Grensssituaties

in_limbo
'Grenssituatie' was een tijdje een gevleugeld woord toen ik literatuurwetenschap studeerde. De liefde, kamernood en natuurlijk het weekend: alles was één grote grenssituatie. Grenssituaties, daar ben ik altijd dol op geweest. Niet in het echte leven maar in de literatuur. In het echte leven zijn grenssituaties vervelend (ik zit nu, terwijl ik schrijf, ook in limbo). In het echte leven achtervolgen grenssituaties me, zijn ze als een schaduw die je niet af kunt schudden en die op slechts één uur van de dag verdwenen lijkt. In de literatuur zoek ik ze op, hongerig naar schaduwen, begerig naar ellende.

Het begrip is een uitvinding van de existentialistische filosoof Karl Jaspers. Het duidt op situaties die 'tot op de bodem raken', waardoor je 'uit de baan van de gewone gang' wordt geslingerd en waarin je 'radicaal op jezelf teruggeworpen' bent. De oorlog is een archetypische grenssituatie, net als de dood. Ook de wat lichtere versie kun je je makkelijk voorstellen: het einde van een relatie, ontslag en werkloosheid. Je zit in een grenssituatie tussen twee werelden in, het vóór en het ná, een breuk die uiteindelijk je leven zal structureren (vóór en ná Pietje). De grenssituatie kun je je ook ruimtelijk voorstellen, niet alleen als een individuele overgang in het leven, maar ook als tussenwereld. Daar waar de doden wonen, de frontlinies van een oorlog, of zoals in De pest van Camus, waar de pestepidemie op zichzelf een grenssituatie is, maar de stad in quarantaine ook.

De grenssituatie is zo populair onder existentialistische schrijvers en filosofen omdat je daarin de heilige drie-eenheid van de existentialisten aan het werk ziet: vrijheid, verantwoordelijkheid en keuzes. Uit de grenssituatie kun je alleen ontsnappen door een keuze te maken in vrijheid, zonder je te iets aan te trekken van conventies. De grenssituatie werpt je helemaal terug op jezelf en niemand kan er iets aan doen, behalve jezelf.

Daarom is de grenssituatie natuurlijk ook zo populair in de literatuur, of in elk geval in een vertakking ervan. Als ik kijk naar de geschiedenis van mijn persoonlijke favorieten exploreren ze allemaal het grensgebied:
- van de monsters van Stephen King (een monster is een wezen dat onbegrensd is, het overtreedt gangbare categorieën zoals levend/dood of mens/dier),
- via de fantastische wereld van Edgar Allan Poe (het fantastische is dat waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of het echt gebeurt of niet, voor geen van beide is bewijs te leveren),
- naar de koortswanen van Dostojevski (wat speelt zich af in het hoofd en wat in de buitenwereld - dat is totaal onduidelijk),
- en zelfs mijn allervroegste favoriet: De dolle tweeling-reeks, die zich afspeelt in de wereld van de kostschool, een grensgebied bij uitstek, want het is tegelijk thuis en niet-thuis, school en niet-school, de kinderen zijn vrij van hun ouders maar horig aan de juffen en matrones.

Misschien ben ik nu de literatuur naar het model toe aan het interpreteren. Alles wat krom is valt recht te praten. Want hoe zit het dan met Proust? Ja, die is voortdurend ziek, wat een grenssituatie op zichzelf is. Hij neemt deel aan het leven en toch niet. Vriendin Albertine wordt aan het lijntje gehouden, het is aan en toch uit - de grenssituatie die we allemaal misschien wel het beste kennen (dat, en de dood). En Grunberg, en Houellebecq? Wat is hun grenssituatie dan?

Een andere manier om literatuur te schematiseren (wat altijd verhelderend werkt tot een bepaald punt waarop het belachelijk wordt, zoals hierboven) is het conflict. Er is een hoofdpersoon, die een doel wil bereiken. Er is een ander personage dat dat verhindert: de tegenstrever. Ik vind dit persoonlijk een oersaai schema. Interessant wordt het als je het combineert met de grenssituatie. In plaats van een duidelijke protagonist en antagonist, zoals dat dan heet, zijn beiden verenigd in één en hetzelfde personage. Dáár begint de Echte Literatuur, waar iemand zowel streeft naar een doel als zichzelf van dat doel afhoudt. Zonder precies te weten waarom. Het tragische geïnternaliseerd. Zie Grunberg en Houellebecq.

De weg uit een grenssituatie is de keuze. Net als bij het intern-tragische. Door te kiezen stel je grenzen vast, definieer je categorieën, maak je een eind aan de twijfel. Dat helpt natuurlijk niet als je vecht tegen monsters als Dracula of geesten uit de schemerwereld. Dan moet je handelen. Misschien is kiezen wel hetzelfde als handelen. De keuze als een daad. Niet per se een vrije daad, niet per se een goede of een rationele daad, en misschien wel een tragische daad. Dat laat de literatuur wel zien. The instant of decision is madness, wist Kierkegaard al.

(de afbeelding is het schilderij 'In limbo’ van Odd Nerdrum)



Bookmark and Share
Comments

Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden. De Nacht van Descartes I

Naar aanleiding van De Nacht van Descartes, over de rechterlijke macht (deel I). Lees ook deel II, Schakelbewijs: stof in de hoeken van de kamer en deel III, Waarheidsvinding als morele daad en deugd.

