Eindejaarslijstje: favoriete Studium Generale-lezingen in 2011

Het klinkt als een open deur of 'wij van wc-eens adviseren wc-eend', maar het was lastig een top 3 samen te stellen uit de vele lezingen die ik dit jaar bij Studium Generale heb begeleid. Maar vooruit.

SG4
1. Was there a 'Time' before the Big Bang? - Prof. dr. Renate Loll
Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

SG1
2. Levenskunst: Wu Wei. Doen door niet te doen door prof. Maarten van Buuren
Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat 'wu wei' verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

SG3
3. Sigmund Freud door Paul Schnabel in de reeks Kennis voor de toekomst
Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

SG2
Voor mij persoonlijk was het interview 'live on stage' met prof. Frans de Waal op festival deBeschaving het meest bijzondere om te doen dit jaar. Hij vertelde voor een volle festivaltent over apen en mensen, over macht en seks, over gedrag en moraal. Daar is helaas geen opname van. (Behalve als degene die op de eerste rij zat met een videocamera zich alsnog meldt!)



Bookmark and Share
Comments

Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit

levenskunst
De deugdethiek en de levenskunst: twee dominante filosofische stromingen van deze tijd. Beide kwamen op in de laatste decennia van de twintigste eeuw en zijn nu bepalend voor wat je zou kunnen noemen de ‘mainstream’-filosofie. Twee filosofieën met een verschillende oriëntatie. Deugden zijn gericht op karaktervorming, het ontwikkelen van een houding die zich vertaalt in bepaald gedrag. De centrale, achterliggende waarde: geluk, of ‘gelukt zijn’ in overeenstemming met de menselijke natuur. De levenskunst is eerder gericht op het vinden van een persoonlijke ‘zin’ en draait om de centrale waarde van ‘authenticiteit’, in overeenstemming met je individuele zijn. Prof. Joep Dohmen noemt het verbinden van deze twee ethieken hét filosofische probleem van deze tijd. Hoe kunnen deugden geïntegreerd worden in een actuele levenskunst?

Vader van de deugdethiek
De ‘vader van de deugdethiek’, zo mag je Aristoteles wel noemen, en de Ethica Nicomachea is zijn standaardwerk. Daarin definieert hij wat een deugd is, namelijk het juiste midden tussen twee extremen. Hoe dat precies werkt, laat hij zien in zijn beschrijving van allerlei deugden. Het bekendste voorbeeld: dapperheid is het midden tussen lafheid en overmoed. Het midden kun je niet cijfermatig berekenen, maar is afhankelijk van de persoon, de situatie en welke deugd in het spel is.

De deugdenleer is een praktische ethiek die een hoger doel dient. Aristoteles is teleoloog, wat betekent dat alles gericht is op een ultiem doel. En dat is: geluk. Maar wat is geluk? Dat kun je het beste begrijpen in de zin van ‘gelukt zijn’. Je bent gelukt als mens wanneer de menselijke natuur, het potentieel dat in je zit, zoveel mogelijk tot bloei is gekomen. De deugden zijn de manier om dat te bereiken. Dat gaat niet vanzelf, want een deugd vraagt oefening, herhaling en dus tijd, veel tijd. Uiteindelijk moet de deugd als een ingekraste lijn in het karakter zijn, een eigenschap die zo vaak uitgeoefend is dat ze een stabiele, betrouwbare gewoonte is geworden. Een houding.

Een beetje integer
Dit kun je een perfectionistische ethiek noemen, aldus Joep Dohmen, maar dat wil niet zeggen dat de mens die de deugd nog niet volledig onder de knie heeft, in het geheel ‘niet deugt’. De deugdethiek biedt juist een kader voor ontwikkeling. Dohmen haalt Paul van Tongeren aan, de specialist op het gebied van deugdethiek. ‘Je kunt best een beetje integer zijn’, hoe gek dat ook klinkt. De weg naar het beheersen van de deugd integerheid is lang en vraagt om veel ervaring. Maar iemand die zich al jaren bezighoudt met integriteit is uiteraard verder op die weg gevorderd dan een groentje dat net komt kijken – ook al hebben ze beiden de deugd niet tot in perfectie onder de knie.

Integriteit is meteen een goed voorbeeld van een moderne deugd, misschien wel het 21e-eeuwse equivalent van dapperheid. Dat deze tijd veel kan hebben aan een moderne ethiek van deugden is voor Joep Dohmen – na enige aarzeling, zo geeft hij toe – wel duidelijk. Er is nog wel veel denkwerk te verrichten. Aristoteles ging uit van het bestaan van een menselijke natuur die tot bloei moest komen. Kunnen wij nog wel uit de voeten met zo’n teleologische opvatting van mens en natuur? Is het na het postmodernisme nog wel mogelijk om te spreken over centrale waarden? En waar ligt de intrinsieke motivatie om deugden te ontwikkelen? Kort gezegd: ‘waarom zou je?’

Koppeling met levenskunst
In de koppeling met een waardenfilosofie, zoals de levenskunst, kunnen zulke vragen wellicht beantwoord worden. De levenskunst is zoals gezegd gericht op het individualistische begrip authenticiteit – een centrale waarde die open blijft en niet terugvalt op het bestaan van een welbepaalde menselijke natuur die op doelgerichte wijze tot bloei moet komen. Bij het leven van een authentiek leven zijn keuzes allesbepalend. Ook deugden draaien om keuzes; het juiste midden is niet iets wat je aangereikt krijgt, maar iets waarvoor je kiest. Daarnaast stemt de aandacht voor context in zowel de deugdethiek als de levenskunst overeen. Ligt hier het begin van een nieuwe richting in de filosofie? Joep Dohmen ziet genoeg werk klaarliggen. Het zal een lange weg zijn, maar gelukkig weten we nu dat elk stukje dat je aflegt op die weg ook telt; je kunt immers best een beetje wijzer worden.

Kijk de lezing van Joep Dohmen terug: Aristoteles – de deugd ligt in het midden. Bekijk voor meer informatie over deugdethiek ook de lezing van Paul van Tongeren, Klassieke deugden. Of lees Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens IV: lees en leef niet naar de letter maar naar de geest

dickens_fabriek
Als iedere volwassene net iets meer het kind in zichzelf in leven zou houden, zou de wereld een stukje mooier zijn. Dat moet je wel concluderen uit het werk van Charles Dickens, waarin kinderen de enigen zijn met een open vizier en een gevoelig hart. Via het kind laat Dickens zien hoe ruw en onbeschaafd de volwassen wereld met al haar regeltjes, bemoei- en geldzucht is. En het kind is degene die de volwassenen de ogen laat openen.

Charles Dickens was een ‘modernist’ zoals dat in de negentiende eeuw genoemd werd. Met zijn werk ageerde hij tegen onderdrukking en uitbuiting, en niet zonder succes. Hij was er niet alleen op uit om misstanden aan de kaak te stellen. Dickens geloofde ferm in het belang van verbeelding, verbeelding die gestimuleerd moet worden om uit te kunnen groeien tot moreel besef. In kinderen is die verbeelding nog levend. Het hele maatschappelijke systeem lijkt er echter op uit om de verbeelding uit te roeien, met uitwassen in het recht en onderwijs tot gevolg.

In de laatste van vier lezingen over Charles Dickens vertelde prof. Jan Lokin over de laatste jaren van de grote auteur, die haast in het harnas zou sterven en een veranderende, ietsje menselijker, maatschappij achterliet. Het is één ding om op de barricaden te klimmen en misstanden aan te klagen; Dickens ging het om iets fundamentelers, zo blijkt uit zijn liefde voor de verbeelding. Ook al werd hij dan een modernist genoemd, kenmerkend van Dickens was juist dat hij zich bij geen beweging of partij wilde aansluiten. Een partij is misschien bij uitstek een instrument dat de verbeelding om zeep helpt en een beweging loopt altijd het gevaar te verkeren in haar tegendeel.

Dat zie je bijvoorbeeld in A Tale of Two Cities, dat over de Franse Revolutie gaat. Eerst laat Dickens de enorme uitbuiting van de armen door de adel zien. Als het medelijden met die sloebers het hoogste punt bereikt, slaat de vlam in de pan en draaien de rollen om. Wat blijkt? De armen die de macht grijpen, voeren een schrikbewind dat niet onder doet voor dat van de adel. Dickens veroordeelt beide, of beter gezegd: veroordeelt onderdrukking op zich, wie ook onderdrukker of onderdrukte is. Het gaat niet om een politieke stellingname, maar om mensen.

Aan het eind van zijn leven kampte Dickens met vreselijke gezondheidsproblemen. Hij stierf op het toppunt van zijn roem; enkele maanden voor zijn dood was hij op audiëntie bij koningin Victoria en de prins en prinses van Wales waren als twee van duizenden bezoekers aanwezig bij zijn laatste voorlezing. Maar Dickens liet zich niet meeslepen en gaf zijn kinderen als laatste levensles de volgende woorden mee:

I commit my soul to the mercy of God through our Lord and Saviour Jesus Christ, and I exhort my dear children humbly to try to guide themselves by the teaching of the New Testament in its broad spirit AND TO PUT NO FAITH IN ANY MAN’S NARROW CONSTRUCTION OF ITS LETTER HERE NOR THERE.

Dat wil zeggen: lees niet naar de letter, maar naar de geest. Net als rechters zouden moeten doen, en dominees, politici natuurlijk, maar ook biografen van Dickens – eigenlijk alle volwassenen. Een actuele boodschap die niet vaak genoeg herhaald kan worden.

Kijk alle lezingen terug en lees de voorgaande nieuwsblogs via de programmapagina van Dickens. Literatuur als bron van kennis. De lezingen zijn opgenomen door Home Academy en verschijnen eind 2011 op cd.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens III: Dickens als sociale hervormer

dickens_fabriek
Elke grote schrijver heeft een schare lezers die niets slechts over hun held wil horen. Bij Charles Dickens gaat die verknochtheid nog dieper dan normaal, zo vertelt Dickens-biografe Claire Tomalin in een interview met The Guardian: ‘in the case of Dickens, who induces such intense (and intensely odd) passions in his devotees, you can multiply this by five’. Hoe komt het toch dat Dickens zulke ‘intense’, zelfs ‘passionele’ reacties oproept? Prof. Jan Lokin leest een aantal beschrijvingen van Dickens-personages voor. Ze zijn zo treffend gekarakteriseerd, met zulke unieke metaforen, dat je ze meteen als levensechte figuren voor ogen staan.

‘He was so bald and had such big whiskers that he seemed to have stopped his hair, by the sudden application of some powerful remedy, in the very act of falling off his head and to have fastened it irrevocably on his face.’

De grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges vertelde eens over zijn moeder dat zij een groot Dickens-fan was. Ze had de romans zo vaak gelezen dat ze een willekeurig exemplaar uit de kast kon pakken, die op een willekeurige bladzijde kon openslaan om dan te beginnen met lezen. De personages die ze tegenkwam waren als oude vrienden, wier levensverhalen ze kende en waar ze zonder problemen, in welke episode ook, opnieuw in kon stappen. Dat moet ook te danken zijn aan die typische Dickensiaanse manier van karakteriseren – waardoor ook iemand die je ontmoet in het echt leven direct kan doen denken aan bijvoorbeeld Mrs. Merdle:

‘Mrs Merdle was not young and fresh from the hand of nature but was young and fresh from the hand of her maid. She had large unfeeling handsome eyes and dark unfeeling handsome hair and a broad unfeeling handsome bosom. Mrs Merdle’s first husband had been a colonel under whose auspices the bosom had entered into competition with the snows of North America and had come off a little disadvantage in point of whiteness and at none in point of coldness.’

