Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten

cain_stil
Als ik aan zure matten denk, of 'zure matten’ typ zoals nu, voel ik meteen mijn speekselklieren aan het werk gaan, haast alsof mijn wangen hamsterachtig opzwellen. Wat blijkt? Je reactie op zure dingen is een beproefde manier om te testen of je tot het introverte dan wel extraverte persoonlijkheisdtype behoort, zo las ik in Stil van Susan Cain. Daarin beschrijft ze wat introvert zijn betekent, wat de 'kracht' ervan is en waarom die zeker in de Amerikaanse cultuur niet onderkend wordt. Soms doet ze dat op wel erg defensieve wijze, maar al met al is het boek voor mij een eye-opener geweest. En niet alleen omdat ik nu weet waar dat excessief watertanden op wijst. (Hier vind je Cains TED-talk en een link naar een artikel van haar.)

Introvert dan wel extravert zijn; het klinkt als een gemakkelijke typering, maar Cain laat zien hoeveel verschillende dingen ermee te maken hebben. Ze begint met een soort alledaagse psychologie: we hebben allemaal wel een idee van hoe introverte en extraverte mensen zich gedragen. Daar hangen ook allerlei oordelen aan vast, impliciet ('die stille jongen heeft vast niks te zeggen, saaaaaai!' - terwijl, wat is er eigenlijk mis met ernst als deugd?) maar ook expliciet (grappig zijn de passages waarin Cain bijeenkomsten van zelfhulpgoeroes bezoekt, die stuk voor stuk gaan over het aankweken van extraversie, blijkbaar moet je van je introversie af geholpen worden). Het onderwijs is ingericht naar die oordelen, net als de werkvloer. Politiek, economie, culturele misverstanden: werkelijk alles weet Cain aan haar thema op te hangen.

Terug naar de basis. De wetenschappelijke basis van experimenten met citroensap. Hoe test je zoiets als introversie? Probleem is juist dat het daarin gaat om een voorkeur voor het innerlijke leven en ook letterlijk voor alleen zijn. Lange tijd richtte de sociale wetenschap zich alleen op de uiterlijke verschijningsvormen van gedrag. Terwijl innerlijk gedrag óók gedrag is, al kun je het niet observeren. Ook op dit gebied heeft de 'physical turn' in het onderzoek een heel nieuw veld aan vragen en mogelijke hypothesen blootgelegd. Zoals het citroenexperiment (door mij vertaald naar de zure matten), dat overigens al in 1967 voor het eerst werd uitgevoerd. Als je gaat watertanden bij de gedachte aan zure matten, heb je een introverte aanleg - je reageert namelijk bovengemiddeld op externe prikkelingen.

Prikkeling lijkt het toverwoord te zijn waarmee al die thema's - het lichamelijke, maatschappelijke, sociale, morele et cetera - te koppelen zijn. Hoe reageer je op prikkelingen? Ben je snel overprikkeld of zoek je steeds naar meer? Daar kun je je aan de hand van de voorbeelden die Cain geeft een beeld van vormen. Haar anekdotes en persoonsbeschrijvingen - van zichzelf en anderen - zijn inzichtelijk, soms herkenbaar, soms juist niet, maar altijd waard om over na te denken en jezelf aan te spiegelen. Een aantal van mijn voorkeuren valt op zijn plek: bijvoorbeeld voor de abstracte kunst van Mondriaan en De Stijl. En landschappen zoals woestijn (sneeuw-, rots-, zand- dat maakt niet uit, gewoon lege vlaktes). Aan de andere kant: ik ben van de harde muziek die liefst altijd op de achtergrond staat te spelen. (Wel rechttoe rechtaan, zoals ik schreef in mijn Nummer van de dag.)

Cain geeft wel af op de zelfhulpcultus, maar ze weet dondersgoed dat ze er zelf ook aan meedoet. Ze wil natuurlijk ons introvertelingen een hart onder de riem steken. De belangrijkste vraag die je dan moet zien te beantwoorden is: wat is je optimale prikkelingsniveau? Introverte mensen reageren heftig op veel prikkelingen, extraverte mensen kunnen wat dat betreft meer hebben. (Vandaar dat drukke - huilende - kinderen over het algemeen juist introvert zijn, anders dan veel mensen verwachten.) Uiteindelijk probeer je als introverte mens in een extraverte maatschappij je leven dan maar zo te organiseren dat het past bij dat optimale prikkelingsniveau - zoals natuurlijk iedereen dat doet. (Dat is overigens de vreugde van ouder worden: eindelijk je leven leiden naar je eigen inzicht.)

Soms gaat dat makkelijk, soms word je tegengewerkt. Om af te sluiten twee concrete voorbeelden die me aanspraken:

Social media
'de sociale media hebben nieuwe vormen van leiderschap mogelijk gemaakt voor tientallen mensen die niet in het sjabloon van de Harvard Business School passen.' ... 'Onderzoek heeft zelfs aangetoond dat introverte mensen gemiddeld meer dan extraverte mensen intieme feiten over zichzelf prijsgeven via internet die hun familie en vrienden zouden verbazen, vaker zeggen dat ze hun "ware ik" via internet kunnen uiten, en meer tijd besteden aan bepaalde internet-discussievormen.'

Herkenbaar. Eerder viel me een soort discrepantie op tussen mijn Twitter- en Facebookgebruik als het gaat om wat je vertelt en aan wie. Er is 'de grote wereld' en er zijn je nabije vrienden. Juist intieme informatie deel ik soms sneller met de grote, anonieme wereld dan met de kleine kring. Die laatste weet het op waarde te schatten en te interpreteren, wat niet altijd de bedoeling is, of wat beangstigend kan zijn. Twitter is volkomen openbaar en ik word gevolgd door allerlei mensen die ik helemaal niet ken. Toch zet ik sommige persoonlijke dingen daar eerder op dan op Facebook, waar de mensen mij beter kennen en dus weten waar ik het over heb. (Ik begrijp die beroemdheden dan ook wel, die allerlei privé-zaken spuien voor het grote publiek. Het maakt namelijk niet uit, want het publiek ken je niet, en kan daarom niet aan je komen.) Juist iets aan bekenden vertellen is eng, daar zet je jezelf op het spel. Het publiek kun je sturen, je bekenden niet, die brengen veel meer ter tafel wat je niet in de hand hebt en kunnen jou bovendien daarmee confronteren.

De kantoortuin
'Kantoortuinen verlagen de productiviteit en verslechteren de geheugenfunctie. Ze vertonen een relatie met groot personeelsverloop. Ze maken mensen ziek, vijandig, ongemotiveerd en onzeker. Mensen die in een kantoortuin werken, hebben meer kans op hoge bloeddruk, stress en griep; ze maken vaker ruzie met collega's, ze zijn bang dat collega's hun telefoongesprekken afluisteren en op hun computerscherm spieden. Ze voeren minder persoonlijke en vertrouwelijke gesprekken met collega's. Ze worden vaak blootgesteld aan luid en oncontroleerbaar lawaai, dat de hartslag verhoogt; dat zorgt voor de afgifte van cortisol, het vecht-of-vluchthormoon dat het lichaam bij stress aanmaakt; en dat mensen sociaal afstandelijk, licht ontvlambaar, agressief maakt en ongenegen om anderen te helpen.'

Verdere toelichting overbodig.



Bookmark and Share
Comments

Zijn wij ons brein? E-book en afscheid

e-bookZijnwijonsbrein-
Zijn wij ons brein? Bij Studium Generale vroegen we verschillende wetenschappers om op deze stelling te reageren en vragen aan elkaar te stellen over de vrije wil, lichaam en geest. Elk vakgebied heeft weer een ander perspectief op de problematiek, trekt andere conclusies, maar bovenal: stelt andere vragen. Die interdisciplinariteit is typisch 'Studium Generale' en het resultaat is precies waarom ik zoveel plezier beleef aan wetenschap en filosofie. Het mooiste is dat het resultaat voor iedereen beschikbaar is. Alle reacties werden verzameld in een e-boek, dat hier gratis te downloaden is.

Gedrag ontstaat dankzij materie, maar kan daar niet uit worden afgeleid.

Dit citaat uit de bijdrage van neuroloog Jan van Gijn schreef ik alweer lang geleden over in mijn notitieboekje. Nog steeds blader ik er regelmatig naar terug (mijn geheugen laat me op dit soort momenten altijd in de steek). In zo'n eenvoudige zin zet Van Gijn de hele discussie neer en geeft meteen de problemen van te ver doorgevoerd reductionisme aan. Het hele boek staat vol met dit soort overwegingen - eenvoudig, niet nodeloos ingewikkeld, maar ook diepgaand en niet nodeloos versimpelend.

Mijn favoriete essay is dat van dr. Martijn van den Heuvel. (Ook weer een neuroloog, opvallend.) Van den Heuvel benadert het brein en al die vurende neuronen die wij zogenaamd zouden zijn vanuit de chaostheorie. In het onderstaande filmpje legt hij uit waarom wij niet ons brein zijn; we zijn de verbindingen in ons brein, het 'connectome'. Een overtuigende theorie als je het mij vraagt.



Juist omdat deze beschrijving van het brein - en daarmee samenhangend de vrije wil en het lichaam-geest-probleem - geworteld is in de materie maar tóch ruimte weet te laten aan chaos, verandering en de beheersing daarvan, spreekt ze zo aan.

Mijn 'ik' is dan misschien niet meer dan functionele interacties tussen anderhalve kilo structurele connecties, maar het zijn wel míjn connecties die leiden tot een uniek, zelfgeorganiseerd evenwicht. Geïnitieerd door mijn genen en gevormd door mijn ervaringen en omgeving. Een prachtige creatie, volledig uniek, onvoorspelbaar en voor elk mens anders.

Nogmaals de link om het e-boek te downloaden met naast de essays van Martijn van den Heuvel en Jan van Gijn ook stukken van filosofen, taalkundigen, juristen et cetera, gratis en voor niks (en ik kan je vertellen dat er heel veel uren in zitten, ook van mij): Zijn wij ons brein?

Veel plezier ermee!

Vandaag is mijn laatste werkdag bij Studium Generale. Per 1 juni ga ik aan de slag bij de Hogeschool van Amsterdam bij het Instituut voor Netwerkcultuur en als docent.



Bookmark and Share
Comments

Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode

muzikaal
Iedereen is muzikaal: het is de titel van de jaarlijkse Kunst- en wetenschapslezing, dit keer verzorgd door prof. dr. Henkjan Honing, het is ook de titel van zijn boek over muzikaliteit, én de kortste samenvatting van zijn wetenschappelijke stelling. Muzikaliteit is een heel gewone eigenschap die alle mensen delen; a-muzikaliteit is juist bijzonder. Ongeveer vier procent van de mensen lijdt aan ‘amusie’ – wat betekent dat je moeite hebt om verschillende melodieën te onderscheiden of platter gezegd, ‘toondoof bent.

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?

Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.

We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).

Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).

Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.

De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.

Kaketoe Snowball:


[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dingen denken, dingen doen, dingen veranderen: do-it-yourself

underground
‘Hier in Nederland is het té goed.’ Mensen moeten wakker geschud worden, ‘je moet dingen gaan denken, dingen gaan doen … en door dat te gaan doen kunnen we misschien ook wel echt wat veranderen.’ We zijn te gast in punkwinkel No Fun, in het Amsterdam van 1977 (Wonderland, een documentaire over punk in Nederland, 1977). Het is een opvallende uitspraak dat het in Nederland té goed zou gaan. Verzetten de punks zich niet tegen juist tegen werkloosheid en gebrek aan goede woonruimte, tegen een maatschappij zonder toekomstperspectief? Oftewel: No Future nu, zoals Leonor Jonker haar boek over de punk in Nederland noemde. Zij opent de derde avond van de serie Underground met het filmfragment uit de punkdocumentaire.

Beste vrienden met je ouders
Misschien kwamen die grote maatschappelijke problemen – jeugdwerkloosheid, leegstand – pas een paar jaar later echt aan de oppervlakte. In het begin van de jaren tachtig verandert ook de punk- en kraakscène; die wordt steeds extremer en de reacties van de autoriteiten verharden mee. Is dat wat ons nu ook te wachten staat? Een steeds terugkerende vraag is waarom jongeren nu, 35 jaar later, zo weinig hun stem laten horen, niet massaal de straat op gaan of zich zelfs maar afzetten tegen de generaties boven hen. Je zou kunnen zeggen dat het ondanks de crisis nog steeds ‘té goed’ is hier in Nederland. Is het weer tijd om de mensen wakker te schudden?

Een stevig (generatie)conflict, waardoor je weer ‘dingen gaat denken, dingen gaat doen’ is misschien precies wat de crisis nodig heeft, lijkt Thomas van Aalten te vinden. Het is de vraag of generatieconflicten nog wel van deze tijd zijn. Tegenwoordig zet je je niet meer af tegen je ouders, maar ben je vrienden van elkaar. Beste vrienden zelfs. Leonor Jonker herkent dat wel. Van Aalten en Jonker schelen minder dan tien jaar, maar tussen hen tekent zich een groot verschil af: ergens in die tien jaar is de verhouding tussen jeugd en ouders totaal veranderd, van conflict naar vriendschap. Dat verandert ook de houding tegenover verzet en protest.

Punk in alle huiskamers
Je kunt je afvragen of de geest van verzet wel echt zo wijd verspreid was in de jaren zeventig en tachtig. Punkers en krakers maakten maar een heel klein deel van de bevolking uit, vormden een echte underground-cultuur, geconcentreerd in de grote stad. Hebben we daar niet een vertekend beeld van? En is het wel eerlijk als we de hele jeugd van nu vergelijken met zo’n kleine groep van toen? Martijn Haas ging op zoek ging naar de mooie, spannende verhalen voor zijn geschiedenis van de Amsterdamse jaren tachtig, verteld aan de hand van losgeslagen en uitzonderlijke types.

