Marcel Proust: een impressie in metaforen

Marcel_Proust_1900
Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. (Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. Deel VII: De tijd hervonden)

Wat voor kennis kan literatuur de lezer geven? Marcel Proust zet hoog in: literatuur brengt zicht op de waarheid. Een waarheid die gegrond is in de particuliere ervaring, maar die wel degelijk verwijst naar algemeen-menselijke ‘wetten’. Door het gemeenschappelijke van verschillende ervaringen te beschrijven is het mogelijk zulke wetten te ontdekken. Zelfkennis is de eerste stap in dit lezen ‘naar de waarheid’ en zelfdeceptie de grootste belemmering. Kunst werkt daarbij als een katalysator door de ‘impressie’, waarvan de geur van de in thee gedoopte madeleine wel de meest beroemde is.

Een aantal metaforen die Proust gebruikt in A la recherche du temps perdu kan dit verder verhelderen: het zelf als innerlijk boek, literatuur als optisch instrument, en de emotionele impressie als een chemische reactie.

Het zelf als innerlijk boek
Proust beschrijft het zelf dat verkend moet worden als een ‘innerlijk boek’, en het lezen ervan als ‘een scheppingsdaad’. Er bestaan, zegt Proust, twee ‘zelven’: een oppervlakkig, veranderlijk zelf dat correspondeert met de verschijningswereld van de fenomenen, en het ‘ware zelf’ dat de verschijning transcendeert en een gedeeld menselijke kern heeft. Zelfkennis is kennis van dit laatste zelf, dat zich openbaart in patronen die door de oppervlakte heen breken.

Kennis van de (menselijke) werkelijkheid ontstaat op het moment dat de oppervlakkige, logische aanschijn van de fenomenen wordt weggetrokken. De buitenwereld moet door het innerlijk heen gaan om betekenis te krijgen, een betekenis die vooral bestaat uit verbanden. Met het ontcijferen van je innerlijk boek creëer je werkelijkheid. Wat tot dan toe een platte, zinloze omgeving was, krijgt betekenis. Het innerlijk en de buitenwereld onderhouden een dynamische relatie met elkaar.

Een voorbeeld zijn de opeenvolgende liefdes van de verteller in A la recherche. De vrouwen zijn als poppen die hem onverschillig blijven tot ze min of meer toevallig diepte krijgen. Of dat gebeurt heeft weinig te maken met de vrouwen zelf – zij krijgen hun betekenis van geliefde door iets wat aanwezig is in de verteller, niet door hun eigen persoonlijkheid. Of het nu gaat om Gilberte, de Duchesse de Guermantes of Albertine, hun voorkomen als geliefde is een schepping van Marcel. Naarmate het verhaal verstrijkt begint hij de onderliggende patronen te zien in de oppervlakkige verschijningen: hij aanbidt niet Gilberte, Albertine enzovoort – hij aanbidt onbereikbare vrouwen.

De roman als optisch instrument
‘Echte’ boeken van papier en inkt dragen op hun beurt bij tot het begrijpen van het innerlijk boek. De roman is een ‘optisch instrument’:

In werkelijkheid is iedere lezer wanneer hij leest de lezer van zichzelf. Het werk van de schrijver is niets anders dan een soort optisch instrument dat hij de lezer aanbiedt teneinde hem in staat te stellen te onderkennen wat hij zonder het boek misschien niet bij zichzelf zou hebben waargenomen.

Literatuur werkt als een bril die de blik scherpt. De verkregen zelfkennis wijst in het beste geval voorbij de particulariteit op algemene (psychologische en morele) wetten. Door het lezen over Prousts opeenvolgende geliefdes krijg je grip op je eigen blinde vlekken én kun je die herkennen bij anderen.

Het lezen van literatuur als oefening voor het lezen van het zelf duidt Martha Nussbaum in Love’s Knowledge met het Aristotelische begrip ‘perceptie’ – een begrip dat echoot in de ‘visuele’ metafoor van het optische instrument. Perceptie is ‘some sort of complex responsiveness to the salient features of one’s concrete situation.’ Belangrijk is dat perceptie niet alleen in de rede zetelt (waar we het inzicht in algemene wetten zouden plaatsen), maar ook – vooral – in de emoties en de verbeelding.

Ook voor Proust is perceptie of zelfkennis vooral afhankelijk van emoties en zintuiglijke indrukken: het zien van een schilderij, een steek van jaloezie, de droom. Een enkele indruk is daarbij niet voldoende; een veelheid aan impressies is nodig om tot inzicht te komen. De schrijver heeft, ‘om tot omvang en consistentie, tot algemeenheid, tot literaire werkelijkheid te komen, net zoals [de schilder] veel kerken moet hebben gezien om er één te schilderen, ook vele mensen nodig voor één gevoel’.

Telescoop en microscoop
Perceptie bestaat voor Proust eruit de verbanden te zien tussen particuliere situaties en personen, zonder het particuliere daarbij op te heffen. Elders noemt Proust de telescoop en de microscoop als twee polen van het schrijven. Je tuurt door de telescoop naar de overkoepelende verbanden, en door de microscoop naar de allerkleinste particulariteiten.

De successie van de geliefden van de verteller kan dit verduidelijken. Het patroon van liefde is in eerste instantie particulier: afhankelijkheid van en ziekelijke jaloezie tegenover individuele vrouwen. Tegelijk overstijgen de patronen het eigen ik en krijgen algemene geldigheid. Het feit dat geliefden elkaar opvolgen en stuk voor stuk het predicaat ‘ware liefde’ kunnen krijgen, is een voorbeeld van zo’n algemene wet. Een andere is de al genoemde neiging tot zelfdeceptie: men zegt tot zichzelf dat de eerste geliefde helemaal niet zo bijzonder was, dat men nooit zoveel om haar gaf als om de tweede. ‘Ze was heel lief’, zeg je, terwijl daarachter schemert ‘Ik vond het plezierig om haar te kussen’.

Emotionelle impressie als chemische reactie
Een andere manier waarop literatuur zelfkennis verschaft, is de beroemde Proustiaanse ‘impressie’, die een kortstondige blik biedt op de waarheid, die in het dagelijks leven verborgen blijft of genegeerd wordt. De impressie kan heel mooi zijn, bijvoorbeeld als een kunstwerk haar veroorzaakt, maar is toch meestal pijnlijk. We worden geconfronteerd met onze leugenachtigheid, met een kant van onszelf waar we rekenschap van moeten geven.

De impressie is voor de schrijver wat het experiment voor de geleerde is, met dit verschil dat bij de geleerde het werk van het verstand van tevoren geschiedt en bij de schrijver achteraf.

De schrijver moet te werk gaan als een wetenschapper, waarbij de wereld het laboratorium is, zijn leven het experiment, de chemische reactie het resultaat.

Maar wat is nu de betekenis van die chemische reactie? De impressie geeft niet alleen een flits van inzicht in iets bestaands, maar verandert dat ook. Met betekenis komt verandering – een impressie kan een ander licht op het verleden werpen en op die wijze het hier en nu beïnvloeden.

Wanneer Marcel bijvoorbeeld hoort van Abertines vertrek, begrijpt hij dat hij niet alleen maar heeft gewacht op het juiste moment om haar weg te sturen, maar dat hij al die jaren daadwerkelijk van haar hield. Hij heeft zichzelf voor de gek gehouden, durfde zijn liefde niet aan zichzelf toe te geven uit angst voor liefdesverdriet. Vanuit dit zelfinzicht onderzoekt hij de mens in het algemeen en concludeert dat elke liefde uiteindelijk vervangbaar is. Wat gebeurt er? In volgende relaties zal hij steeds denken aan de vervangbaarheid van zijn geliefde. De impressie heeft niet alleen iets blootgelegd, maar ook gecreëerd.

Zelfdeceptie
Voor Proust is de rede de oorzaak van de zo wijdverbreide zelfdeceptie. De mens weet best hoe (slecht) de wereld in elkaar zit, maar zet voortdurend zijn verstand in om deze kennis te onderdrukken. Het verstand zegt dat je minnares, anders dan alle andere vrouwen die je hebt gekend, de ware liefde is, terwijl je eigenlijk weet dat je dat bij die anderen ook dacht. Noemen we dit mechanisme het verstand, dan is het ’t intellect dat door het zelfbedrog heen kan breken door een stem te geven aan de impressie. Eerst is er de indruk die verstandelijke redeneringen ‘ontzet’, vervolgens moeten we die indruk intellectueel doorvorsen, bijvoorbeeld door te schrijven.

De impressie is altijd een concrete gebeurtenis die wordt veroorzaakt door iets particuliers, bijvoorbeeld een bepaalde vrouw of een muziekstuk. In de interpretatie van een reeks impressies moet het particuliere daaruit losgeweekt worden om het algemene patroon zichtbaar te maken.

Veel lezen kan de beperking van de ervaring aanvullen. Literatuur is een bron van impressies, die de werkelijkheid laten zien zoals ze is, bevrijd van alle bedrieglijke lagen. Impressies kunnen bovendien verandering initiëren. Daarom is lezen niet alleen een bron van (zelf)kennis, maar ook een ervaring waar je aan begint zonder te weten hoe je er na de laatste bladzijde weer uit komt.

[Verschenen in De Filosoof, faculteitsblad Wijsbegeerte Universiteit Utrecht, april 2013]



Bookmark and Share
Comments

Karl Ove Knausgård - Mijn strijd

knausgard
- Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan. (Eerste zin van Karl Ove Knausgård, Mijn strijd, Deel 1, Vader)

'Ik ging zitten, schreef de eerste zin en vervolgens kwam de rest als een stortvloed naar buiten, zes delen, 3500 bladzijden.' Daaraan ging een lange periode van frustratie en niet-werken vooraf - niet een incubatietijd waarin de zes delen rijpten in het hoofd of in het hart, maar van mislukte projecten en een algehele twijfel aan de literatuur. Knausgård vertelde er vorige maand over bij Borderkitchen in Den Haag. Enkele dagen daarvoor maakte ik mijn videoblog voor VPRO boeken (zie hieronder). Ik moest mijn lofzang beginnen met die openingszin. 'Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan.'

Mijn zus gaf me het eerste deel, Vader, als kerstcadeau. Ik was vast van plan om eerst die vijf andere boeken uit te lezen waarin ik bezig was. Maar zoals vroeger als ik naar de bibliotheek was geweest en van elk geleend boek alvast de eerste bladzijde las, opende ik ook Vader, gewoon om hem even aan te breken, alvast van mij te maken. Ik las de eerste zin. Toen de eerste bladzijde. En een week later waren de 445 pagina's verslonden en stond ik in de boekwinkel met deel twee in mijn handen. 

Je moet natuurlijk nooit blind vertrouwen op wat een schrijver zelf zegt over het ontstaan van zijn werk. De vreemde parallellie in wat Knausgård verklaarde over zijn schrijfproces en mijn - particuliere - leesproces doet me toch in hem geloven. In elk geval wil ik het geloven. De eerste zin die een stortvloed teweegbrengt verbindt mij als lezer aan hem als schrijver. Na afloop van het interview liet ik mijn boek signeren en vroeg ik hem of die eerste zin die hij schreef ook daadwerkelijk de eerste zin is zoals die in het boek terecht is gekomen. Dat is immers niet vanzelfsprekend. Hij keek me wat bevreemd aan: ja natuurlijk is dat dezelfde eerste zin. Misschien vroeg hij zich af of ik niet goed had opgelet, hij had toch ook verteld hoe hij niets van wat hij schreef had teruggelezen, laat staan geredigeerd. (Ook op zo'n uitspraak moet je natuurlijk niet blind vertrouwen.) 

Goed, die eerste zin was terecht de opening van mijn videoblog. Dertien woorden leiden tot een bladzijde, tot niet meer kunnen stoppen, tot zes delen. Drie daarvan zijn inmiddels verschenen, de overige worden de komende twee jaar gepubliceerd. Het is een beetje zoals één aflevering kijken van een serie en dan maandenlang onrustig heen en weer draaien, wachtend op de volgende seizoenen.

Waarom kun je niet stoppen? Twee dingen. Of eigenlijk drie.

Knausgård schrijft psychologische thrillers, maar dan in de ware zin van het woord. Beangstigend, spannend, het draait om lijfsbehoud. Maar dan werkelijk psychologisch. Er is geen plot dat draait om lijken en bloed (hoewel er ook lijken en bloed in voorkomen, die niet minder dan huiveringwekkend zijn), de lijken en het bloed zijn verinnerlijkt. De angst is alom aanwezig, maar niet als een moordenaar die achter een prachtige dame aan zit, maar in het leven, in jezelf. Knausgård beschrijft hoe hij opgroeit onder de constante dreiging van zijn onberekenbare vader en later leeft met zijn onberekenbare zelf. Maar de vinger krijg je er steeds niet helemaal achter. Dat komt omdat die schaduw tegelijk in hemzelf zit en erbuiten, steeds is ie er als een spiegelbeeld dat je ontglipt.

- Mijn eigen spiegelbeeld in het raam bracht ik ook in verband met de deze wezen uit de dood, misschien wel omdat het alleen verscheen als het buiten donker was, maar dat was een afschuwelijke gedachte, mijn eigen spiegelbeeld in de zwarte ruit te zien en te denken dat dat beeld niet ik was, maar een dode die bij mij naar binnen loerde. (Deel 3, Zoon)

Knausgård kreeg bij Borderkitchen ruim de tijd om voor te lezen uit het onlangs vertaalde deel drie, Zoon. In het Noors, met de Nederlandse tekst achter hem geprojecteerd. Een meeslepende voorlezer, dat moet gezegd. Knausgård ziet er uit als een rockster, zoals steeds maar wordt herhaald. Zittend in de stoel kwam hij wat verlegen over, maar staande op het podium - niet achter een katheder maar gewoon, los in de ruimte, een slecht werkende microfoon in de hand - las hij en las hij, wiegend op de cadans van het Noors, het publiek voorovergebogen in de stoelen, met grote, gehypnotiseerde ogen.

Een lange passage over zijn jeugd, als het ware gecomprimeerd in één dag, één dorp, één landschap. Het doelloze fietsen, de verwondering over bouwvakkers met een privéleven en over rioolputten waar soms mannen in verdwijnen, auto's, vriendjes, je broer. De angsten, voor de vos, voor het zeemonster, voor een man zonder hoofd op tv. Voor je eigen spiegelbeeld, dat als een dode bij je naar binnen loert. Ik hoorde Knausgård lezen en lezen en toen hij afsloot met die passage die ik daags daarvoor zélf voor een onzichtbaar publiek had voorgelezen, was het bijna alsof ik bij hem naar binnen loerde.

- Ik stond alleen in de kamer in het halfdonker voor de boekenkast terwijl zij binnenkwam om iets te halen. Ze wist niet dat ik daar stond. Met de stemmen en het geruis van de ventilator in de keuken op de achtergrond glimlachte ze bij zichzelf. Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren. (Deel 2, Liefde)

Het is heus niet alleen dood en doemdenkerij. Wie beschrijft zo mooi de zomer, de natuur, jonge meisjes en ook reuzenstijves. (Ja, reuzenstijves.) Wat ontroert is Knausgårds inzicht in andere mensen. Hij weet in één alinea op een totaal idiosyncratische manier de mensen om hem heen neer te zetten (zoals Dostojevski dat ook kan, door bijvoorbeeld te laten zien hoe een handgebaar dat iemand te pas en te onpas gebruikt alles blootlegt over zijn karakter. En dat dan meteen ontkrachten door de handeling die erop volgt).

Zijn vader is een klootzak, hoewel dat te makkelijk klinkt, als was hij een vervelende buurman. Hij is ook een schaduw die overal opduikt en alles weet, maar als je hem wilt vastpakken, grijpen je vingers in de lege lucht. De anderen - geliefden, vrienden, kinderen - zijn stuk voor stuk individuen die de volle aandacht waard zijn en ook krijgen. Elk mens lijkt voor Knausgård een uniek specimen te zijn dat hij door observatie wil doorgronden. Niet om die mens in te delen bij een type of om hem te ontmaskeren, maar om vanuit een neutraal oogpunt te begrijpen wat haar beweegt of wat in haar jou doet bewegen. Al is het je eigen kind. Mijn strijd is daardoor niet alleen een psychologische thriller, maar ook haast een literatuur der psychologieën: 'Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren.'

Het is verslavend, ik zei het al, zoals die dvd-serie. De belangrijkste pool in het werk is wel de afwisseling tussen alles opschrijven, detail na detail (gelukkig niet alleen van de natuur of het uiterlijk van mensen) en tegelijk het belangrijkste slechts impliceren. Dit schrijft Knausgård over een bezoek aan het theater, dat doorslaggevend is voor het opnieuw uitvinden van zijn schrijven - een vrij accurate beschrijving van wat hij zal aanvangen met Mijn strijd:

- er was sprake van een zekere verwachting, alsof er iets op de loer lag. ... Ik ben er niet langer zeker van wat ik heb gezien, alle details verdwenen in een toestand die ze opwekten, die van absolute intimiteit, op een en hetzelfde moment gloeiend heet en ijskoud. (Deel 2, Liefde)

Die toestand, die moet je willen ondergaan. Eén zin brengt je duizenden bladzijden verder. Deel vier - Nacht - verschijnt in het najaar van 2013, en zo'n onderbreking van je verslaving is irritant maar ik denk ook wel gezond. Lezen passé? Onze tijd vraagt om dikke boeken, waar we seizoen na seizoen mee voort kunnen. Mensen om van te houden en te verafschuwen, een spiegelbeeld waarin we onszelf herkennen, al is het in de schaduw achter een donker raam. 
We hebben drie delen. 
We krijgen nog drie delen.
U bent gewaarschuwd.

[Dit is de tekst van mijn videoblog, uitgebreid en aangevuld met indrukken van de Borderkitchen-avond op 19 maart 2013 in Den Haag.]

Miriam-Rasch Karl-Ove-Knausgard from Jeroen van Kan on Vimeo.





Bookmark and Share
Comments

Videoblog: Karl Ove Knausgård - Mijn strijd als boekenweektip

Ontdekking van het jaar is voor mij de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Voor VPRO mocht ik een videoblog opnemen (ook wel bekend als vlog) en uiteraard koos ik als tip voor de Boekenweek zijn roman in zes delen Mijn strijd. De eerste drie - Vader, Liefde en Zoon - zijn inmiddels verschenen, nu is het wachten op de afsluitende delen. Mijn bijdrage is nu te zien op de site van VPRO Boeken of gewoon hieronder.

Miriam-Rasch Karl-Ove-Knausgard from Jeroen van Kan on Vimeo.





Bookmark and Share
Comments

Beste boeken 2012

word-existentialist
De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z'n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen - boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 - mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox - Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste 'boek' van het jaar. 

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman - Alibi's. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster - Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain - Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong - Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams - Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams - Stoner)
Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green - Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész - Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon - Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel - Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer - Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor - Wat is wijsheid? 
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren - Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård - Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.



Bookmark and Share
Comments

Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams - Stoner

stoner
Het is hier en daar genoemd als een van de 'beste boeken van 2012': Stoner van John Williams, een herontdekking uit 1965 en een onwaarschijnlijke bestseller. Onwaarschijnlijk, omdat het een intriest verhaal vertelt van een niet erg memorabel leven. Tenminste, aan de buitenkant is het onmemorabel, want Stoner behoort tot dat genre boeken dat laat zien dat elk leven en elke mens memorabel is, als je maar nauwkeurig genoeg kijkt.

Het is ook een roman óver literatuur, waarin dit bijzondere vermogen van literatuur om een middelmatig leven boven de middelmaat te verheffen gethematiseerd wordt, want dat is precies wat met Stoner gebeurt. De boerenzoon, voorbestemd tot een werkend leven op de akkers, gaat naar de universiteit voor een agrarische opleiding maar raakt al snel bevangen door de schone letteren. Zonder te begrijpen wat er met hem gebeurt ondergaat hij de betovering en laat die de gang van zijn hele verdere leven bepalen.

Dat klinkt al best memorabel. Al was het maar door dat spiegeleffect dat hierin zit, en dat Williams op haast alle thema's toepast. De weinig opzienbarende Stoner raakt onder invloed van de kracht van literatuur, hoe die het leven werkelijk tot leven kan brengen, ook al specialiseert hij zich in een weinig sexy onderwerp, iets met de late middeleeuwen en de invloed van Romeinse poëzie op de overgang naar de renaissance. Het boek van Williams over Stoner is zelf weer een voorbeeld van hoe met het woord een leven werkelijk tot leven wordt gebracht, haast nog meer tot leven dan Stoner ooit (in die fictieve wereld) lijkt te zijn geweest. Daar wordt hij geboren, werkt en sterft en niemand die er echt van opkijkt, ook hijzelf niet.

Dat is de intrieste stemming die in eerste blijft hangen tijdens en na het lezen: wie kijkt van dit leven op? Het is in alle opzichten mislukt, of laat ik zeggen: in geen enkel opzicht gelukt en dus ook gespeend van geluk. Het huwelijk: vanaf de wittebroodsweken een domper. De carrière: gefnuikt door een vete met een gehandicapte. Het kind: een bloem in de knop gebroken. De dood: roemloos.

He took a grim and ironic pleasure from the possibility that what little learning he had managed to acquire had led him to this knowledge: that in the long run all things, even the earning that let him know this, were futile and empty, and at last diminished into a nothingness they did not alter.

Het enige wat in het leven te leren valt is dat wat je leert in het leven nergens toe leidt. Er is maar één zekerheid: dat kennis eindigt in de zinloosheid van kennis. En die kennis heft haar eigen zinloosheid nooit op.

Maar er is toch meer aan de hand, zoals die haast magische werking van de literatuur. Terugdenkend blijven toch de passages - hoe kort ze ook zijn, in het verhaal en in Stoners levensloop - van uitzonderlijke krachtigheid hangen. Niet alleen van de Literatuur, maar ook van de Liefde, en van het Leraarschap. De kracht van die drie l'en overkomt je, maar je kunt hem niet vasthouden. Het gaat dan ook niet - concludeer ik weken na het uitlezen van Stoner - om de kennis, die zinloos is en alleen haar eigen zinloosheid weet te onderstrepen, maar om de ervaring. Die is toevallig, zoals liefde een toevallige samenkomst van twee mensen is en leraarschap die van een bevlogen meester en een leerling die zich openstelt, toevallig en tijdelijk. Maar het is die ervaring die van het leven een Leven maakt.

'Poor Daddy,' he heard Grace say, and he brought his attention back to where he was. 'Poor Daddy, things haven't been easy for you, have they?'
He thought for a moment and then he said, 'No. But I suppose I didn't want them to be.'

Ervaring
is niet makkelijk en hoeft dat ook niet te zijn. Dat is iets waar ik al vaker over heb geschreven. Deze roman is hoort zeker thuis in die voortgaande zoektocht naar wat leven waardevol maakt, als het geluk niet altijd voor het oprapen ligt. Zie bijvoorbeeld Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert en F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov.



Bookmark and Share
Comments

Oek de Jong - Pier en oceaan. Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee

pieroceaan
'Je had gehoopt dat je leven anders zou zijn in een ander land. Maar het is hetzelfde... Het zal overal hetzelfde zijn.'

Pas op pagina 793 van Pier en oceaan van Oek de Jong zet ik een potloodstreep. Het boek is bijna uit en hier heb ik eindelijk het gevoel om tot een kern te zijn gekomen. Abel, die je hebt gevolgd vanaf zijn moeder, zwanger van hem, tot zijn laatste zomer thuis, inmiddels achttien, is hier tot een kern gekomen. Dit inzicht luidt de volwassenheid in - die beklemmende beperking van het leven en de ultieme vrijheid die ermee gepaard gaat. Pas als je beseft dat alles altijd hetzelfde zal zijn, is er ruimte om zelf iets te doen, dat is de paradoxale les van ouder worden, zelfstandig worden. Je kunt toevoegen dat niet alleen in een ander land het leven niet anders is, ook in een andere tijd was alles altijd al zoals het nog steeds is. Dat zie je aan Abel en zijn ouders - de verschillen zijn even groot als de (aan erfelijkheid en opvoeding te danken) overeenkomsten. Maar deze zinnen zeggen ook iets over de roman zoals je die nu leest. Abel is zelfs hetzelfde als ik. Of gaat de conclusie dat alles hetzelfde blijft toch niet helemaal op? De tijd die Oek de Jong beschrijft (het naoorlogse Nederland tot aan begin jaren zeventig) is nu toch echt voorbij. We zijn definitief een ander land binnengegaan, denk ik. 

De wereld van Pier en oceaan (concreet: Dokkum en Goes) is de oude wereld, de stille wereld van voor mobiele telefoons, internet en commerciële tv. Een wereld als een lange, lange zondag. Ook voor niet-gelovigen is het zondagsgevoel herkenbaar. Niks mocht en alles kwam tot stilstand. Ik mocht alles, maar kon niks. Als ik in het weekend bij m'n vader was gingen we naar het museum. Verder las ik een boek en schreef gesprekken op tussen mijn vader, zijn vriendin en m'n zus. Omdat ik nooit zo snel kon schrijven als zij konden spreken, was het resultaat een onbegrijpelijke wirwar van zinnen. Hilarisch (echt). Dan een treinreis van Amsterdam naar Culemborg en de zondag was weer voorbij.

Die zondag bestaat niet meer, toch? Die kinderen bestaan niet meer. Het lezen van Pier en oceaan deed me realiseren dat ik oud ben. Ik voelde me opeens dichterbij Oek de Jong, geboren in 1952, staan dan bij mijn oudste studenten, geboren eind jaren tachtig. Of, godbetert, dichter bij Arie Storm, die in een lovende bespreking zowaar de herkenbaarheid prees (dat mag ik wel, dat Arie Storm een roman prijst om zijn herkenbaarheid).

Oek de Jong vertelt zelf in interviews (zoals in Vrij Nederland) dat hij een voorbij tijd wilde vastleggen. Een voorbije tijd en ook duidelijk een voorbij landschap - dat al verandert in de loop van de roman (denk: nieuwbouwwijk). De Jong is geïnspireerd geraakt door Marcel Proust, zegt hij, de reden waarom ik het boek ben gaan lezen. Ik zie geen echte verwantschap, ja, dit is een evocatie van een jeugd en de familiegeschiedenis die eraan voorafgaat - maar de manier van beschrijven is totaal anders: we zitten hier midden in de tijd van handeling, er is geen oudere verteller die terugkijkt. Geen ik bovendien, en waar uiteindelijk bij Proust de haast filosofische reflectie de bovenhand krijgt, lijkt het De Jong vooral te doen om zintuiglijke ervaringen. Van het lichaam, het landschap, meisjes, seks. Hier geen mijmeringen over De Tijd of Het Geheugen (waar Proust in heerscht), maar een vinger die door de korst van het schaamhaar in het zachte daarachter duwt (je ziet de jaren zeventig meteen voor je), zijdeachtig water op de naakte huid, voeten die in het slik wegzinken en zelfs een beschrijving van het onbeschrijflijke, die je toch meteen snapt, al komt die neer op 'het' dan wel 'het eeuwige' waar Abel steeds naar op zoek is. 

Terugdenkend is dat toch wel prachtig, hoe kabbelend en weinig gevaarlijk de roman verder ook op mij overkwam: de beelden die Abel zijn hele jeugd vergezellen, soms een kwartslag draaiend, of letterlijk van gedaante veranderend. De jongen met een koffer lopend over een oprijlaan op weg naar huis, die later verandert in een jongen met een kauwtje op zijn schouder, zachtjes wegzinkend in een zwarte poel. Waar die beelden vandaan komen en wat ze betekenen mag je zelf bedenken, Oek de Jong gaat het je niet voorzeggen. Dat is mystiek, Hollandse mystiek. Net als de titel, die misschien wel het mooiste voorbeeld is van diezelfde mystiek, Pier en oceaan, mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee.

Ik heb mezelf geloof ik net naar een waardering van vier sterren geschreven in plaats van de drie die ik had gegeven. 



Bookmark and Share
Comments

Susan Sontag - Zoals de geest gebonden is aan het vlees

sontag_geest
Zoals de geest gebonden is aan het vlees (As Consciousness is Harnessed into Flesh), het tweede deel van de dagboeken van Susan Sontag, leest als een karakterstudie. Een impliciete zelfanalyse via de analyse van anderen – vooral minnaressen – en van de allergrootste abstracties: Amerika vs. Europa, katholicisme vs. protestantisme vs. jodendom. Dat klinkt verstrekkend en ernstig, en dat is het ook. Susan Sontag (1933-2004) was hét voorbeeld van een intellectuele vrouw – en daar zijn er niet zo veel van. Maar waarom komt die zoon dan weer roet in het eten gooien?

Het eerste deel, Herboren, besloeg de jaren 1947 tot 1963. Sontags zoon David Rieff noemt het in zijn voorwoord de ‘Bildungsroman’ van zijn moeder, bij gebrek aan echt autobiografisch werk. Dit tweede deel gaat verder van 1964 tot 1980 en is veel dikker, ruim vijfhonderd pagina’s. Het zijn de overvolle jaren, vol van succes en vol van misère, zoals de kanker waarvoor Sontag wordt behandeld en die eigenlijk alleen via notities voor Ziekte als metafoor in het vizier komt. In die zin kun je deze dagboeken juist helemaal geen autobiografie noemen. En ook nauwelijks een biografisch document, want de context van Sontags leven waarin we de notities moeten lezen is zeer summier gegeven.

Lees verder op Athenaeum: Grasduinen door Sontags geestesleven



Bookmark and Share
Comments

F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov

grootinquisiteur
Over vrijheid en geluk, naar aanleiding van de opvoering van de gelijknamige eenakter met aansluitend discussie, geleid door ondergetekende, op de alumnidag van de Stichting Thomas More, 3 november 2012.

Sevilla, zestiende eeuw. Christus is teruggekeerd op aarde, verricht een wonder, wordt opgepakt en opgesloten door de inquisitie. De brandstapel wacht. In de nacht bezoekt de Grootinquisiteur zijn gevangene en legt hem uit hoe de wereld nu (dat wil zeggen, in de zestiende eeuw) in elkaar zit. De kerk heerst weliswaar in naam van Christus, maar dat is schijn. In werkelijkheid hanteren ze de principes van de duivel: ‘Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld.’ Christus is haast een moderne held – hoewel we hem zelf niet horen en alleen leren kennen via de woorden van de Grootinquisiteur. De nadruk op vrijheid, kennis en individualiteit die aan Christus wordt toegeschreven, staat lijnrecht tegenover de gehoorzaamheid die de kerk eist, het dom houden van de mensen en het streven naar gemeenschappelijkheid (eigenlijk: world domination). Het maakt van deze Christus een voorloper van de twintigste-eeuwse, existentiële mens. Misschien kunnen we zeggen, een echt eind-negentiende-eeuws mens, de tijd waarin Dostojevski de parabel schreef. In de kern draait deze monoloog om de vrijheid. Hieronder enkele gedachten over vrijheid en behoefte, geluk en het zwijgen.

*
Wat is de betekenis van de vrijheid? Laat ik proberen de verschillende denkbewegingen in de tekst te ontrafelen. Christus staat voor het geloof in vrijheid, geloof belijden in vrijheid. ‘Ik wil jullie vrijmaken’ – dat is de ware vrijheid. De kerk van de Grootinquisiteur heeft de mensen deze vrijheid afgepakt en er een illusie van vrijheid voor in de plaats gezet. Hij beweert dat mensen de vrijheid helemaal niet aankunnen. In feite is dat de existentialistische formulering van ‘de last van de vrijheid’. De mens kan niet omgaan met vrijheid; zodra hij die heeft, zoekt hij naar manieren om ervan af te komen, ‘ergens voor te kunnen knielen’. Is de vrijheid echt zo beangstigend?

*
In de woorden van de inquisiteur herkennen we wel een psychologisch inzicht dat hout snijdt. Namelijk: in hoeverre kun je vrij zijn als je behoeftig bent, ‘brood’ nodig hebt. Wat voor betekenis kan vrijheid hebben als je honger hebt? De moderne, existentiële vrijheid is misschien wel een elitair probleem. Je zult eerst moeten zorgen voor je behoeftes voor je je met zoiets als vrijheid kunt bezighouden.

Omgekeerd leveren die behoeftes je ook een excuus om je niet met vrijheid – die last – bezig te hoeven houden. Is de moderne, ‘elitaire’ mens niet almaar bezig met het najagen van behoeftes – laat hij zich niet gewillig knechten door het consumentisme, zoals dat dan heet, om maar niet met die ware opgave van vrijheid geconfronteerd te worden? Waar gaat het najagen van je behoeftes over in onvrijheid? Het is een val waar iedereen in gevangen zit: je bent niet vrij als je niet zelfstandig in je eigen behoeftes kunt voorzien. Je moet wel een mate van vrijheid opgeven voor het materiële. Maar het is heel makkelijk je in het materiële te verliezen en steeds meer behoeftes voor jezelf te creëren die om vervulling vragen, zodat je maar niet over ‘dat andere’ hoeft na te denken.

*
De Grootinquisiteur zegt: vrijheid tast het geluk van de massa aan. Haast niemand kan omgaan met de last van de vrijheid – men gaat daaronder gebukt en wij leveren de mensheid een gunst door haar die last af te nemen, te ontlasten. Geluk is rust, deemoed, vrij zijn van zorgen. Hij stelt vervolgens dat dit betekent: alleen de zwakke gelukkig kan zijn. Het schokkende is dat de Grootinquisiteur regelrecht toegeeft dat hij aan bedrog en leugens doet om zo de macht te verkrijgen.

Is vrijheid een overschat goed, dat geluk in de weg staat? Willen wat je hebt, is wel als recept voor geluk gegeven, in plaats van willen wat je niet kunt krijgen. Dat houdt ook in dat je een deel van je vrijheid (in wensen, dromen en verlangen) moedwillig moet opgeven, om gemoedsrust en dankbaarheid ervoor in de plaats te krijgen. Het probleem ligt natuurlijk in de dwang van de Grootinquisiteur: hij houdt de mensen klein en zwak, onder het mom van zelfopoffering. Terwijl geluk toch ook te maken heeft met een besef van accomplishment: niet meer willen dan je hebt, maar dan wel wetende dat wat je hebt in elk geval deels uit jezelf is voortgekomen. Rust mag een belangrijk bestanddeel zijn, maar dan wel rust na activiteit, productie. Deemoed, ja, maar dan iets als reflectieve deemoed. Ik noteerde eens: Geluk = Rust (na actie) + Reflectie (in realisme). Dichterbij een definitie ben ik nog niet gekomen.

*
Het einde van de monoloog intrigeert. Christus heeft de hele woordenstroom lang niet geantwoord. In feite geeft hij gehoor aan het bevel van de inquisiteur, die begint met te zeggen: ‘Zwijg!’. Als de tirade – een soort anti-preek – voorbij is, staat Christus op en geeft zijn aanklager een kus. Dan gebiedt de Grootinquisiteur hem om te gaan. Wat betekent die kus? Waarom laat de Grootinquisiteur Christus gaan? Maar even goed: waarom gaat hij? Hij doet precies wat de Grootinquisiteur van hem eist. Sommige toeschouwers ergerden zich aan de passiviteit van Christus. Waarom zegt hij niets terug? Waarom oefent hij niet daadwerkelijk zijn vrijheid uit door zich te verdedigen? Die passiviteit stoort.

Het zwijgen is echter ook op te vatten als een protest, weliswaar onhoorbaar, maar niet minder actief. Door te zwijgen laat Christus zien (horen) hoe het niet dwingen van mensen eruit kan zien, geeft hij tegenwicht aan de luidruchtige, van woorden overladen, bevelende tirannie van de Grootinquisiteur. Christus illustreert in zijn stille, zwijgende, stilzwijgende houding wat vrijheid is. Die is oneindig groot, niet in te vullen, niet op voorhand vorm te geven. Zijn zwijgen wordt zo een spiegel voor de ziel. Of de Grootinquisiteur in bezit is van een ziel valt te betwijfelen. Hij veroordeelt Christus zonder blikken of blozen tot de brandstapel. Maar dan zijn laatste woorden – ga heen en keer nooit weer… die tonen aan dat hij is in elk geval in staat is bewogen te worden.

De grootinquisiteur. Over het geloof van de vrijheid. Gespeeld door Paul Cobben en Quinten Rutten, 3 november 2012, Eindhoven.



Bookmark and Share
Comments

Zinnen als herinneringen: André Aciman - Alibi's

alibis
De autobiografische essays in Alibi's van André Aciman zijn een verkenning van de plaatsen waar de auteur geleefd heeft, die hij heeft verloren en gezocht. Een verkenning in één woord, van ballingschap.

Schrijven over de liefde, of beter: verliefdheid, dat doen er weinigen zo doordringend als de van oorsprong Egyptische André Aciman in zijn romans Noem me bij jouw naam en Witte nachten. Verliefdheid is het vehikel voor de achterliggende thematiek van herinnering, de ervaring van geluk en melancholie – en natuurlijk vooral hoe de ervaring van geluk door de processor van het geheugen verandert in melancholie. Al eerder schreef Aciman een essaybundel genaamd Valse papieren, wat bijna klinkt als een andere vertaling van Alibi's. In beide bundels gaat het over hetzelfde als in die romans: herinnering, ervaring, melancholie en geluk. Maar hier geen liefdesgeschiedenis die dit in een verhaalvorm giet.

Lees verder op 8WEEKLY: Zinnen als herinneringen

Meer lezen over André Aciman? Hier mijn stuk uit De Groene Amsterdammer over Witte nachten.



Bookmark and Share
Comments

Een najaar vol nieuwe boeken 2012

blaadjes
Ze zijn er weer, de catalogi van de uitgeverijen, uitpuilend van boeken die dit najaar gepland staan. In de brievenbus en ook steeds vaker online te vinden voor een ieder die geïnteresseerd is. Het belooft een mooi filosofieseizoen te worden! Hieronder mijn selectie, boeken die ik hoop te lezen, bespreken, of op zijn minst bepotelen.

Essays
- Wie nog nooit een boek las van journalist en held Ryszard Kapuściński bestelle nu direct Ebbenhout of Imperium of een willekeurige andere titel. Zeker die 95% van de bevolking die graag op reis gaat. Over de biografie van Artur Domoslawski ontstond nogal wat ophef omdat hij de waarheid van sommige verhalen in twijfel trekt. Maar zelfs dan blijft dit een mens van buitengewone proporties. Kapuściński: non-fictie. (De Geus, januari 2013)

- Robin te Slaa heeft de handschoen opgenomen en publiceert bij Boom een essay onder de gedurfde titel Is Wilders een fascist? Na de grote historische studie naar de NSB, 'legt hij de voorman van de PVV langs de fascistische meetlat'.

- Katherine Losse werkte in de begindagen bij Facebook en schreef daar een boek over: Jonge heersers (Arbeiderspers, september).

- Nieuwe essays van André Aciman? Dat zou mooi zijn. Toch vrees ik dat Alibi's misschien een nieuwe vertaling zal blijken van Valse papieren. We zullen het zien, binnenkort (Ambo, augustus). Meer over Aciman hier.

Filosofie
- Bij uitgeverij Klement (@UitgKlement) zijn ze goed bezig. Deze filosofische uitgeverij speelt zichzelf veel te weinig in de picture, de interessante boeken die er allemaal staan te verschijnen in aanmerking genomen. Zoals een vertaling van Hannah Arendt - Denken. Het leven van de geest (september). Een nieuw boek van Paul van Tongeren dat helemaal aansluit op de thematiek van levenskunst en deugdethiek, Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst (november). Maar ook een boek met de wat afschrikwekkende titel Quarterlife crisis. Een ontspoorde zoektocht naar authenticiteit, van Tim van den Hoff, dat niettemin belooft iets nieuws te zeggen over een uitgemolken fenomeen (november).

- Ook uitgeverij Boom gaat ervoor. Een nieuwe reeks Profielen verschijnt, met eerste delen over Žižek door Marc De Kesel en Foucault door Machiel Karskens (oktober). Van die laatste komt bovendien een vertaling uit van De woorden en de dingen (ook oktober). Dan het boekje van Kant dat je schijnt te kunnen veranderen in Kantiaan, Naar de eeuwige vrede. Die uitdaging wil ik wel aangaan. En in de mooie reeks van korte filosofische kernteksten vier essays van Peter Sloterdijk over media, Mediatijd (ook al oktober).

- Het zelf is een van mijn eigen thema's (hoewel ik er al bijna genoeg van heb). Toch ben ik benieuwd naar Jacques Bos - Het ongrijpbare zelf (Bert Bakker, januari 2013): 'Het ongrijpbare zelf legt [filosofische] vooronderstellingen bloot en onderzoekt de oorsprong van onze moderne denkbeelden over het zelf.’

- Lemniscaat brengt het boek waar Bert Keizer in zijn mooie essay over de ziel de loftrompet over steekt: Alva Noë - Wij zijn toch niet ons brein? (november 2012).

- En in het verlengde van mijn regelmatig hernomen zoektocht naar de filosofie van de liefde kan ik niet anders dan nieuwsgierig zijn naar een filosofie van de seks, door Alain de Botton: Meer denken over seks (Arbeiderspers, september).

