van sprekende voorbeelden en persoonlijke inzichten.

Sartre baseerde zich in zijn denken op de fenomenologie van Edmund Husserl. Deze filosoof beschreef als eerste het bewustzijn als iets wat níet als een kern in de mens zit. Zijn definitie van bewustzijn was ‘Bewustzijn is bewustzijn ván iets’. Met andere woorden: het bewustzijn bestaat uit een verhouding met de buitenwereld. Er is niet zoiets als een essentie, die je een vooropgesteld levensdoel of richtsnoer geeft. Nee, pas door je verhouding tot de buitenwereld in het bewustzijn, existeer je en kun je iets van je essentie herkennen. Vandaar: ‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’

Dat brengt een enorme vrijheid met zich mee, want existeren doe je helemaal zelf. De mens is volgens Sartre nu eenmaal veroordeeld tot de absolute vrijheid, los van alles en iedereen. Dat kan beangstigend zijn, maar ook juist heel optimistisch stemmen. Het is opvallend hoe vol beweging en activiteit de filosofie van Sartre zit – beweging die Maarten van Buuren in zijn enthousiaste en levendige presentatie ook tot uiting brengt.

Die beweging begint al helemaal aan het begin van het leven, als de mens in het bestaan ‘geworpen’ wordt. Van Buuren vergelijkt het met een survivaltocht: je wordt gedumpt in de jungle met een rugzakje om, maar zonder opdracht en zonder doel. Er zijn een paar gegevenheden, zoals je rugzakje, maar ook je geslacht en in welk land je gedropt bent. Vanaf dat moment moet je het echter zien te rooien. Allereerst met je bewustzijn, dat ook een activiteit is: ‘een pijl die je afschiet’. Door bewust keuzes te maken ontwerp je je eigen existentie. Sterker nog: je moet een sprong wagen in het project dat je leven is.

Vaak gaat het niet zo makkelijk. De absolute vrijheid is ook een last. Van Buuren beschrijft de val van het existentialisme, een val in het absolute niets. Dat is het besef van het ontbreken van een vooraf gegeven essentie. In je jeugd heeft alles nog een doel en een betekenis, maar het existentialisme prikt door deze illusie heen. Een pijnlijk moment, dat Van Buuren uit eigen ervaring kent.

In de serie Levenskunst draait het om de manier waarop denkers en schrijvers kunnen helpen bij de morele opgave iets van je leven te maken. Wat zeggen zij tegen je? En wat is jouw antwoord? Maarten van Buuren en Joep Dohmen vertellen openhartig over de manier waarop de schrijvers hen geraakt en beïnvloed hebben, zonder daarbij het wetenschappelijke perspectief te verliezen.



Bookmark and Share
Comments

Een steen als een mens

'Onze hersenen nemen niet simpelweg een stoel, een theekopje of een appel waar; ze representeren het gezien object onmiddellijk als wat kan ik ermee doen - als een 'affordance', een stel mogelijke gedragingen. Er bestaat, zo blijkt nu, geen onderscheid tussen perceptie en handeling zoals in de filosofie van oudsher is gedacht. Onze hersenen maken gebruik van een gemeenschappelijke codering: alles wat we waarnemen wordt automatisch voorgesteld als een factor in een mogelijke interactie tussen onszelf en de wereld.' (Thomas Metzinger, De egotunnel)

Deze gedachte ontroert mij erg. Waarom? Zulke verregaande functionaliteit is toch eigenlijk vreselijk, kun je zeggen. Waar blijft de filosofie, de ethiek? Goh, een steen, daar kan ik een huis mee bouwen of een dier mee doden. Ik lees dit anders. Interactie tussen onszelf en de wereld, dat gaat een stap verder dan alles in de werkelijkheid als functioneel beschouwen. De wereld, dat zijn de anderen. Zo bezien staat hier dat de mens in zijn hersenen is voorgeprogrammeerd tot sociaal gedrag. Hij treedt alles én iedereen tegemoet met de vraag: wat moet of kan ik hiermee? Met andere woorden: wat betekent dit voor mij? Lees verder
Comments

Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’

levenskunst
Authenticiteit is een kernbegrip in de literatuur en filosofie, zo blijkt uit de serie Levenskunst. Joep Dohmen en Maarten van Buuren komen in hun lezingen en discussies steeds hierop terug. Wat het inhoudt, hoe je authentiek wordt en in welke verhouding het authentieke individu tot de gemeenschap staat: daarop is geen eenduidig antwoord te geven. De lezing van Joep Dohmen over de hedendaagse filosoof Charles Taylor – schrijver van onder meer The Ethics of Authenticity – cirkelde rond deze vragen.

Taylor is vooral bekend van zijn magnum opus Sources of the Self (in het Nederlands verschenen als Bronnen van het zelf, met een voorwoord van Joep Dohmen). Daarin stelt hij dat in de tweede helft van de twintigste eeuw de moraal impliciet is geworden. Niemand heeft het er nog openlijk over, het ethische is teruggedrongen tot in de persoonlijke sfeer. Een van de manieren om de moraal weer expliciet te maken is door het authenticiteitsbegrip.

Iedereen kan wel een vage omschrijving geven van wat het betekent om authentiek te zijn: trouw blijven aan jezelf, vanuit jezelf leven. Maar dat is te makkelijk. Een belangrijke kwestie is de relatie tussen het authentieke individu en de gemeenschap. Volgens Taylor is authenticiteit niet hetzelfde als de liberale zelfbeschikking, die uitmondt in ‘doe maar wat je wilt’. Weliswaar ligt de bron in het individu, maar authenticiteit krijgt pas echt gestalte in de verhouding tot het gemeenschappelijke. Dialoog met anderen en het bepalen van een gedeelde horizon van waarden is essentieel. Zo ontstaat een zekere ‘sociale authenticiteit’.

Wat iedereen wil weten is natuurlijk: hoe word ik authentiek? Zoals alle levenskunst kost ook dit streven tijd en veel moeite. Je moet een ‘reis naar de diepte’ maken. Dohmen spreekt ook van ‘radicale reflectie’, die een persoonlijk referentiekader creëert dat als basis dient voor belangrijke, identiteitsbepalende beslissingen. Steeds weer komt echter terug dat dit persoonlijke referentiekader niet losgeweekt mag worden van een sociaal, gemeenschappelijk kader. Authenticiteit impliceert geen kluizenaarschap, maar contact.

Dit is een heel andere definitie van authenticiteit dan die van bijvoorbeeld Nietzsche of Musil. In de discussie na afloop van de lezing zette Maarten van Buuren vraagtekens bij de ‘sociale authenticiteit’. Kun je überhaupt voorwaarden verbinden aan zo’n begrip? Betekent dat niet meteen een verlies van authenticiteit? Van Buuren legde de nadruk juist op het afzetten tegen de gemeenschappelijke orde. Je bent pas echt jezelf als je afstand neemt van de norm. Maar is afstand nemen van de norm op zichzelf niet ook weer een norm? In elk geval kun je zeggen dat authenticiteit vraagt om een verhouding tot de norm.

Kijk de hele lezing ‘De reis naar de diepte’ terug.



Bookmark and Share
Comments

Perfectionisme? Doe mij maar ijdelheid

ijdelheid
Ik ben best ijdel. Hoe ouder ik word, hoe slechter het te ontkennen valt. Gelukkig ben ik ook lui en pragmatisch. Daardoor valt het niet zo op, die ijdelheid van mij. Aan make-up heb ik een hekel - opmaken kost te veel tijd en het bijhouden is onhandig en vergeet ik. Niettemin: zelfs als ik op zondagochtend de tuin in stap om een lege wijnfles bij het glas te zetten, heb ik mascara op. Als ik een patatje haal op de hoek, check ik eerst mijn haar in de spiegel. En sinds ik mijn eerste rimpel heb ontdekt, is er iets... kapot. Lees verder
Comments

Geheim

Denk eens terug aan de eerste keer dat je een geheim had. Uit de trommel een snoepje gepikt en niemand die het weet. Een wereld gaat open: de binnenwereld. Bij het begin van een nieuw decennium wil ik pleiten voor een herwaardering van het geheim.

Ik pleit niet voor leugens. Wat begint met liegen over een gepikt snoepje, waaiert uit tot gedachten en dromen die je met niemand deelt, omdat er geen woorden voor zijn. Of gewoon omdat je houdt van stilte. Tegenwoordig staan geheimen gelijk aan leugens. Je wilt iets niet prijsgeven? Dan zal je wel iets in je schild voeren. Een geheim is per definitie verdacht. Lees verder
Comments

Michel Foucault: Het leven een kunstwerk

levenskunst
Het lijkt een onwaarschijnlijke stap: van een analyse van het gevangenis- en strafsysteem naar de levenskunst. Zoniet voor de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Beide hebben te maken met vrijheid en de machtsverhoudingen die op die vrijheid inwerken, zo vertelde prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing ‘Het leven een kunstwerk’ in de serie Levenskunst.

Na een schets van het leven van Foucault en een duiding van zijn filosofische werk, kwam de vraag naar Foucaults levenskunst aan de orde. Foucault is verantwoordelijk voor de wedergeboorte van de levenskunst als filosofisch thema, een reus zonder wie we tegenwoordig anders over ons leven zouden denken, aldus Dohmen.

Foucaults levenskunst vindt zijn basis in de klassieke filosofie, een praktische ethiek die de zelfzorg in het middelpunt plaatste. De zorg voor zichzelf was ook meteen een publieke moraal, want de zorg voor de ander zat daarin besloten. Maar wat betekent die zorg voor jezelf? En hoe zit het met die vrijheid en de machtsverhoudingen?