Zoals Mike von Bibikov, hoofdpersoon van zijn laatste boek Bibikov for President, die de bestaande politiek wilde ontkennen en een nieuwe staatsvorm bedenken. Met zijn partij De Reagering nam hij deel aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen om zo de politiek van binnenuit te veranderen (met weinig succes). Met de piratenzender Rabotnik TV werd ingebroken op de kabel zodat Bibikov in alle huiskamers te zien was. Toch wel iets anders dan YouTube, waar ook elke zonderling zich kan laten zien, maar niemand ernaar hoeft te kijken.

Do-it-yourself
Het gaat er ook niet zozeer om of de punkmentaliteit representatief was voor de jaren tachtig (natuurlijk was zij dat niet, we kennen ook allemaal de gepolijste muziek uit die tijd, het ‘greed is good’ van Gordon Gekko en de suffige bloemkoolwijken in provinciestadjes). Belangrijker is te luisteren naar wat het meisje in de punkwinkel No Fun zegt: we moeten dingen doen en denken en dan kunnen we misschien wel iets veranderen. Het is die eenvoudige overtuiging – ‘do-it-yourself’, ga niet zitten wachten tot iemand het voor jou doet – die de moeite waard is om weer leven in te blazen. Daar heb je geen idealen of generatieconflict voor nodig. En wat het idee erachter is? Dat bedenken we over een jaar of dertig wel.

Kijk voor meer beeld, verhalen en discussie: Van underground tot commercie in muziek, kunst en tv met Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker. Hans Achterhuis ging eerder in op de achtergronden van de ideologie van de jaren zeventig en tachtig: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten en Caroline Nevejan sprak in een persoonlijk verhaal over kraken en hacken tot ontwerp en bestuur.

Lees ook:
Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen
Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme

underground
‘Het persoonlijke is politiek’: die leus vat zowel de maatschappelijke tendensen als de persoonlijke instelling in de jaren zeventig en vroege jaren tachtig samen. Na de val van de Muur in 1989 lijkt dat te zijn veranderd. Het persoonlijke is na twee decennia durfkapitalisme vooral handelswaar geworden. Hoog tijd om het heft weer in eigen hand te nemen. De praktische idealen van de kraakbeweging, waarin do-it-yourself, het creatieve experiment, vrijheid en transparantie centraal stonden, zijn een heroverweging waard. Caroline Nevejan levert met haar lezing in de serie Underground over kraken en hacken, bestuur en ontwerp voldoende stof daarvoor.

De politiek analyseren en daar je persoonlijke handelen op afstemmen: dat was de dagelijkse consequentie van het persoonlijke dat politiek werd. Dat geeft al aan dat de groep of beweging voorop stond, en niet zoals we nu gewend zijn het individu, zoals Hans Achterhuis in zijn lezing ook stelde. De emancipatie van bepaalde groepen in de bevolking – vrouwen, homoseksuelen – heeft pas later de weg vrijgemaakt voor het hyperindividualisme dat we nu kennen. In het geval van de krakers ging het concreet natuurlijk om woonruimte, leegstand en het behoud van oude stadspanden. Om de kraakbeweging in stand te houden was het nodig om die als groep voorop te zetten en als persoon zo anoniem mogelijk te blijven.

Die anonimiteit binnen een hechte groep lijkt een bijzondere voedingsbodem voor creativiteit en experimenteerdrift te zijn geweest. Belangrijker nog is het behoud van zelfstandigheid. Een voorbeeld zijn de ‘eigen media’. Nevejan vertelt hoe het internet ontstond als een netwerk om elkaar op de hoogte te houden, en later ook om contact te houden met bijvoorbeeld oppositiegroepen in het buitenland. Tegenwoordig zijn de media haast standaard níet ‘eigen media’. Ook al hebben we het idee dat onze profielpagina’s op Facebook en LinkedIn persoonlijk zijn en van onszelf, alle gegevens zijn in handen van commerciële bedrijven. Bovendien is ons ‘persoonlijke’ profiel volkomen gestandaardiseerd naar een eenduidig format.

Het persoonlijke is om die reden nog steeds behoorlijk politiek, aldus Nevejan. We vinden het persoonlijke nu belangrijker dan wat dan ook, terwijl we dus tegelijk steeds meer conformering toestaan. In de jaren tachtig, met haar groepsgevoel en solidariteit, bleef je weliswaar anoniem (krakers kenden elkaar alleen bij de voornaam) en werd het individu dat uit de groep trad niet beschermd. Maar in de ‘vrije ruimte’ die letterlijk en figuurlijk beschikbaar was – in de gekraakte schoolgebouwen met hun grote klaslokalen, en in de vrijheid om niet gehinderd door al te veel regels te experimenteren met kunst en nieuwe samenlevingsvormen – ontstond misschien wel meer ‘eigens’ dan nu mogelijk is.

Gelijkheid was belangrijk en hiërarchie werd zoveel mogelijk vermeden. Uiteindelijk ontstaan overal machtsverhoudingen en structuren. Het is zaak om die zo transparant mogelijk te houden, iets wat in deze tijd juist niet gebeurt. Zeker in onze gemedialiseerde maatschappij, die ook door en door commercieel is, lopen belangen voortdurend door elkaar. De jongeren die in opstand kwamen tijdens de Arabische Lente, hebben enorm veel te danken aan Facebook en Twitter, maar verzuchten ook dat ze de media niet alleen hadden moeten gebruiken, maar ook hadden moeten proberen over te nemen. Of dat mogelijk is? Dat is de verkeerde vraag, begrijp je uit het verhaal van Nevejan. Het gaat erom hier en nu actie te ondernemen en het mogelijk te maken.

Kijk de lezing van Caoline Nevejan hier terug. Volgende week is het tijd om de jaren zeventig en tachtig te laten herleven in beeld en geluid. Niet alleen punk, maar ook de commercie deed zijn intrede. Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker leiden je rond.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Jaap van Ginneken - Het enthousiasmevirus

ginneken
‘Stemmingsbesmetting’: met dat woord duidt Jaap van Ginneken, massapsycholoog en schrijver, een heel aantal fenomenen, van Occupy en plotselinge verschuivingen in de publieke opinie tot teamgeest op de werkvloer. Door de sociale media en mobiel internet doet stemmingsbesmetting zich nog vaker en sneller voor. Nieuwe wetenschappelijke inzichten in bijvoorbeeld werking van spiegelneuronen in de hersenen tonen aan dat die ‘explosieve verspreiding van gevoelens’ ook diep in de natuur verankerd is. In Het enthousiasmevirus beschrijft hij deze twee ontwikkelingen op een toegankelijke, soms wat overvloedige wijze.

Lees verder op Athenaeum.nl: Hoe gevoelens besmetten - op afstand



Bookmark and Share
Comments

Daniel Kahneman over het conflict tussen ervaring en herinnering

'We don't choose between experiences, we choose between the memory of experiences.'

In de TED-talk The riddle of experience vs memory bespreekt Daniel Kahneman een 'cognitieve valkuil' waar onderzoekers van geluk maar al te vaak in vallen. De ervaring van het geluk is iets anders dan de herinnering aan die ervaring. Of met andere woorden: de onmiddellijkheid van het moment moet je niet verwarren met de reflectie achteraf. 

Herken je dit? Je ontmoet een leuke jongen (of meisje) en je gaat een paar keer samen uit. Na een paar afspraakjes loopt het spaak. Met een knal spat het prille geluk uiteen. Al die tijd bleek hij een stuk of zes 'projectjes' te hebben lopen waar jij er toevallig één van was. Wat een vreselijke ervaring, denk je. Maar de ervaring, die paar mooie avonden en wilde nachten, is helemaal niet veranderd. Die momenten zijn immers allang vervlogen en blijven onveranderlijk gelukkig. Het is de herinnering die is veranderd en die het geluk transformeert tot iets vreselijks.

We hebben twee zelven, aldus Kahneman: het ervarende zelf en het herinnerende zelf. De eerste is degene die in het heden leeft, in de onmiddellijkheid van het moment. De tweede kijkt terug op het verleden en vertelt daar verhalen over, gebaseerd op de herinnering. Bij het denken over geluk zijn we geneigd de twee zelven te verwarren. Ze raken met elkaar in conflict. Enter ellende.

Is het niet zonde om de gelukkige ervaring weg te gooien, alleen omdat de herinnering er achteraf een grauwsluier overheen trekt? Vind ik wel. Ik probeer altijd het geluk voor ogen te houden dat een moment bezat, los van wat er verder op volgde. Dat is niet makkelijk, want wat de boel verder compliceert is het belang dat nu net het einde van een ervaring heeft bij het construeren van de herinnering eraan. Kahneman vertelt over patiënten die een pijnlijke medische ingreep ondergaan. Bij de een eindigt de ingreep na een korte tijd (zeg, vijf minuten) op het hoogtepunt van de pijn. De ander moet tien minuten lijden, maar van die tien minuten zijn de laatste vier niet zo heel erg. Zijn herinnering aan de ingreep zal daarom minder negatief zijn dan van zijn lotgenoot, ook al duurde de ingreep dubbel zo lang. 

Zo werkt het ook in de liefde. Als het prille geluk inderdaad met een knal uiteenspat, zal het moeilijker zijn om de herinnering aan de gelukkige momenten ook gelukkig te houden. Hoe lang of hoe kort ze ook duurden. Een cognitieve valkuil, in de woorden van Kahneman 'the tiranny of the remembering self'. Dat is er eentje om met een lange aanloop sierlijk overheen te springen. 

(Overigens is tussen de regels door in Kahnemans praatje ook een pleidooi te horen voor een levenskunst van de ervaring, voor actie is altijd beter dan geen actie. Mooi.)





Bookmark and Share
Comments

Eindejaarslijstje: favoriete Studium Generale-lezingen in 2011

Het klinkt als een open deur of 'wij van wc-eens adviseren wc-eend', maar het was lastig een top 3 samen te stellen uit de vele lezingen die ik dit jaar bij Studium Generale heb begeleid. Maar vooruit.

SG4
1. Was there a 'Time' before the Big Bang? - Prof. dr. Renate Loll
Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

SG1
2. Levenskunst: Wu Wei. Doen door niet te doen door prof. Maarten van Buuren
Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat 'wu wei' verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

SG3
3. Sigmund Freud door Paul Schnabel in de reeks Kennis voor de toekomst
Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

SG2
Voor mij persoonlijk was het interview 'live on stage' met prof. Frans de Waal op festival deBeschaving het meest bijzondere om te doen dit jaar. Hij vertelde voor een volle festivaltent over apen en mensen, over macht en seks, over gedrag en moraal. Daar is helaas geen opname van. (Behalve als degene die op de eerste rij zat met een videocamera zich alsnog meldt!)



Bookmark and Share
Comments

Filmpje: Krachtige taal





Bookmark and Share
Comments

De kroon op de evolutie

gewervelden
De mens, dat moet wel de kroon op de evolutie zijn. Het eindpunt dat we maar met pijn en moeite als ‘voorlopig’ willen bestempelen. In de laatste lezing van prof. Jelle Reumer over de evolutie van de gewervelden gaat het over zoogdieren. Primaten, even- en onevenhoevigen en hun onderlinge verwantschappen. En over de mens, maar niet als allerlaatste. Nee, de mens ziet Reumer zeker niet als kroon op de evolutie.

Homo sapiens is een van de vierduizend levende zoogdiersoorten, samen met de apen behorend tot de primaten. De mens, zijn voorgangers en de mensapen stammen allemaal af van de vroege ‘hominide’. Die evolueert verder in een tak waaraan de chimpansees en bonobo’s ontspruiten, en een andere tak die via de eerste ‘mensachtigen’ zal leiden tot de mens. Dat afsplitsen van mens en aap gebeurde al miljoenen jaren geleden, terwijl de soort ‘homo sapiens’ pas 200.000 jaar geleden ontstaat.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

De aarde als experimentele proeftuin: evolutie van het zoogdier

gewervelden
Evolutie is een geleidelijk proces van miljoenen jaren van adaptatie en ontwikkeling. Niet zo gek dat de grenzen tussen de verschillende soorten vaag zijn. Er zijn overgangsfiguren te vinden tussen de ene soort en de andere, zelfs tussen de ene klasse en de andere – bijvoorbeeld tussen reptiel en zoogdier. De tiktaalik, die als eerste vis het water uit kroop, waarom is dat geen reptiel? Eigenlijk vooral omdat wij hem nu eenmaal bij de vissen hebben ingedeeld. De groep van de reptielen fungeert als een vergaarbak van soorten, waaruit de meest uiteenlopende beesten zijn ontstaan, van de mens tot de vogels.

Wat maakt een zoogdier tot een zoogdier? Dat is de vraag waarmee prof. Jelle Reumer het derde deel van Evolutie van de gewervelden opent. Er zijn veel kenmerken te noemen die in het oog springen: haargroei bijvoorbeeld, of de melkklieren. Toch is het onderscheidende kenmerk van het zoogdier niet aan de buitenkant te vinden. Drie piepkleine botjes in het middenoor definiëren het zoogdier als zoogdier. De ontwikkeling van het gehoororgaan is een boeiend hoofdstuk in het verhaal van de evolutie. Het voert namelijk terug op de allereerste primitieve vissen, de gordaten die kaakloos door het leven gingen. Uit hun kieuwboog, een soort kraakbenen onderkaakje, ontstaat via de kaak van het reptiel uiteindelijk het oor. ‘U luistert dus naar mij,’ zegt Jelle Reumer, ‘met behulp van het kaakgewricht van een hagedis.’