Het bijzondere aan het werk van Dickens is dat hij deze gave om mensen haast vriendschappelijk te laten worden met zijn creaties, inzette om sociale hervormingen teweeg te brengen. Met Oliver Twist bijvoorbeeld, pakte hij de armenzorg aan. Een doelbewuste aanval op het zeer strenge regime van de workhouses, maar zonder iets in te leveren aan literaire kwaliteit. De scène waarin Oliver om een tweede bord pap vraagt, had meer invloed op de publieke opinie dan alle rapporten en notities van instanties bij elkaar. Zo heeft Dickens via de literatuur bijgedragen aan het ontstaan van sociale bewegingen. Hij behield zijn onafhankelijkheid door zich zelf niet aan te sluiten bij een van die bewegingen of zich politiek uit te spreken. Hij liet zijn romans en verhalen voor hem spreken – met ongekend resultaat.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens II: Dickens en het recht

dickens_fabriek
Charles Dickens begon op zijn 24e aan wat zou uitgroeien tot zijn eerste roman: The Pickwick Papers. De schetsen verschenen als maandelijks feuilleton in de krant, voorzien van illustraties. Al in die eerste proeve van zijn kunnen toont Dickens zijn talenten: een onovertroffen observatievermogen en bijtende humor. Vanaf dat moment schrijft hij constant, soms aan twee romans tegelijkertijd. Zijn werk zal zichtbare invloed hebben, bijvoorbeeld op de ontwikkeling van de Engelse rechtspraak, zo vertelt prof. Jan Lokin in de tweede lezing over Dickens.

De Engelse rechtspraak van de negentiende eeuw ging terug tot de vroege middeleeuwen. Vonnissen werden weliswaar op rechtvaardige wijze uitgesproken, maar de procedures die de rechtbank moest volgen waren zo traag, inefficiënt en ronduit absurd dat het vele tragische gevallen opleverde. Dat gold in het bijzonder voor de Chancery Court, die jaren of zelfs generaties kon doen over het afhandelen van een testament. In de tussentijd vervielen families in schuld en armoede, hoe groot de erfenis waar ze recht op hadden ook mocht zijn.

Al in zijn eerste boek The Pickwick Papers wil Dickens deze uitwassen van het recht aan de kaak stellen. Hij doet dat door zijn bijzonder scherpe observatievermogen te combineren met bijzonder scherpe humor. Neem zijn beschrijving van de Court of Chancery:

‘Mist overal. Evenveel modder in de straten, als hadden de wateren zich pas teruggetrokken van de oppervlakte der aarde en het zou niet vreemd zijn een Megalosaurus te ontmoeten van een veertig voet lang, die als een reusachtige hagedis tegen Holborn Hill opwaggelde; maar er kan nooit een mist komen zo dicht, modder en slijk zo dik, dat zij het kunnen halen bij deze in het duister tastende en voortsukkelende Court of Chancery, deze pestbrengende in zonden vergrijsde instelling in het zich van hemel en aarde.’

Met zijn aanklacht in de vorm van fictie wist Dickens een groot publiek te bereiken, groter dan met zijn journalistieke stukken waarin hij ook over de misstanden in het recht schreef. Hij raakte het publiek met zijn verhalen – die gebaseerd konden zijn op waar gebeurde zaken – in het hart. De publieke opinie keerde zich mede hierdoor tegen de verouderde rechtspraak en uiteindelijk zou de Chancery Court afgeschaft worden.

Dat gebeurde pas jaren later, vlak voor Dickens’ dood. Met zijn eerste boek had hij wel meteen zijn reputatie gevestigd als bestsellerauteur. Door zijn populariteit kon hij een groot publiek bereiken en verschillende sociale hervormingen op de agenda zetten.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Dickens I: van schoensmeerfabriek tot schrijvend hervormer

dickens_fabriek
Bij de naam Charles Dickens denken de meeste mensen waarschijnlijk meteen aan schrijnende verhalen over graatmagere fabrieksarbeiders in het negentiende-eeuwse Engeland. Weeskinderen die honds behandeld worden door gierige bovenmeesters met losse handjes. Of schuldenaars die zich met geen mogelijkheid uit het moeras van armoede weten te trekken. Allemaal terechte associaties. Pas na zijn dood werd bekend dat Dickens zelf die wereld van binnenuit kende.

In 2012 is het tweehonderd jaar geleden dat de Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren. Bij Studium Generale houdt professor Jan Lokin vier lezingen over het werk van Dickens en de betekenis daarvan in deze tijd. Hoewel de fabrieksarbeiders, weeskinderen en schuldenaars zoals Dickens ze beschreef niet meer van deze tijd lijken te zijn, zijn de romans waarin ze optreden nog steeds van grote waarde en schoonheid.

In de eerste lezing vertelt Lokin over de jeugd van Dickens, die gekenmerkt werd door financiële problemen in de familie, werk in een schoensmeerfabriek en – inderdaad – een bovenmeester met losse handjes. Maar ook door een fabelachtig geheugen gecombineerd met een enorme honger naar boeken. Bovendien was Dickens een acteertalent. Deze eigenschappen en omstandigheden bij elkaar opgeteld leggen de basis voor zijn schrijverschap.

Uit die toch wel extreme kinderjaren zijn drie gevolgen aan te wijzen die de rest van Dickens’ loopbaan hebben beïnvloed. Ten eerste is er de enorme productie van journalistiek en literair werk. Nooit meer zou Dickens slechte omstandigheden de baas laten worden over zijn leven. Financiële onafhankelijkheid werd voor hem een heilig doel, dat hij wist te realiseren door keihard te werken. Van loopjongen werkte hij zich op tot verslaggever in het parlement; hij reisde voor reportages door het hele land en schreef ondertussen zijn veelgelezen fictieve verhalen die als feuilleton in de krant verschenen.

Ten tweede legde Dickens zich toe op het bestrijden van de misstanden waar hij zelf zo onder gebukt was gegaan, van de gevangenis voor wanbetalers tot de schoensmeerfabriek en de letterlijk harde leerschool. Hij zou erin slagen de wereld met zijn boeken ook een klein beetje beter te maken. Maar hij hield ten slotte ook een jarenlange schaamte over aan de vernederingen die hij in zijn jeugd had meegemaakt. Niemand wist dat hij schreef uit persoonlijke ervaring en niet slechts uit professionele waarneming. Na zijn dood verscheen de eerste biografie gebaseerd op gesprekken met zijn goede vriend John Forster, waarin het zwijgen werd doorbroken. Nu konden de autobiografische elementen van zijn romans pas geduid worden.

Dickens blijkt zo een verbindingspunt te zijn van de grote geschiedenis van de Engelse maatschappij, de verpersoonlijking daarvan in een individueel leven én het begin van belangrijke hervormingen. Verleden, heden en toekomst komen in hem samen. En dan moet het verhaal over zijn schrijversloopbaan nog beginnen.

Kom volgende week luisteren naar deel twee van de serie over Dickens. Kijk hier de lezing over het leven van Dickens terug.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

De kroon op de evolutie

gewervelden
De mens, dat moet wel de kroon op de evolutie zijn. Het eindpunt dat we maar met pijn en moeite als ‘voorlopig’ willen bestempelen. In de laatste lezing van prof. Jelle Reumer over de evolutie van de gewervelden gaat het over zoogdieren. Primaten, even- en onevenhoevigen en hun onderlinge verwantschappen. En over de mens, maar niet als allerlaatste. Nee, de mens ziet Reumer zeker niet als kroon op de evolutie.

Homo sapiens is een van de vierduizend levende zoogdiersoorten, samen met de apen behorend tot de primaten. De mens, zijn voorgangers en de mensapen stammen allemaal af van de vroege ‘hominide’. Die evolueert verder in een tak waaraan de chimpansees en bonobo’s ontspruiten, en een andere tak die via de eerste ‘mensachtigen’ zal leiden tot de mens. Dat afsplitsen van mens en aap gebeurde al miljoenen jaren geleden, terwijl de soort ‘homo sapiens’ pas 200.000 jaar geleden ontstaat.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

De aarde als experimentele proeftuin: evolutie van het zoogdier

gewervelden
Evolutie is een geleidelijk proces van miljoenen jaren van adaptatie en ontwikkeling. Niet zo gek dat de grenzen tussen de verschillende soorten vaag zijn. Er zijn overgangsfiguren te vinden tussen de ene soort en de andere, zelfs tussen de ene klasse en de andere – bijvoorbeeld tussen reptiel en zoogdier. De tiktaalik, die als eerste vis het water uit kroop, waarom is dat geen reptiel? Eigenlijk vooral omdat wij hem nu eenmaal bij de vissen hebben ingedeeld. De groep van de reptielen fungeert als een vergaarbak van soorten, waaruit de meest uiteenlopende beesten zijn ontstaan, van de mens tot de vogels.

Wat maakt een zoogdier tot een zoogdier? Dat is de vraag waarmee prof. Jelle Reumer het derde deel van Evolutie van de gewervelden opent. Er zijn veel kenmerken te noemen die in het oog springen: haargroei bijvoorbeeld, of de melkklieren. Toch is het onderscheidende kenmerk van het zoogdier niet aan de buitenkant te vinden. Drie piepkleine botjes in het middenoor definiëren het zoogdier als zoogdier. De ontwikkeling van het gehoororgaan is een boeiend hoofdstuk in het verhaal van de evolutie. Het voert namelijk terug op de allereerste primitieve vissen, de gordaten die kaakloos door het leven gingen. Uit hun kieuwboog, een soort kraakbenen onderkaakje, ontstaat via de kaak van het reptiel uiteindelijk het oor. ‘U luistert dus naar mij,’ zegt Jelle Reumer, ‘met behulp van het kaakgewricht van een hagedis.’



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Niks reptielerigs is ons vreemd

gewervelden
‘De bekende vliezen die breken voor een geboorte, zijn dezelfde vliezen die je tegenkomt bij een ei pellen.’ Jelle Reumer vertelt dat deze woorden, uit zijn mond opgetekend door NRC Handelsblad, in elk geval één collega het plezier van een zachtgekookt eitje in de ochtend voorgoed hebben ontnomen.

De ontwikkeling van het ei, van kikkerdril gelegd in het water tot de foetus die in het lichaam wordt gedragen, is een beeldende illustratie van de evolutie van de gewervelden. Het moment dat de vis tiktaalik uit het water het land op kroop, was een belangrijke stap in die evolutie. Voor de echte verovering van het land was echter een ‘droogtebestendig ei’ nodig, een ei met een schil eromheen. Met het ontstaan van dat ei, ontstaan ook de reptielen, die zich op land kunnen voortplanten. ‘De remmen zijn los,’ aldus Reumer. Uit een ei komt een compleet wezen gekropen, niet een klein visje dat zich in het water nog verder moet ontwikkelen. Dat betekent dat een enorme groei mogelijk is, denk maar aan struisvogeleieren. 



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Als een vis in de oersoep: begin van evolutie

gewervelden
‘Wij mensen zijn gewoon doorgeëvolueerde kwastvinnige beenvissen.’ De menselijke schedel is in al zijn onderdelen te herleiden tot botten en zelfs kieuwopeningen van evolutionaire voorouders die honderden miljoenen jaren geleden in het water leefden. Prof. Jelle Reumer vertelt het verhaal van de evolutie van de gewervelden haast geamuseerd. Dat de mens een product is van een evolutionaire geschiedenis die begon in de oersoep, zullen weinig mensen in het publiek betwijfelen. Om zo in vogelvlucht langs drieëneenhalf miljard jaar aanpassing en ontwikkeling te scheren, zet het menselijk leven toch wel in een heel relativerend licht.