Romans
- Per Hultberg - Preludes. De Watervis, september 2012
Een pil die al jaren in het Deens in mijn kast staat, gekregen van mijn moeder die Hultberg goed gekend heeft. Nu in Nederlandse vertaling, bijzonder!
Edit: ik blijk twee titels door elkaar te hebben gehaald. De dikke pil in mijn kast is Requiem, de vertaling is Preludes. Nieuwsgierigheid blijft gelijk.

- Dezso Kosztolányi - De gouden vlieger. Van Gennep, november 2012
Een nieuwe Kosztolányi in vertaling is altijd iets om naar uit te kijken, zie ook hier.

- Alex Boogers - Alle dingen zijn schitterend. Podium, november 2012
Gewoon, de mooiste titel uit alle najaarscatalogi.

Veel leesplezier!



Bookmark and Share
Comments

Aanraders, afraders en no-shows: boeken waar ik naar uitkeek

najaar2011
Hoogzomer (zegt men), en de eerste najaarscatalogi vol nieuwe boeken komen alweer binnen. Eens zien naar welke nieuwe boeken ik een jaar geleden ook alweer uitkeek. Nieuwe boeken in het najaar 2011: ja, dat had ik dit voorjaar al kunnen hernemen, ware het niet dat uitgeverijen tot de werkelijk aller-, maar dan ook allerslechtste planners van de hele economie behoren - waardoor de helft van de najaarsboeken verschijnt in het voorjaar, in het volgend jaar, of gewoon helemaal niet.

Zoals Marja Pruis - Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere, dat nog steeds moet uitkomen bij Prometheus.

Timothy Wilson - De verhalen van ons leven. Leer je zelfbeeld te veranderen voor een beter bestaan.
'Die titel belooft meer dan het boek waarmaakt, want in feite presenteert Wilson enkele resultaten uit zijn sociaal-psychologische onderzoek naar groepsvorming, identiteit en processen van uitsluiting. Het meer theoretische gedeelte over de zogenaamde 'verhaalbewerkingsmethode' levert echter interessant materiaal om verder over te peinzen.’ Lees mijn uitgebreide verder peinzen: De verhalen van ons leven - Het beest in de bek kijken en Geluk als productiviteit.

Over Jan Bor - Wat is wijsheid? wil ik eigenlijk nog een echt blog schrijven, tot die tijd moet je het doen met een recensie: Voorbij de grenzen van het denken.

Omdat seks, drugs en filosofie gewoon wel aardig klinkt. Dat klinkt het nog steeds, maar ik heb zelden zo'n onleesbaar boek in handen gehad als Het hoorcollege. Seks, drugs en filosofie in Buenos Aires van Pola Oloixarac. Schijnbaar gehyped in haar thuisland, maar waarom Meulenhoff het nodig achtte dit hier op de markt te brengen is een raadsel. Niet uitgelezen, zelfs niet voor de recensie die ik er dus ook niet over schreef. (Bij deze.)

Een van de beste boeken van 2011 bleek Jeffrey Eugenides - Huwelijk. Over een driehoeksrelatie tussen twee jongens en een meisje: verder met mijn literaire onderzoek naar de liefde dus. Lees het resultaat hier: Over de liefde en reddende engelen.

Helle Helle - Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden.
Gelezen, maar nog niet verwerkt. Kom ik op terug.

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig.
Het verhaal van de liefde, gezien vanuit de man. Dan krijg je dus een Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten. En de recensie, Twee mannen, één vrouw, nul op het rekest.

Het was de hit van het najaar, prijswinnaar Julian Barnes - Alsof het voorbij is. Stiekem maakte de verhalenbundel Polsslag die eerder uitkwam misschien wel meer indruk op me. Maar toch: 'Als je het uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen.'

Hassan Bahara en Patrick Pouw - WTF? Volwassen worden na 11 september. Aardige bundeling van wisselende kwaliteit, Voorbij het hokjesdenken.

Jeanette Winterson - Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?
Deze memoires van Winterson heb ik nog niet gelezen. Weet je waarom? Omdat ik de titel opvatte als een stelling van Winterson, een ironische, half-retorische vraag die de insteek van die memoires zou vormen. Een zin die me erg aansprak en aanspreekt. Uit wat ik over het boek las, bleek echter dat het hier gaat om een uitspraak van Wintersons moeder - een niet ironische, volkomen retorische vraag, die wij moeten verfoeien. Jammer.

Anton Blok - De vernieuwers. Zegeningen van tegenslag in wetenschap en kunst.
Nog niet verschenen, Bert Bakker!

Jonah Lehrer - Uit het niets. De nieuwe wetenschap van creativiteit.
Oja.

Meer tips? Kijk onder de tag recensie of de categorie Literatuur of Filosofie. Later deze zomer een nieuw lijstje met boeken waar ik naar uitkijk.



Bookmark and Share
Comments

J.M. Coetzee en Paul Auster - Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011

coetzee_auster
Twee literaire grootheden van de afgelopen decennia, J.M. Coetzee en Paul Auster, ontmoeten elkaar, gek genoeg pas in 2008. Het is een ontmoeting die meteen vruchten afwerpt. Coetzee stelt Auster voor een briefwisseling te beginnen. Die wil wel, maar dan 'niet alleen eettafelgesprekken - iets rigoureuzers'. Het resultaat is nu, na drie jaar heen en weer schrijven, verschenen: Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Een vriendschap is het zeker, en een rigoureuze vriendschap ook.

Een boek als dit voelt als een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid: twee grote hedendaagse schrijvers gunnen je een blik in hun leven, hun preoccupaties en werkwijze, maar ook in hun privéleven. Gaandeweg ontwikkelen ze een vriendschap die ontroert. We zijn getuigen van hun worsteling met het ouder worden, met hun eigen vak en relevantie als schrijver, met de wereldpolitiek en de ongemakken van beroemd zijn. Dat is veel ja, maar dat hoort bij zo'n cadeau.

Lees verder op Athenaeum.nl: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid



Bookmark and Share
Comments

Arnon Grunberg - De man zonder ziekte

de_man_zonder_ziekte
We hebben geen goden meer om ons ten gronde te richten. Wat dan wel? In de moderne tragedie van De man zonder ziekte, de nieuwe roman van Arnon Grunberg, leiden het irrationele, het ondergrondse, onbewuste en het duistere hoofdpersoon Sam naar de ondergang. Hij kan nog zo rationeel en berekenend denken te werken aan zijn eigen lot, uiteindelijk wacht het lot hem op in het donkere Irakese hol waar hij verhoord wordt, de bunker waar hij als architect aan werkt. Zijn gehandicapte zus kan niet praten (neemt dus niet deel aan die rationele wereld). Zij wil dood. Die heeft het tenminste begrepen.

Hij werpt een blik op zijn zus. Eigenlijk is ze nog geen mens, eerder een constructie die niet ten einde gebouwd is, ze is het vermoeden van een mens, een bouwput, en hij hoopt dat ze nu eindelijk zal worden afgebouwd. … Misschien was dit een transactie: hij zou sterven, zij genezen.

Wat gebeurt er in een tragedie? Je maakt keuzes, bewuste keuzes die een andere uitkomst hebben dan verwacht. Dat doet Sam ook. Misschien is hij niet heel erg overtuigd, maar hij vaart op zijn rationaliteit en neutraliteit. Helaas voor hem, er zijn andere, oncontroleerbare krachten aan het werk. In de goden geloven we niet meer, maar dat betekent niet dat we geen speelbal meer zijn van het lot.

'De man zonder ziekte': dat klinkt als een goede start in het leven. Toch lijkt de familie van Sam gedetermineerd, met zijn gehandicapte zus en vroeg gestorven vader. 'Waar hebben we dit aan verdiend?' vraagt zijn moeder als haar zoon gemarteld en wel terugkomt van een opdracht in Irak. Sam weet: ik had beter moeten opletten. De man zonder ziekte klinkt bij nader inzien dreigend. Zo'n smetteloos figuur moet een lesje leren. Vrij zijn van ziekte maakt je aantrekkelijk voor het noodlot. 

Onzichtbare krachten trekken je je lot binnen, of ze nu onzichtbaar zijn omdat ze zich letterlijk onder de grond bevinden, of ergens onder de oppervlakte van jezelf. Onder valse voorwendselen wordt Sam naar Irak gelokt, maar dat doet er niet zoveel toe. Het moest hem overkomen, hij moest zijn lesje leren. Al zijn keuzes zijn in feite vooropgezet, er is niets bewusts aan. Hij mag mooie woorden spreken over zijn idealen van architectuur die genereus is, van de gevende architect die met een beetje geluk zoveel geld verdient dat zijn zusje haar behandeling in Amerika kan krijgen. Maar misschien is hij alleen maar architect geworden om deze tragedie te ondergaan. Wat hem overkomt is niet een gevolg van zijn toevallige bestaan als architect, hij is architect geworden zodat dit hem kon overkomen. 

Waarom? Om exemplarisch te zijn (zoals een personage van Grunberg betaamt). En wat voor lesje? Een lesje van het onbewuste, zou ik zeggen. Hij is het slagveld waar een oorlog woedt tussen rationaliteit en irrationaliteit. In het Midden-Oosten gelden rationele beslissingen niet meer en regeert het toeval met een onontkoombaarheid die we niet kunnen vatten. Soms doet Sam het juiste, zoals zich niet verzetten tegen zijn bewakers. Louter toeval. Bewust bedacht, maar toevallig. (Overigens vind ik het haast dapper te noemen hoe Grunberg het Midden-Oosten als locus van het irrationele aanwijst. Zacht gezegd komt de regio er niet goed van af. Het is er vies, onrechtvaardig en pervers; en als er al iets mooi is, is het slechts vernis en krioelen daaronder de kakkerlakken.)  

Als ik nog Literatuurwetenschap studeerde, zou ik zeggen dat de ruimte van het Midden-Oosten het onbewuste is en Zwitserland het bewuste. Of zelfs all the freudian way gaan: het Id en het Superego met Sam daartussenin. Nu ik dit zo opschrijf, komt het me voor dat juist de ontmoeting tussen die twee de interessantste passages van het boek uitmaken. De redding door het Rode Kruis uit de hell-hole van Irak, het moment dat de vertegenwoordiger van de Zwitserse ambassade hem opzoekt in zijn cel in Dubai. Wrange scènes, vooral omdat zo pijnlijk duidelijk wordt dat het westen - het rationele, schone bewuste - absoluut niet kan omgaan met de irrationele, onbewuste smerigheid die óók over de mensen wordt uitgestort.

Mijn eerste reactie op De man zonder ziekte was: wat een kil boek. Dat vind ik nog steeds. Maar misschien is kilheid de enig mogelijke reactie voor Sam, zijn vriendin Nina en alle andere personages. De martelende werkelijkheid van Irak, gespiegeld aan de beangstigende krochten van het onbewuste is zo confronterend, daar kun je alleen maar afstand van proberen nemen. Je gevoelens uitschakelen, doorgaan met je leven, succesvol zijn, geld verdienen - dat is de manier waarop we geacht zijn ons te gedragen. 

Ze schudt haar hoofd. 'Het is zinloos,' zegt ze. 'Iedereen maakt fouten, maar je hebt je lesje geleerd.' Ze klinkt streng en liefdevol.
Wat zou hij dan precies geleerd moeten hebben? Ze hadden zijn neus gebroken en dat zou een lesje moeten zijn? De martelkamer bleek een sanatorium, hij is er al met al als een beter mens uit gekomen. Is dat wat de mensen willen horen?
Sam neemt een hap van de appeltaart, die goed gelukt is. Bakken kan ze. De smaak van de gekaramelliseerde appels stemt hem mild. Misschien heeft Nina gelijk. Hij zal zijn lot aanvaarden, niet meer proberen het verleden te doorgronden in de ijdele hoop dat het verleden verandert als je het begrijpt.

Maar we kennen ook allemaal de zachte drang waarmee 'het verschrikkelijke' aan ons trekt, alsof het ons aangelijnd houdt als een hond. Als we te ver afdwalen haalt het ons met tedere rukjes weer naar zich toe. En maar al te graag geven we daaraan gehoor, gaan we terug de diepte in, zoals Sam terug gaat naar de regio waar hij gemarteld werd.

Hij zou erbij moeten horen maar hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij er niet bij hoort, dat hij naast hun vrolijkheid staat zoals zijn zus naast gezonde mensen.

Hoewel het dus ontegenzeggelijk een kil boek is, zonder mededogen en meedogenloos (twee verschillende dingen), lijkt dat me ook juist de sleutel tot het verhaal. Hoe zijn we zo kil geworden? Hoe verhoudt de emotionele kilheid die beschaving heet, zich tot emotionele kilheid die marteling mogelijk maakt? Afstand nemen van het irrationele, het absurde, het perverse betekent niet dat dat ook afstand neemt van jou. Dat is het moderne noodlot, dat je achtervolgt en waaraan niet te ontsnappen valt. Toch nog een lesje geleerd.



Bookmark and Share
Comments

Paul Auster – Winterlogboek: The story about what it means to be alive (without wanting to sound pompous)

winterlogboek
Geen richtinggevoel hebben – typisch een vrouweneigenschap. En een eigenschap van Paul Auster. In zijn nieuwste boek Winterlogboek schrijft hij erover hoe hij altijd gedesoriënteerd uit de metro komt, hoe hij in het rechthoekige stratenplan van New York weet te verdwalen, hoe hij zelfs verkeerd loopt als hij rekening houdt met zijn belabberde gevoel voor oost en west, noord en zuid. Herkenbaar, net als die innerlijke gesprekken waarin je je al dan niet niet falende richtinggevoel om de tuin probeert te leiden. (En hoera voor de iPhone met gps.) Ook in zijn lezing zaterdag bij City2Cities kwam Auster erop terug. Later die avond wees ik hem de weg naar de wc. ‘I will come back looking for you!’ zei hij. Ik bleef toch maar op hem staan wachten, want de portier had ook de lichten al uitgedaan.

Winterlogboek bevat Austers memoires geschreven vanuit het lichaam, ‘een catalogus van zintuiglijke gegevens’. Mens zijn, dat is in de eerste plaats: een lichaam zijn, want een lichaam zijn is levend zijn. ‘The story about what it means to be alive.’ Leven, dat begint in het lichaam en eindigt in het lichaam, en pijn en genot – die lichamelijke waarheden – zijn daar de uitdrukking van. De metafoor voor het levende lichaam is: wandelen. Misschien klinkt het raar dat iemand die steevast verdwaalt zoveel houdt van wandelen als Paul Auster. Wie zijn boeken kent, kent ze ook als ode aan de wandeling en aan het verdwalen. Door te verdwalen kom je de essentie op het spoor. Dwalen in een stad is dwalen in jezelf, zoals hij zaterdag zei. Door te verdwalen krijgt het toeval een kans, het toeval dat je iets vindt. 'Zo zie je jezelf telkens wanneer je weer eens nadenkt over wie je bent: een man die loopt, een man die al zijn hele leven door de straten van steden loopt.' Na de lezing hield ik de deur van de Aula voor hem open: ‘I have to smoke,’ zei hij dwingend. ‘I’ll walk with you,’ antwoordde ik, want zelfs in het Academiegebouw kun je hopeloos verdwalen.

Auster is een verstokte roker. Roken is je overgeven aan je lichaam en in die overgave je lichaam naar de knoppen helpen. Het lichaam is uit op zijn eigen ondergang. Rokers kunnen heel intellectueel doen over hun verslaving, maar uiteindelijk is het intellect net zo goed de slaaf van de sigaret als het lichaam zelf. Het intellect is natuurlijk ook maar een deel van het lichaam. Over roken en drinken schrijft hij: het zijn 'krukken om je kreupele ik overeind te houden'. En: 'Je bent zonder enige twijfel een beschadigd en gewond mens, iemand die vanaf het allereerste begin een wond in zich draagt (waarom ben je anders al je hele volwassen leven bezig woorden op papier te bloeden?)'. De concrete beschadiging (een dikke laag teer op de longen) wordt zonder omhaal een symbolische beschadiging (een wond in je dragen), die weer concreet wordt (bloed).

Het bewonderenswaardige en absoluut fantastische hieraan is dat Auster die allereerste wond niet uitmelkt, niet overanalyseert, zelfs niet duidelijk benoemt. Het is een wond uit het verleden, van voor het bestaan van zijn lichaam. Daarom is de keuze voor de geschiedenis van het lichaam zo goed – dat is er pas op het moment dat jij er bent en heeft zogezegd geen voorgeschiedenis. Het maakt zijn eigen geschiedenis. Het verhaal over de moord in de familie (dat in elk geval een deel van de wond zal uitmaken) is vanuit zo'n optiek niet meer relevant, of in elk geval niet allesbepalend. Hier moet ook de keuze voor het jij-perspectief mee te maken hebben. Die creëert afstand in wat een al te intieme setting kan worden (het eigen lichaam, hoewel Auster dat beschrijft als een soort Elckerlyc).

In een interview op Cutting edge zegt Auster over de keuze voor dat perspectief juist het tegenovergestelde. Het creëert intimiteit: ‘Door de tweede persoon enkelvoud te gebruiken, creëerde ik een zeker intimiteit. Ik ben tegen mezelf aan het spreken alsof ik een vreemdeling voor mezelf ben. Het leest alsof ik aan het fluisteren ben. Tegelijkertijd voelt de lezer die steeds ‘jij’ leest zich ook aangesproken en begrijpt hij dat wat hij leest ook over hem gaat. Ik sta dus heel erg achter die misschien ongebruikelijke keuze omdat ze in mijn ogen noodzakelijk was.’

‘Everybody here is so young,’ zei hij terwijl we naar de uitgang liepen voor een sigaartje. Ik vertelde hem mijn leeftijd. ‘That’s what I mean.’ (Dank u, meneer Auster.) Toen Auster even oud was als ik nu zat hij behoorlijk diep in de put. Hij was nog niet de gevierde schrijver die hij nu is (schreef een handvol poëzie voor een handvol poëzielezers), was gescheiden van zijn eerste vrouw, had een dode vader in z’n kop, zat aan de grond en opgescheept met zichzelf. Het is hierom dat je ook als je de winter van je leven nog niet hebt bereikt, herkenning put uit die oudemannenmemoires. Ik ken Paul Auster niet anders dan de beroemde schrijver uit Brooklyn, maar dat is maar de helft van zijn leven.

In een indringende scène beschrijft Auster hoe hij redding vond uit deze impasse. Het zien van een repetitie van een moderne dansvoorstelling – zonder muziek! – betekent het scharnierpunt op weg naar de Auster zoals ik en iedereen hem kent. De dansers brengen hem terug bij zichzelf en daarmee ook bij zijn schrijverschap. De waarheid die hem geopenbaard wordt is opnieuw lichamelijk, het is een woordeloze waarheid. Via die dansers verbindt hij het schrijven weer aan het lichaam:

'op een bepaald moment begon zich iets in je te openen, voelde je jezelf door de spleet tussen woord en wereld vallen, de kloof die het menselijk leven scheidt van ons vermogen om de waarheid van het menselijk leven te bevatten of uit te drukken, en om redenen die je nog steeds verbazen, vervulde die plotselinge val door de ledige, onbegrensde lucht je met een gevoel van vrijheid en geluk, en toen de voorstelling was afgelopen, zat je niet meer vast, was je verlost van de twijfels waaronder je het voorbije jaar gebukt was gegaan.'

Verderop schrijft hij: 'Schrijven begint in het lichaam, het is de muziek van het lichaam' ... 'Schrijven als een mindere vorm van dans.' Dat mag zo zijn, maar schrijven is wel een meer blijvende vorm dan dans. Alle schrijvers schrijven om bewaard te blijven, zo zei Auster ook in het vraaggesprek van zaterdag. Je mag in de winter van je leven zijn gekomen, en steeds dichter het einde naderen, die personages blijven bestaan ook nadat jij er niet meer bent.

Eigenlijk had ik aan Auster willen vragen of hij zich wel eens bezig heeft gehouden met boeddhisme and the likes. Maar dat durfde ik niet, of het kwam er niet van. Maar die leegte en stilte fascineren me, ook omdat mijn eerste reactie na het uitlezen was: ik ben er stil van. Misschien komt het omdat ik nu ook bezig ben in het kleine boek met de grote titel Wat is wijsheid van Jan Bor, waarin hij vertelt over zijn persoonlijke onderzoek naar deze vraag – die hem leidt langs zen en het boeddhisme en uiteindelijk aan de rand van de afgrond, een immense leegte doet belanden. Een woordeloze waarheid, zoals Auster hierboven schrijft. Deze passage beschrijft haast hetzelfde als Bor doet, maar dan vreugdevol in plaats van beangstigend. Dat laat zien dat ‘waarheid’ niets met vreugde of pijn te maken heeft, niet positief of negatief is, niet het goede is of het kwade. Het is. En in dat zijn zitten pijn en genot aan elkaar verknoopt als twee koppen aan hetzelfde lichaam, zoals Socrates op de ochtend van zijn sterfdag zegt (ik lees ook nog eens Faidon erbij).

Ik vroeg Auster daarentegen of hij wel eens van moeder droomt. Het hele boek door gaat het over de dood van zijn moeder en dan, op het eind, vertelt hij over de gesprekken die hij in zijn dromen voert met zijn vader (gesprekken die hij zich niet herinnert – ook weer een stille waarheid). Nee, hij droomde vrijwel nooit van zijn moeder. Maar de dood van zijn vader was ook veel langer geleden, zei hij, alsof het al dan niet van iemand dromen daarmee samenhangt.

Toen uiteindelijk alle tweehonderd mensen hun drie boeken hadden laten signeren, schoof ik mijn exemplaar van The invention of solitude naar voren over de tafel. Het boek, dat deels gaat over de dood van zijn vader, heeft veel voor me betekend. Het exemplaar is een flodderige Penguin-paperback, maar toch wilde ik juist hierin een handtekening hebben. Vooruit, ook in Winterlogboek. Ik vroeg hem of Winterlogboek voor hem verbonden is met The invention of solitude – het ene gaat over zijn vader, het andere, de laatste, over zijn moeder. ‘They are!’ riep hij. Auster pakte de twee boeken en hield ze op schouderhoogte, de armen ver uit elkaar. ‘But they are thirty years apart!’ Wat als je er goed over nadenkt inderdaad bizar is.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig

Men in love, zo zou de roman ook kunnen heten waarmee Patrick Lapeyre de Prix Fémina won, de grote Franse literaire prijs die toegekend wordt door een vrouwelijke jury. Lapeyre wordt geroemd om zijn onderzoek naar 'de verliefde man', zoals Het leven is kort en het verlangen oneindig te lezen is. Twee mannen, één vrouw, nul op het rekest.

Een onderzoek naar de verliefde man, dat doet denken aan wat Milan Kundera schreef over rokkenjagers. De Don Juans van deze wereld zijn er volgens hem in twee soorten: de man die op zoek is naar De Ene, de vrouw aller vrouwen. Na elke verovering is hij teleurgesteld, want De Ene bestaat natuurlijk niet. Door naar de volgende. De andere soort is niet op zoek naar één vrouw, maar wil alle vrouwen leren kennen. Hij geniet van de overvloed en variatie die beschikbaar is, als een kind in een snoepwinkel. Een type dat je vaak tegenkomt ontbreekt in deze classificatie: de rokkenjager die noch de Ene zoekt, noch de veelheid, maar zichzelf. De narcistische rokkenjager kun je hem noemen, die feitelijk niet geïnteresseerd is in de ander, maar op zoek is naar bevestiging.

Lees verder op 8WEEKLY. En lees ook mijn Onderzoek naar de verliefde man in 7 citaten hieronder.



Bookmark and Share
Comments

Piet Calis - Literaire vriendschappen en andere misverstanden

calis
Literaire vriendschappen en andere misverstanden is de titel van Piet Calis’ gelegenheidsuitgave voor de Boekenweek. Het is niet een overzicht van illustere koppels als Willem Kloos en Jacques Perk of Ter Braak en Du Perron, maar een bundeling van portretten van 62 ‘literaire vrienden’ van de literatuurwetenschapper. Al die schrijvers – en een heel enkele schrijfster – zitten opgepropt in dit dikke rode boekje als een straatklinker. Elk krijgen ze zo’n vijf pagina’s, elk van hen introduceert Calis aan de hand van een interview of een persoonlijker ontmoeting. Dat leidt wel eens tot een herontdekking of een aardig citaat, maar vooral tot heel veel namen, feiten en anekdotes, en niet tot een verhaal.

Lees verder op Athenaeum: Literaire namen, feiten en anekdotes

Goede Boekenweek gewenst!



Bookmark and Share
Comments

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan: Nu alleen zijn is verboden

heytze
Dit stuk maakt deel uit van de blogtournee over de onlangs verschenen dichtbundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (Uitgeverij Podium). Check Not just any book voor meer informatie. Eerder schreef ik over Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid.

Eerst ben je samen en gelukkig; dan ben je alleen tussen de mensen; daarna alleen nog alleen; en uiteindelijk is er niets behalve het niets. Als dat besef eenmaal is doorgedrongen kun je beter terug gaan denken: van het levenloze niets terug naar jezelf, al is dat eenzaam, naar de anderen hoe gevoelloos ze ook zijn, om te eindigen bij het begin, bij jou.

Bij het lezen van de nieuwe bundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan, slinger je steeds heen en weer tussen de verre uithoeken van het steenkoude en levenloze heelal dat zich uitstrekt ver voorbij de maan, naar het piepkleine leven dat je leidt, in een huis, met mensen die, ja, ademhalen maar evengoed levens leiden zonder zin.

Julian Barnes beschrijft in Nothing to be frightened of, zijn fenomenale essay over zijn angst voor de dood, 'le réveil mortel - the wake-up call to mortality'. Het moment waarop je ineens weet: ik ga dood. En dood betekent: niks meer. Waardoor leven misschien ook wel niks betekent. Je kunt je wel een god wanen en soms de touwtjes van de wereld in je handen voelen, in elk geval de touwtjes van je eigen leven. Als de man achter de schermen, die alle schermen tegelijk ziet, zoals Heytze schrijft. Maar het blijft een waan. Als je ver genoeg kijkt moet je zien dat er geen god is en dat jij hem niet bent.

Het absurde, heet dat in goed filosofisch jargon.

Ach, zo'n betekenisloos heelal, het heeft ook wel iets prettigs. Je hebt met niemand iets te schaften, behalve met jezelf. En van jezelf kun je in elk geval op aan. Toch? Mwah. 'Wie zou je ermee hebben behalve jezelf, en zelfs dat valt te bezien.' (Binnen en buiten) De ander dan? 'Maar ik zou niemand weten, alleen jij, en zelfs bij ons heb ik zo mijn vraagtekens.' (Achter ons)

Heytze weet heel goed de tragiek te vangen van dat ietwat sneue hoopje mens dat tegen beter weten in er nog iets van probeert te maken. Sneu hoopje, omdat je in het licht van dat enorme, mechanische heelal maar 'één tussen miljarden' bent. Het is moderne tragiek: doorgaan omdat het niet anders kan, niet tegengewerkt door een god of het noodlot, maar voortgedreven door de tijd. De tijd, die is nog veel meedogenlozer dan welke god ook. God, die liet nog plaats voor hoop. Zelfs die is er niet meer voor ons, wij die 'op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren’. (Schaduwen)

Zo voortgedreven door de tijd, ligt de hoop (toch eigenlijk een projectie op de toekomst) vooral in de herinnering. Terug dus, naar het samenzijn, 'niet langer alleen'. De wens en de hoop zijn niet gericht op een hiernamaals of een betekenisvol leven, maar op het terugdraaien van de tijd. Ik hoef niemand te vertellen dat dat onmogelijk is. Dat maakt het verlangen tragisch. En ook mooi. Er is in dit lege universum veel schoonheid te vinden. Niet zozeer in het licht, maar juist in de duisternis. 'The tunnel at the end of the light', zoals Bukowski in het motto dicht, verandert van een duistere, enge plek in een veilige haven.

Er staan veel regels (soms zinnen) in de bundel die je wilt onthouden. Trefzekere tragiek. (Dat is in elk geval een zekerheid die de dichter nog geboden is.) Het mooiste gedicht vind ik 'Het uur van het schaap'. Het is duister en eng en zeker niet veilig. Maar het biedt je één absolute zekerheid.

'Nu alleen zijn is verboden.'



Bookmark and Share
Comments

Antoine de Kom - Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf

de_kom
Verdachte H. loopt met de psychiater die hem onderzoekt door de tuin van de instelling waar hij wordt vastgehouden op verdenking van moord. H. heeft geen stoornis, concludeert Antoine de Kom, de psychiater. Hij lijdt aan een patstelling: ‘zijn en/of niet-zijn’. Dat klinkt bekend.

H. is Hamlet, een van de tien ‘wereldberoemde misdadigers’ die Antoine de Kom, tevens dichter, onderzoekt in zijn intrigerende boek Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf. De onderzochte subjecten – negen mannen en een vrouw – zijn niet allemaal literaire personages, wel zijn ze allemaal dood. Bin L., De S.(ade) en E.(ichmann) zijn enkelen van de beoefenaars van het kwaad, die De Kom ontmoet.

Lees verder op Athenaeum.nl: Moordverdachte als een luipaard



Bookmark and Share
Comments

Hoe een zin te schrijven: Stanley Fish en Dostojevski's Duivels

fishduivels
'Zichzelf blijven is het slimst - dat gelooft immers niemand.'

Deze zin komt uit Duivels van Dostojevski en is in al zijn eenvoud fantastisch. Sinds ik het boekje How To Write A Sentence And How To Read One van Stanley Fish las, valt mijn oog vaker op dit soort juweeltjes. Fish is een zinnen-aficionado, en dit boekje zijn evangelie. Eerste zinnen, laatste zinnen, gewoon mooie zinnen: hij probeert ze te begrijpen én te schrijven. Hoewel het verre van volledig is, staan er een aantal mooie overdenkingen in. Wat maakt een zin tot een goede zin? Ik las het boekje naast Duivels, dus hierbij mijn eigen overdenkingen, aan de hand van de roman van de meester.

1. Onvergetelijk goede zinnen zijn als een steen, gegooid uit onverwachte hoek. (Ik zou zeggen: als een katapult afgeschoten vanuit het struikgewas.) Een goede zin maakt steeds meer tempo om uiteindelijk hard aan te komen, bam! in je hoofd. De zin is een wereld op zichzelf, hard en af. De zin hierboven ('Zichzelf blijven is het slimst - dat gelooft immers niemand.') is een goed voorbeeld. Hij begint met een haast clichématige constatering, gekeuvel, om na de gedachtestreep een eigenzinnig wereldbeeld je hoofd binnen te katapulteren. Een wereldbeeld dat het keuvelende cliché op z'n kop zet. In vier woorden.

Of neem deze:
'Als ik op dat moment gedroomd had, zou ik het nog niet hebben geloofd.'
Dit lijkt een paradox. Meestal geloof je iets juist als je zeker weet dat je het met je eigen, wakkere ogen hebt gezien. Wat de spreker ziet is zó ongeloofwaardig dat het uit een droom lijkt te komen. Het is echter nog ongeloofwaardiger dan alle waanbeelden die een droom kan fabriceren. Of vertolkt dit misschien een diepere waarheid? Moet je alleen geloven in dat wat je droomt? De persoon die deze zin uitspreekt is alleen al door deze zin een individu, omringd door zijn eigen werkelijkheid. Duizelingwekkend, zoals de werkelijkheid bij Dostojevski zich wel vaker voordoet.

2. Zinnen kunnen 'naar voren leunen', lean forward. Dan zijn ze geen in zichzelf besloten, harde en affe wereld, maar dragen ze eerder de belofte van die wereld, die zich zal ontvouwen na de punt. Fish bespreekt zulke naar voren leunende zinnen in een hoofdstuk over eerste zinnen van romans. Wat mij betreft kunnen dat soort 'eerste zinnen' zich in het hele verloop van een boek kunnen voordoen, bij elke nieuwe plotontwikkeling.

Bijvoorbeeld, opnieuw in alle eenvoud:
'Toch gebeurde er in dit geval iets anders, iets raadselachtigs.'
Een heerlijk Dostojevskiaanse, negentiende-eeuwse zin. Er gebeurt iets. Wat gebeurt er? Niet dat ene wat je zou verwachten. Nee, iets anders. De zin roteert om het woord 'anders'. Dat slaat op 'de andere van een aantal mogelijkheden'. Maar wat er gebeurt is ook anders, buiten het gewone vallend. Iets raadselachtigs, iets wat zich opent, iets wat vragen oproept, iets complex, iets anders. Er voltrekt zich een intrige. 

3. Fish heeft ook een eenvoudige tip om zelf zulke zinnen te leren schrijven. Analyseer de zin - allereerst op de schoolse manier van grammaticale zinsontleding, vervolgens inhoudelijk (vormen de woorden een paradox? een tegenstelling? hoe volgt de informatie van de ene bijzin op de andere?). En imiteer. Hij geeft vele voorbeelden van eigen imitaties, in het volle besef dat hij met zijn imitaties de meesters niet overtreft. Vooral bij aforistische zinnen werkt het imiteren. Durf ik dat aan?

Men neme een Dostojevskiaans aforisme:
'Mijn uitgangspunt is onbeperkte vrijheid, mijn conclusie onbeperkte dictatuur.'

De structuur is duidelijk: 
Mijn uitgangspunt is [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord B], mijn conclusie [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord -B].

Bedenk dan waar je iets over wilt zeggen. Bijvoorbeeld over liefde. Welke haast filosofische concepten staan in het denken over liefde als B en -B tegenover elkaar? Laten we zeggen: de Ene, romantische liefde, en de toevallige aantrekkingskracht van velen. Welk bijvoeglijk naamwoord is op beide van toepassing? Laten we zeggen: eeuwig. Of hartverscheurend. Of voorbestemd. Voeg ten slotte alles bij elkaar.

'Mijn uitgangspunt is eeuwige liefde, mijn conclusie eeuwige aantrekkingskracht.'

Of:
'Mijn uitgangspunt is hartverscheurende romantiek, mijn conclusie hartverscheurende seks.'

Of:
'Mijn uitgangspunt is de voorbestemde Ene, mijn conclusie het voorbestemde toeval.'

Stanley Fish, How To Write A Sentence And How To Read One. HarperCollins Publishers, 2011

Meer over Duivels dat eerder Boze geesten heette: Waarom ik zo van Dostojevski houd
Meer over liefde hier.



Bookmark and Share
Comments

Beste boeken 2011

Tijd voor mijn jaarlijkse boekenoverzicht.

Ik las 46 boeken in 2011, waarvan ongeveer de helft ook in 2011 verscheen (25 stuks). Zes boeken zijn niet uitgelezen terug de kast in gegaan. En ik ben op dit moment nog met drie boeken bezig, alledrie zeer de moeite waard. Over twaalf boeken schreef ik een recensie voor 8WEEKLY.

Gemiddeld aantal sterren voor alle gelezen boeken: 3,33.
Gemiddeld aantal sterren voor de boeken uit 2011: 3,12.
Dat is flink lager dan vorig jaar.

Vier boeken kregen van mij de hoogste waardering van vijf sterren, één daarvan komt uit 2011 (de vertaling, niet het origineel). Dat is wat mij betreft dan ook het beste boek van 2011. De rest volgt...


Beste boeken uit 2011

de_kaart_en_het_gebied
1. Michel Houellebecq - De kaart en het gebied
'De eenzaamheid sijpelt door het boek heen, en zelfs die roept op den duur bij de personages geen weerstand meer op. Sterker, de eenzaamheid wordt een gekozen bestemming.' Lees verder: Michel Houellebecq - De kaart en het gebied

2. Jennifer Egan - A visit from the goon squad
'How did I get from A to B?' Lees verder: Jennifer Egan - A Visit from the Goon Squad

3. Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot
Over de liefde en reddende engelen: Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot

4. Justine Le Clercq - De roemlozen
Filmpje!

5. Stine Jensen - Echte vrienden en Bas Heijne - Echt zien
Twee essays delen de vijfde plek. 'There is no going back to reality just as there is no going back to virginity.' (Filosofen en social media: een oppervlakkige relatie); Smaak is 'smaak' geworden: Bas Heijne - Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk

6. Julian Barnes - Polsslag
'De verhalen in Polsslag van Julian Barnes spelen zich af tussen het explosieve moment dat twee mensen verliefd worden en de implosie van de dood.'


Beste boeken gelezen in 2011

7. Alain Finkielkraut - Een intelligent hart (2010, vertaling)
'Het kunstwerk behoort niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.' Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart

8. Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk (1961)
'Iedereen die in geluk gelooft, is ongelukkig.' Iedereen die Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert leest, is in elk geval voor een paar uur gelukkig. En moet wel gaan geloven in literatuur. Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk

9. Yves Petry - De maagd Marino (2010)
Won dit jaar de Libris Literatuurprijs, en terecht. Prachtig citaat hier: Herfst, tweemaal.

10. Laurent Binet - HhhH (2010)
Een goed boek waar ik helemaal niets over heb geschreven. Schande.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde en reddende engelen: Jeffrey Eugenides - The Marriage Plot

marriage_plot
Wat is dat toch met vrouwen die zo nodig de man willen redden? Je kent het wel: ze worden verliefd op mannen die niet zozeer een probleem hebben, maar die problematisch zijn, en menen vervolgens dat zij dat problematische zullen gladstrijken door hun liefde. Zij zullen de veilige thuishaven zijn. Het problematische is aantrekkelijk vanwege het raadselachtige. Dat hoort er ook bij: dat zij het raadsel van deze ene man zullen oplossen, als eerste en als enige. Om ten slotte in een gedeeld geheim gelukkig verder te leven en samen te zijn. Niet alle vrouwen bezitten die aandrang om iemands reddende engel te zijn en voor velen is een vrouw met zo'n onzinnig verlangen zelf een raadsel. Madeleine, de hoofdpersoon van Jeffrey Eugenides' The Marriage Plot, mag gelden als een archetype.

Natuurlijk wil zij ook zichzelf redden door de man van haar dromen, de niet bijster knappe maar wel geniale Leonard, te redden. Hij is stug en extravert tegelijk, briljant, geleerd en grappig, maar ook ongenaakbaar en ontoegankelijk. Hij is, kortom, een woest aantrekkelijk raadsel. Een beetje zoals de perfecte huwelijkskandidaten uit de Victoriaanse romans die Madeleine zo graag bestudeert? Misschien, maar het raadsel wordt al snel opgelost en ontdaan van negentiende-eeuwse romantiek. Het is 'gewoon' manische depressiviteit, te herleiden tot genetische en opvoedkundige oorzaken. Het raadsel Leonard is gemedicaliseerd en tot op zekere hoogte behandelbaar. The Marriage Plot speelt niet voor niets in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

Het 'huwelijksplot' is de plot van die negentiende-eeuwse romans waarin alles leidt in de richting van het huwelijk. Toen moest de vrouw gered worden van haar eigen irrationaliteit, door een verbintenis aan te gaan met een man. In de jaren tachtig is het omgedraaid. Vrouw redt man. En het lukt. Voor even.

Madeleine studeert letteren en in de jaren tachtig betekende dat meegaan in de hype van het poststructuralisme, waarin alles in het teken staat van deconstructie. Alles is tekst en alles verwijst naar iets anders. Deconstructie is in feite de destructie van betekenis. Ook de liefde werd gedeconstrueerd; Madeleine raakt verslingerd aan het boek van Barthes over liefde, waarin hij de woorden 'Ik hou van je' ontdoet van alle vaststaande betekenis. Vooruit. Maar hoe deconstrueer je manisch-depressiviteit? Niet. De ziekte van Leonard is niet te deconstrueren, niet te ironiseren, niet te relativeren door het af te doen als 'text'.

Redding is evenmin te deconstrueren. Redding, 'salvation', is misschien wat de andere liefdespool van Madeleine, haar vriend Mitchell, ook zoekt. Als hij Madeleine verliest aan Leonard zoekt hij zijn redding in de religieuze traditie, hij gaat zelfs in het Indiase hospitaal van moeder Teresa werken. Opnieuw een poging om zichzelf te redden via de ander. Maar hij trekt het niet, de viezigheid en treurnis die met ziekte en dood gepaard gaan. Hij is te zinnelijk, zowel om onbewogen smerig lichaamsvocht uit groezelige lakens te wassen, als om zich te laten wijden tot priester - wat voor priester dan ook. Nooit meer seks? No way.

Seks is sowieso erg belangrijk in de onderlinge relaties. Meer nog: via hun seksleven is niet alleen de stand van Madeleine en Leonards liefde af te meten, maar ook van zijn psychische gesteldheid. Daarmee is meteen de ontzettend lichamelijke kant van zijn ziekte gethematiseerd, waar seks maar één bestanddeel van vormt. Talloos zijn de verwijzingen naar wat de depressie, en vooral ook de medicijnen ertegen, bij Leonard fysiek gezien aanrichten: droge mond, zweten, algehele uitputting.