Het doel van de moderne levenskunst is vrijheid. Maar wel vrijheid in de praktische zin van het woord, die uitgeoefend wordt het leven. ‘Vrijheidspraktijk’ noemt Foucault deze vorm van levenskunst. Vrijheid is onlosmakelijk verbonden met genoemde machtsverhoudingen. Zonder vrij te zijn van onderdrukking kun je niet beginnen je leven vorm te geven, en zodra je je leven gaat vormgeven, stuit je op de inmenging en regels van anderen. Vrijheid is altijd gesitueerd. Dat is de grote uitdaging van de levenskunstenaar: hoe ga je om met alle regels, codes en wetten die de moderne maatschappij reguleren.

Hoe ziet dat eruit? Verschillende vragen zijn aan de orde. Wat bedreigt het meest de vervulling van je leven? Dat verdient de meeste zorg. Voor de een is dat zijn lichaam, voor de ander zijn relaties. Voor de klassieke filosofen was lustbeheersing het belangrijkst, voor christenen de zonde. Vervolgens: hoeveel speelruimte heb je bij het in de praktijk brengen van je vrijheid? Hoe werken al die codes en regels op je in? En hoe pak je het aan? Welke middelen gebruik je? Bijvoorbeeld dialoog, meditatie of therapie. De middelen die je kiest zijn natuurlijk afhankelijk van je doel. Wat wil je met je leven? Genot, confrontatie, harmonie? Wat voor kunstwerk wil je maken?

Het lijkt nu alsof elke invulling, elk doel even goed is. Maar Foucault geeft ook aan wat voor hem een goede levenskunst inhoudt. Wanneer is een leven een kunstwerk? Voor Foucault is daarbij openheid en vitaliteit essentieel. Het kunstwerk dat het leven is moet je steeds herscheppen. Maar je moet het in eerste instantie zélf doen.

(Wil je de hele lezing terugzien? Dat kan via deze pagina.)



Bookmark and Share
Comments

Bekentenis over Bekentenissen

rousseau
Al jaren stond hij in mijn kast te verstoffen, tot ik het eind vorig jaar eindelijk aandurfde: Jean-Jaqcues Rousseau en zijn 750 dichtgedrukte pagina's Bekentenissen (1782). Een maand en 234 pagina's verder geef ik het op. Met pijn in het hart, want Rousseau was als een extra huisgenoot van wie je alles meekrijgt - van emotionele crises tot toiletbezoek.

Het begint zo veelbelovend met de wereldberoemde woorden: 'Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.' Deze mission statement eindigt als volgt: 'Ik heb mijn innerlijk blootgelegd zoals U het zelf hebt gezien. Eeuwig Wezen, verzamel de onmetelijke menigte van mijn medemensen om mij heen. Laat ze mijn bekentenissen horen, laat ze jammeren om mijn schanddaden, laat ze zich schamen voor mijn zwakheden. Laat ieder van hen op zijn beurt met dezelfde oprechtheid aan de voet van Uw troon zijn hart blootleggen en laat dan iemand zeggen, als hij durft: "Ik was beter dan deze mens."'
Lees verder
Comments

Monade

monade
'Ik ben toch zeker geen monade!' riep ik eens in een ruzie met een geliefde. Tip: gebruik in ruzies, zeker met geliefden, nooit woorden waarvan je mag aannemen dat de meerderheid van de bevolking de betekenis niet kent. Het komt de ruzie niet ten goede. Dat neemt niet weg dat monade een woord is dat even normaal zou moeten zijn als geliefde of ruzie, even spreektalig zelfs als - pak 'm beet - slet of eikel.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Een oneindig dunne draad

wiskundige_punt
'Mijn ritme veranderde: overdag sliep ik, 's nachts lag ik wakker. Ik begon ook last te krijgen van een soort angstvisioenen, waarbij ik het gevoel had dat alles zich samenbalde tot een compacte massa, kleiner en kleiner, tot er uiteindelijk één loodzwaar punt overbleef. Niet te harden zo zwaar. Daarna raakte de boel weer los en ontstond er een draad, die almaar dunner werd, oneindig lang en dun, en dan weer dikker en weer dunner, heen en weer...'

Herman Finkers was als kind ernstig ziek, vertelt hij in Hollands Diep. Dit angstvisioen stamt uit die tijd. Een herkenbaar visioen, dat gevoel dat je almaar groter wordt, uitdijt als het heelal, tot je opeens weer heel klein en nietig bent, als een wiskundige punt, omringd door oneindig veel andere punten. Loodzwaar inderdaad, zo zwaar dat het net zo goed licht kan zijn.

Dit zo treffend verwoorde visioen verwijst naar een gedeelde menselijke ervaring (mocht Finkers dat nog niet weten, dan verzeker ik het hem hierbij). Een vriend bekende eens schoorvoetend dat hij soms, tijdens een koortsaanval of in een heel zwaarmoedige bui, alle gevoel voor proporties verloor en daar het gevoel voor terugkreeg een lange, uitgerekte draad te zijn. Alsof je in een zwart gat gezogen wordt, dat eindeloos, aan alle kanten aan je trekt, je verplettert onder een enorm gewicht. De deegroller van het niets. Zwarte materie. Er hoorde ook een marcherende stoet bij, van talloze andere draden, die tegelijk reusachtig veel groter en microscopisch veel kleiner waren. Ook dat herken ik. Eenmaal had ik dit visioen als klein kind en vertaalde de hoeveelheid draden of punten of zwarte gaten in Chinezen, omdat ik kort tevoren had geleerd hoeveel er daarvan leven. Meer dan een miljard.

'De angst dat een klein wollen draadje, dat uit de rand van de deken steekt, hard zal zijn, hard en scherp als een naald; de angst, dat dit kleine knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst, dat dit broodkruimeltje, dat nu van mijn bed valt, van glas is en in duizend splinters zal stukspringen op de grond, en de beklemmende vrees, dat daarmee eigenlijk alles gebroken zal zijn, alles en voorgoed; de angst, dat het strookje papier van een opengescheurde envelop iets verbodens is, dat niemand zien mag, iets onbeschrijflijk kostbaars, waarvoor geen enkel plekje in de kamer veilig genoeg is; de angst, dat ik, als ik in slaap val, het stuk steenkool zal inslikken dat voor de kachel ligt; de angst, dat er een of ander getal in mijn hersens zal beginnen te groeien, tot het geen ruimte meer in mij heeft; de angst, dat het graniet is, grijs graniet, waarop ik lig; de angst, dat ik zou kunnen schreeuwen en dat men dan voor mijn deur zou gaan samenscholen en haar ten slotte openbreken; de angst, dat ik mij zou kunnen verraden en alles zeggen, waarvoor ik bang ben; en de angst, dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat niets is uit te spreken, - en de andere angsten... de angsten.'

Rilke voegt met deze beschrijving van het visioen, uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge, nog iets toe: wol. Voor mij hebben wollen pluisjes evengoed met het visioen te maken. Daarom is die eerste zin ook zo treffend. Maar wat wol ermee te maken heeft? Misschien is het de structuur: wol vormt eenheid, maar vol lucht (lege materie) en die piepkleine pluisdraadjes die eruit steken zijn nu eenmaal onverdraaglijk. Op de kleuterschool hadden mijn vriendinnetjes en ik eens voor de grap een vel papier versnipperd en in de lucht gegooid. Het sneeuwt! De juf was boos. We moesten alle snippertjes een voor een oprapen van de vloer. Nog steeds voel ik het kippenvel dat de pluizige vloerbedekking mij gaf, toen ik met duim en wijsvinger die snippertjes probeerde te pakken. Een vormende ervaring.

Hoe het visioen te verklaren, deze gedeelde menselijke ervaring (vier casussen, uit drie landen, drie generaties en twee sekses)? Het uitdijende heelal, de zwarte gaten en de microscoop wijzen een mogelijke weg om het visioen te duiden. Het gaat om afstand. De allergrootste afstand - die tussen sterrenstelsels en tot aan het einde van de ruimte; en de allerkleinste afstand - van deeltjes die ontsnappen aan alle natuurwetten en op verschillende plekken tegelijk kunnen bestaan. De mens, wij, staan daar precies tussen. Het allergrootste verhoudt zich zo tot het allerkleinste, met de mens als gemene deler. Maar soms dringt de afstand zich aan ons op, hij trekt aan ons van beide kanten, duwt ons weer samen, maakt ons plat, verplettert ons. Niet alleen tegenover het immense staan we nietig; ook tegenover het piepkleine. Niet eens pluisjes, maar draadjes die uit het pluisje steken. (Niet voor niets beschrijft de astronomie de ruimte als 'schuim'.) Als we bestaan uit deeltjes die op meerdere plekken tegelijk bestaan, wie zijn we dan? De singulariteit trekt aan ons. Het is de ervaring van de onmogelijke mogelijkheid van oneindigheid.

Het laatste woord is aan Rilke: 'De werkelijkheid is langzaam en onbeschrijflijk uitvoerig.'



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Pessimisten zijn niet intelligent, maar ongelukkig

Om pessimisme hangt vaak een aura van intelligentie en ervarenheid - reden genoeg om jarenlang mijzelf een pessimist te noemen. Tot ik erachter kwam dat het gewoonweg niet waar was en ik tot mijn schaamte moest bekennen een optimist te zijn. Nu ben ik er trots op. Was ik niet zo optimistisch dan zou ik bijna een hekel krijgen aan al die zwartkijkers die nog steeds denken intelligenter en ervarener te zijn. Het enige wat ze zijn is ongelukkiger. Lees verder
Comments

Stilte

Het is vaak een rommeltje in mijn hoofd, een rommeltje van geluid. In het achterhoofd klinkt een liedje, de frontaalkwab huist futiele gedachtes die gaan over koffiezetten en oversteken, en rond de stam draait een langzame, donkere kolk van levensvragen, zonder veel woorden, maar met een aanhoudende ruis.

Juist daarom houd ik van een heel speciale uitvinding: stilte. De stilte die ontstaat als je je mond houdt. Dat is best moeilijk. Luister naar de mensen om je heen en je merkt meteen dat bijna niemand het vak beheerst van stil te zijn.