Relativeren is ook nodig, want het antropocentrisch denken zit diep ingebakken: we zijn geneigd om onszelf (oftewel de mens) als middelpunt van de wereld zien en als voorlopig eindpunt van de evolutie. Zelfs een hoogleraar in de paleontologie zoals Jelle Reumer ontkomt daar niet aan, bekent hij. Het is nu eenmaal moeilijk om buiten je eigen gezichtspunt te stappen en de hele natuurlijke leefwereld in ogenschouw te nemen, uitgestrekt over die enorm lange geschiedenis. Niettemin: als je het een kip zou vragen, zou die evengoed beweren het middel- en eindpunt van de evolutie te zijn.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Kathryn Schulz: On being wrong





Bookmark and Share
Comments

Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

freud
Sigmund Freud is verguisd om zijn te stringente theorieën, maar het is zonde als daarmee zijn invloed op de psychologische praktijk en op het denken over de mens geen aandacht meer krijgt. Freud is feitelijk de ontdekker van de neurose, waar we allemaal wel eens aan lijden zonder meteen psychisch gestoord te zijn. Hij stelde daarmee de grens van normaal en abnormaal, gek en niet-gek ter discussie. Neuroses zijn te behandelen door goed te luisteren en vanuit een open blik betekenis te verlenen aan het verhaal van een patiënt. Dat dit nu allemaal vanzelfsprekend klinkt, hebben we aan Freud te danken, zo betoogde prof. Paul Schnabel in zijn lezing over dit ‘genie in de wetenschap’.

Bewaarder in een gesticht
Interesse in het verhaal van de mens: in Freuds tijd – hij leefde van 1856 tot 1939 – was het zeer ongebruikelijk om te luisteren naar een patiënt. Dat komt ook omdat de psychiatrie zich bezig hield met psychotische patiënten, voor wie geen andere ‘behandeling’ mogelijk was dan vastbinden en opsluiten. Freud ontdekte een nieuwe categorie patiënten, die daarvoor niet bestond. Freud, die werd opgeleid tot arts-onderzoeker, vond de zware gevallen niet boeiend. Psychoses waren niet te behandelen of te genezen – medicijnen waren er nog niet – dus de arts functioneerde als een bewaarder in een gesticht, net als in een gevangenis.

In analyse
De patiënten – vooral vrouwen – die Freud begon te behandelen, leden niet aan psychoses maar aan neuroses. Zij ‘leden aan het leven’. In feite is Freud daarmee de schepper van de moderne psychologische praktijk zoals die nog steeds floreert. Dat geldt niet voor de psychoanalyse, de therapeutische methode die niet lang geleden met veel bombarie uit het zorgverzekeringspakket werd gegooid. Niet genoeg bewezen effect en bovendien te duur. Schnabel geeft een interessant inkijkje in zijn eigen ervaring ‘in analyse’ en laat zien hoe Freuds ideeën aan de basis staan van de psychotherapeutische praktijk zoals we die nog steeds kennen. Maar ook de manier waarop we over onszelf denken en praten is verregaand bepaald door begrippen die Freud ooit heeft gemunt in het Wenen van het fin de siècle.

Taboe op seksualiteit
Het luisteren naar de patiënt, soms zelfs door een uur lang simpelweg te zwijgen, was baandoorbrekend. Freud doorbrak nog wel meer taboes, waarvan het spreken over seksualiteit het allergrootste was. Juist door een methode te ontwikkelen van ‘maximale nabijheid met behoud van minimale distantie’ kon hij de grenzen van het fatsoenlijke gesprek openbreken. Op de divan moest alles gezegd worden, alle associaties moesten vrij kunnen stromen. Schnabel geeft een pakkend voorbeeld hoe dat mis kan gaan, als de therapeut de noodzakelijke distantie niet meer in acht houdt, namelijk het geval van Keith Bakker.



Taboe
Wat kan de wetenschapper van nu leren van Freud? Behoud een open, haast amorele blik. Schep distantie, maar wel met gevoel en empathie. Geef de tijd aan de ander en zijn verhaal, ook al is tijd tegenwoordig een schaars goed. En wees niet bang voor een taboe meer of minder. Hoewel, het is altijd beter om te mikken op een taboe minder.

De lezing van Paul Schnabel over Freud is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld

lady_lamp
Op dezelfde dag dat prof. dr. Marieke Schuurmans (UMC) een lezing houdt over Florence Nightingale als rolmodel voor toekomstige wetenschappers, zendt EenVandaag een reportage uit over verpleegsters in opleiding, die massaal de ouderenzorg de rug toekeren. Wat is er aan de hand? De verhalen over geld- en tijdgebrek in de zorg zijn bekend. Uit de interviews bleek echter dat de jonge verpleegkundigen er vooral ook mee worstelden dat ze niet serieus worden genomen. Ze worden ingezet als goedkope arbeidskracht terwijl hun opleiding nog niet is afgerond en niemand durft er wat van te zeggen. Beiden keerden de ouderenzorg de rug toe en zien hun klasgenoten hetzelfde doen.

Statistiek en hygiëne
Beeldvorming is belangrijk, zeker als het gaat om beroepen als de verpleging, waar leegloop dreigt terwijl de vraag almaar gaat stijgen. Kan een icoon als Florence Nightingale daarbij helpen? Nightingale, zo vertelt Marieke Schuurmans, had zelf ook behoorlijk te lijden onder verkeerde beeldvorming. Nog steeds staat ze bekend als ‘the lady with the lamp’: een zachtmoedige verpleegster die met veel toewijding zorgde voor de Britse soldaten in de Krimoorlog. Een beeld dat het resultaat is van een negentiende-eeuwse mediahype.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

De prijs van de vrijheid na de dood van God

levenskunst
Maarten van Buuren was de zwartkijker en Joep Dohmen de optimist in de serie Levenskunst, waarin zij handvatten voor een goed leven onderzochten aan de hand van schrijvers en filosofen. Maar eigenlijk kan alle vrolijkheid overboord, zo zeiden ze al aan het begin van de Kunst- en wetenschapslezing. Daar presenteerden zij hun boek De prijs van de vrijheid, waarin essays over de denkers en schrijvers zijn gebundeld. Niks vrijheid blijheid. Vrijheid is een last. Je kunt van je leven iets moois maken – levenskunst bedrijven – maar dat is hard werken. Niettemin is het een opgave voor iedereen die geeft om vrijheid, en dus om onze moderne verworvenheden, om iets van die vrijheid te maken. ‘Daarom hebben wij een belangrijk boek geschreven,’ aldus Joep Dohmen.

Moderne vrijheid

Waar komt dat moderne vrijheidsbegrip vandaan? Prof. Maarten van Buuren opende met een inleiding op de geschiedenis van de moderne vrijheid. Nietzsche verklaarde God dood en maakte daarmee een einde aan de richtinggevende instantie in het leven. De mens verwierf daarmee een enorme vrijheid om zijn eigen richting te kunnen volgen – maar hij verloor orde en duidelijkheid. Vrijgemaakt van onderdrukking, wordt de mens geconfronteerd met de vraag waartoe hij vrij is. ‘De prijs van de vrijheid is de prijs die we hebben moeten betalen voor de moord op God,’ aldus Van Buuren.

Vervolgens stelde Dostojevski de volgende vraag: als God dood is, is dan alles toegestaan? Hoeveel vrijheid kan een mens eigenlijk aan? Zal niet iedereen elkaar uitroeien – de mens is de mens een wolf, toch? Sartre ging nog een stap verder. Als God dood is, is alles contingent. De wereld, de mens, ons leven: alles is toevallig en zonder noodzaak. Daar kun je op twee manieren op reageren: jezelf wijsmaken dat er tóch een richtinggevende instantie is. Of de absolute vrijheid op je nemen en je leven als een project zelf ontwerpen. In de levenskunst zal de een echter beter slagen dan de ander. En zo komt Van Buuren uit bij Michel Houellebecq, die laat zien dat grotere vrijheid gelijk opgaat met grotere ongelijkheid.

Postseculiere orde
Het grote streven van de westerse mens, gaat prof. Joep Dohmen verder, is niettemin het leiden van een eigen leven. De vraag hoe dat moet is actueler dan ooit, nu de modernisering die ten tijde van Nietzsche en Dostojevski werd ingezet, volledig is gerealiseerd. We leven in een postseculiere orde, die radicaal verschilt van een halve eeuw geleden, toen Dohmen en Van Buuren opgroeiden. We moeten nu onze eigen levensstijl ontwikkelen, we ontkomen er niet aan. Joep Dohmen wijst op het belang van de context als het gaat om levenskunst. Aan de hand van Michel Foucault, Peter Bieri en Charles Taylor legt hij uit dat vrijheid altijd gesitueerd is.

Foucault wijst er bijvoorbeeld op dat identiteit beïnvloed wordt door veel verschillende factoren. Toch is hij geen determinist, we zijn niet helemaal overgeleverd aan onze genen, ons brein of onze omgeving. De vraag is dan waar de marge ligt van de vrijheid. Niet alleen werken externe factoren in op wie we zijn, ook zijn we zelf altijd ingebed in een gemeenschap. Leven doe je met anderen. Zoals Taylor zegt gaat het om een driehoek van jezelf, de ander en de omgeving. Daarbinnen ontvouwt zich je leven, en de waarde van je keuzes hangt samen met de wereld waar je in staat. Het kan niet zo zijn dat elk individu maar kiest wat hij wil, zonder dat je nog van waarde kunt spreken. Precies in die gerichtheid op de samenleving ziet Dohmen antwoorden voor de actuele vraag hoe we met vrijheid om moeten gaan.

De rol van de wetenschap
Hoe moet dat dan? Kan de wetenschap daar ook nog een rol in spelen? Dohmen en Van Buuren, beiden hoogleraar, blijken nogal sceptisch over de wetenschap. Volgens Dohmen moeten we oppassen voor een al te wetenschappelijke samenleving, de ‘expertsamenleving’. De wetenschap kan niet vertellen hoe je moet handelen, hoe je leven te leiden. Daarmee gaan zij in tegen de heersende tendens om wetenschap juist als basis te zien van de staatsinrichting, economie, moraal, tot individueel handelen en oordelen aan toe. Denk maar aan de liefde die wordt gereduceerd tot hormonale oprispingen of de rechtspraak die steeds meer laat afhangen van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek – psychisch, forensisch of juridisch.

Joep Dohmen stelt dat we op zoek moeten naar een gedeeld hypergood om de samenleving (weer) op orde te krijgen en met de uitdagingen van de toekomst – wetenschap, technologie, duurzaamheid – om te kunnen gaan. Hij is optimistisch: het zal hard werken zijn, maar dat hypergood moet te vinden zijn. Niet door wetenschap, maar door filosofie. Maarten van Buuren ziet de ontdekking van zo'n hypergood nog niet gebeuren. Maar ook hij ziet geen heil in wetenschap. Wat zegt die over mij? Niets, de wetenschap kan mij niet vertellen wat ik moet kiezen of doen. Zij heeft pas belang nadat die fundamentele levensvragen beantwoord, of ten minste onderzocht zijn.