De twee - lichaam en geest - zijn niet te scheiden, zoveel wordt snel duidelijk, op alle niveaus. Mitchell scheert zijn hoofd kaal om zijn innerlijke, religieuze gesteldheid uit te drukken. Leonard wordt een onaantrekkelijk wrak, ontdaan van al zijn raadselachtigheid. Alleen Madeleine blijft het hele boek door zichzelf, zou je kunnen zeggen. De enorme kater die ze in de eerste scène van de roman heeft is exemplarisch: die is en blijft onzichtbaar in de frisse schoonheid van haar uiterlijk. Haar ongeluk zit binnenin en toont zich niet aan de buitenkant. Haar ongeluk is dan ook geen existentieel ongeluk, maar eerder pech. De pech om op de verkeerde man te vallen en niet aangenomen te worden op de prestigieuze vervolgopleiding waar ze zich voor inschrijft. De worstelingen van het soort dat Leonard en Mitchell kennen, lijken aan haar voorbij te gaan. Uiteindelijk hoeft zij niet gered te worden. Behalve misschien van haar romantische verlangen om anderen te redden.

Met Madeleine komt het wel goed, denk je op het eind. Maar die mannen? Die kunnen nog wel een paar reddende engelen gebruiken.



Bookmark and Share
Comments

Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid

florence_tonk
'Ze heeft altijd glashelder gezien wat ze niet, of niet langer, wil. Maar buiten de weigering lag nooit een wens.'

Wie wil je worden? Wat wil je doen? De vrijheid om je eigen leven vorm te geven en uit alle mogelijke levenspaden zelf een pad te kiezen en te volgen lijkt vanzelfsprekend. Maar die vrijheid is niet alleen een verworvenheid, ze is ook een opgave. Door de jonge, Nederlandse vrouw Emma in het afgelegen Oekraïense dorp Zagoeblene neer te zetten, laat Florence Tonk in haar roman Blijf bij ons zien dat vrijheid alles behalve vanzelfsprekend is.

De filosofie onderscheidt twee soorten vrijheid. Negatieve vrijheid betekent dat je niet beperkt wordt door externe omstandigheden zoals armoede, gevangenschap of onderdrukking. Is die vrijheid eenmaal bereikt, dan pas komt er ruimte voor positieve vrijheid; de vrijheid om keuzes te maken en je te ontwikkelen vanuit een interne motivatie. Emma beschikt over beide soorten vrijheid, maar wat doet ze ermee? Weinig. Haar vriend krijgt een baan aangeboden in de Oekraïne en zij gaat mee. Uit interne overtuiging? Nou nee: 'Ze is hier aangespoeld dankzij Rogier.'

In het appartement in Kiev verveelt ze zich en ze trekt zich terug in een vervallen datsja op het platteland. Daar leert ze mensen kennen die niet eens aan de eerste vorm van vrijheid toekomen. De dorpsbewoners maken weliswaar het beste van hun armetierige bestaan, maar blijven gevangenen van hun bestaan. De kernramp bij Tsjernobyl die hun geliefden heeft ontnomen, slecht onderwijs en algeheel gebrek bepalen hun levensloop. Weggaan is haast onmogelijk.

Emma droomt over een leven met haar minnaar Fedja. Ze weet dat het bij dromen moet blijven. Niet alleen is hij getrouwd, hij zal ook nooit met haar een leven op kunnen bouwen in Nederland. 'Eerst zat zijn land van binnen op slot, en nu van buiten.' Ze ziet hem voor zich, op de bank van haar gedroomde Nederlandse thuis. Een gevangene, die van zijn cel in Zagoeblene overgeplaatst is naar een andere cel een paar duizend kilometer verderop.

Het opent haar de ogen voor haar eigen bevoorrechte positie. En voor het feit dat ze daar bar weinig gebruik van maakt. Waarom heeft ze zich eigenlijk laten aanspoelen in Zagoeblene? Misschien juist om weg te lopen voor de opgave van de vrijheid. 'Misschien is dat het, misschien vormt Zagoeblene de ultieme ontsnapping aan die vraag waar ze al haar hele leven voor wegloopt. Wegkruipen tussen de mensen die niets te willen hebben in een dorp waar niets is, niets valt te willen. Waar je het moet doen met aarde, lucht, groen, een mottige dorpswinkel, een bushalte en een school.'

Tonk laat de landerige onbepaaldheid van Emma's leven in het dorp met een knal uit elkaar spatten. Of zij nu wél een eigenhandige keuze zal maken en haar leven op een positieve manier richting zal geven, kom je niet echt te weten. Dat maakt niet zoveel uit. Het is de worsteling die aan een keuze vooraf gaat die interessante literatuur oplevert. Emma vertrekt in het ongewisse. De arme dorpelingen blijven achter met hun eigen worstelingen. Net als de lezer.

En 'het is alsof er een barst in de wereld wordt gedrukt, waar allerlei nieuwe, opwindende, afschrikwekkende mogelijkheden doorheen sijpelen.'

Dit stuk maakt deel uit van de Blogtournee over Blijf bij ons.



Bookmark and Share
Comments

'Buffo' van Szymborska (of: serendipiteit)

Ter herinnering aan mijn vader Gerard Rasch, die vandaag 65 jaar zou zijn geworden. Ik geloof niet dat hij met pensioen was gegaan.

Vorige week werd ik gebeld over het gedicht 'Buffo' van Wisława Szymborska, dat in Gerards vertaling in een toneelstuk zal figureren - waarvoor dank @luukimhann. Vandaag figureert Szymborska bovendien in de Klassiekerreeks op 8WEEKLY.

Lees ook wat ik schreef op 8 december 2008, 8 december 2009 en 8 december 2010. En lees dit gedicht. Ik noem het zelf stiekem: Serendipiteit.


Buffo

Eerst zal onze liefde vergaan.
daarop volgen een-, tweehonderd jaar,
dan pas komen we weer bij elkaar:

als een stel komedianten,
lievelingen van het publiek,
komen we terug op de planken.

Een korte klucht waarin men zingt,
een beetje danst en heel veel lacht.
En na die rake zedenschets
volgt het applaus.

Onweerstaanbaar komisch ben je
op toneel, met je jaloezie
en die rare strik.

En mijn hoofd slaat op hol,
met hart en kroon en al,
een dom hart dat barst
en een kroon die valt.

Die dag zien we elkaar terug,
scheiden weer, in de zaal gelach,
zeven bergen en rivieren
hebben we tussen ons bedacht.

En alsof de echte rampen
in het leven niet genoeg zijn
- maken wij elkaar met woorden af.

Dat is het einde van de pret,
daarna buigen we heel diep.
De spectator gaat naar bed,
tranen in de ogen van plezier.

Zij zullen keurig leven,
de liefdestijger temmen,
laten eten uit hun hand.

Maar wij blijven rare snuiters
met belletjes aan hun muts,
we luisteren naar het gerinkel,
aandachtig als barbaren.

Wisława Szymborska, Einde en begin




Bookmark and Share
Comments

Jennifer Egan - A Visit from the Goon Squad

egan
'How did I get from A to B?'

Op een brakke zaterdagmiddag, languit liggend op de bank, sloeg ik A Visit from the Goon Squad open. Pas toen het uit was, 350 pagina's verder (met, vooruit, een kleine bladspiegel), kwam ik van de bank af. Dat was me lang niet overkomen, zo'n leeservaring waarbij het boek jou lijkt op te vreten en je niet anders kunt dan je overgeven en hopen dat je het einde haalt. Maar er was meer.

Ergens op de helft, het was al avond en donker, leek het alsof ik werd opgetild en neergezet op een andere plek, in een andere tijd. Amsterdam, begin jaren negentig, op de bank bij mijn vader thuis. Ook zaterdagavond, en ook met een boek. Ik was over in de hoofdstad voor een van die tweewekelijkse weekendjes waar zoveel kinderen van gescheiden ouders herinneringen aan zullen hebben. Saai was het toen, maar nu ik er zomaar terugkom, twee decennia later, probeer ik het gevoel zo lang mogelijk vast te houden.

Een echte Proustiaanse 'mémoire involontaire', die je buiten de tijd plaatst en je daardoor voor even onsterfelijk maakt. Net als Proust probeer ik te doen alsof ik niks doorheb, ik lees gewoon verder en spied ondertussen om me heen. Boven me kan ik in de reflectie van het kantelraam mezelf zien zitten op de bank, Jennifer Egan in de hand, een glas wijn op tafel. Door dat glas wijn lijk ik op mijn vader, deze zaterdagavond. En ook nog steeds op mezelf zoals ik twintig jaar geleden was. Toch is dat niet genoeg reden waarom het kantelraam tegelijkertijd het Amsterdamse appartement lijkt te reflecteren. Het heeft natuurlijk ook te maken met het boek dat ik aan het lezen ben.

Jennifer Egan is net als ik een fan van Proust. Vast niet toevallig dat juist haar boek zo'n sterke Proustiaanse ervaring oproept. Twee motto's uit Op zoek naar de verloren tijd gaan aan het verhaal vooraf, waarvan er één direct verwijst naar de onvrijwillige herinnering die de tijd weet te overstijgen en op te heffen. En de goon squad uit de titel (knokploeg in de Nederlandse vertaling), dat is de tijd. De tijd die ons allemaal een keer op de bek komt slaan. Maar dat is het niet wat me op een Utrechtse bank naar boven doet kijken in een Amsterdamse reflectie. 'How did I get from A to B?' Dáár gaat het om.

Het is alleen de grote kunst die zo'n simpele vraag vol kan laden met betekenis en gewicht kan geven. Zo zwaar kan maken omdat je hele leven daar opeens in vervat blijkt te liggen. Alle personages stellen zichzelf die vraag, de een explicieter dan de ander: hoe ben ik hier gekomen, na al die tijd? What the fuck happened? Egans personages, die zich bewegen in de wereld van de muziek - met de bijbehorende verdovende middelen - lijken een stuk tijd te hebben verloren en moeten daar weer naar op zoek. Ondertussen zijn ze ergens aangekomen, door diezelfde tijd in de rug geduwd, zonder te kunnen stoppen, struikelend over hun eigen voeten. Ouder (en niet veel wijzer) kijken ze terug en zien ze dat het onherroepelijk is, de weg die ze in zijn geslagen, het punt B waar ze zijn aangekomen.

De personen in Egans roman hebben iets fatalistisch over zich. Het zullen die verdovende middelen misschien zijn, waardoor ze keuzes hebben gemaakt zonder door te hebben dat het keuzes waren (niet kiezen is ook kiezen, immers). Een prachtig citaat - dat betrekking heeft op een reliëf van Orpheus en Euridice - vat het fatalistische gevoel samen: 'He sensed between them an understanding too deep to articulate: the unspeakable knowledge that everything is lost.' Dan zul je terugblikkend op de verstreken tijd een reconstructie moeten maken die enigszins hout snijdt. Maar doen we dat niet allemaal? We schrijven een verhaal over ons leven, in ons hoofd of in gesprekken met vrienden en proberen dat zoveel mogelijk samenhang te geven.

'How did I get from A to B?' Nou, laat me je eens een verhaal vertellen…

Er zit een hoofdstuk in A Visit from the Goon Squad dat bestaat uit een powerpointpresentatie, iets wat iedere recensent wel even opmerkt. Maar waar gaat die presentatie over? Dat is natuurlijk veel interessanter. Het gaat over stiltes in muziek. Liedjes waarin secondelange stiltes zitten, als deel van het nummer. Stiltes die de muzikanten, managers en groupies van Egan in hun leven node missen. Het is de stilte waarin je jezelf de vraag kunt stellen hoe je hier, op dit punt bent aanbeland. De stilte waarin de knokploeg van de tijd je op je bek komt slaan. En ook de stilte waarin de tijd wordt opgeheven, je heel even onsterfelijk bent, terug in een Amsterdams appartement in het begin van de jaren negentig. De stilte van een brakke zaterdagmiddag, die overgaat in een avond en een nacht, waarin het boek jou opvreet, in plaats van andersom.



Bookmark and Share
Comments

Remco Campert - Het leven is vurrukkulluk

campert
'Iedereen die in geluk gelooft, is ongelukkig.' Iedereen die Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert leest, is in elk geval voor een paar uur gelukkig. En moet wel gaan geloven in literatuur.

Het leven is vurrukkulluk is de keuze van Nederland leest. Bij de bibliotheek kan ieder lid een gratis exemplaar ophalen, anderen kopen gewoon de fraai vormgegeven hardcover-editie in de boekwinkel. Remco Campert schreef het boek een halve eeuw geleden, het verscheen in 1961. Maar dat lees je er niet van af. Het had ook vandaag, nee morgen geschreven kunnen zijn. Inderdaad, het perfecte boek voor de leeslijst, maar ook een boek dat uit zijn voegen barst van schoonheid, humor, wijsheid, feest en zomer. En literatuur.

Lees verder bij 8WEEKLY: Hardop lachen en een zucht van weemoed



Bookmark and Share
Comments

Julian Barnes - Alsof het voorbij is

barnes_alsof
'Als je het uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen.' Laat dat in dit geval nu eens géén cliché zijn. Je doet het, na het lezen van die slotzinnen als mokerslagen, meteen opnieuw beginnen. En je wordt meteen beloond.

De voor de Man Booker Prize genomineerde korte roman Alsof het voorbij is door Julian Barnes is een kleinood, maar dan wel een zwarte diamant. Hard, schitterend en met een schijn van transparantie. In de openingszinnen – een soort opsomming van beelden – resoneert het hele verhaal, in de eerste scène resoneert de laatste zin. Of in de laatste zin de eerste scène.

Lees verder op 8WEEKLY: Niemand die niet beseft dat hij het niet weet



Bookmark and Share
Comments

Hassan Bahara en Patrick Pouw (red.) - WTF?! Volwassen worden na 11 september

wtf
In WTF?! Volwassen worden na 11 september brachten Hassan Bahara en Patrick Pouw '21 uitgesproken jonge Nederlanders over het afgelopen decennium' bijeen. Een bontgekleurd allegaartje dat je uitdaagt, je de ogen opent en vooruit, je soms ook doet gapen.

Het eerste stuk, van journalist Nadia Ezzerioli (1983), is meteen al inzichtelijk. Onder de veelzeggende titel 'Brandende fakkels bij elke Marokkaan op televisie' schrijft ze over de manier waarop de Marokkaanse gemeenschap aankijkt tegen Marokkanen die succesvol zijn in bijvoorbeeld de (Nederlandse) media of politiek. Kort gezegd: die hebben een probleem. Als je geliefd bent bij het Nederlandse publiek, maakt Ezzerioli duidelijk, doe je per definitie iets fout.

Lees verder op 8WEEKLY: Voorbij het hokjesdenken



Bookmark and Share
Comments

Dickens IV: lees en leef niet naar de letter maar naar de geest

dickens_fabriek
Als iedere volwassene net iets meer het kind in zichzelf in leven zou houden, zou de wereld een stukje mooier zijn. Dat moet je wel concluderen uit het werk van Charles Dickens, waarin kinderen de enigen zijn met een open vizier en een gevoelig hart. Via het kind laat Dickens zien hoe ruw en onbeschaafd de volwassen wereld met al haar regeltjes, bemoei- en geldzucht is. En het kind is degene die de volwassenen de ogen laat openen.

Charles Dickens was een ‘modernist’ zoals dat in de negentiende eeuw genoemd werd. Met zijn werk ageerde hij tegen onderdrukking en uitbuiting, en niet zonder succes. Hij was er niet alleen op uit om misstanden aan de kaak te stellen. Dickens geloofde ferm in het belang van verbeelding, verbeelding die gestimuleerd moet worden om uit te kunnen groeien tot moreel besef. In kinderen is die verbeelding nog levend. Het hele maatschappelijke systeem lijkt er echter op uit om de verbeelding uit te roeien, met uitwassen in het recht en onderwijs tot gevolg.

In de laatste van vier lezingen over Charles Dickens vertelde prof. Jan Lokin over de laatste jaren van de grote auteur, die haast in het harnas zou sterven en een veranderende, ietsje menselijker, maatschappij achterliet. Het is één ding om op de barricaden te klimmen en misstanden aan te klagen; Dickens ging het om iets fundamentelers, zo blijkt uit zijn liefde voor de verbeelding. Ook al werd hij dan een modernist genoemd, kenmerkend van Dickens was juist dat hij zich bij geen beweging of partij wilde aansluiten. Een partij is misschien bij uitstek een instrument dat de verbeelding om zeep helpt en een beweging loopt altijd het gevaar te verkeren in haar tegendeel.

Dat zie je bijvoorbeeld in A Tale of Two Cities, dat over de Franse Revolutie gaat. Eerst laat Dickens de enorme uitbuiting van de armen door de adel zien. Als het medelijden met die sloebers het hoogste punt bereikt, slaat de vlam in de pan en draaien de rollen om. Wat blijkt? De armen die de macht grijpen, voeren een schrikbewind dat niet onder doet voor dat van de adel. Dickens veroordeelt beide, of beter gezegd: veroordeelt onderdrukking op zich, wie ook onderdrukker of onderdrukte is. Het gaat niet om een politieke stellingname, maar om mensen.

Aan het eind van zijn leven kampte Dickens met vreselijke gezondheidsproblemen. Hij stierf op het toppunt van zijn roem; enkele maanden voor zijn dood was hij op audiëntie bij koningin Victoria en de prins en prinses van Wales waren als twee van duizenden bezoekers aanwezig bij zijn laatste voorlezing. Maar Dickens liet zich niet meeslepen en gaf zijn kinderen als laatste levensles de volgende woorden mee:

I commit my soul to the mercy of God through our Lord and Saviour Jesus Christ, and I exhort my dear children humbly to try to guide themselves by the teaching of the New Testament in its broad spirit AND TO PUT NO FAITH IN ANY MAN’S NARROW CONSTRUCTION OF ITS LETTER HERE NOR THERE.

Dat wil zeggen: lees niet naar de letter, maar naar de geest. Net als rechters zouden moeten doen, en dominees, politici natuurlijk, maar ook biografen van Dickens – eigenlijk alle volwassenen. Een actuele boodschap die niet vaak genoeg herhaald kan worden.

Kijk alle lezingen terug en lees de voorgaande nieuwsblogs via de programmapagina van Dickens. Literatuur als bron van kennis. De lezingen zijn opgenomen door Home Academy en verschijnen eind 2011 op cd.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens III: Dickens als sociale hervormer

dickens_fabriek
Elke grote schrijver heeft een schare lezers die niets slechts over hun held wil horen. Bij Charles Dickens gaat die verknochtheid nog dieper dan normaal, zo vertelt Dickens-biografe Claire Tomalin in een interview met The Guardian: ‘in the case of Dickens, who induces such intense (and intensely odd) passions in his devotees, you can multiply this by five’. Hoe komt het toch dat Dickens zulke ‘intense’, zelfs ‘passionele’ reacties oproept? Prof. Jan Lokin leest een aantal beschrijvingen van Dickens-personages voor. Ze zijn zo treffend gekarakteriseerd, met zulke unieke metaforen, dat je ze meteen als levensechte figuren voor ogen staan.

‘He was so bald and had such big whiskers that he seemed to have stopped his hair, by the sudden application of some powerful remedy, in the very act of falling off his head and to have fastened it irrevocably on his face.’

De grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges vertelde eens over zijn moeder dat zij een groot Dickens-fan was. Ze had de romans zo vaak gelezen dat ze een willekeurig exemplaar uit de kast kon pakken, die op een willekeurige bladzijde kon openslaan om dan te beginnen met lezen. De personages die ze tegenkwam waren als oude vrienden, wier levensverhalen ze kende en waar ze zonder problemen, in welke episode ook, opnieuw in kon stappen. Dat moet ook te danken zijn aan die typische Dickensiaanse manier van karakteriseren – waardoor ook iemand die je ontmoet in het echt leven direct kan doen denken aan bijvoorbeeld Mrs. Merdle:

‘Mrs Merdle was not young and fresh from the hand of nature but was young and fresh from the hand of her maid. She had large unfeeling handsome eyes and dark unfeeling handsome hair and a broad unfeeling handsome bosom. Mrs Merdle’s first husband had been a colonel under whose auspices the bosom had entered into competition with the snows of North America and had come off a little disadvantage in point of whiteness and at none in point of coldness.’

Het bijzondere aan het werk van Dickens is dat hij deze gave om mensen haast vriendschappelijk te laten worden met zijn creaties, inzette om sociale hervormingen teweeg te brengen. Met Oliver Twist bijvoorbeeld, pakte hij de armenzorg aan. Een doelbewuste aanval op het zeer strenge regime van de workhouses, maar zonder iets in te leveren aan literaire kwaliteit. De scène waarin Oliver om een tweede bord pap vraagt, had meer invloed op de publieke opinie dan alle rapporten en notities van instanties bij elkaar. Zo heeft Dickens via de literatuur bijgedragen aan het ontstaan van sociale bewegingen. Hij behield zijn onafhankelijkheid door zich zelf niet aan te sluiten bij een van die bewegingen of zich politiek uit te spreken. Hij liet zijn romans en verhalen voor hem spreken – met ongekend resultaat.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens II: Dickens en het recht

dickens_fabriek
Charles Dickens begon op zijn 24e aan wat zou uitgroeien tot zijn eerste roman: The Pickwick Papers. De schetsen verschenen als maandelijks feuilleton in de krant, voorzien van illustraties. Al in die eerste proeve van zijn kunnen toont Dickens zijn talenten: een onovertroffen observatievermogen en bijtende humor. Vanaf dat moment schrijft hij constant, soms aan twee romans tegelijkertijd. Zijn werk zal zichtbare invloed hebben, bijvoorbeeld op de ontwikkeling van de Engelse rechtspraak, zo vertelt prof. Jan Lokin in de tweede lezing over Dickens.

De Engelse rechtspraak van de negentiende eeuw ging terug tot de vroege middeleeuwen. Vonnissen werden weliswaar op rechtvaardige wijze uitgesproken, maar de procedures die de rechtbank moest volgen waren zo traag, inefficiënt en ronduit absurd dat het vele tragische gevallen opleverde. Dat gold in het bijzonder voor de Chancery Court, die jaren of zelfs generaties kon doen over het afhandelen van een testament. In de tussentijd vervielen families in schuld en armoede, hoe groot de erfenis waar ze recht op hadden ook mocht zijn.

Al in zijn eerste boek The Pickwick Papers wil Dickens deze uitwassen van het recht aan de kaak stellen. Hij doet dat door zijn bijzonder scherpe observatievermogen te combineren met bijzonder scherpe humor. Neem zijn beschrijving van de Court of Chancery:

‘Mist overal. Evenveel modder in de straten, als hadden de wateren zich pas teruggetrokken van de oppervlakte der aarde en het zou niet vreemd zijn een Megalosaurus te ontmoeten van een veertig voet lang, die als een reusachtige hagedis tegen Holborn Hill opwaggelde; maar er kan nooit een mist komen zo dicht, modder en slijk zo dik, dat zij het kunnen halen bij deze in het duister tastende en voortsukkelende Court of Chancery, deze pestbrengende in zonden vergrijsde instelling in het zich van hemel en aarde.’

Met zijn aanklacht in de vorm van fictie wist Dickens een groot publiek te bereiken, groter dan met zijn journalistieke stukken waarin hij ook over de misstanden in het recht schreef. Hij raakte het publiek met zijn verhalen – die gebaseerd konden zijn op waar gebeurde zaken – in het hart. De publieke opinie keerde zich mede hierdoor tegen de verouderde rechtspraak en uiteindelijk zou de Chancery Court afgeschaft worden.

Dat gebeurde pas jaren later, vlak voor Dickens’ dood. Met zijn eerste boek had hij wel meteen zijn reputatie gevestigd als bestsellerauteur. Door zijn populariteit kon hij een groot publiek bereiken en verschillende sociale hervormingen op de agenda zetten.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens I: van schoensmeerfabriek tot schrijvend hervormer

dickens_fabriek
Bij de naam Charles Dickens denken de meeste mensen waarschijnlijk meteen aan schrijnende verhalen over graatmagere fabrieksarbeiders in het negentiende-eeuwse Engeland. Weeskinderen die honds behandeld worden door gierige bovenmeesters met losse handjes. Of schuldenaars die zich met geen mogelijkheid uit het moeras van armoede weten te trekken. Allemaal terechte associaties. Pas na zijn dood werd bekend dat Dickens zelf die wereld van binnenuit kende.

In 2012 is het tweehonderd jaar geleden dat de Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren. Bij Studium Generale houdt professor Jan Lokin vier lezingen over het werk van Dickens en de betekenis daarvan in deze tijd. Hoewel de fabrieksarbeiders, weeskinderen en schuldenaars zoals Dickens ze beschreef niet meer van deze tijd lijken te zijn, zijn de romans waarin ze optreden nog steeds van grote waarde en schoonheid.

In de eerste lezing vertelt Lokin over de jeugd van Dickens, die gekenmerkt werd door financiële problemen in de familie, werk in een schoensmeerfabriek en – inderdaad – een bovenmeester met losse handjes. Maar ook door een fabelachtig geheugen gecombineerd met een enorme honger naar boeken. Bovendien was Dickens een acteertalent. Deze eigenschappen en omstandigheden bij elkaar opgeteld leggen de basis voor zijn schrijverschap.

Uit die toch wel extreme kinderjaren zijn drie gevolgen aan te wijzen die de rest van Dickens’ loopbaan hebben beïnvloed. Ten eerste is er de enorme productie van journalistiek en literair werk. Nooit meer zou Dickens slechte omstandigheden de baas laten worden over zijn leven. Financiële onafhankelijkheid werd voor hem een heilig doel, dat hij wist te realiseren door keihard te werken. Van loopjongen werkte hij zich op tot verslaggever in het parlement; hij reisde voor reportages door het hele land en schreef ondertussen zijn veelgelezen fictieve verhalen die als feuilleton in de krant verschenen.

Ten tweede legde Dickens zich toe op het bestrijden van de misstanden waar hij zelf zo onder gebukt was gegaan, van de gevangenis voor wanbetalers tot de schoensmeerfabriek en de letterlijk harde leerschool. Hij zou erin slagen de wereld met zijn boeken ook een klein beetje beter te maken. Maar hij hield ten slotte ook een jarenlange schaamte over aan de vernederingen die hij in zijn jeugd had meegemaakt. Niemand wist dat hij schreef uit persoonlijke ervaring en niet slechts uit professionele waarneming. Na zijn dood verscheen de eerste biografie gebaseerd op gesprekken met zijn goede vriend John Forster, waarin het zwijgen werd doorbroken. Nu konden de autobiografische elementen van zijn romans pas geduid worden.

Dickens blijkt zo een verbindingspunt te zijn van de grote geschiedenis van de Engelse maatschappij, de verpersoonlijking daarvan in een individueel leven én het begin van belangrijke hervormingen. Verleden, heden en toekomst komen in hem samen. En dan moet het verhaal over zijn schrijversloopbaan nog beginnen.

Kom volgende week luisteren naar deel twee van de serie over Dickens. Kijk hier de lezing over het leven van Dickens terug.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Herfst, tweemaal


'Ja ja, hoor de blaadjes waaien. Maar wat schoot ik daarmee op?'

Uit: Yves Petry, De maagd Marino

---

Voor de verachters van de binnenkamer

Waarom ga ik nog altijd naar buiten,
ik weet wat daar is.
De langgerekte fluittoon de aangrenzende
resten, de drooggekookte klaarheid der dingen:
precieze verhoudingen.

En daar heb ik dus een schijthekel aan
(een regenbui balsemt milddadig)
dat alles is zoals het is

waarom ga ik nog wandelen, om een esdoorn in zijn esdoorn-zijn
te sterken? (hierachter sterven er geruisloos)

de esdoorn moet zijn eigen rottige zelf maar toeknikken


Van de heerlijke nieuwe dichter Maarten van der Graaff.



Bookmark and Share
Comments

Bas Heijne - Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk

echt_zien
Een persoonlijk gevoelde kloof, zelfs weerzin of in elk geval een afwezigheid van noodzaak: de liefde van Bas Heijne voor levenslange vriend de literatuur zit duidelijk in een dipje. Een dipje dat samengaat met een breed gedragen beeld van de literatuur als maatschappelijk totaal irrelevant.

In Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk onderzoekt Bas Heijne waar deze marginalisering van de literatuur mee te maken kan hebben. Een interessante insteek van het derde essay in de serie 'Over de roman' en wat een verademing na de al te singuliere essays van A.F.Th. van der Heijden en Connie Palmen. Eindelijk een deeltje dat daadwerkelijk de vraag onderzoekt die aan de reeks ten grondslag ligt, ook al moet de conclusie zijn dat zowel de vragen als de antwoorden al vaker genoteerd zijn.

Lees verder op 8WEEKLY: Smaak is 'smaak' geworden



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe boeken in het najaar 2011

najaar2011
Het nieuwe boekenseizoen begint dit weekend met Manuscripta. De uitgeverijen kunnen wel doen alsof de zomer ook een seizoen op zichzelf is, maar net als het weer liet ook de boekenproductie te wensen over, alle mooie beloftes ten spijt. Hieronder een selectie uit de najaarscatalogi, van boeken waar ik benieuwd naar ben.

Filosofie en levenskunst:
Marja Pruis - Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere. Prometheus, nov.
Omdat Patricia de Martelaere een interessante filosofe was die veel te jong overleed, en omdat Marja Pruis een goede essayist is die verwondering combineert met zelfspot en tegelijk analytisch sterk is.

Timothy Wilson - De verhalen van ons leven. Leer je zelfbeeld te veranderen voor een beter bestaan. Contact, okt.
Omdat ik eigenlijk af ben van de hele levensverhaalfilosofie, maar toch nog een boek wil lezen dat wellicht verre blijft van de popi-jopi autobiohype en een grondig fundament legt voor wat toch blijft fascineren. Zie ook hier.

Jan Bor - Wat is wijsheid? Bert Bakker, jan.

Omdat ik benieuwd ben of deze filosoof in zijn persoonlijke zoektocht naar wijsheid niet vervalt in zweverigheid of al te subjectief gewauwel. Bor verbindt westerse met oosterse filosofie, het abstracte met het persoonlijke. Ook omdat het een dun boekje is waarin één grote vraag wordt gesteld en daar hou ik van.

Romans:
Pola Oloixarac - Het hoorcollege. Seks, drugs en filosofie in Buenos Aires. Meulenhoff, okt.
Omdat seks, drugs en filosofie gewoon wel aardig klinkt.

Jeffrey Eugenides - Huwelijk. Prometheus, okt.
Omdat The Virgin Suicides heel lang een van mijn favoriete boeken was, ik later nooit meer iets van Eugenides las en hoop dat dit een goede hernieuwde kennismaking oplevert. Over een driehoeksrelatie tussen twee jongens en een meisje: verder met mijn literaire onderzoek naar de liefde dus.

Helle Helle - Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden. Contact, jan.
Omdat ik wel eens iets van deze Deense schrijfster wil lezen. En achttienjarige, dolende meisjes in een provinciestad: prima. Zie ook hier.

Patrick Lapeyre - Het leven is kort en het verlangen oneindig. Van Gennep, feb.
Omdat die titel dreigt een gevleugelde uitdrukking te worden. En omdat het belooft het verhaal van de liefde te beschrijven, gezien vanuit de man. Wie weet wat ik daarvan opsteek.

Julian Barnes - Alsof het voorbij is. Atlas, okt.
Omdat de verhalenbundel Polsslag van Barnes een van de mooiste boeken was die ik dit jaar las. Zie ook hier.

Essays:
Hassan Bahara en Patrick Pouw - WTF? Volwassen worden na 11 september. Prometheus, sep.
Omdat ik zelf net volwassen had moeten zijn in 2001 maar het nog niet was. 'Niet de usual suspects, maar 21 uitgesproken jonge Nederlanders.’ Zie ook hier.

Jeanette Winterson - Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn? Contact, okt.
Omdat het bizarre levensverhaal van Winterson hoe dan ook interessante memoires voortbrengt en omdat memoires van vrouwelijke schrijfsters hoe dan ook mijn aandacht verdienen. De titel is er bovendien een om in te lijsten. Zie ook hier.

Wetenschap:
Anton Blok - De vernieuwers. Zegeningen van tegenslag in wetenschap en kunst. Bert Bakker, nov.
Omdat dit gewoon heel goed klinkt: 'Met behulp van een collectieve biografie en inzichten uit de antropologie traceert De vernieuwers een algemeen patroon waarin niet zozeer talent of een hogere intelligentie (waarnaar psychologen voor een verklaring van uitzonderlijke wetenschappelijke prestaties lange tijd vergeefs gezocht hebben), maar – naast passie –tegenslag en fortuinlijke ontmoetingen een beslissende rol gespeeld hebben.’

Jonah Lehrer - Uit het niets. De nieuwe wetenschap van creativiteit. Contact, nov.
Omdat ik al heel lang bezig ben in Proust was a Neuroscientist, een collectie essays van Lehrer die mij niet weet te pakken. Te veel vergezochte verbanden tussen literatuur en wetenschap om maar feitjes te kunnen opdissen die mij niet verder brengen. Dit boek ligt meer in de lijn van zijn professionele achtergrond, dus toch een tweede kans waard. Zie ook hier.



Bookmark and Share
Comments

Alan Hollinghurst - Kind van een vreemde

kindvaneenvreemde
500 bladzijden literaire vertellerskunst over de ondergang van een familie, is dat wel helemaal van deze tijd? Een vraag die zich voortdurend opdringt bij het lezen van Kind van een vreemde van Alan Hollinghurst, die toch geldt als een van de grootste Britse hedendaagse schrijvers. In 2004 won hij de Man Booker Prize en Kind van een vreemde staat op de longlist van dit jaar.

Een jonge dichter, Cecil Valance, schrijft een lang vers in het poesiealbum van Daphne, het zusje van zijn vriend. Als Valance omkomt in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, verkrijgt zijn vrij middelmatige lofzang op Engeland een iconische status. Ook de persoon van Valance zal in de eeuw die volgt steeds weer belangstelling blijven wekken. In vijf delen komt via deze opzet de hele twintigste eeuw langs.

Lees verder op 8WEEKLY: Verleiding zonder bevrediging



Bookmark and Share
Comments

Polsslag van Julian Barnes

polsslag
De verhalen in Polsslag van Julian Barnes spelen zich af tussen het explosieve moment dat twee mensen verliefd worden en de implosie van de dood. Hij wil de zintuiglijke ervaring onder woorden brengen: een haast paradoxaal streven dat hem bijzonder goed afgaat.

Het gaat in Polsslag natuurlijk om de hartenklop (die aanwezig is in de liefde en afwezig in de dood), maar de polsslag brengt het hele lichaam tot leven: tast, smaak, geur, zicht. Hoe beschrijf je, beredeneer je de betekenis van de zintuigen? Barnes doet dat door te laten zien wat er gebeurt als ze wegvallen: er zijn personages met gevoelloze vingers, acute blindheid, een weggevallen reukvermogen. Maar vooral gaat het om hoe die zintuigen je verbinden met anderen, in de liefde en de dood.

Lees verder op 8WEEKLY: Op zoek naar begrip van wezenlijke thema’s. Over het werk van Julian Barnes.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde - deel 2: Marcel Proust

Lees ook deel 1.

Proust
Marcel Proust is een van de belangrijkste auteurs die mijn gedachten over de liefde hebben gevormd. Deze Franse schrijver leefde van 1871 tot 1922 en is beroemd vanwege zijn meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Een verhaal dat zeven boekdelen beslaat en berucht is door de zinnen die een halve pagina beslaan. Zoals literatuurwetenschappers graag grappen: het boek dat iedereen kent maar niemand helemaal heeft gelezen.

Kan wezen, maar ik las het van a tot z en liet het mijn leven veranderen. De roman gaat kort gezegd over alles, maar de liefde is toch wel een van de grote thema’s: het liefdesverhaal van het hoofdpersonage Marcel en het meisje Albertine.

balbec
Ook Marcel en Albertine ontmoeten elkaar – net als ik en mijn kortstondige buitenlandse geliefde – op locatie. Ze zijn namelijk op een strandvakantie in het (fictieve) plaatsje Balbec. Jong, knap en verlegen als ze zijn, gaat het niet direct om een volwaardig, volwassen liefdesverhaal. Maar ze vallen voor elkaar en dat is het begin van een groots verhaal over liefde – een verhaal met een unhappy end.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes

op_zee
En toen werd hij wakker en bleek het allemaal een droom. Of: en toen werd eindelijk de diagnose gesteld en bleek hij al die tijd al hallucinant te zijn. Twee manieren om níet een verhaal te eindigen. Net als 'en ze leefden nog lang en gelukkig'. Eind goed al goed is gewoon niet interessant. Wakker worden uit een droom of gelabeld worden als psychisch gestoord klinkt misschien iets minder fijn, maar is voor de lezer die net al je avonturen heeft beleefd even onbevredigend.

Dat onbevredigende gevoel bleef me ook bij na het lezen van de roman Op zee van Toine Heijmans. Het is goed geschreven, beklemmend en bovendien geïllustreerd met prachtige tekeningen. De ik-figuur gaat maandenlang alleen zeilen. Op het laatste stukje, van het noorden van Denemarken terug naar Harlingen, krijgt hij gezelschap van zijn zevenjarige dochter. Al vanaf de eerste bladzijden weet je dat het mis zal gaan en de tekeningen van een zwarte, dreigende zee maken dat je angstig verder leest.

Zonder te verklappen wat er misgaat en hoe dat vervolgens afloopt, wil ik toch iets zeggen over het einde. Het zette me aan het denken over wat ik verlang van eindes - en dus van een leeservaring. Met zo'n vijftig bladzijden te gaan, bemerkte ik dat mijn angst veranderde; ik was niet meer bang voor de zee en voor die vader met zijn veel te jonge dochter. Ik was bang dat het toch nog goed ging aflopen. Dat is raar. Ben ik een sadist die alleen geniet van het allerergste lijden? Wil ik mezelf zo graag pijnigen met de scherpste pijn die een personage kan ondergaan? Iedereen gaat dood en niets komt ooit goed!

Het deed me denken aan Ronald Giphart. Ik had een kleine twitterdiscussie met hem over een van zijn roman Ik omhels je met duizend armen. Het verhaal van de dood van zijn moeder, een vreselijke episode. En toch had ik daar aan het eind ook zo'n onbevredigend gevoel, omdat het gek genoeg leek alsof alles toch nog goed kwam, ondanks de dood. Een prachtig afscheid, een familie samengebracht in verdriet, een les geleerd. Haast feelgood. Het maakte me boos. (Laat ik het erop houden dat ik het las vanuit een zeer persoonlijke zoektocht naar iets van 'zingeving'.)

Vervolgens las ik zijn andere roman IJsland en verdomd, daar gebeurde hetzelfde. Ondanks de trieste gebeurtenissen, toch een 'goed einde’ of misschien moet ik zeggen een zinvol einde. En dus een onbevredigend gevoel. Wat is dat toch? Misschien moet ik toch concluderen dat ik simpelweg niet tegen goede eindes kan. Maar waarom? Noem ik mezelf niet tegelijkertijd een optimist in hart en nieren? Dan zou ik goede eindes moeten omarmen met duizend armen.

Nee, ik voel me voor de gek gehouden. Mijn eerste ingeving is: het is niet realistisch. Een onzinargument, want het allerergste is over het algemeen niet realistisch. In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. Realistisch is het dus juist wel, zelfs 'hij werd wakker en het bleek allemaal een droom'.

Het is dan ook erger: ik voel me écht voor de gek gehouden, zoals je dat voelt bij de droom die als een konijn uit de hoge schrijvershoed komt. Aan het eind van Op zee verandert het perspectief. Dan weet je wel hoe laat het is (meer verklap ik niet) - je bent voor de gek gehouden. Hetzelfde gebeurde in IJsland: wij lezers wisten niet alles, maar waren samen met de hoofdpersoon voor de gek gehouden.

Eigenlijk stoppen deze verhalen waar ze hadden moeten beginnen: met een zwierig gebaar wordt het konijn uit de hoge hoed getrokken en dan valt het doek. Maar wat ik wil weten is wat er achter dat doek gebeurt. Ik wil niet de buiging van de goochelaar zien, ik wil hem zijn make-up zien afpoetsen. Je moet tot op de bodem graven en zelfs als de bodem een rotsbodem blijkt te zijn, wil ik weten wat dáár nog eens onder zit. Dat is bikkelen, bikkelen met een verroeste pikhouweel.



Bookmark and Share
Comments

Zomer 2011 in boekenland

hollinghurst
De zomer is in boekenland een heus seizoen geworden, naast het voor- en najaar, schreef ik gisteren. Een volwaardig seizoen kun je het echter niet noemen - gelukkig maar, want boeken worden er al meer dan genoeg geproduceerd. Grote namen verschijnen niet als iedereen, inclusief televisie en boekenbijlage, op vakantie is. Hieronder mijn oogst uit de aanbiedingen van de uitgeverijen.

Alan Hollinghurst - Kind van een vreemde. Prometheus, juni
Dit klinkt voor mij als het ideale vakantieboek, behalve dat het net uitkomt als ik al op vakantie ben:

'In de late zomer van 1913 logeert de jonge, aristocratische dichter Cecil Valance op het familielandgoed van zijn Cambridge-vriend George Sawle. Het weekend dat hij daar doorbrengt is vol verrassingen en verrukkingen voor de hele familie Sawle, maar in het bijzonder voor het zestienjarige zusje van George, Daphne, als Cecil een gedicht aan haar opdraagt. Een gedicht dat een houvast voor een hele generatie zal blijken, een ode aan het oude Engeland dat op het punt staat voorgoed te veranderen.'