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Niks reptielerigs is ons vreemd

gewervelden
‘De bekende vliezen die breken voor een geboorte, zijn dezelfde vliezen die je tegenkomt bij een ei pellen.’ Jelle Reumer vertelt dat deze woorden, uit zijn mond opgetekend door NRC Handelsblad, in elk geval één collega het plezier van een zachtgekookt eitje in de ochtend voorgoed hebben ontnomen.

De ontwikkeling van het ei, van kikkerdril gelegd in het water tot de foetus die in het lichaam wordt gedragen, is een beeldende illustratie van de evolutie van de gewervelden. Het moment dat de vis tiktaalik uit het water het land op kroop, was een belangrijke stap in die evolutie. Voor de echte verovering van het land was echter een ‘droogtebestendig ei’ nodig, een ei met een schil eromheen. Met het ontstaan van dat ei, ontstaan ook de reptielen, die zich op land kunnen voortplanten. ‘De remmen zijn los,’ aldus Reumer. Uit een ei komt een compleet wezen gekropen, niet een klein visje dat zich in het water nog verder moet ontwikkelen. Dat betekent dat een enorme groei mogelijk is, denk maar aan struisvogeleieren. 



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Als een vis in de oersoep: begin van evolutie

gewervelden
‘Wij mensen zijn gewoon doorgeëvolueerde kwastvinnige beenvissen.’ De menselijke schedel is in al zijn onderdelen te herleiden tot botten en zelfs kieuwopeningen van evolutionaire voorouders die honderden miljoenen jaren geleden in het water leefden. Prof. Jelle Reumer vertelt het verhaal van de evolutie van de gewervelden haast geamuseerd. Dat de mens een product is van een evolutionaire geschiedenis die begon in de oersoep, zullen weinig mensen in het publiek betwijfelen. Om zo in vogelvlucht langs drieëneenhalf miljard jaar aanpassing en ontwikkeling te scheren, zet het menselijk leven toch wel in een heel relativerend licht.

Relativeren is ook nodig, want het antropocentrisch denken zit diep ingebakken: we zijn geneigd om onszelf (oftewel de mens) als middelpunt van de wereld zien en als voorlopig eindpunt van de evolutie. Zelfs een hoogleraar in de paleontologie zoals Jelle Reumer ontkomt daar niet aan, bekent hij. Het is nu eenmaal moeilijk om buiten je eigen gezichtspunt te stappen en de hele natuurlijke leefwereld in ogenschouw te nemen, uitgestrekt over die enorm lange geschiedenis. Niettemin: als je het een kip zou vragen, zou die evengoed beweren het middel- en eindpunt van de evolutie te zijn.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Nanocolumn: Komkommertijd, een goed moment voor ethische discussies

nanoplaza
Komt het door de academische komkommertijd dat ik de laatste maanden niet zo veel over nano heb gehoord? Of juist door de afwezigheid van komkommertijd deze zomer, die – figuurlijk gesproken – ‘lang en heet’ was? Misschien is nano gewoon uit? Dat hoeft niet eens heel erg te zijn.

Lees verder op Nanoplaza: Komkommertijd: een goed moment voor ethische discussies



Bookmark and Share
Comments

Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk

Stel, je wordt voor het altaar verlaten. Dat moet wel een van de meest dramatische gebeurtenissen van je leven zijn. Het ergste wat je kan overkomen, iets wat niemand mee wil maken. Maar stel: je vraagt een aantal mannen en vrouwen die het hebben meegemaakt, die daadwerkelijk voor het altaar zijn verlaten, hoe ze die gebeurtenis zouden beschrijven. Als het ergste wat ze ooit is overkomen? Of als het beste? Tien tegen één dat een flink deel zal zeggen: verlaten worden voor het altaar is het beste wat me ooit is overkomen.

Psycholoog Daniel Gilbert, van wie dit voorbeeld afkomstig is, doet onderzoek naar hoe mensen hun toekomstig (geluks)gevoel weten in te schatten. Niet zo goed, zo blijkt. En dat vooral omdat de impact van gebeurtenissen veel groter wordt geacht dan ze in werkelijkheid is. Neem het verlatingsverhaal: uiteindelijk maak je er inderdaad een verhaal van, waarin alle elementen betekenis krijgen. 'Ik mag m'n ex wel dankbaar zijn dat ie is weggelopen, want een paar jaar later ontpopte hij zich tot crimineel.' Of (deze kun je bij elke tegenslag gebruiken): 'Deze dramatische gebeurtenis heeft me alleen maar sterker gemaakt dan ik daarvoor was.' (Hoogmoedigen willen hierbij graag Nietzsche op z'n Amerikaans aanhalen: if it doesn't kill me, it makes me stronger.) Je kunt zelfs een cirkelredenering gebruiken: door weg te lopen bij het altaar, bewees hij dat hij het niet waard was om mee te trouwen.




Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Van wie is nanotechnologie?

nanoplaza
Mijn tweede blog voor Nanoplaza - platform voor discussie over de maatschappelijke impact van nanotechnologie - staat online. Van wie is nanotechnologie? En, ook niet onbelangrijk: van wie is de informatie die zij oplevert? Hoe zit het met privacy en hoe zit het met de knaken?

Lees verder op Nanoplaza.
Mijn eerste bijdrage maakte ik naar aanleiding van een onderzoekje bij vrienden en bekenden. Hier terug te vinden: Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...’



Bookmark and Share
Comments

Filmpje: Tijd - een wetenschapsfilosofische verkenning



Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’



Bookmark and Share
Comments

Zes lessen van genieën uit de wetenschap – ook handig voor gewone stervelingen

Vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap: Isaac Newton, Florence Nightingale, Charles Darwin en Sigmund Freud. Vier lezingen lang ging Studium Generale op zoek naar de betekenis van deze genieën voor de 21e eeuw en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen, ook gewone stervelingen. Waar ligt het aan dat bijvoorbeeld Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Uit vier weken en een veelvoud aan verhalen zijn zes tips te destilleren voor iedereen die streeft naar een geniaal bestaan.

1. Werk keihard aan één stuk door
Om maar meteen elke romantiek uit het leven van een genie te verwijderen: een groots wetenschapper (dan wel kunstenaar, dan wel filosoof) word je door hard te werken. En dan niet vijf dagen in de week, acht uur per dag de uren op kantoor uitzitten, maar geconcentreerd en oplossingsgericht bezig zijn. Net zo lang als het nodig is. Newton kon dagen achter elkaar uiterst gefocust nadenken over wiskundige problemen. Vergelijk het met de flow waar je op je werk misschien soms in komt, een half uurtje maximaal. En dat dan tot het moment dat je de wet van de zwaartekracht hebt ontdekt, bewezen en beschreven. Soms kan het nodig zijn de juiste omstandigheden te creëren. Darwin reisde jarenlang rond de wereld op de Beagle, zonder afleiding en met niets anders omhanden dan de natuur om te bestuderen.

2. Neem met een open en nauwkeurige blik de wereld waar
Wat moet je dan beginnen tijdens dat werk? Gewoon, registreren. Diezelfde Darwin wist het principe van natuurlijke selectie te ontdekken door simpelweg de wereld om hem heen met het blote oog te bestuderen. Het kan erg moeilijk zijn om al je vooroordelen aan de kant te schuiven en de werkelijkheid te aanschouwen alsof je haar voor de eerste keer zag. Mét behoud van alle kennis die je hebt opgedaan, want je moet wel weten waar je op moet letten. Waarnemen kan ook betekenen: luisteren. Freud was de eerste die zonder te oordelen de tijd nam om te luisteren naar zijn patiënten. Hij schortte zijn oordeel op en spitste zijn oren. Zijn oren die een jarenlange opleiding als arts achter de rug hadden.

3. Stel bestaande grenzen ter discussie
Creatief nadenken, daar heeft elke goeroe de mond vol van. Maar wat betekent het precies? Heel concreet: een genie doorbreekt grenzen, bij voorkeur tussen vaststaande categorieën waar iedereen zijn wereldbeeld aan ophangt. Darwin veranderde de mens in een aap, Nightingale zag dat gezonde soldaten evengoed stierven als hun gewonde kameraden (namelijk door infecties), Freud ontdekte dat normale mensen ook met psychische problemen worstelen. Wat is gezond en wat is ziek? Is de mens een dier? De wetenschap slecht de grenzen tussen zulke categorieën, maar streeft – zie 1. – naar een herdefiniëring die helder is als kristal – zie 2.

4. Wees niet bang om tegen de stroom in te gaan
Als je als toekomstig genie hebt ontdekt dat er niet veel klopt van de categorieën die men gebruikt om de wereld te begrijpen, kan het pretty scary zijn om dat vervolgens wereldkundig te maken. Darwin hield zijn evolutietheorie twintig jaar op de plank, omdat hij wist dat hij explosief materiaal in handen had (dat zijn vrome vrouw niet leuk zou vinden). Toen Freud seksualiteit introduceerde als grondthema van de menselijke ontwikkeling, kon hij voorspellen dat hem dat niet in dank zou worden afgenomen. Toch publiceerden zij hun bevindingen. Of neem Florence Nightingale: haar grote liefde was wiskunde, maar als vrouw mocht zij in de negentiende eeuw niet studeren. De verpleging in, dat kon nog net. Nightingale ging als vrouw naar het front en zette haar op eigen houtje opgedane kennis van de statistiek in. Om zo honderden levens te redden. Wie zet er nu statistiek in aan het front? Zie 3.

5. Combineer afstand met empathie
Vier lezingen over genieën die de loop van de geschiedenis eigenhandig hebben veranderd, door keihard te werken, tegen de stroom in te gaan en… nee, ze volgden niet hun passie. Juist door afstand te houden tot je onderwerp, in combinatie met empathie, is iets als nauwkeurige waarneming mogelijk. Of stel dat je een taboe moet doorbreken. Dan is het beter om niet ‘je passie’ op het spel te zetten, maar juist enige distantie in te bouwen. Te veel is natuurlijk ook niet goed, bovendien gaat niemand dagen achtereen geconcentreerd zitten nadenken over een probleem dat hem eigenlijk geen bal interesseert (zie 1.) of zijn reputatie en huwelijk op het spel zetten voor een gebbetje (zie 4.).

6. Zorg dat je genen goed zijn, en het lot je gunstig gezind
Beetje flauw om te eindigen met goede genen? De greep uit de gene pool is immers als een lot uit de loterij. Je kunt er toch niets aan doen dat je wel of niet intelligent bent – wat alle genieën zijn – of geluk hebt – wat alle genieën hebben. Draai het dan om: er zijn talloze intelligente mensen die alles in hun schoot geworpen krijgen en die toch niets presteren van enigerlei waarde. Charles Darwin was als jongen een niksnut die zijn studie geneeskunde verlummelde. Maar toen het lot de Beagle op zijn pad bracht, greep hij die uitzonderlijke kans met beide handen aan. De rest is geschiedenis, heet het dan. Op naar de toekomst.

Lees verder over de vier genieën:
Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs
Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld
Charles Darwin: genie met de kracht van een aardverschuiving
Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend



Bookmark and Share
Comments

Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

freud
Sigmund Freud is verguisd om zijn te stringente theorieën, maar het is zonde als daarmee zijn invloed op de psychologische praktijk en op het denken over de mens geen aandacht meer krijgt. Freud is feitelijk de ontdekker van de neurose, waar we allemaal wel eens aan lijden zonder meteen psychisch gestoord te zijn. Hij stelde daarmee de grens van normaal en abnormaal, gek en niet-gek ter discussie. Neuroses zijn te behandelen door goed te luisteren en vanuit een open blik betekenis te verlenen aan het verhaal van een patiënt. Dat dit nu allemaal vanzelfsprekend klinkt, hebben we aan Freud te danken, zo betoogde prof. Paul Schnabel in zijn lezing over dit ‘genie in de wetenschap’.

Bewaarder in een gesticht
Interesse in het verhaal van de mens: in Freuds tijd – hij leefde van 1856 tot 1939 – was het zeer ongebruikelijk om te luisteren naar een patiënt. Dat komt ook omdat de psychiatrie zich bezig hield met psychotische patiënten, voor wie geen andere ‘behandeling’ mogelijk was dan vastbinden en opsluiten. Freud ontdekte een nieuwe categorie patiënten, die daarvoor niet bestond. Freud, die werd opgeleid tot arts-onderzoeker, vond de zware gevallen niet boeiend. Psychoses waren niet te behandelen of te genezen – medicijnen waren er nog niet – dus de arts functioneerde als een bewaarder in een gesticht, net als in een gevangenis.

In analyse
De patiënten – vooral vrouwen – die Freud begon te behandelen, leden niet aan psychoses maar aan neuroses. Zij ‘leden aan het leven’. In feite is Freud daarmee de schepper van de moderne psychologische praktijk zoals die nog steeds floreert. Dat geldt niet voor de psychoanalyse, de therapeutische methode die niet lang geleden met veel bombarie uit het zorgverzekeringspakket werd gegooid. Niet genoeg bewezen effect en bovendien te duur. Schnabel geeft een interessant inkijkje in zijn eigen ervaring ‘in analyse’ en laat zien hoe Freuds ideeën aan de basis staan van de psychotherapeutische praktijk zoals we die nog steeds kennen. Maar ook de manier waarop we over onszelf denken en praten is verregaand bepaald door begrippen die Freud ooit heeft gemunt in het Wenen van het fin de siècle.

Taboe op seksualiteit
Het luisteren naar de patiënt, soms zelfs door een uur lang simpelweg te zwijgen, was baandoorbrekend. Freud doorbrak nog wel meer taboes, waarvan het spreken over seksualiteit het allergrootste was. Juist door een methode te ontwikkelen van ‘maximale nabijheid met behoud van minimale distantie’ kon hij de grenzen van het fatsoenlijke gesprek openbreken. Op de divan moest alles gezegd worden, alle associaties moesten vrij kunnen stromen. Schnabel geeft een pakkend voorbeeld hoe dat mis kan gaan, als de therapeut de noodzakelijke distantie niet meer in acht houdt, namelijk het geval van Keith Bakker.