Zo lijken Van Buuren en Dohmen toch terug te zijn bij hun oorspronkelijke tegenstelling van zwartkijker en optimist. In elk geval geloven ze beiden in de kracht van de literatuur en filosofie. En er wordt vanavond harder gelachen dan ooit tevoren in het Academiegebouw.

Verder kijken en lezen
De lezing van gisteren is hier terug te zien. De serie Levenskunst liep in 2009-2010 en is ook online terug te zien. In september 2011 start het vervolg op deze serie bij Studium Generale. Lees op dit blog ook 10 schrijvers en denkers over levenskunst.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs

newton2
Met Isaac Newton werd de moderne wetenschap geboren en vierde zij meteen haar hoogtepunt. Newton verpersoonlijkt het moderne denken en de drang naar weten. Professor Floris Cohen, die het boek Isaac Newton en het ware weten schreef, aarzelt niet Newton een genie te noemen. Waar ligt het aan dat Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Newton muntte de beroemde uitspraak: ‘If I have seen further it is only by standing on the shoulders of giants.’ Nu geldt Newton zelf als een reus, op wiens schouders de wetenschappers van de toekomst staan,

In de reeks Kennis voor de toekomst passeren vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap de revue. Na Isaac Newton volgen Florence Nightingale, Darwin, Freud. Steeds met de vraag wat deze genieën in de 21e eeuw voor betekenis hebben en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen. Soms leert de bestudering van het verleden je meer over de toekomst dan de nieuwste en meest geavanceerde technologie dat kan.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’

rivier
Om de tijd te beschrijven en te begrijpen, heb je metaforen nodig, dat is in de acht weken van de wetenschapsfilosofische serie Tijd wel gebleken. Alle wetenschappers grepen metaforen aan om de betekenis van het concept tijd in hun discipline te verhelderen. Van de letterkundige Maarten van Buuren – van wie je beeldend taalgebruik verwacht – die sprak over gangen en deuren in de herinnering, tot theoretisch fysicus Renate Loll, die een artistieke impressie van de kwantumschaal toonde.

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.

Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.

Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.

Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.

Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.

En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).

Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.

De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.



Bookmark and Share
Comments

Druk druk druk

tijd
In Nederland zijn twee antwoorden mogelijk op de vraag hoe het gaat: ‘Goed, lekker druk’ of ‘Nou, druk druk druk hoor.’ Drukte kan zowel positief als negatief zijn, dat zal iedereen herkennen. Onder tijdsdruk presteer je beter, maar te veel tijdsdruk geeft stress. Over de verschillende kanten van tijdsdruk sprak prof. Tanja van der Lippe in haar lezing over de sociologische benadering van tijd.

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?

Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.

Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.

Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.

Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?

Kijk de lezing terug: Tijdnood?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

oerknal
Tijd is fundamenteel voor het bestaan van ons universum – dat was de conclusie van de lezing over tijd in de theoretische fysica, door professor Renate Loll. Tijd kun je benaderen als een kwantitatief gegeven en op die manier speelt het een rol in alle natuurkundige processen. Een formulering van natuurwetten kan niet zonder de notie van tijd, waarin veranderingen zich afspelen. Ook in experimenten die natuurwetten onderzoeken en proberen te bewijzen is ‘tijd’ altijd aanwezig als het referentiekader waarbinnen de natuurkunde werkt. Maar tijd is ook als kwalitatief fenomeen, een ding op zichzelf te bestuderen.

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?

Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.

De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’

Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.

Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.

Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?

Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.

Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap

tijd
Tijd als element van het bestaan; de biologische klok die ons begeleidt van geboorte tot dood. Dat zijn individueel beleefde vormen van tijd – hoe gedeeld menselijk of dierlijk ze ook zijn. In de geschiedenis gaat het om de collectief ervaren tijd. Dr. Harry Jansen beschrijft drie manieren waarop de historicus om kan gaan met het begrip tijd: de golvende, de gefaseerde en de durende tijd. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.

Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.

2. Gefaseerde tijd: Chronologie De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)

Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.

3. Durende tijd: Historische sensatie De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).

In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…

Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Wat is de mens - revisited

olifant
Dat er niet één verhaal te vertellen is over de mens, de geschiedenis, over wat dan ook, daar is iedereen zo langzamerhand wel van doordrongen. De consequenties daarvan pakken soms nog verschillend uit. De één wordt relativist: de waarheid bestaat niet en vooruitgang ook niet, de mens speelt altijd theater en is als een ui zonder kern, alle kunst is evenveel waard want over smaak valt niet te twisten. De ander blijft vasthouden aan een vorm van zekerheid; we kunnen heus wel onderscheid maken tussen iets wat meer waar is dan iets anders, of mooier of echter.

Vaak is dat criterium van zekerheid ergens in het zelf verankerd. Als ík vind dat de rol van intellectueel voor mij authentieker is dan de rol van feestbeest, als ik overtuigd ben van deze wetenschappelijke theorie en niet van die andere, als ik kan zeggen waarom een schilderij van Mondriaan beter is dan het gefriemel van mijn neefje, dan moet daar iets in zitten. Zelf behoor ik tot de laatste groep, ik houd niet van relativisme. Hoewel ik de bezwaren van de pragmatische zekerheid ken en levensgroot acht. Want wie ben ik om als criterium voor de waarheid te gelden? Nou ja, ik ben een mens, zoveel is zeker. De vraag is dus: 'Wat is de mens'?

Marcus Düwell, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, haalde in zijn lunchlezing Kant aan: in de vraag 'wat is de mens' laten alle vragen van de filosofie zich samenvatten. 'Wat is de mens': aan die vraag valt ten eerste op dat hij de mens objectiveert, als een ding dat je kunt onderzoeken. Een het. Dat is natuurlijk wetenschappelijk verantwoord. Eerder schreef ik over de definitie van het object mens door Frans de Waal en Dick Swaab, die de mens inderdaad 'apart zetten' om hem aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen (ook al is dat dan in een vergelijking met apen zoals De Waal doet of door te focussen op één onderdeel, namelijk de hersenen bij Swaab). De derde definitie, door Gerard Visser, behelsde een herformulering van de vraag. Wát een mens is? Antwoord: een wie. De juiste vraag is dan 'Wie is de mens?' Je voelt al meteen dat je in die herformulering overgaat van een algemene uitspraak op een individuele. Kun je in algemene termen over de mens spreken, of moet je hem altijd benaderen als uniek persoon? Of is dit gewoon een kwestie van ofwel wetenschap ofwel filosofie (of kunst) bedrijven?

Düwell liet zien dat er ook in de wetenschap verschillende perspectieven op de mens zijn, die op gespannen voet met elkaar kunnen komen te staan. Er is het natuurwetenschappelijke perspectief dat de mens ziet als een dier (waartoe De Waal en Swaab behoren). Dan is er het culturele perspectief, dat zich richt op de artistieke scheppingen van de mens en ten slotte is er het morele perspectief, dat uitgaat van de ethische overwegingen, de mens als vrij wezen. Het zijn in feite drie manieren om de mens te beschrijven, niet zozeer drie verschillende definities. Zoals de olifant uit het bekende voorbeeld. Een blinde voelt aan de olifant en beschrijft hem. Maar hij voelt een poot, terwijl zijn vriend de slurf vasthoudt. Uiteindelijk heeft niemand de ware olifant gezien, want de olifant is al zijn eigenschappen bij elkaar.

De perspectieven stemmen enigszins overeen met de drie voorbeelden waar ik mee begon: de waarheid die al dan niet bestaat, de kunstzinnige smaak waar al dan niet over te twisten valt en het zelf dat al dan niet authentiek of vrij is. Je kunt niet één van die perspectieven boven alle andere plaatsen of tot verklaring van alles bombarderen. Vooral de natuurwetenschappers doen dat wel, aldus Düwell. Zij monopoliseren het antwoord op de vraag wat de mens is. Met de grootste vanzelfsprekendheid wordt het biologische als bewijs voor van alles aangehaald (zelfs voor de meest tegenstrijdige zaken, zoals egoïsme bij Richard Dawkins en empathie bij Frans de Waal). Terwijl het niet logisch is. Móet ik moreel doen omdat ik niet anders kan, ben ik moreel omdat de apen het ook zijn? Zo gesteld lijkt dat inderdaad een absurde aanname.

Eigenlijk hebben we in het dagelijks leven niet zoveel last van dit soort vragen. Zoals veel filosofen ook zeggen: of de vrije wil nu bestaat of niet, het belangrijkste is dat de mens het idee heeft dat hij bestaat. Dat is al reden genoeg om erover na te denken. Dat getuigt mijns inziens ook van een frisse, open instelling die zweeft tussen het relativerende ontkennen en jezelf beschouwen als criterium voor de waarheid. Ik hou wel van zulk pragmatisme, ook in de filosofie.

Kijk de lezing terug op de nieuwe website van Studium Generale (!).
En lees ook Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken



Bookmark and Share
Comments

De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein

tijd
Als het donker wordt, word je moe; als je de middelbare leeftijd bereikt kom je in de overgang en van vrouwen in de dertig zeggen we dat hun biologische klokje tikt. Tijd zit ingebakken in ons lichaam, in de hele cyclus van de geboorte tot de dood. Dat gaat verder dan je misschien denkt. De meeste kinderen worden geboren in de vroege ochtend van een woensdag of een donderdag. En in de hersenen van overleden mensen is te zien hoe laat zij stierven, omdat de tijd letterlijk stil is blijven staan. Over deze en andere feiten van de biologische, lichamelijke tijd, sprak prof. dr. Dick Swaab in zijn lezing voor de serie Tijd.

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.

Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.

De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.

Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.

De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.

Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn

tijd
‘Objectieve tijd bestaat niet.’ Professor Maarten van Buuren zet in de eerste lezing in de serie Tijd meteen het publiek op scherp. Tijd bestaat niet als iets buiten de mens, want ‘tijd is een scheppende daad van ons bewustzijn’. Aan de hand van Augustinus, Husserl en Heidegger legt hij uit wat dit betekent voor de manier waarop wij in het leven staan.

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.

Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.

Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.

Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.

Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.

Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.

De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]



Bookmark and Share
Comments

Filmpje: De biografie

Pecha kucha in de aanbieding! Vier dubbellezingen; acht sprekers; twee dichters; een prins; een verzetsheld; één bijrol voor Harry Mulisch - in zes minuten en veertig seconden.

De reeks De biografie: een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.



Liever lezen? Klik op Lees verder voor de uitgeschreven tekst.
Check ook de korte stukken die ik over de lezingen schreef:




Bookmark and Share

Toen Harry Mulisch op 30 oktober 2010 overleed, werd meteen druk gespeculeerd over wie zijn biografie zou gaan schrijven en liepen letterkundigen vooruit op de problemen waar die biograaf tegenaan zou lopen. Mulisch was een zelfgebouwde mythe, onsterfelijk tot zijn dood. Het ontrafelen van verhaal en werkelijkheid zal een hele kluif zijn. Of is het verhaal de werkelijkheid? Een vraag die aan de orde kwam in de reeks De Biografie, een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.

Jan Wolkers: nog zo’n kanon uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Op zíjn sterfdag – 19 oktober – opende de reeks met een lezing van Wolkers-biograaf Onno Blom. Blom raakte bevriend met Wolkers en groeide uit tot ‘aangenomen oudste zoon’. Hoe beïnvloedt zo’n vriendschap je werk als biograaf? Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, haalde William Somerset Maugham aan, die stelde: ‘Er zijn slechts drie regels voor het schrijven van een goede biografie en gelukkig weet niemand wat die regels zijn.’