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij. Ambo, augustus
Dit boek stond aangekondigd voor het voorjaar, maar staat nu voor augustus gepland.

'Volgens Montaigne gaat het er in het leven niet zozeer om zo veel mogelijk kennis te vergaren, maar te proberen de onvatbare ervaring die het leven is, te accepteren. We moeten niet krampachtig proberen de betekenis van het leven te doorgronden - we moeten het zelf zin geven. Met Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? laat Saul Frampton zien dat Montaignes gedachtegoed nog steeds springlevend is en ons kan inspireren om de kunst van het leven te verstaan.'

Twee andere boeken die al zo vaak vooruit zijn geschoven, dat ik eigenlijk niet geloof dat ze nu wel echt gaan verschijnen zijn Het Parijse licht van Ger Groot, over de Franse filosofie in de twintigste eeuw (een absolute must have dus, wat mij betreft) en het volgende deel in de reeks essays over de roman: Een intieme geschiedenis van Monica van Paemel (hoewel de eerste deeltjes, van A.F.Th van der Heijden en van Connie Palmen, mij tegenvielen). Ger Groot blijkt na enig speurwerk nu gepland te staan voor november, Van Paemel is een soort spook geworden. Die ambitieuze, gesubsidieerde essayreeks 'Over de roman' mag inmiddels wel mislukt worden verklaard.

Ik noem toch nog één herdruk, omdat het een boek is dat iedereen een keer mee moet nemen op vakantie (ja, nu echt): De kunst van het reizen van Alain de Botton. Hij stelt de vraag waarom mensen reizen, wat de lol is van toeristische attracties en vieze hotelkamers. De mooiste hoofdstukken zijn die waarin hij beschrijft hoe je beter kunt waarnemen en daardoor alles beter kunt onthouden. En hoe je op vakantie nu eens echt kunt uitrusten. (Olympus pockets, 15 euro)



Bookmark and Share
Comments

Boeken voorjaar 2011: een terugblik

catalogi
De zomer begint onderhand ook een volwaardig boekenseizoen te worden, naast het voor- en najaar. Alle uitgeverijen fabriceren een zomercatalogus vol titels 'voor de vakantie' en 'voor aan het strand'. Veel herdrukken maar ook redelijk wat nieuws. Morgen de boeken waar ik het meest naar uitkijk. Maar eerst eens zien wat mijn tips van het afgelopen voorjaar hebben opgeleverd.

Justine Le Clercq - De roemlozen. Podium
In 2006-2007 volgde ik de masterclass Literair schrijven van Uitgeverij Querido. Justine Le Clercq was een van mijn 'klasgenoten'. In februari debuteerde zij met haar roman De roemlozen. En ik debuteerde met een videorecensie (check ook mijn videorecensie van Max Blecher):

Joris van Casteren - Het zusje van de bruid. Prometheus
Over Het zusje van de bruid, dat ook in februari verscheen, is nogal wat ophef geweest. Het autobiografische 'relaas van een onmogelijke liefde' zou oneerbiedig zijn, parasiteren op het ongeluk van anderen en verleidde een recensente zelfs tot een furieuze persoonlijke afrekening met de schrijver (lees dan liever deze intelligente bespreking). Ik las het pas onlangs en schreef er zelf (nog) niet over. Het is een verontrustend verhaal, dat zeker, maar naar mijn mening verteld met veel mededogen en een soort 'stille kracht'. Van Casteren gebruikt zijn nuchtere, kale stijl om afstand te creëren tot een zeer tragische geschiedenis uit zijn eigen leven. Dat levert een bijzondere combinatie op van een haast journalistiek verslag met een uiterst persoonlijke verbondenheid. Afstand gepaard aan nabijheid, zonder grote woorden of sentimentaliteit. Het heeft me lang bezig gehouden.

Michel Houellebecq - De kaart en het gebied. Arbeiderspers
Al lang verschenen, controversieel geworden en gelauwerd in Frankrijk, maar wij moesten nog even wachten. Aan de ene kant is dat zuur, aan de andere kant is het goed dat de vertaler de tijd krijgt en geen broddelwerk aflevert louter om de verkoopcijfers. Het was de moeite van het wachten waard: over de gedachtekunst van Michel Houellebecq - De kaart en het gebied.

Dezso Kosztolanyi - De avonturen van Kornel Esti. Van Gennep
Yes! Kornel Esti komt nog een keer tot leven! riep ik een half jaar geleden uit. Iedereen die Esti al kende, zal hetzelfde zeggen, anderen krijgen de kans om kennis te maken met een vriend voor het leven. Dezso Kosztolanyi - De avonturen van Kornel Esti

Joep Dohmen en Maarten van Buuren - De prijs van de vrijheid. Ambo
Het boek naar aanleiding van de reeks Levenskunst bij Studium Generale, die ik presenteerde (zie ook 10 schrijvers en denkers over Levenskunst). Op 11 april vond de presentatie plaats, ook bij Studium Generale. Lees daarover bij De prijs van de vrijheid na de dood van God. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het boek nog niet gelezen heb. Heugelijk nieuws voor het najaar: vanaf 7 september zijn de heren terug met een tweede serie Levenskunst, over deugden en ondeugden.

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat, of speelt ze met mij? Ambo
Deze is doorgeschoven naar de zomer en verschijnt dus weer in het lijstje tips voor straks.

John Gray - Het onsterfelijkheidscommité. Ambo
Het enige boek waar ik naar uitzag dat ik niet heb gelezen. Stom.

Twee boeken van dit voorjaar die ook het vermelden waard zijn: Moeten wij van elkaar houden van Bas Heijne. En misschien geen hoogstaande literatuur, maar wel stof tot nadenken: de biografie van Julian Assange, de man die de wereld verandert.



Bookmark and Share
Comments

Dezsö Kosztolányi - De avonturen van Kornél Esti

esti2
Kornél Esti is een levenslange vriend van iedereen die De bekentenissen van Kornél Esti las. Wat een plezier om te ontdekken dat schrijver Dezsõ Kosztolányi nog meer Esti-verhalen schreef, nu met enkele verspreide verhalen verzameld in De avonturen van Kornél Esti.

Bijna zou je jaloers worden op de lezers die met Esti kennismaken door deze avonturen; zij hebben nog een hele roman in het verschiet liggen. Dat boek uit 1933, vertaald in 2006, werd de hemel in geprezen, maar is nooit zo beroemd geworden als het werk van bijvoorbeeld Kosztolányi's landgenoot Sándor Márai. Hoewel de 'overige verhalen' die het tweede deel van deze bundel uitmaken zeker de moeite waard zijn, is het overduidelijk dat Kosztolányi door de schepping van zijn alter ego Esti zijn plek aan het literaire firmament verdient.

Lees verder op 8WEEKLY: Maak kennis met een vriend voor het leven
En lees ook op dit blog Kornel Esti, de enige held in dit verhaal en over een andere roman van Kosztolányi: Nero, de bloedige dichter



Bookmark and Share
Comments

Michel Houellebecq - De kaart en het gebied

de_kaart_en_het_gebied
Gedachtekunst. Dat is wat Michel Houellebecq in zijn laatste roman De kaart en het gebied bedrijft. Hoofdpersoon is beeldend kunstenaar Jed Martin, die in enorme series van honderden objecten werkt. Houellebecq beschrijft ze uitputtend, soms wellustig, maar altijd objectief - als in een catalogus. Alsof hij ze om zich heen heeft liggen: de honderden foto's van producten vervaardigd door de mens waarmee Martin zijn kunstenaarschap begint. De duizenden foto's van Michelinkaarten die hij zo heeft bewerkt dat ze een levend landschap lijken. De schilderijen van mensen in functie van een elementair beroep. En ten slotte de filmpjes waarin menselijke artefacten overwoekerd worden door de natuur.

Wat uit de kunst van Martin blijkt, is dat het in dit boek te doen is om werk. En dat is precies wat De kaart en het gebied, maar eigenlijk alles van Houellebecq, zo interessant maakt. Hij schrijft over het meest basale uitgangspunt van de westerse wereld, dat wat je persoonlijke leven grotendeels structureert, dag in dag uit: werk. En wat daarmee samenhangt: geld.

De mens is een slaaf van zijn werk en van zijn inkomen, dat weten we inmiddels wel. Geld koopt een mooie oude dag, als je wilt een mooie dood, maar geen liefde of gezondheid. Al die rijke en succesvolle mensen zijn totaal uitgeblust, zelfs de seks wil niet meer lukken. De eenzaamheid sijpelt door het boek heen, en zelfs die roept op den duur bij de personages geen weerstand meer op. Sterker, de eenzaamheid wordt een gekozen bestemming.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Le réveil mortel

reveil_mortel
'Le réveil mortel': dat klinkt als een klok. De klok die het besef in je wakker slaat van sterfelijkheid, dan wel. Meer nog: van jouw eigen sterfelijkheid. Julian Barnes brengt het ter sprake in Nothing To Be Frightened Of, zijn mooie, overvolle essay over doodsangst. 'Le réveil mortel', 'the wake-up call to mortality', komt van Charles du Bos, een begin-twintigste-eeuwse Franse criticus.

Barnes was een puber toen zijn wake-up call kwam, en zijn boek over doodsangst is er in feite het resultaat van. Onmiddellijk vraag je je af wanneer de sterfelijkheid voor het eerst bij jezelf ontwaakte. Ik weet het niet goed. Ik kan me wel de eerste keren herinneren dat de dood zich aandiende. Mijn tante die stierf toen ik ongeveer zes jaar oud was. Later zag ik mijn cavia onder mijn ogen sterven. Maar van die momenten herinner ik me vooral mijn onbegrip en niet een bliksemflits waarmee mijn eigen sterfelijkheid aan mij werd geopenbaard. Toen mijn vader ongeneeslijk ziek was, was ik bang dat ik opeens dood zou gaan en daarmee alles nog ingewikkelder zou maken. Mijn eigen sterfelijkheid gekoppeld aan die van een ander.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Robert Williams - Luke en Jon

luke_jon
Twee jongens die allebei hun moeder hebben verloren, trekken samen op en brengen zin terug in hun leven. Hoe triest het verhaal ook is, Luke en Jon is een typische jongerenroman die niet op alle vlakken boven het maaiveld uitsteekt.

De roman van de Ierse Robert Williams is genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs die deze maand wordt uitgereikt. De publicatie ervan is al het resultaat van een bekroning: hij won met het manuscript de 'Not Yet Published-prijs'.

Lees verder op 8WEEKLY: Een wonder verstopt in een vlakke roman



Bookmark and Share
Comments

Ik wil meer Max Blecher!



Zie ook mijn recensie voor 8WEEKLY en mijn beste boeken van 2010.



Bookmark and Share
Comments

Michael Köhlmeier - Idylle met verdrinkende hond

kohlmeijer
Michael Köhlmeier verloor zijn dochter bij een ongeluk in de Alpen. Het overweldigende landschap gaat schuil onder een enorm pak sneeuw wanneer zijn redacteur op bezoek komt om samen te werken aan zijn volgende roman.

Het is een toepasselijk decor voor een verhaal vol ingehouden woede over het lot dat het leven zo wreed kan verstoren. Idylle met verdrinkende hond is een puntgave, autobiografische novelle die vanuit een klein verhaal grote vragen stelt. Hoe verhoud je je tot je dode kind? Is het mogelijk om ondankbaarheid jegens het lot om te buigen naar dankbaarheid voor de tijd die je gegeven is?

Lees verder op 8WEEKLY: De ondankbaarheid van een hond



Bookmark and Share
Comments

Klassieker: Dostojevski - Aantekeningen uit het ondergrondse

ondergrondse
Waarom lees je? Waar ben je naar op zoek in de literatuur? 'Ik lees om te zien waartoe de taal in staat is,' zei iemand met wie ik hierover in discussie was. 'Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is,' antwoordde ik. Op dat moment las ik Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski. Aantekeningen uit het ondergrondse, de korte roman die hij twee jaar voor Misdaad en straf schreef, daalt af tot op de bodem van de menselijke existentie. Op die bodem is het donker en koud, en toch keer je er steeds weer terug.

Lees verder op 8WEEKLY over vrije wil en determinisme, zelfhaat en haat voor de ander, kortom: Op de bodem van het menselijk bestaan.



Bookmark and Share
Comments

Waarom schrijf je? Ga je voor kennis of macht?

het_moet_pijnlijk_blijven
'Waarom schrijf je?' Echt zo'n vraag waarop evenveel antwoorden als schrijvers zijn. Tegelijk zijn alle antwoorden terug te voeren op een klein aantal oerredenen. Dat viel me in elk geval op na het lezen van Het moet pijnlijk blijven. Vijftig schrijversinterviews, bijeengebracht door Frénk van der Linden en Freddy van Thijn. Dat maakt vijfhonderd pagina's aan antwoorden op die vraag 'Waarom schrijf je?' Tussendoor krijg je het gewroet in de kindertijd, de trauma's, het worstelen met geloof - al die dingen waar Nederlandse schrijvers zo goed in zijn (wat ook ligt aan de interviewers natuurlijk).

Nadat ik ze allemaal had gelezen (en dan gaan al die schrijvers wel een beetje op elkaar lijken) bedacht ik me dat er twee soorten schrijvers zijn: zij die verlangen naar controle en daarom een romanwereld optrekken die zij als een God kunnen beheersen. En zij die schrijven om de wereld zoals die is te begrijpen. Dat is een fundamenteel verschil.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

City2Cities literatuurfestival: zie ik je daar?

straat_literatuur

City2Cities Internationale Literatuurdagen Utrecht is een nieuw literair festival. Op het programma staan schrijvers, dichters en letterkundigen uit Edinburgh, Stockholm en natuurlijk Utrecht. Mij tref je er ook, als presentator bij twee programmaonderdelen. Kom ook!

Universiteitsmuseum, zaterdag 9 april vanaf 13.30 uur: Reflecties
Zuipen, schelden, neuken: Schotland in de letteren
Het werk van Marianne Frederiksson
Het werk van Carl Michael Bellman
Joanne sings the poets
Schaamteloos moorden: Stockholm in de Letteren
A hotbed of genius: Enlightened Edinburgh
'Ode to a Haggis' door Anneke Brassinga

Toegang met een passe-partout voor de Straat van de Literatuur (12,50 euro)

Young Poets Society: Preview
Drie jonge dichters uit Edinburgh, Utrecht en Stockholm vertaalden elkaars poëzie.

Speciaal voor City2Cities vertaalden drie jonge dichters uit Utrecht, Stockholm en Edinburgh met behulp van jonge vertalers elkaars poëzie. Tijdens een speciale City2Cities-editie van iPoetry Live treden de drie dichters op met deze vertalingen. Ook dragen ze een aantal van hun eigen gedichten voor. Young Poets Claire Askew, Alex Bengtsson en Ellen Deckwitz worden, voorafgaand aan hun optreden bij iPoetry Live tijdens de afternoonsession geïnterviewd over het vertaalproces en de moeilijkheden die het vertalen van poëzie met zich mee brengt. Ook zal in het interview aandacht besteed worden aan de rol die de stad speelt in de literatuur van de drie Young Poets.

14 april 2011, 17:00 uur
Spiegeltent, Hamburgerstraat 28, Utrecht

Taal: Nederlands, Zweeds, Engels
Toegang: gratis



Bookmark and Share
Comments

Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart

finkielkraut
'Het kunstwerk, zei Alain in concreto, behoort niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.'

Zo opent Alain Finkielkraut het eerste essay van Een intelligent hart, een stuk over Milan Kundera. Het is een statement dat ook op alle andere essays van toepassing is, ze vat in het kort de programmatische leeswijze samen die Finkielkraut vervolgens in zijn interpretaties van literaire meesterwerken uitleeft: literatuur moet ons van denkautomatismen bevrijden. Wie die Alain is wiens woorden hier herhaald worden, is mij niet helemaal duidelijk. Finkielkraut zelf? Misschien heb ik iets over het hoofd gezien? En waar dat 'in concreto' op slaat is me ook een raadsel, er is immers niets abstracts aan vooraf gegaan. Het lijkt wel alsof Finkielkraut zijn essay in medias res begint, in het midden van het verhaal. Dat komt ook door die verleden tijd van 'zei', doorgaans voorbehouden aan fictie.

Waarom op deze manier het openingsessay beginnen? Slordigheid is het niet, dat is onbestaanbaar bij een filosoof die zo scherpzinnig over literatuur schrijft. Nee, ik denk dat het een subtiel (want kom, je leest er toch meteen overheen) spel is met wat hij later betoogt over de functie van literatuur en literatuurkritiek (deze laatste in de academische zin van het woord, geen recensie maar interpretatie). Zijn opvatting over wat literatuur is of moet zijn is best ingewikkeld. Er zijn boeken die een vluchtweg bieden uit de chaos van de werkelijkheid; romantische sprookjes, die de terreur van de willekeur ontkennen door er een betekenisvol geheel van te breien. In die sprookjes hangt alles samen, alles heeft betekenis, leidt ergens toe. Leugens zijn het.

Gek genoeg krijgt die leugenachtige betekenisvolheid gestalte in realistische verhalen. Het zijn gemakzuchtige verhalen die niet verder kijken dan de oppervlakte en daar betekenis aan opleggen. Ongeveer zoals wanneer je causale verbanden legt tussen zaken die niets met elkaar te maken hebben. Ik laat een glas vallen en precies op dat moment wordt er aangebeld, dat moet wel iets betekenen. Maar in plaats van dat zo'n betekenis een diepere laag aanboort, is ze juist een zinloze betekenis. Achter de oppervlakte blijkt dat er geen betekenis, geen samenhang is. De verhalen die dat laten zien, maken volgens Finkielkraut de echte literatuur uit. Tegenover de verhalen die toevallige gebeurtenissen aan de oppervlakte aan elkaar breien tot een leugenachtig weefsel, staan de verhalen die het weefsel uit elkaar scheuren. (Maar ook dat zijn verhalen.)

In De Grap van Milan Kundera gaat dat zo: 'De schrijver in ons en de hoofdpersoon zijn een illusie armer. Die auteur en die hoofdpersoon geloofden heilig in de eeuwige herinnering (aan mensen, dingen, daden en volkeren) en in het herstel (van daden, vergissingen, zonden en onrecht). Maar nu ontdekken zij de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. "Alles stroomt, alles wijkt en niets houdt stand," zei Heraclitus al. En Kundera, vijfentwintig eeuwen later: "Alles zal vergeten en niets hersteld worden. In plaats van herstel (wraak of vergiffenis) komt vergetelheid. Niemand zal aangedaan onrecht herstellen, maar alle onrecht wordt vergeten. "' (cursivering van Finkielkraut)

Het zien van causale verbanden waar die niet zijn - ook herinnering en herstel vallen daaronder - is een denkautomatisme bij uitstek. Een biologisch mechanisme met evolutionair voordeel bovendien. Daar komen ook de mooiste dingen uit voort, toch is het een automatisme dat doorbroken moet worden. Kunst en literatuur gaan niet alleen over het creëren van schoonheid, maar ook om het ontmaskeren ervan. Als je die eerste zin leest, denk je automatisch: wie is Alain, van welke abstractie is dit het 'in concreto'? Wel, misschien is hij niemand en ging er niets aan deze woorden vooraf.

Ik vond het jammer dat Finkielkraut niet ook een essay over Marcel Proust schreef. Proust is bij uitstek een schrijver die van dit programma - het verscheuren van het leugenachtige weefsel van denkautomatismen - zijn levenswerk heeft gemaakt. Waar Finkielkraut het heeft over de lezer, maakt Proust het tot een gebod voor de schrijver. Schrijven draait om het doorbreken van taalautomatismen, zegt hij (niet in die woorden natuurlijk). Denk: clichés vermijden. De achterliggende reden is dezelfde, want het cliché is de uitdrukkingsvorm van het automatisme in het denken (en, ook belangrijk: in het kijken). Proust kan werkelijk woest uithalen naar hen die niet voorbij het clichématige beeld komen. Een clichématig beeld is namelijk ook gemakzuchtig en oppervlakkig en dus leugenachtig, net als de sprookjes die betekenis breien.

Dat uit zich al in gewone gesprekken. 'Hoe gaat het?' 'Druk druk druk.' - misschien het makkelijkste voorbeeld. Waarom zeggen we 'druk druk druk' alsof het één woord is. Zijn we wel druk? Willen we niet gewoon indruk maken? Is het niet een vluchtweg, een sociaal wenselijk antwoord, hoe dan ook een totale nietszeggende zinsnede? Het is een ingesleten uitdrukking (= een cliché) die staat voor het eerste gezicht. Het is de taak van de kunstenaar om daar voorbij te kijken. Dat is een heel praktisch advies: het eerste wat in je opkomt is nooit precies genoeg, zegt nooit wat er echt aan de hand is, wat je echt ziet, wat je echt voelt. Dat wat je als eerste invalt is altijd een cliché, een beeld ooit bedacht door een ander. Je moet op het tweede gezicht kijken, het derde, het vierde, net zolang tot je bij iets waarachtigs in de buurt komt (uiteraard is dat nooit helemaal te bereiken in taal). Voor mij was het lezen van Proust een ervaring alsof een weefsel voor mijn ogen werd opengescheurd, precies wat Finkielkraut van literatuur verlangt.

Het kunstwerk behoort niet tot de categorie van het nuttige, is de stelling. Het doorbreken van automatismen, zeker op de manier waarop Finkielkraut dat doet in Een intelligent hart en Proust in zijn Op zoek naar de verloren tijd is echter wel iets. Nuttig? Ja, hoe vies het ook klinkt, dat is ook nuttig.



Bookmark and Share
Comments

Gesproken recensie: Justine Le Clercq - De roemlozen





Bookmark and Share
Comments

Stine Jensen - Het broekpak van Olivia Newton-John

Jensen
Over de liefde zijn boekenkasten volgeschreven, van grootse romans en tragedies tot dokterromannetjes. De laatste jaren raakt ook de non-fictie steeds meer geïnfecteerd met het liefdesvirus: er verschijnt een constante stroom boeken over de liefde in filosofie, in film en literatuur, in de hersenen, als foefje van de hormonen. Filosofe Stine Jensen voegt daar nog een titel aan toe: Het broekpak van Olivia Newton-John. Stukken tegen de liefde.

Waar die honger naar boeken over liefde vandaan komt, zal niemand kunnen zeggen. Heeft het te maken met de toename van singles, die ook een belangrijke doelgroep vormen van marketeers (en vaak hoog opgeleide vrouwen zijn, dus lezers)? Is het misschien wel een prettig idee dat verliefdheid niet meer is dan een stofje in de hersenen, of worstelen we daar juist mee en hebben we een filosofie van de liefde nodig als tegenhanger? Andere schrijvers stellen dat het liefdesvirus onder de mensen is verspreid door moderne sprookjes van de media en filmindustrie. Terwijl niemand een perfecte relatie heeft, schotelen schrijvers en televisiemakers het publiek een beeld voor van eeuwigdurende liefde met heftige ups en downs, maar altijd met een happy end.

Lees verder op 8WEEKLY: Die vermaledijde liefde



Bookmark and Share
Comments

Grensssituaties

in_limbo
'Grenssituatie' was een tijdje een gevleugeld woord toen ik literatuurwetenschap studeerde. De liefde, kamernood en natuurlijk het weekend: alles was één grote grenssituatie. Grenssituaties, daar ben ik altijd dol op geweest. Niet in het echte leven maar in de literatuur. In het echte leven zijn grenssituaties vervelend (ik zit nu, terwijl ik schrijf, ook in limbo). In het echte leven achtervolgen grenssituaties me, zijn ze als een schaduw die je niet af kunt schudden en die op slechts één uur van de dag verdwenen lijkt. In de literatuur zoek ik ze op, hongerig naar schaduwen, begerig naar ellende.

Het begrip is een uitvinding van de existentialistische filosoof Karl Jaspers. Het duidt op situaties die 'tot op de bodem raken', waardoor je 'uit de baan van de gewone gang' wordt geslingerd en waarin je 'radicaal op jezelf teruggeworpen' bent. De oorlog is een archetypische grenssituatie, net als de dood. Ook de wat lichtere versie kun je je makkelijk voorstellen: het einde van een relatie, ontslag en werkloosheid. Je zit in een grenssituatie tussen twee werelden in, het vóór en het ná, een breuk die uiteindelijk je leven zal structureren (vóór en ná Pietje). De grenssituatie kun je je ook ruimtelijk voorstellen, niet alleen als een individuele overgang in het leven, maar ook als tussenwereld. Daar waar de doden wonen, de frontlinies van een oorlog, of zoals in De pest van Camus, waar de pestepidemie op zichzelf een grenssituatie is, maar de stad in quarantaine ook.

De grenssituatie is zo populair onder existentialistische schrijvers en filosofen omdat je daarin de heilige drie-eenheid van de existentialisten aan het werk ziet: vrijheid, verantwoordelijkheid en keuzes. Uit de grenssituatie kun je alleen ontsnappen door een keuze te maken in vrijheid, zonder je te iets aan te trekken van conventies. De grenssituatie werpt je helemaal terug op jezelf en niemand kan er iets aan doen, behalve jezelf.

Daarom is de grenssituatie natuurlijk ook zo populair in de literatuur, of in elk geval in een vertakking ervan. Als ik kijk naar de geschiedenis van mijn persoonlijke favorieten exploreren ze allemaal het grensgebied:
- van de monsters van Stephen King (een monster is een wezen dat onbegrensd is, het overtreedt gangbare categorieën zoals levend/dood of mens/dier),
- via de fantastische wereld van Edgar Allan Poe (het fantastische is dat waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of het echt gebeurt of niet, voor geen van beide is bewijs te leveren),
- naar de koortswanen van Dostojevski (wat speelt zich af in het hoofd en wat in de buitenwereld - dat is totaal onduidelijk),
- en zelfs mijn allervroegste favoriet: De dolle tweeling-reeks, die zich afspeelt in de wereld van de kostschool, een grensgebied bij uitstek, want het is tegelijk thuis en niet-thuis, school en niet-school, de kinderen zijn vrij van hun ouders maar horig aan de juffen en matrones.

Misschien ben ik nu de literatuur naar het model toe aan het interpreteren. Alles wat krom is valt recht te praten. Want hoe zit het dan met Proust? Ja, die is voortdurend ziek, wat een grenssituatie op zichzelf is. Hij neemt deel aan het leven en toch niet. Vriendin Albertine wordt aan het lijntje gehouden, het is aan en toch uit - de grenssituatie die we allemaal misschien wel het beste kennen (dat, en de dood). En Grunberg, en Houellebecq? Wat is hun grenssituatie dan?

Een andere manier om literatuur te schematiseren (wat altijd verhelderend werkt tot een bepaald punt waarop het belachelijk wordt, zoals hierboven) is het conflict. Er is een hoofdpersoon, die een doel wil bereiken. Er is een ander personage dat dat verhindert: de tegenstrever. Ik vind dit persoonlijk een oersaai schema. Interessant wordt het als je het combineert met de grenssituatie. In plaats van een duidelijke protagonist en antagonist, zoals dat dan heet, zijn beiden verenigd in één en hetzelfde personage. Dáár begint de Echte Literatuur, waar iemand zowel streeft naar een doel als zichzelf van dat doel afhoudt. Zonder precies te weten waarom. Het tragische geïnternaliseerd. Zie Grunberg en Houellebecq.

De weg uit een grenssituatie is de keuze. Net als bij het intern-tragische. Door te kiezen stel je grenzen vast, definieer je categorieën, maak je een eind aan de twijfel. Dat helpt natuurlijk niet als je vecht tegen monsters als Dracula of geesten uit de schemerwereld. Dan moet je handelen. Misschien is kiezen wel hetzelfde als handelen. De keuze als een daad. Niet per se een vrije daad, niet per se een goede of een rationele daad, en misschien wel een tragische daad. Dat laat de literatuur wel zien. The instant of decision is madness, wist Kierkegaard al.

(de afbeelding is het schilderij 'In limbo’ van Odd Nerdrum)



Bookmark and Share
Comments

The willing suspension of disbelief: ik geloof Ger Groot

albatros
A willing suspension of disbelief: een van de eerste theoretische uitspraken die probeert te zeggen hoe literatuur werkt. Samuel Coleridge, dichter en kompaan van William Wordsworth, deed de uitspraak in 1817 en tot op de dag van vandaag krijgt elke letterenstudent hem om de oren geslagen. Eerlijk gezegd heb ik nooit begrepen hoe het precies zat met die willing suspension of disbelief. Of liever gezegd, het leek mij een pertinente onwaarheid die het verdiende om bijgezet te worden in het pantheon van mooi geformuleerde maar verder waardeloze theorieën. Ik zal wel gek zijn, dacht ik dan. Gelukkig weet ik mij na het lezen van Vergeten te bestaan gesteund door Ger Groot, hoogleraar literatuur en filosofie in Nijmegen.

Want het klinkt mooi, maar wat staat er nou? En waar gaat het over? Coleridge wil het grote raadsel van de literatuur beschrijven: hoe komt het dat je als lezer je helemaal kunt verliezen in fictie, in iets wat niet echt is? Niet alleen in het geval van realistische romans - want die bestonden in 1817 nog niet - maar juist in het geval van poëzie en proza over ridders, draken, dromen, herinneringen, geesten en meer van dat soort onrealistische humbug. Wat een lezer doet, zegt Coleridge, is welbewust zijn niet-geloof opzij zetten. Met andere woorden, je pakt een boek, weet dat het niet echt is, dat je er niet in moet geloven, maar voor de duur van het lezen besluit je om dat te negeren. Dan kun je je laten meeslepen door het verhaal.

In mijn ogen is dat een veel te wantrouwige instelling tegenover literatuur. En ook veel te bewust. Om met dat laatste te beginnen: wie pakt er ooit een boek met de woorden, 'zo, en nu suspendeer ik for the time being even mijn ongeloof'. Ik begin vaak sceptisch aan een boek, als ik nog niet eerder iets van de schrijver gelezen heb. Of juist vol verwachtingsvol plezier, als het een boek is waar ik naar uit kijk. Maar ik begin nooit met het opzij zetten van mijn ongeloof in een fictioneel verhaal. Ger Groot schrijft dat fictie- en non-fictieboeken vaak grotendeels op dezelfde manier gelezen worden en daar ben ik het helemaal mee eens. Je wilt er iets uit halen, of dat nu waarheid of werkelijkheid is, en je wilt genieten van de taal waarin dat is uitgedrukt. Het tijdelijk uitschakelen van het niet-geloven klinkt ook nogal denigrerend. Alsof een roman erom smeekt geloofd te worden, terwijl iedereen weet dat ie nep is. Maar vooruit, omdat hij het zo graag wil doen we wel even alsof.

Ik zie het allemaal anders. Ik geloof in fictie, niet omdat ik mijn niet-geloof heb uitgeschakeld - wat een negatief gefundeerd geloof zou betekenen - maar omdat ik geloof in wat die roman mij zegt. Waarom zou je anders lezen? Alleen maar voor het genot, om de dagelijkse werkelijkheid te ontvluchten? Nee, omdat de literatuur een waarheid vertelt die niet op een andere manier verteld kan worden. Daar moet je dan wel in geloven. Dat een dichter (en Coleridge is niet zo maar de eerste de beste!) niet verder kijkt dan het concrete niveau van de fictionaliteit van spoken en draken en dan beweert dat daar een onwaarheid in schuilt, heb ik altijd onbegrijpelijk gevonden. Wil Coleridge met zijn beschrijving van het 'spook' van de albatros dat steeds maar de oude zeeman blijft achtervolgen (uit zijn epische gedicht The Rime Of The Ancient Mariner) dan alleen maar een sprookje vertellen? Nee toch, hij wil een waarheid uitspreken over de mens, over ouder worden, enzovoort enzovoort. Goed, dichters moeten dan misschien ook vooral dichten en niet theoretiseren.

Ger Groot schrijft in Vergeten te bestaan, zijn oratie: 'Ze [de literatuur] heeft de taak op zich genomen de diepste menselijke waarheden tot uitdrukking te brengen, maar kon dat slechts doen door zich van de werkelijkheid los te maken. Fictionaliteit is het zegel van een waarheid die hoger wil zijn dan de onwrikbaarheden van de empirie. De laatste zijn toetsbaar, de eerste niet; maar wanneer het om hun betekenis voor de menselijke existentie gaat, valt het gewicht van de laatste in het niet bij dat van de eerste.'

Zo is het.



Bookmark and Share
Comments

Armando wint VSB-prijs: 'radicale somberte'

'Op Armando!'
'Op de wanhoop!'

Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.

Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando 'radicale somberte'. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht 'Een galg', dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.

Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.


Het ijkpunt van Armando - zegt men steevast - blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek. 

armando_waldrand
Dat deed me terugdenken aan een aantal schilderijen die ik van hem zag op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, samengesteld door Koningin Beatrix. Grote doeken, geen kleur, alleen wit en zwart. Ik houd van grote zwarte vlakken (zoals bij de Van Doesburgh die ik jarenlang als muurschildering had). Je kunt erin verdrinken, ze benemen je de adem. Je eigen lijden is dan opeens nietig, onbetekenend. Dat is de reden dat kunst in het teken van het lijden zo mooi en noodzakelijk kan zijn: het heft je eigen lijden op in het zicht van de absolute somberte. Ik vond de schilderijen haast letterlijk verpletterend, die intense zwartheid - zowel van vorm als inhoud. Misschien niet de meest subtiele kunst, maar wel effectief. Ik hou van effect, dat moet gezegd worden.(Heuglijk nieuws dus dat het Armando Museum dat zo noodlottig getroffen werd door brand, misschien naar Utrecht komt!)

Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.

Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over 'radicale somberheid' om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom - vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het 'dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,' zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.

'Ik kan niks,' verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da's dus niet waar en niet raar. Armando besloot: 'Nogmaals: neem me niet kwalijk.' Doen we niet.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.




Bookmark and Share
Comments

Elif Batuman - De bezetenen. Avonturen met de Russische literatuur en haar lezers

batuman
Dit weekend is de Amerikaanse schrijfster Elif Batuman in Nederland, te gast op het Winternachten festival. Het is alweer een paar maanden geleden dat ik haar boek De bezetenen las (ondertitel Avonturen met de Russische literatuur en haar lezers). Een merkwaardig boek, dat vooral interessant is waar het tekortschiet. Nee, dat is te hard gezegd. Het is interessant op te veel verschillende manieren, waardoor het als geheel tekortschiet.

Batuman schrijft over haar favoriete Russische auteurs en vooral ook over zichzelf. De ondertitel had beter kunnen luiden Avonturen met de Russische literatuur en Elif Batuman als lezer daarvan. Daar houd ik van: persoonlijke literatuurkritiek. Wat doet een boek met mij als persoon, hoe werkt het door in mijn leven? En hoe lees ik vanuit mijn persoonlijke leven een boek? Het grote probleem bij zulke kritiek is meteen duidelijk, want die verzandt al snel in persoonlijke meninkjes en anekdotes die voor anderen niet boeiend zijn. Batuman houdt redelijk haar evenwicht, maar dreigt soms wel hopeloos onderuit te tuimelen.

Haar sterke kant is humor. Ze vertelt over haar tijd als promovendus aan Stanford, hoe ze min of meer toevallig de Russische letterkunde inrolt en in aanraking komt met de meesterwerken van onder anderen Babel en Tolstoj. Haar analyses van die werken zijn sterk en intelligent, en de manier waarop ze ze brengt is onderhoudend en origineel. Ze vertelt over gesprekken die ze heeft met medestudenten, docenten en andere onderzoekers, waaruit dan bijna organisch interpretaties voortkomen. Haar zelfrelativering is verfrissend.

Ook de literatuur zelf ontsnapt niet aan relativering, of eigenlijk vooral de academische wereld die eromheen bestaat. De nazaten van Isaak Babel, die op een congres in Stanford over zijn werk komen opdraven, zijn te belachelijk voor woorden. In de grappige passages over die oude dametjes die zelf werkelijk niets te melden hebben, blijft de grootheid van Babel overeind en krijgt de universitaire wereld met haar heldenverering een flinke knauw. Een ander hilarisch stuk betreft een symposium op het beroemde landgoed Jasnaja Poljana van Tolstoj, waar mompelende wetenschappers in slecht Engels totaal irrelevante onzin verkondigen over de Grote Schrijver. En ook Batuman zelf doet er aan mee, met haar paper over de hypothese dat Tolstoj vermoord werd. Je gaat bijna verlangen naar bezuinigingen in het hoger onderwijs bij al die verspilling van tijd en geld. Batuman profiteert met open vizier van alle projectjes en reisbeurzen die op haar pad komen. Innemend, maar ook een beetje ergerlijk.

Af en toe slaat die zelfrelativering door, vreemd genoeg naar twee kanten. Batuman doet zichzelf te kort door zich steeds weg te zetten als iemand die overal maar inrolt zonder dat echt te verdienen. De stukken die ze schrijft over de negentiende-eeuwse Russen zijn scherpzinnig en aansprekend. Ze weet daarin perfect de balans te houden tussen het persoonlijke en het algemene: waarom zijn deze boeken belangrijk en waarom zijn ze voor mij als mens belangrijk? Ze mag zichzelf best wat meer credits geven.

Daartegenover staan de drie lange hoofdstukken 'Zomer in Samarkand', over haar reis naar Centraal-Azië waar ze Oezbeeks gaat bestuderen. De balans slaat bijna helemaal door naar het hyperindividuele. In een combinatie van reisverhaal (sowieso al niet mijn favoriete genre zal ik eerlijk bekennen), liefdesroman, Oezbeekse geschiedenis en iets wat bedoeld is als een Samarkandse comédie humaine draaft ze bladzijden lang door tot je het gevoel hebt bijna te verdrinken in dezelfde verveling en luchtdichtheid die ze steeds weer beschrijft. Hoogst oninteressant vergeleken bij de absurde gesprekken op conferenties en vertellingen over het tsaristische Rusland die de andere hoofdstukken bieden.

Die hoofdstukken maken van De bezetenen (wat natuurlijk verwijst naar Dostojevski) toch een aanrader voor iedereen die houdt van de Russische literatuur (en wie dat niet doet is gek). Hieronder een citaat waarin de bijzondere combinatie van belezenheid en intelligentie, humor en ernst van Elif Batuman naar voren komt. De schrijver Tredjakovski is de risee van het Russische literaire wereldje en krijgt zelfs regelmatig een pak slaag, gewoon omdat hij belachelijk is:

'Tredjakovski heeft naar men zegt precies honderd boeken geschreven, allemaal zo saai dat je er niet goed van wordt. "Op het lied 'Vaarwel mijn schat' heb ik een kritiek van twaalf delen geschreven, in folio," merkt een op Tredjakovski geïnspireerde figuur in een komedie uit 1750 op. (…) Achteraf gezien hadden de klappen die Tredjakovski opliep een tragisch en profetisch karakter. Om de twintigste-eeuwse dichter Chodasevitsj te citeren: "Op die vooravond van de maskerade, toen Volynski Tredjakovski mishandelde, begon de geschiedenis van de Russische literatuur […], de geschiedenis van de vernietiging van de Russische schrijvers."'

Mooi.



Bookmark and Share
Comments

Experiment: laat iemand aan jou een gedicht voorlezen

voorlezen
Wil je eens een ander soort gesprek met iemand voeren? Of überhaupt iemand aan het praten krijgen? Laat diegene een gedicht voorlezen. Maakt niet uit wat voor gedicht, van wie of waarover. Boeit niet of je het snapt of mooi vindt. Alleen al de handeling van het voorlezen en voorgelezen worden schept de atmosfeer voor een anders dan anders-gesprek.

Daar kwam ik achter toen ik bij zes hoogleraren langsging om gedichten op te nemen om te gebruiken op het Huis van de Poëzie. Dat leverde een paar bijzondere, ik zou bijna zeggen, intieme momenten op. Hoe werkt dat en werkt het bij iedereen? Ik denk dat het werkt op een vergelijkbare manier als het schrijven van Ik herinner me... dat daadwerkelijk herinneringen tot leven brengt of het formuleren van een goed voornemen, dat voorwaarde is voor het uitvoeren van dat voornemen.

Heel sec: als je een gedicht voorleest, praat je hardop tegen iemand en bezig je een bijzondere taal, met metaforen, rijmwoorden, enjambementen en wat dies meer zij. Je spreekt bedachtzaam, met nadruk op bepaalde woorden of juist niet, met een aarzeling aan het eind van de regel, met verschillende toonhoogtes. Kort gezegd: met aandacht voor wat je zegt en met aandacht voor degene die luistert.

Diegene die luistert is de andere helft van de vergelijking, zoals de Engelsen mooi zeggen. (De Engelsen zeggen wel heel lelijk 'read aloud'. Dat maakt het vóórlezen nog veel rijker aan betekenis.) De luisteraar stelt zich open, luistert naar de ander, probeert chocola te maken van wat hij hoort. Je droomt een beetje weg, fixeert je blik op de boekenkast of de hoek van het plafond. Je hoort opeens echt de stem van de voorlezer. En je hoort hoe hij bedachtzaam spreekt, waar de nadruk komt te liggen, hoe hij misschien aarzelt zonder dat dat de bedoeling was, zich bijna verspreekt en ondertussen het gedicht recht probeert te doen.