Taboe
Wat kan de wetenschapper van nu leren van Freud? Behoud een open, haast amorele blik. Schep distantie, maar wel met gevoel en empathie. Geef de tijd aan de ander en zijn verhaal, ook al is tijd tegenwoordig een schaars goed. En wees niet bang voor een taboe meer of minder. Hoewel, het is altijd beter om te mikken op een taboe minder.

De lezing van Paul Schnabel over Freud is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Charles Darwin: genie met de kracht van een aardverschuiving

Darwin
Charles Darwin staat in het hart van een van de grootste omwentelingen in de geschiedenis van de wetenschap: de paradigmawisseling van een zinvol en statisch universum naar een dynamische wereld waar natuurlijke selectie zorgt voor een evolutie van soorten. Hoe hij het principe van de natuurlijke selectie heeft kunnen ontdekken alleen door zijn waarneming is uitzonderlijk knap. Dat maakt van Darwin een genie: zijn beschrijving van de evolutietheorie – of zoals prof. Jelle Reumer prefereert te zeggen, evolutiekunde – is later door talloze onderzoeken bevestigd, op manieren waar Darwin nog geen weet van kon hebben.

Is Darwin dan de voorbeeldige wetenschapper die alle studenten van nu zouden moeten navolgen? Nou nee, Darwin als voorbeeld voor de jeugd, dat lijkt Jelle Reumer een buitengewoon slecht idee. ‘Darwin was een niksnut uit een bekakt milieu.’ Hij begint aan een studie geneeskunde, maar breekt die af. Uit arren moede kiest hij dan maar voor theologie. De enige graad die de grote evolutiebioloog ooit gehaald heeft, was een kandidaats in de godsdienstwetenschap. Belangrijker voor Darwin waren zijn hobby’s. Struinen door de velden, jagen, fossielen verzamelen, lezen over biologie en natuur, kortom dat waarmee hij later de wereld zou veranderen en waarin hij zou uitblinken.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld

lady_lamp
Op dezelfde dag dat prof. dr. Marieke Schuurmans (UMC) een lezing houdt over Florence Nightingale als rolmodel voor toekomstige wetenschappers, zendt EenVandaag een reportage uit over verpleegsters in opleiding, die massaal de ouderenzorg de rug toekeren. Wat is er aan de hand? De verhalen over geld- en tijdgebrek in de zorg zijn bekend. Uit de interviews bleek echter dat de jonge verpleegkundigen er vooral ook mee worstelden dat ze niet serieus worden genomen. Ze worden ingezet als goedkope arbeidskracht terwijl hun opleiding nog niet is afgerond en niemand durft er wat van te zeggen. Beiden keerden de ouderenzorg de rug toe en zien hun klasgenoten hetzelfde doen.

Statistiek en hygiëne
Beeldvorming is belangrijk, zeker als het gaat om beroepen als de verpleging, waar leegloop dreigt terwijl de vraag almaar gaat stijgen. Kan een icoon als Florence Nightingale daarbij helpen? Nightingale, zo vertelt Marieke Schuurmans, had zelf ook behoorlijk te lijden onder verkeerde beeldvorming. Nog steeds staat ze bekend als ‘the lady with the lamp’: een zachtmoedige verpleegster die met veel toewijding zorgde voor de Britse soldaten in de Krimoorlog. Een beeld dat het resultaat is van een negentiende-eeuwse mediahype.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs

newton2
Met Isaac Newton werd de moderne wetenschap geboren en vierde zij meteen haar hoogtepunt. Newton verpersoonlijkt het moderne denken en de drang naar weten. Professor Floris Cohen, die het boek Isaac Newton en het ware weten schreef, aarzelt niet Newton een genie te noemen. Waar ligt het aan dat Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Newton muntte de beroemde uitspraak: ‘If I have seen further it is only by standing on the shoulders of giants.’ Nu geldt Newton zelf als een reus, op wiens schouders de wetenschappers van de toekomst staan,

In de reeks Kennis voor de toekomst passeren vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap de revue. Na Isaac Newton volgen Florence Nightingale, Darwin, Freud. Steeds met de vraag wat deze genieën in de 21e eeuw voor betekenis hebben en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen. Soms leert de bestudering van het verleden je meer over de toekomst dan de nieuwste en meest geavanceerde technologie dat kan.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’

rivier
Om de tijd te beschrijven en te begrijpen, heb je metaforen nodig, dat is in de acht weken van de wetenschapsfilosofische serie Tijd wel gebleken. Alle wetenschappers grepen metaforen aan om de betekenis van het concept tijd in hun discipline te verhelderen. Van de letterkundige Maarten van Buuren – van wie je beeldend taalgebruik verwacht – die sprak over gangen en deuren in de herinnering, tot theoretisch fysicus Renate Loll, die een artistieke impressie van de kwantumschaal toonde.

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.

Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.

Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.

Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.

Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.

En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).

Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.

De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.



Bookmark and Share
Comments

Druk druk druk

tijd
In Nederland zijn twee antwoorden mogelijk op de vraag hoe het gaat: ‘Goed, lekker druk’ of ‘Nou, druk druk druk hoor.’ Drukte kan zowel positief als negatief zijn, dat zal iedereen herkennen. Onder tijdsdruk presteer je beter, maar te veel tijdsdruk geeft stress. Over de verschillende kanten van tijdsdruk sprak prof. Tanja van der Lippe in haar lezing over de sociologische benadering van tijd.

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?

Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.

Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.

Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.

Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?

Kijk de lezing terug: Tijdnood?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...'

nanoplaza
'Is de buzz rond nanotechnologie terecht, of ook een beetje een hype? De overheid stopt miljoenen in voorlichting, begint discussies tussen publiek, deskundigen en beleidsmakers, burgers moeten geïnformeerd, angsten weggenomen. Maar in de kroeg praat ik er nooit over en ook op straat is nano niet het gesprek van de dag. Leeft nano soms alleen in de kring van onderzoekers en voorlichters, een kring als de Ourobouros, die zichzelf in de staart bijt?’

Lees verder op NanoPlaza: 'Nanotechnologie? 't Zegt me niks, maar...'



Bookmark and Share
Comments

Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies

entropie
‘Mijn doel met deze lezing is filosofisch: ik wil dat jullie aan het eind minder begrijpen van tijd dan aan het begin.’ Victor Gijsbers is wetenschapsfilosoof en natuurkundige en dat is ook te merken aan zijn behandeling van het begrip tijd. Tijd is hier niet het element dat betekenis geeft aan het menselijk bestaan of een klok ingebed in het brein. Natuurkundige tijd als de vierde dimensie heeft niets, maar dan ook helemaal niets van doen met de mens. Een opvatting die wel degelijk invloed kan hebben op hoe wij mensen, over tijd nadenken.

Het eerste deel van Gijsbers lezing gaat over de asymmetrie van tijd. Waarom loopt tijd vooruit en niet achteruit? Waarom wordt iedereen altijd ouder en nooit jonger? Dat lijken triviale vragen, maar stelt niet iedereen zich die wel eens? Het zou mooi zijn als de wetenschap een verklaring hiervoor kon geven – wie weet zou dat ook de deur openen naar verandering. Helaas is de natuurkunde hier nog niet over uit. Want wat blijkt: geen enkele natuurwet zegt dat iedereen altijd ouder móet worden in plaats van jonger. Natuurwetten zijn juist allemaal tijdsymmetrisch. Hoe zit het dan? Het heeft te maken met entropie. In een helder betoog legt Gijsbers uit hoe entropie werkt en waarom het als antwoord op deze vraag juist níet werkt. (In plaats van het hier na te vertellen, verwijs ik graag naar de opname.)

Een andere manier om vanuit de natuurkunde na te denken over tijd, heeft te maken met de status van heden, verleden en toekomst. In ons dagelijks leven zijn dit drie heel verschillende begrippen, elk met een andere emotionele lading. Het verleden kan bijvoorbeeld nostalgie oproepen, maar de toekomst niet. Gespannen verwachtingen hebben we daarentegen alleen over de toekomst en als je in een flow zit, bevind je je ontegenzeggelijk in het heden. De natuurkunde heeft daar geen boodschap aan. De emotionele verhouding tot een punt in de tijd is persoonlijk, en die persoon moet in de wetenschappelijke theorie uitgeschakeld worden.

De natuurkundige die zijn persoon uitschakelt en zich als een soort god buiten de wereld opstelt om zijn onderzoeksobject te bestuderen, ziet een ‘vierdimensionaal blok’ van ruimtetijd. Momenten in de tijd hebben geen status van heden, verleden of toekomst, het zijn gewoon punten op een lijn. In een experiment onderzoekt de wetenschapper hoe een toestand verandert op één punt ten opzichte van een ander punt. Wat kan het hem schelen of dat in het verleden ligt of in de toekomst? Het resultaat blijft hetzelfde – of zijn theorie deugt niet.

Zijn heden, verleden en toekomst dan verzinsels van de mens, zonder fysische grond? Zijn het metaforen die we gebruiken om uitdrukking te geven aan onze emoties? Emoties die betrekking hebben op punten op een tijdlijn, onderworpen aan natuurwetten? Als dat zo is, moeten we misschien wel ons dagelijks leven veranderen. Einstein verzuchtte na de dood van een vriend: ‘Now he has departed from this strange world a little ahead of me. That means nothing. People like us, who believe in physics, know that the distinction between past, present and future is only a stubbornly persistent illusion.’

Als verleden en toekomst niets betekenen, een illusie zijn, hoeven we niet te treuren over de ouderdom en de dood. De asymmetrie van tijd hoeft dan ook niets te betekenen. Maar verliezen we dan niet ook de schoonheid van de herinnering, de opwinding van voorpret en misschien wel onze hele persoonlijkheid? En waar blijft de vrije wil in een vierdimensionaal blok ruimtetijd, waarin natuurwetten alle processen sturen zonder omzien naar de mens? Een hoop vragen waarmee Victor Gijsbers ons achterlaat. Hij heeft zijn doel behaald!

Kijk de lezing hier terug: De filosofie van tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

oerknal
Tijd is fundamenteel voor het bestaan van ons universum – dat was de conclusie van de lezing over tijd in de theoretische fysica, door professor Renate Loll. Tijd kun je benaderen als een kwantitatief gegeven en op die manier speelt het een rol in alle natuurkundige processen. Een formulering van natuurwetten kan niet zonder de notie van tijd, waarin veranderingen zich afspelen. Ook in experimenten die natuurwetten onderzoeken en proberen te bewijzen is ‘tijd’ altijd aanwezig als het referentiekader waarbinnen de natuurkunde werkt. Maar tijd is ook als kwalitatief fenomeen, een ding op zichzelf te bestuderen.

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?

Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.

De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’

Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.

Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.

Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?

Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.

Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap

tijd
Tijd als element van het bestaan; de biologische klok die ons begeleidt van geboorte tot dood. Dat zijn individueel beleefde vormen van tijd – hoe gedeeld menselijk of dierlijk ze ook zijn. In de geschiedenis gaat het om de collectief ervaren tijd. Dr. Harry Jansen beschrijft drie manieren waarop de historicus om kan gaan met het begrip tijd: de golvende, de gefaseerde en de durende tijd. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.

Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.

2. Gefaseerde tijd: Chronologie De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)

Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.

3. Durende tijd: Historische sensatie De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).

In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…

Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Wat is de mens - revisited

olifant
Dat er niet één verhaal te vertellen is over de mens, de geschiedenis, over wat dan ook, daar is iedereen zo langzamerhand wel van doordrongen. De consequenties daarvan pakken soms nog verschillend uit. De één wordt relativist: de waarheid bestaat niet en vooruitgang ook niet, de mens speelt altijd theater en is als een ui zonder kern, alle kunst is evenveel waard want over smaak valt niet te twisten. De ander blijft vasthouden aan een vorm van zekerheid; we kunnen heus wel onderscheid maken tussen iets wat meer waar is dan iets anders, of mooier of echter.

Vaak is dat criterium van zekerheid ergens in het zelf verankerd. Als ík vind dat de rol van intellectueel voor mij authentieker is dan de rol van feestbeest, als ik overtuigd ben van deze wetenschappelijke theorie en niet van die andere, als ik kan zeggen waarom een schilderij van Mondriaan beter is dan het gefriemel van mijn neefje, dan moet daar iets in zitten. Zelf behoor ik tot de laatste groep, ik houd niet van relativisme. Hoewel ik de bezwaren van de pragmatische zekerheid ken en levensgroot acht. Want wie ben ik om als criterium voor de waarheid te gelden? Nou ja, ik ben een mens, zoveel is zeker. De vraag is dus: 'Wat is de mens'?

Marcus Düwell, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, haalde in zijn lunchlezing Kant aan: in de vraag 'wat is de mens' laten alle vragen van de filosofie zich samenvatten. 'Wat is de mens': aan die vraag valt ten eerste op dat hij de mens objectiveert, als een ding dat je kunt onderzoeken. Een het. Dat is natuurlijk wetenschappelijk verantwoord. Eerder schreef ik over de definitie van het object mens door Frans de Waal en Dick Swaab, die de mens inderdaad 'apart zetten' om hem aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen (ook al is dat dan in een vergelijking met apen zoals De Waal doet of door te focussen op één onderdeel, namelijk de hersenen bij Swaab). De derde definitie, door Gerard Visser, behelsde een herformulering van de vraag. Wát een mens is? Antwoord: een wie. De juiste vraag is dan 'Wie is de mens?' Je voelt al meteen dat je in die herformulering overgaat van een algemene uitspraak op een individuele. Kun je in algemene termen over de mens spreken, of moet je hem altijd benaderen als uniek persoon? Of is dit gewoon een kwestie van ofwel wetenschap ofwel filosofie (of kunst) bedrijven?