Als je stil bent, is het alsof woorden en beelden rustig neerdalen, als afgevallen bladeren die door elkaar wervelen tot de wind gaat liggen. Pas als ze stil liggen, kun je ze echt bekijken en tot je door laten dringen. Stil zijn is tijd geven.

Nu is af en toe je mond houden iets anders dan uren achtereen de stilte toe te laten, dat geef ik toe. Toch hangen ze samen; het ene kan niet zonder het andere bestaan, het ene is een voorbode van het andere.

Zelf ben ik ook geen volleerd stiltekunstenaar. Mijn eerste lessen leerde ik tijdens sollicitatiegesprekken. Dat klinkt prozaïsch en misschien ook merkwaardig, maar juist op een sollicitatiegesprek is het essentieel om jezelf tijd gunnen stil te zijn. Hoe makkelijk is het niet om direct nadat een vraag is gesteld te beginnen met praten, zodat je geen antwoord geeft op de vraag, maar alleen de stilte opvult met geluid.

Als je het eenmaal een beetje onder de knie hebt, dwingt het ook respect af, heb ik gemerkt. Stil zijn getuigt van lef. Er is een kleine zelfoverwinning voor nodig om je mond te houden, al is het maar vijf seconden. Misschien zijn de meeste mensen bang om tijd verspillen. Of om niet gehoord te worden. Toch word je een stuk beter gehoord na vijf seconden stilte. Het kost niet veel, tijd is een gecondenseerd product en respect in die zin goedkoop. Stil zijn is tijd geven, aan jezelf.

Eén keer voerde ik het te ver door, toen was ik zo lang stil dat men dacht dat ik een black-out kreeg. Het is een kunst, die je lang moet oefenen voor je hem beheerst. Zes seconden kan al te veel zijn en een ongemakkelijke situatie veroorzaken. De stiltekunstenaar is noodgedwongen een autodidact.

Laatst kwam ik erachter dat stil zijn niet het hoogste is dat je kunt bereiken. Voorbij de stilte ligt een nog veel moeilijker kunst om te leren: spreken. Spreken? Ja, spreken, zonder stopwoordjes en zinloos gebabbel, het spreken dat volgt op de stilte. De grootste stiltekunstenaars zijn redenaars. Zij hebben hun gedachten zo op orde dat ze zonder stil te vallen en zonder prietpraat spreken. Hun rommeltje is opgeruimd.

Zover ben ik nog niet. Voorlopig geniet ik van de stilte, van het kijken naar de neergedwarrelde bladeren in mijn hoofd.

[verschenen als column in Radboud info 82, december 2009] Lees verder
Comments

Lummelen of tijdverspilling II

kuijer_hoe_word_ik_gelukkig
Ligt het aan de milde tot zware herfstdepressie waar iedereen last van lijkt te hebben dat het lummelen, vervelen en op de bank liggen steeds van zich doen horen? Joke J. Hermsen pleitte voor een herwaardering van het nietsdoen. Je onderdompelen in de verveling met de voeten omhoog. Daar is Guus Kuijer niet van gediend. Ongerichte lamlendigheid leidt nergens toe, zo stelt hij in zijn 'zelfhulpboek' Hoe word ik gelukkig? Een opvallend meningsverschil dat zij met elkaar voeren - niet echt met elkaar, maar in mijn hoofd omdat ik toevallig hun boeken tegelijk aan het lezen ben. Toch denk ik dat ze het meer met elkaar eens zijn dan ze zelf misschien weten.

Verstrooidheid, schrijft Kuijer, is niet afwezig zijn maar juist 'inwezig'. Iemand die er schijnbaar met zijn gedachten niet bij is, verstrooid is, is juist heel erg gericht op iets. Iets uit het (nabije) verleden dat in zijn gedachten blijft hangen en dat hij niet van zich kan afzetten. Verstrooidheid is daarom goed: het is een teken van concentratie. Alleen het woord is niet goed, omdat verstrooiing niet alleen lijkt te verwijzen naar een versnipperde aandacht, maar ook naar hersenloos amusement (in de zin van 'verstrooiing bieden').

Kuijer zegt het zelf niet met zoveel woorden, maar hij toont zich in zijn boek een duidelijk voorstander van de deliberate practice. Mensen, kinderen vooral, moeten een interesse ontwikkelen, een gerichtheid op één punt en alles in het werk stellen om zich op dat punt te verdiepen. In het geval van kinderen is het de taak van de school en van onderwijzers om de omstandigheden te creëren waarin het kind zijn interesse kan ontdekken en verder kan ontwikkelen, liefst tot het een passie is. Zo'n kind zal als alles goed gaat een verstrooide volwassene worden.

Hoe valt dat te rijmen met de lofzang van Hermsen op de verveling en het zalig niets doen? De overeenkomst zit 'm in het resultaat, niet in de weg ernaartoe. Want ook bij Hermsen lijkt het toelaten van verveling niet geheel belangeloos: je laten overspoelen door de tijd is een voorwaarde voor creativiteit en inspiratie. Uit de verveling komen ideeën voort. Zomaar lamlendig op de bank hangen is dus niet de bedoeling. Ook daar is een gerichtheid gewenst, een concentratie die zich precies concentreert op de verveling zelf. Zonder concentratie vloeien de inzichten en goede ideeën ook maar langs je heen - dan kun je je net zo goed laten verstrooien door een amusementsprogramma op tv.

Beiden zijn het er dus over eens dat je je niet moet laten meeslepen door de waan van de dag, maar je eigen weg moet volgen. Bij Hermsen is dat vooral 'je eigen tijd volgen', bij Kuijer gaat het om je eigen interesse. Dat is het antwoord op de vraag hoe je gelukkig wordt. Je eigen tijd volgen betekent je overgeven aan het niets, aan reflectie en intuïtie, waaruit ideeën, kunst en herinneringen ontstaan. Kuijer benadrukt juist de werklust, die gericht is op íets. Maar ook die is gefundeerd in reflectie, kunst en herinneringen. Overgave en concentratie is waar het beiden om te doen is: aan iets of aan niets, aan werk of aan ledigheid - dat maakt gek genoeg niet zo heel veel uit.

Lees ook Lummelen of tijdverspilling I



Bookmark and Share
Comments

Nietzsches ‘dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst

levenskunst
Friedrich Nietzsche staat wel bekend als ‘de filosoof met de hamer’. Zijn uitspraak ‘God is dood’ is zelfs op T-shirts terug te vinden. Nietzsche is ook te lezen als filosoof van de levenskunst, waarbij het gaat om zelfstilering en bevestiging van het leven. Hoe zijn deze twee interpretaties met elkaar te rijmen? Joep Dohmen gaf in zijn lezing voor de serie Levenskunst vorig najaar een grondige inleiding op Nietzsches moraal en op de oproep tot zelfverwerkelijking die daar nog steeds van uitgaat.

Nietzsche onderscheidt twee soorten moraal: aan de ene kant de antieke levenskunst die bestaat uit zelfstilering, aan de andere kant de christelijke moraal die gebaseerd is op het gehoorzamen aan de wet. De christelijke moraal is in de loop van de eeuwen dominant geworden. Nietzsche noemt de twee de ‘slavenmoraal’ en de ‘herenmoraal’. Voor hem zijn ze niet neutraal; de herenmoraal schrijft hij hoger aan. Mensen, heren en slaven, zijn ongelijkwaardig aan elkaar. (Zie ook Twee soorten moraal: Voorbij goed en kwaad, Boek IX, 260.)

Nietzsches filosofie is een analyse van de moderniteit, die zich kenmerkt door emancipatie en gepaard gaat met onzekerheid en twijfel. Autoriteiten hebben afgedaan en gemeenschappelijke doelen bestaan niet meer. Ondertussen blijft de moraal traditioneel, door en door christelijk – een slavenmoraal. Niet echt een moraal die de mens helpt emanciperen. Mensen zoeken altijd veiligheid en garanties, die ze helpen bij hun onzekerheden. Maar dat werkt je eigenlijk alleen maar tegen. Het gaat erom jezelf te ontwikkelen tot een persoonlijkheid, die ‘ja’ zegt tegen het leven en je niet als een slaaf te conformeren aan de groep.

Nihilisme is het meest extreme gevolg van het verval van tradities. Er is geen enkel leidend, absoluut principe. De uiterste consequentie van het nihilisme is de dood van God. (Zie ook De dolle mens, De vrolijke wetenschap, 125.) Toch betekent Nietzsches nihilisme niet dat hij een cultuurpessimist is. De dood van God biedt de mogelijkheid van een nieuw begin en maakt de weg vrij voor een authentieke levensstijl, oftewel een terugkeer naar de antieke herenmoraal.

Waaruit bestaat die levenskunst van zelfstilering? Er is geen set van gegeven waarden waar je je aan moet conformeren. Het gaat om het zoeken en scheppen van je eigen waarden. Op basis daarvan kom je dan tot een gestileerd karakter. Zelfkennis, oefening, het bezit van smaak om goed en slecht te beoordelen, het hebben van een doel zijn onderdelen daarvan.

Nietzsche past hiermee in de reeks filosofen die authenticiteit voorop stellen. De hedendaagse filosoof Charles Taylor heeft het streven naar authenticiteit in onze postmoderne tijd tot thema gemaakt. Kijk hier de hele lezing over Nietzsche terug.



Bookmark and Share
Comments

Lummelen of tijdverspilling I

'Efficiënt op de bank liggen,' wordt het in een artikel in Vrij Nederland genoemd. Oftewel: dagdromen, reflecteren, mijmeren, rust nemen, tijd geven. Je kunt ook zeggen: lummelen. Dinsdag hield Joke J. Hermsen bij Studium Generale een pleidooi voor een langzame toekomst, naar aanleiding van haar boek Stil de tijd. We moeten weer meer in verbinding komen met onze innerlijke tijd en losbreken uit de ketenen van de kloktijd. Juist omdat er in het regime van de klok geen tijd is (gek genoeg is er van kloktijd altijd te weinig) om na te denken, te herinneren, zelfkennis op te doen.