Toch zijn er wel drie handreikingen te noemen voor wie een goede biografie wil schrijven: Een biografie zegt iets over de actualiteit, ook als hij gaat over een historisch persoon. Dat betekent dat een biografie niet voor de eeuwigheid is geschreven. Neem Oorlog en vrede van Tolstoj – die roman uit 1869 wordt nog steeds gelezen. Een biografie van Tolstoj uit de negentiende eeuw is daarentegen verouderd.

Een biograaf moet stelling nemen tegenover zijn onderwerp. Objectiviteit bestaat niet, dus daar kun je maar beter eerlijk over zijn. Blom schreef een boek over het laatste levensjaar van zijn hoofdpersoon, genoemd naar de laatste woorden Zo is het genoeg – wat sloeg op de laatste hap van een boterham met jam. Een foto van de betreffende boterham is daar ook in opgenomen. Is dat relevant? En is het niet te intiem?

Het derde punt: een goede biografie kan niet zonder goed onderzoek en een goede stijl. Het boek moet degelijk zijn als een wetenschappelijk onderzoek en lezen als een roman. De biografie die Jolande Withuis schreef van Pim Boelaard of Bernhard van Annejet van der Zijl, zijn daar goede voorbeelden van. De verhalen over hun onderzoek zijn om van te smullen. Withuis ontdekte een schat aan materiaal, van dagboeken tot foto’s en brieven, achter een velours gordijntje bij verzetheld Boelaard thuis. Van der Zijl reisde naar Duitsland om het leven van de jonge Bernhard te reconstrueren. Bij de Berlijnse universiteit kreeg ze inzicht in documenten die het bestaande beeld van de aankomende prins totaal op z’n kop zetten.

De roerige levens van Boelaard en Bernhard – die elkaar kenden – lenen zich natuurlijk uitermate goed voor een biografie ‘die moet lezen als een roman’. Dat laatste punt is niet zo eenvoudig als het klinkt. Een biografie is altijd een verhaal. Maar wie vertelt het verhaal? Een objectieve, semi-alwetende verteller, die de puzzelstukjes van een leven bij elkaar zoekt. Of jij als persoon, bijna een ik-verteller? Een verhaal is altijd een weergave van de werkelijkheid, waarin gebeurtenissen in een samenhang worden getoond. Het geeft betekenis aan iets wat misschien wel gewoon toevallig is.

Hans Goedkoop haalt filmregisseur Pasolini aan: ‘De camera is uit, de draaitijd is voorbij, nu begint de montage.’ Voor Goedkoop is de kwestie feit/fictie weinig interessant: een biografie is het verhaal van een schrijver over een persoon die echt geleefd heeft. Natuurlijk is dat verhaal niet objectief en dat moet het ook niet willen zijn. Zolang je maar in je verhaal duidelijk maakt wáár je aan het interpreteren bent en welke kaders je daarbij gebruikt, is dat ook niet problematisch.

In een biografie draait het om de grote vragen van het leven. Welke keuzes maak je op moeilijke momenten? Hoe ga je om met tegenslag, met de liefde, met de dood? Goedkoop geeft een mooi voorbeeld van Renate Rubinstein, aan wier biografie hij werkt. Haar relaties liepen steeds weer stuk, naar eigen zeggen omdat ze altijd weer ‘achter elke man haar vader zocht’. Op een gegeven moment wordt die gedachte een selffulfilling prophecy. En juist daar – als mensen gaan leven naar een zelfbedachte waarheid – daar moet de biograaf doorheen prikken.

Vaak gaan biografieën over uitzonderlijke figuren – ze zijn niet voor niets onderwerp van een levensbeschrijving. Dat is ook wat lezers aantrekt. Je kunt je spiegelen aan een ander mens. Joachim Duyndam noemt zulke personen voorbeeldfiguren. En ook voor een lezer op zoek naar een voorbeeld doet het er niet zoveel toe of het verhaal echt gebeurd is of niet.

Een biografie biedt op die manier inspiratie voor het leven. Maar ook voor kunst. Zoals de grote dichters Fernando Pessoa en Federico Garcia Lorca, die hele generaties kunstenaars na hen hebben geïnspireerd. Federico Garcia Lorca werd gefusilleerd in de jaren dertig en geldt nu als nationaal symbool. Michaël Stoker maakt een mooie verwijzing naar Mulisch en zijn ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’. Lorca zou kunnen zeggen: ‘Ik ben de Spaanse burgeroorlog.’

Soms kan dat uit de hand lopen, als het verhaal een eigen leven gaat leiden en echt uitgroeit tot een mythe. Zoals bij het graf van Lorca dat nooit is ontdekt en waar zelfs rechtszaken over worden gevoerd. Het tegenovergestelde is aan de hand bij Pessoa: over zijn leven is zo weinig spectaculairs te melden, dat elk onbenullig feitje wordt opgeblazen tot enorme proporties. De biografie probeert het gat in een leven – of het gat van de mysterieuze dood – te vullen en, zo concludeert Stoker, ‘uit het gat groeit de mythe’.

Het biografisch onderzoek gaat niet over iets abstracts als een bacterie of iets ongrijpbaars als de economie, maar over een persoon waar je je toe moet verhouden als persoon. Hetzelfde geldt voor de lezer: een biografie is een ontmoeting met een ander mens, en daardoor met jezelf. Want misschien zijn we niet allemaal zo mythisch als Lorca of Harry Mulisch, we zijn allemaal opgebouwd uit verhalen. En dat is de waarheid.
Comments

Uit het gat groeit de mythe: Pessoa en Lorca

In 1936 werd de Spaanse dichter Federico García Lorca voor het vuurpeloton gebracht. Zijn graf werd nooit gevonden. Waar is de laatste rustplaats van de grootste dichter die Spanje ooit heeft voortgebracht? En waarom werd hij omgebracht? Ging het om een politieke moord, om zijn homoseksualiteit of om een familievete geworteld in het Andalusische land? De verhalen rond Lorca zijn sinds zijn dood uitgegroeid tot mythes. De laatste dubbellezing in de serie De biografie draaide om mythische dichters en de onmogelijke taak waarvoor de biograaf zich gesteld ziet als hij die mythe wil beschrijven.

Un Chien Andalou is een beroemde film van Buñuel, een ijkpunt in het surrealisme. Peter Valkenet gaf in zijn inleiding aanknopingspunten om de film te begrijpen, als een verbeelding van de verhouding tussen Buñuel, Dalí en Lorca. Het is eigenlijk geen verhaal te noemen, eerder een opeenstapeling van raadselachtige associaties. Juist het raadsel kan het startpunt zijn van biografisch onderzoek, zo bleek ook uit de lezing van Michaël Stoker, die onderzoek doet naar de Portugese dichter Fernando Pessoa. Het gevaar bij het zoeken naar de ontknoping van een raadsel is dat de biograaf het verhaal gaat invullen. De biografische honger naar feitjes is bij zulke beroemde kunstenaars heel groot. Elk beeld wordt geduid, elk miniem feitje opblazen. Zo ontstaat een mythe, een mythe die in de plaats kan komen te staan van de werkelijkheid.

Pessoa (1888-1935) is een mythische figuur bij uitstek, hij geeft betekenis aan het heden en is een nationaal symbool geworden. Dat zou je van Lorca (1898-1936) ook kunnen beweren. Stoker maakt een mooie vergelijking met de bekende uitspraak van Harry Mulisch die de afgelopen dagen talloze malen is herhaald – ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Lorca had kunnen zeggen: ‘Ik bén de Spaanse Burgeroorlog.’

Het leven van de twee grote dichters van het interbellum lijkt niet veel op elkaar. Lorca was een gevierd kunstenaar toen hij voor het vuurpeloton moest verschijnen, telg uit een goede familie met een lange geschiedenis, altijd bezig met zijn imago, en bevriend met kunstenaars Dalí en Buñuel. Pessoa daarentegen werkte op een handelskantoor en eigenlijk gebeurde er 27 jaar lang niets bijzonders in zijn leven.

Juist dat gat in het leven van de dichter heeft de mythevorming enorm gevoed. Elk feitje – of het nu klopt of niet – is uitgesponnen en vol betekenis geladen in de vuistdikke biografieën die over Pessoa verschenen. Bij Lorca is het gat dat gevuld moet worden juist zijn mysterieuze dood. De grote Lorca-kenner en biograaf Ian Gibson wees de plek aan waar de executie van Lorca en vier anderen zou hebben plaatsgevonden. 51 dagen werd er gegraven naar de stoffelijke resten. Maar het massagraf werd niet gevonden en het lijk van Lorca blijft vermist. Mythevorming rond een gat in het leven of een gat in de dood: dat is wat de twee dichters verbindt.

Dit soort verhalen, hoe gruwelijk ze ook zijn, nodigen uit tot speculeren en fabuleren. Maar zonder een weergaloos en veelzijdig oeuvre was dat niet gebeurd. Het is het werk, dat steeds weer lezers blijft aanspreken en uitdagen, dat aanleiding geeft tot nieuwsgierigheid naar de schepper. De mythevorming heeft ook te maken met de aard van hun kunst. Pessoa creëerde 81 heteroniemen of alter ego’s, in wiens naam hij schreef, tot in zijn dagboeken aan toe. Een mystificatie die een enorme kluif betekent voor een biograaf. Wie was Pessoa? Kan hij wel los worden gehaald van zijn alter ego’s? Moet je dat willen? Stoker zal om deze reden in elk geval geen biografie van Pessoa schrijven, zo stelde hij.

Lorca schreef poëzie, toneel en essays en liet zich beïnvloeden door folklore, de zigeunercultuur, maar ook door het futuristische New York en de surrealisten. Een film als Un Chien Andalou laat zien hoe raadselachtig de avant-gardistische kunst blijft, ook al ken je de context en het verhaal erachter. Het is een raadsel dat erom vraagt ontrafeld te worden maar tegelijkertijd de ultieme ontrafeling steeds op afstand houdt. Net als het leven van de kunstenaar of historische figuur de biograaf uitdaagt, maar zich nooit volledig laat begrijpen.

---

Alle dubbellezingen van deze serie, met onder anderen Onno Blom, Annejet van der Zijl en Hans Goedkoop, zijn hier terug te zien. Meer weten over Federico García Lorca? Kijk dan op de website van het festival Literaire meesters.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Prins Bernhard, Pim Boellaard: hun verhaal en hun tijd

biografie.jpg
Als één ding zeker is over het schrijven – en lezen – van een biografie, dan is het dat de hoofdpersoon bijzonder moet zijn, iemand die nieuwsgierigheid oproept. Prins Bernhard en verzetsheld Pim Boellaard zijn bij uitstek zulke hoofdpersonen. Toch kregen hun biografen, respectievelijk Annejet van der Zijl en Jolande Withuis, beiden regelmatig de vraag: waarom een boek over deze mannen? In een dubbellezing in de serie De biografie gaven zij antwoord op die vraag. De drijfveer om je hoofdpersoon te begrijpen, het puzzelen op de raadsels van een leven en de grote invloed van de tijd kwamen daarin naar voren.

Waarom schrijft een vrouw uit de feministische hoek een biografie van zo’n welvarende macho in de oorlog, een ‘held’, zo kreeg Jolande Withuis vaak te horen. De levensloop van Boellaard en vooral de keuzes die hij maakte, fascineren. ‘Wat maakt dat iemand om kan gaan met zoveel tegenslag, en moedig en eervol gruwelijkheden kan doorstaan?’ Dat is op zich al een interessante vraag. Bij Boellaard gaat die nog verder. Hij groeide op in een beschermd, negentiende-eeuws milieu, als in een roman van Louis Couperus. Hoe kan het dat zo iemand in de oorlog zo’n heldhaftige rol gaat spelen en na de bevrijding een briefje krijgt van een communistische medegevangene die hem bedankt voor alle goede zorgen?