Düwell liet zien dat er ook in de wetenschap verschillende perspectieven op de mens zijn, die op gespannen voet met elkaar kunnen komen te staan. Er is het natuurwetenschappelijke perspectief dat de mens ziet als een dier (waartoe De Waal en Swaab behoren). Dan is er het culturele perspectief, dat zich richt op de artistieke scheppingen van de mens en ten slotte is er het morele perspectief, dat uitgaat van de ethische overwegingen, de mens als vrij wezen. Het zijn in feite drie manieren om de mens te beschrijven, niet zozeer drie verschillende definities. Zoals de olifant uit het bekende voorbeeld. Een blinde voelt aan de olifant en beschrijft hem. Maar hij voelt een poot, terwijl zijn vriend de slurf vasthoudt. Uiteindelijk heeft niemand de ware olifant gezien, want de olifant is al zijn eigenschappen bij elkaar.

De perspectieven stemmen enigszins overeen met de drie voorbeelden waar ik mee begon: de waarheid die al dan niet bestaat, de kunstzinnige smaak waar al dan niet over te twisten valt en het zelf dat al dan niet authentiek of vrij is. Je kunt niet één van die perspectieven boven alle andere plaatsen of tot verklaring van alles bombarderen. Vooral de natuurwetenschappers doen dat wel, aldus Düwell. Zij monopoliseren het antwoord op de vraag wat de mens is. Met de grootste vanzelfsprekendheid wordt het biologische als bewijs voor van alles aangehaald (zelfs voor de meest tegenstrijdige zaken, zoals egoïsme bij Richard Dawkins en empathie bij Frans de Waal). Terwijl het niet logisch is. Móet ik moreel doen omdat ik niet anders kan, ben ik moreel omdat de apen het ook zijn? Zo gesteld lijkt dat inderdaad een absurde aanname.

Eigenlijk hebben we in het dagelijks leven niet zoveel last van dit soort vragen. Zoals veel filosofen ook zeggen: of de vrije wil nu bestaat of niet, het belangrijkste is dat de mens het idee heeft dat hij bestaat. Dat is al reden genoeg om erover na te denken. Dat getuigt mijns inziens ook van een frisse, open instelling die zweeft tussen het relativerende ontkennen en jezelf beschouwen als criterium voor de waarheid. Ik hou wel van zulk pragmatisme, ook in de filosofie.

Kijk de lezing terug op de nieuwe website van Studium Generale (!).
En lees ook Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken



Bookmark and Share
Comments

De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein

tijd
Als het donker wordt, word je moe; als je de middelbare leeftijd bereikt kom je in de overgang en van vrouwen in de dertig zeggen we dat hun biologische klokje tikt. Tijd zit ingebakken in ons lichaam, in de hele cyclus van de geboorte tot de dood. Dat gaat verder dan je misschien denkt. De meeste kinderen worden geboren in de vroege ochtend van een woensdag of een donderdag. En in de hersenen van overleden mensen is te zien hoe laat zij stierven, omdat de tijd letterlijk stil is blijven staan. Over deze en andere feiten van de biologische, lichamelijke tijd, sprak prof. dr. Dick Swaab in zijn lezing voor de serie Tijd.

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.

Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.

De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.

Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.

De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.

Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

Jaap van Heerden - Fascinaties. Een intellectuele biografie

fascinaties
Wetenschapsfilosofie: voor een select academisch gezelschap het hoogste van het hoogste, maar niet direct iets dat bij het grote publiek de harten sneller doet kloppen. Misschien dat het woord daarom niet voorkomt op de flap van Fascinaties, een kleine verzameling essays van Jaap van Heerden. Terwijl het de perfecte, achteloze kennismaking vormt met de wetenschapsfilosofie.

Lees verder op 8WEEKLY: Intellectueel getob op het hoogste niveau



Bookmark and Share
Comments

Het zwarte gat is niet zwart

Wat gebeurt er als je een zwart gat in de mond neemt? Een intrigerende vraag die dichter Mustafa Stitou via een gedicht stelt aan het publiek bij de Studium Generale-avond over Zwarte gaten in natuurkunde en poëzie. Ook professor Herman Verlinde, als theoretisch fysicus sinds 1989 verbonden aan Princeton University en speciaal voor deze bijeenkomst naar Utrecht gekomen, wijst op het intrigerende dat uitgaat van ‘zwarte gaten’. Beiden schreven een bijdrage voor het themanummer van literair tijdschrift De Gids dat op deze avond werd gepresenteerd.

Het is misschien an unlikely couple, natuurkunde en poëzie. Een wetenschapper werkt weliswaar vanuit zijn fascinaties, het persoonlijke mag voor hem begin- noch eindpunt zijn. Voor de dichter is het zintuiglijke het uitgangspunt, zo stelde Jeroen van Dongen in zijn inleiding op het thema. Twee verschillende werelden, maar geen wereld van verschil. De poëzie zal zich ook moeten loszingen uit het zuiver persoonlijke en de waarneming, ook zintuiglijk, staat aan de basis van wetenschappelijke kennis. Beelden en metaforen zijn voor zowel natuurkundigen als dichters onmisbaar, zo bleek.

Zelfs een begrip als een ‘quark’ is eigenlijk een metafoor. Niemand heeft ooit een quark gezien of aangeraakt. Het is deel van een wiskundig model dat op dit moment de beste, meest accurate beschrijving vormt van de wereld op de allerkleinste schaal. Verlinde is een specialist op het gebied van de snaartheorie. Hij begon zijn lezing met de geschiedenis van het zwarte gat. Einsteins relativiteitstheorie veronderstelt het bestaan van zwarte gaten, maar pas veertig jaar geleden muntte John Wheeler de term. Het begrip van zwarte gaten is sindsdien goed op gang gekomen. Daarvoor is de relativiteitstheorie niet toereikend – op het niveau van de allerkleinste deeltjes gaat de voorspellende theorie van Einstein niet meer op. Om te beschrijven wat er op de ‘planckschaal’ gebeurt, is de kwantummechanica nodig. En, aldus Verlinde, daarvoor is de snaartheorie onmisbaar.

‘Is het mogelijk dat we zelf misschien zwarte gaten in ons lichaam meedragen?’ was een van de vragen uit het publiek. Dat lijkt vergezocht, maar in zijn lezing ging Verlinde nog veel verder. Daarmee liet hij zien dat de theoretische natuurkunde evengoed als de poëzie niet zonder verbeelding kan. ‘Stel je voor dat deze ruimte, de Aula, een zwart gat is. Wij zijn er allemaal in opgesloten en zullen er nooit meer uit kunnen. Op de horizon van het zwarte gat staat informatie geschreven over wat zich in het gat bevindt. Dus de muren van de Aula dragen piepkleinste deeltjes met informatie over ons bij zich.’ Het was een verontrustende gedachte om tot in de eeuwigheid in de Aula te zitten opgesloten, maar het gedachte-experiment zette zeker de verbeelding aan het werk. Verlinde ging nog een stap verder, want stel dat de informatie die op de muur is gecodeerd de werkelijkheid is en wij slechts nullen en enen? Leven we misschien in The Matrix?

Zet ook je verbeelding aan het werk en lees het artikel van Herman Verlinde en gedichten van Mustafa Stitou, Maria Barnas, Anne Vegter en anderen in het themanummer van De Gids, Het zwarte gat. Of kijk hier de hele avond terug. Meer over sterrenkunde vind je bij het programma Iets nieuws onder de zon.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Kunnen we leren van het verleden? Maarten van Rossem antwoordt

'k Heb weer eens een filmpje gemaakt:





Bookmark and Share
Comments

Goede ideeën x drie

brein_netwerk
Waar komen goede ideeën vandaan? Onderzoek naar creativiteit en de beste voorwaarden voor een creatieve omgeving is populair. Onderzoek naar onderzoek dus eigenlijk. Drie dingen lijkt steeds naar voren te komen: briljante ideeën komen in de vrijheid om gekke experimenten te doen en alle kanten op te associëren. Ze vragen tijd om te sudderen en in het onderbewuste te rijpen; en in de ontmoeting tussen mensen en hun vage gedachten ontstaan de beste ontdekkingen.

Zo kwam ik via Wetenschap24 op de TED-talk van Steven Johnson, Where do good ideas come from. Koffiehuizen spelen daarin een belangrijke rol. Een van de redenen dat de Verlichting zo'n explosie aan goede ideeën kende, is dat toen de koffiehuizen opkwamen, waar geleerde mannen met elkaar konden keuvelen over alles wat ze bezig hield. Door dat contact konden gedachten, uitroepen en associaties uitgroeien tot volwaardige ideeën. Voor de voortplanting van cultuur en wetenschap is paring nodig, zoals ook Matt Ridley zegt, die een TED-talk over dit onderwerp hield met de titel When ideas have sex.

Johnson vertelt over het gangbare beeld van een idee als eurekamoment, een licht dat boven je hoofd aanspringt. Daardoor lijkt het alsof een idee een ding is. Maar, zo betoogt hij, op meest fundamentele niveau is het idee een netwerk. En de netwerkpatronen van de buitenwereld, zoals geleerden die samenkomen in een achttiende-eeuws koffiehuis, spiegelen de innerlijke netwerkpatronen van de hersenen, waarin neuronen heen en weer vliegen en ook letterlijk nieuwe verbindingen aanleggen. Dat klinkt chaotisch en dat is het ook.

Een recent voorbeeld van een briljant idee dat op zo'n onorthodoxe manier ontstond geeft het onderzoek van Nobelprijswinnaars André Geim en Konstantin Novoselov. NRC schrijft over de ontdekking van grafeen, waarvoor ze de hoogst mogelijk onderscheiding ontvingen: 'Het ultradunne grafeen kwam in 2004 voort uit een van de "gekke" proeven waar Geim beroemd om is, en waaraan Novoselov graag meewerkte. Vrijdagavondproeven, noemden zij die vrolijke experimenten waaraan je, zeiden ze in een interview, "minstens 10 procent van je tijd moet besteden".'

Johnson heeft het ook over tijd. Goede ideeën hebben een lange incubatietijd, door hem heel mooi 'The Slow Hunch' genoemd. Over het algemeen gunnen we ideeën niet meer zoveel tijd om te rijpen. Darwin kostte het decennia, maar wie verkoopt dat tegenwoordig aan zijn baas?

Ook Steven Weinberg, Nobelprijswinnaar in de Natuurkunde, heeft het in zijn essaybundel Lake views over goede ideeën. Spring in het diepe en neem de tijd, zo vat een recensent Weinbergs advies aan jonge onderzoekers samen. Gek, een sprong nemen klinkt immers als iets wat snel gaat.

Toch denk ik dat iedereen zich er wel iets bij kan voorstellen. Gaat het in het 'gewone' leven ook niet zo? Dat je soms de chaos in moet springen, maar absoluut niet hoeft te verwachten dat je meteen weet of dat wel zo'n goed idee was? The Quick Jump naar The Slow Hunch. Stel je voor dat Darwin het verkeerd had. Want naast alle briljante ideeën ligt natuurlijk een schroothoop aan mislukte associaties en misgeboortes uit slechte seks op het toilet van een oud koffiehuis.



Bookmark and Share
Comments

Wat is tijd? Renate Loll antwoordt in 12 minuten

Was er tijd voor de oerknal? Hoe verloopt de tijd op het allerkleinste niveau? Kun je terug in de tijd gaan? Vragen die iedereen wel eens stelt - ook een hoogleraar in de theoretische fysica. Het ingewikkelde, maar helder uitgelegde antwoord geeft Renate Loll in een fantastische, TED-achtige lezing bij Studium Generale.





Bookmark and Share
Comments

Schakelbewijs: stof in de hoeken van de kamer. De Nacht van Descartes II

Soms kun je niets goed doen. Een vriendin vertelde: 'Hij had de hoeken van de kamer niet gestofzuigd!' Anderen zouden denken: wat leuk dat hij stofzuigt. Maar als je niets goed kunt doen in de ogen van de ander is er geen beginnen aan. Die ander kijkt door een gekleurde bril. Een bekend probleem, maar wat doe je eraan?

Naar aanleiding van de Nacht van Descartes, over de rechterlijke macht (deel II). Lees ook deel I, Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden en deel III, Waarheidsvinding als morele daad en deugd.

Gezagsproblemen van de rechtspraak zijn, in elk geval deels, terug te voeren op een paar gruwelijke missers van de afgelopen jaren. Vers in het geheugen ligt natuurlijk de zaak van Lucia de B. die dit voorjaar na een jarenlange straf alsnog werd vrijgesproken. De rechters hadden zich bij hun veroordeling laten leiden door het zogenaamde 'schakelbewijs': 'Na te hebben vastgesteld dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad twee slachtoffers heeft vergiftigd en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan een moord en een poging tot moord, heeft het hof die vaststelling een rol laten spelen bij het bewijs van de overige levensdelicten.' (rechtspraak.nl)

Met andere woorden: het hof keek niet meer onbevooroordeeld naar de feiten. In plaats van eerst alle beschikbare informatie te verzamelen, daaruit de bruikbare feiten te selecteren en op basis daarvan een oordeel te vormen, ging de overtuiging aan het wettelijk bewijs vooraf.

Dit is een veelvoorkomend probleem. Een open deur bijna. Open deuren vragen echter om nadere bestudering, om ze weer herkenbaar, tastbaar te maken. De formulering uit de rechtspraak helpt daarbij. 'Het wettelijk bewijs moet aan de overtuiging vooraf gaan.' Vaak zien we alleen dat veel mensen een bevooroordeelde blik hebben. Maar hoe is zo'n gekleurde blik te voorkomen? Door een stap naar achteren te doen en eerst de beschikbare informatie te verzamelen, zonder een vooropgestelde overtuiging. Wat ligt er allemaal voor het oprapen in de kamer waar de open deur op uitkomt?

