Ironie en zelfironie: 7 opmerkingen

Hoe zit het met zelfironie, vroeg iemand naar aanleiding van het stuk over zelfonderzoek als mythe. Goeie vraag. Zeven gedachten.

1. Ik moet bij ironie altijd denken aan de film Reality Bites, waarin Winona Ryder de kans krijgt zich te presenteren aan een tv-bobo. De dame in powersuit zegt neerbuigend: Define irony. Winona staat met haar bek vol tanden. Haar vriendje Ethan Hawke, aan wie ze even neerbuigend en vol verontwaardiging het voorval vertelt, antwoordt zonder nadenken. 'Het tegenovergestelde zeggen van wat je eigenlijk bedoelt, met de bedoeling dat wel duidelijk te maken.'

2. De ironie van Socrates: jezelf dommer voordoen dan je bent om de onwetendheid van de ander te ontmaskeren.

3. De ironie van Kierkegaard bouwt voort op die van Socrates. Ironie inzetten om reflectie op gang te brengen en vraagtekens te zetten bij alles wat je weet, alle vooroordelen die je hebt. Je hebt eerder te veel kennis dan te weinig. Uiteindelijk is zijn ironie een oneindige, absolute negativiteit die in zichzelf verdwijnt. Eindeloze reflectie, die uiteindelijk resulteert in onbegrijpelijkheid. Toch maakt zijn voortdurende ironie van Kierkegaard een uitzonderlijk humoristisch filosoof. Humoristischer ook dan Socrates. En dat heeft misschien wel te maken met zelfironie.

4. Wat is dan zelfironie? Sowieso is duidelijk dat ironie iets te maken heeft met het zelf. De filosofen zetten het in om de ander iets over zichzelf te leren. Maar dat klinkt ontzettend pedant: ik zal jou eens even wat over jezelf leren, maar doe dat door het omgekeerde te zeggen van wat ik bedoel. Hier heeft Socrates soms wel een handje van, als ik het mag zeggen. Dan doet Kierkegaard het beter. Hij voert allerlei personages op, alter ego's, pseudoniemen en heteroniemen waarachter zijn eigen zelf totaal versnippert. Hoe zelfironisch wil je het hebben? Jezelf laten verdwijnen achter talloze in elkaar spiegelende personages en auteurs, om de ander eens over zichzelf te laten reflecteren.

5. Dat klinkt weer als een veel te ernstig, nobel doel. De ironische distantie, is dat niet gewoon de methode van een slappeling die nooit eens zijn ware gezicht durft te tonen? Dat betoogde ik immers na het zien van Zomergast Annet Malherbe. Al die fascinaties, niets is meer een échte obsessie, alles is wegwuifbaar met een hand waarachter een vergoelijkend lachje klinkt. Ironie, dat is toch lachen? En zelfironie, dat is toch lachen om jezelf?

6. Dan zijn we weer terug bij Kierkegaard, die lachte om zichzelf, maar met een enorme ernst. Sorry, ik ontkom er niet aan. Of denk aan Houellebecq, die de neiging naar het sociale van de mens beschrijft als ironie van de evolutie: je kan er om lachen, maar niet hartelijk, eerder wanhopig. Oscar Wilde, die leefde als een personage (in de negentiende eeuw kon je dit woord makkelijk zo gebruiken), met een zelfironie die volkomen ernstig was. Uiteindelijk ontkomt ironie niet aan ernst, omdat het doel ervan ernstig is, met gebruikmaking van de methodiek van humor: omkering, overdrijving, acteerwerk.

7. Zelfonderzoek als mythe ging precies om die dingen: omkering (je leven als kernachtig verhaal voorstellen terwijl het in werkelijkheid chaotisch is), overdrijving (niemand gelooft werkelijk dat hij een mythische held is) en acteerwerk (je moet desondanks een klein beetje geloven dat je een mythische held bent). Uiteindelijk leert het je precies het omgekeerde van wat je zegt: want het leven is onbegrijpelijk toevallig, begint zonder aanleiding en stopt zonder afsluiting. En hooguit een decennium na je dood is iedereen je alweer vergeten. Hoe ironisch.