In oorlogstijd is het misschien wel gebruikelijk dat vriendschappen over klassen en geloven heen gesloten worden, iedereen is nu eenmaal op elkaar aangewezen. Maar het is niet vanzelfsprekend om een held te zijn en het goede te doen, zoals Boellaard deed. Hoe zit dat? Dat is een drijfveer om biografisch onderzoek te doen en een boek over iemand te schrijven.

Ook Annejet van der Zijl heeft vaak de vraag gekregen ‘Waarom Bernhard?’ Nieuwsgierigheid is ook waar zij op uitkomt. Eigenlijk is ze enigszins erin gerold, net als Withuis met Boellaard. Een vooropgezet plan om biografieën over hen te schrijven, was er in beide gevallen niet. Via het werk aan andere boeken kwamen de schrijfsters op het spoor van een interessante geschiedenis, of zoals de ondertitel van Bernhard luidt: Een verborgen geschiedenis. Er is een raadsel dat erom vraagt opgelost te worden, dat de nieuwsgierigheid prikkelt en uitdaagt tot onderzoek.

Van der Zijl vertelt hoe zij geïnteresseerd raakte in het Duitse verleden van Bernhard, toen ze schreef aan Sonny Boy. Over de vooroorlogse jaren van Bernhard als Duitse jongeman was nog maar weinig bekend. Terwijl die Duitse geschiedenis veel duidelijk zou kunnen maken over de latere opvattingen en vreemde gedragingen van de prins, zo vermoedde Van der Zijl. Bernhard wordt altijd afgeschilderd als een held of als een schurk – dat extreme beeld kan niet kloppen. Het begrijpen van een persoon is belangrijk; het schrijven van een biografie is een manier om grip te krijgen op een mens en via die mens op de geschiedenis.

Van der Zijl zat op een vruchtbaar spoor, zo bleek al snel, onder andere op de Berlijnse universiteit waar Bernhard studeerde. In Duitsland is Bernhard niet zo bijzonder als hier in Nederland en de archieven met zijn studiegegevens kon Van der Zijl zonder problemen gebruiken. Bernhard wás ook niet zo bijzonder als wij misschien denken: de Duitse geschiedenis van de latere prins-gemaal laat zien dat hij een typisch kind van zijn tijd was. Een jongeman uit een gegoede, maar verarmde familie, geboren met een gouden lepel in de mond die hem daarna werd afgenomen, zonder kansen in de toekomst en met een hang naar vertier.

Via de Duitse geschiedenis kon Annejet van der Zijl laten zien hoe prins Bernhard gevormd werd door zijn tijd. Als we begrijpen waar iemand vandaan komt, begrijpen we ook beter zijn latere reacties en handelingen, zeker als het gaat om zijn eigen verhouding tot dat verleden. Jolande Withuis’ held Boellaard lijkt zich juist aan zijn tijd en verleden te ontworstelen en zijn eigen pad uit te stippelen. Verschillen als deze zeggen iets over de mens: hoe je je laat vormen door de tijd en omgeving waarin je toevallig leeft en hoe je je daartegen verzet. In de verhalen over uitzonderlijke levensgeschiedenissen zoals van Boellaard en Bernhard kan de lezer zich spiegelen, aan de hand van dit soort patronen.

Over dit onderwerp – hoe de patronen van een leven je helpen je eigen leven te begrijpen en vormgeven – zullen volgende week in de derde lezing Hans Goedkoop en prof. Joachim Duyndam verder spreken. Graag tot dan! De lezing van gisteren is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Wat is tijd? Renate Loll antwoordt in 12 minuten

Was er tijd voor de oerknal? Hoe verloopt de tijd op het allerkleinste niveau? Kun je terug in de tijd gaan? Vragen die iedereen wel eens stelt - ook een hoogleraar in de theoretische fysica. Het ingewikkelde, maar helder uitgelegde antwoord geeft Renate Loll in een fantastische, TED-achtige lezing bij Studium Generale.





Bookmark and Share
Comments

Sterrenkunde: wetenschap tussen science en fiction

Het is alweer meer dan een jaar geleden dat ik de lezingenreeks over sterrenkunde voor Studium Generale presenteerde. Nu is er een filmpje van: vier lezingen in minder dan tien minuten. Ik ben er trots op!



Liever lezen? Hieronder de uitgeschreven tekst.

Het beeld dat bestaat van de sterrenkunde, vindt vaak zijn oorsprong in sciencefiction of bijgeloof: de horoscoop in de krant, ontmoetingen met buitenaardse wezens, reizen door de tijd. Drie vooraanstaande onderzoekers en een wetenschapsjournalist scheiden de 'science' van de 'fiction'.

Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Michel Houellebecq: alleen in boeken kunnen leven

michel_houellebecq
Levenskunst is onlosmakelijk verbonden met literaire en filosofische teksten. Waarom eigenlijk? Is het voor een levenskunstenaar niet voldoende om het leven goed te leiden? Misschien wel, maar om te weten wat het goede leven voor jou betekent, is het handig om bij anderen te rade te gaan. Niet alleen om kennis op te doen van de mogelijkheden, maar ook als middel om je eigen kennis te structureren en te onderzoeken. Dat is wat duidelijk wordt in de lezing van Maarten van Buuren over Michel Houellebecq in de serie Levenskunst. Lezen en schrijven scherpt de blik en laat je de houdbaarheid van je opvattingen toetsen.

Michel Houellebecq is van jongs af aan weinig sociaal en erg teruggetrokken. Via de literatuur - eerst poëzie, later proza - ontpopte hij zich tot iemand anders. Sinds de jaren negentig is hij een van de meest controversiële schrijvers van Europa, zeer uitgesproken en niets en niemand ontziend. Zijn romans bevatten veel autobiografische elementen. Zoals Elementaire deeltjes, waar de twee halfbroers twee persoonlijkheidshelften van Michel Houellebecq zelf zijn. Dominante eigenschappen, die eerder verborgen moesten blijven omdat ze niet de mooiste zijn, komen in de literatuur aan de oppervlakte. In het geval van Houellebecq: haat.

De drie bekendste romans van Houellebecq - De wereld als markt en strijd, Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland - vormen een drieluik. Houellebecq geeft daarin felle kritiek op de moderne maatschappij. Als hoofdschuldige wijst hij naar het doorgeschoten liberalisme en individualisme.

Is er alleen haat? Of ook een oplossing? Ja, die is er: de nieuwe mens. Die is zowel technologisch nieuw, want zal voortkomen uit klonen. Maar ook gaat het om een nieuw ethisch besef, waarin de zwakkeren op bescherming mogen rekenen. Dat klinkt zowel futuristisch als conservatief. Er is in het werk van Houellebecq steeds spanning tussen kritiek op het moderne en fascinatie voor dat moderne. Houellebecqs personages (die dicht bij hemzelf staan) zijn representanten van de moderne tijd, ze gaan daarin mee maar gaan er ook aan ten onder.

Volgens Maarten van Buuren zien we in Mogelijkheid van een eilandhoe Houellebecq tijdens het proces van schrijven van opvatting verandert. Het utopische ideaal van gekloonde, onsterfelijke mensen, vertoont te veel gebreken. Uiteindelijk verandert de roman in een dystopie: de toekomst is koud en duister, de onsterfelijke kloon kiest uit eigen beweging voor de dood. Schrijven is een manier van (zelf)onderzoek: Houellebecq heeft tijdens en dóór het schrijven de onmogelijkheid van zijn eigen utopie ingezien.

Zulk zelfonderzoek kan alleen iets opleveren als het gepaard gaat met een genadeloze eerlijkheid tegenover jezelf. Houellebecq gebruikt zijn meest pijnlijke en inktzwarte ervaringen om door te dringen tot de kern van het mens-zijn. Midden in de pijn staan en dan hard stampen: dat is waarom hij volstrekt authentiek is, zegt Van Buuren. Of is Houellebecq juist een aansteller en een acteur, zoals Joep Dohmen stelt, in zijn reactie op de lezing?

Beide kunnen kloppen. Er ligt een verschil tussen de Houellebecq uit het ‘echte leven’ en die uit de boeken – het personage Houellebecq waarin hij is ontpopt. En anders dan voor de hand ligt, is de Houellebecq uit het ‘echte leven’ niet de meest echte. Alleen in boeken kan hij volledig zichzelf en dus authentiek zijn. Dat is meteen het beste argument waarom literatuur en filosofie onmisbaar bij zijn bij het beoefenen van levenskunst.

In september verschijnt de nieuwe roman van Houellebecq in een eerste oplage van 100.000 stuks in Frankrijk. Hij zal ongetwijfeld weer genoeg stof doen opwaaien. Hopelijk ook in de hoofden van zijn lezers.

De lezing Tegen de vooruitgang is terug te zien via Studium Generale. Kijk onder Levenskunst op het Studium Generale nieuwsblog voor de andere artikelen over deze serie.



Bookmark and Share
Comments

Angst: een wetenschapsfilosofische encyclopedie

angst_encyclopedie
Als het niet heel cynisch zou klinken, zou je ‘angst’ in deze tijd een modewoord kunnen noemen, of zelfs een hype. Verkiezingen zijn in de greep van angst, het klimaat is een bron van angst, net als terrorisme. Er is angst voor onze gezondheid – terwijl we nooit gezonder zijn geweest; angst voor crisis en werkloosheid – terwijl we nooit welvarender zijn geweest. Onder de titel Encyclopedie van de angst organiseerde ik voor Studium Generale een serie lezingen over angst. Welke rol speelt angst in de wetenschap? Angst kan een drijfveer zijn om kennis op te doen. Maar wetenschap kan ook angst aanjagen. En hoe bestudeer je angst als maatschappelijk fenomeen? Hoe doorbreek je de angsthype om van angst een productieve kracht te maken? Lees verder
Comments

Levenskunst als bewust denkproces: Peter Bieri / Pascal Mercier

peter_bieri
Hoe zou mijn leven zijn geweest als mijn ouders niet waren geëmigreerd toen ik klein was? Wat was ik geworden als ik niet was gaan studeren? Iedereen denkt wel eens na over al die onvervulde mogelijkheden in het leven. Je kunt niet én studeren én niet studeren. Het is een leuk denkspelletje, maar ook bittere ernst. Juist door bewust je mogelijkheden na te gaan en je een voorstelling te maken van wat voor gevolgen verschillende keuzes zouden hebben, leef je bewust en word je wie je bent. Levenskunst is ook een cognitief proces, zo betoogt de Zwitserse filosoof Peter Bieri.

Het Handwerk van de vrijheid is het filosofische hoofdwerk van Bieri, die onder het grote publiek vooral bekendheid geniet als Pascal Mercier, schrijver van Nachttrein naar Lissabon. Het filosofische en literaire werk zijn nauw met elkaar verbonden. Juist de verbeelding en expressie krijgt in Bieri's filosofie een grote rol toebedeeld, en in zijn romans kan hij laten zien hoe dat in zijn werk gaat.