Dan is het gedicht voorbij. Een minuut later valt er een stilte. Misschien is die een moment ongemakkelijk - je zit daar met z'n tweeën na een handeling die niet geheel alledaags is (dit is dus ook heel anders dan een literaire avond waar dichters hun teksten via de microfoon een slecht verlichte zaal in sturen). En dan, dan komen de mooie gesprekken opeens, zonder verdere aanloop of loos gekwebbel. Door de speciale aandacht die het gedicht al heeft losgemaakt voor praten, luisteren, de taal en de betekenis. Dat is iets wat alleen het gedicht doet. Ik heb nog gedacht dat het misschien ook met muziek zou werken of met een prozatekst, maar dat denk ik niet. (Dat zal vast ook iets doen, maar weer iets anders dan anders.)

Blijft de vraag over: werkt het bij iedereen? Dat weet ik niet. De hoogleraren vormen niet echt een representatieve groep en het aantal is te laag om er iets algemeens over te zeggen. Een empirisch onderzoekje naar deze werking lijkt me wel interessant. Dus ik zou zeggen: neem de proef op de som en vraag iemand een gedicht voor te lezen. Dit bijvoorbeeld.



Bookmark and Share
Comments

Max Blecher - Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid

Blecher
'Een herontdekt meesterwerk!': een marketingslogan die wel heel vaak op nieuwe uitgaven wordt geplakt, meestal familieromans uit het vooroorlogse Midden- of Oost-Europa. Soms is die kwalificatie geheel op zijn plaats. Zoals met Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid uit 1936, geschreven door de Roemeens-joodse Max Blecher en nu in een vertaling van Jan Mysjkin, verschenen in de serie L.J. Veen Klassiek.

Lees verder op 8WEEKLY: Van de schoonheid en de afgrond



Bookmark and Share
Comments

Beste boeken van 2010

De computer is vervangen, Bookpedia is weer gevuld, tijd voor een blik op het boekenjaar 2010.

Ik las 49 boeken (misschien kan ik er in de rest van de kerstvakantie meer van maken, maar de 53 van vorig jaar haal ik niet meer). Van die 49 stammen er 25 uit 2010. Over zeventien boeken schreef ik een recensie voor 8WEEKLY, een hoge productie al zeg ik het zelf. Verder las ik tien boeken niet uit, of maar deels (zoals Heideggers Zijn en tijd of Bekentenissen van Jean-Jacques Rousseau). Drie boeken staan nog genoteerd als 'Mee bezig'.

Verdere statistiekjes: gemiddeld aantal sterren van alle 49: 3,4. De 2010-boeken: 3,52 gemiddeld. Een ruime voldoende! En een stuk hoger dan de 3,26 van 2009.

Zes boeken kregen de hoogste waardering van 5 *, twee daarvan zijn boeken uit 2010. Die staan dus bovenaan:

shields
Beste boeken 2010:
1. David Shields - Reality Hunger
2. Max Blecher - Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid (binnenkort meer hierover)
3. Arnon Grunberg - Huid en haar
4. Dezso Kosztolanyi - Nero, de bloedige dichter
5. André Aciman - Witte nachten

Beste boeken gelezen in 2010:
6. Machado de Assis - Posthume herinneringen van Bras Cubas
7. Michel Houellebecq - Mogelijkheid van een eiland
8. Julian Barnes - Flaubert's Parrot

Om tot de tien te komen:
9. Hub Zwart - De waarheid op de wand
10. Karin Johannisson - De kamers van de melancholie



Bookmark and Share
Comments

7 boeken om naar uit te zien in 2011

Na de tips van het najaar, vandaag een blik vooruit op het voorjaar.

Twee romandebuten:
Justine Le Clercq - De roemlozen. Podium, februari
In 2006-2007 volgde ik de masterclass Literair schrijven van Uitgeverij Querido. Justine Le Clercq was een van mijn 'klasgenoten'. In februari debuteert zij met haar roman De roemlozen. Leuk! Uit de aanbieding:

'Haar vader is een héél bekende kunstenaar, haar moeder een vrouw met een hysterische inslag. Hoewel Titine niets liever wil dan normaal opgroeien, hangt de roem van haar vader en de eeuwige verongelijktheid van haar moeder als een zware schaduw over haar kinderjaren. Zelfs wanneer ze de afgetrapte villa uit haar jeugd al lang heeft verlaten en in Den Haag, omringd door vrienden, een carrière als scenariste probeert op te bouwen, komt het verleden steeds weer terug. Soms letterlijk, in de vorm van haar moeder die op de meest ongelegen momenten aandacht vraagt voor haar grillen. Of in de vorm van langverdrongen herinneringen, bijvoorbeeld aan Titines verdwenen broertje. Pas wanneer Titine de confrontatie rechtstreeks aangaat, blijkt de werkelijkheid gecompliceerder dan gehoopt.'

Joris van Casteren - Het zusje van de bruid. Prometheus, mei
Nog een romandebuut waar ik benieuwd naar ben, namelijk van Joris van Casteren, die eerder het fenomenale Lelystad afleverde (zie ook hier). Zat er dik in dat hij met een roman bezig was. Hoewel ook Het zusje van de bruid een autobiografisch verhaal is. In het geval van Van Casteren is dat geen reden om bang te worden.

'Het zusje van de bruid is het geanonimiseerde verslag van een krankzinnige periode uit het leven van schrijver Joris van Casteren, waarin hij getuige was van de grondige zelfvernietiging van de jonge vrouw met wie hij samenwoonde. Met een scherp oog voor detail en een plezierige dosis zelfspot reconstrueert hij de huiveringwekkende relatie tussen twee jonge mensen die elkaar nooit zullen weten te bereiken. Het is een fascinerend portret van een gedoemde liefde aan het begin van de eenentwintigste eeuw.'

Vertaalde geheide bestseller:
Michel Houellebecq - De kaart en het gebied. Arbeiderspers, mei
Al lang verschenen, controversieel geworden en gelauwerd in Frankrijk, maar wij moeten nog even wachten. Aan de ene kant is dat zuur, aan de andere kant is het goed dat de vertaler de tijd krijgt en geen broddelwerk aflevert louter om de verkoopcijfers. Ik hou van de zwartgallige en toch sentimentele wereld van Houellebecq (check bijvoorbeeld Houellebecq: Mogelijkheid van een eiland. Gelukkig miserabel). Zou dit zijn beste zijn?

Vertaalde geheide klassieker:
Dezso Kosztolanyi - De nieuwe bekentenissen van Kornel Esti. Van Gennep, februari
Yes! Kornel Esti komt nog een keer tot leven! Check Kornel Esti, de enige held in dit verhaal en Nero, de bloedige dichter. Wat een schrijver.

'We dromen er allemaal van om ooit gelukkig te zijn. Wat stellen we ons daarbij voor? Bijvoorbeeld een kasteel aan zee, een vrouw, kinderen, misschien geld of roem. Dat is flauwekul. (...) Het kasteel heeft geen bouwtekeningen. De vrouw die we ons voorstellen, heeft geen lichaam of ziel. De kinderen in onze dromen krijgen nooit de mazelen en over roem durven we nooit vast te stellen dat die voor het grootste deel bestaat uit onderhandelingen met uitgevers. Gelukkig bestaat natuurlijk wel. Maar dat is iets totaal anders. Wanneer ik het gelukkigst was? Ik kan het je vertellen, als je wilt.'

Drie maal filosofie:
Joep Dohmen en Maarten van Buuren - De prijs van de vrijheid. Ambo, april
Het boek naar aanleiding van de reeks Levenskunst bij Studium Generale, die ik presenteerde (zie ook 10 schrijvers en denkers over Levenskunst). Op 11 april vindt de presentatie plaats, ook bij Studium Generale.

'Literatuurwetenschapper Maarten van Buuren en filosoof Joep Dohmen analyseren de conditie van de moderne mens aan de hand van lichte en donkere schrijvers en filosofen – van Montaigne tot Houellebecq, en van Foucault tot Pascal Mercier. Wat verschijnt is een rijk palet van levenshoudingen: vitale en krachtige, maar ook sombere en sceptische.'

Saul Frampton - Speel ik met mijn kat, of speelt ze met mij? Ambo, april
Een geniale titel en dan gaat dit boek ook nog over Montaigne. Zo'n boek moet wel op mijn lijf geschreven zijn. Niet in de aanbiedingsfolder, maar wel online aangekondigd:

'Volgens Montaigne gaat het er in het leven niet zozeer om zo veel mogelijk kennis te vergaren, maar te proberen de onvatbare ervaring die het leven is, te accepteren. We moeten niet krampachtig proberen de betekenis van het leven te doorgronden - we moeten het zelf zin geven. Met Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? laat Saul Frampton zien dat Montaignes gedachtegoed nog steeds springlevend is en ons kan inspireren om de kunst van het leven te verstaan.'

John Gray - Het onsterfelijkheidscommité. Ambo, maart

'Een historisch palet van spiritisten, mediums, cryonisten en andere zieners - en een diepe reflectie over de grenzen van het menselijk bestaan. John Grays prikkelende nieuwe boek is een briljante analyse van de pogingen van de mensheid om te gaan met haar eenzame plek in de kosmos. Tegelijk vertelt het de vaak obscure geschiedenis van het streven naar onsterfelijkheid. Zo vertelt hij het verhaal van de spiritistische bewegingen onder Engelse intellectuelen en politici die geloofden dat wij kunnen communiceren met de doden. En hij schetst hoe communistische wetenschappers van het 'Onsterfelijkheidscomité' geloofden dat ze de mensheid konden bevrijden van de dood.

Het resultaat is een diepe en verontrustende reflectie op wat het betekent mens te zijn. Sinds Darwin weten we dat de dood het einde is en dat onze soort uiteindelijk zal verdwijnen. Zoekers naar onsterfelijkheid proberen een uitweg te vinden uit deze onwelkome waarheid. Maar hoeveel kennis hij ook vergaart, de mens zal blijven wie hij is - en de implicaties daarvan nopen tot deemoed.'



Bookmark and Share
Comments

Boeken 2010: tips en een tegenvaller

Eigenlijk wilde ik deze week mijn boekeneindejaarsoverzicht bloggen, maar mijn laptop ligt op de intensive care. En zonder mijn geheugensteun Bookpedia komt er niets van enig jaaroverzicht. Heb je dan geen back-up gemaakt, hoor ik al gniffelen. Jawel, van mijn hele systeem maakte ik 8 december een back-up, maar de Bookpediagegevens moet je eerst exporteren voor het wordt opgeslagen. 10 april 2010 laatste export, dat schiet dus niet op.

Vandaar een andere aanpak. Eerst kijk ik terug op de Nieuwe boeken in het najaar, die ik afgelopen zomer signaleerde. Maakten ze hun belofte waar? Deel twee (morgen): nieuwe boeken in het voorjaar. Waar kijk ik het meest naar uit? Deel drie, ijs, weder en Apple-chirurgie dienende, de beste boeken van 2010.

Waar verheugde ik me het meest op, die 23e juli 2010, na het doorploegen van de aanbiedingscatalogi van de uitgeverijen?

1. André Aciman - Witte nachten
'Wie op Google Earth zoekt naar Straus Park, op de kruising van West 106th Street en Broadway in New York, ziet een piepklein parkje waar het verkeer langs raast. Een man hangt op een bankje, voetgangers steken gehaast het kruispunt over. Loop in westelijke richting en je belandt op Riverside Drive. Aan het eind van 106th Street leidt een trap naar een park met groene bomen en een standbeeld van Samuel J. Tilden. Draai je om en kijk omhoog naar het flatgebouw op de hoek, zo'n New Yorks appartementencomplex uit het begin van de twintigste eeuw. Daar in het penthouse, denk je, was het feest. Een paar verdiepingen lager: het appartement van Clara. Op Google Earth is het altijd overal dag, dus er zijn geen verlichte ramen waarachter je een vrouwengestalte een sigaret ziet opsteken.
Het overkomt me niet vaak dat ik tijdens het lezen van een roman Google Earth open om te zien waar het verhaal zich afspeelt. Witte nachten, de tweede roman van schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman, roept dat verlangen wel op. Aciman beschrijft het gebied rond Straus Park zo nauwkeurig en laadt het zo vol met betekenis dat je daar zelf rond wilt lopen, op dat bankje wilt zitten.'

De tweede roman van André Aciman bracht me niet alleen verrukkelijk leesplezier (verrukkelijk in de melancholische zin van het woord), maar ook een persoonlijk hoogtepunt: een recensie van mijn hand in de Groene Amsterdammer! Helaas nog steeds niet online beschikbaar, maar wie wil kan van mij een digitale kopie krijgen. Overigens het ideale boek voor de kerstvakantie, want het speelt tussen Kerstavond en Oud en Nieuw en er ligt net zo'n dik pak sneeuw als hier en nu.

2. Jaap van Heerden - Fascinaties. Een intellectuele autobiografie
'Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.' Absoluut waar. De korte stukken kunnen zelfs dienen als voorbeeld van hét essay. Met verwondering observeert hij de wereld, stelt daar onbevangen vragen over en via allerlei interessante associaties en zijsporen ontleedt hij vervolgens de mechanismen achter gedrag, cultuur, taal et cetera. Vooral gaat dit boekje over wetenschapsfilosofie, maar dan op een totaal niet hermetische manier. Fascinerend. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY.

3. Max Blecher - Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid
'Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.' Maakt zijn belofte meer dan waar. Een korte roman waarin een hele wereld samenkomt, als een heel kleine diamant waaruit lichtstralen naar alle kanten weerkaatsen. Het merkwaardige van dit boek is dat het steeds herinneringen oproept aan andere boeken, films en lang begraven gevoelens. Niet omdat het niet origineel is, maar omdat alles hierin samenkomt. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY (ik krijg het druk).

4. Peter Sloterdijk - Filosofische temperamenten
'Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen.' Tegenvaller.

5. Bart Slijper - Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk
Niet helemaal gelezen, maar even in gebladerd voor ik het doorstuurde aan de 8WEEKLY-recensent. Die was erg positief, zie Een vriendschap van toen bloeit weer op.

6. Arnon Grunberg - Huid en haar
Check: Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar
En: Gesprek voor 8 december
Lees dit boek!



Bookmark and Share
Comments

Karin Johannisson - De kamers van de melancholie

Wat is melancholie? Als niemand het je vraagt, weet je het, maar moet je het uitleggen, dan ontbreken je de woorden. De Zweedse hoogleraar ideeën– en wetenschapsgeschiedenis Karin Johannisson geeft in De kamers van de melancholie woorden aan dat onbestemde gevoel. Het hoofdthema van melancholie is verlies. Maar dat verlies heeft vele gedaanten: verlies van jezelf, van de wereld, van structuur.

Lees verder op 8WEEKLY: Een huis voor de wolvenman



Bookmark and Share
Comments

Filmpje: De biografie

Pecha kucha in de aanbieding! Vier dubbellezingen; acht sprekers; twee dichters; een prins; een verzetsheld; één bijrol voor Harry Mulisch - in zes minuten en veertig seconden.

De reeks De biografie: een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.



Liever lezen? Klik op Lees verder voor de uitgeschreven tekst.
Check ook de korte stukken die ik over de lezingen schreef:




Bookmark and Share

Toen Harry Mulisch op 30 oktober 2010 overleed, werd meteen druk gespeculeerd over wie zijn biografie zou gaan schrijven en liepen letterkundigen vooruit op de problemen waar die biograaf tegenaan zou lopen. Mulisch was een zelfgebouwde mythe, onsterfelijk tot zijn dood. Het ontrafelen van verhaal en werkelijkheid zal een hele kluif zijn. Of is het verhaal de werkelijkheid? Een vraag die aan de orde kwam in de reeks De Biografie, een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.

Jan Wolkers: nog zo’n kanon uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Op zíjn sterfdag – 19 oktober – opende de reeks met een lezing van Wolkers-biograaf Onno Blom. Blom raakte bevriend met Wolkers en groeide uit tot ‘aangenomen oudste zoon’. Hoe beïnvloedt zo’n vriendschap je werk als biograaf? Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, haalde William Somerset Maugham aan, die stelde: ‘Er zijn slechts drie regels voor het schrijven van een goede biografie en gelukkig weet niemand wat die regels zijn.’

Toch zijn er wel drie handreikingen te noemen voor wie een goede biografie wil schrijven: Een biografie zegt iets over de actualiteit, ook als hij gaat over een historisch persoon. Dat betekent dat een biografie niet voor de eeuwigheid is geschreven. Neem Oorlog en vrede van Tolstoj – die roman uit 1869 wordt nog steeds gelezen. Een biografie van Tolstoj uit de negentiende eeuw is daarentegen verouderd.

Een biograaf moet stelling nemen tegenover zijn onderwerp. Objectiviteit bestaat niet, dus daar kun je maar beter eerlijk over zijn. Blom schreef een boek over het laatste levensjaar van zijn hoofdpersoon, genoemd naar de laatste woorden Zo is het genoeg – wat sloeg op de laatste hap van een boterham met jam. Een foto van de betreffende boterham is daar ook in opgenomen. Is dat relevant? En is het niet te intiem?

Het derde punt: een goede biografie kan niet zonder goed onderzoek en een goede stijl. Het boek moet degelijk zijn als een wetenschappelijk onderzoek en lezen als een roman. De biografie die Jolande Withuis schreef van Pim Boelaard of Bernhard van Annejet van der Zijl, zijn daar goede voorbeelden van. De verhalen over hun onderzoek zijn om van te smullen. Withuis ontdekte een schat aan materiaal, van dagboeken tot foto’s en brieven, achter een velours gordijntje bij verzetheld Boelaard thuis. Van der Zijl reisde naar Duitsland om het leven van de jonge Bernhard te reconstrueren. Bij de Berlijnse universiteit kreeg ze inzicht in documenten die het bestaande beeld van de aankomende prins totaal op z’n kop zetten.

De roerige levens van Boelaard en Bernhard – die elkaar kenden – lenen zich natuurlijk uitermate goed voor een biografie ‘die moet lezen als een roman’. Dat laatste punt is niet zo eenvoudig als het klinkt. Een biografie is altijd een verhaal. Maar wie vertelt het verhaal? Een objectieve, semi-alwetende verteller, die de puzzelstukjes van een leven bij elkaar zoekt. Of jij als persoon, bijna een ik-verteller? Een verhaal is altijd een weergave van de werkelijkheid, waarin gebeurtenissen in een samenhang worden getoond. Het geeft betekenis aan iets wat misschien wel gewoon toevallig is.

Hans Goedkoop haalt filmregisseur Pasolini aan: ‘De camera is uit, de draaitijd is voorbij, nu begint de montage.’ Voor Goedkoop is de kwestie feit/fictie weinig interessant: een biografie is het verhaal van een schrijver over een persoon die echt geleefd heeft. Natuurlijk is dat verhaal niet objectief en dat moet het ook niet willen zijn. Zolang je maar in je verhaal duidelijk maakt wáár je aan het interpreteren bent en welke kaders je daarbij gebruikt, is dat ook niet problematisch.

In een biografie draait het om de grote vragen van het leven. Welke keuzes maak je op moeilijke momenten? Hoe ga je om met tegenslag, met de liefde, met de dood? Goedkoop geeft een mooi voorbeeld van Renate Rubinstein, aan wier biografie hij werkt. Haar relaties liepen steeds weer stuk, naar eigen zeggen omdat ze altijd weer ‘achter elke man haar vader zocht’. Op een gegeven moment wordt die gedachte een selffulfilling prophecy. En juist daar – als mensen gaan leven naar een zelfbedachte waarheid – daar moet de biograaf doorheen prikken.

Vaak gaan biografieën over uitzonderlijke figuren – ze zijn niet voor niets onderwerp van een levensbeschrijving. Dat is ook wat lezers aantrekt. Je kunt je spiegelen aan een ander mens. Joachim Duyndam noemt zulke personen voorbeeldfiguren. En ook voor een lezer op zoek naar een voorbeeld doet het er niet zoveel toe of het verhaal echt gebeurd is of niet.

Een biografie biedt op die manier inspiratie voor het leven. Maar ook voor kunst. Zoals de grote dichters Fernando Pessoa en Federico Garcia Lorca, die hele generaties kunstenaars na hen hebben geïnspireerd. Federico Garcia Lorca werd gefusilleerd in de jaren dertig en geldt nu als nationaal symbool. Michaël Stoker maakt een mooie verwijzing naar Mulisch en zijn ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’. Lorca zou kunnen zeggen: ‘Ik ben de Spaanse burgeroorlog.’

Soms kan dat uit de hand lopen, als het verhaal een eigen leven gaat leiden en echt uitgroeit tot een mythe. Zoals bij het graf van Lorca dat nooit is ontdekt en waar zelfs rechtszaken over worden gevoerd. Het tegenovergestelde is aan de hand bij Pessoa: over zijn leven is zo weinig spectaculairs te melden, dat elk onbenullig feitje wordt opgeblazen tot enorme proporties. De biografie probeert het gat in een leven – of het gat van de mysterieuze dood – te vullen en, zo concludeert Stoker, ‘uit het gat groeit de mythe’.

Het biografisch onderzoek gaat niet over iets abstracts als een bacterie of iets ongrijpbaars als de economie, maar over een persoon waar je je toe moet verhouden als persoon. Hetzelfde geldt voor de lezer: een biografie is een ontmoeting met een ander mens, en daardoor met jezelf. Want misschien zijn we niet allemaal zo mythisch als Lorca of Harry Mulisch, we zijn allemaal opgebouwd uit verhalen. En dat is de waarheid.
Comments

Waarom ik zo van Dostojevski houd

boze_geesten
Ik hoef maar enkele tientallen pagina's te lezen in een roman van Dostojevski - Boze geesten in dit geval - om in enkele zinnen te kunnen vertellen waarom ik zo van hem hou.

De ambtenaar met een nietszeggend baantje op het Russische platteland werkt 'met administratieve wellust'. Het is een gewemel van kleurloze types, 'die op hun veertigste opeens uitgroeien tot personages'. Waarop je alleen nog kunt uitroepen: 'Ik verzeker u, dat ik met mijn neus in een intrige ben gevallen.'

Daar smul ik van. Vooruit, de ietwat oubollige vertaling die al meer dan een halve eeuw meegaat, is daar mede debet aan. Maakt het uit? Het is precies die oubolligheid, de kneuterigheid van de notabelen met hun drankneus, de revolutionaire jongeling met zijn bleke, maar buitengewoon knappe gezicht, het bleue meisje dat oppervlakkig ademt - die de onvermijdelijke ondergang zo hartverscheurend en zelfs beangstigend maakt. Want die ondergang zit natuurlijk besloten in de wellust, al is ze administratief, in het uitgroeien tot personage en het vallen in een intrige.

De wellust wordt een kwelling en de drankneus een delirium.

Maar niet iedereen gaat ten onder. Sommigen, misschien zelfs de meesten, blijven hun kneuterige zelf. Zoals in De idioot, wanneer de notabelen en jongedames zich na de hardop voorgelezen afscheidsbrief van een revolutionaire jongeling met ziekelijk gelaat, eens goed uitrekken en gapend de zonsopgang bekijken. Vreselijk. Ook al is die jongeling op zichzelf een kwelling en een delirium. (Zie De biecht van Ippolit.)

Het heeft ook iets troostrijks. Als ik op kantoor tussen de ambtenaren mijn taken verricht, denk ik graag even aan die administratieve wellust. En als ik de chaos van het leven overzie, bedenk ik dat ik ben uitgegroeid tot personage, en dat lang voor mijn veertigste. Met mijn neus in een intrige gevallen, dat klinkt goed. Onvermijdelijk. Dramatisch, kunstzinnig, romantisch. Een wending, een clou, catharsis aan de einder.

Dostojevski geeft mij misschien wel de stem om een verhaal te vertellen, zoals Sennett schreef. Het is niet mijn eigen stem, maar maakt dat uit? Het is wel mijn verhaal.



Bookmark and Share
Comments

Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar

huid_en_haar
Arnon Grunberg vat het leven voor je samen in zijn nieuwste roman Huid en haar:

'Ze hadden elkaar ontmoet, ze waren met elkaar naar bed gegaan. Lang zou het niet duren, had ze gedacht, maar het was een mooi verhaal. Was dat niet een van de doelen in het leven, dat het uit mooie verhalen moet bestaan? Die je elkaar kunt vertellen in de winter, 's avonds voor de haard, zittend op een schommelstoel?
Het was anders gegaan, het duurde wel lang en hoe langer het duurde hoe meer de schoonheid van het verhaal verbleekte.'

Gelukkig heb je nog een keus:

'Hier zit ze, gereed om haar leven te vergooien. Met een zekerheid die haar zelf verrast, beseft ze op dat moment dat het daarom gaat, dat is de kern van leven, dat je het kunt vergooien. Dat je het vergooit.'

Grunberg is een van de weinigen die de mislukking op waarde weet te schatten. Moedwillig je leven vergooien: dat is een even legitiem streven als dat naar succes. In de Volkskrant las ik een interview met 'leider' (ex-Shell) Jeroen van der Veer. Mooie uitspraak, onverwachts: 'democratie is het hebben van het recht op je eigen ondergang’.

Gratis tip aan Grunberg: morgen een voetnoot over het recht op de eigen ondergang. Meer over mislukken als hoger doel: Mislukking en het karakter als catastrofe.



Bookmark and Share
Comments

Uit het gat groeit de mythe: Pessoa en Lorca

In 1936 werd de Spaanse dichter Federico García Lorca voor het vuurpeloton gebracht. Zijn graf werd nooit gevonden. Waar is de laatste rustplaats van de grootste dichter die Spanje ooit heeft voortgebracht? En waarom werd hij omgebracht? Ging het om een politieke moord, om zijn homoseksualiteit of om een familievete geworteld in het Andalusische land? De verhalen rond Lorca zijn sinds zijn dood uitgegroeid tot mythes. De laatste dubbellezing in de serie De biografie draaide om mythische dichters en de onmogelijke taak waarvoor de biograaf zich gesteld ziet als hij die mythe wil beschrijven.

Un Chien Andalou is een beroemde film van Buñuel, een ijkpunt in het surrealisme. Peter Valkenet gaf in zijn inleiding aanknopingspunten om de film te begrijpen, als een verbeelding van de verhouding tussen Buñuel, Dalí en Lorca. Het is eigenlijk geen verhaal te noemen, eerder een opeenstapeling van raadselachtige associaties. Juist het raadsel kan het startpunt zijn van biografisch onderzoek, zo bleek ook uit de lezing van Michaël Stoker, die onderzoek doet naar de Portugese dichter Fernando Pessoa. Het gevaar bij het zoeken naar de ontknoping van een raadsel is dat de biograaf het verhaal gaat invullen. De biografische honger naar feitjes is bij zulke beroemde kunstenaars heel groot. Elk beeld wordt geduid, elk miniem feitje opblazen. Zo ontstaat een mythe, een mythe die in de plaats kan komen te staan van de werkelijkheid.

Pessoa (1888-1935) is een mythische figuur bij uitstek, hij geeft betekenis aan het heden en is een nationaal symbool geworden. Dat zou je van Lorca (1898-1936) ook kunnen beweren. Stoker maakt een mooie vergelijking met de bekende uitspraak van Harry Mulisch die de afgelopen dagen talloze malen is herhaald – ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Lorca had kunnen zeggen: ‘Ik bén de Spaanse Burgeroorlog.’

Het leven van de twee grote dichters van het interbellum lijkt niet veel op elkaar. Lorca was een gevierd kunstenaar toen hij voor het vuurpeloton moest verschijnen, telg uit een goede familie met een lange geschiedenis, altijd bezig met zijn imago, en bevriend met kunstenaars Dalí en Buñuel. Pessoa daarentegen werkte op een handelskantoor en eigenlijk gebeurde er 27 jaar lang niets bijzonders in zijn leven.

Juist dat gat in het leven van de dichter heeft de mythevorming enorm gevoed. Elk feitje – of het nu klopt of niet – is uitgesponnen en vol betekenis geladen in de vuistdikke biografieën die over Pessoa verschenen. Bij Lorca is het gat dat gevuld moet worden juist zijn mysterieuze dood. De grote Lorca-kenner en biograaf Ian Gibson wees de plek aan waar de executie van Lorca en vier anderen zou hebben plaatsgevonden. 51 dagen werd er gegraven naar de stoffelijke resten. Maar het massagraf werd niet gevonden en het lijk van Lorca blijft vermist. Mythevorming rond een gat in het leven of een gat in de dood: dat is wat de twee dichters verbindt.

Dit soort verhalen, hoe gruwelijk ze ook zijn, nodigen uit tot speculeren en fabuleren. Maar zonder een weergaloos en veelzijdig oeuvre was dat niet gebeurd. Het is het werk, dat steeds weer lezers blijft aanspreken en uitdagen, dat aanleiding geeft tot nieuwsgierigheid naar de schepper. De mythevorming heeft ook te maken met de aard van hun kunst. Pessoa creëerde 81 heteroniemen of alter ego’s, in wiens naam hij schreef, tot in zijn dagboeken aan toe. Een mystificatie die een enorme kluif betekent voor een biograaf. Wie was Pessoa? Kan hij wel los worden gehaald van zijn alter ego’s? Moet je dat willen? Stoker zal om deze reden in elk geval geen biografie van Pessoa schrijven, zo stelde hij.

Lorca schreef poëzie, toneel en essays en liet zich beïnvloeden door folklore, de zigeunercultuur, maar ook door het futuristische New York en de surrealisten. Een film als Un Chien Andalou laat zien hoe raadselachtig de avant-gardistische kunst blijft, ook al ken je de context en het verhaal erachter. Het is een raadsel dat erom vraagt ontrafeld te worden maar tegelijkertijd de ultieme ontrafeling steeds op afstand houdt. Net als het leven van de kunstenaar of historische figuur de biograaf uitdaagt, maar zich nooit volledig laat begrijpen.

---

Alle dubbellezingen van deze serie, met onder anderen Onno Blom, Annejet van der Zijl en Hans Goedkoop, zijn hier terug te zien. Meer weten over Federico García Lorca? Kijk dan op de website van het festival Literaire meesters.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Een leven interpreteren: Hans Goedkoop en Joachim Duyndam

Biografie
‘Hoe doe je dat nou, leven?’ Een vraag die iedereen zich stelt, maar waar niemand helemaal op zichzelf antwoord op kan vinden. Ervaringen van anderen kunnen als een leidraad dienen bij het nadenken hierover. Het spiegelen van je eigen leven aan dat van een ander persoon helpt je betekenis te geven aan wat je doet en belangrijk vindt. Dat is dan ook een van de redenen om biografieën te lezen. Daarin verschilt een biografie niet zo veel van een roman of van andere fictieve verhalen. In de derde dubbellezing voor de serie over de biografie, door Hans Goedkoop en Joachim Duyndam, kwam naar voren dat het onderscheid tussen feit en fictie in een biografie niet scherp te trekken is. En eigenlijk doet dat er ook niet toe.

Goedkoop schreef de biografie van Herman Heijermans en werkt momenteel aan die van Renate Rubinstein. Een biografie draait evenzeer om een held, een personage, als een roman, zo zegt hij. Het verhaal van een leven draait om vormende ervaringen, waarin de binnenwereld botst met de buitenwereld. Waar streeft het personage naar en wat zijn de obstakels die hij of zij daarbij ontmoet? Het beantwoorden van zulke vragen moet wel voorbij de feiten gaan die voorhanden zijn – het gaat om de interpretatie van de feiten, de ordening in een betekenisvol verband. De meest geëigende vorm daarvoor, stelt Goedkoop, is het verhaal. Vertellen we over ons eigen leven niet voortdurend verhalen? En lopen feit en fictie daarbij niet onherroepelijk door elkaar heen?

Goedkoop gaf een interessant voorbeeld uit het leven van Renate Rubinstein. Op jonge leeftijd verloor zij haar vader in de oorlog. Later had ze steeds weer problemen in haar relaties met mannen. Zelf zei ze daar later over: ‘ik zoek achter elke man mijn vader’. Of dit nu de waarheid is of niet, is niet zo belangrijk. Het gaat erom dat zij naar deze zelf gevonden waarheid ging leven. Dit zal iedereen herkennen uit zijn eigen leven: je geeft voortdurend betekenis aan het verleden, aan je karakter, aan de ervaringen die je opdoet met de mensen om je heen. Die betekenis werkt door in de toekomst, je gaat er letterlijk ‘naar leven’. Wie kan dan nog een grens trekken tussen wat echt zo is of was en wat niet?

Joachim Duyndam gaat nog verder en begint zijn lezing met een fictief verhaal, namelijk dat van Robinson Crusoë. Duyndam is hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek en doet onderzoek naar voorbeeldfiguren. Voorbeeldfiguren zijn mensen – uit het verleden, uit een roman of biografie, familieleden of juist BN’ers – die als inspiratie dienen in je leven. Inspiratie, zo zegt Duyndam, is iets anders dan een klakkeloos navolgen van wat iemand doet. Eerder is inspiratie een actieve houding, die je in beweging zet. De waarde die een voorbeeldfiguur representeert, bijvoorbeeld trouw of standvastigheid, moet je toepassen in je eigen leven en concreet maken.

Ook bij het bestuderen van voorbeeldfiguren draait het om interpretatie, oftewel hermeneutiek. Net als bij het schrijven van een biografie komt de betekenis pas tot stand in een wisselwerking tussen het subject (de auteur) en het object (het onderwerp). In welke context leeft diegene? Hoe verschilt die van mijn eigen situatie? Welke keuzes maakt iemand en hoe verhoud ik mij daartoe? Het verhaal van een ander leven zegt iets over het verhaal van je eigen leven. Het maakt daarbij niet uit dat biografieën meestal over uitzonderlijke personen gaan. Als een spiegel alleen maar jezelf reflecteert zoals je bent, word je er immers niet veel wijzer van.

---

Volgende week is de laatste aflevering in de reeks over biografie. Dan spreken Michaël Stoker en Peter Valkenet over de dichters Pessoa en Lorca, bijna mythische figuren bij wie de biografische verhalen zich haast hebben losgezongen van het leven dat zij ooit leidden.

De lezing van Hans Goedkoop en Joachim Duyndam is hier terug te zien. Geïnteresseerd in de rol van literatuur en filosofie bij het interpreteren van je leven? Kijk dan ook eens bij het programma Levenskunst, dat in het vorige collegejaar draaide en waarvan de opnames via de website zijn terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Prins Bernhard, Pim Boellaard: hun verhaal en hun tijd

biografie.jpg
Als één ding zeker is over het schrijven – en lezen – van een biografie, dan is het dat de hoofdpersoon bijzonder moet zijn, iemand die nieuwsgierigheid oproept. Prins Bernhard en verzetsheld Pim Boellaard zijn bij uitstek zulke hoofdpersonen. Toch kregen hun biografen, respectievelijk Annejet van der Zijl en Jolande Withuis, beiden regelmatig de vraag: waarom een boek over deze mannen? In een dubbellezing in de serie De biografie gaven zij antwoord op die vraag. De drijfveer om je hoofdpersoon te begrijpen, het puzzelen op de raadsels van een leven en de grote invloed van de tijd kwamen daarin naar voren.

Waarom schrijft een vrouw uit de feministische hoek een biografie van zo’n welvarende macho in de oorlog, een ‘held’, zo kreeg Jolande Withuis vaak te horen. De levensloop van Boellaard en vooral de keuzes die hij maakte, fascineren. ‘Wat maakt dat iemand om kan gaan met zoveel tegenslag, en moedig en eervol gruwelijkheden kan doorstaan?’ Dat is op zich al een interessante vraag. Bij Boellaard gaat die nog verder. Hij groeide op in een beschermd, negentiende-eeuws milieu, als in een roman van Louis Couperus. Hoe kan het dat zo iemand in de oorlog zo’n heldhaftige rol gaat spelen en na de bevrijding een briefje krijgt van een communistische medegevangene die hem bedankt voor alle goede zorgen?

In oorlogstijd is het misschien wel gebruikelijk dat vriendschappen over klassen en geloven heen gesloten worden, iedereen is nu eenmaal op elkaar aangewezen. Maar het is niet vanzelfsprekend om een held te zijn en het goede te doen, zoals Boellaard deed. Hoe zit dat? Dat is een drijfveer om biografisch onderzoek te doen en een boek over iemand te schrijven.

Ook Annejet van der Zijl heeft vaak de vraag gekregen ‘Waarom Bernhard?’ Nieuwsgierigheid is ook waar zij op uitkomt. Eigenlijk is ze enigszins erin gerold, net als Withuis met Boellaard. Een vooropgezet plan om biografieën over hen te schrijven, was er in beide gevallen niet. Via het werk aan andere boeken kwamen de schrijfsters op het spoor van een interessante geschiedenis, of zoals de ondertitel van Bernhard luidt: Een verborgen geschiedenis. Er is een raadsel dat erom vraagt opgelost te worden, dat de nieuwsgierigheid prikkelt en uitdaagt tot onderzoek.

Van der Zijl vertelt hoe zij geïnteresseerd raakte in het Duitse verleden van Bernhard, toen ze schreef aan Sonny Boy. Over de vooroorlogse jaren van Bernhard als Duitse jongeman was nog maar weinig bekend. Terwijl die Duitse geschiedenis veel duidelijk zou kunnen maken over de latere opvattingen en vreemde gedragingen van de prins, zo vermoedde Van der Zijl. Bernhard wordt altijd afgeschilderd als een held of als een schurk – dat extreme beeld kan niet kloppen. Het begrijpen van een persoon is belangrijk; het schrijven van een biografie is een manier om grip te krijgen op een mens en via die mens op de geschiedenis.

Van der Zijl zat op een vruchtbaar spoor, zo bleek al snel, onder andere op de Berlijnse universiteit waar Bernhard studeerde. In Duitsland is Bernhard niet zo bijzonder als hier in Nederland en de archieven met zijn studiegegevens kon Van der Zijl zonder problemen gebruiken. Bernhard wás ook niet zo bijzonder als wij misschien denken: de Duitse geschiedenis van de latere prins-gemaal laat zien dat hij een typisch kind van zijn tijd was. Een jongeman uit een gegoede, maar verarmde familie, geboren met een gouden lepel in de mond die hem daarna werd afgenomen, zonder kansen in de toekomst en met een hang naar vertier.

Via de Duitse geschiedenis kon Annejet van der Zijl laten zien hoe prins Bernhard gevormd werd door zijn tijd. Als we begrijpen waar iemand vandaan komt, begrijpen we ook beter zijn latere reacties en handelingen, zeker als het gaat om zijn eigen verhouding tot dat verleden. Jolande Withuis’ held Boellaard lijkt zich juist aan zijn tijd en verleden te ontworstelen en zijn eigen pad uit te stippelen. Verschillen als deze zeggen iets over de mens: hoe je je laat vormen door de tijd en omgeving waarin je toevallig leeft en hoe je je daartegen verzet. In de verhalen over uitzonderlijke levensgeschiedenissen zoals van Boellaard en Bernhard kan de lezer zich spiegelen, aan de hand van dit soort patronen.

Over dit onderwerp – hoe de patronen van een leven je helpen je eigen leven te begrijpen en vormgeven – zullen volgende week in de derde lezing Hans Goedkoop en prof. Joachim Duyndam verder spreken. Graag tot dan! De lezing van gisteren is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Witte nachten in De Groene Amsterdammer

aciman_witte_nachten
'In de tweede roman van André Aciman verwijst alles naar "de andere oever". In het op afstand houden van geluk ligt het geluk besloten.' 

Vandaag in De Groene Amsterdammer: mijn recensie van Witte nachten van André Aciman. 'Het leven is altijd ergens anders'. Kopen dus! (Tijdschrift én roman.)



Bookmark and Share
Comments

De ideale biografie bestaat niet: prof. Hans Renders en Onno Blom

biografie
Op de sterfdag van schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers, startte de serie De biografie met een dubbellezing van Onno Blom – Wolkers’ biograaf – en prof. dr. Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut. Blom raakte bevriend met Wolkers en groeide in aanloop naar 19 oktober 2007, toen Wolkers overleed, uit tot ‘aangenomen oudste zoon’. Staat dit in de weg bij het schrijven van de voorgenomen biografie? Dat hoeft niet. Zoals Hans Renders betoogde: een biografie is nooit definitief, maar altijd een weergave van een visie, van een actueel en tijdelijk onderzoek.

Blom vertelde een indrukwekkend verhaal over de laatste jaren, maanden en dagen van Jan Wolkers, waar hij zelf steeds nauwer bij betrokken raakte. Van regelmatige atelierbezoeken op ‘het eiland’ (Texel) tot dagelijkse telefoontjes met de steeds verder verslechterende zieke. Hij noteerde de laatste woorden – ‘Zo is het genoeg’, over een boterham met jam – en stond de pers te woord na het overlijden. Dat levert een vreemde positie op: bij het schrijven van de biografie zal hij zelf in het laatste hoofdstuk rondlopen.

Die lastige positie maakt in elk geval wel meteen duidelijk dat de biografie het verhaal is van een schrijver. In de ideale biografie, aldus Hans Renders, laat de auteur zien dat de beschrijving van het leven van zijn hoofdpersoon niet ‘waar’ is, maar een standpunt vertegenwoordigt. Een biografie is nu eenmaal anders dan een roman nooit ‘af’. Denk aan Oorlog en vrede van Tolstoj – die roman uit 1869 wordt nog steeds gelezen. Een biografie van Tolstoj uit de negentiende eeuw neemt daarentegen niemand meer ter hand, die is inmiddels verouderd.

