Art: de kunst van het richten

malevich
Zijn kunstenaars automatisch bedreven in levenskunst, omdat ze kunst maken? Dat lijkt me niet. Er is nogal een verschil tussen het scheppen van een kunstwerk door schilderen, filmen of schrijven, en het leiden van een goed leven. Als het goede leven iets te maken heeft met geluk dan lijken de kunstenaars al helemaal de boot te missen: behoren ze niet vaak tot de depressieve soort, maken ze geen kunst in een poging stand te houden in het lijden dat leven heet? Ook dat is weer een cliché dat nog nooit een wetenschappelijk onderzoek heeft overleefd.

Toch kan het geen kwaad om naar kunstenaars te kijken om iets te begrijpen van het goede leven. Dan heb ik het over de archetypische kunstenaars, die groots en meeslepend leven. Je kunt beter hoog richten, wil je ergens in het midden uitkomen. Wat zit er - behalve drank, vrouwen en geld dan wel armoe - achter dat extreem van de alles-of-niets-kunstenaar? Ik denk vooral: focus en gedrevenheid. Grote kunstenaars weten op een wonderbaarlijke manier de chaos en veelheid van genot te combineren met een zeer nauwe, gerichte concentratie.

In Art van Sarah Thornton staan interessante interviews met allerlei spelers in de kunstwereld. Een van de hoofdstukken gaat over de opleiding tot kunstenaar. In de opleiding moet je ontdekken wat de onbelangrijke onderdelen zijn in jouw kunstwerken, zegt filmmaker William E. Jones. Het doel: 'Je moet iets vinden wat bij jouw leven past - een principiële kern die veertig jaar artistieke arbeid kan doorstaan.'

Veertig jaar! Niks jobhoppen, dingen uitproberen, een leven lang leren. Hoewel, dat ook natuurlijk, maar dan op een gerichte manier, vanuit die principiële kern die onaantastbaar is. Dit roept de 10.000-urenregel in gedachten. Die slaat op het werk dat je moet verzetten voordat je ergens heel goed in bent (dat vraagt 10.000 uur oftewel tien jaar gerichte bezigheid en oefening). Jones spreekt over de toekomst waarin je dat waar je goed in bent geworden, verder uitwerkt en inzet. De overeenkomst tussen de twee is de noodzaak iets te hebben waar je 10.000 uur dan wel veertig jaar arbeid aan zou kunnen en willen besteden.

Dat hoeft niet per se geluk op te leveren, maar misschien wel voldoening (hoewel je als kunstenaar en als mens natuurlijk ook kunt mislukken; en na veertig jaar artistieke, levenskunstige arbeid moet concluderen dat je het verkeerde onderwerp hebt gekozen, je de verkeerde vragen hebt gesteld). Niemand belooft dat geluk de uitkomst van je arbeid is.

Zoals ik al eerder schreef: waarom zou je er voetstoots van uitgaan dat geluk het doel van het leven is? Misschien is waarheid of inzicht wel veel belangrijker. Daar vertonen kunstenaars meer verwantschap mee dan met geluk. Waarom kunst scheppen? Om de wereld te begrijpen en interpreteren, om orde aan te brengen of om de chaos uit te beelden, om vat te krijgen op de werkelijkheid in al haar kleurstellingen. Van diepzwart tot vrolijk rood. Inzicht kan bevrijdend zijn en tegelijk pijn doen.

In een ander hoofdstuk van Art gaat het over kunstkritiek. Dave Hickey, Amerikaans criticus, zegt: 'Het zal me een zorg zijn wat de kunstenaar bedoelt. Voor mij moet een kunstwerk eruitzien alsof het gevolgen zou kunnen hebben.' Hij verlangt van kunst dus niet alleen interpretatie of ordening, schoonheid of genot. Kunst heeft het vermogen de wereld te veranderen. Al is het maar het perspectief van één toeschouwer. Dat gaat denk ik op voor iedereen die nadenkt over de kunst van het leven. Ook al kom je niet daar uit waar je op richt, zonder te richten kom je nergens.



Bookmark and Share
Comments

3 manieren om de mensheid op te delen

joy_division
Als je je goed voelt, schrijf je minder. Dat was waar in de tijd dat ik nog hartverscheurende puberdagboeken volpende. Zodra ik niets had om me druk over te maken, geen liefdesverdriet of onbegrepen zwaarmoedigheid, verdween de noodzaak om het dagboek bij te houden (in dat opzicht lijkt het een goed teken dat ik sinds mijn negentiende geen dagboek meer bijhoud). Nu valt me het tegenovergestelde op: als je je goed voelt, schrijf je meer. Hoe kan dat? Lees verder
Comments

Oscar Wilde at boeken

Oscar Wilde at boeken. Nee, ik bedoel niet oscarwilde@boeken (punt com), Oscar Wilde verteerde, at boeken letterlijk. Dus niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk. Hij scheurde hoekjes af die hij in zijn mond stak en (ik stel me voor: gedachteloos, of liever: geabsorbeerd) vermaalde. Dat staat te lezen in Oscar's Books van Thomas Wright, waarin alles wat Wilde ooit met boeken deed, aan boeken las, kocht of verloor, aan boeken schreef, opdroeg, verzond, is nageplozen en opgeschreven in - natuurlijk - een boek. A book of ones own. Lees verder
Comments

De Grote Onrust I

kolibrie
Hoe ongemerkt een grote mijlpaal aan je voorbij kan gaan: inmiddels heb ik meer dan honderd blogjes geplaatst. Ik heb ze allemaal genummerd in een mapje op de harde schijf staan en zag dus al van verre de honderdste aankomen. Maar toen ik het ging natellen, bleek dat ik sommige stukjes was vergeten te kopiëren naar de map. De honderdste was eigenlijk de honderdzesde, of -zevende, ik kwam er niet meer uit. Nou ja, wat maakt het uit? Heel wat. Lees verder
Comments

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren - oftewel tien jaren - regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten - als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.



Bookmark and Share
Comments