Malcolm Gladwell
Spontane en onderzoekende creativiteit
24/10/10 14:06 Denk aan: Kunst

Uiteindelijk heeft laat dan wel vroeg bloeien te maken met creativiteit. Zoals de goede ideeën, die we ons altijd voorstellen als een peertje dat linksboven je hoofd spontaan begint te branden, zo lijdt ook creativiteit onder een al te versimpelde beeldvorming. Creativiteit is misschien geen peertje, maar dan toch zeker wel iets wat ontbrandt in je binnenste, als goddelijk vuur, een golf van inspiratie. Dat we dat zo zien is vooral de schuld van de romantische dichters. Willem Kloos, die een wandeling ging maken langs de waterkant en vijftien minuten later bevangen door een perfect geconstrueerd sonnet, met kloppend rijmschema, versvoet en volta weer thuiskwam. Onzin natuurlijk.
Het beeld van de geïnspireerde kunstenaar is wel hardnekkig gebleken. Dat is zeker ook het geval in de schilderkunst. Je ziet het meteen voor je, de jonge Picasso die in een artistieke high schilderij na schilderij maakt, tot hij uitgeput op de grond neerzijgt om in ogenschouw te nemen wat hij nu eigenlijk gemaakt heeft. Stuk voor stuk meesterwerken.
Bij Cézanne werkte het anders, zo schrijft Gladwell. Zijn creativiteit is experimenteel van aard. Door heel veel uit te proberen en dus ook af te wijzen, ontdekt hij waar hij zich op moet richten, waar hij goed in is. Met als gevolg dat de echt goede kunstwerken, de echte 'Cézannes’ pas op latere leeftijd ontstaan. 'The Cézannes of the world bloom late not as a result of some defect in character, or distraction, or lack of ambition, but because the kind of creativity that proceeds through trial and error necessarily takes a long time to come to fruition.'
De twee vormen van creativiteit heten in Gladwells artikel 'conceptueel en experimenteel', wat ik niet heel verduidelijkend vind klinken. Misschien is het niet helemaal correct, maar het onderscheid tussen 'spontaan' en 'onderzoekend' lijkt me helderder. En dan blijkt het voor mij ook nog te kloppen: ik noemde mezelf al een laatbloeier - en dan niet alleen op het creatieve vlak - ik herken me erg in het onderzoekende ('experimentele') type.
Het past ook bij de (meer wetenschappelijke) vraag waar goede ideeën vandaan komen, zoals ik onlangs beschreef. Ideeën hebben een incubatietijd, en ontstaan niet in een soort spontane ontbranding, maar doordat verschillende mensen, gebeurtenissen en natuurlijk het toeval allemaal samenklitten en het vuurtje opstoken tot er uit het geheel een Goed Idee geboren wordt.
Interessant hoe dingen die ik eerder heb geschreven in elkaar schuiven en blijken te passen binnen het framework van een ander. Maar ik vertel blijkbaar maar één kant van het verhaal. Picasso zou zich daar nooit in kunnen vinden.
Comments
Revolutie in het hoofd II
06/07/10 12:09 Denk aan: Leven

Twee dingen zijn belangrijk. Allereerst het verschil tussen materiële groei en immateriële verandering. Als het draait om materiële zaken, ga ik liever achteruit dan vooruit. Dat is tegenwoordig een onhandige eigenschap. Voor de meeste mensen staat vooruitgang of groei nu eenmaal gelijk aan 'meer bezit'. Ik heb een afwasmachine en een droger, maar leef op gespannen voet met beide apparaten. Als ik het heb over mijn (hypothetische) kluizenaarsgrot, waar ik een wortel word, heb ik het niet zozeer over geestelijke verlichting, maar om afzien. Afzien van al die goederen en gemakken waarmee we ons omringen. Back to basics, afzien in de fysieke zin. (Mijn Macbook en iPhone moeten natuurlijk wel mee.)
Aan de andere kant gaat het natuurlijk óók om het geestelijke afzien. De onderliggende aanname is dat het leven in een grot ongekende psychische concentratie met zich meebrengt. Concentratie die als een pijl naar de diepte schiet, in plaats van als een windvaan te fladderen.
Dat is het tweede: zoeken naar verandering betekent niet zoeken naar steeds weer een nieuwe kick. Het verzamelen van allerlei kicks lijkt wel op het verzamelen van steeds meer bezit en is bijna een materialistisch streven geworden. Groots en meeslepend leven is bedacht door arme kunstenaars, niet door tweeverdieners met drie buitenlandse reizen per jaar. Ook hier ga ik liever achteruit dan vooruit, en ook dit is een oneigentijdse eigenschap.
Nietzsche spreekt van het productieve dat aanstotelijk is. Ik denk dat aanstotelijk begrepen moet worden als iets uitzonderlijks, dat niet vaak voorkomt, niet vaak voor kán komen. Iets wat veel inspanning kost, maar met weinig middelen. Iets wat in de breedte niet veel voorstelt, maar grondvesten doet schudden. Is het meest aanstotelijke in deze tijd niet veel doen met weinig middelen? Juist omdat het streven van de meeste mensen is om weinig te doen met veel middelen?
Dit is allemaal erg abstract. Hoe doe je veel met weinig? Daar komt de concentratie weer om de hoek kijken. Het beeld van de windvaan leende ik van Peter Bieri. Hij beschrijft een geconcentreerde vorm van kiezen tussen een veelheid aan opties, door op een cognitieve wijze verschillende mogelijkheden tegen elkaar af te wegen. Nu denk ik dat dit niet alleen cognitief gebeurt of moet gebeuren. Juist emotie (of intuïtie) kan je de weg wijzen naar de goede keuze. Of een revolutie in het hoofd, teweeggebracht door een verhaal dat het leven verandert, muziek die de Grote Onrust wakker maakt, kunst die je ratio doet wankelen.
Een andere vorm van concentratie komt van Malcolm Gladwell. Wil je ergens goed in worden, dan moet je aan deliberate practice doen, gerichte oefening. En wil oefening gericht zijn, dan kan ze maar een klein gebied beslaan. Deliberate practice is als de pijl die een smalle gang boort naar de allerdiepste lagen. De pijl maakt geen groot gat aan de oppervlakte, maar kan wel een tunnel boren die de oppervlakte op den duur laat instorten. Eerst een revolutie, dan een evolutie. Die op haar beurt een volgende revolutie in gang kan zetten.
Ik vind van mezelf dat niet zo veel verlang, omdat ik een gezonde afkeer heb van materiële rijkdom. Niet iedereen is het daarin met me eens, ik ben vaak genoeg veeleisend genoemd. En dat is ook waar. Ik ben veeleisend in het primitieve. Niet verzamelen, maar begrijpen. Zo veel mogelijk doen met zo weinig mogelijk middelen.
3 manieren om de mensheid op te delen
06/04/10 20:27 Denk aan: Leven

Goed genoeg gemoed
05/11/09 17:53 Denk aan: Leven

Uitblinkers spelen niet buiten
20/03/09 15:58 Denk aan: Literatuur

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.
De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.
De 10.000 uren - oftewel tien jaren - regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.
Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.
Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.
Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten - als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.
Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.
Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.