Dat komt omdat biografieën het resultaat zijn van historisch onderzoek. En onderzoek, of het nu voldoet aan de wetenschappelijke normen of niet, kan altijd beter. Als je dat weet, kun je daar maar beter gebruik van maken. Een goede biografie is dan ook niet alleen een tijdelijk document, maar een actuele interpretatie van een leven. Een interpretatie die bovendien de lezer uitdaagt met de vraag: is dit wel waar?

Het ligt voor de hand dat dat ook gaat gebeuren als Bloms biografie van Wolkers verschijnt. Juist als je er als biograaf ‘zelf bij bent geweest’, zal het een uitdaging zijn om boven die particuliere ervaring uit te stijgen. Blom schreef een boek over het laatste levensjaar van zijn hoofdpersoon, genoemd naar de laatste woorden Zo is het genoeg. Een foto van de betreffende boterham met jam is daar ook in opgenomen. Is dat relevant? En is het niet te intiem? Blom is verweten dat die foto neigt naar heldenverering, de boterham een reliek die verwijst naar een gestorven idool.

Een biografie moet verduidelijken hoe het persoonlijke leven invloed heeft gehad op de publieke wapenfeiten van iemand, aldus Renders. Het persoonlijke op zich is niet interessant als het niet in verband wordt gebracht met het werk; het werk is immers de reden dat een biografie geschreven wordt. Dat kan zeker bij schrijvers moeilijk zijn, want wie verbanden legt tussen een gebeurtenis in het leven en bijvoorbeeld een gedicht, begeeft zich op glad ijs. Hoe dat zit bij een boterham met jam, is een poëtisch gedachte-experiment op zich.

Volgende week: Jolande Withuis, auteur van de bekroonde biografie van verzetsheld Pim Boellaard, en Annejet van der Zijl, die onder meer de biografie over prins Bernhard schreef. Over dagboeken en archieven en het schrijven over historische figuren van wie de publieke beeldvorming sterk gevormd is. De lezing van Hans Renders en Onno Blom is hier terug te zien. Deze reeks kwam tot stand in samenwerking met SLAU.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Tom Rachman - De onvolmaakten

onvolmaakten
Binnenkort op 8WEEKLY, nu al hier te lezen. Over de roman De onvolmaakten van Tom Rachman

Elf tragikomische verhalen vormen samen een roman over de ondergang van een krant. De personages worstelen om de schijn op te houden in een onvolmaakte wereld; een worsteling die zo herkenbaar is dat je je bijna betrapt voelt.
The Imperfectionists, de debuutroman van Tom Rachman (1974) is jubelend ontvangen en dat is volkomen terecht.

De onvolmaakten, zoals de Nederlandse vertaling luidt, speelt zich af op ‘de krant’. Een naamloze, internationale krant zonder website. Als in Rome, waar de redactie zetelt, de dag aanbreekt, is het op de ene helft van de wereld al bijna avond en op de andere nog diep in de nacht. Dat moet wel slecht aflopen. In elf verhalen – nee, geen hoofdstukken – volgen we de krantenredactie zo’n half jaar lang, tot het onvermijdelijke einde. Elk verhaal zoomt in op één van de betrokkenen, van de necrologieënschrijver via de eindredacteur tot een trouwe lezeres.

Hoogstaand televisiedrama
Tussen de verhalen door serveert Rachman korte episodes over de geschiedenis van de krant, opgericht in de glorieuze jaren na de Tweede Wereldoorlog als een hobbyproject van een rijke, Amerikaanse zakenman. Uiteindelijk arriveert de geschiedenis in het heden en dat betekent het einde, letterlijk en figuurlijk.

Zo’n droge weergave van structuur en thematiek doet absoluut geen recht aan deze verhalenroman. De onvolmaakten is niet alleen leuk voor journalisten en krantenlezers, of voer voor literatuurwetenschappers. De ingenieuze vorm doet eerder denken aan hoogstaand televisiedrama dan aan postmodernistische verhalenpuzzels – en dat is bedoeld als compliment. De krantenredactie spiegelt met haar computers, een watercooler, morsige collega’s en een betweterige baas hét kantoor.

Scheurtje
Toch is de krant ook op te vatten als een goed gekozen metafoor voor ‘de onvolmaakten’ die de personages zijn. Hoe hard ze er ook aan werken, in de krant staan altijd fouten en hij is altijd onvolledig. Net zo vertoont het leven scheurtjes. Elk personage is afhankelijk van de ander, in het maken van de krant en in het streven naar geluk. Hun privéleven delen ze niet en voor diepgaande analyse is geen tijd. Vandaag is alweer achterhaald en morgen gaat het leven door.

Steeds weer laat Rachman zien hoe ver zakelijk en privé uit elkaar liggen. Zoals bij Herman Cohen, chef eindredactie, die een bijbel bijhoudt van stijlfouten, maar thuis heerlijk eten kookt voor zijn vrouw en in de schaduw leeft van zijn beste vriend. ‘Op zijn werk doet Herman de correcties. Niet hier.’ Door scheurtjes in de oppervlakte licht echter de imperfectie op, die de verhalen voortdrijft. Hoezeer de personages ook proberen een pijnloos en gladgestreken leven te leiden, steeds verschijnt er weer een smetje. Als een krant die nooit foutloos zal zijn.

Slippertje
Niet alleen privé- en kantoorleven liggen mijlenver uiteen. Rachman is een meester in het beschrijven van de innerlijke gemoedsbewegingen van zijn personages, en hoe ze die verborgen proberen te houden voor anderen en zichzelf. Abbey Pinnnola, hoofd financiële administratie, ontmoet een ex-collega in het vliegtuig:

Ze houdt haar buik in en wurmt zich langs hem heen, pakt haar handtas uit het bagagecompartiment en loopt naar de toiletten. Als ze eenmaal veilig binnen zit, bekijkt ze zichzelf in de spiegel in het niet bepaald flatteuze licht. ‘Ik zie er niet uit, godsamme!’ (…) Ze trekt haar knellende beugelbeha omlaag, kijkt even in haar shirt: een versleten zwarte beha. Ze gluurt even in haar broek: een blauwe omaslip. Gezellige combi: boven begrafeniskant en onder parachutestof. Doe niet zo dom – wie ziet het nou? Nog één verfrissingsdoekje. Klaar.

Het tragische van de verhalen is dat het juist mis gaat op het moment dat ze proberen oprecht te zijn en door de buitenkant heen proberen te breken. Pogingen tot eerlijkheid leiden tot misverstanden en de smetjes groeien uit tot levensgrote vlekken. Schrijnend is het verhaal van Craig, nieuwsredacteur, en Annika, zijn mooie, jonge, blonde vriendin. Na een slippertje gooit hij haar het huis uit.

Hij wacht twee tergende uren.
Is zijn bedoeling duidelijk? De bedoeling die hij al zo lang duidelijk wilde maken. Nee, dit was ook weer niet de bedoeling.
Hij pakt zijn mobieltje en ziet dat ze hem een sms’je heeft gestuurd: ‘mis je, mag ik langskomen?’ Het is uren geleden verzonden, toen hij nog in het souterrain zat en zij nog hier was. Hij belt haar, maar ze neemt niet op.


Halsoverkop verliefd
De schijnwereld is nodig om alles in stand te houden. Het leven drijft net als de krant op imperfectie. Daar gaat iets troostends van uit, waar bovendien om te lachen valt (foutje in de krant: ‘Sadism Hoessein’. Nooit vertrouwen op autocorrectie). Heeft dit boek zelf dan geen enkel smetje? Ik vond het laatste verhaal het zwakste – een nogal futloos einde aan een prachtig boek. Maar ook dat futloze eind, als de krant zomaar opeens ten onder dreigt te gaan, past bij de rest. ‘Al die jaren hebben ze de krant vervloekt, maar nu de krant hen in de steek dreigt te laten, worden ze weer halsoverkop verliefd.’ Het is te laat. Vandaag is achterhaald en morgen gaat het leven door. Wie goed terechtkomt en wie minder goed is voorbehouden aan het toeval. Perfect wordt het nooit. Behalve in deze roman.



Bookmark and Share
Comments

Personages

Soms zie je een vrouw in de deuropening van een café staan, leunend tegen de deurpost en met een sigaret in de hand. Ze praat met een knappe jongeman en ze zegt: ‘De laatste keer dat ik jou zag was ook hier’, waarbij ze met een nagel, niet een lange gelakte, maar gewoon een net iets te lang geleden geknipte, tegen het gelakte hout van het kozijn tikt. De jongeman knikt, en ondanks alle kroeggeluiden die van achter haar rug op hem toe stromen, hoort hij de tikjes heel duidelijk. Hier was het en hier is het.

Soms zie je iemand een stoep af stappen, de straat op, en lijkt het erop dat zelfs de stap van de stoep op de straat te veel moeite kost. Hij maakt gebruik van de zwaartekracht om de tien centimeter af te dalen. Zonder in te houden loopt hij op de stoeprand af, en laat zich dat kleine stukje naar beneden vallen, met een recht been, klaar om de val op te vangen. Hij kijkt in de verte, naar binnen.

Soms zie je die vrouw of die man en zie je dat ze personages zijn, in hun eigen leven, of in een of ander boek, zonder dat ze het weten. Soms ben jij het zelf die zo staat of zo loopt. Soms lees je erover in een boek en denk je: dat had ik kunnen zijn. Dat boek is De onvolmaakten van Tom Rachman.

Binnenkort een recensie op 8WEEKLY.



Bookmark and Share
Comments

Jenny Diski - De dochter van Montaigne

Jenny Diski
Binnenkort op 8WEEKLY, nu al hier te lezen. Over De dochter van Montaigne van Jenny Diski (Uitgeverij Atlas).

Tussen verachting en bewondering

Ook de grootste schrijvers hebben iemand nodig die zorgt dat hun werk bewaard blijft. Bewaard door de ideeën ervan levend te houden en door herdrukken op de markt te brengen. Dat Montaigne nog steeds beroemd is vanwege zijn Essays (eerste editie 1575) dankt hij aan Marie de Gournay, die zijn pleitbezorger en kwelgeest werd. Jenny Diski schreef over deze ‘dochter van de Renaissance’ de roman De dochter van Montaigne.

Marie de Gournay is een merkwaardig personage: je moet haar wel verachten en bewonderen tegelijkertijd. Steeds kiest ze haar eigen weg, ze laat zich door niemand de les lezen. Die koppigheid is mooi in haar feministische streven naar een onafhankelijk bestaan, en ronduit onverdraaglijk als ze bijvoorbeeld een tekstpassage in de Essays aanpast, omdat zij beter denkt te begrijpen wat Montaigne bedoelde dan hijzelf.

Gevloerd
Voor een vrouw uit een gegoede, maar door oorlogen en machtswisselingen verarmde familie zijn er in de zestiende eeuw niet veel opties: een goede partij aan de haak slaan of het klooster in. Marie ambieert echter het intellectuele, schrijvende leven dat alleen voor mannen is weggelegd en ijvert voor gelijkheid van de seksen (‘Niets lijkt zo op een kater op de vensterbank als een poes’). En ze flikt het hem; ze leert zichzelf lezen, herkent de grootheid van Montaigne en tegen elke verwachting in – ook van de lezer – bouwt ze het leven op waar ze als kind naar verlangde. Een droombestaan is dat leven allerminst.

Als meisje leert ze het werk van Montaigne kennen. Het slaat bij haar in als een bom, dagen, weken, maanden is ze er letterlijk door gevloerd. Eigenlijk komt ze deze schok der herkenning nooit meer te boven. Ontwikkelen doet ze zich daarna niet meer, hoogstens raakt ze verbitterd. Marie verkrampt in het waanidee dat zij en zij alleen de ware hoeder en opvolger van de uitvinder van het essay is.

'Door elk woord dat ze las, door elk essay dat ze uit had, kwam ze dichter bij de schepper ervan, tot ze uiteindelijk het gevoel had dat ze die buitengewoon uitzonderlijke geest werkelijk was binnengegaan, dat hij haar binnen had genood, omdat zij als enige in staat was volledig te begrijpen hoe geweldig het was wat hij had gedaan, en dat hij haar had toegestaan om te ervaren hoe het moest zijn om zo’n ziel te bezitten.'

Alliantie
Het moet gezegd dat Montaigne voor een groot deel zelf verantwoordelijk is voor de hysterische ‘alliantie’ met Marie (een klassiek geval van ‘geef een vinger en ze neemt de hele hand’). Uit ijdelheid zoekt hij zijn jeugdige bewonderaarster op en hij laat zich door haar inpakken, ook al is hij zwaar teleurgesteld in haar uiterlijk. Om van haar af te zijn, noemt hij haar zijn ‘fille d’alliance’ – een soort adoptiedochter van de geest – en daarmee schenkt hij Marie genoeg munitie om de rest van haar leven verschrikkelijke lappen tekst en een onbegrijpelijke ijdeltuiterij op de wereld af te vuren.

Marie leeft tegen de klippen op, mislukking volgt op mislukking. Ze is onuitstaanbaar in haar zelfingenomenheid en de jonge mannen van de Parijse intelligentsia lachen haar uit en halen fratsen met haar uit. Begrijpelijk. Ze wil niet accepteren dat ze zelf niet het talent van een Montaigne bezit, dat haar stijl smakeloos is en haar inzichten saai. Eerst hoop je nog dat ze het kan: een eigen, vrouwelijke stem ontwikkelen. Het had er misschien ook wel ingezeten, als ze zich niet vanaf haar achttiende blind had gestaard op Montaigne.

Paradox
Opgesloten in zichzelf heeft ze geen oog voor de buitenwereld. Ze creëert haar eigen universum, met zichzelf en Montaigne als om elkaar heen cirkelende dubbelsterren. De rest van de wereld heeft ze niet nodig, denkt ze, hoewel haar doel nu juist is om iemand van betekenis in die wereld te worden. Het is tekenend voor het gebrek aan reflectie bij Marie dat ze het paradoxale van haar ideaal niet doorziet.

Hoe kan het dat zij toch de grootheid van Montaigne heeft gezien, die meester van zelfkennis en relativering? Hoe ver had ze het kunnen brengen als haar ontwikkeling niet was gestuit door de ontmoeting met de tweedelige editie van de Essays? En had de wereld dan misschien die Essays moeten missen? Raadsels die onopgelost blijven. Geeft niet. Juist die raadselachtigheid maakt De dochter van Montaigne tot een intrigerende roman.



Bookmark and Share
Comments

Arnon Grunberg: de onuitroeibare hoop

arnon_grunberg
De levensbeschouwelijke zin van de literatuur: glad ijs in de literatuurwetenschap. Hoe het wel en hoe het niet moet was te horen op een symposium 'met en over' Arnon Grunberg, gisteren in het Academiegebouw in Utrecht. Hoe het niet moet: ervan uitgaan dat het literaire werk ertoe dient de overtuigingen van de schrijver aan de wereld op te dissen. Hoe het wel moet: het werk beschouwen als iets wat je confronteert met de wereld, met je denken en met jezelf. Het werk als katalysator voor je eigen levensbeschouwing.

'We komen in de romans niet zo dicht bij de meningen van de schrijver Arnon Grunberg als in de non-fictie.'
'Ik vind mijn romans anders heel gemeend.'


In de vier lezingen waarmee de dag opende, gingen letterkundigen in op het werk - de interviewer prof. Johan Goud hield het vooral bij de auteur. Hoewel het erg boeiend was om vanaf de tweede rij Grunberg letterlijk te zíén dénken - zorgvuldig koos hij zijn woorden, herhaaldelijk vroeg hij Goud om de vraag te verduidelijken en een aantal maal verklaarde hij niet tevreden te zijn met zijn eigen antwoord - waren de lezingen het boeiendst om naar te luisteren.

Alle vier de sprekers leken het erover eens te zijn dat in het werk van Grunberg een ontwikkeling zichtbaar is van een jonge, ironische schrijver naar een schrijver van romans die gedocumenteerd zijn en gericht op een waarheid. Een zeer pijnlijke en harde waarheid bovendien. Grunberg toont in zijn laatste romans een wereld die van alle geloof, hoop en liefde is ontdaan, waarin 'het pijnlijke nog pijnlijker wordt gemaakt'. Een schrijver die voorbij de ironie en voorbij het postmodernisme gaat.

Misschien dat ik daarom zo'n liefhebber van Grunbergs werk ben: ik pleitte laatst ook ervoor om voorbij de ironie te reiken en de ernst van de waarheid in ere te herstellen. Hoe vreselijk die waarheid ook mag zijn, ze verdient het recht in de ogen te worden gekeken in plaats van weggelachen.

Maar lukt het Grunberg ook? Hij probeert er voorbij te gaan, maar lijkt daar niet geheel in te slagen. Noch in de vorm - nog steeds speelt Grunberg met verschillende rollen (als hij zich bijvoorbeeld zogenaamd volkomen serieus inschrijft bij een huwelijksbureau voor Russische en Oekraïense dames) en met ironische distantie (als hij zich na zijn embedded reportages in Irak en Afghanistan laat embedden in Leidsche Rijn). Noch inhoudelijk - niemand kan beweren dat in de latere romans van Grunberg geen ironie zit.

Maar, zo kwam naar voren in een van de lezingen (van Erik Borgman), ook lukt het Grunberg niet om de hoop en de liefde (van geloof weet ik het niet zo goed) volkomen van de aardbodem te vegen. Lees het einde van De Asielzoeker, maar ook passages uit De Joodse Messias (een van de meest afschrikwekkende romans die ik ken, maar wel steengoed), en je voelt dat een wortel van de hoop ergens diep onder de grond blijft zitten, onuitroeibaar ondanks alle pesticiden die de mens om zich heen verspreidt.

De onuitroeibare hoop. Wie zou in vredesnaam de hoop uit willen roeien, vraag je je af. Nou, omdat hoop per definitie vals is, in Grunbergs universum. Beter de folterende waarheid dan de hoop die verblindt. Misschien is hoop als ironie: ze schept afstand, legt een mooi floers over de feiten, zoals de ironie daar de lach overheen drapeert. Grunberg wenst de hoop dood, maar de hoop laat zich niet doodwensen. Is dat ondanks de pogingen van de schrijver zo? Of vraag ik dan te veel naar de persoon en zijn mening?

Jaap Goedegebuure ging ook in op de ironie van Grunberg. Hij zag niet alleen een ontwikkeling binnen het oeuvre, maar ook binnen een roman als Tirza. De lezer wordt de roman binnengehaald met een grappig, ironisch verhaal. De schrijver en zijn personages blijven op een veilige afstand. Door het groteske karakter, kan de lezer wel lachen om al die zielenpoten. Als hij eenmaal ver genoeg naar binnen is gesleept, krijgt hij de pijnlijke waarheid keihard om de oren geslagen. De waarheid als foltering.

Grunberg vertelde dat hij wil dat de lezer uiteindelijk alle afstand verliest en volkomen samenvalt met het werk, zonder bewustzijn dat hij aan het lezen is. Daarvoor moet je hem verleiden, om de tuin leiden ook. (Overigens heb ook ik gehuild bij het einde van De Asielzoeker, net als Erik Borgman. Missie geslaagd.)

'Vroeger vond ik het misschien wel leuk om een mythe van mezelf te creëren, nu ben ik wel zo'n beetje klaar met mezelf. Het gaat me om andere mensen, de wereld.'

Je verschuilen achter allerlei rollen, om de ander de naakte waarheid te kunnen tonen, dat hebben we vaker gezien. De ironie is een middel om dat te bereiken. Het probleem is dat tegenwoordig niemand nog iets wil bereiken met ironie, behalve dan een scheve grijns. Over de 'levensbeschouwelijk zin' van Grunbergs werk werd uiteindelijk niet zo heel veel gezegd. Misschien maar beter ook, laat elke lezer er haar eigen zin uit halen. Het is interessanter om te horen hoe een schrijver te werk gaat om iets bij de lezer te bewerkstelligen, dan om te horen welke boodschap hij wil verkondigen. Als hij een duidelijke boodschap te verkondigen heeft, is hij vast en zeker een niet zo interessante schrijver.

Verschillende lezers verbinden een persoonlijke levensbeschouwelijke betekenis aan een roman als De Asielzoeker. Over die betekenissen kun je discussiëren. Het is mooi om te horen hoe een geschoolde en nauwkeurige lezer als Erik Borgman zo'n werk heeft begrepen, wat hij eruit haalt en hoe hij erop reageert. Dat zet je aan het denken over je eigen interpretatie - en dat betekent ook nadenken over je eigen 'beschouwing van het leven'. Daar heb ik na gisteren in elk geval wel zin in gekregen.



Bookmark and Share
Comments

Reizen met Herodotos en Kapuściński

'Nog voordat deze woordenwisseling was afgelopen, had Amestris de koninklijke lijfwacht al bij zich ontboden. Toen begon de verminking van de vrouw van Masistes. De koningin sneed haar borsten, neus, oren en lippen af en wierp die voor de honden. Daarna werd haar tong uitgerukt. In die deerniswekkende toestand werd de vrouw naar huis gestuurd.'

Deze passage uit Het verslag van mijn onderzoek van Herodotos haalt Ryszard Kapuściński aan in Reizen met Herodotos. Herodotos was zijn grote voorbeeld, niet alleen als reisjournalist maar ook als mens. Kapuściński vertelt over de oude Griek die als eerste de wereld wilde beschrijven en daarbij alleen van zijn eigen waarneming uitging, van de verhalen die hij zelf hoorde en de gesprekken die hij zelf voerde en beschrijft via die weg ook zichzelf. Het is een zelfportret in spiegelschrift.

Wie Kapuściński was, laat hij zien in de volgende alinea:

'Zei Amestris iets tegen haar schoonzus toen ze haar onder handen nam? Schold ze haar uit onder het langzaam, stukje voor stukje, afsnijden van haar borst (het scherpe staal was toen nog onbekend)? Schudde ze met haar vuist waarin ze een bebloed mes vasthield? Of hijgde ze alleen en siste ze van de haat? Hoe gedroegen de lijfwachten de het slachtoffer stevig moesten vasthouden? Ze gilde het zeker uit van de pijn, ze trok en probeerde zich los te rukken. Stonden zij naar de vrouwenborsten te kijken? Zwegen ze, geschrokken? Giechelden ze stiekem? Of viel de schoonzus, omdat haar gezicht toegetakeld werd, telkens weer flauw en moest ze om de haverklap met water worden besprenkeld? En de ogen? Heeft de echtgenote van de koning haar ogen uitgestoken? Herodotos zegt er niets over. Was hij het vergeten? Of was het misschien Amestris die het vergeten was?'

Deze vragen stelde een oude Griek niet, het zijn vragen die dateren van na de uitvinding van de psychologie en de modernistische literatuur. Dat doet niets af aan de grootheid van Herodotos, maar toont wel de eigen grootheid van Kapuściński. Juist zijn bescheiden opstelling, in de schaduw van zijn leermeester, doet hem schitteren.

Daarnaast geeft Kapuściński op zijn beurt een les, stelt een voorbeeld als schrijver en als mens. Het is zo makkelijk om een neutraal verslag van extreme gruwelijkheden te lezen en weer te vergeten. Pas als je de vragen stelt die daarachter schuilgaan, dringt de intensiteit ervan tot je door. Het is van groot belang die vragen te blijven stellen, ook al kun je ze niet beantwoorden.



Bookmark and Share
Comments

Nieuwe boeken in het najaar

catalogi
De najaarscatalogi, waarin uitgeverijen de boeken die staan te verschijnen aankondigen en vooral aanprijzen: de stapel doorwerken kost evenveel moeite als het lezen van een net iets te dikke roman. Naar welke boeken kijk ik het meeste uit? Voorbij de bizarre superlatieven en ronkende gemeenplaatsen.

1. André Aciman - Witte nachten verschijnt al in augustus bij uitgeverij Anthos. Aciman schreef eerder Noem me bij jouw naam, een geweldige roman. Ik blogde hierover: 'Aciman beschrijft die vormen (van verliefdheid) zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.' Lees verder bij Trefzeker herfstzonnetje. Ik kan niet wachten tot (deze week?) de drukproef op de mat ploft.

2. Jaap van Heerden - Fascinaties. Een intellectuele autobiografie. Verschijnt bij Prometheus in november. Jaap van Heerden is wetenschapsfilosoof en emeritus hoogleraar Algemene Psychologie. Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.

Uit de catalogus: 'Zijn fascinaties vinden hun oorsprong in eenvoudige vragen. Waarom verontschuldigen mensen zich tegenover wildvreemden als zij op de verkeerde verdieping uit de lift stappen?' (Dit overkwam mij vandaag. Misschien dat het toeval van deze beschrijving, die overeenstemt met mijn persoonlijke verwondering in de lift, de enige reden is dat ik het boek wil lezen. Een betere reden heb je ook niet nodig, toch?) En verder: 'Strekt goddelijke genade zich ook uit tot buitenaardse wezens? Moeten we ons schuldig voelen aan de vervolging van de eerste christenen in het oude Rome, of kunnen we dat met een gerust hart aan de Italianen overlaten?'

3. Max Blecher - Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid. Uitgeverij L.J. Veen, november. Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. De catalogus belooft: 'Blechers werk werd vergeleken met dat van Franz Kafka, Bruno Schulz en André Breton en is in vele opzichten een voorloper van het existentialisme.' De vertaling is van Jan Mysjkin.

Max Blecher was Roemeen en hij werd maar 31 jaar. Op zijn negentiende kreeg hij ruggenmerg-tbc, en was hij veroordeeld tot een liggend leven (net als Marcel Proust, op latere leeftijd). Het boek verschijnt in de reeks L.J. Veen Klassiek. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.

4. Peter Sloterdijk - Filosofische temperamenten. Bij Uitgeverij Boom in november. Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen: 'Van Plato tot Foucault brengt Sloterdijk het leven van negentien denkers en de inhoud van hun werken op onverwachte en soms humoristische wijze met elkaar in verband. Daarbij presenteert hij deze denkers niet uitsluitend als leveranciers van ideeën en analyses, zoals gewoonlijk in historische overzichten van de filosofie gebeurt. Sloterdijk tracht de denkers in hun temperament te treffen: in de urgente problemen die ze aan de orde willen stellen, in de heftige conflicten die ze soms aangingen, en in de persoonlijke emoties die hun stijl van schrijven bijzonder maken.'

5. Bart Slijper - Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk. Verschijnt in november bij Bert Bakker. Bij het lezen van deze titel was ik opeens terug in mijn studententijd. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk: het absolute scharnierpunt van de Nederlandse poëzie, hoogst romantisch, studentikoos, overdreven, melancholisch, niet voor niets 'god in het diepst van mijn gedachten'.

Het is een dun boekje, 148 pagina's, en daarom kijk ik ernaar uit: ik verwacht een kort verhaal van alleen maar hoogtepunten. Niet een ellenlange beschrijving van alle koppen koffie en eierdoppen klare die de twee samen dronken en wat ze daarvoor betaalden in welk café op welke hoek van welke kruisende straten. Dat belooft de catalogus ook: 'Al snel na de kennismaking op 15 mei 1880 is hun relatie zo intens dat zij liefdesgedichten voor elkaar schrijven. Later wordt Kloos steeds veeleisender, totdat zijn vriend het niet meer volhoudt en in het voorjaar van 1881 het contact verbreekt.'

6. Ten slotte kijk ik natuurlijk uit naar de nieuwe Grunberg. Onze oom heb ik niet eens uitgelezen, toch blijft Grunberg de beste schrijver van Nederland en is het verschijnen van een nieuwe roman altijd een spannende gebeurtenis. Hoe vaak dat ook gebeurt (ongeveer elke twee jaar). Arnon Grunberg - Huid en haar verschijnt in oktober bij Nijgh en Van Ditmar. 'Een verhaal over pervers plezier, overspel, verboden liefde en machtsmisbruik, met de Amerikaanse en Nederlandse academische wereld en de stedelijke politiek van New York als decor.' Klinkt goed.



Bookmark and Share
Comments

Michel Houellebecq: alleen in boeken kunnen leven

michel_houellebecq
Levenskunst is onlosmakelijk verbonden met literaire en filosofische teksten. Waarom eigenlijk? Is het voor een levenskunstenaar niet voldoende om het leven goed te leiden? Misschien wel, maar om te weten wat het goede leven voor jou betekent, is het handig om bij anderen te rade te gaan. Niet alleen om kennis op te doen van de mogelijkheden, maar ook als middel om je eigen kennis te structureren en te onderzoeken. Dat is wat duidelijk wordt in de lezing van Maarten van Buuren over Michel Houellebecq in de serie Levenskunst. Lezen en schrijven scherpt de blik en laat je de houdbaarheid van je opvattingen toetsen.

Michel Houellebecq is van jongs af aan weinig sociaal en erg teruggetrokken. Via de literatuur - eerst poëzie, later proza - ontpopte hij zich tot iemand anders. Sinds de jaren negentig is hij een van de meest controversiële schrijvers van Europa, zeer uitgesproken en niets en niemand ontziend. Zijn romans bevatten veel autobiografische elementen. Zoals Elementaire deeltjes, waar de twee halfbroers twee persoonlijkheidshelften van Michel Houellebecq zelf zijn. Dominante eigenschappen, die eerder verborgen moesten blijven omdat ze niet de mooiste zijn, komen in de literatuur aan de oppervlakte. In het geval van Houellebecq: haat.

De drie bekendste romans van Houellebecq - De wereld als markt en strijd, Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland - vormen een drieluik. Houellebecq geeft daarin felle kritiek op de moderne maatschappij. Als hoofdschuldige wijst hij naar het doorgeschoten liberalisme en individualisme.

Is er alleen haat? Of ook een oplossing? Ja, die is er: de nieuwe mens. Die is zowel technologisch nieuw, want zal voortkomen uit klonen. Maar ook gaat het om een nieuw ethisch besef, waarin de zwakkeren op bescherming mogen rekenen. Dat klinkt zowel futuristisch als conservatief. Er is in het werk van Houellebecq steeds spanning tussen kritiek op het moderne en fascinatie voor dat moderne. Houellebecqs personages (die dicht bij hemzelf staan) zijn representanten van de moderne tijd, ze gaan daarin mee maar gaan er ook aan ten onder.

Volgens Maarten van Buuren zien we in Mogelijkheid van een eilandhoe Houellebecq tijdens het proces van schrijven van opvatting verandert. Het utopische ideaal van gekloonde, onsterfelijke mensen, vertoont te veel gebreken. Uiteindelijk verandert de roman in een dystopie: de toekomst is koud en duister, de onsterfelijke kloon kiest uit eigen beweging voor de dood. Schrijven is een manier van (zelf)onderzoek: Houellebecq heeft tijdens en dóór het schrijven de onmogelijkheid van zijn eigen utopie ingezien.

Zulk zelfonderzoek kan alleen iets opleveren als het gepaard gaat met een genadeloze eerlijkheid tegenover jezelf. Houellebecq gebruikt zijn meest pijnlijke en inktzwarte ervaringen om door te dringen tot de kern van het mens-zijn. Midden in de pijn staan en dan hard stampen: dat is waarom hij volstrekt authentiek is, zegt Van Buuren. Of is Houellebecq juist een aansteller en een acteur, zoals Joep Dohmen stelt, in zijn reactie op de lezing?

Beide kunnen kloppen. Er ligt een verschil tussen de Houellebecq uit het ‘echte leven’ en die uit de boeken – het personage Houellebecq waarin hij is ontpopt. En anders dan voor de hand ligt, is de Houellebecq uit het ‘echte leven’ niet de meest echte. Alleen in boeken kan hij volledig zichzelf en dus authentiek zijn. Dat is meteen het beste argument waarom literatuur en filosofie onmisbaar bij zijn bij het beoefenen van levenskunst.

In september verschijnt de nieuwe roman van Houellebecq in een eerste oplage van 100.000 stuks in Frankrijk. Hij zal ongetwijfeld weer genoeg stof doen opwaaien. Hopelijk ook in de hoofden van zijn lezers.

De lezing Tegen de vooruitgang is terug te zien via Studium Generale. Kijk onder Levenskunst op het Studium Generale nieuwsblog voor de andere artikelen over deze serie.



Bookmark and Share
Comments

The Gospel According To Larry

larry
Verbeter de wereld, begin bij je blog. Het is niet de titel van een handleiding voor schrijvende antiglobalisten, maar de ondertitel van een leuk boek dat ik voor mijn verjaardag kreeg. The Gospel According To Larry van Janet Tashjian gaat over een zeventienjarige Einzelgänger die in zijn eentje, via zijn blog, de wereld probeert te veranderen. Deze Josh is een hyperintelligente kluizenaar in de dop. Walden van Thoreau is zijn grootste inspiratie, hij heeft een schuilplaats in de bossen waar hij zich kan terugtrekken om te mediteren en te vasten. Op zijn blog getiteld 'The Gospel According to Larry' preekt hij tegen de moraal van consumeren, profileren, conformeren. De combinatie van verlangen naar de natuur en een ascetische levensstijl, met het verslavende van de modernste communicatietechnologie: dit boek is op mijn lijf geschreven.

The Gospel According To Larry is een zogenaamde 'young adult'-roman. De doelgroep is net als de hoofdpersoon rond de zeventien jaar. Betekent dat dat het een kinderachtig boek is? Welnee. Hoogstens is de stijl makkelijk te noemen, die staat volledig in dienst van het overbrengen van het verhaal. Toch weet de schrijfster Josh een geheel eigen stem mee te geven, een soort ironische vermoeidheid - waarbij de vermoeidheid stamt uit optimisme tegen beter weten in. De stem van een zeventienjarige kan ook niet al te ingewikkeld zijn, natuurlijk. In een middag heb je het boek uit. Maar het verhaal blijft langer in mijn hoofd hangen dan dat van menig Literair Juweel. Enerzijds omdat het een moderne tragedie is, anderzijds omdat het me aan het denken zet over mijn eigen blog en mijn eigen verlangen naar een schuilplaats in de bossen.

Josh slaagt erin met zijn blog iets in beweging te zetten, maar gaat uiteindelijk aan die beweging ten onder: dat maakt van hem een tragische held. Op zijn weblog begint hij een kruistocht tegen consumentisme en mediahypes. Zelf is hij anoniem en onzichtbaar. De preken van 'Larry' vinden veel weerklank en dan beginnen de problemen. Zijn succes groeit hem boven het hoofd en hij verliest alle controle over zijn alter ego. De krachten die hij heeft ontketend, keren zich tegen hem. De media waar hij tegen ageert, kunnen nu juist niet omgaan met anonimiteit en zullen niet rusten voor deze anonieme beroemdheid is ontmaskerd. Er ontstaat een klopjacht; Josh wordt slachtoffer van zijn eigen succes. Aan het eind moet je concluderen dat er niets is veranderd.

Kun je dan maar beter niet bloggen? Dat lijkt me nu ook weer niet de bedoeling. Josh zit dan wel het liefst in zijn schuilplaats in de bossen, hij heeft ook een niet te stoppen behoefte om zich te laten horen. Zelfs na het debacle met Larry en zijn ontmaskering, zoekt hij contact met de buitenwereld, wil hij gehoord worden. Een klassiek dilemma: vertel ik mijn verhaal en lever ik me over aan de oncontroleerbare krachten van de buitenwereld of trek ik me terug, met als gevolg dat niemand mijn ideeën leert kennen? Josh heeft moeite het evenwicht te vinden tussen de behoefte aan anonimiteit en de behoefte gehoord te worden. Anoniem bloggen lijkt in eerste instantie dat evenwicht te geven: Josh kan de hele wereld alles zeggen wat hij wil en toch gewoon zichzelf blijven. Maar het is juist de anonimiteit die de problemen veroorzaakt. De wereld pikt het niet dat een onbekende haar de les leest.

Josh heeft op een zeker moment 255 miljoen hits op zijn website. Hij doet in elk geval iets goed, te goed misschien. Hij kiest uiteindelijk voor de bossen. Dat doe ik nog niet.



Bookmark and Share
Comments

Posthume herinneringen van Bras Cubas en Flaubert's Parrot

ezels
Soms lees je achter elkaar twee briljante boeken en lijken die boeken via jou met elkaar te spreken. Ook al stamt het ene uit het Brazilië van 1881 en is het andere Engels, gepubliceerd in het literaire jaar 1984. De enige reden om Posthume herinneringen van Bras Cubas (Machado de Assis) en Flaubert's Parrot (Julian Barnes) na elkaar te lezen was toeval en mijn tegenwoordige voorkeur voor romans die geen romans willen zijn. 'Dat is zeker wel een leuk boek dat je daar aan het lezen bent?' kreeg ik toegeworpen terwijl ik gniffelend door de laatste heen stoomde. Jazeker - Flaubert's Parrot is een geestig boek, maar op een totaal verliteratuurde, erudiete manier. 'Het is absoluut een leuk boek, maar misschien wel alleen als je literatuurwetenschap hebt gestudeerd,' zei ik. Ai. Soms maakt lezen elitair, ontkennen is zinloos.

Beter beginnen met de eerste. Posthume herinneringen van Bras Cubas is óók een geestig boek, op een heerlijk zwartgallige manier. Van over het graf vertelt de hoofdpersoon over zijn leven en liefde. Het bestaat uit 160 hoofdstukjes in 227 pagina's. Dat is al een aanwijzing dat van een gestructureerd verhaal geen sprake is. Dit is echt een boek waar het niet draait om wát er verteld wordt, maar hóe het verteld wordt. Het maakt de literatuurwetenschapper in me wakker.

Een voorbeeld. In hoofdstuk 15 vertelt Bras Cubas: 'Ik had dertig dagen nodig om van het Rocio Grande naar Marcela's hart te komen, reeds niet meer gezeten op het ros der blinde begeerte, maar op de ezel van het geduld, tezelfdertijd listig en koppig.' Een metafoor die ouderwets klinkt en dat in 1881 ook al deed. Een ironische metafoor met andere woorden: het klinkt in de oren van het plebs vast heel verheven, maar is bedoeld om dat verheven taalgebruik belachelijk te maken. Niet voor niets zit Bras Cubas op een ezel.

Dan gaat het verder: 'Maar ik kan u verzekeren dat de ezel aan het ros gewaagd was - een ezel van Sancho Panza, een ware filosoof, die mij aan het eind van de genoemde periode bij haar (Marcela's) huis bracht; ik stapte af, gaf hem een klap op zijn achterste en stuurde hem uit grazen.' De metafoor, die al is bedekt met een ironisch sausje, krijgt hier een intertekstuele verwijzing naar Don Quichote mee en stopt een metafoor te zijn: de ezel bestaat echt en moeten wij letterlijk nemen. Wij ja, want die u dat zijn jij en ik - nog zo'n stijlfiguur waar boeken over vol geschreven zijn. Literatuurwetenschappers aller landen verkneukel u.

Gelukkig brengt Machado de Assis de literatuurwetenschappers tot wanhoop in het vervolg; niets zo saai als een tekst die met de academische handboeken erbij uitgepuzzeld moet worden. Hoofdstuk 21, we zijn de ezel alweer vergeten, is getiteld: De ezeldrijver. 'En zie, toen bleef daar opeens de ezel die mij droeg stilstaan; ik sloeg hem met mijn zweep, hij bokte twee keer, toen nog eens drie keer, ten slotte nog een keer… maar een ezeldrijver, die toevallig in de buurt was, kwam nog net op tijd om hem bij de teugels te grijpen en tot staan te brengen, niet zonder moeite en gevaar.' Van een metafoor is geen sprake meer, het symbool is werkelijkheid geworden en trapt ons het verhaal in. Of uit? De letterlijk geworden metafoor transformeert in een parabel over een ezeldrijver. Wat geef je iemand die je het leven redt vanonder de trappelende hoeven van een ezel? Drie goudstukken? Twee? Een? Niets? Is het niet de plicht van een ezeldrijver om mensen te redden van ezels?

Waar gaat dit over? Ik ben me er al te zeer van bewust dat wat ik hier schrijf voor het gros van de lezers niet als een aanbeveling zal gelden. Wie heeft er nu nog zin in Machado de Assis?

Over naar Julian Barnes dan maar. In Flaubert's Parrot, een eeuw na Bras Cubas geschreven, is het omgekeerde aan de hand: hier is niets letterlijk, de werkelijkheid is een metafoor. 'I sat on my hotel bed; from a neighbouring room a telephone imitated the cry of other telephones.' Niet alleen heeft die telefoon geen enkele functie in het verhaal, het is bovendien een telefoon in een andere kamer, die op zijn beurt andere telefoons nadoet. Waar gaat dit over? Het gaat erom het afgeleide, metaforische karakter van de werkelijkheid te tonen. Wat doet ertoe als je niet weet wat echt is? Wat heeft waarde en betekenis? Een telefoon die rinkelt herinnert aan andere verhalen waarin telefoons rinkelen, met een onheilspellende boodschap. Hier rinkelt het om het rinkelen, zonder betekenis, alleen interessant als verwijzing naar dat wat er niet is. Literatuurwetenschappers aller landen: gniffel nu!