Nu ben ik helemaal vóór nadenken, herinneren en zelfreflectie. Maar ik ben allergisch voor lummelen. Wekelijks heb ik discussies over het 'op de bank liggen' wat in mijn ogen nooit efficiënt is. Zelf probeer ik wel eens overdag op de bank niets te doen, maar het lukt me nooit. Hoe kan dat?

Volgens mij is lummelen ook niet hetzelfde als 'efficiënt op de bank liggen'. Want dat laatste behelst nog steeds een zekere activiteit: lezen (of tenminste bladeren in een boek), muziek luisteren of herinneringen ophalen. Ook dat laatste is een heel actieve gebeurtenis - lees Proust er maar op na. Het vereist misschien ontspanning om een herinnering tot je te laten komen - de sluisdeuren open te zetten zogezegd - aan de andere kant is er weer een grote inspanning voor nodig om de herinnering vast te houden. Dan mag het lijken op lummelen, er wordt hard gewerkt.

En toch: ik heb soms de wonderlijkste tijdervaringen, alsof ik buiten de tijd kom te staan of een sprong maak naar het verleden. Maar dan lig ik niet op de bank, dan zit ik op de fiets of ik sta voor het podium naar een band te kijken. Ook Proust, die weliswaar heel vaak in bed ligt (of op de bank hangt, maar dat klinkt zo ordinair), wordt toch juist door zijn spontane herinneringen overvallen op de ongemakkelijkste momenten: aan het ontbijt, aan de wandel, wachtend tot hij in de salon mag binnengaan.

Zou het niet juist nodig zijn om wel actief te zijn, maar zonder dat je erbij na hoeft te denken? Want dat is wat al deze gevallen gemeen lijken te hebben: fietsen over de weg die je elke dag fietst. Wachten. Naar een bandje kijken. Bladeren. Dan wordt de geest niet afgeleid door de vraag wat het lichaam moet gaan doen en kan het zich richten op zichzelf.

Blijft de vraag waarom ik zo allergisch ben voor 'op de bank hangen'. Dat heeft te maken met een heel diepe eigenschap die ik onlangs bij mezelf heb ontdekt: mijn afkeer van verspilling. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben.



Bookmark and Share
Comments

Cosmic fear

Wie de woorden het eerst liet vallen, weet ik niet meer. Maar opeens zong het rond op de vergadering: cosmic fear. En het klonk als iets wat we al jaren kenden, waar bibliotheken over vol geschreven zijn: cosmic fear, u kent het wel. Ik gokte erop dat het begrip ergens eind achttiende eeuw zou zijn ontstaan, in die verwarrende jaren die tegelijk het eind van de Verlichting en het begin van de Romantiek worden genoemd. De jaren tussen Burkes traktaat over het sublieme (1757) en Goya's ets De slaap van de rede brengt monsters voort (1797). Daar moesten we iets mee doen, ik zag het al voor me: een magere jongeman, gekleed in een katoenen hemdrok die half door zijn knieën gaat, de armen ten hemel richt alsof hij die op zich neer voelt drukken en omhoog probeert te duwen - en dan die hemel: vol melkwegstelsels en nova's en duizenden jaren geleden ontplofte sterren. Lees verder
Comments

Authenticiteit en eigenbelang: het lastige evenwicht van de honnête homme

levenskunst
François de La Rochefoucauld is bekend van zijn maximes: puntige uitspraken over de mens. Ze verschenen in een vertaling van Maarten van Buuren bij de Historische Uitgeverij. In de serie Levenkunst hield Van Buuren dit najaar een lezing over La Rochefoucauld. Hij vertelde hoe hij in de maximes een heel nieuwe laag ontdekte, toen hij er ter voorbereiding van de lezing met een ethische bril naar keek. De maximes achtervolgen de lezer met vragen die hem in zijn waarden confronteren. Houdt de auteur mij een spiegel op of herken ik me totaal niet?

La Rochefoucauld leidde een turbulent leven in zeventiende-eeuws Frankrijk. Met zijn vrienden had hij een bijzonder tijdverdrijf: het schrijven van maximen, die ze onder elkaar lieten circuleren. In 1664 liet La Rochefoucauld zijn eigen maximen drukken.

In de maximes ontmaskert La Rochefoucauld de oude moraal, die hij huichelachtig vindt. Zowel de christelijke moraal van bescheidenheid, waarachter eigenlijk eigenliefde schuilgaat, als de oude adellijke moraal die teruggaat op de ridderlijke waarden breekt La Rochefoucauld af tot op de grond. Hij formuleert een eigen moraal – of misschien anti-moraal – die niet gebaseerd is op goed en kwaad, maar op sterk en zwak. Hiermee bereidt hij de weg voor Nietzsche, die ook zijn oeuvre zal bouwen rond kracht en zwakte als centrale waarden.

Die nieuwe moraal moet op de puinhopen van de oude opgebouwd worden. Daarbij is het begrip ‘honnête homme’ belangrijk. Je moet je passend gedragen, in gezelschap en als individu. De honnête homme kan zich sociaal aanpassen aan de kringen waarin hij verkeert en valt ook samen met zichzelf en zijn eigen waarheid. Het gaat er niet om de waarden van anderen of van de maatschappij te imiteren. De notie van authenticiteit, die in de levenskunst centraal staat, krijgt hier al vorm. Niettemin benadrukt La Rochefoucauld telkens weer dat de mens in alles gedreven wordt door eigenbelang. Authenticiteit en eigenbelang: hoe verhouden die twee zich tot elkaar?

Kijk de hele lezing La Rochefoucauld. De mens ontmaskerd terug



Bookmark and Share
Comments

Sensatie van tijdloosheid

dionysos_masker
Het is waar dat vooral de handen en voeten van de drie Dodos mij tijdens het concert in beslag namen, zoals ik schreef. Je zou er gedachtekunst door gaan bedrijven. Dat neemt niet weg dat mijn aandacht zich soms verruimde tot aan de band als een driekoppig wezen, het podium en de zaal, de lichten en gordijnen die podium en zaal van elkaar scheiden en tegelijk verbinden. In de gedachtefilm zoomde ik uit en prompt overviel me een sensatie die je eigenlijk net zo goed gedachtekunst kan noemen - of gedachtecatharsis.

Wat voor sensatie dan? De sensatie dat je ergens anders bent: een andere plaats, een andere zaal in een ander land. Meestal voelt het als Amerika - misschien omdat de bands daar dan vandaan komen. Of omdat het ook iets te maken heeft met film, alsof je in een film bent beland waarin een concertscène zit. Je bent niet de hoofdrolspeler, maar een figurant. Nee, dat klopt niet, want de sensatie is echt en niet die van een acteur. Eerder houdt de sensatie verband met het theater: je ziet de band op het podium alsof je in het theater zit. Daarom is ook dat uitzoomen belangrijk; het gaat juist ook om de podiumrand, de zwarte velours gordijnen, de lampen aan het plafond. Je bent zozeer toeschouwer dat je bijna het gevoel krijgt dat je er zelf niet meer bent.

Alleen heel goede muzikanten kunnen dit bereiken, kunnen hun publiek zichzelf laten vergeten. Nou vooruit, laat ik maar toegeven dat drank er misschien ook iets mee te maken heeft. Helemaal nuchter is de sensatie van elders-zijn gecombineerd met zelfvergetelheid me nog nooit ten deel gevallen. Zou drank zelfs belangrijker zijn dan de muziek? Het overkomt me namelijk ook wel eens gewoon op straat, zonder muziek, zonder aanleiding zelfs. Ik zit op de fiets naar huis, na een leuke avond met biertjes en vrienden, en als ik een hoek om zweef of even mijn hoofd in de nek leg, kan daar ook opeens die sensatie opkomen, als een mist die van het ene moment op het andere in de lucht hangt. De huizen zien er anders uit, alsof je ze herkent met een ander geheugen - anders kan ik het niet beschrijven. Ze zijn losgezongen van je eigen leven en je eigen herinneringen en onderdeel geworden van een andere wereld. De echte wereld misschien wel, de echte wereld zoals je hem in de film ziet.

Zelfs binnen gebeurt het. Ik zat een keer in een lage stoel in de kamer van een huisgenoot en ook daar trok de mist naar binnen. Inmiddels heb ik er zo vaak en goed op gelet hoe de sensatie voelt, wanneer hij komt en ook weer verdwijnt, dat ik hem zelfs kan oproepen. Mits de omstandigheden juist zijn natuurlijk. Eigenlijk kan ik maar één ding met zekerheid zeggen: kunstlicht is essentieel voor de sensatie. Maar kunstlicht, wat kun je daar nou verder over zeggen, wat heeft dat te betekenen? Dat het theater met zijn spotlights en zwarte velours gordijnen nog geen gekke vergelijking is. All the world's a stage, nietwaar.

Als het me lukt om de sensatie op te roepen probeer ik hem ze hard mogelijk vast te houden, zo lang mogelijk te prolongeren. Het is namelijk een verrukkelijke sensatie. Verrukkelijk, zoet en melancholisch tegelijk. Terugdenkend aan het theater: het is een soort catharsis. Aristoteles omschreef catharsis als het doel van de tragedie: het purgeren van je emoties bij het zien van een aangrijpend toneelstuk (aangrijpend is dan nog een understatement als je denkt aan de vader- en moedermoordenaars, incestueuze broers en zussen, krankzinnige goden en pesterige demonen die de tragedies bevolken). Je moet dat allemaal niet nadoen, maar doormaken en er vervolgens gezuiverd weer uitkomen.

Zonder zelfvergetelheid geen catharsis, pas als je na afloop weer terug op aarde komt - die wereld van je eigen geheugen en je eigen zelf, niet de echte wereld zogezegd - is de catharsis voltooid, maar daarvóór moet je eerst jezelf vergeten zijn. Bij kunstlicht.