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Zomergasten: Annet Malherbe, fascinaties en obsessie

annet_malherbe
'Ik vind dat fascinerend.' Het klinkt als zo'n veelgebruikt cliché waar Paulien Cornelisse een aardig stukje over zou kunnen schrijven. 'Fascineeeeerend.' Of: 'Het is een van mijn fascinaties' - want een interessant persoon heeft geen hobby, maar meerdere fascinaties. Ik maak me er zelf ook met regelmaat schuldig aan, maar Annet Malherbe legde in Zomergasten legde wel heel veel nadruk op haar fascinaties die niet anders dan fascinaties waren. Voor volksdansen, eten, bergbeklimmen en pus.

Die fascinaties leverden een net niet memorabele avond op, hoewel ik me prima heb vermaakt. Fascinaties zijn namelijk vrijblijvend. Jelle Brandt Corstius versprak zich en legde daarmee de vinger op de zere plek: 'Vertel eens meer over dat bergbeklimmen, die obsessie van je.' Nee, nee! Geen obsessie, een fascinátie, verbeterde Malherbe.

Dat is inderdaad een cruciaal verschil, dat misschien ook verklaart waarom de vierde Zomergasten niet echt beklijfde. Fascinatie, zo maakte Malherbe duidelijk, is een gevoel tussen afstoting en aantrekking in. Een fragment als de eigenhandige operatie van een abces, waar het pus en bloed uit de elleboog van de solozeiler droop, is daar een goed voorbeeld van: het is smerig, maar je moet kijken (naar het filmpje van het uitknijpen van een enorme puist heb ik niet gekeken, trouwens). Of de scènes uit La Grande Bouffe: je weet dat je er niet naar mag kijken als je te jong bent, maar je blijft staren terwijl een hoertje een metalen spruitstuk tussen haar benen geduwd krijgt. Gefascinéérd staren.

Tussen aantrekking en afstoting zit een zekere afstand. Fascinatie is daarmee ironisch te noemen: het is tegelijk wel en niet boeiend, knap en knullig, mooi en lelijk. Zou dat verklaren waarom tegenwoordig iedereen alles maar fascinerend vindt? Is het het gevoel dat het beste past bij deze tijd, die zich kenmerkt door ironie (hoewel sommigen het ook alweer hebben over de post-ironische tijd). Zoals ik eerder schreef: ernst is uit den boze, niets mag nog volkomen serieus genomen worden, altijd is er reden om te lachen (of gniffelen).

Niets is echt boeiend, niets is echt afkeurenswaardig, alles is op z'n best... fascinerend.

Maar wat nu als je een obsessie hebt, zoals Brandt Corstius per ongeluk zei? Het hebben van een obsessie (en dan niet op zo'n ironische manier bedoeld - 'ja winkelen is echt een obsessie van me') is een modern taboe. Je valt volledig samen met het onderwerp, alle afstand die ironie mogelijk maakt is opgeheven. Een obsessie is een ernstige zaak, hoe lachwekkend een obsessief iemand op de buitenwereld ook mag overkomen.

Ik miste de obsessie in Zomergasten. Is dat te veel gevraagd? Nee toch - heeft een Zomergast niet op z'n minst een obsessie met het vak?

Fascinaties hebben we allemaal, daarom is het ook een cliché om iets fascinerend te vinden. Obsessies zijn daarentegen maar voor weinigen weggelegd. Annet Malherbe kon uren stilletjes naar saaie dingen kijken, was zo'n beetje het eerste wat ze zei. Obsessies zijn vaak saai, want enkelvoudig. Maar ook daar kun je wel drie uur stil naar zitten kijken. Een obsessie is voor de kijker fascinerend, een fascinatie is op z'n hoogst grappig (als het gaat om snorren en truien in een EO-programma uit de jaren tachtig) of smerig (als het gaat om een uitgeknepen puist).



Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments