Over het gebrek aan decorum dat leven heet
17/10/11 13:23 Denk aan: Leven

Hoe doe je dat? As uitstrooien van een huisdier? Moet je daar dan iets bij zeggen of gebaren? Wat als ik zou gaan huilen? Er lopen langs het kanaal altijd mensen met honden, hoe vroeg het ook is. Bij de aangewezen plek, waar een zijtak in het kanaal uitkomt, liep ik van het pad af. Ik had me verkeken op de oever, die twee à drie meter lager ligt. Om de as in het water te strooien moet ik dus half en half naar beneden glijden, de asbus in één hand, de andere achter me in het dauwnatte gras. Schuin naar achteren hellend haal ik het zakje uit de bus en scheur het open. Op z'n kop schud ik het leeg, de as drijft weg op het water. Gelukkig is het windstil. Op handen en voeten, het asbusje heb ik al omhoog gegooid, klim ik weer naar boven. Dat was dat. Het gebrek aan decorum stoort me. Maar wat had ik dan verwacht?
2. Al meer dan zeveneneenhalf jaar geleden is het inmiddels dat we aan het bed van mijn vader stonden. We hebben een afspraak met de dood, het is woensdagmiddag 10 maart. De huisarts - hij die straks de dodelijke injectie gaat geven - is rood aangelopen, het zweet parelt op zijn voorhoofd. Dat is verontrustend, want hij kan zich geen fout veroorloven. Een trillende hand kán gewoon niet. Tegelijk stelt het ook gerust. Stel je voor dat het hem niets deed, het feit dat hij iemand ging doodmaken met instemming van alle aanwezigen.
Nadat het gebeurd is (vergeef me dat ik juist hier zo makkelijk overheen stap), schenken wij overgeblevenen beneden een glas rode wijn in. Dat is mooi, want plechtig. Er moet echter ook gegeten worden. Niet veel later sta ik bij de Chinees te wachten op de babi pangang en foe jong hai. Onderwijl haalt de begrafenisondernemer de dode op; weer terug van de Chinees is hij weg. Hoe kunnen al deze dingen op dezelfde dag gebeuren? Ik verwonder me er nog steeds over. Decorum en gebrek aan decorum, de ergernis die dat opwekt en de verwondering. En troost.
3. Eén keer is een jongen huilend aan mijn voeten gevallen, me min of meer zijn hart op een fluwelen kussen aanbiedend, zich overleverend aan mijn genade. Goed, dat kun je zien als een enorm verlies van decorum van zijn kant, maar het was als een scène uit een ridderroman - het toppunt van decorum waar we wel nooit meer bij in de buurt zullen komen. Of een scène uit een film, een hartverscheurende scène; de ontroering! de kwetsbaarheid! Ik vond het onverteerbaar. Zoveel ernst en overgave, dat trek ik niet. Waar was het gebrek aan decorum dat ik zo hard nodig had?
(Bij Julian Barnes (Alsof het voorbij is) las ik onlangs: 'Ik heb een godsgruwelijke hekel aan die Engelse gewoonte om serieus zijn niet serieus te nemen. Daar heb ik echt een godsgruwelijke hekel aan.' Maar degene die deze woorden uitspreekt, pleegt niet veel later zelfmoord.)
4. De dierenarts die Bamse de dodelijke injectie ging geven waardoor ze zou inslapen, had het steeds over 'euthanasie plegen'. Ze zei precies dezelfde dingen als de huisarts zeven jaar terug. Ik wist niet of ik die twee gebeurtenissen met elkaar in verband mocht brengen, al was het maar in het binnenste van mijn gedachten. Je vader en je kat. Met de instemming van de aanwezigen. Ik hoop dat ik niet nogmaals word gevraagd te beslissen over leven en dood. Vooral omdat de juiste beslissing zo voor de hand liggend was in het zicht van het lijden.
Het was mooi en vredig. Soms moesten we lachen als Bamse toch weer een ademteug nam. Ze was nog steeds sterk, alleen geveld vanaf het middenrif. Bamse had in elk geval geen gebrek aan decorum, ze is altijd een aristocratisch poesje geweest. Toen het dan echt gedaan was, wist ik wel wat ging volgen. Langs de kassa en afrekenen.
5. Het is leven is misschien niet meer dan een opeenstapeling van gebrek aan decorum. Dat betekent niet dat we niet moeten proberen dat gebrek op te heffen. Misschien is het leven het voortdurend proberen het gebrek aan decorum op te heffen. En de dankbaarheid dat dat nooit helemaal lukt. En de troost die dat biedt.
(Of is dit alleen mijn leven?)
Comments
Le réveil mortel
23/05/11 19:33 Denk aan: Literatuur

Barnes was een puber toen zijn wake-up call kwam, en zijn boek over doodsangst is er in feite het resultaat van. Onmiddellijk vraag je je af wanneer de sterfelijkheid voor het eerst bij jezelf ontwaakte. Ik weet het niet goed. Ik kan me wel de eerste keren herinneren dat de dood zich aandiende. Mijn tante die stierf toen ik ongeveer zes jaar oud was. Later zag ik mijn cavia onder mijn ogen sterven. Maar van die momenten herinner ik me vooral mijn onbegrip en niet een bliksemflits waarmee mijn eigen sterfelijkheid aan mij werd geopenbaard. Toen mijn vader ongeneeslijk ziek was, was ik bang dat ik opeens dood zou gaan en daarmee alles nog ingewikkelder zou maken. Mijn eigen sterfelijkheid gekoppeld aan die van een ander.
Lees verder
Verslaafd aan filosofie: waarom een weblog?
20/11/10 19:55 Denk aan: Leven
Enige tijd geleden vroeg iemand me naar aanleiding van dit blog wat de trigger is geweest om te schrijven over filosofie en zelfkennis, over literatuur als levenskunst. Waar kwam die belangstelling vandaan en vooral ook die behoefte om het allemaal wereldkundig te maken? Een goede vraag en toen ik erover nadacht, begreep ik dat het antwoord op die vraag een nogal persoonlijk verhaal is. Dit is een bewerkte versie van een praatje dat ik hield voor de nieuwe lichting Thomas More-studenten.
'Misschien is filosofie wel iets dat ons op een bepaald moment overkomt of overvalt en waar wij nogal passief tegenover staan, bijvoorbeeld een plotselinge breuk in de vanzelfsprekendheid van ons bestaan tot nu toe.' Het gaat om ‘een moment van radeloosheid, een plotselinge gebeurtenis, een flits, een bekering die niet gevolgd wordt door een geloofsbelijdenis van enige betekenis.’ (Zie ook Leesclubjes die het leven veranderen)
Ik bedacht me dat mijn verslingerd zijn aan filosofie het resultaat was van
1. een samenloop van toevallige omstandigheden waarin ik me bevond,
2. een gebeurtenis die me overkwam en
3. de wil om daar iets mee te doen.
De omstandigheden waren dat ik geen leuk werk kon vinden en graag verder zou studeren. Ik heb theoretische literatuurwetenschap gestudeerd, niet direct iets waar je een goede baan mee vindt. Ik vroeg bij de Stichting Thomas More (toen nog Radboudstichting) een beurs aan en in 2003 kreeg ik hem voor een Aanvullend Studiejaar Ethiek. Ik wilde onderzoeken waarom mensen lezen, wat ze daaruit halen en wat voor rol literatuur in je leven kan spelen. Vragen die bij literatuurwetenschap gek genoeg niet gesteld worden, sterker nog, bijna verboden waren uit angst voor ‘onwetenschappelijk’ te worden versleten. Terwijl dat toch de vraag is die aan de basis zou moeten staan. Concreet gezegd: hoe kan het dat mensen soms moeten huilen door iets wat toch gewoon inkt op papier is?
In dezelfde week in juni dat ik hoorde dat ik de beurs kreeg, kwam ook het bericht dat mijn vader ernstig ziek was. Negen maanden later, op 10 maart 2004, is hij overleden. Ik weet niet hoe het zou zijn geweest als ik op dat moment geen filosofie en ethiek studeerde, maar in elk geval hebben die twee gelijktijdige gebeurtenissen een hele grote invloed gehad op hoe ik verder ben gegaan.
Het aanvullende studiejaar was voor mij een jaar waarin ik mijn eigen leven en wereld moest herdefiniëren en de filosofie heeft me daarbij geholpen, net als de literatuur trouwens. Wat ik leerde in de colleges en gesprekken over zelfkennis, de tragedie, het existentialisme en deugdethiek, kon ik meteen toepassen op mijn eigen leven. Dat jaar heeft mijn visie op het leven totaal veranderd. Echt leuk was het natuurlijk niet, want de aanleiding was vreselijk. Maar het heeft me een verslaving opgeleverd die vooralsnog niet is verdwenen en die mijn leven een stuk interessanter maakt. Niemand heeft ooit beweerd dat het leven leuk moet zijn, toch? Ik zou wel willen beweren dat je het zo interessant mogelijk moet maken.
Uiteindelijk heb ik mijn master Wijsbegeerte gehaald en schrijf ik over literatuur en filosofie, nog steeds met die vraag in het achterhoofd: waarom lezen mensen, hoe kunnen boeken je leven veranderen? Misschien komt het raar over dat ik voor een zaal met wildvreemden zo’n persoonlijk verhaal heb gehouden en dat ik dat nu zelfs online publiceer. Maar dit verhaal moet ook een voorbeeld zijn van zichzelf. Klinkt een beetje raar, maar wat ik bedoel is dat ik wel kan schrijven over dat je voor een heel klein beetje wijsheid diep moet graven, tot op de bodem en dat je wat gevonden hebt open en bloot moet aanbieden, ook al heeft niemand er interesse in… maar ik moet mezelf daar natuurlijk niet achter verstoppen. Daarom dit antwoord aan wildvreemden op de vraag van een wildvreemde.