Ik schrijf er nu al een paar alinea's omheen: de tijd. De tijd is allesbepalend. Niet dat je opeens in het oude Griekenland zit, maar wel dat de tijd wegebt, uit de scène vervloeit. Toen ik bij de huisgenoot op bezoek was dacht ik alleen maar: 'De jaren tachtig, ik ben in de jaren tachtig beland.' Sindsdien weet ik dat het niet de jaren tachtig waren, maar een tijdloosheid die de dingen het aanschijn van een theater geeft. Dat is wat de zelfvergetelheid vooral betekent: je eigen tijd loslaten - want zijn geheugen en herinneringen eigenlijk ook geen tijd, zij het gestolde tijd?

Deze week weet ik weer een beetje beter hoe ik de sensatie moet begrijpen. Henk Barendregt - hoogleraar Grondslagen van de wiskunde en Informatica én beëdigd leraar vipassana meditatie - gaf een lezing over meditatie als manier om met de chaos van de existentiële leegte om te gaan. Klinkt zweverig en dat was het ook wel een beetje, maar tegelijk wist hij enkele inzichten zeer helder over te brengen en bovendien te inspireren tot een bewuster leven, dus een beetje zweef is dan niet erg.

Die leegte waar Barendregt het over had en die de mens zeer grote angsten inboezemt, uit zich in dissociatie. Dat heeft twee kanten: dissociatie kan je overvallen waardoor je als in een psychose opeens de leegte ingetrokken wordt: het zwarte niets, van alle betekenis ontdaan, waar alles schokkerig en koud is. Maar je kunt de dissociatie ook inzetten om de leegte te leren accepteren. Dat doe je door alle indrukken en gevoelens die je hebt te 'ontvlechten'. Als je bijvoorbeeld pijn hebt, kan die nog het meest als last ervaren worden omdat je boos bent dat je pijn hebt. Na het ontvlechten van pijn en woede, zal de pijn onder controle komen. Uiteindelijk is verrukking je deel.

Wat heeft dit alles te maken met de 'all the world's a stage'-sensatie? Het zit 'm in de dissociatie. Tijdens zo'n sensatie wordt de situatie losgevlochten van de tijd en misschien ook van de plaats. Of de plaats - de straat waarop ik fiets, de kamer waarin ik zit - zingt zich los van de tijd. Het resultaat is inderdaad een soort verrukking. Jammer genoeg vertelde Barendregt dat je als je écht verder wilt komen, ook de verrukking moet ontvlechten en naast je neerleggen.

Na de lezing bedacht ik me dat ik nog veel te leren heb, zoals ik mijn inleidinkje en aankondiging bijna buiten adem had gegeven, en bij het rondlopen met de microfoon voor de discussie steeds rusteloos van de ene voet op de andere wiebelde. Nu denk ik: misschien heb ik een begin te pakken met mijn sensatie, mijn zelfvergetelheid en tijdloosheid. Door de tijd te ontvlechten ben ik misschien wel heel af en toe voor even onsterfelijk. Zoals Dionyssos, dan wel, want de drank moet blijven vloeien.



Bookmark and Share
Comments

Sprekende werken

macbeth_dolk
Op bezoek bij de faculteit Wijsbegeerte in Nijmegen kreeg ik een boek cadeau - Sprekende werken: over de ethische zeggingskracht van literatuur. Een perfect cadeau voor mij, want het thema ethiek en literatuur was het raadsel dat ik probeerde (en probeer) op te lossen, mijn eigen spook om te achtervolgen en door achtervolgd te worden. Het boek is een bundeling essays geschreven ter gelegenheid van het afscheid van Jacques de Visscher. Ik herinner me professor De Visscher als het archetype filosoof: wapperende panden, wapperende grijze haren, een grote bril en baard. Hij had geen e-mail en studenten moesten als tentamen hun werkstuk live komen schrijven in een collegezaal. Twee jaar volgde ik het vak Filosofie en Literatuur bij hem; de ene keer ging het over de tragedie en lazen we als kerntekst Shakespeares Macbeth, de andere keer over mythische aspecten van literatuur. Maar het ging eigenlijk niet over mythen of tragedies. Eigenlijk ging het gewoon over Filosofie en Literatuur. Lees verder
Comments

Oordeel

Er zijn mensen die niet van muziek houden. Ja echt. ‘Daar heb ik niks mee,’ zeggen ze, alsof het over oude auto’s gaat. Je mag niet oordelen over de voorkeuren van een ander, dus ik zeg er verder niets over.

Nog vreemder zijn mensen die niet van dieren houden. Vooral omdat er voor iedereen wel een geschikt dier te vinden is. Ik heb zelf drie katten, die ruiken zo lekker in hun nek en zijn lui en ongenaakbaar. Anderen kiezen misschien voor een paard (edel) of een papegaai (spraakzaam) of diepzeevissen (koel en mysterieus).

Nu ga ik te ver. Dieren mag je geen menselijke eigenschappen toedichten, heb ik geleerd. Een papegaai kan nog zo spraakzaam lijken omdat hij geluiden uitstoot, dat betekent niet dat hij praat, laat staan dat hij iets te zeggen heeft. Mijn kat lijkt misschien wel tot over haar oren verliefd op de rode kater van de buren, liefde is een concept dat ik daarop plak. Eigenlijk is dat het meest respectloze wat je kan doen, omdat het voorbij gaat aan de aard van het dier, die dierlijk is en niet menselijk. Het dier is ook een ander, over wie je niet mag oordelen.

Aan de andere kant: is het niet juist het mooiste wat je kan doen? Is dat niet waarom mensen van dieren houden? Ze nodigen je uit tot een verstandhouding. Maar omdat je niet weet wat er in het beestje omgaat, zal het altijd een zoekende verstandhouding zijn. Uiteindelijk moet je accepteren dat je elkaar nooit echt zult kennen.

Dag in dag uit leef je samen, zie je de poes nuffig en zogenaamd ongeïnteresseerd bij het kattenluikje zitten tot de buurkat opduikt, en elke dag moet je constateren dat je met een wildvreemde je huis deelt. En dat je juist daarom met haar je huis deelt.

Het verschil met muziek is misschien niet zo groot. Keer op keer luister ik naar een liedje en moet ik erkennen dat ik het niet begrijp. Ik loop over straat met mijn oordopjes in en voel hoe mijn tred lichter wordt. Maar ik kan niet uitleggen waarom.

Dier en muziekstuk – beide leren ze je dat je niet op het eerste gezicht of eerste gehoor kunt oordelen. Ze bestaan en jij mag daarbij aanwezig zijn. Al zou je een oordeel uitspreken, dat horen ze toch niet, het verandert niets aan wie of wat ze zijn. Een positie die noopt tot bescheidenheid.

Wat zegt dat dan over die anderen, die niets met muziek hebben of niet van dieren houden? Daar oordeel ik niet over.

[verschenen als column in Radboud info 81, september 2009] Lees verder
Comments

Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid

levenskunst
Had Michel de Montaigne in deze tijden geleefd in plaats van in de zestiende eeuw, dan had hij misschien wel een weblog bijgehouden. Want het zelfonderzoek van Montaigne, samengebracht in zijn Essays, had goed gepast bij de open en onderzoekende vorm van een weblog (het was dan het weblog op zijn best geweest). Ook daarin hangt alles met elkaar samen. De schrijver verwijst naar hoge en lage, de hedendaagse en voorbije cultuur – in Montaignes tijd vaak Latijnse citaten, in deze tijd filmpjes van Youtube. En het weblog is nooit af, net als de Essays. Steeds keerde Montaigne terug naar zijn tekst, verwerkte reacties van anderen, schrapte en herschreef.

Het is een intrigerend beeld dat Joep Dohmen van een virtuele Montaigne schept. In zijn lezing in de serie Levenskunst gaat hij nader in op de morele houding die uit de Essays te destilleren is. Het begin is beroemd: Montaigne verklaart dat hij een leven zonder opsmuk wil beschrijven, ‘naakt’. Niet zomaar een leven, zijn eigen leven. Waarom schetst Montaigne zijn zelfportret zo ‘gewoontjes’? En is het geen valse bescheidenheid, is Montaigne eigenlijk niet verblind door ijdelheid als hij zichzelf zo op de voorgrond plaatst, zoals Pascal beweerde?

Een van de belangrijkste dingen van de Essays is de activiteit van het schrijven zelf. Het schrijven is een vorm van zelfonderzoek. En zelfkennis, zo stel Montaigne, is een opdracht van elke mens. Alleen door heel nauwkeurig en eerlijk jezelf te bestuderen, kun je je oordeelsvermogen scherpen. Dat is nodig om met de veranderlijkheid om te kunnen gaan, die de mens en het leven kenmerkt. Veranderlijkheid ook een kenmerk van het essay, dat een zoekende vorm is. Vorm en inhoud vallen hier samen.

Zelfkennis is dus te vinden bij het schrijfproces. Montaigne trekt zich terug en probeert zichzelf via zijn teksten te begrijpen. Dit gaat eerst aan de hand van citaten van illustere voorbeelden, later gebruikt Montaigne steeds meer zijn eigen stem en vindt hij een persoonlijke uitdrukkingsvorm. Het zoeken en verwijzen betekent geenszins dat de diepte wordt geschuwd. Hoewel Montaigne erg grappig is, treffen zijn inzichten in de mens door hun nauwkeurigheid, die tegelijk algemeen is. Montaigne is een voorloper én een voorbeeld voor de moderne bloggers, stelt Dohmen. Laten we hopen dat onder hen iemand zit die evenveel vreugde en wijsheid brengt.



Bookmark and Share
Comments

Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo'n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. 'Maar ik heb niet de pretentie te weten dat...' is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. 'Je moet je toch ergens op baseren,' was dan de terechte repliek, 'je hebt toch wel enige principes.' 'Ja,' zei ik. 'Mezelf.' Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit - in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht - is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

'Die kinderen,' zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo'n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.