Je vriend pakt de stofzuiger en gaat aan de slag. Vergeet ie de hoeken! Of: er ligt stof in de kamer. Jij hebt het druk, je vriend heeft het druk. Hij pakt de stofzuiger. Jij zit net een boek te lezen. Hij gaat snel door de kamer heen. In een hoek ligt nog een pluis kattenhaar.

Het is misschien een beetje gek om van Lucia de B. de stap te zetten naar huishoudelijke grieven. Nou ja, dat is nu eenmaal het punt van dit blog. Stel dat je de 'orde' waarnaar je leeft en de invloeden daarop in kaart wilt brengen, zoals ik eerder beschreef. Het is de moeite waard om dan te zoeken naar het schakelbewijs in je eigen levensverhaal. Gebruiken we dat niet voortdurend? Als je probeert betekenis te geven aan een verbroken relatie, een conflict op de werkvloer maar ook iets leuks als een promotie, in hoeverre laat je je dan leiden door vooropgestelde overtuigingen? Bezie je werkelijk alle informatie die voorhanden is of laat je je overtuiging aan de selectie van informatie vooraf gaan? Ik pleit mezelf vooralsnog niet vrij...



Bookmark and Share
Comments

Sterrenkunde: wetenschap tussen science en fiction

Het is alweer meer dan een jaar geleden dat ik de lezingenreeks over sterrenkunde voor Studium Generale presenteerde. Nu is er een filmpje van: vier lezingen in minder dan tien minuten. Ik ben er trots op!



Liever lezen? Hieronder de uitgeschreven tekst.

Het beeld dat bestaat van de sterrenkunde, vindt vaak zijn oorsprong in sciencefiction of bijgeloof: de horoscoop in de krant, ontmoetingen met buitenaardse wezens, reizen door de tijd. Drie vooraanstaande onderzoekers en een wetenschapsjournalist scheiden de 'science' van de 'fiction'. Sterrenkundigen verwachten de komende jaren met hun experimenten en onderzoek antwoorden te vinden op een aantal fundamentele vragen. De publieke belangstelling voor experimenten zoals met de deeltjesversneller in Genève is groot, maar niet onverdeeld positief. Regelmatig steken wilde geruchten de kop op over de gevaarlijke krachten die natuurkundigen ontketenen. Dat de wereld in een zwart gat zou verdwijnen is wetenschappelijke onzin. Maar de wetenschap houdt zich wel bezig met onderwerpen die klinken als een sensationele stuiverroman. In dit filmpje nemen vier vooraanstaande onderzoekers je mee, van de aarde via zon en maan tot aan exoplaneten buiten ons eigen Melkwegstelsel, op weg naar een Theorie van Alles.

Maar laten we beginnen bij het begin. De astronomie was een van de eerste wetenschappen die de mens beoefende, voor navigatie en tijdrekening, maar ook om voorspellingen te doen. Waar komt die oeroude fascinatie vandaan? Welke antwoorden vindt de mens in het onmetelijke heelal? De sterrenkunde raakt ons persoonlijk, zo zegt Govert Schilling, wetenschapsjournalist en autodidact in de astronomie.

Hij stelde een kosmische top drie samen van de meest fascinerende onderwerpen uit de sterrenkunde. Op de derde plaats staan zwarte gaten. Het Zwarte Gat beantwoordt aan wat mensen verwachten van sterrenkunde: het is mysterieus, een beetje eng en totaal onbegrijpelijk. Op de tweede plaats vinden we de oerknal. Daarbij gaat het om vragen die voorheen voorbehouden waren aan religie. De oerknal is de seculiere schepping, de herkomst van alles wat bestaat. Op nummer 1 staat het buitenaardse leven. Buitenaardse wezens zijn een spiegel voor de mens. De fascinatie heeft dus veel te maken met zingeving van het aardse bestaan en met een verlangen naar het sublieme: de huivering die het onmetelijk grote, maar ook het onbegrijpelijk schone oproept, zoals de foto’s die de Hubble-telescoop naar aarde stuurt.

Inmiddels weten we door die telescoop dat ons sterrenstelsel er een is van vele miljarden, en dat onze zon maar een onbeduidend sterretje is. In de ruimte en in de tijd zijn we nietig: vergeleken met een leeftijd van 13,7 miljard jaar van het heelal, is de mens slechts een paar seconden oud.

De belangrijkste hemellichamen voor de aarde en de mens zijn natuurlijk de zon en de maan. Professor Frank Verbunt van de Universiteit Utrecht deed veel onderzoek naar de invloed van zon en maan op de aarde.

De interessantste wetenschappelijke feiten zijn zo opmerkelijk en simpel dat je ze nooit vergeet en vaak wilt herhalen. De geëigende vorm daarvoor is ‘Wist je dat...’. Wist je dat elke seconde zestig miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter op aarde razen? Dus ook door je eigen lichaam heen?

De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die in modellen en formules te vatten is. Maar de formule vertoont een afwijking: bij de kernfusie lijkt er minder massa uit te komen dan erin gaat. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ook door jou en mij.

Verbunt vertelt hoe zijn onderzoek samenhangt met allerlei andere vakgebieden, bijvoorbeeld zijn studie naar de maan. Metingen tonen aan dat de maan van de aarde af beweegt. De afstand van de maan is nauwkeurig vast te stellen door middel van spiegels en daarin reflecterende lichtdeeltjes. Sterrenkunde, oceanografie, meteorologie en geologie werken hierbij samen.

De zon en de maan staan relatief dicht bij de aarde; de maan is zelfs op reisafstand voor de mens. Dat is anders bij de planeten van ons zonnestelsel. Laat staan planeten in andere sterrenstelsels, voorbij de Melkweg. Toch wordt daar wetenschappelijk onderzoek naar verricht, zoals naar de kans op buitenaards leven. Wordt fiction nu science? Dr. Daphne Stam van SRON verwacht binnen enkele jaren een doorbraak in het onderzoek naar exoplaneten. Hoe moeten we communiceren met buitenaardse wezens: die vraag wordt inmiddels al gesteld in de wandelgangen van de wetenschap.

Stam vertelt hoe moeilijk het onderzoek naar planeten in outer space is: de planeten kun je niet zien, zelfs niet met de grootste telescoop. Hun bestaan moet je afleiden uit bijvoorbeeld de schommelingen van de ster waaromheen hij draait of doordat het licht van de ster tijdelijk vermindert als de planeet ervoor langs gaat. Overigens zou geen van deze methoden onze aarde zichtbaar maken, mochten aliens bezig zijn met onderzoek naar onze uithoek van het heelal. Stam concludeert: ‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’

Kunnen we nog verder in de sterrenkunde dan buitenaards leven op exoplaneten? Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige aan de Universiteit Utrecht bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen?

Klassieke theorieën van beweging, zoals die van Einstein over zwaartekracht, kunnen niet uitleggen wat op de allerkleinste natuurkundige schaal allemaal gebeurt. Daarvoor is de kwantumtheorie nodig. Door analogieën en met wiskundige methodes probeert de wetenschap een theorie van kwantumzwaartekracht te formuleren – een Theorie van Alles.

Wormgaten stonden niet in de kosmische top drie van Govert Schilling, maar nemen ongetwijfeld de vierde plaats in, mét de vraag of tijdreizen door wormgaten mogelijk is. Wormgaten zijn ook in de zoektocht naar een Theorie van Alles heel belangrijk.

Hoe werkt dat tijdreizen door wormgaten? Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg. Kunnen we binnenkort dan ‘back to the future’? Nee, wormgaten bestaan namelijk niet. Niet alleen druisen ze in tegen het heilige principe van natuurkunde, causaliteit, (‘En dan kun je alleen nog maar wanhopen’) juist de kwantumzwaartekracht levert het bewijs dat wormgaten fysische onmogelijkheden zijn.

Uit het experiment met wormgaten komt ook de bizarre aard van het kwantumschuim naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ aldus Loll, die even verheugd als verbaasd klinkt.

De theorie die dit alles met elkaar verbindt en geldig is op kleine zowel als grote schaal is nog niet gevonden. Tot die tijd moeten de theoretische natuurkundigen streven naar een zo robuust mogelijke theorie, een algemene theorie met algemene resultaten. De hoop ligt in de toekomst – de hoop op een mooie, unieke, enkelvoudige theorie die alles kan beschrijven. De moderne sterrenkunde begon 400 jaar geleden met de uitvinding van de telescoop. Hoe zien de aarde, de zon en maan, de Melkweg en het heelal, de kwantumtheorie en de gekromde ruimtetijd en over nog eens 400 jaar uit? Waarschijnlijk zullen mensen dan verzuchten over de wetenschappers van nu: ‘Ze hadden het nooit geloofd…’

Meer weten? De vier lezingen in de serie ‘Iets nieuws onder de zon’ zijn terug te zien op www.sg.uu.nl



Bookmark and Share
Comments

Stel dat je 200 jaar oud zou worden

Stel dat je tweehonderd jaar zou worden. Maar echt, probeer te voelen wat het zou betekenen dat de mens gemiddeld tweehonderd werd in plaats van tachtig. Of nee, niet de mens gemiddeld, maar jij persoonlijk. Tijd is iets wat je moet beleven, wat je moet voelen in je eigen geest en lichaam, in ruimte en, ja, tijd. Dus als je 32 bent en je stelt je voor dat je pas eenzevende van je leven achter de rug hebt, in plaats van eenderde - hoe voelt dat dan?

De vraag kwam op in de serie Time, waarin wetenschappers vertelden over hun onderzoek naar sterfelijkheid - uiteraard met als doel onderzoek te doen naar ónsterfelijkheid. Een enkeling beweerde glashard dat de kinderen van nu al onsterfelijk zullen zijn - hoewel je beter kunt zeggen dat ze te maken hebben met 'uitgestelde sterfelijkheid'. Dood zal de mens altijd wel gaan, door ongelukken of moord, zo vertelde de wetenschapper. Alleen niet meer aan veroudering.

De meeste mensen zullen zich geen voorstelling kunnen maken van een leven zonder einde (eindeloosheid gaat hoe dan ook het voorstellingsvermogen te boven), ook niet van een leven waarin het einde volkomen arbitrair zal zijn. Als je alleen nog maar doodgaat aan auto-ongelukken en psychopaten, en voor eeuwig zult leven als je die toevallig niet tegenkomt, brrrr, wat een ellendig leven heb je dan! Wie zal er nog de straat over durven steken, wie gaat nog alleen op reis of in het donker over straat?

Tweehonderd jaar, daarentegen, daar kunnen we wat mee. Ik wel in elk geval. Tweehonderd! Perfect! De presentator van het programma sloeg de spijker op z'n kop. Ik stel nu wel rationeel de vraag 'Stel dat...' maar toen die vriendelijke natuurkundige het op tv hardop uitsprak, was het geen rationele overweging of een idee dat ik in mijn hoofd moest verwerken - ik voelde de gedachte in mijn borstkas nog voor ik de consequenties verstandelijk begreep. En ik zeg je: het was een gevoel van opluchting.

Opluchting die even lang duurde als een ademteug. Want ik ben niet het kind van nu met haar uitgestelde sterfelijkheid, ik ben waarschijnlijk net een kwart eeuw te laat geboren.

Hoewel, is dat zo erg? De meeste onderzoeken naar dit onderwerp worden uitgevoerd op wormen en muizen. Door bepaalde genen te vervangen of aan te passen, kan de levensduur van de dieren verlengd worden. Als een organisme 18.000 genen heeft zoals de muis, en er is een gen verantwoordelijk voor het verouderingsproces, dan is het een kwestie van tijd voordat dat gen getraceerd is. Van de muis naar de mens is vervolgens niet zo'n grote stap. Een jaar of twintig, dertig.

Ik denk dat die kinderen van nu de proefkonijnen van morgen zullen zijn. Hoe erg is het dan om te vroeg geboren te zijn, te oud voor een verjongingskuur? Stel dat ze een foutje maken en je niet tweehonderd jaar zult leven, maar oneindig?

Aan het einde van zijn zoektocht langs wetenschappelijk verantwoorde onsterfelijkheid hield de presentator verschillende mensen een flesje levenselixer voor. Zou je het drinken? De belofte van de eeuwige jeugd waarmaken? Het is de keerzijde van de vraag die Friedrich Nietzsche stelt in De vrolijke wetenschap. Stel je voor, dat op een keer een duiveltje je op de schouder tikt en zegt dat je dit leven nog eens moet leven en dan nog ontelbaar veel keren. Er zal niets nieuws aan zijn, iedere pijn en ieder genot, elke gedachte - ook deze - komt terug. De zandloper wordt steeds weer omgedraaid. Zou je je dan knarsetandend ter aarde werpen en de duivel vervloeken? Of zou je zeggen: nooit hoorde ik iets goddelijkers?

Voorlopig is onze sterfelijkheid nog niet uitgesteld, laat staan dat we de zoete dan wel bittere onsterfelijkheid kunnen proeven. Doet er niet toe. De belangrijkste vraag - wat zou het voor ons betekenen - kunnen we nu al stellen.



Bookmark and Share
Comments

Hub Zwart - De waarheid op de wand

hub_zwart
Iedereen kent de verhalen over Frankenstein en Dracula uit de verfilmde romans van Mary Shelley en Bram Stoker. Het zijn literaire klassiekers die iets laten zien van de verlangens en gevaren die de bètawetenschappen beheersen. In De waarheid op de wand. Psychoanalyse van het weten werkt Hub Zwart zulke archetypische verbanden tussen de natuurkunde en de literatuur op intrigerende wijze uit.

Het boek past in een lange discussie over de vermeende kloof tussen de alfa- en bètawetenschappen: die zouden niets van elkaar moeten hebben. C.P. Snow hield een halve eeuw geleden een beroemd geworden lezing hierover onder de titel 'The Two Cultures'. Alfa's laten zich voorstaan op een gebrek aan kennis van de natuurwetten, terwijl de algemene, culturele kennis van bèta's niets voorstelt.