De titel Handwerk van de vrijheid laat zien dat voor Bieri levenskunst een proces is ('handwerk') waar je aan kunt werken en dat tot op zekere hoogte te controleren is. 'Over de ontdekking van de vrije wil' luidt de ondertitel en een analytische benadering van de wil vormt de basis van Bieri's filosofie. In de lezing voor de serie Levenskunst over Bieri, zette professor Joep Dohmen deze analyse van de wil uiteen. Kort gezegd gaat aan de wil een veelheid van wensen vooraf. De wil is de wens die uiteindelijk gekozen wordt, na afweging van mogelijkheden en middelen. Hij is een oordeel over de verschillende wensen die je hebt en uit zich in een bereidheid dat oordeel te volgen. Bieri gaat dus uit van een vrije wil, die uit een denkproces ontstaat.

Door de nadruk op de wil te leggen, komt een heel nieuw thema aan de oppervlakte in het denken over levenskunst, zoals we dat in de voorgaande lezingen hebben gehoord. Niettemin komen ook bij Bieri vragen terug die bij de andere denkers en schrijvers spelen: over de vrijheid en over de taal bijvoorbeeld. Voor Bieri hangt vrijheid samen met een open toekomst, waarin de wil speelruimte heeft. Het denkspelletje is ernst: maak je in een toekomst die open ligt een keuze, dan zal dat ook echt invloed hebben op het verloop van die toekomst. En een andere keuze maken is mogelijk, door de speelruimte van de wil.

Hoe kom je er dan achter wat te kiezen? Hierbij spelen taal en verbeelding een rol. Staande op een cruciaal punt in je leven (studeren of niet studeren? kinderen of geen kinderen?), moet je met je voorstellingsvermogen aan de slag. Door de consequenties van de verschillende keuzes te verbeelden, kun je de keuzes tegen elkaar afwegen. Hoe ziet mijn leven eruit als ik niet ga studeren? Wat betekent dat écht? En als ik wel ga studeren? Het is een heel geconcentreerde vorm van kiezen, werkelijk bewust leven, zoals Joep Dohmen benadrukte.

De expressie in taal is een ander thema dat in de loop van de reeks steeds is teruggekomen, en ook bij Bieri prominent aanwezig is. Dat heeft twee kanten. Het gaat om het verwoorden van wat je wilt en wie je bent, want pas door dat heel precies uit te drukken (te articuleren, zegt Bieri) kom je erachter wat dat is. Zomaar wat roepen is hetzelfde als zomaar wat kiezen: het kan nooit eigen zijn, van jezelf. Aan de bewuste keuze gaat een bewuste bewoording in de taal vooraf.

Maar dat kan geen mens zomaar. Niemand wordt geboren met een duidelijke articulatie, letterlijk en figuurlijk. Die moet je leren van anderen. Bijvoorbeeld door het zien van films, het spreken met vrienden en het lezen van boeken. Dat houdt de verbeelding aan het werk, zet je aan tot reflectie en scherpt je vermogen om jezelf uit te drukken. Eigenlijk precies wat Studium Generale ook met de reeks Levenskunst beoogt (may I add: wat ik ook met dit blog beoog). Op 8 juni is alweer de laatste lezing, zorg dat je erbij bent om met een veranderde blik op de wereld de zaal weer te verlaten!

Bekijk de lezing Hoe eigen ik mezelf toe?

De onbekende uit mijn droom was niet bij de lezing over Peter Bieri, maar des te meer bekenden, wat natuurlijk veel leuker is. Hierboven het stuk dat ik voor het Studium Generale nieuwsblog over de lezing schreef.



Bookmark and Share
Comments

Pecha Kucha: Fenomenologie van de ervaring

Onderstaande lezing te lang? Kijk hier naar de Pecha Kucha-presentatie!


Bookmark and Share
Comments

Fenomenologie van de ervaring

Voor een publiek van eindexamenkandidaten Filosofie, enkele ouders en docenten, hield ik gisteren mijn eerste lezing. De rollen waren omgekeerd en dat beviel prima. Hieronder de tekst die ik daar met misschien iets te veel uitweidingen heb uitgesproken.

Fenomenologie van de ervaring
aan de hand van Marcel Proust
7 april 2010


Dames en heren, jongens en meisjes, leuk dat jullie hier zijn en bedankt dat ik hier iets mag komen vertellen. Ik zal hopelijk weer een andere kant van de filosofie belichten dan de anderen. Van de filosofie en de literatuur, want ik heb zowel literatuurwetenschap als filosofie gestudeerd en vanavond zal die combinatie ook naar voren komen.

Waar ga ik het over hebben? Ik wil iets zeggen over het belang van ervaringen opdoen, van emoties en het instinct. De filosofische notie die centraal staat is zelfkennis. En wel zelfkennis die gestoeld is op de ervaring, eerder dan op het verstand. Ik ga het hebben over impressies, die emotioneel zijn en je op weg zetten naar zelfkennis voordat het intellect eraan te pas komt. Het gaat ook om het vertrouwen op ervaring, het onderzoeken van die ervaring, die omzetten in kennis en daar dan iets mee doen.

Fenomenologie van de ervaring is mijn titel. Wat is fenomenologie? Kort gezegd gaat het om een filosofische stroming die uitgaat van de ervaring en de waarneming bij het bestuderen van de werkelijkheid. De wereld verschijnt aan ons (in "fenomenen") en daar moeten we ons op baseren bij het beschrijven van de wereld. Marcel Proust gaat ook uit van de ervaring in zijn werk en beschrijft de ervaring áls ervaring. Dat verklaart de ietwat tautologische titel ‘Fenomenologie van de ervaring’.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Stukkies elders: angst, levenskunst en liefde

Hieronder de opbrengst van de eerste weken schrijven op het Studium Generale nieuwsblog. Linkliefde heet dat geloof ik.

Angststoornissen: over hersenprikkeling en schoonheid
De psychiatrie streeft naar de opheffing van de eigen beroepsgroep. Als niemand meer een psychiater nodig heeft, is de missie geslaagd. Zover zal het vast niet komen. En misschien is dat ook niet erg, want een bestaan zonder lijden, zonder angst, zonder tekort is ook een bestaan zonder schoonheid en kunst. Professor Damiaan Denys is zowel psychiater als filosoof en liet beiden spreken in zijn lezing ‘Angst als psychische stoornis’ voor de reeks Encyclopedie van de angst. Lees verder...

(Valse) verleiders op Festival Mooie Woorden
Romantiek is een doodsvijand, van de liefde en van het geluk. Romantiek is ook letterlijk een doodsvijand: een vijand van de dood. Ze tovert allerlei onrealistische beelden voor ogen, zoals dat van een eeuwig leven en eeuwige jeugd. Harde woorden van filosoof Jan Drost, die echter het goede met de mens voorheeft. Als je je niet zo laat verblinden door valse verwachtingen, is de kans op geluk veel groter. Volgens Marinka Copier valt het wel mee met die valse verwachtingen. Het ligt eraan met welke bril je ernaar kijkt. Lees verder...

Wetenschap als ontmanteling van angst
Welke rol speelt angst in de wetenschap? Dat is de hoofdvraag van de wetenschapsfilosofische reeks Encyclopedie van de angst, die gisteren opende met een lezing door Sander Bais, hoogleraar in de Theoretische Fysica. Twee dingen maakte zijn lezing goed duidelijk. Angst is een belangrijke factor op veel niveaus en kan zowel voor als tegen de wetenschap werken. Maar, voegde Bais toe, wetenschap is belangrijker dan angsten – individueel of collectief – en zijn betoog was dan ook een betoog In praise of science, zoals de titel van zijn laatste boek luidt. Lees verder...

Robert Musil: Mystiek zonder God
Wat ben jij? Een dilettant, een essayist of een mysticus? Deze drie levenshoudingen spreken uit het werk De man zonder eigenschappen van Robert Musil (1880-1942). Ze zijn een spiegel voor onze eigen levensstijl en stellen de vraag wie we zelf zijn. Maarten van Buuren weet het wel: hij kan zich goed vinden in het dilettantisme, zo zei hij in zijn lezing in de serie Levenskunst. Lees verder...

Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid
Had Michel de Montaigne in deze tijden geleefd in plaats van in de zestiende eeuw, dan had hij misschien wel een weblog bijgehouden. Want het zelfonderzoek van Montaigne, samengebracht in zijn Essays, had goed gepast bij de open en onderzoekende vorm van een weblog (het was dan het weblog op zijn best geweest). Ook daarin hangt alles met elkaar samen. De schrijver verwijst naar hoge en lage, de hedendaagse en voorbije cultuur – in Montaignes tijd vaak Latijnse citaten, in deze tijd filmpjes van Youtube. En het weblog is nooit af, net als de Essays. Steeds keerde Montaigne terug naar zijn tekst, verwerkte reacties van anderen, schrapte en herschreef. Lees verder...

Michel Foucault: Het leven een kunstwerk
Het lijkt een onwaarschijnlijke stap: van een analyse van het gevangenis- en strafsysteem naar de levenskunst. Zoniet voor de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Beide hebben te maken met vrijheid en de machtsverhoudingen die op die vrijheid inwerken, zo vertelde prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing ‘Het leven een kunstwerk’ in de serie Levenskunst. Lees verder...

Huis van de Poëzie
Is poëzie vertaalbaar? In een gedicht hangen taal, klank en betekenis zo nauw samen – is dat wel in een andere taal over te brengen? Regelmatig verschijnen er poëzievertalingen, van sommige dichters, zoals Shakespeare, zelfs meerdere. De een is vrijer dan de andere. Toch lijkt het bij de waardering van een poëzievertaling niet alleen te gaan om de vrijheid die de vertaler zich veroorlooft. Het gaat ook om iets als ‘de ziel’ van een gedicht. Lees verder...



Bookmark and Share
Comments

Op weg naar een Theorie van Alles

quantum-foam
De Sterrenkunde-reeks bij Studium Generale is alweer afgelopen. Ik heb de lezingen alle vier gevolgd en over alle vier een reportage geschreven. Een verslag van Govert Schillings lezing over de fascinatie van de mens voor de kosmos is elders te vinden. Hieronder een samenvatting van de overige drie lezingen, waarin Utrechtse sterrenkundigen vertelden over de stand van zaken in het onderzoek. Meer sterrenkunde? Kijk op het Internationale Jaar voor de Sterrenkunde. De volledige verslagen van alle lezingen zijn te downloaden op de website van SG.

Van de aarde via zon en maan naar andere planeten tot aan een Theorie van Alles: de reeks bracht het publiek steeds verder van huis in steeds uitzinniger sferen. Bij de laatste lezing zat ik met mijn oren te klapperen, totaal meegesleept langs de grenzen van het denken. De afsluiting is wat mij betreft geen einde, maar eerder een begin van verdere studie in de wondere wereld van het uitdijende heelal.

Wist je dat de neutrino’s je nooit meer met rust zullen laten?
De reis door de kosmologie begon gewoon hier op aarde. Professor Frank Verbunt laat zien dat de invloed van zon en maan op het wel en wee van de aarde groot is, en veelvormiger dan gedacht.

neutrino
De interessantste wetenschappelijke feiten zijn zo opmerkelijk en simpel dat je ze nooit vergeet en vaak wilt herhalen. De geëigende vorm daarvoor is ‘Wist je dat...’; waarna iets volgt wat ondenkbaar lijkt, wat met jezelf te maken heeft en wat ondersteund wordt met keihard, na te rekenen bewijs. Wist je dat elke seconde zestig miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter op aarde razen? Dus ook door je eigen lichaam heen?