Bookmark and Share
Comments

Tijd om te oefenen in levenskunst

kill_bill
Ik mag nu wel zeggen dat het najaarsprogramma bij Studium Generale helemaal rond is. Ik heb namelijk vakantie. De afgelopen weken zijn we druk, nee heel druk bezig geweest met het programmaboekje, plaatjes zoeken en titels kortsluiten. Tussendoor had ik ook nog voorbesprekingen voor het programma dat ik onder mijn hoede heb, over levenskunst. Geen zweverig gedoe en geen Sonja Bakker-achtige diëten voor de geest, maar filosofen die weten dat de kunst van het leven ingewikkeld is, even ingewikkeld als kunst met een grote K.

Een voorgesprek met een filosoof over levenskunst is wel wat anders dan een kroeggesprek over het leven. Ik mag dan zelf filosofie hebben gestudeerd, als je tegenover iemand zit die al decennia nadenkt met een grote N, kom je niet weg met gemeenplaatsen of bijdehante ironie. Filosofie, zo is me wel weer duidelijk geworden, is hardop nadenken. Prachtig om dat aan te mogen horen, redelijk confronterend als je vervolgens zelf weer aan het woord bent.

Twee dingen heb ik uit de voorgesprekken al begrepen. Levenskunst is hard werken. Probleem is natuurlijk dat het nooit ophoudt tot het echt ophoudt. Je kunt nooit eens op je lauweren rusten, altijd is er weer een nieuwe situatie, nieuwe personen, nieuwe inzichten om mee te dealen, al was het maar omdat je zelf steeds ouder wordt en verandert. Mocht je eens dezelfde situatie twee keer meemaken, wat op zich al onmogelijk is, dan ben je nog niet dezelfde die het meemaakt. Je hebt dat immers al eens meegemaakt.

Toch is het mogelijk om je te oefenen. Hoe, daar zullen de lezingen meer duidelijkheid over geven. Een ander thema dat steeds terugkomt is tijd. Niet gek, want zodra je het hebt over het leven, heb je het over tijd. Zoals bij het oefenen: oefenen is tijdgebonden. De levenskunst is een kunst die zich ontvouwt in de tijd. Maar ook inhoudelijk komt de filosofie steeds terug op tijd: een van de dingen die een ware levenskunstenaar kenmerken is zijn verhouding tot de tijd. Meest bekend is de verhouding tot de dood. Het hele leven is een Sein zum Tode, zei Heidegger al en dat bedoelde hij niet eens zo morbide als het klinkt. Pas als je je verhoudt tot de dood (en de meeste mensen doen dat niet eens), ben je werkelijk vrij en vrijheid is toch wel een van de hoofdvoorwaarden voor een levenskunstig leven.

Maar ook de verhouding tot het nu is essentieel. Zodra je het daarover gaat hebben, verzeil je gauw in de terminologie van de zelfhulplectuur. Leef in het nu! Wees bewust van het heden! Pluk de dag! Hoe die clichés te vermijden? Misschien door te beseffen dat die clichés uiteindelijk weinig met het nu te maken hebben. Altijd gaat het bij zulke goeroes om de toekomst: als je leert leven in het nu, zal je in de toekomst gelukkig zijn en je doelen bereiken.

Toch denk ik dat een leven in het heden ook niet alles is. Ik heb het zo druk gehad de afgelopen tijd, dat ik nauwelijks aan iets anders kon denken dan 'nu, nu. nu!' Voor je het weet raak je gestrest omdat je te weinig tijd hebt.

Nú heb ik vakantie. Ik ben blij dat ik een paar uur de tijd heb om me te verheugen op de komende weken. 'Wachten is oude tijd die te lang heeft gestaan’ schreef Tonnus Oosterhof. Maar soms is wachten jonge tijd, waarin de dag die je gaat plukken tot bloei komt.



Bookmark and Share
Comments

Lebenslüge: even kennismaken

munch_karl_johan
Ik heb een nieuw woord geleerd dat heel goed dienst kan doen bij een kennismakingsrondje. Meteen de diepte in, onschuldige antwoorden zijn niet mogelijk. Zo'n heerlijk Duits woord waar een hele existentiële crisis aan kleeft, dat klinkt als het licht van een druipende kaars, bruine schaduwen op oude schilderijen, als kromgebogen onder de last van het leven peinzen, als dolende zielen in een vochtig-kil historisch stadshart, als weltschmerz. Lebenslüge: en nu allemaal rillen van unheimlich genot. Lees verder
Comments

Help, wie ben ik!

kierkegaard_corsair
Mijn zus geeft college aan de universiteit. Ze vertelde dat ze, om te ontsnappen aan het oersaaie kennismakingsrondje aan het begin van een nieuwe collegereeks, alle studenten in de groep iets over zichzelf laat vertellen aan de hand van een paar vragen. Welke vragen dan, vroeg ik natuurlijk. Had ik beter niet kunnen doen, want sindsdien verkeer ik in een identiteitscrisis. Lees verder
Comments

Leesvoer

Omdat de klus der klussen - het buitenschilderwerk - alle energie opvreet, een makkelijk blogje met verwijzingen naar leesvoer elders van mijn hand.

Twee exclusieve voorpublicaties:
Mijn column voor de Radboud info, nieuwsbrief van de Radboudstichting
De ziel gevangen, Recensie Edith Brugmans (red.) De ziel in de literatuur, ook voor Radboud info

Op 8WEEKLY staat alweer even Alles is interpretatie, Recensie van Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant Lees verder
Comments

Menselijk al te menselijk: de uncanny valley

Mooi begrip: uncanny valley. Opeens hoorde ik van twee kanten over dit fenomeen. Het geeft aan dat robots die te sterk op een mens lijken, enger zijn dan een robot die niets menselijks heeft. 'Valley' slaat op een dip in de gevoelsmatige waardering van de te menselijke robot - die is er een van afkeer, walging en angst. De uncanny valley is makkelijk voor te stellen: een zombie is griezeliger dan een lijk. Volgens dit artikel komt dat omdat de robot ons aan de dood doet denken, maar dat is te kort door de bocht. Zombies zijn zo eng omdat ze grenzen van categorieën overschrijden: ze zijn tegelijk dood en levend, tegelijk zoals wij zelf en totaal anders. Een lijk is een lijk - ooit worden wij dat ook, maar dan zijn we niet meer wie we nu zijn. Het gaat er dus niet om dat een zombie ons herinnert aan de dood, dat doet een lijk ook. Sterker nog: een lijk herinnert ons nog wel meer aan de dood dan een zombie. Lees verder
Comments

Chemische reacties

chemische_reacties
De doodstraf kan je achtervolgen, of lieve pasgeboren poesjes, maar ook heel wat abstractere zaken. Hoe je persoonlijke, dagelijkse leven verregaand beïnvloed wordt door fictieve, onbestaande dingen. Dit is geen thema, maar een blik op de wereld. Vaak is zo’n achtervolging te herleiden tot iets wat je gelezen hebt, een filosofie die opeens je wereld op zijn kop zet. Hoe taal alles beïnvloedt wat je ziet of wat de consequentie is van absolute vrijheid, bijvoorbeeld. Als dat eenmaal tegen je gezegd is, kom je er niet meer vanaf, je kunt de wereld niet meer zien zoals ervóór. Maar soms is zo'n 'turn' niet terug te voeren tot een enkel boek of een bepaald college filosofie, maar is die een optelsom van meer of minder toevallige ontmoetingen, artikelen, programma's et cetera. Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt. Naar believen uit te breiden naar het virtuele, het immateriële, dat soort shit weetjewel.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Liever verraad dan verzoening?

verzoening
Verzoening. Het thema van de Maand van de Filosofie klinkt op het eerste gehoor mooi. Na de Nacht van de Filosofie, waar elke deelnemende filosoof toegaf niets met het thema op te hebben, is het woord in mijn hoofd gaan rondzingen. En eerlijk gezegd: ik vind het ook maar een saai deuntje. Neem dan verraad. Vergeving. Of iets waar nog geen woord voor is. Lees verder
Comments

Het warme hart van Tariq Ramadan

tariq_ramadan
Tariq Ramadan werd, onder andere, gevormd door Belle et Sebastien, zo vertelde hij in Wintergasten. Ik zag in het fragment over de arme hond die moet vluchten omdat hij anders wordt afgemaakt iets heel anders dan de idylle die Ramadan beschreef. Afgelopen vrijdag hoorde ik Ramadan op de Nacht van de Filosofie en opeens begrijp ik dat kindje en die hond, die het paradijs vertegenwoordigen. Sommige mensen denken aan het paradijs als het paradijs, anderen zien altijd de schaduw van de zondeval. Lees verder
Comments

Gekostumeerd bal

powersuit
Het voorkomen van de mens blijft me bezighouden. Gisteren op een workshop zat ik me te profileren als het - onaardig gezegd, maar het gaat toch over mezelf - 'nieuwe media-typje'. Gelukkig had ik een hippe outfit aan en mijn haar in een nonchalante paardenstaart. Ook al is het voorkomen een kant van jezelf die je naar het licht draait en niet een rol die je speelt zonder het te zijn, er horen blijkbaar toch kostuums bij. En kostuumontwerp is weer een vak apart, denk maar aan de powerdress voor de sollicitatie die in andere ogen een feestpakkie bleek te zijn. Lees verder
Comments

Het voorkomen van een gespiegeld ik

spiegel_lamp
Op mijn werk schrijf ik tegenwoordig ook af en toe een ‘stukkie’. Het zijn verslagen van lezingen die bij Studium Generale zijn gehouden (van Jelle Reumer en op het Huis van de Poëzie). Dat lijkt wel journalistiek! Hield ik laatst niet nog een tirade tegen journalistiek? Gaat het verloochenen van principes zo snel? Ik noteerde toen ook dat het zaak was om scherp te blijven. Bij deze. Lees verder
Comments

Freudiaanse verlezing

freud_illusie
De Freudian slip is een bekend gegeven. Nee, dat is geen onderbroek met een baard eraan, maar een verspreking die iets blootlegt van de verborgen verlangens of frustraties van de verspreker. Soms kan die met wel met onderbroeken te maken hebben.