Lees verder op 8WEEKLY: Alchemie in twee culturen

Bookmark and Share
Comments

Pecha kucha: Encyclopedie van de angst



Lees ook de uitgeschreven tekst Angst: een wetenschapsfilosofische encyclopedie

Bookmark and Share
Comments

Hamlet en entropie: alfa vs. bèta

hamlet_en_entropie
Het is een vaak herhaald refrein: het zou slecht gesteld zijn met de algemene ontwikkeling van studenten, leerlingen, stemmers, internetters, van wie niet eigenlijk. Ook in de academische wereld laait eens in de zoveel tijd de discussie op dat gestudeerde mensen te weinig kennis bezitten buiten hun eigen vakgebied. Dan gaat het vooral om letterenmensen die geen weet hebben van de natuurwetenschappen. Vraag een literatuurwetenschapper naar de tweede wet van de thermodynamica en hij kijkt niet alleen met een gezicht als een vraagteken, maar begint zelfs schamper te lachen. Jean Paul van Bendegem, wiskundige en filosoof, schreef een pamflet waarin het vuur flink oppookt: Hamlet en entropie. De twee culturen een halve eeuw later. Lees verder
Comments

Angst: een wetenschapsfilosofische encyclopedie

angst_encyclopedie
Als het niet heel cynisch zou klinken, zou je ‘angst’ in deze tijd een modewoord kunnen noemen, of zelfs een hype. Verkiezingen zijn in de greep van angst, het klimaat is een bron van angst, net als terrorisme. Er is angst voor onze gezondheid – terwijl we nooit gezonder zijn geweest; angst voor crisis en werkloosheid – terwijl we nooit welvarender zijn geweest. Onder de titel Encyclopedie van de angst organiseerde ik voor Studium Generale een serie lezingen over angst. Welke rol speelt angst in de wetenschap? Angst kan een drijfveer zijn om kennis op te doen. Maar wetenschap kan ook angst aanjagen. En hoe bestudeer je angst als maatschappelijk fenomeen? Hoe doorbreek je de angsthype om van angst een productieve kracht te maken? Lees verder
Comments

David Acheson, Theo van Doesburg en de schoonheid van getallen

david_acheson
Een gedistingeerde wiskundige uit Oxford die elektrische gitaar speelt en op John Cleese lijkt: dat is David Acheson, die gisteren een lezing gaf bij Studium Generale. Had ik een avondje vrijaf, ging ik nog op die harde stoelen van het Academiegebouw zitten. Ik heb absoluut geen wiskundeknobbel, maar ik ben wel gevoelig voor de schoonheid van wiskunde, getallen als kunst. Een gevoeligheid waar elke wiskundige mee begint, denk ik. In elk geval Acheson, die zijn liefde verklaarde aan de 'wonderful theorems' en 'beautiful proofs' van zijn vakgebied. Wiskunde is een kunst omdat het in zichzelf, zonder toepassing en zonder praktische afgeleide, mooi en bijzonder genoeg is om te beoefenen.

Daar houd ik wel van. Ergens in dit alfamens (gelukkig geen -mannetje) van verhalen en woorden zit een wiskundige verstopt die kickt op getallen en lijnen. Het is de aantrekkingskracht van orde en eenvoud, die toch verbazingwekkend onbegrijpelijk is. Acheson liet in zijn lezing verschillende voorbeelden zien, bijvoorbeeld van een som waarvan de uitkomst pi is. Pi! Hoe toevallig is dat? Niemand begrijpt wat pi in die som doet, het is eenvoudig, mooi, helder en onbegrijpelijk. (Denk ik, misschien is het raadsel wel te verklaren.) Lees verder
Comments

Stukkies elders: Sarte, klimaatverandering en de cultuur van angst

Levenskunst: Jean-Paul Sartre en het existentialisme
‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’ Hele generaties zagen deze woorden van Jean-Paul Sartre als strijdkreet. Woorden die een vrij leven mogelijk maakten. Maar wat betekent het eigenlijk, dat de existentie aan de essentie vooraf gaat? Professor Maarten van Buuren (Moderne Letterkunde, UU) legt het in zijn lezing voor de serie Levenskunst uit aan de hand van sprekende voorbeelden en persoonlijke inzichten. Lees verder

Onzekere gevolgen van klimaatverandering: kies niet meteen de makkelijke oplossing
Wat is de relatie tussen angst, onzekerheid en wetenschap? Hoe kan de politiek beleid maken dat rekening houdt met de open gaten in wat wetenschappelijk zeker is en dat toch verstandig is? Op deze belangrijke vragen die spelen bij bijvoorbeeld klimaatverandering sprak prof. dr. Arthur Petersen in de laatste lezing voor de serie Encyclopedie van de angst. Bij een problematiek die zo groot is als het klimaat, waar de belangen enorm zijn, is de onzekerheid juist het grootst. Welke gevolgen heeft de opwarming van de aarde? Hoe komt het dat de aarde opwarmt? Niemand die het zeker weet. Maar iedereen is het erover eens dat er íets aan gedaan moet worden. Lees verder

Frank Furedi over leven in een cultuur van angst
Angst is cultureel en historisch bepaald – een van de prikkelende stellingen van prof. Frank Furedi (Sociologie, Kent University) in zijn lezing voor de serie Encyclopedie van de angst. Als dat zo is, wat is dan de angst die hoort bij onze tijd en cultuur? Daar is geen eenduidig antwoord op te geven. Misschien is dat juist wat moderne angst kenmerkt. Lees verder



Bookmark and Share
Comments

Stukkies elders: authenticiteit, medicatie en poëzie

Economische keuzes: voorbij de rationaliteit
Een verzekering tegen een ongeluk door een terroristische aanslag verkoopt beter dan gewoon een verzekering. Terwijl de kans op zo’n aanslag veel kleiner is. Iedereen weet dat en toch zijn mensen bereid meer te betalen. Hoe kan dat? De economische wetenschap is jarenlang uitgegaan van de mens als rationeel wezen. Onterecht, aldus prof. dr. Henriëtte Prast, gedragseconoom en columnist, verbonden aan de WRR. Rationele modellen beschrijven een ideale gang van zaken die verre van realistisch is. De gedragseconomie kijkt naar wat mensen echt doen als ze economische beslissingen maken en probeert de systematiek daarin te ontdekken. Lees verder

Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’
Authenticiteit is een kernbegrip in de literatuur en filosofie, zo blijkt uit de serie Levenskunst. Joep Dohmen en Maarten van Buuren komen in hun lezingen en discussies steeds hierop terug. Wat het inhoudt, hoe je authentiek wordt en in welke verhouding het authentieke individu tot de gemeenschap staat: daarop is geen eenduidig antwoord te geven. De lezing van Joep Dohmen over de hedendaagse filosoof Charles Taylor – schrijver van onder meer The Ethics of Authenticity – cirkelde rond deze vragen. Lees verder

Nietzsches ‘dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst
Friedrich Nietzsche staat wel bekend als ‘de filosoof met de hamer’. Zijn uitspraak ‘God is dood’ is zelfs op T-shirts terug te vinden. Nietzsche is ook te lezen als filosoof van de levenskunst, waarbij het gaat om zelfstilering en bevestiging van het leven. Hoe zijn deze twee interpretaties met elkaar te rijmen? Joep Dohmen gaf in zijn lezing voor de serie Levenskunst vorig najaar een grondige inleiding op Nietzsches moraal en op de oproep tot zelfverwerkelijking die daar nog steeds van uitgaat. Lees verder

Innovatie van medicijnen loont niet, bangmakende reclame wel
‘Voelt u zich wel eens gespannen, maakt u zich zorgen en kunt u niet meer genieten van activiteiten die u eerder leuk vond, zoals winkelen? Dan is Havidol voor u!’ Wacht eens even, Havidol? Dat klinkt verdacht veel als have it all. Inderdaad, het gaat hier om een persiflage op de manier waarop geneesmiddelen tegenwoordig ‘in de markt’ worden gezet door grote farmaceutische bedrijven. Een persiflage die helaas stoelt op een onaangename werkelijkheid, aldus professor Huub Schellekens (UU) in zijn lezing Over regulering van angst. Bij het uitvinden en produceren van geneesmiddelen gaat het allang niet meer om de mens, maar om de centen. Reclame is de grootste kostenpost, beurskoersen het belangrijkste doel. Lees verder

De literaire expressie van angst: angst als productieve kracht
Waar vrees gericht is op een object in het hier en nu (spinnen, hoogtes), is angst een ongericht gevoel. Het onderscheid tussen angst en vrees kwam eerder al naar voren bij Damiaan Denys en ook dr. Hans van Stralen haalt het aan in zijn deel van de lezing ‘De literaire expressie van angst’. Uit de bijdrage van dichter Ingmar Heytze blijkt dat angst nog veel meer vormen aanneemt. Stilstand, beweging en productie zijn begrippen die steeds terugkeren. Lees verder

Authenticiteit en eigenbelang: het lastige evenwicht van de honnête homme
François de La Rochefoucauld is bekend van zijn maximes: puntige uitspraken over de mens. Ze verschenen in een vertaling van Maarten van Buuren bij de Historische Uitgeverij. In de serie Levenkunst hield Van Buuren dit najaar een lezing over La Rochefoucauld. Hij vertelde hoe hij in de maximes een heel nieuwe laag ontdekte, toen hij er ter voorbereiding van de lezing met een ethische bril naar keek. De maximes achtervolgen de lezer met vragen die hem in zijn waarden confronteren. Houdt de auteur mij een spiegel op of herken ik me totaal niet? Lees verder



Bookmark and Share
Comments

Stukkies elders: angst, levenskunst en liefde

Hieronder de opbrengst van de eerste weken schrijven op het Studium Generale nieuwsblog. Linkliefde heet dat geloof ik.

Angststoornissen: over hersenprikkeling en schoonheid
De psychiatrie streeft naar de opheffing van de eigen beroepsgroep. Als niemand meer een psychiater nodig heeft, is de missie geslaagd. Zover zal het vast niet komen. En misschien is dat ook niet erg, want een bestaan zonder lijden, zonder angst, zonder tekort is ook een bestaan zonder schoonheid en kunst. Professor Damiaan Denys is zowel psychiater als filosoof en liet beiden spreken in zijn lezing ‘Angst als psychische stoornis’ voor de reeks Encyclopedie van de angst. Lees verder...

(Valse) verleiders op Festival Mooie Woorden
Romantiek is een doodsvijand, van de liefde en van het geluk. Romantiek is ook letterlijk een doodsvijand: een vijand van de dood. Ze tovert allerlei onrealistische beelden voor ogen, zoals dat van een eeuwig leven en eeuwige jeugd. Harde woorden van filosoof Jan Drost, die echter het goede met de mens voorheeft. Als je je niet zo laat verblinden door valse verwachtingen, is de kans op geluk veel groter. Volgens Marinka Copier valt het wel mee met die valse verwachtingen. Het ligt eraan met welke bril je ernaar kijkt. Lees verder...

Wetenschap als ontmanteling van angst
Welke rol speelt angst in de wetenschap? Dat is de hoofdvraag van de wetenschapsfilosofische reeks Encyclopedie van de angst, die gisteren opende met een lezing door Sander Bais, hoogleraar in de Theoretische Fysica. Twee dingen maakte zijn lezing goed duidelijk. Angst is een belangrijke factor op veel niveaus en kan zowel voor als tegen de wetenschap werken. Maar, voegde Bais toe, wetenschap is belangrijker dan angsten – individueel of collectief – en zijn betoog was dan ook een betoog In praise of science, zoals de titel van zijn laatste boek luidt. Lees verder...

Robert Musil: Mystiek zonder God
Wat ben jij? Een dilettant, een essayist of een mysticus? Deze drie levenshoudingen spreken uit het werk De man zonder eigenschappen van Robert Musil (1880-1942). Ze zijn een spiegel voor onze eigen levensstijl en stellen de vraag wie we zelf zijn. Maarten van Buuren weet het wel: hij kan zich goed vinden in het dilettantisme, zo zei hij in zijn lezing in de serie Levenskunst. Lees verder...

Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid
Had Michel de Montaigne in deze tijden geleefd in plaats van in de zestiende eeuw, dan had hij misschien wel een weblog bijgehouden. Want het zelfonderzoek van Montaigne, samengebracht in zijn Essays, had goed gepast bij de open en onderzoekende vorm van een weblog (het was dan het weblog op zijn best geweest). Ook daarin hangt alles met elkaar samen. De schrijver verwijst naar hoge en lage, de hedendaagse en voorbije cultuur – in Montaignes tijd vaak Latijnse citaten, in deze tijd filmpjes van Youtube. En het weblog is nooit af, net als de Essays. Steeds keerde Montaigne terug naar zijn tekst, verwerkte reacties van anderen, schrapte en herschreef. Lees verder...

Michel Foucault: Het leven een kunstwerk
Het lijkt een onwaarschijnlijke stap: van een analyse van het gevangenis- en strafsysteem naar de levenskunst. Zoniet voor de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Beide hebben te maken met vrijheid en de machtsverhoudingen die op die vrijheid inwerken, zo vertelde prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing ‘Het leven een kunstwerk’ in de serie Levenskunst. Lees verder...

Huis van de Poëzie
Is poëzie vertaalbaar? In een gedicht hangen taal, klank en betekenis zo nauw samen – is dat wel in een andere taal over te brengen? Regelmatig verschijnen er poëzievertalingen, van sommige dichters, zoals Shakespeare, zelfs meerdere. De een is vrijer dan de andere. Toch lijkt het bij de waardering van een poëzievertaling niet alleen te gaan om de vrijheid die de vertaler zich veroorlooft. Het gaat ook om iets als ‘de ziel’ van een gedicht. Lees verder...