Bovenstaande zal Julian Barnes vast ook niet veel nieuwe lezers opleveren. Maar ik verzeker u: Barnes en Assis doen niet voor elkaar onder, zij schreven beiden romans die geen romans willen zijn, en daarmee Literatuur met een grote L bedreven. Dat komt niet door die eigenaardigheden die ze uithalen, want dat is slaapverwekkend als het niet gepaard gaat met Inzicht en Ontroering. Met Waarheid, zou ik willen zeggen, al luidt die waarheid dat je de waarheid niet kunt kennen omdat ze niet bestaat.

Uiteindelijk durven beiden heus wel te zeggen waar het op staat. Bras Cubas is aan gene zijde en weet één ding zeker: 'Alles bij elkaar geteld, zal ieder weldenkend mens menen dat er geen tekort was en geen overschot, en dat ik bij mijn dood dus quitte was met het leven. En dat zal hij dan verkeerd menen; want toen ik aankwam aan deze andere zijde van het mysterie, ontdekte ik een klein positief saldo, dat de laatste negatieve zin is van dit hoofdstuk van negatieve zinnen: Ik heb geen kinderen gehad, op geen enkel schepsel heb ik de erfenis overgedragen van onze ellende.' Wie gniffelt nog?

Barnes' hoofdpersoon Geoffrey Braithwaite (weduwnaar, twee kinderen) eindigt even kraakhelder en glashard: 'I loved her; we were happy; I miss her. She didn't love me; we were unhappy; I miss her.' Beide statements zijn waar en kunnen tegelijk bestaan. Metaforen worden werkelijkheid en de werkelijkheid is een afgeleide van de metafoor. Dat is wat literatuur kan uitdrukken. Wie het tot het einde van deze blog heeft gered zal vast kunnen gniffelen om de literatureluur van deze twee boeken. Als je maar weet dat je keihard van die geinige ezel wordt geschopt, precies op het moment dat je denkt het puzzeltje te hebben opgelost. Maar in de pijn van het vertrappeld worden, herkent elke lezer een heimelijk genot.



Bookmark and Share
Comments

Houellebecq: Mogelijkheid van een eiland. Gelukkig miserabel

Mogelijkheid van een eiland van Michel Houellebecq is een fenomenaal boek. Hij en ik hadden een valse start - het eerste wat ik van hem las was Lanzarote, en ik vond het toen, rond 2002, totale onzin. Sinds ik (in 2004) De wereld van markt en strijd las, ben ik fan. Bij Mogelijkheid van een eiland had ik mijn twijfels, omdat het wordt gepresenteerd als een toekomstroman over klonen (boring). Slechte marketing, want natuurlijk is dit in de eerste plaats een hedendaagse roman over mensen, over het wezen van de mens, zoals altijd bij Houellebecq. Het gruwelijke wezen van de mens die tot zijn ongeluk een sociaal wezen is. Dat sociale moet wel ironie van de evolutie zijn, zo maakt hij steeds weer fenomenaal duidelijk. Maar hoe kan ik daar een liefhebber van zijn? Steeds als ik hem lees, voel ik me miserabel. De wereld die hij beschrijft is niet een wereld waarin je wilt leven. Lees verder
Comments

Pecha Kucha: Fenomenologie van de ervaring

Onderstaande lezing te lang? Kijk hier naar de Pecha Kucha-presentatie!


Bookmark and Share
Comments

Fenomenologie van de ervaring

Voor een publiek van eindexamenkandidaten Filosofie, enkele ouders en docenten, hield ik gisteren mijn eerste lezing. De rollen waren omgekeerd en dat beviel prima. Hieronder de tekst die ik daar met misschien iets te veel uitweidingen heb uitgesproken.

Fenomenologie van de ervaring
aan de hand van Marcel Proust
7 april 2010


Dames en heren, jongens en meisjes, leuk dat jullie hier zijn en bedankt dat ik hier iets mag komen vertellen. Ik zal hopelijk weer een andere kant van de filosofie belichten dan de anderen. Van de filosofie en de literatuur, want ik heb zowel literatuurwetenschap als filosofie gestudeerd en vanavond zal die combinatie ook naar voren komen.

Waar ga ik het over hebben? Ik wil iets zeggen over het belang van ervaringen opdoen, van emoties en het instinct. De filosofische notie die centraal staat is zelfkennis. En wel zelfkennis die gestoeld is op de ervaring, eerder dan op het verstand. Ik ga het hebben over impressies, die emotioneel zijn en je op weg zetten naar zelfkennis voordat het intellect eraan te pas komt. Het gaat ook om het vertrouwen op ervaring, het onderzoeken van die ervaring, die omzetten in kennis en daar dan iets mee doen.

Fenomenologie van de ervaring is mijn titel. Wat is fenomenologie? Kort gezegd gaat het om een filosofische stroming die uitgaat van de ervaring en de waarneming bij het bestuderen van de werkelijkheid. De wereld verschijnt aan ons (in "fenomenen") en daar moeten we ons op baseren bij het beschrijven van de wereld. Marcel Proust gaat ook uit van de ervaring in zijn werk en beschrijft de ervaring áls ervaring. Dat verklaart de ietwat tautologische titel ‘Fenomenologie van de ervaring’.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Nero, de bloedige dichter

Nero, de bloedige dichter
Primeurtje: mijn recensie van Nero, de bloedige dichter door Dezsö Kosztolányi. Morgen op 8WEEKLY, nu al hier te lezen.

Heerser van moord en waanzin

Het succes van Sándor Márai heeft geleid tot een herontdekking van de Hongaarse literatuur uit het begin van de twintigste eeuw. Een van de schrijvers wiens werk de laatste jaren in vertaling verschijnt is Dezsö Kosztolányi (1885–1936). Zijn historische roman Nero, de bloedige dichter uit 1922 is na Anna en De bekentenissen van Kornél Esti een nieuw hoogtepunt. Een boek om uit te blijven citeren. Lees verder
Comments

Stoelendans in columnistenland

Droomde ik begin dit jaar nog dat ik een column kreeg aangeboden - een droom die niet is uitgekomen (nog niet, denk ik dan maar) - de laatste tijd is er een ware stoelendans in columnistenland geweest. Arnon Grunberg schrijft sinds deze week een dagelijkse column op de voorpagina van de Volkskrant, Aaf Brandt Corstius verhuisde van nrc.next naar dezelfde krant, en haar plek op pagina 2 wordt ingenomen door Renske de Greef.

Tijdens haar zwangerschapsverlof werd Aaf vervangen door een hele rits gastcolumnisten, die naar mijn bescheiden mening geen van allen overtuigden. Nu alle verhuizingen achter de rug zijn, de restyling van de Volkskrant en de tweede pagina van nrc.next is voltooid, is het afwachten hoe de columnisten hun eigen kamertje gaan inrichten. Lees verder
Comments

Zou je jezelf je eigen leven toewensen?

titaantjes_waren_we
Stel je voor, je krijgt de kans om een brief te sturen aan je jongere ik. Wat zou je erin zetten? Welke kennis wil je jezelf meegeven, voor welke misstappen jezelf behoeden? In Titaantjes waren we staan 75 brieven van Nederlandse auteurs aan hun jongere ik. Het boek verschijnt ter gelegenheid van de Boekenweek. Voor 8WEEKLY schreef ik er een recensie over. Maar op de echt interessante vragen kun je in een recensie eigenlijk niet ingaan. Lees verder
Comments

Edgar Allen Poe. De biografie

poe
Het is een van de grote mysteries uit de literatuurgeschiedenis: wat gebeurde er in de laatste dagen van Edgar Allan Poe? Hij werd aangetroffen in een kroeg in Baltimore, op dat moment verkeerde hij in een delirium. Een paar dagen later stierf hij, op 8 oktober 1849. Peter Ackroyd lost in Edgar Allan Poe. Een biografie het raadsel niet op, maar laat zien hoe dit einde past in een levensverhaal vol dronkenschap, tegenslag, waanzin en armoede.

Lees verder op 8WEEKLY: Leven in de put en de slinger
Comments

Breukvlak: weblogroman van Eelco Runia

koelkast
Ik lees graag boeken die een hybride vorm hebben. Balancerend op de rand van fictie en non-fictie, of semi-autobiografische werken, essays, literaire biografieën, romans die er alles aan doen om uit hun structuur te barsten. Breukvlak van Eelco Runia vertegenwoordigt een heel nieuw genre. Het is een weblogroman. Historicus Runia hield tijdens zijn verblijf aan Stanford University een blog bij en bewerkte dat tot een boek.

Het gekke is: van Runia (de hoofdpersoon heet trouwens Minne Algra) is geen weblog te vinden. Dat zet aan het denken: wilde hij niet dat lezers blog en boek gingen vergelijken? Is het blog een mystificatie en heeft het nooit bestaan? Of heeft hij geconcludeerd dat weblogs stom zijn? Lees verder
Comments

Robert Musil: Mystiek zonder God

robert_musil
Wat ben jij? Een dilettant, een essayist of een mysticus? Deze drie levenshoudingen spreken uit het werk De man zonder eigenschappen van Robert Musil (1880-1942). Ze zijn een spiegel voor onze eigen levensstijl en stellen de vraag wie we zelf zijn. Maarten van Buuren weet het wel: hij kan zich goed vinden in het dilettantisme, zo zei hij in zijn lezing in de serie Levenskunst.

Uit het leven van Musils hoofdpersoon, Ulrich, komen de drie fases naar voren. Als dilettant leeft hij het leven als een spel. De dilettant speelt een rol, of zelfs meerdere rollen: die van zijn beroep, van ouder, geliefde enzovoorts. Met geen van die rollen valt hij samen, hij is er niet op vast te pinnen. Het dilettantisme is een ironische levenshouding, die niets echt serieus neemt. Zeker het maatschappelijke leven niet.

Op het dilettantisme volgt de essayistische houding. Die is te beschrijven als een beschouwelijke manier van leven. De essayist trekt zich terug uit het maatschappelijke leven. Die sociale omgang werkt alleen maar vervreemdend ten opzichte van jezelf en versluiert het zicht op wie je werkelijk bent. Nog steeds wil Ulrich zich niet laten vastpinnen. Als je je door je maatschappelijke kenmerken laat vastpinnen, verstar je en raak je steeds verder weg van jezelf. Een man zonder eigenschappen zijn, betekent zo min mogelijk stollen in dat soort vastgeroeste, onpersoonlijke kenmerken.

De derde fase wordt vertegenwoordigd door het ideaal van de mystieke ervaring. Bij Ulrich uit zich dit in de hereniging met zijn zus Agathe. De mystieke ervaring verwijst naar de absolute leegte, waarin elke vorm is opgelost. Het is een ‘mystiek zonder God’, zoals de titel van Van Buurens lezing luidt. Alle rollen en eigenschappen zijn dan volledig afgelegd.

Zijn het dilettantisme en het essayisme nog levensstijlen waar je bewust voor kunt kiezen, dat lijkt voor het mystieke niet op te gaan. Toch stelt het mystieke ideaal een belangrijke vraag aan iedereen die bezig is met levenskunst. Welke plaats geven we de mystieke ervaring in ons leven? Dan gaat het om de momenten waarop we onze kenmerkende eigenschappen verliezen en buiten de heersende moraal stappen. Daarmee stelt Musil ook onze verhouding tot de maatschappij ter discussie. Hoe stevig laat je je vastpinnen door de maatschappelijke conventies? En hoe behoud je daarbij je eigenheid? Vragen die door de hele serie heen steeds terugkomen.

In de discussie die volgde op de lezing, stelde Joep Dohmen dat bij veel van de andere denkers juist het vinden van een vorm voorop stond. Levenskunst kan er ook uit bestaan die vorm vast te houden en te ontwikkelen, zodat die helemaal eigen wordt.

Misschien ligt de waarheid in het midden. Zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn om het leven als een dilettant serieus te nemen? Je bewust zijn van de verschillende rollen die je speelt, zonder die als een spel af te doen? Zijn de essayistische en mystieke levensstijl niet ook een vorm op zichzelf? Belangwekkende vragen die laten zien hoe een roman kan werken als spiegel van de ziel.

Kijk de lezing Mystiek zonder God van Maarten van Buuren terug
Lees ook over
Michel Foucault en Michel de Montaigne

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Aleksander Wat: Verdoemd

aleksander_wat
Voor Gedichtendag, een gedicht. Het komt uit Memento en is van Aleksander Wat. Een gedicht dat zwaar, grappig, ellendig, prachtig en bizar is. En dat allemaal tegelijkertijd!


Verdoemd


Eerst droomde ik van een koffiemolen.
Een heel gewone. Zo’n ouderwetse. Donker koffiekleurig.

(Als kind hield ik ervan het dekseltje open te klappen, te kijken en ogenblikkelijk dicht te slaan. Met angst, trillend! Tot mijn tanden klapperden. Het was alsof ik erin werd fijngemalen! Ik heb altijd geweten dat het slecht moest aflopen.)
Lees verder
Comments

Goede voornemens: minder koffie, meer herlezen

koffie_boek
Is het al te laat om goede voornemens te formuleren? Ik wil het komende jaar minder koffie drinken en meer boeken herlezen. (Natuurlijk wil ik ook al mijn slechte gewoonten afzweren, maar gek genoeg wil ik dat elk jaar. Werkt dus niet.) Met het koffieminderen ben ik inmiddels goed op gang. Ik hoef niet uit te leggen waar dat voornemen vandaan komt - ik heb al meerdere mensen gesproken die precies hetzelfde van plan zijn. Maar herlezen? Wat is dat voor raar idee?
Lees verder
Comments

Connie Palmen en haar eerzame eenzaamheid

geluk_van_de_eenzaamheid
Op het afgelopen Boekenbal ontstond een relletje toen Connie Palmen 'nietsnutten' als Kluun en Saskia Noort verbande uit het 'land van de literatuur'. Daags erna zat Palmen aan de tafel van De Wereld Draait Door tegenover Noort, waar ze in eerste instantie haar woorden terugnam om vervolgens dubbel zo hard toe te slaan. Het kan niet anders of ze schreef toen aan het poëticale essay Het geluk van de eenzaamheid, want ook daarin krijgen schrijvers van 'lectuur' er van langs.

Begin het jaar met een recensie en lees verder over Het geluk van de eenzaamheid van Connie Palmen op 8WEEKLY. In Egotripperij of een getoupeerde pony? schreef ik eerder dit jaar over de genoemde uitzending van De Wereld Draait Door. (Begin het jaar met een boek, maar dan wel met een ander boek.) Lees verder
Comments

Beste boeken van 2009

Toen ik zag dat ik 52 boeken heb afgetikt in Bookpedia, ben ik gestopt met lezen voor de rest van dit jaar. Zo'n mooi afgerond weekgemiddelde, daar moet je verder niet aankomen. Nadere beschouwing bracht dat aantal echter op 53 (probleem van zulke programma's is dat je ze heel nauwkeurig moet bijhouden, anders heb je er niets aan). De elf niet uitgelezen of deels gelezen boeken zijn daar niet bij opgeteld.

28 boeken uit 2009 las ik (Nederlandse uitgave). Gemiddeld kregen deze boeken uit 2009 3,46 sterren. Drie boeken kregen 5 sterren, geen een boek kreeg 1 ster.

De 53 gelezen boeken ín 2009 kregen gemiddeld 3,26 sterren. Dat valt me tegen. Vijf boeken kregen 5 sterren en één boek 1 ster (deze).

Voor 8WEEKLY las ik 14 boeken, ruim één per maand dus.

Genoeg geouwehoerd, tijd voor de lijst.
Allereerst de beste boeken van 2009: Lees verder
Comments

Klinkende ikken

Bekentenissen van een zelfontwijker, luidt de ondertitel van Atte Jongstra's Klinkende ikken. Op de omslag zit Jongstra voor een dubbele spiegel die hem tot in het oneindige zou kunnen weerspiegelen, ware het niet dat de afmetingen van het boek nu eenmaal beperkt zijn. Titel en omslag doen me deugd; ze doen me denken aan mijn eigen bespiegelingen over spiegelende ikken en foto's, lenzen en aan te trekken en af te leggen identiteiten.

De inhoud van dit Privédomein wekt dezelfde indruk als de omslag: als de afmetingen van het boek niet beperkt waren geweest, had de schrijver vast tot in het oneindige door kunnen gaan met zijn bekentenissen, die in essentie de bekentenissen van een verzamelaar zijn. Voor het verzamelende ik staat de hele wereld open en ligt de oneindigheid op de loer. Lees verder
Comments

Viermaal Marcel Proust

'De nieuwe vertaling van Marcel Prousts "De kant van Swann" biedt een mooie (hernieuwde) kennismaking met deze klassieker. Twee boeken over Proust vergezellen de uitgave. Samen met de eerder verschenen vertaling van "Tegen Sainte-Beuve", maakt dat van 2009 een echt Proustjaar.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het 'To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.'

Mijn poging nieuwe zieltjes te winnen voor de grootmeester: Viermaal Marcel Proust op 8WEEKLY.

Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Fjodor Dostojevski. Mensen zijn dom en slecht

levenskunst
Wat kunnen we leren over ons eigen leven van een negentiende-eeuwse, Russische schrijver, die ter dood veroordeeld werd, op het laatste moment genade kreeg en naar Siberië werd verbannen, die vuistdikke romans schreef over moorden, gepleegd vanuit theorieën die de Nietzscheaanse Übermensch voorafschaduwen? Dostojevski laat ons door zijn schrijven ervaren wat het betekent om te leven in een wereld waarin God niet bestaat. Hij geeft geen antwoorden, maar dwingt de lezer een standpunt in te nemen. Een filosofische houding die steeds opnieuw aandacht verdient.

Misdaad en straf
Raskolnikov is de hoofdpersoon van het meesterwerk Misdaad en straf. Hij pleegt een moord op basis van het onderscheid tussen gewone en buitengewone mensen. De laatste zijn zeldzaam: genieën als Pasteur, profeten als Mohammed of staatslieden als Napoleon. Raskolnikov stelt de vraag of een buitengewoon mens het recht heeft om een ander uit de weg te ruimen bij het verwezenlijken van zijn grote idee. Had Napoleon het recht om duizenden soldaten op te offeren? En: is Raskolnikov zelf een buitengewoon mens? Natuurlijk denkt hij van wel. Hij wil het bewijzen, en wel door middel van een moord.

In de roman staan twee typen moraal tegenover elkaar: de Übermenschtheorie en de gemeenschapszin. De eerste wil dat de mens boven zijn medemensen uitstijgt en zich ontwikkelt tot een uniek individu. De gemeenschapstheorie vraagt juist van de mens op te gaan tussen de anderen. Dostojevski laat de twee theorieën botsen door de idee van de Übermensch te criminaliseren. Hij associeert die de hele tijd met moord, duisternis en straf. Toch geeft hij geen eenduidig oordeel en de uitslag van de botsing blijft onzeker. Het is aan de lezer om te beslissen waar het gelijk ligt.

De gebroeders Karamazov Ook in De gebroeders Karamazov schrijft Dostojevski over een moord, gepleegd op grond van een theorie. In dit geval: ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd.’ Er volgt uiteindelijk een veroordeling – of dat van de echte moordenaar is of niet laat ik in het midden. Voor de gemeenschap is de moord vergolden.

Weerlegt Dostojevski met zijn roman dan de theorie ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd’? Zo eenvoudig is het niet. Net als bij de Übermenschtheorie criminaliseert Dostojevski de gedachte dat God niet bestaat. Hij associeert die steeds met moord en doodslag. Maar wat betekent die theorie, los van bloedvergieten? Als God niet bestaat is de mens volstrekt vrij. Een gedachte die niet alleen vooruitloopt op de filosofie van Nietzsche, maar ook op het existentialisme van Sartre.

Het verhaal van de Grootinquisiteur Via het verhaal van de Grootinquisiteur legt Dostojevski de vraag neer of wij de vrijheid wel willen. De last van de vrijheid is zo zwaar dat we hem niet kunnen tillen. Om waarlijk vrij te zijn moet je afstand doen van eten, geloof en autoriteit. Alleen als we alle houvast kunnen loslaten, zijn we vrij. Maar dat leidt tot angst, onzekerheid en schuldgevoel. En het zal je niet geliefd maken. Vrijheid heeft een hoge prijs. Stel jezelf de vraag: willen we die vrijheid wel? Kunnen we de vrijheid aan? Ben je in staat afstand te doen? Willen we dat ook wel? Waarom zouden we niet kiezen voor autoriteit en geloof? Dostojevski geeft geen antwoord. Hij laat de beslissing aan de lezer over. Een belangrijke denker, ook in deze tijden waarin vrijheid het brandpunt van veel discussie vormt.

Kijk de lezing van Maarten van Buuren over Dostojevski terug.



Bookmark and Share
Comments

Szymborska, De ontdekking

szymborska
Vorige week zondag rond deze tijd zat ik met mijn moeder in Theater Bellevue te Amsterdam, klaar voor de voorstelling Szymborska! Twee actrices en een muzikant brachten gedichten van Wisława Szymborska ten gehore, in de vertaling van mijn vader (Gerard Rasch). Het was een leuke middag, veel boeiender dan een standaard saaie poëzievoordracht. Dat is natuurlijk ook niet zo heel moeilijk. Lees verder
Comments

Abandoned images



Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.

Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)



Uit
The Shining Lees verder
Comments

Marcel Proust en zijn iPhone

theatrofoon
En eindelijk hoor ik er ook bij: de iPhone-club. Ik heb er al ruim een jaar aan mogen ruiken via Jeroen, maar nu heb ik mijn eigen. Toentertijd vroeg ik me wanhopig wanneer mijn abonnement zou aflopen, maar ik heb besloten dat niet af te wachten en er gewoon een aan te schaffen. Tweedehands, dus met een bijgeleverde startpagina waarop bepaalde dames met weinig tot geen kleding in bepaalde weinig tot niets verhullende standjes te zien zijn en met een paar foto's van iemand met een gasmasker op. Lees verder
Comments

De filosofie van de heuvel

De filosofie van de heuvel lijdt onder een bekend probleem in de literatuur: mooie landschappen en een gelukkige liefde gaan op den duur vervelen. Het zijn de diepe dalen waar je als lezer in vast wilt komen te zitten. Beklimming en afdaling zijn in dit boek in balans, zoals de finale filosofie van de heuvel dicteert. Dat is fijn voor Pfeijffer en zijn lief, maar een beetje saai voor de lezer.

Lees verder op 8WEEKLY... Lees verder
Comments

Publieke vijanden corresponderen

houellebecq_levy
Bestaan ze nog, mensen die elkaar brieven schrijven, met andere woorden corresponderen? Het zal een kunst zijn die steeds minder mensen beoefenen (misschien ook niet, veel meer mensen communiceren tegenwoordig veel meer, het kan heel goed zijn dat het aantal dat correspondeert absoluut gezien hetzelfde blijft). Dat het een kunst is, bewijzen Michel Houellebecq en Bernard-Henry Lévy in hun gebundelde brieven Publieke vijanden. Zelden krijg je een inkijk in twee hoofden die zo erudiet zijn, zo open, zo onbescheiden en onzeker tegelijk, zo verschillend en identiek op hetzelfde moment. Met aanhoudende bewondering (u kent het wel, dat de adem oppervlakkig wordt omdat je je leesritme niet wilt storen en in je hoofd een langgerekte 'shiiiiiiiiiiit') las ik de brieven die bol staan van namen die me niets zeggen, affaires die ik niet ken, Franse gebruiken die voor mij een lege huls zijn. Maakt niet uit en omdat het niet uitmaakt is het kunst. Lees verder
Comments

Impressionistische kritiek

Er is een nieuwe recensiesite in de lucht: de Reactor. Op internet zag ik een interview met een lid van de redactie en een recensent: Patrick Bassant en Johan Sonnenschein. Een leuk interview, vooral omdat ik hen ken van vroeger. Sterker, met Johan Sonnenschein had ik ooit een discussie over proza en poëzie waar ik al eens over schreef: "Uiteindelijk kom je bij de poëzie uit, zei hij, omdat daar de taal het meest op het spel staat. Daar draait het om. Ik moest even nadenken. Uiteindelijk kom ík bij de roman uit, antwoordde ik toen, omdat daar de mens op het spel staat. Dat is waar het voor mij om draait." Lees verder
Comments

Lelystad van Joris van Casteren

'Lelystad was een serum tegen de verbeelding', schrijft Joris van Casteren in Lelystad. Dat neemt niet weg dat zijn reportages een beeld van de stad oproepen dat haarscherp en gruizig, deprimerend en komisch tegelijk is. Lelystad is als enige non-fictietitel genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, die op 10 november wordt uitgereikt. Een volkomen terechte nominatie.

Lees waarom ik dit vind op 8WEEKLY in mijn recensie Stad zonder verleden. Lees verder
Comments

Uitgesloten van deelname

prijswinnaar
De maximenwedstrijd is gesloten. Morgen worden de vijf winnaars bekend gemaakt voorafgaand aan de lezing van Maarten van Buuren over La Rochefoucauld en zijn Maximen. Als jurylid ben ik natuurlijk uitgesloten ben van deelname, maar als stimulans voor alle anderen heb ik ook mijn eigen maxime heb gemaakt. Je kunt niet met recht op het podium elke week een oproep doen zonder zelf te laten zien wat je in huis hebt. Hieronder mijn baksel.

Voor mannen zijn alle vrouwen onder de dertig hetzelfde: vrijgezel, studente of caissière. Boven de dertig krijgen vrouwen voor mannen wel een eigen gezicht, zij het een lelijk gezicht.

Oh god, hoor ik mompelen, een feministenmaxime! Ach wat, dat vind ik leuk. Ook Jeroen deed mee - maar was eveneens uitgesloten van deelname want romantisch geëngageerd met een lid van de organiserende organisatie - of dan, hij bedacht de inhoud en ik de formulering.

Hoe komt het dat mensen die je op het eerste gezicht niet mag - omdat ze over anderen roddelen, omdat ze te veel over zichzelf praten en te hard lachen om hun eigen grappen - uiteindelijk de mensen worden met wie je het liefst omgaat - omdat ze altijd nieuwtjes hebben over anderen, eerlijk zijn over hun eigen onhebbelijkheden en graag lachen om mijn grappen? Misschien omdat ze meer op mezelf lijken dan ik op het eerste gezicht wil toegeven.

We hebben de winnaars uitgezocht en daaruit heb ik begrepen dat onze beider maximen waarschijnlijk toch niet tot de winnaars zou behoren, zelfs al waren we niet van deelname uitgesloten. Een maxime hoort namelijk veel korter te zijn dan de halve novelles hierboven. Neem bijvoorbeeld (geen winnaar maar de meester zelf): 'Je moet heel slim zijn om je slimheid te kunnen verbergen.' Een zinnetje waar een roman uit zou kunnen groeien. In de beperking enzovoorts dus.

Nu moet ik broeden op een korte maxime, een die mij de eer zou doen winnen, ware ik niet bij voorbaat van deelname uitgesloten. Ik weet er een: Van deelname uitgesloten rest zelfs de eer niet meer.



Bookmark and Share
Comments

Gek, slecht en droevig

In plaats van een stukkie (de turba is nog niet gaan liggen): een verwijzing naar mijn recensie op 8WEEKLY van Lisa Appignanesi's Gek, slecht en droevig. Een geschiedenis van vrouwen en psychiatrie van 1800 tot heden.






Lees verder
Comments

Oscar Wilde at boeken

Oscar Wilde at boeken. Nee, ik bedoel niet oscarwilde@boeken (punt com), Oscar Wilde verteerde, at boeken letterlijk. Dus niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk. Hij scheurde hoekjes af die hij in zijn mond stak en (ik stel me voor: gedachteloos, of liever: geabsorbeerd) vermaalde. Dat staat te lezen in Oscar's Books van Thomas Wright, waarin alles wat Wilde ooit met boeken deed, aan boeken las, kocht of verloor, aan boeken schreef, opdroeg, verzond, is nageplozen en opgeschreven in - natuurlijk - een boek. A book of ones own. Lees verder
Comments

Schrijf je eigen maxime

rochefoucauld
Gisteren was de aftrap van de Studium Generale-reeks over Levenskunst. Een bomvolle Aula luisterde naar een boeiende uiteenzetting over Montaigne door Joep Dohmen en de daarop volgende meeslepende discussie met Maarten van Buuren (in zijn geheel hier terug te zien). Luisterde ademloos zou ik bijna willen zeggen, maar vooral ikzelf was ademloos. Tien minuten voor aanvang verdrongen zich nog eens vijftig mensen bij de ingang van de zaal die toen al helemaal gevuld was en waarin de temperatuur tot hoogzomerse waarden was gestegen. In allerijl plaatsten we met z'n allen nog de ene stoel na de andere op het podium en toen iedereen zat, had het al acht uur geslagen en konden wij beginnen. Ademloos.

Over een maand volgt de tweede lezing in deze reeks, over François de La Rochefoucauld, door Maarten van Buuren die ook de Maximen van deze Fransman vertaalde. Van Buuren kwam zelf met het toffe idee om een wedstrijd uit te schrijven onder de noemer "Schrijf je eigen maxime". Lees hier de oproep en doe mee!


Schrijf je eigen maxime

Tussen 1664 en 1678 verschenen een aantal opeenvolgende edities van de Maximen van François de La Rochefoucauld (1613-1680). Hij voegde steeds nieuwe maximen toe en verbeterde de oude. Een maxime is een zeer bondig geformuleerde algemene waarheid over menselijk gedrag die (in het geval van La Rochefoucauld althans) een kritische inslag heeft. La Rochefoucauld ontmaskert algemeen geaccepteerde meningen over vriendschap, liefde, deugd, trouw als vormen van huichelarij waarachter ijdelheid en eigenbelang schuil gaan.

Hier volgt een recept voor het schrijven van je eigen maxime: 1. Kies een universeel probleem, bij voorkeur uit de sfeer van het menselijk handelen: liefde, dood, vriendschap, goede manieren. 2. Noteer je persoonlijke observatie. 3. Schrap tachtig procent van wat je hebt opgeschreven. 4. Monteer de overblijvende drie zinnen zodanig dat: 5. Ze de lezer treffen door hun juistheid, 6. En hem confronteren met een raadsel.

Laat je maxime voor 9 oktober achter op het forum van SG of mail de maxime naar info@sg.uu.nl o.v.v. ‘Levenskunst - Maxime’. Een jury bestaande uit Maarten van Buuren, Joep Dohmen en Miriam Rasch (ja ja) kiest de vijf meest geslaagde maximen uit de inzendingen. De vijf winnaars ontvangen op 13 oktober a.s. een exemplaar van de vertaling (door Maarten van Buuren) van de Maximen van La Rochefoucauld (indien gewenst met handtekening van Joep Dohmen en Maarten van Buuren) en een cassette met audio-cd’s van Home Academy.

Lees op het forum ook een paar voorbeelden van La Rochefoucaulds maximen.

Succes!



Bookmark and Share
Comments

Het leven lezen: het innerlijk boek

In de aanloop naar de Studium Generale-reeks Levenskunst die ik vanaf september ga presenteren, wilde ik een stukje schrijven over de manier waarop literatuur je zelfkennis kan geven. Er zijn zat mensen die niet begrijpen waarom je zoveel boeken zou lezen; wat mij betreft word je een beter mens door te lezen, omdat lezen zelfkennis brengt. Opeens bedacht ik me dat ik hier allang over heb geschreven. Het is een vraagstuk dat me nu misschien al tien jaar bezighoudt. Ik ging zoeken in mijn digitale bureaula en ja, daar was mijn eindessay voor het Radboudjaar, 'Het leven lezen', over Marcel Proust (ja, daar is-ie weer). Omdat ik het toch niet beter kan formuleren dan toen (wat heb ik dan geleerd in de afgelopen vijf jaar?), neem hier een klein stuk eruit over. Met gevaar voor lezersverlies, dat wel.

De eerste metafoor heeft niet in eerste instantie te maken met de werking of het belang van literatuur in het leven, maar beschrijft Prousts zicht op het innerlijk van de mens. Hij geeft daarmee een antwoord op de vraag hoe het zelf eruit ziet dat verkend moet worden. In de benaming van dat zelf als boek wordt ook meteen een aanwijzing gegeven hoe de verkenning eruit moet zien: een boek moet men immers lezen. Het is belangrijk eerst te begrijpen welke gestalte dit innerlijke boek heeft, voordat de werking erop van ‘echte’ boeken verder bestudeerd kan worden.

Wat het innerlijk boek met onbekende tekens betreft (tekens in reliëf, leek het, waar mijn aandacht, mijn onbewuste verkennend, naar ging speuren, op stuitte, omheen cirkelde als een duiker die diepte peilt), waarvoor om mij te helpen lezen niemand mij een richtsnoer kon geven, bestond dat lezen uit een scheppingsdaad waar geen mens ons bij vervangen of zelfs maar met ons aan meewerken kan. Hoevelen zien er dan ook van af! Hoeveel taken neemt men niet op zich om die ene uit de weg te gaan! Ieder evenement, of het nu de Dreyfus-affaire was, of het de oorlog was, had de schrijvers weer andere excuses verschaft om dat boek niet te ontcijferen, zij wilden zorgen voor de overwinning van het recht, de morele eenheid van de natie herstellen, hadden geen tijd om aan de letteren te denken. Maar het waren maar excuses, omdat ze er niet of niet meer het genie toe hadden, dat wil zeggen het instinct. Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. Dat boek, het moeilijkst te ontcijferen van allemaal, is ook het enige dat de werkelijkheid ons heeft gedicteerd, het enige waarvan de ‘indruk’ in ons door de werkelijkheid zelf is gemaakt. Om welk door het leven in ons nagelaten idee het ook gaat, de materiële figuur ervan, het merk van de indruk die het op ons gemaakt heeft, is weer de waarborg voor zijn absolute waarheid. De door de zuivere rede gevormde ideeën zijn maar logische waarheid, denkbare waarheid, ze zijn arbitrair verkozen. Het boek met de figuratieve, niet door ons gemaakte lettertekens is ons enige boek.

Wat komt hieruit naar voren? Om te beginnen is het innerlijk boek iets onbekends en duisters, dat weggeborgen is in de diepten van het menselijk onbewuste. Iedereen bezit zo’n boek, maar slechts weinigen lezen het – het is mogelijk je hele leven uit te zitten zonder ooit een letter van de tekst te hebben gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Degenen die zo hun dood bereiken hebben een leven geleid in ledigheid, verstoken van inzicht in de werkelijkheid. Dat is een makkelijk bestaan, gekenmerkt door luiheid, waartoe de mens snel vervalt. Wil je echter tot een zekere waarheid komen, dan moet je hard werk verrichten, waarbij je bovendien geen enkele hulp mag verwachten. Je zult over je aversie heen moeten stappen om af te dalen in de krochten van de eigen ziel en in afzondering en volharding je weg vervolgen. De implicatie hiervan is dat er twee ‘zelven’ bestaan: een oppervlakkig, veranderlijk zelf dat correspondeert met de verschijningswereld van de buitenwereld, en het ‘ware zelf’ dat de verschijning overstijgt en een onveranderlijke kern heeft. Zelfkennis is kennis van dit laatste zelf, dat zich openbaart in patronen die onder de oppervlakte liggen.

De leidraad bij het lezen van je innerlijk noemt Proust hier het instinct. Later blijkt dat daaronder ook valt: de emotie en de impressie. Het verstand is een valse vriend die misleidt door logische redeneringen te presenteren als waarheid. De logica die zetelt in de rede blijft aan de oppervlakte van de buitenwereld en raakt niet aan de essentie van de dingen. Logica is zogezegd het equivalent van de fenomenale wereld, die veranderlijk is en geen toegang biedt tot een transcendente waarheid – over de dingen én over het zelf. Het instinct kan daarentegen doordringen tot die werkelijke essentie. Het ware zelf is daarom gelokaliseerd in het instinct of de emotie en niet in de rede, hoewel deze laatste onontbeerlijk is bij het leren kennen van de eerste.

Wat houdt voor Proust de werkelijkheid of de waarheid in? Hij erkent het bestaan van een wereld die losstaat van de mens. De mens neemt die wereld in zich op, waarbij de twee versmelten. De versmelting is niet op voorhand gegeven – ze kan zich ook níet voordoen. De buitenwereld draagt het vermogen in zich tekens te griffen in ons innerlijk. Deze buitenwereld is echter niet hetzelfde als de werkelijkheid. De wereld verdient die naam pas op het moment dat de tekens ontcijferd worden en de platte, redelijke aanschijn van de fenomenen wordt weggetrokken. De buitenwereld moet eerst door ons innerlijk heen gaan om betekenis te krijgen – niet op een algemeen geldend woordniveau, maar op een activerende manier die persoonlijke associaties aan het object verbindt. ‘Realiteit’ is dan een product zowel van de ons omringende wereld als van ons onbewuste, ze komt tot stand doordat de wereld wordt ondergedompeld in het innerlijk. In het innerlijk ligt een verzameling indrukken opgeslagen van de verschijningswereld, aan de hand waarvan de persoonlijke betekenis van die wereld ‘geactiveerd’ kan worden.

De lezer van het innerlijk boek leest in zichzelf de waarheid. In zijn werk van decodering trekt de sluier op, wordt het duister verhelderd, krijgen de letters een zin. Maar het lezen gaat verder dan slechts het ont-dekken van een bestaande waarheid die achter de oppervlakte verscholen ligt. Proust schrijft, bijna tussen neus en lippen door, dat het ontcijferen een scheppingsdaad is. Elders noemt hij de waarheid die aldus naar boven wordt gebracht een ‘nieuwe waarheid’. De mens creëert de werkelijkheid door het ontcijferen van zijn innerlijk boek (waarin de verschijningen tekens hebben gegrift). In het ontcijferen – dat vooral, zoals later zal blijken, bestaat uit het leggen van verbanden – ontstaat een betekenis van wat tot dan toe een platte, zinloze omgeving is. De betekenis is weliswaar persoonlijk, maar dat maakt hem juist veelzeggend, associatief en dynamisch, omdat hij de logische, algemeen geldende buitenkant penetreert. Hij creëert reliëf. Tegelijk is het innerlijke boek gegraveerd door de omgeving en kan de inhoud ervan veranderen in het proces van interpretatie. Het innerlijk en de buitenwereld onderhouden zo een dynamische relatie met elkaar.



Bookmark and Share
Comments

Onverstuurde brief aan Hugo Raes

hugo_raes
Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye vertelt hoe hij na het lezen van een geweldig boek de telefoon wil pakken om de auteur op te bellen, of een personage dat als een boezemvriend is geworden. Herkenbaar, zeker als de auteur naar jouw inzicht te weinig waardering krijgt. Nu ben ik zelf niet zo'n beller - ik schrijf liever een brief. Of een blogje. Lees verder
Comments

Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve

tegen_sainte-beuve
Inhoud gaat boven stijl, schreef ik. Ik ben meer vent dan vorm. Toch voelt dat niet lekker, want voor je het weet begrijpen mensen je verkeerd en gaan ze je literaire thrillers voor je verjaardag geven. Terwijl één blik op mijn boekenkast genoeg is om te weten dat het mij in de literatuur allemaal niet elitair en hoogstaand genoeg kan zijn. Hoewel het slap is, niet erg 'vent', moet ik dus toch benadrukken dat zowel vorm als inhoud onontbeerlijk zijn voor een goed boek. In welke verhouding ze tot elkaar staan - dat is waar de discussie over moet gaan. Is het verhaal slechts een vehikel om een kunstwerk in taal te scheppen? Of staat de taal in dienst van wat de schrijver wil zeggen? Ik denk het laatste. Maar dat betekent dat de gebruikte taal een des te belangrijkere functie krijgt.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Vorm of vent: taal of mens

du_perron_vorm_vent
Meer dan een halve eeuw geleden woedde in de Nederlandse letteren de zogeheten 'vorm-of-vent'-discussie. Er vielen rake klappen (letterlijk). En toch is die discussie nooit helemaal uitgevochten. Of misschien toch wel. Er zijn recensenten die al hun geld op stijl zetten (de vorm) maar er zijn er eigenlijk geen die een goed verhaal (de vent) boven alles stellen. Waar natuurlijk het grote verschil met de 'gewone lezer' ligt, die altijd een goed verhaal zal verkiezen boven literair geneuzel. Het lijkt wel politiek. Lees verder
Comments

Of Mere Being

monolith_2001

Of Mere Being

The palm at the end of the mind,
Beyond the last thought, rises
In the bronze distance.

A gold-feathered bird
Sings in the palm, without human meaning,
Without human feeling, a foreign song.

You know then that it is not the reason
That makes us happy or unhappy.
The bird sings. Its feathers shine.

The palm stands on the edge of space.
The wind moves slowly in the branches.
The bird’s fire-fangled feathers dangle down.