Jeroen zei een keer in een werkoverleg op de Denksportburelen: ‟Ja, het is een leuk broekje.” In plaats van boekje dus. Dit speelde zich af in de tijd dat wij tweeën elke minuut langs ons beeldschermen naar elkaar lachten en na werktijd stiekem gingen borrelen in Het Vervolg (geen Freudian slip, deze naam) en onszelf voorhielden dat geen van onze collega’s dit door had. Iedereen schateren natuurlijk - hihihi broekjes hahaha - ik een rooie kop en Jeroen... geen idee want ik durfde hem niet over de vergadertafel heen aan te kijken.

Maar hoe heet het wanneer je iets anders leest dan dat er staat? Een verlezing zal ik het noemen, bij deze gemunt door mij, Miriam Rasch. Je mag me ook Miami Beach noemen. Ik las op internet het volgende zinnetje in een column van Aaf: Ik ben al vaak in Miami Beach geweest. Wat las mijn megalomane oog? Juist: Ik ben al vaak in Miriam Rasch geweest. De analyse verklaar ik hierbij voor geopend. Lees verder
Comments

Reflecties over een foto II

michelangelo_narcissus
Die foto, daar had ik het over. Het is dus echt zo: als iemand met een lens van dertig centimeter een armlengte verwijderd van je gezicht gaat zitten klikken, dan voel je je ongemakkelijk. Dat heeft te maken met twee dingen. Ten eerste is het een 'violation of personal space'. Je weet wel, die denkbeeldige ring die je om je heen draagt en waar mensen niet in mogen komen, behalve als het niet anders kan, bijvoorbeeld in de spits. Met de fotograaf was ik alleen en de bank is groot genoeg voor tien. Lees verder
Comments

De Week van de Komijnekaasjes

komijnekaas
Los van de Dag van de Vrouw, Kinderboekenweek (die tien dagen duurt), Maand van Spiritualiteit, het Jaar van Mensenrechten enzovoorts, heb je zelf ook wel eens een persoonlijk 'Weekje van'. Een Mazzelweek waarin alles meezit en je aan het eind een kraslot koopt. Of een Dag van Toevallige Ontmoetingen, als mensen je bellen terwijl jij net... Of je vijf mailtjes krijgt die beginnen met Geachte mevrouw Rasch in plaats van Beste Miriam. Lees verder
Comments

Lang, wollig feestpakkie

crocs_nicholson_bush
Mijn nieuwe lange, wollige en charmante jurk leek me ideaal om te dragen naar een sollicitatiegesprek. Ook zonder kralenketting en met een donkere spijkerbroek eronder voelde ik me zo netjes als maar zijn kon. Nog even mijn haar kammen en klaar!


Lees verder
Comments

Maand van de spiritualiteit

maand_spiritualiteit
Elke dag, week of maand is tegenwoordig wel aan iets gewijd. Hebben we op dit moment Geschiedenis en Borstkanker, november is de Maand van de Spiritualiteit. Als aanloop tot de feestmaand, die in plaats van spiritueel vooral consumenteel is geworden. Het thema van de Maand is 'Mijn betere ik', oftewel Word wie je bent!

Maanden Van worden over het algemeen feestelijk geopend en afgesloten, daartussenin merk je er weinig van. Een van de happenings op de openingsmanifestatie van de Maand van de Spiritualiteit is de workshop De zin van het leven van godsdienstfilosoof Annewieke Vroom. Lef heeft ze in elk geval, met zo'n titel.

In de krant Trouw, een van de initiatiefnemers van de Maand, vertelt ze alvast waar we zo ongeveer die zin van het leven moeten zoeken. De kop zegt alles: 'Aanvaarden van het ik is belangrijker dan het ik verbeteren.' Alsof het wetenschappelijke bewijs onomstotelijk vastligt, zo staat het daar: aanvaarden is belangrijker, omdat het het diepste verlangen van de mens is. Voel je het ook al in je onderbuik?

Ik voel me dan natuurlijk aangesproken, met mijn Word wie je bent en Nietzsche, Proust en Sartre. (Op de site staat dat Sartre in de workshop aan bod zal komen, in de krant verklapt Annewieke hoe: als een 'kunstmatig streven'.) Is aanvaarden belangrijker dan verbeteren? Aanvaarding is hoe dan ook een voorwaarde voor verbetering, zegt de godsdienstfilosofe. Maar wat moet je dan aanvaarden?

Ook Sartre heeft het over het aanvaarden van de dingen die gegeven zijn. In zijn kenmerkende prachtige bewoordingen (ahum): de geworpenheid. De mens wordt pats boem het leven in geworpen, temidden van allerlei zaken waar hij niets aan kan doen. Hij krijgt bepaalde ouders, die wel of niet een geloof aanhangen, hij moet het doen met een fysieke gesteldheid, is lelijk, mooi of onopvallend, woont in een zeker land, in een zekere tijd, onder een dictator of onder Balkenende. In feite begint het menselijk leven zoals zoveel verhalen in medias res - je valt er middenin en loopt altijd achter de feiten aan.

Die geworpenheid, daar hebben we allemaal last van, de een wat meer dan de ander. Als je de dingen die nu eenmaal gegeven zijn niet kan aanvaarden, kom je nooit verder. Dan blijf je steken in een apathisch wachten op het noodlot, in plaats van je leven eigen te maken. Eigen maken in dubbele zin: je leven van jezelf maken door het actief te leiden en verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes, maar ook je het leven eigenmaken, verinnerlijken - dat wat gegeven is door en door kennen en verpersoonlijken.

De mens zal dus ondanks zijn geworpenheid iets van het leven moeten maken. Of, zo zie ik het liever, dankzij. Wat zou je kunnen maken zonder bouwstenen? Hoe meer bouwstenen, hoe inspannender het levenswerk – maar ook: hoe meer mogelijkheden er iets bijzonders van te maken. Ze zeggen niet voor niets 'an unhappy childhood is a writer's goldmine'. Met aanvaarding alleen kom je nergens, laat de vooruitgang dan maar zitten. Moesten vrouwen vroeger dan ook maar aanvaarden dan ze minder waren dan de man? Of de zwarte dan de blanke?

Waar je Sartre niet (of minder) over hoort, is het feit dat de geworpenheid niet exclusief bij de geboorte hoort, maar het hele leven doorgaat. Steeds weer gebeuren er dingen die van grote invloed zijn op jou, maar waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Vooral natuurlijk zolang je nog afhankelijk bent van anderen, zoals je ouders. Ze kunnen gaan scheiden, besluiten te emigreren, doodgaan. Je bent nooit klaar (gelukkig). Hoe ouder je wordt, hoe meer je zelf ook de geworpenheid van anderen bepaalt. In dit idee ligt de basis voor een moraal besloten, die je bij een simpel aanvaarden nooit zult vinden.

Aanvaarden is geen doel, maar een voorwaarde. Belangrijk, maar van ondergeschikt belang. En het diepste verlangen van de mens? Als de diepte van een verlangen de maatstaf wordt van wat de zin van het leven is, zijn we denk ik ver van huis. De mens is de mens een wolf. Spiritualiteit is geen gegeven, daar moet je iets voor doen. Kiezen voor je betere ik, daar ga je heus niet dood aan.



Bookmark and Share
Comments

Mensen met een verhaal

Allerhande
'Mensen met een verhaal': deze kop komt niet uit de Viva, is geen rubriek van 1Vandaag, en ook geen benaming voor Icesave-slachtoffers. Het is een onderdeel van de AllerHande, het blad waar half Nederland - ikzelf incluis - uit kookt. Lees verder
Comments

Werk aan de winkel III

Lunetten
Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar - bij wijze van spreken - zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een 'ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak 'm beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.



Bookmark and Share
Comments

Werk aan de winkel II

Te veel keuzemogelijkheden en toch niet kunnen kiezen - het is een makke van onze tijd. Hoe kies je tussen een Bed & Breakfast beginnen, met dolfijnen zwemmen en zielige zwerfkatten redden? Voor je het weet twijfel je zo lang dat je helemaal niets meer doet.

Verdrinken in keuzes is een overblijfsel van de jaren negentig, toen alles kon en alles mocht. Dave Eggers schreef dé roman over hoe het was om toen op te groeien, in een tijd zonder oorlog, zonder grenzen aan de vrijheid en met veel geld voor iedereen: A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Gelukkig voor hem is het ook echt een geniaal boek, hartverscheurend ook (huilen bij de laatste bladzij) en tegelijk volstrekt buitensporig, overvloedig, sentimenteel en getuigend van grote verwaandheid.

Onze ouders hadden de Koude Oorlog nog, schrijft hij, wij hebben alleen vrede. Saai! We hebben niets om tegen te zijn, zelfs je vader en moeder zijn je beste vrienden. Zij hebben al alles gedaan wat god verboden heeft, wat zet je daar tegenover? Alles kan en alles mag. Niets moet dus niets gebeurt. Als allebei je ouders vlak na elkaar overlijden, zoals de hoofdpersoon overkomt, is de wereld zelfs haar allerlaatste grenzen kwijtgeraakt. Dave geeft zich uit pure ellende maar op voor The Real World van MTV, begint een tijdschrift, reist van hot naar her.

In een volgend, beduidend minder geniaal boek, You Shall Know Our Velocity, promoveert Eggers dat laatste tot hoofdthema. Een jongen verdient met iets onbeduidends zeer veel geld: zijn silhouet staat op elke gloeilamp die in Amerika over de toonbank gaat. Wat te doen met al dat geld? En met alle tijd? Hij gaat op reis om zijn geld uit te delen aan mensen die het harder nodig hebben dan hij. Overal waar hij komt denkt hij: dit had ook mijn leven kunnen zijn, sterker nog, het kan mijn leven worden. Ik kan in Afrika een surfschool beginnen, ik kan in Letland Rus worden, met dolfijnen zwemmen, een Bed & Breakfast, zwerfkatten... And in the end nothing happens.