Toevallige omstandigheden en gebeurtenissen die je overkomen, zei ik. Maar de wil om iets met die dingen te doen is misschien wel het belangrijkste. En dat heb je min of meer zelf in de hand. Die wil en de uitvoering kwam eigenlijk pas veel later, kijk maar naar het eerste blog dat hier verscheen, namelijk in juni 2008. Opnieuw een samenloop van toevallige omstandigheden en (vervelende) gebeurtenissen: ik zat werkloos thuis en het meeste werk was te vinden in de webredactie. Dus besloot ik een site te maken. Maar een site moet gevuld worden. Bij deze.

'Misschien is filosofie wel iets dat ons op een bepaald moment overkomt of overvalt en waar wij nogal passief tegenover staan, bijvoorbeeld een plotselinge breuk in de vanzelfsprekendheid van ons bestaan tot nu toe.' Het gaat om ‘een moment van radeloosheid, een plotselinge gebeurtenis, een flits, een bekering die niet gevolgd wordt door een geloofsbelijdenis van enige betekenis.’ (Zie ook Leesclubjes die het leven veranderen)
Ik bedacht me dat mijn verslingerd zijn aan filosofie het resultaat was van
1. een samenloop van toevallige omstandigheden waarin ik me bevond,
2. een gebeurtenis die me overkwam en
3. de wil om daar iets mee te doen.
De omstandigheden waren dat ik geen leuk werk kon vinden en graag verder zou studeren. Ik heb theoretische literatuurwetenschap gestudeerd, niet direct iets waar je een goede baan mee vindt. Ik vroeg bij de Stichting Thomas More (toen nog Radboudstichting) een beurs aan en in 2003 kreeg ik hem voor een Aanvullend Studiejaar Ethiek. Ik wilde onderzoeken waarom mensen lezen, wat ze daaruit halen en wat voor rol literatuur in je leven kan spelen. Vragen die bij literatuurwetenschap gek genoeg niet gesteld worden, sterker nog, bijna verboden waren uit angst voor ‘onwetenschappelijk’ te worden versleten. Terwijl dat toch de vraag is die aan de basis zou moeten staan. Concreet gezegd: hoe kan het dat mensen soms moeten huilen door iets wat toch gewoon inkt op papier is?
In dezelfde week in juni dat ik hoorde dat ik de beurs kreeg, kwam ook het bericht dat mijn vader ernstig ziek was. Negen maanden later, op 10 maart 2004, is hij overleden. Ik weet niet hoe het zou zijn geweest als ik op dat moment geen filosofie en ethiek studeerde, maar in elk geval hebben die twee gelijktijdige gebeurtenissen een hele grote invloed gehad op hoe ik verder ben gegaan.
Het aanvullende studiejaar was voor mij een jaar waarin ik mijn eigen leven en wereld moest herdefiniëren en de filosofie heeft me daarbij geholpen, net als de literatuur trouwens. Wat ik leerde in de colleges en gesprekken over zelfkennis, de tragedie, het existentialisme en deugdethiek, kon ik meteen toepassen op mijn eigen leven. Dat jaar heeft mijn visie op het leven totaal veranderd. Echt leuk was het natuurlijk niet, want de aanleiding was vreselijk. Maar het heeft me een verslaving opgeleverd die vooralsnog niet is verdwenen en die mijn leven een stuk interessanter maakt. Niemand heeft ooit beweerd dat het leven leuk moet zijn, toch? Ik zou wel willen beweren dat je het zo interessant mogelijk moet maken.
Uiteindelijk heb ik mijn master Wijsbegeerte gehaald en schrijf ik over literatuur en filosofie, nog steeds met die vraag in het achterhoofd: waarom lezen mensen, hoe kunnen boeken je leven veranderen? Misschien komt het raar over dat ik voor een zaal met wildvreemden zo’n persoonlijk verhaal heb gehouden en dat ik dat nu zelfs online publiceer. Maar dit verhaal moet ook een voorbeeld zijn van zichzelf. Klinkt een beetje raar, maar wat ik bedoel is dat ik wel kan schrijven over dat je voor een heel klein beetje wijsheid diep moet graven, tot op de bodem en dat je wat gevonden hebt open en bloot moet aanbieden, ook al heeft niemand er interesse in… maar ik moet mezelf daar natuurlijk niet achter verstoppen. Daarom dit antwoord aan wildvreemden op de vraag van een wildvreemde.