--- Wallace Stevens, 1954


Zojuist stuitte ik op dit gedicht. Het geeft me kippenvel. Voorbij de laatste gedachten zit een dier. En dat dier weet door niet te weten. Kippenvel, omdat ik het prachtig vind, ontroerend, maar ook heel griezelig. Een verstild beeld, niet omdat het leven eruit is weggeslopen, maar omdat het erin samengebald zit, dreigend op de rand van uitbarsting. Zoals de zwarte monoliet uit 2001: A Space Odyssey. Het begin van het menselijk bewustzijn, maar ook het eindpunt, meer nog: ’the end of the mind’ standing ’on the edge of space.’ Lees verder
Comments

De biecht van Ippolit

holbein_christus
Al heel lang wilde ik iets schrijven over de biecht van Ippolit, uit Dostojevski’s De Idioot. Tot nu toe heb ik alleen maar omtrekkende bewegingen gemaakt. De epilepsie van prins Mysjkin kwam ter sprake, evenals de waanzin van de doodstraf die Mysjkin van dichtbij heeft meegemaakt, wat hem met Dostojevski doet samenvallen. En ik schreef over verraad, het ergste wat er is - juist omdat je eraan bent overgeleverd. Al deze dingen komen samen in de biecht van Ippolit, een lang, bizar, verschrikkelijk, ontroerend, razernij opwekkend ’hoofdstuk’ uit De Idioot. Lees verder
Comments

Caesarion loopt een beetje mank

ceasarion_wieringa
Werkelijk iedereen liep een paar jaar geleden weg met Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Ik las het ook met plezier uit, maar vond het toch vooral een jongensboek. En er was iets met zijn stijl, die dan weer helemaal niet goed paste bij het jongensboekgevoel. Na lezing van zijn nieuwste roman Caesarion weet ik wat het is, want ook al is dit geen jongensboek (ook geen meisjesboek, misschien een homoboek, hoewel er geen homo in voorkomt), die stijl is gebleven en nog duidelijker aan de oppervlakte gekomen. Je kunt ervan houden, ik krijg er rillingen van. Ik noem het: gewild literaire, maar niet doordachte, en daardoor manklopende mooischrijverij. Lees verder
Comments

Hidde Maas, das duik

paulien_cornelisse
Ik kan niet goed tegen zeurpieten en pietleuten. Mensen die pietleuterig doen over taalkwesties zijn nog erger. Als ze er dan ook nog stukjes over in de krant schrijven, behoren ze tot de ergste categorie. Er zijn echter ook mensen die ontzettend grappige stukjes over pietleuterige taal schrijven. Paulien Cornelisse is er daar een van. Taal is zeg maar echt mijn ding, heet haar verzameling columns. En hoewel ik eerst bang was dat het hier om een boekje uit de allerergste categorie zou gaan (stukjes van zeurpieten die pietleuten over taal en dat ook nog voor de eeuwigheid willen bundelen), ben ik hardop lachend door dit boekje heen geraasd.

Leuk aan het boekje is dat het je ook aan het denken zet over je eigen taalgebruik en welke idiosyncratische neigingen je bij jezelf hoort. Daarom hier een kleine greep uit de taalschat van het Miriams.
Lees verder
Comments

Laatste ogenblikken van een terdoodveroordeelde

vuurpeloton
De doodstraf achtervolgt me. Niet dat Magere Hein dagelijks met een strop achter me aan rent als een cowboy die een buffel wil vangen. Soms heb je gewoon van die thema's die steeds weer opduiken - als je geluk hebt zijn het lieve, pasgeboren poesjes, soms de doodstraf. Ik probeerde het te negeren en dat ging een tijdlang goed. Tot ik weer moest denken aan de doodstraf voor een hond en ik die poster tegenkwam: 'Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf.' Straf voor mensen aan wie de wereld ten onder gaat, mensen als Saddam Hoessein, die de doodstraf krijgen. Lees verder
Comments

Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen
Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

Lees hier de recensie van Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Lees verder
Comments

Roel Bentz van den Berg: Montaigne voor de 21e eeuw

Roel Bentz van den Berg heeft een nieuw boek uit, getiteld Engelen in regenjas. Ik heb het nog niet gelezen, ik verwacht binnenkort een boekenbon in de bus en moet dus nog heel even geduld oefenen. Hier volgt geen recensie, maar een soort pre-recensie, zodat voor de hele wereld duidelijk is met wat voor verwachtingen ik straks Engelen in regenjas ga lezen. Lees verder
Comments

Egotripperij of een getoupeerde pony?

Wie onlangs Connie Palmen en Saskia Noort bij De Wereld Draait Door zag, moet wel hebben gedacht dat literatuur toe is aan zelfmoord. Ofwel, mocht je een literatuurliefhebber zijn, zelf er een eind aan hebben willen maken. Want noch met Noort, noch met Palmen en zeker niet met tafelheer Hugo Borst wil je geassocieerd worden (een associatie met Matthijs is nooit weg). En meer keus was er niet: het is de egotripperij van Palmen, die zichzelf de beste schrijfster van Nederland vindt en moet leven in een permanente verstandsverbijstering als ze echt gelooft dat ze nog nooit slecht besproken is. Of de getoupeerde pony van Saskia 'ik geef de mensen waar ze om vragen' Noort.

Het enige positieve aan het item is dat het boze reacties oproept (ik ben niet de enige die weigert te kiezen tussen twee 'nietsnutten'). Zo stond in de NRC een stuk van Paul Brandt. Ook bij hem is deze doorgedraaide wereld in het verkeerde keelgat geschoten. Vooral van Palmen had hij meer verwacht (best merkwaardig, gezien het feit dat Connie Palmen nu eenmaal Connie Palmen is):

Hoe mooi was het geweest als zij voorbeelden had gegeven als: lees nu in plaats van Saskia Noort eens Bert Natter of Marja Pruis. Laat Heleen van Royen eens liggen en pak eens een boek van Robert Vuijsje. Moet je eens zien hoe sterk die nieuwe generatie literatoren voor de dag komt. Dat deed Connie Palmen niet. Haar literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), waren Gerrit Komrij, Cees Nooteboom en Harry Mulisch. En dat is nota bene haar eigen vriendengroepje, haar eigen literaire borreltafel!

Scroll nu gauw naar het einde van het artikel, om erachter te komen wie Paul Brandt eigenlijk is:

Paul Brandt is hoofdredacteur van Nijgh & Van Ditmar, dat o.a. werk van Robert Vuijsje, Marja Pruis, Arnon Grunberg en Simon Vestdijk uitgeeft.

Zijn literaire pronkbeelden, behalve zichzelf (sic), zijn Marja Pruis en Robert Vuijsje. En dat is nota bene zijn eigen vriendengroepje, zijn eigen literaire fondslijst!

Zo wordt het natuurlijk nooit wat.

Lees in het kader van literaire inteelt ook een verslagje van een miserabele avond over recensenten bij Spui25.

Bookmark and Share
Comments

De Volkskrant begrijpt er niets van

de-volkskrant
Ik heb ze een tweede kans gegeven. De mensen van de Volkskrant. Het zong al een tijdje rond: de boekenbijlage Cicero zou verdwijnen, opgaan in de rook van de algehele restyling die de Volkskrant onlangs heeft ondergaan. De losse katernen zijn daarbij samengevoegd in één katern op tabloidformaat, genaamd VK 2. Hopeloos. Lees verder
Comments

Schrijven en lezen met alle geweld

schietspel
Kan het schrijven over geweld leiden tot geweld? Is er een grens aan de krochten van het kwaad waarin de schrijver afdwaalt - een grens waarachter zijn gewelddadige ik ligt te wachten tot hij wakker wordt geschopt? En de lezer over geweld, loopt die niet hetzelfde gevaar? Het zijn intrigerende vragen die Hans Achterhuis stelt in zijn ijzersterke studie Met alle geweld. Lees verder
Comments

Berlijn: van hip naar hot

berlin_wall
Berlijn was al jarenlang hip, maar nu wordt Berlijn hot. Opeens is het Berlijn wat de klok slaat. Daar is een duidelijke reden voor aan te wijzen: dit jaar, op 9 november, is het twintig jaar geleden dat de Muur Viel. Hoewel dat dus pas op 9 november echt aan de orde is, wordt het publiek nu alvast warm gemaakt. Lees verder
Comments

Kornel Esti, de enige held in dit verhaal

kornel_esti
De bekentenissen van Kornél Esti is een van de beste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen. De volstrekt originele en aangename toon die dit citaat ook bezit, houdt Dezsö Kosztolányi het hele boek vol. Zoals Esti zijn telefoon koestert, zou je als lezer Esti willen koesteren - een personage dat even origineel en aangenaam is als het boek waarin hij een glansrol speelt. En even eigenzinnig en onberekenbaar. De bekentenissen van Esti zijn opgetekend door een oude jeugdvriend van hem, de ikfiguur. Maar hoe zit dat met die twee vrienden? Het eerste hoofdstuk, ’waarin Kornél Esti, de enige held van dit verhaal, door de schrijver wordt voorgesteld en ontmaskerd’, zet de lezer meteen aan het puzzelen. De enige held ontmaskerd... zijn de ik en Esti niet één en dezelfde? Vertelt een gedistingeerde man hier misschien over zijn andere ik, over zijn lichtzinnige zelf, dat gehuld is in de nevels van herinneringen? Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur VII

dezso_kosztolanyi
’In de late ochtend, als hij wakker werd, liet Esti graag de telefoon naar zijn bed brengen. Hij liet het apparaat naast zijn kussen zetten, onder het warme dekbed, als een kat. Hij hield van dit elektrische dier. Lees verder
Comments

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren - oftewel tien jaren - regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten - als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.



Bookmark and Share
Comments

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers
NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers. Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur VI

Het begint erop te lijken dat techniek in de literatuur het vooral moet hebben van de telefoon. Hij werd al gesignaleerd bij Couperus, Thomas Mann en Mandelstam. Mulisch liet de mobiel een rol spelen in De procedure. En hoe graag ik ook iets zou lezen over auto’s, vliegtuigen of internet, het is opnieuw de telefoon waar ik op stuit. Niet verwonderlijk, want de telefoon is een communicatiemiddel en literatuur gaat nu eenmaal vaak over mensen die al dan niet communiceren. Deze keer is de telefoon zelfs een soort personage, als ik Raymond van den Boogaard mag geloven, in zijn artikel over het toneelstuk La voix humaine van Jean Cocteau (Cultureel Supplement NRC 6 februari 2009). Lees verder
Comments

Een sensatie die het leven verandert

Vandaag verwijs ik naar mijn artikel Een sensatie die het leven verandert, een stuk 'uit de oude doos’, enigszins geactualiseerd en herschreven. Commentaar is zoals altijd welkom.

Enjoy! Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur V

word_perfect_5.1
Nu ben ik nog eens twee keer vergeten het stukje dat ik vrijdag in mijn pauze schreef naar mezelf te mailen. Inmiddels is het niet actueel meer, het is in de dooi verwaterd. Laat dan maar, er zijn genoeg andere dingen om over te schrijven. Mijn mijmeringen over het Word Perfect 5.1-debacle brachten me op het spoor van een volgend hoofdstuk in het verhaal over Techniek in de literatuur. Een moderne techniek bovendien, in een moderne roman: De Procedure van Harry Mulisch. Lees verder
Comments

Beste boeken van 2008

Ik ben dol op alle eindejaarslijstjes die her en der opduiken. Vooral natuurlijk om te zien of je eigen smaak een beetje overeenstemt met die van de zogenaamde kenners.





Lees verder
Comments

Wat te doen met 25 miljoen? (en een kredietcrisis)

staatsloterij
Morgen win ik de staatsloterij.

Iedereen belt me op.
Vrienden, collega’s, speelkameraden
klasgenoten, ooms, oude liefdes.
We spreken af in De Klok.
Het feest duurt tot de morgen.

Ik betaal alle schulden.
Ik geef een geheim aantal blanco cheques weg.

Ik koop een theater voor Karin
een planetarium voor Niek
en een tuin voor Ivo.
Mijn moeder krijgt een serie kleinkinderen
mijn vader een tropische republiek.

Dan ga ik een hectare in de bergen kopen
en een hotel in Coïmbra.
Daar schrijf ik met Arjen AapNoot Vuur.

Ik schenk de staat mijn geboorteplaats
het stedelijk museum mijn zegen.
Ik steun de bescherming van de Yeti
en het instituut voor schaamte-bestrijding.

Dag en nacht rijden auto’s door de straten
met luidsprekers op het dak.
'Sparen is zonde!’
'Laat de rijken de crisis betalen!’

Dus: Winkeliers, dichters en werklozen.
Wanhoopt niet! Wanhoopt niet!

De Maecenas komt!


K. Michel

Uit:
Ja! Naakt als de stenen.
Meulenhoff, 1989.
Lees verder
Comments

Tweede literaire stad van het land?

manifest_letteren_Utrecht
Omdat ik weer een nieuw speeltje heb ontdenkt (die laat ik staan, je zou immers kunnen zeggen dat nieuwe speeltjes er vooral zijn om je gedachten af te leiden, je te laten ontdenken)... omdat ik weer een nieuw speeltje heb ontdekt, namelijk de gepersonaliseerde startpagina (waarover later meer), ben ik aan het inventariseren welke websites ik vaak bezoek en of ze een rss-feed* hebben. Lees verder
Comments

Drie keer over bepaalde liefde

doeschka_meijsing
Doeschka Meijsing heeft de AKO Literatuurprijs gewonnen. Over de liefde is de eenvoudige maar veelzeggende titel van haar winnende roman. Hoewel het vooral ook over géén liefde gaat, wat er gebeurt met een mens die verlaten is voor een ander. De bekroning is volkomen terecht, want dit boek heeft eigenlijk alles wat je van een boek verlangt.

Wat is dat dan?

Ten eerste, een lekker herkenbaar verhaal. Wie heeft er nou geen liefdesverdriet gehad? 'Pas langzaamaan bedaarde ik. In een van de huizen aan de overkant wilde een man zijn vrouw met een hakmes de hersens inslaan, terwijl zij een bord spaghetti boven zijn hoofd omkieperde. Het moest gezichtsbedrog zijn, even later zaten ze rustig tegenover elkaar aan tafel. Ik bleef bij de open ramen staan, alsof ik de vluchtweg moest bewaken. Ik miste het leven met Jula plotseling heel hevig, het leven dat dan wel niet uit zo’n gloeiend beschaamde verliefdheid was voortgekomen, maar dat zo prettig was geweest, zo door en door op elkaar ingespeeld, zonder al te hevige ruzies, vanzelfsprekend, nooit verveeld.’

Daarbij is het verhaal semi-autobiografisch en daar doet niemand moeilijk over. Iedereen weet wie de inspiratiebronnen vormden voor de hoofdpersonen. Het is (ook) een wraakboek, een afrekening met de voormalige geliefde. Niet verbitterd of met een blinde furie die alle kwaliteit uitvlakt; dit boek is een overwinning op de voormalige geliefde. Dit boek is namelijk beter. Beter dan de relatie, beter dan wat 'de ander' die snol te bieden heeft. Doeschka Meijsing is hier de berijder van de praalwagen.

Dat komt omdat het boek gewoon ontzettend goed geschreven is. Eerst hardop lachen en op de volgende bladzijde je tranen (van woede) wegslikken: wie doet dat Meijsing na?

Een mooi boek om te lezen na Noem me bij jouw naam van André Aciman. Waar Aciman voortdurend de nuance van het ontluikende gevoel zoekt, en de voorbije liefde een onderstroom in het dagelijks leven wordt, nauwelijks merkbaar maar richtingbepalend, gaat Meijsing kopje onder. Zo kan het ook gaan: dat je liefje op een dag een ander heeft en beste vrienden wil blijven. De hoer!

(Ik las de boeken in de omgekeerde volgorde: eerst het verhaal van de razende, vervloekte, vervloekende en tegelijk lamgeslagen Pip en daarna over de zoete verliefd-op-de-liefde Elio van Aciman. Is ook wat voor te zeggen: om na de hel die de volwassen liefde kan zijn terug te keren naar de paradijselijke weemoed van de puberliefde, net als wanneer je het lekkerste hapje op je bord voor het laatst bewaart. Er zijn mensen die het lekkerste eerst opeten. Die zullen teleurgesteld door het leven gaan en eindigen in de ring van hebzuchtigen.)

Beide boeken gaan over homoliefde. In Noem me bij jouw naam zijn het twee mannen, van wie er uiteindelijk een trouwt en kinderen krijgt met een vrouw (het lot van de ander is onduidelijker, hij bemint er velen maar hoe die er tussen de benen uitzien, staat niet vermeld). Meijsing schrijft over twee vrouwen, de een verlaat de ander voor een man - die haar een kind kan schenken.

Toeval? Misschien. Net als de keuze voor Mulisch' Twee vrouwen (waarin, jawel, de ene vrouw een kind laat verwekken door een man die eerst de geliefde was van de andere vrouw om vervolgens de man te verlaten en terug te keren naar de vrouw, als ik het goed begrijp), dat in een recordoplage van 1.000.000 (één miljoen) exemplaren door heel Nederland wordt verspreid in het kader van Nederland Leest.

Doet er niet toe. Hier zijn andere machten aan het werk: de macht van de schrijver die de pen weet te hanteren. Hier zie je de liefde. Over de liefde.



Bookmark and Share
Comments

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam
Daags na mijn besef dat de NoteBook en Bookpedia-projecten eindeloos zijn, is er weer een nieuw project begonnen: het bij elkaar verzamelen van alle nummers uit de Kink 1300. Dat is een soort Top 2000 van alternatieve muziek, die KinkFM onlangs uitzond. Al die nummertjes waarvan je niet weet van wie ze ook alweer zijn, of hoe ze ook alweer heten, staan erin. Dus dat moesten wij hebben. Lees verder
Comments

Spinnen op de wc

Het kan verkeren... Vriendlief ligt te slapen op de bank. Dan ga ik maar naar bed. Echt moe ben ik nog niet, dus boek mee. Wel hebben we aan de wijn gezeten, te ingewikkeld mag het niet worden. Op de badkamer sla ik alvast het minst ingewikkelde boek uit de stapel 'ongelezen’ open: Het jaar dat ik dertig werd van Aaf Brandt Corstius. Lees verder
Comments

Mijn voorkeur gaat uit naar revolutie

Vrijdag is voor literatuurliefhebbers een leuke dag, want dan komen de belangrijkste boekenbijlages uit: Cicero van de Volkskrant en Boeken van het NRC.

Sinds een paar weken kijk ik met nog meer nieuwsgierigheid dan normaal uit naar de eerstgenoemde. Ik schreef al over de nieuwe rubriek 'Het kwintet', waarin schrijvers vijf boeken noemen. Tot nu toe kwamen P.F. Thomése, Tom Lanoye en L.H. Wiener aan de beurt, deze week is het de beurt aan Frank Westerman (tijd voor vrouw, misschien?).

'Boeken die een revolutie in het hoofd bewerkstelligden': dat criterium vond ik zo raak geformuleerd, dat ik in een revolutionaire uitbarsting zelf een septet samenstelde. Maar helaas, de eindredactie van Cicero verving in de volgende aflevering die revoluties door het stijve, schoolse 'bepalen van een wereldbeeld'. Een week later zakt het nog verder in naar 'vijf boeken van hun voorkeur'.

Zonde. Voorkeuren zijn hoogstpersoonlijk en hebben de omlooptijd van een krantenartikel. Voorkeuren smaken naar verontschuldiging: 'ik geef de voorkeur aan Proust, maar als jij liever Giphart leest...' Revoluties vragen het offer van de massa aan het vooruitstrevende gelijk van de minderheid en scheuren de geschiedenis doormidden. Met andere woorden: slappe hap, dat kwintet.

Interessanter is het om te lezen wat de schrijvers daar zelf van vinden. Allemaal beginnen ze met een inleiding op de betekenis van hun lijstje in het algemeen, voor ze de boeken stuk voor stuk toelichten. Ik heb het vermoeden dat de eindredactie van Cicero de schrijvers het oude criterium van de revolutie heeft opgestuurd met het verzoek om een stukje, later heeft gekozen voor die democratische voorkeur, dat alvast boven het revolutionaire stukje heeft gezet, om ten slotte de lezer in verwarring achter te laten.

'Boeken die je vol weten te raken, kunnen je vleugels geven,' begint Westerman (om dan een vreemde sportmetafoor uit te werken die mijlenver van van mijn leesbeleveing af staat). Boeken die je vol raken verdienen niet je voorkeur, die eisen je toewijding op.

De enige die de voorkeur geeft aan voorkeur, is L.H. Wiener, die zich nogal zuur uitlaat: 'Het beste boek bestaat niet. [...] Op verzoek van de Cicero-redactie beperk ik me vandaag tot de volgende vijf.' Zo'n inleiding heeft terecht de omlooptijd van een krantenartikel. Merkwaardig dat de voorkeuren van een leraar Engels zich niet voorbij een dag uitstrekken. Volgende keer mag je ook mij vragen, Cicero, heb je gelijk een vrouw gehad.

Nee, dan Lanoye (waar ik verder nooit iets mee heb gehad): 'Want juist door dit boek ben je reddeloos veranderd, als lezer, als auteur, als mens, als zoogdier. Om alsnog te delen in zijn glorie staat je maar één ding te doen. Het eindeloos zingen van zijn lof. Daar is niets verkeerds mee. Wie niet kan bewonderen, zal nooit scheppen.' Zo iemand heeft iets doorgemaakt met boeken, zijn ziel is eens doormidden gescheurd en vertoont nog steeds de breuklijnen. (Ik zie hierin een parallel met Nietzsches aanstotelijke dat waarlijk productief is.)

Het kan ook andersom, zo bewijst een groepje schrijvers en kunstenaars in Engeland. Literatuur als genezing, niet zozeer om de breuklijnen te helen, maar om ze te onderzoeken en door onderzoek er de schoonheid van in te zien. Net als bij breuklijnen in het landschap, die we allemaal fervent vanaf het diepste of hoogste punt fotograferen.

In de School of Life (beetje een stomme naam, net als Het Kwintet) leer je met behulp van kunst omgaan met de Grote Vragen van het Dagelijks Leven. De 33-jarige Sophie Howarth zette de 'literaire apotheek' op uit onvrede met de heersende opvatting dat je kunst niet mag lastig vallen met je eigen beslommeringen. Kunst is er niet om jou antwoorden te geven op vragen die je dwars zitten of je te vertellen hoe je moet omgaan met andere mensen (of dieren).

Onzin! Ik ben het volkomen eens met Howarth. Dit is exact de reden waarom ik na Literatuurwetenschap (die geobsedeerd is door de wetenschap en niet door de literatuur) hunkerde naar Ethiek. Als je bij de eerste de vraag stelde waarom mensen überhaupt lezen, moest je een empirisch onderzoek gaan doen, bij de laatste ging je al denkend op zoek naar een zinvol antwoord. Bij deze solliciteer ik naar de functie van oprichter, leider en meesterbrein van de Nederlandse School of Life. De Revolutie noem ik haar.

Het meesterbrein denkt...: mensen komen met hun breuklijnen naar de literaire apotheek, en vertrekken met een volgende revolutie in het hoofd. Zij zullen voor altijd verslingerd zijn aan de pillen die ik ze geef. Dat is niet alleen mooi van de kunst: dat ze nooit ophoudt je te verbijsteren en je wereld op te schudden. Dat is ook een heel goed businessplan.

Met dank aan Wouter voor het artikel over de School of Life.



Bookmark and Share
Comments

Kwintet of sextet... septet

Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, is na de zomerstop begonnen met een nieuwe reeks, getiteld 'Het Kwintet'. Bekende schrijvers maken een lijstje van vijf boeken, plus toelichting. Het criterium: 'Welke vijf boeken maakten een onuitwisbare indruk, bewerkstelligden revoluties in het hoofd of verdienen het domweg om te worden aanbevolen?' Beetje flauw, dat laatste, want het doet af aan die mooie revolutie in het hoofd. Een revolutie in het hoofd: daar had Bieri het ook over voor hij zo onwrikbaar bleek als een absolute monarch.

Voorlopig zal de Volkskrant het mij niet vragen, dus dan zet ik mijn kwintet hier maar neer. Al moet erbij vermeld worden dat lijstjes niet vaker dan zeer zelden op een weblog moeten verschijnen. Een ieder is natuurlijk uitgenodigd om niet op een journalist van de Volkskrant te blijven wachten, maar hieronder ook schaamteloos zijn bijdrage te leveren.

Oké, daar gaan we, in chronologische volgorde:

0. De dolle tweeling-reeks van Enid Blyton.
Kijk, hier beginnen de problemen. Zou ik De dolle tweeling aan iemand anders aanraden dan mijn overbuurmeisje? Nee. Maar die boeken bewerkstelligden een revolutie in mijn hoofd. Nachtelijke feestjes, poetsen bakken bij mam'selle, uitzieken op de zaal bij matrone, lacrosse spelen en elk jaar een langere rok dragen: ik kan die boekjes nog woordelijk uitspellen. Ik wás Pat en Ann, en ondeugende Janet, lieve Hillary en norse Prudence. Een veilig bad vanwaaruit het avontuur op je lag te wachten.

Oké, ik begin opnieuw:

1. De verhalen van Edgar Allan Poe.
Op een zeker moment blijkt dat veilige bad zo lek als een mandje. Eigenlijk is het onbegrijpelijke, halfdode, op het punt van instorten verkerende veel mooier! Denk maar aan ruïnes.

2. Essays van Montaigne.
Nog steeds een torenhoog voorbeeld van hoe je al schrijvende je eigen leventje kunt inzetten in een filosofische onderzoeking. En wie verwacht nou dat een Franse burgemeester uit de zestiende eeuw zo grappig kan zijn, zonder iets aan eruditie en zeggingskracht in te leveren?

3. Iets van Derrida.
Ik geef meteen toe: ik heb nog nooit een heel boek van Derrida gelezen. Die paar korte stukken waren echter voldoende om een jaar lang in louter tekst te leven, in een platte werkelijkheid waar alles naar alles verwijst, zonder beperking, zonder dogma. Nog een voorgoed gestanst streven: hoe hij een tekst fileert tot op de milimeter en die tegelijk in een associatieve context zet die mijlen breed is, dat wil ik ook.

4. Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust.
Dit boek heeft letterlijk mijn leven veranderd. Ik las het, de dingen vielen op zijn plek en ik ben nooit meer dezelfde geweest. Zou dat ook een tweede keer kunnen gebeuren? Proust heeft een blauwdruk geschreven, zoniet van de menselijke emoties, dan toch van de mijne. Daarbij verwoordt hij waarom de mens leest en schrijft, en de absolute noodzaak daarvan. Hoe hij de schaamte overwint om een schrijvende staat van oprechtheid te bereiken: zo moet dat dus. Verbloem ik de zaken omdat ik me schaam voor mezelf? Gebruik ik ingesleten woorden om te verhullen wat ik eigenlijk wil zeggen? Het antwoord is altijd 'ja', Proust dwingt je zo ver te gaan dat het in de buurt van een 'nee' komt.

5. De Asielzoeker van Arnon Grunberg.
Deze roman las ik drie maanden na de dood van mijn vader en vier maanden na het verbreken van een lange relatie en heeft me als een soort Baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras getrokken. Dat is pijnlijk. Maar het kan dus. Vreemd dat anderen bij dit boek alleen maar smakelijk hebben moeten lachen terwijl ik heb gehuild als een wolf bij volle maan.

Sorry... 6. Het zijn en het niet van Jean-Paul Sartre moet er ook echt bij... Je hebt altijd een keus, ik kies ervoor om van mijn kwintet een sextet te maken... of is het al een septet...

Overigens voerde Boeken van NRC Handelsblad ooit de reeks 'Het beslissende boek van...' Als ik er uit mijn sextet / septet één moet kiezen als beslissendste boek, dan is het Proust. P.F. Thomèse, de eerste die zijn kwintet mag toelichten in de Volkskrant van vorige week, noemt ook Proust - Contre Sainte-Beuve. Binnenkort meen ik in vertaling beschikbaar.

Lees hier over 'Het beslissende boek van...' mijn vader Gerard Rasch.

En lees hier een mooi interview met Atte Jongstra, die naast Augustinus de Privé heeft liggen. Over Bildung gesproken.

Wie volgt?



Bookmark and Share
Comments

Bericht van het intellectuelenfront

Wat is er zo leuk aan lezen? Een vraag die me vaak gesteld is en waar ik dan altijd een beetje stuntelend op antwoord. Stuntelend, omdat ik niet zo goed durf uit te spreken wat ik eigenlijk denk (namelijk dat lezers betere - ja u leest het goed - mensen zijn). Heb ik het toch gezegd, al is het dan tussen haakjes.

Ik raakte dan ook helemaal opgetogen van een artikel van Peter Bieri, waarin hij net iets eloquenter uitlegt waar het om draait. Sowieso is het fijn om jezelf te herkennen in de beschrijving van een ideaalbeeld. Al essayerend (zoekend) probeert hij een definitie van Bildung te vinden. Lezen blijkt voor deze vorm van zelfontwikkeling onontbeerlijk, maar wel een speciaal soort lezen. Nog zo'n vervelende vraag: waarom lees je van die hoogdravende boeken, zijn thrillers soms niet goed genoeg? (Eh, nee?!)

Peter Bieri is in Nederland trouwens bekender onder zijn schrijverspseudoniem Pascal Mercier. Zijn roman Nachttrein naar Lissabon is een terechte bestseller, hoewel het in veel opzichten een hopeloos ouderwets boek is, over een hopeloos ouderwetse leraar klassieke talen. Tot in de kleinste details ademt de roman dat ouderwetse gevoel uit. Als de hoofdpersoon een taalcursus Portugees koopt, blijkt hij thuis te komen met platen - van die grote zwarte lp's bedoel ik. Even dacht ik alles verkeerd te hebben begrepen, maar het verhaal speelt toch echt rond de eeuwwisseling. Twintigste naar eenentwintigste dan. Aan dit omgekeerde anachronisme wordt geen woord vuil gemaakt, het is gewoon een fout, een vergissing van de schrijver. Maar een heel tekenende, die Peter Bieri ongewild in zijn artikel zal verduidelijken.

De ontwikkelde mens - nee: de zich ontwikkelende mens, want Bildung houdt nooit op - is iemand die zich door boeken laat veranderen, betoogt Bieri. Dát is het antwoord! Dáárom zijn lezers beter! Dáárom zijn thrillers slechter! (De bescherming van de haakjes heb ik niet meer nodig.) Hij leest niet voor het vermaak of alleen om kennis te vergaren, maar ook om zichzelf te toetsen. In het volle bewustzijn van de kans dat het boek dat zelf overhoop zal halen.

Ik hoor het al: dat kunnen Hollywoodfilms toch ook, of cafédiscussies, of drugs. Misschien. Maar je moet als 'ontvanger' stevig in je schoenen staan om er iets wezenlijks uit te halen waar je jaren later nog aan terugdenkt als een vormend moment. Bildung krijg je door alles in dienst te stellen van de mogelijkheid tot geestelijke transformatie. Drugs en B-films kunnen die geven, een paar keer, maar raken dan uitgeput. Boeken raken nooit uitgeput. Elk boek geeft weer een volledig nieuwe en unieke opening. In die zin zijn ze een makkelijk handvat om je te ontwikkelen.

Dit is een van mijn overtuigingen. Een andere overtuiging is dat de mens niet ontwikkeld is als hij geen kennis neemt van wat de wereld hem nog meer te bieden heeft. Hoe kun je je een beeld vormen van 'de mens' en 'de maatschappij' als je nooit wegzwijmelt bij RTL Boulevard of (als vrouw) de FHM inkijkt? Hoe kun je op een rationele manier over genot en het lichaam praten als je nooit uit je dak bent gegaan op scheurende beukmuziek, al dan niet met een pil in je mik? Feit blijft dat al die ervaringen elk voor zich niet iets wezenlijks veranderen, maar zich eerder opstapelen en hoogstens met z'n allen iets betekenen. Terwijl boeken... nou ja, vul zelf maar in. Lijkt mij dat Bieri, die voor de definitie van Bildung ook schrijft over tolerantie, openheid, nieuwsgierigheid, inlevingsvermogen, het hiermee eens is.

Helaas. Bieri trapt in de intellectuelenval. Hij is een typisch voorbeeld van een ivorentorenbewoner die naar beneden kijkt en meent dat alles daar vuig en voos is, terwijl hij gewoon een nieuwe bril nodig heeft (mensen die Nachttrein naar Lissabon hebben gelezen, begrijpen wat ik bedoel). Dit is de eenentwintigste eeuw! Opeens staan die lp's van de taalcursus in een heel ander licht. Zou zelfs de cd tot de verderfelijke buitenwereld behoren, omdat de Grote Denkers die niet hebben kunnen aanschouwen? En wat dan met, genade genade, de empeedrie?

Bieri eindigt zijn stuk met de meest conservatieve, zielige, onontwikkelde alinea die ik dit jaar heb gelezen. 'Überhaupt is de ontwikkelde mens iemand die zich ergert aan bepaalde dingen: aan de leugenachtigheid van de reclame en de verkiezingstaal; aan platitudes, clichés en alle vormen van onoprechtheid; aan de eufemismen en cynische informatiepolitiek van het leger; aan alle vormen van dikdoenerij en meeloperij, zoals je ze ook tegenkomt in de kranten van de burgerij die zichzelf beschouwen als plaatsen van beschaving. De gebildete mens ziet elke kleinigheid als voorbeeld van een groot kwaad.’

Gatsiedakkie. Bieri transformeert binnen het bestek van zijn artikel van ontwikkeld tot onontwikkeld. Ik proef kleinzieligheid die doet denken aan de LPF. Mijn grootste ergernis zijn wel mensen die zich aan alles ergeren wat niet in hun straatje past. Mensen die van een mug een olifant maken, die bij elke platvoerse uiting van de massa meteen het kwaad, oeps 'Een Groot Kwaad' erbij moeten halen. Die denken dat je ergeren een teken van intelligentie is. 'Er bestaat, hoe paradoxaal het ook klinkt, een onontwikkelde geleerde,' schrijft Bieri. Een ieder die zijn artikel uit heeft, zal hem op zijn woord geloven. Ik ben blij dat RTL Boulevard weer begonnen is. Lekker herkenbaar. Laat Bieri maar in zijn ivoren toren met lp's spelen.

PS: Nachttrein naar Lissabon blijft een geweldig boek.



Bookmark and Share
Comments

Techniek in de literatuur IV


"De telefoon" van Osip Mandelstam (1891-1938)

Lees verder
Comments

Idols voor schrijvers

Op het hoogtepunt van de eerste editie van Idols, vijf jaar geleden, dacht ik na over wat Idols zou zijn als er geen aspirant-zangers maar -schrijvers op de stip zouden staan.


Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur III

Tsjechovs Witte Villa is geopend van wo t/m zo tussen 10 en 17 uur.

Lees verder
Comments

De agonale fernet van Sebald

sebald_duizelingen
Ik heb ooit iemand gekend die Ronald Giphart een waardeloze schrijver vond omdat hij nooit een woord uit zijn boeken hoefde op te zoeken. Het gebruik van bijzondere, weinig gebruikte woorden was blijkbaar zijn criterium voor goede literatuur. Onzin vind ik: ten eerste lees ik genoeg goede boeken waaruit ik geen woord hoef op te zoeken (De Wandelaar van Adriaan van Dis bijvoorbeeld), ten tweede zou het betekenen dat hoe groter je woordenschat wordt, hoe slechter de literatuur. Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur II

Een roman waarin heel veel nieuwe apparaten (gadgets had je toen nog niet) een rol spelen, is De Toverberg van Thomas Mann. Lees verder
Comments

Waar is de Myspace voor schrijvers?


Gartner hype cycle

Iedereen kent de verhalen van bandjes die via internet groot zijn geworden. De Arctic Monkeys, Vampire Weekend en, vooruit, ook zangeresjes als Esmee Denters. Het leek me altijd geweldig als dat met literatuur ook zou gebeuren. En dat ik dan geniale jonge schrijvers ontdek en aan een contract help. Lees verder
Comments

Zomer

Zomer

Hoogopschietende bomen langs gemene greppel
En dat midden in de stad. Een kruising van twee, drie wegen,
Druk genoemd, maar in slepende schaduwen verlaten.

Dan: een kip, drie, vier kuikens,
Ontwaakt door de stilte van geen verkeer,
Spelen een slalom tussen de bomen, langs het water.

Ik draai links en weer links, mijn hoofd links
Maar zij tokkelen in tegengestelde richting een hoekje om.
Tot in de late uren delen wij de opgewektheid.
Lees verder
Comments

Techniek in de literatuur I

Vandaag deel 1 in een serie (een beetje ambitie kan nooit kwaad) over 'techniek, nieuwe uitvindingen en hun weergave in de literatuur'. Prachtig vind ik dat: je leest een honderd jaar oud boek en opeens staat er een opmerking over zo’n merkwaardig ding als de telefoon, die het leven op zijn kop zet. Het gaat me niet om boeken waarin techniek een hoofdrol speelt, of waarin technici rondlopen. Ook interesseert de sciencefiction me niet, waarin wordt onderzocht hoe de techniek zich zou kunnen ontwikkelen. Het zijn de kleine passages (soms slechts zinnen) waarin normale mensen voor het eerst in aanraking komen met een nieuwe uitvinding, die ik wil uitlichten. Zaken die in de eenentwintigste eeuw volkomen vanzelfsprekend zijn, maar ooit een revolutie betekenden. Hoe ervaarden de mensen die noviteiten? Welke betekenis gaven ze eraan?

Die telefoon noemde ik niet voor niets. In De stille kracht van Louis Couperus staat precies zo’n passage die ik bedoel. Deze roman uit 1900 staat niet direct bekend als boek over moderne uitvindingen, de stille kracht uit de titel die de personages beheerst, is een eeuwenoud, mysterieus, bovennatuurlijk noodlot dat mens en natuur verbindt. Maar misschien is de botsing tussen die oeroude (Indische) kracht en de moderne (Westerse) mens wel het kernthema van Couperus’ meesterwerk. En kan de telefoon daar iets meer over laten horen.

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de receptie's, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer te kleeden en het rijtuig - de wagen - te laten inspannen, want men cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite's door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de achtergalerij - luid op - de helft van een gesprek - het antwoord onhoorbaar voor wie er verder zaten - klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer.

Wanneer hebben we dit nog meer gehoord? Bij de opmars van de mobiel en het internet natuurlijk, die hoogstpersoonlijk elke persoonlijke communicatie de nek om zouden hebben gedraaid. Blijkbaar zijn zulke bezwaren al meer dan een eeuw oud.

Het opvallendste aan dit citaat is dat gezelligheid en intimiteit voor Eva samenhangen met jezelf mooi maken voor de ander. Telefoneren in je kamerjas is ordinair, een failliet van de beschaving. Bovendien hoeft men geen moeite meer te doen om elkaar te zien, men hoeft zich zelfs niet te bewegen.

Wat ook opvalt is een tegenstrijdigheid in deze aanklacht tegen de telefoon. Alle spontaniteit in de menselijke omgang is verdwenen, juist omdat je de deur niet meer uit hoeft voor een sociaal leven. Aan de andere kant bellen mensen elkaar op zonder daar een aanleiding voor te hebben, 'alleen om het plezier te bellen'. Is dit niet veel spontaner dan je te moeten opdoffen, een rijtuig te moeten bestellen en een gespreksonderwerp te hebben, voordat je eens langsgaat bij je vrienden en kennissen?

Eva hoopt in Batavia de 'ideale stad van beschaving' te vinden, maar wat ze aantreft is een gemeenschap die gecorrumpeerd is door een teveel aan beschaving. De techniek, die een hoogtepunt is van de Westerse civilisatie, zorgt ervoor dat de mensen hun eigen, innerlijke beschaving kwijtraken (die voor haar uitgedrukt wordt in uiterlijk vertoon, dat wel). De stille kracht is vergeten.

Uiteindelijk heeft Eva ongelijk gekregen en is de telefoon juist een middel geworden om meer spontaan contact tussen mensen te bewerkstelligen. Zeker de mobiele telefoon. 'Zeg, ik ben in de buurt, zal ik even langskomen,' enzovoorts. En met de komst van de mobiel hoeven we ons ook geen zorgen te maken over de kamerjas: thuiszijn is geen voorwaarde meer voor bellen. Sterker nog, de telefoon is een accessoire om op straat mee te pronken. Maar of dat nou beschaafd is? Ik vraag me af hoe Eva het had uitgehouden tussen het aanhoudende getjingel en de halve gesprekken die je tegenwoordig overal en op elk moment hoort. Ik heb zo’n vermoeden dat ze zich versuft thuis zou opsluiten, voor eeuwig.

Lees De stille kracht van Louis Couperus helemaal online, bij de DBNL!



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:

Weet je ook een roman, verhaal of gedicht waarin een nieuwe uitvinding voorkomt, laat het me weten.
Comments

Het dier Hugo Claus

Vandaag als aanvulling op mijn stukje over De Wandelaar van Adriaan van Dis een gedicht van Hugo Claus, waarin hij zeer wijs over dieren dicht. Lees verder
Comments

De Wandelaar

Je hebt dus honden- en kattenmensen, zegt men. Ik, met drie katten, hoor bij de laatste categorie. Ik geloof niet dat ze elkaar uitsluiten, die categorieën, er bestaan immers ook biseksuelen. Over konijnenmensen of koeienmensen hoor je nooit iemand. Wel over paardenmeisjes. Lees verder
Comments

Flirt met het concrete


Vandaag herlas ik de inleiding die ik schreef bij Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch. Elders op deze site is er een deel uit te vinden. Lees verder
Comments