Tijden veranderen, en zoals de jaren negentig is het allang niet meer. Rookverbod, identificatieplicht. Oorlogen genoeg, met bijbehorende slechteriken van Bin Laden tot Bush om fel tegen te zijn, en soms lekkere werkloosheidscijfers (zoals in 2002 toen ik afstudeerde) of een kredietcrisis. Crisis is een woord dat elk journaal wel valt. Dat noopt tot keuzes. En toch... in de literatuur blijven er genoeg twijfelaars rondlopen. Indecision was de titel van het debuut van Benjamin Kunkel uit 2005. Goed besproken, maar naar mijn mening even vervelend als de titel doet vermoeden. Reizen, drugs gebruiken, rondhangen, af en toe een date en zeuren over het systeem, inmiddels weten we het wel.

Ik hoor in mijn hoofd weer die mantra die overal op van toepassing lijkt: aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve... Niet verdrinken, maar in het diepe springen, je in de afgrond storten, in plaats van erin te vallen. Misschien ga ik toch zielige zwerfkatjes redden. Het meest aanstootgevende dat ik deze week gezien heb, was namelijk kleine Jip.

Steun de Dierenbescherming voor Jip en andere zielige dieren.



Bookmark and Share
Comments

Werk aan de winkel I

24 % van de ambtenaren schijnt na de vakantie op zoek te gaan naar een nieuwe baan. En de rest heeft aan het zwembad wel een keer een dagdroom: ah, een Bed & Breakfast beginnen, zwemmen met dolfijnen of zielige zwerfkatten opvangen. Of op z'n minst: zou ik niet voor mezelf moeten beginnen - vrijheid ah, de vrijheid!

Ik denk zulke dingen ook op vakantie (vooral van die zielige zwerfkatjes). Ik heb alleen net iets meer reden voor zulke gedachten, want ik zit op een tijdelijk contractje. Bij mij dus geen dagdromen maar bittere noodzaak. Met de kerst moet ik een nieuwe baan, anders wacht de onvrijheid van de - getsie - werkzoekende.

Een goedbedoeld advies dat mensen mij vaak en graag geven: nu kan je wel fîjn erachter komen wat je écht wil. Los van het feit dat zij ervan uitgaan dat ik dat niet weet, vind ik dit een zeer nutteloos advies als het gaat om het vinden van werk. Het doet me denken aan een gesprek dat ik een keer had met een studiegenoot. We stonden met zo'n honderd man in de bus van de campus in Nijmegen naar het station. 'Keuzevrijheid is de grootste leugen van de westerse maatschappij!' riep ik, met rollende r’en en grommende g's. 'Weet je eindelijk wat je wil, zit er nog niemand op je te wachten!' Ha, het werkte, mensen voelden zich aangesproken.

Toen schrok ik. Mijn studiegenoot had in Afrika gewoond en iets met ontwikkelingssamenwerking gedaan. Hij ging me vast wijzen op de penibele situatie van vele Afrikanen die niet eens hun avondeten kunnen kiezen. Ik begon me al te schamen toen hij lachend zei: 'Ja in Afrika is er hoe dan ook geen werk, dus als je besluit dat je onder een boom wil zitten en het fruit verkopen dat eruit valt, dan doe je dat gewoon. Geen regeltjes of belastingformulieren.' Een verfrissend inzicht.

Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: 'Je gaat er niet dood aan.' Soms herhaal ik met nadruk: 'Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders.

Toch gaat 'je gaat er niet dood aan' niet altijd op. Als mensen doodgaan, bijvoorbeeld. Dan zul je een genuanceerder motto moeten hanteren, dat niet uitgaat van het negatieve, maar van het positieve. Voor mij is dat: je hebt altijd een keus. Maar dan ook altijd. Natuurlijk kun je er niet voor kiezen dat iemand niet doodgaat, net zo min als dat je contract toch niet afloopt. Je hebt misschien wel niets te kiezen, behalve dat je toch elke dag om half acht opstaat. Nou, dat is dan een keus. Zodra je iets kiest, heb je weer controle over een deel van je leven, hoe klein het ook is. Zodra je kiest, word je wie je bent. Bij mij werkt dat.

Motto 2 heb ik geleend van Sartre, en vervolgens naar eigen inzicht aangepast. Hij is bespuugd (in elk geval figuurlijk) vanwege zijn uitspraak dat zelfs mensen in concentratiekampen een keus hadden. Hoe ga je eraan? Met opgeheven hoofd of niet? Hoe eng zo'n uitspraak ook is, er zit een waarheid in. Hij is eng omdat het eerste motto niet meer van toepassing is, en de meeste mensen vinden dat al luguber genoeg.

Laat de morbiditeit je niet misleiden. Ik ben een optimist. Als ik zeg dat ik er niet dood aan ga, dan is dat vrolijk bedoeld. En mijn keuze is altijd eerst en voor al: het leven.

Nu heb ik nog niets gezegd van wat ik wilde zeggen. Wordt vervolgd...



Bookmark and Share
Comments

De ruïne in de stad

De sloop van Muziekcentrum Vredenburg is nu echt begonnen. Elke keer als ik naar de stad ga is een ander fietspad afgesloten en dat blijft de komende vijf jaar nog wel zo. Vandaag fietste ik aan de overkant langs de lange wand die de sloopwerkzaamheden aan het oog moet onttrekken. Toch zie je het half afgebroken gebouw erboven uitsteken. Op de voorgrond staat iets wat lijkt op een oude stadsmuur. Lees verder
Comments

Synesthesie en de kleur van je pincode


Kom je er na dertig jaar achter dat je synesthesie hebt. Ofwel: synestheet bent.

Ik heb wel eens geprobeerd aan iemand uit te leggen hoe in mijn hoofd een jaar, of beter een jaargang, eruitziet, maar dat strandde al op het idee dat een jaar er op een bepaalde manier uit zou zien. Ik dacht dat het aan hem lag. Nu blijkt dat het aan mij ligt.

Lees verder
Comments

Epifanie en epilepsie

epifanie
Epifanie, wie heeft er geen last van? Oorspronkelijk een religieuze openbaring, tegenwoordig de algemene benaming voor een intense geestelijke indruk. Ik heb daar veel last van, hoewel ik liever van geluk dan last zou spreken. Lees verder
Comments

Word wie je bent!

psychologie_magazine
‘Word wie je bent’ is de oproep van Psychologie Magazine. Opvallend, want eigenlijk is het meer een slogan voor hun zusje Filosofie M. Ik moest in elk geval meteen aan Nietzsche denken, die meer dan een eeuw geleden al opriep om, inderdaad, te worden wie je bent.

Toevallig kocht ik onlangs Oneigentijdse beschouwingen (1873-1876) van Nietzsche, waarin het stuk ‘Schopenhauer als opvoeder’ staat. Schopenhauer als opvoeder, ik hoor het sissen al beginnen: die vrouwonvriendelijke, zwartgallige en machtsbeluste negentiende-eeuwer als opvoeder? Dacht het niet! Gelukkig gaat het niet over Schopenhauer als opvoeder voor iedereen, maar voor Nietzsche zelf.

Of moet ik zeggen Nietzsches zelf? Het gaat hem erom dat de mens moet toewerken naar zijn betere zelf, dat ergens al bestaat (in het hoofd, in de lucht, in de toekomst, het onderbewuste bestond toen nog niet echt). Maar hoe kom je erachter wat dat is, dat betere zelf? In de Bijbel zal je het Nietzsche niet zien vinden (hij verklaarde God immers dood), bij het proletariaat of de christen-democraten evenmin. Hij vond het bij Schopenhauer.

Het mooie van het stuk is dat het een vlijmscherp zelfhulpboek avant-la-lettre is. Zonder al die open deuren, stijlfouten en tenenkrommende bekentenissen van de populair-psychologische esoterie die vandaag de dag de wereld overstelpt. Maar mét opdrachten, tips en aforismen die je gedachten doen rillen van zelfbewustzijn.

Nietzsche vond in Schopenhauer zijn opvoeder, wie de onze is ligt geheel aan onszelf. Om je betere ik te realiseren (uiteraard een proces dat je nooit kunt voltooien), moet je weten wat dat betere ik is, en om daar achter te komen, heb je een opvoeder nodig.

Ik zal meteen met de deur in huis vallen: de mijne is Marcel Proust. Nog zo iemand die niet vies is van bruikbare handvatten voor het leven en uitspraken over dood, liefde, seks, alcohol, feest, herinnering, tijd, vliegtuigen, koetsen, kerken, stenen, strand, meisjes en jongens waar je weken zoet mee bent, en dat alles verpakt in de mooiste zinnen die bestaan.

Je opvoeder vertelt je wie je eigenlijk bent, en wie je dus moet worden. (In mijn geval: geniaal schrijver met ongelofelijk veel mensenkennis, en die ook van een borrel houdt). Gekkenwerk om daar in je eentje achter te moeten komen. Iemand die dat betere zelf al heeft gerealiseerd moet het je laten zien, al is het decennia later via de omweg van een boek. (Overigens niet vergeten dat het voorbeeld weliswaar kan doen lijken dat hij zijn betere zelf heeft gerealiseerd, maar dat natuurlijk net zo min voor elkaar heeft gekregen als dat jij dat ooit zou kunnen.)

Bizar idee dat je beter zou kunnen worden van leipe artikelen in een maandblad. Ik wil niet voorgeschreven krijgen wat ik moet doen, in een simpel vierstappenplan. Ik wil aan het denken gezet worden en mezelf op volledig doordachte gronden iets voorschrijven. Daar heb je de filosofie voor nodig, of de literatuur. Maar het liefst allebei.



Bookmark and Share
Comments