Bookmark and Share
Comments

Thomas Metzinger, De egotunnel

egotunnel
Stel je de wereld voor zoals die erbij ligt buiten jouw bewustzijn. Een oceaan van elektromagnetische straling, kleurloos en zonder diepte. Het zijn de hersenen die van deze woestenij de wereld maken zoals we die kennen, een wereld waarin geleefd kan worden. Hoe dat in zijn werk gaat, vertelt filosoof Thomas Metzinger in De egotunnel.

Lees verder op 8WEEKLY: Onttovering van het zelf
Comments

Op weg naar een Theorie van Alles

quantum-foam
De Sterrenkunde-reeks bij Studium Generale is alweer afgelopen. Ik heb de lezingen alle vier gevolgd en over alle vier een reportage geschreven. Een verslag van Govert Schillings lezing over de fascinatie van de mens voor de kosmos is elders te vinden. Hieronder een samenvatting van de overige drie lezingen, waarin Utrechtse sterrenkundigen vertelden over de stand van zaken in het onderzoek. Meer sterrenkunde? Kijk op het Internationale Jaar voor de Sterrenkunde. De volledige verslagen van alle lezingen zijn te downloaden op de website van SG.

Van de aarde via zon en maan naar andere planeten tot aan een Theorie van Alles: de reeks bracht het publiek steeds verder van huis in steeds uitzinniger sferen. Bij de laatste lezing zat ik met mijn oren te klapperen, totaal meegesleept langs de grenzen van het denken. De afsluiting is wat mij betreft geen einde, maar eerder een begin van verdere studie in de wondere wereld van het uitdijende heelal.

Wist je dat de neutrino’s je nooit meer met rust zullen laten?
De reis door de kosmologie begon gewoon hier op aarde. Professor Frank Verbunt laat zien dat de invloed van zon en maan op het wel en wee van de aarde groot is, en veelvormiger dan gedacht.

neutrino
De interessantste wetenschappelijke feiten zijn zo opmerkelijk en simpel dat je ze nooit vergeet en vaak wilt herhalen. De geëigende vorm daarvoor is ‘Wist je dat...’; waarna iets volgt wat ondenkbaar lijkt, wat met jezelf te maken heeft en wat ondersteund wordt met keihard, na te rekenen bewijs. Wist je dat elke seconde zestig miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter op aarde razen? Dus ook door je eigen lichaam heen?

Waar komen die neutrino’s vandaan? De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die je in modellen en formules kan vatten. Maar de formule vertoont een afwijking, er verdwijnt namelijk massa. Die wordt omgezet in energie, ofwel licht. Kort gezegd: er lijkt bij kernfusie meer aan massa in te gaan dan eruit komt. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ongehinderd door jou en mij. Wist je dat...?

Nog zo een. Wist je dat de dag steeds langer wordt en de maand ook? Al in de zeventiende hield Edmond Halley (naamgever van de bekende komeet) zich hiermee bezig. Halley deed onderzoek naar zonsverduisteringen. Het is exact te berekenen hoeveel tijd er tussen twee verduisteringen moet zitten. Halley rekende uit dat eerder een verduistering in Alexandrië moest zijn geweest. Bronnen wezen iets anders uit: niet Alexandrië, maar Bagdad was getuige geweest. Daar zit een uur verschil tussen! Er was maar één conclusie mogelijk: de dagen en de maanden worden langer. De gemiddelde verandering is langzamer dan 2,3 milliseconde per eeuw. Toch is dat al gauw een paar seconden sinds het begin van de jaartelling.

De Russische (fictieve) schrijver Kuzma Prutkow vroeg zijn lezer: ‘Wie is er nuttiger, de zon of de maan?’ Zonder de zon geen energie en leven, zonder de maan geen klimaat dat de energie in bedwang houdt en het leven pas echt tot leven wekt. Prutkow zelf wist nog beter het antwoord: ‘De maan is de nuttigste, want hij geeft 's nachts licht, dus als het donker is; de zon schijnt echter alleen overdag, als er toch al licht is.’

‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar’
In de volgende lezing gaat dr. Daphne Stam voorbij de maan en de zon, de Melkweg uit. Ze doet onderzoek naar exoplaneten en leven in andere sterrenstelsels. Het is met enige schroom dat je een wetenschapper vraagt naar buitenaards leven en de kans op technologisch vergevorderde samenlevingen in outer space. De wetenschap onderzoekt deze vragen echter zeer serieus en diepgravend en hoopt net als het grote publiek op een wereldschokkende ontdekking.

Hoewel onbekend is hoe het leven ooit is begonnen, is inmiddels wel duidelijk wat essentieel is om te overleven. Hoe strikt deze voorwaarden zijn is maar de vraag. Tegenwoordig zijn ook organismen bekend die onder zeer extreme omstandigheden leven en die daarom toepasselijk extremofielen heten. Op de meest onherbergzame plekken, zoals in zwavelbronnen en op Antarctica, is blijkbaar wel leven mogelijk. Dus misschien ook wel op onherbergzame planeten.

Christiaan Huygens was een van de eersten die nadacht over leven op planeten bij een andere zon of ster. Als de zon een ster is, zo redeneerde hij, en de hemel is bezaaid met sterren, waarom zouden die dan geen planeten hebben? Inmiddels is de techniek zo geavanceerd dat er daadwerkelijk planeten bij andere sterren aan te wijzen zijn. Zo leren we ook meer over ons eigen Melkwegstelsel, dat een heel normaal, gemiddeld stelsel blijkt te zijn, onopvallend en eigenlijk totaal niet interessant – mocht je een alien zijn. De Melkweg mag dan onopvallend en gemiddeld zijn, de getallen liegen er niet om. Een sterrenstelsel als het onze kent zo’n 200 miljard sterren, waarvan er 40 miljard als onze zon zijn. Er moeten dus heel veel planeten zijn. Waarom is de Melkweg dan onopvallend? Omdat hij slechts een van de honderd miljard sterrenstelsels is...

‘Wat zullen we uiteindelijk aan leven vinden?’ Stam haalt Drake aan, die in 1961 een formule opstelde om de kans op ander leven in de kosmos te beschrijven. Daarin zijn allerlei variabelen opgenomen, zoals de gemiddelde snelheid waarmee sterren geboren worden, het percentage van die sterren met planeten, het deel van die planeten waar intelligent leven zich ontwikkelt en de levensduur van technologische beschavingen. Afhankelijk van de input is de uitkomst van de vergelijking dat er toch minstens zeshonderd technologische, communicerende beschavingen moeten zijn. ‘We zijn dus niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’

Op zoek naar die ene, robuuste, unieke theorie
Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen? Waar ligt de grens tussen science en fiction?

Allereerst geeft Loll een idee van de schaal waarop kwantumonderzoek zich afspeelt. We zien een foto van een vijver met waterlelies. Elke volgende foto zoomt in op een deel van het plaatje, steeds met dezelfde verkleining van factor tien. De eerste foto’s zijn duidelijk: de vijver, een lelie met een bij erop, het hoofd van de bij, zijn oog. Het zoomen gaat verder: een stukje pollen, een bacterie, daarop een virus. Nog verder: strengen DNA, DNA-structuur. Dat is 1 nanometer, 10 tot de min negende. Dan het koolstofatoom, elektronen, de nucleus, tot je bij het ‘bijna niets’ komt: protonen, quarks en gluons, elementaire deeltjes. Dan het kleinste niveau, waarop de Geneefse deeltjesversneller opereert: 10-18. Let wel: de verhouding tussen de lelie met een bij en het hoofd van de bij is dezelfde als tussen de nucleus van een elektron en elementaire deeltjes. Uiteindelijk kan de natuurkunde nog zestien ordes van grootte teruggaan tot de Planckschaal (10-35), de allerkleinste schaal die bekend is, nog voorbij de elementaire deeltjes. Hier spelen vragen over de lege ruimtetijd tússen die elementaire deeltjes.

De lege ruimtetijd tussen elementaire deeltjes: een leuk denkspelletje, maar verder niet echt boeiend, toch? Waarom zou je je bezighouden met – niets? Voor de twintigste eeuw was het volkomen gerechtvaardigd om ruimte en tijd te beschouwen als achtergrond voor interessante processen en niet als interessant op zich. Dat is het wereldbeeld van Newton: het universum bestaat uit ruimte plus tijd plus zwaartekracht. Daarbij zijn ruimte en tijd onveranderlijk en eeuwig, als een schouwtoneel waarop de zwaartekracht zijn dynamiek uitoefent.

Einstein zou het wereldbeeld totaal veranderen. Ruimte en tijd zijn innig verstrengeld, er is geen scherpe grens tussen te trekken, zo toonde hij in 1905 aan. Ruimte en tijd koppelde hij tot ruimtetijd; maar die bleef statisch en niet erg boeiend. Met de tweede revolutie van Einstein in 1915 veranderde ook dat. In dat jaar ontvouwde Einstein zijn theorie van de gekromde ruimtetijd, waarmee ook het verschil tussen ruimtetijd en zwaartekracht is opgeheven. Zwaartekracht, zo laat dit model zien, is integraal onderdeel van de structuur van de ruimtetijd zelf. Die wordt daarmee dynamisch op zich, gekromd. Geen enkele vorm van massa of energie kan ontsnappen aan die dynamiek. Zelfs lege ruimte oefent dus krachten uit op dingen die in haar worden geplaatst. De ruimte is gezegend met eigenschappen die het bestuderen meer dan waard zijn.

Einsteins theorie markeert niet het einde van de natuurkunde. Wat blijkt namelijk: op zeer kleine schaal is de klassieke theorie niet toepasbaar. Tot op millimeters gaat het goed, maar op moleculair, atomair en nucleair niveau is de zwaartekracht zo zwak dat hij niet belangrijk meer is, hij wordt helemaal tenietgedaan door andere interacties tussen deze deeltjes. De microstructuur van ruimtetijd zal er anders uit zien dan de ruimtetijd op grote schaal. Op welke manier? De ruimtetijd is op grote schaal weliswaar gekromd, maar toch vlak en glad te noemen. Op kleine schaal is hij juist verre van glad, eerder gekreukeld. Vandaar de vergelijking met schuim.

Na deze theoretische verkenning van kwantumonderzoek naar ruimtetijd komt de grote vraag: wat zegt die theorie over wormgaten? Het belangrijkste is natuurlijk dat wormgaten de mogelijkheid tot tijdreizen inhouden. Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg.

wormhole_graphic
Wat is hier feit en wat fictie? De algemene relativiteitstheorie staat niet toe dat wormgaten geboren worden, dat kan simpelweg niet. Maar misschien zijn ze wel in de chaos van de oerknal ontstaan. Een ander punt weegt zwaarder: om het wormgat open te houden en niet te laten inklappen, is het bestaan van zogenaamde exotische materie vereist. Exotische materie heet nu juist zo omdat ze onbekend is, nooit gezien of gemeten, en met eigenschappen die vrijwel ondenkbaar zijn: negatieve energie en een onmogelijke dichtheid. Met andere woorden: die theorie is niet echt natuurkundig. Dat gezegd hebbende, zou een bestaand wormgat inderdaad een vervoermiddel naar een andere tijd kunnen zijn. Het idee van tijdreizen is op zich echter voor de wetenschap een ramp, omdat het zou indruisen tegen de basis van alle natuurkundige wetten: causaliteit. ‘Dan kun je alleen nog maar wanhopen.’

Professor Loll vertelt over een experiment dat ze heeft opgezet om het bestaan van wormgaten te testen. Met behulp van de computer heeft ze een model gebouwd op de Planckschaal. Als voorwaarden koos ze bepaalde ingrediënten en stelde ze vast hoe die mogen bewegen. Vervolgens liet ze de ingrediënten uitdijen tot een ruimtetijd op grote schaal. Het experiment is twee keer uitgevoerd. De ene keer mogen de atomen wormgaten vormen, de andere keer niet. En wat blijkt? Als wormgaten zijn toegestaan, komen ze ook in groten getale voor. Maar alle energie gaat zitten in het maken van wormgaten, de rest van de ruimte groeit gewoon niet. Dat is niet consistent met wat we om ons heen zien. In het andere experiment, waarin wormgaten niet voorkomen, is het resultaat een universum op grote schaal dat bovendien overeenstemt met de Einstein-theorie.

Uit dit experiment komt ook de totaal bizarre, wilde aard van het kwantumschuim op de Planckschaal naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ De verzuchting van Loll klinkt even verheugd als verbaasd.

Ik moet nog even bijkomen van een maan die van de aarde af beweegt, van de nietigheid van ons sterrenstelsel en de schuimachtige vorm van materie... Gelukkig hoef ik me over één ding geen zorgen te maken: de snaartheorie met haar twaalf dimensies is alweer achterhaald.



Bookmark and Share
Comments

Darwin als teaser

Niemand ontkomt aan het Darwinjaar zo lijkt het: of je nu naar de VPRO of naar de EO kijkt, of je nu van de schepping of evolutie bent, allemaal moeten we geloven aan de Darwinhype. Ik moest er niet aan geloven, ik was een integraal onderdeel ervan. Was ja, want inmiddels is de hype alweer over zijn hoogtepunt heen en ben ik er van af. Mijn recensie van Brownes Over het ontstaan van soorten van Darwin staat op 8WEEKLY, en stukken over de lezingenreeks Na Darwin zijn hier te vinden. Lees verder
Comments

Neutrino's in een twaaldimensionale kosmos

supernova
Supersnaren, exoplaneten, wormgaten: ik ben me voor mijn volgende programma bij Studium Generale aan het inlezen in de moderne astronomie. 2009 is internationaal Jaar van de Sterrenkunde (juist, weer een jaar van...). Sterrenkunde: dat vindt iedereen wel fascinerend. Maar is het ook te begrijpen? Lees verder
Comments