De orde in het recht kan heteronoom of autonoom van aard zijn. Een heteronome rechtsorde komt van buiten: god bijvoorbeeld, of erfopvolging. Autonomie in het recht wil zeggen dat je zelf wilt bepalen welke normen je volgt, of je überhaupt normen volgt. De orde ligt dan in elk mens zelf. Dit lijkt me ook van toepassing op het persoonlijke leven, los van wetten en gezag. Vroeger werd bepaald hoe je je leven leidde door een orde die van boven over de mens heerste. Tegenwoordig willen we zelf bepalen hoe we ons leven leiden, welke keuzes we maken en welke maatstaven belangrijk zijn.

Als je jezelf wilt leren kennen en begrijpen, is het goed om soms eens 'over jezelf recht te spreken'. Met een blinddoek op en een weegschaal in de hand kijken naar de daden die je hebt gepleegd en een reconstructie maken hoe het zover heeft kunnen komen. Dan is het ook goed om te onderzoeken waar je eigen orde vandaan komt. Is die in hoofdzaak autonoom of heteronoom? Ik denk dat in deze tijd de autonome, 'individuele' orde meer bepaald wordt van buiten dan we misschien willen toegeven.

Eigenlijk weet iedereen dat natuurlijk. Je ouders, je vrienden, de omstandigheden waarin je leeft - dat heeft allemaal invloed op wie je bent en welke keuzes je maakt. Dat is vanzelfsprekend. Klein voorbeeld: zelfs als ik heel boos ben wil ik nooit van huis gaan zonder afscheid te nemen. Dat is echt iets wat ik van huis uit heb meegekregen. Ik kan niet begrijpen dat anderen dat niet hetzelfde voelen - stel dat je onder een auto komt! Het is mijn hoogst individuele normpje, maar die heb ik niet zelf bedacht, hij is me ingeprent door mijn moeder.

Niet alleen ouders en vrienden beïnvloeden je normatieve kader, ook boeken, films, televisieseries, eigenlijk alles wat je maar tot je neemt en tot een interesse uitgroeit (of juist niet). Ik moet bekennen dat ik me lange tijd liet leiden door romantische idealen over dichters en rocksterren. Dat doet elke jongere misschien, maar ik merk dat het gedroomde bestaan van vrijheid, rebellie en gevaarlijke ideeën nog steeds in mijn achterhoofd (of misschien eerder in mijn milt of alvleesklier) als een soort golvende beweging aan me trekt. Dat zou je in kaart moeten brengen, zoals dat ook in Zomergasten gebeurt - dat is eigenlijk een drie uur durend onderzoek naar de herkomst van je autonome innerlijke orde. Die dus, opnieuw, lang niet zo autonoom blijkt te zijn.

Ten slotte heb je ook nog de fysieke omstandigheden die inwerken op je autonomie. Lichamelijke omstandigheden als ziekte en gebrek (om het even ouderwets uit te drukken), en gewoon het feit dat je een mens bent met een menselijk gestel. Denk alleen al aan de onderzoeken die uitwijzen dat knappe mensen meer bereiken in het leven omdat ze knap zijn, of dat nu komt omdat ze meer goodwill van anderen krijgen of dat ze meer zelfvertrouwen hebben. (Overigens was mijn ervaring bij Literatuurwetenschap dat jonge, blonde, slanke meiden harder moesten werken om serieus te worden genomen als academica dan middelmatig uitziende jongemannen. Een frustratie die mijn orde zeker mede gevormd heeft.)

Er zijn wetenschappers die alle autonomie afwijzen en zeggen dat de vrije wil niet bestaat: we doen dingen voor we weten dat we ze doen, laat staan voordat we beslissen om het te doen. Onze hersenen zouden zo in elkaar zitten dat ze je voortdurend een idee voorschotelen van vrije wil en bewustzijn, maar eigenlijk is dat een illusie. In dat laatste geval is de orde noch autonoom, noch heteronoom te noemen. Want ook de vurende neuronen in mijn hersenen zijn nog altijd mijn vurende neuronen, of ik daar nou invloed op heb of niet. (In die onderzoeken staat altijd 'bijna alle beslissingen' of 'vrijwel zeker alle handelingen'. Prima, één procent vrije wil is nog altijd een vrije wil en niet geen vrije wil.) Ik dwaal af.

Wellicht is het een mooi project: alle heteronome zaken in kaart brengen die je autonomie, persoonlijke 'rechtsorde' beïnvloeden. Dat moet dan op een paar niveaus gebeuren:

Sociaal: waar kom je vandaan, wie zijn je vrienden en waarom (in de - impliciete - keuze voor je vrienden vinden heteronomie en autonomie elkaar).
Cultureel: waar hou je van, waar liggen je interesses, welke idealen volg je en waarom.
Fysiek: hoe werken je fysieke eigenschappen mee of tegen? Zijn ze een beperkingen om het leven te leiden dat je wilt? Zijn de beperkingen misschien een aansporing om meer te maken van je leven?

Ik denk dat steeds hetzelfde zal blijken. De orde waarnaar mensen tegenwoordig leven is misschien wel individueel en hoogst particulier, maar niet autonoom. Anders zou er een leeg gat overblijven, gevuld met niets. Als je dat eenmaal beseft, kun je beter verdedigen waarom je precies je eigen keuze maakt en niet een andere. Maar het behoedt je voor de arrogantie die ook een beetje bij deze tijd hoort, waarin iedereen zijn eigen zogenaamd autonome orde boven die van alle anderen stelt. Als je inziet dat die ook berust op zaken buiten jezelf, kun je erover discussiëren, eraan twijfelen, hem beoordelen en resocialiseren. Met een blinddoek op en een weegschaal in de hand.



Bookmark and Share
Comments