Toevallige omstandigheden en gebeurtenissen die je overkomen, zei ik. Maar de wil om iets met die dingen te doen is misschien wel het belangrijkste. En dat heb je min of meer zelf in de hand. Die wil en de uitvoering kwam eigenlijk pas veel later, kijk maar naar het eerste blog dat hier verscheen, namelijk in juni 2008. Opnieuw een samenloop van toevallige omstandigheden en (vervelende) gebeurtenissen: ik zat werkloos thuis en het meeste werk was te vinden in de webredactie. Dus besloot ik een site te maken. Maar een site moet gevuld worden. Bij deze.
Metadromen
14/12/09 21:08 Denk aan: Leven

Iedereen heeft wel eens gedroomd dat ie bijna dood ging. Ik lag eens in mijn droom op treinrails, hing aan de perronrand en probeerde met alle macht mezelf omhoog te hijsen. In de verte zag ik een trein met een onthutsende snelheid op me afkomen. Ik was zo dichtbij het veilige perron, maar het lukte niet me te bewegen. Eerder ontglipte de perronrand me, nog even en ik moest hem laten gaan. Het is maar een droom, het is maar een droom, riep ik in mezelf, maar toch was ik bang. Ik riep het zo lang en hard tot ik wakker werd - net voor de trein over me heen zou denderen. Lees verder
Werk aan de winkel I
23/09/08 21:37 Denk aan: Filosofie

Ik denk zulke dingen ook op vakantie (vooral van die zielige zwerfkatjes). Ik heb alleen net iets meer reden voor zulke gedachten, want ik zit op een tijdelijk contractje. Bij mij dus geen dagdromen maar bittere noodzaak. Met de kerst moet ik een nieuwe baan, anders wacht de onvrijheid van de - getsie - werkzoekende.
Een goedbedoeld advies dat mensen mij vaak en graag geven: nu kan je wel fîjn erachter komen wat je écht wil. Los van het feit dat zij ervan uitgaan dat ik dat niet weet, vind ik dit een zeer nutteloos advies als het gaat om het vinden van werk. Het doet me denken aan een gesprek dat ik een keer had met een studiegenoot. We stonden met zo'n honderd man in de bus van de campus in Nijmegen naar het station. 'Keuzevrijheid is de grootste leugen van de westerse maatschappij!' riep ik, met rollende r’en en grommende g's. 'Weet je eindelijk wat je wil, zit er nog niemand op je te wachten!' Ha, het werkte, mensen voelden zich aangesproken.
Toen schrok ik. Mijn studiegenoot had in Afrika gewoond en iets met ontwikkelingssamenwerking gedaan. Hij ging me vast wijzen op de penibele situatie van vele Afrikanen die niet eens hun avondeten kunnen kiezen. Ik begon me al te schamen toen hij lachend zei: 'Ja in Afrika is er hoe dan ook geen werk, dus als je besluit dat je onder een boom wil zitten en het fruit verkopen dat eruit valt, dan doe je dat gewoon. Geen regeltjes of belastingformulieren.' Een verfrissend inzicht.
Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: 'Je gaat er niet dood aan.' Soms herhaal ik met nadruk: 'Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders.
Toch gaat 'je gaat er niet dood aan' niet altijd op. Als mensen doodgaan, bijvoorbeeld. Dan zul je een genuanceerder motto moeten hanteren, dat niet uitgaat van het negatieve, maar van het positieve. Voor mij is dat: je hebt altijd een keus. Maar dan ook altijd. Natuurlijk kun je er niet voor kiezen dat iemand niet doodgaat, net zo min als dat je contract toch niet afloopt. Je hebt misschien wel niets te kiezen, behalve dat je toch elke dag om half acht opstaat. Nou, dat is dan een keus. Zodra je iets kiest, heb je weer controle over een deel van je leven, hoe klein het ook is. Zodra je kiest, word je wie je bent. Bij mij werkt dat.
Motto 2 heb ik geleend van Sartre, en vervolgens naar eigen inzicht aangepast. Hij is bespuugd (in elk geval figuurlijk) vanwege zijn uitspraak dat zelfs mensen in concentratiekampen een keus hadden. Hoe ga je eraan? Met opgeheven hoofd of niet? Hoe eng zo'n uitspraak ook is, er zit een waarheid in. Hij is eng omdat het eerste motto niet meer van toepassing is, en de meeste mensen vinden dat al luguber genoeg.
Laat de morbiditeit je niet misleiden. Ik ben een optimist. Als ik zeg dat ik er niet dood aan ga, dan is dat vrolijk bedoeld. En mijn keuze is altijd eerst en voor al: het leven.
Nu heb ik nog niets gezegd van wat ik wilde zeggen. Wordt vervolgd...