Waar komen die neutrino’s vandaan? De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die je in modellen en formules kan vatten. Maar de formule vertoont een afwijking, er verdwijnt namelijk massa. Die wordt omgezet in energie, ofwel licht. Kort gezegd: er lijkt bij kernfusie meer aan massa in te gaan dan eruit komt. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ongehinderd door jou en mij. Wist je dat...?

Nog zo een. Wist je dat de dag steeds langer wordt en de maand ook? Al in de zeventiende hield Edmond Halley (naamgever van de bekende komeet) zich hiermee bezig. Halley deed onderzoek naar zonsverduisteringen. Het is exact te berekenen hoeveel tijd er tussen twee verduisteringen moet zitten. Halley rekende uit dat eerder een verduistering in Alexandrië moest zijn geweest. Bronnen wezen iets anders uit: niet Alexandrië, maar Bagdad was getuige geweest. Daar zit een uur verschil tussen! Er was maar één conclusie mogelijk: de dagen en de maanden worden langer. De gemiddelde verandering is langzamer dan 2,3 milliseconde per eeuw. Toch is dat al gauw een paar seconden sinds het begin van de jaartelling.

De Russische (fictieve) schrijver Kuzma Prutkow vroeg zijn lezer: ‘Wie is er nuttiger, de zon of de maan?’ Zonder de zon geen energie en leven, zonder de maan geen klimaat dat de energie in bedwang houdt en het leven pas echt tot leven wekt. Prutkow zelf wist nog beter het antwoord: ‘De maan is de nuttigste, want hij geeft 's nachts licht, dus als het donker is; de zon schijnt echter alleen overdag, als er toch al licht is.’

‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar’
In de volgende lezing gaat dr. Daphne Stam voorbij de maan en de zon, de Melkweg uit. Ze doet onderzoek naar exoplaneten en leven in andere sterrenstelsels. Het is met enige schroom dat je een wetenschapper vraagt naar buitenaards leven en de kans op technologisch vergevorderde samenlevingen in outer space. De wetenschap onderzoekt deze vragen echter zeer serieus en diepgravend en hoopt net als het grote publiek op een wereldschokkende ontdekking.

Hoewel onbekend is hoe het leven ooit is begonnen, is inmiddels wel duidelijk wat essentieel is om te overleven. Hoe strikt deze voorwaarden zijn is maar de vraag. Tegenwoordig zijn ook organismen bekend die onder zeer extreme omstandigheden leven en die daarom toepasselijk extremofielen heten. Op de meest onherbergzame plekken, zoals in zwavelbronnen en op Antarctica, is blijkbaar wel leven mogelijk. Dus misschien ook wel op onherbergzame planeten.

Christiaan Huygens was een van de eersten die nadacht over leven op planeten bij een andere zon of ster. Als de zon een ster is, zo redeneerde hij, en de hemel is bezaaid met sterren, waarom zouden die dan geen planeten hebben? Inmiddels is de techniek zo geavanceerd dat er daadwerkelijk planeten bij andere sterren aan te wijzen zijn. Zo leren we ook meer over ons eigen Melkwegstelsel, dat een heel normaal, gemiddeld stelsel blijkt te zijn, onopvallend en eigenlijk totaal niet interessant – mocht je een alien zijn. De Melkweg mag dan onopvallend en gemiddeld zijn, de getallen liegen er niet om. Een sterrenstelsel als het onze kent zo’n 200 miljard sterren, waarvan er 40 miljard als onze zon zijn. Er moeten dus heel veel planeten zijn. Waarom is de Melkweg dan onopvallend? Omdat hij slechts een van de honderd miljard sterrenstelsels is...

‘Wat zullen we uiteindelijk aan leven vinden?’ Stam haalt Drake aan, die in 1961 een formule opstelde om de kans op ander leven in de kosmos te beschrijven. Daarin zijn allerlei variabelen opgenomen, zoals de gemiddelde snelheid waarmee sterren geboren worden, het percentage van die sterren met planeten, het deel van die planeten waar intelligent leven zich ontwikkelt en de levensduur van technologische beschavingen. Afhankelijk van de input is de uitkomst van de vergelijking dat er toch minstens zeshonderd technologische, communicerende beschavingen moeten zijn. ‘We zijn dus niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’

Op zoek naar die ene, robuuste, unieke theorie
Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen? Waar ligt de grens tussen science en fiction?

Allereerst geeft Loll een idee van de schaal waarop kwantumonderzoek zich afspeelt. We zien een foto van een vijver met waterlelies. Elke volgende foto zoomt in op een deel van het plaatje, steeds met dezelfde verkleining van factor tien. De eerste foto’s zijn duidelijk: de vijver, een lelie met een bij erop, het hoofd van de bij, zijn oog. Het zoomen gaat verder: een stukje pollen, een bacterie, daarop een virus. Nog verder: strengen DNA, DNA-structuur. Dat is 1 nanometer, 10 tot de min negende. Dan het koolstofatoom, elektronen, de nucleus, tot je bij het ‘bijna niets’ komt: protonen, quarks en gluons, elementaire deeltjes. Dan het kleinste niveau, waarop de Geneefse deeltjesversneller opereert: 10-18. Let wel: de verhouding tussen de lelie met een bij en het hoofd van de bij is dezelfde als tussen de nucleus van een elektron en elementaire deeltjes. Uiteindelijk kan de natuurkunde nog zestien ordes van grootte teruggaan tot de Planckschaal (10-35), de allerkleinste schaal die bekend is, nog voorbij de elementaire deeltjes. Hier spelen vragen over de lege ruimtetijd tússen die elementaire deeltjes.

De lege ruimtetijd tussen elementaire deeltjes: een leuk denkspelletje, maar verder niet echt boeiend, toch? Waarom zou je je bezighouden met – niets? Voor de twintigste eeuw was het volkomen gerechtvaardigd om ruimte en tijd te beschouwen als achtergrond voor interessante processen en niet als interessant op zich. Dat is het wereldbeeld van Newton: het universum bestaat uit ruimte plus tijd plus zwaartekracht. Daarbij zijn ruimte en tijd onveranderlijk en eeuwig, als een schouwtoneel waarop de zwaartekracht zijn dynamiek uitoefent.

Einstein zou het wereldbeeld totaal veranderen. Ruimte en tijd zijn innig verstrengeld, er is geen scherpe grens tussen te trekken, zo toonde hij in 1905 aan. Ruimte en tijd koppelde hij tot ruimtetijd; maar die bleef statisch en niet erg boeiend. Met de tweede revolutie van Einstein in 1915 veranderde ook dat. In dat jaar ontvouwde Einstein zijn theorie van de gekromde ruimtetijd, waarmee ook het verschil tussen ruimtetijd en zwaartekracht is opgeheven. Zwaartekracht, zo laat dit model zien, is integraal onderdeel van de structuur van de ruimtetijd zelf. Die wordt daarmee dynamisch op zich, gekromd. Geen enkele vorm van massa of energie kan ontsnappen aan die dynamiek. Zelfs lege ruimte oefent dus krachten uit op dingen die in haar worden geplaatst. De ruimte is gezegend met eigenschappen die het bestuderen meer dan waard zijn.

Einsteins theorie markeert niet het einde van de natuurkunde. Wat blijkt namelijk: op zeer kleine schaal is de klassieke theorie niet toepasbaar. Tot op millimeters gaat het goed, maar op moleculair, atomair en nucleair niveau is de zwaartekracht zo zwak dat hij niet belangrijk meer is, hij wordt helemaal tenietgedaan door andere interacties tussen deze deeltjes. De microstructuur van ruimtetijd zal er anders uit zien dan de ruimtetijd op grote schaal. Op welke manier? De ruimtetijd is op grote schaal weliswaar gekromd, maar toch vlak en glad te noemen. Op kleine schaal is hij juist verre van glad, eerder gekreukeld. Vandaar de vergelijking met schuim.

Na deze theoretische verkenning van kwantumonderzoek naar ruimtetijd komt de grote vraag: wat zegt die theorie over wormgaten? Het belangrijkste is natuurlijk dat wormgaten de mogelijkheid tot tijdreizen inhouden. Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg.

wormhole_graphic
Wat is hier feit en wat fictie? De algemene relativiteitstheorie staat niet toe dat wormgaten geboren worden, dat kan simpelweg niet. Maar misschien zijn ze wel in de chaos van de oerknal ontstaan. Een ander punt weegt zwaarder: om het wormgat open te houden en niet te laten inklappen, is het bestaan van zogenaamde exotische materie vereist. Exotische materie heet nu juist zo omdat ze onbekend is, nooit gezien of gemeten, en met eigenschappen die vrijwel ondenkbaar zijn: negatieve energie en een onmogelijke dichtheid. Met andere woorden: die theorie is niet echt natuurkundig. Dat gezegd hebbende, zou een bestaand wormgat inderdaad een vervoermiddel naar een andere tijd kunnen zijn. Het idee van tijdreizen is op zich echter voor de wetenschap een ramp, omdat het zou indruisen tegen de basis van alle natuurkundige wetten: causaliteit. ‘Dan kun je alleen nog maar wanhopen.’

Professor Loll vertelt over een experiment dat ze heeft opgezet om het bestaan van wormgaten te testen. Met behulp van de computer heeft ze een model gebouwd op de Planckschaal. Als voorwaarden koos ze bepaalde ingrediënten en stelde ze vast hoe die mogen bewegen. Vervolgens liet ze de ingrediënten uitdijen tot een ruimtetijd op grote schaal. Het experiment is twee keer uitgevoerd. De ene keer mogen de atomen wormgaten vormen, de andere keer niet. En wat blijkt? Als wormgaten zijn toegestaan, komen ze ook in groten getale voor. Maar alle energie gaat zitten in het maken van wormgaten, de rest van de ruimte groeit gewoon niet. Dat is niet consistent met wat we om ons heen zien. In het andere experiment, waarin wormgaten niet voorkomen, is het resultaat een universum op grote schaal dat bovendien overeenstemt met de Einstein-theorie.

Uit dit experiment komt ook de totaal bizarre, wilde aard van het kwantumschuim op de Planckschaal naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ De verzuchting van Loll klinkt even verheugd als verbaasd.

Ik moet nog even bijkomen van een maan die van de aarde af beweegt, van de nietigheid van ons sterrenstelsel en de schuimachtige vorm van materie... Gelukkig hoef ik me over één ding geen zorgen te maken: de snaartheorie met haar twaalf dimensies is alweer achterhaald.



Bookmark and Share
Comments

Darwin als teaser

Niemand ontkomt aan het Darwinjaar zo lijkt het: of je nu naar de VPRO of naar de EO kijkt, of je nu van de schepping of evolutie bent, allemaal moeten we geloven aan de Darwinhype. Ik moest er niet aan geloven, ik was een integraal onderdeel ervan. Was ja, want inmiddels is de hype alweer over zijn hoogtepunt heen en ben ik er van af. Mijn recensie van Brownes Over het ontstaan van soorten van Darwin staat op 8WEEKLY, en stukken over de lezingenreeks Na Darwin zijn hier te vinden. Lees verder
Comments

Het voorkomen van een gespiegeld ik

spiegel_lamp
Op mijn werk schrijf ik tegenwoordig ook af en toe een ‘stukkie’. Het zijn verslagen van lezingen die bij Studium Generale zijn gehouden (van Jelle Reumer en op het Huis van de Poëzie). Dat lijkt wel journalistiek! Hield ik laatst niet nog een tirade tegen journalistiek? Gaat het verloochenen van principes zo snel? Ik noteerde toen ook dat het zaak was om scherp te blijven. Bij deze. Lees verder
Comments