Jennifer Egan - A Visit from the Goon Squad

egan
'How did I get from A to B?'

Op een brakke zaterdagmiddag, languit liggend op de bank, sloeg ik A Visit from the Goon Squad open. Pas toen het uit was, 350 pagina's verder (met, vooruit, een kleine bladspiegel), kwam ik van de bank af. Dat was me lang niet overkomen, zo'n leeservaring waarbij het boek jou lijkt op te vreten en je niet anders kunt dan je overgeven en hopen dat je het einde haalt. Maar er was meer.

Ergens op de helft, het was al avond en donker, leek het alsof ik werd opgetild en neergezet op een andere plek, in een andere tijd. Amsterdam, begin jaren negentig, op de bank bij mijn vader thuis. Ook zaterdagavond, en ook met een boek. Ik was over in de hoofdstad voor een van die tweewekelijkse weekendjes waar zoveel kinderen van gescheiden ouders herinneringen aan zullen hebben. Saai was het toen, maar nu ik er zomaar terugkom, twee decennia later, probeer ik het gevoel zo lang mogelijk vast te houden.

Een echte Proustiaanse 'mémoire involontaire', die je buiten de tijd plaatst en je daardoor voor even onsterfelijk maakt. Net als Proust probeer ik te doen alsof ik niks doorheb, ik lees gewoon verder en spied ondertussen om me heen. Boven me kan ik in de reflectie van het kantelraam mezelf zien zitten op de bank, Jennifer Egan in de hand, een glas wijn op tafel. Door dat glas wijn lijk ik op mijn vader, deze zaterdagavond. En ook nog steeds op mezelf zoals ik twintig jaar geleden was. Toch is dat niet genoeg reden waarom het kantelraam tegelijkertijd het Amsterdamse appartement lijkt te reflecteren. Het heeft natuurlijk ook te maken met het boek dat ik aan het lezen ben.

Jennifer Egan is net als ik een fan van Proust. Vast niet toevallig dat juist haar boek zo'n sterke Proustiaanse ervaring oproept. Twee motto's uit Op zoek naar de verloren tijd gaan aan het verhaal vooraf, waarvan er één direct verwijst naar de onvrijwillige herinnering die de tijd weet te overstijgen en op te heffen. En de goon squad uit de titel (knokploeg in de Nederlandse vertaling), dat is de tijd. De tijd die ons allemaal een keer op de bek komt slaan. Maar dat is het niet wat me op een Utrechtse bank naar boven doet kijken in een Amsterdamse reflectie. 'How did I get from A to B?' Dáár gaat het om.

Het is alleen de grote kunst die zo'n simpele vraag vol kan laden met betekenis en gewicht kan geven. Zo zwaar kan maken omdat je hele leven daar opeens in vervat blijkt te liggen. Alle personages stellen zichzelf die vraag, de een explicieter dan de ander: hoe ben ik hier gekomen, na al die tijd? What the fuck happened? Egans personages, die zich bewegen in de wereld van de muziek - met de bijbehorende verdovende middelen - lijken een stuk tijd te hebben verloren en moeten daar weer naar op zoek. Ondertussen zijn ze ergens aangekomen, door diezelfde tijd in de rug geduwd, zonder te kunnen stoppen, struikelend over hun eigen voeten. Ouder (en niet veel wijzer) kijken ze terug en zien ze dat het onherroepelijk is, de weg die ze in zijn geslagen, het punt B waar ze zijn aangekomen.

De personen in Egans roman hebben iets fatalistisch over zich. Het zullen die verdovende middelen misschien zijn, waardoor ze keuzes hebben gemaakt zonder door te hebben dat het keuzes waren (niet kiezen is ook kiezen, immers). Een prachtig citaat - dat betrekking heeft op een reliëf van Orpheus en Euridice - vat het fatalistische gevoel samen: 'He sensed between them an understanding too deep to articulate: the unspeakable knowledge that everything is lost.' Dan zul je terugblikkend op de verstreken tijd een reconstructie moeten maken die enigszins hout snijdt. Maar doen we dat niet allemaal? We schrijven een verhaal over ons leven, in ons hoofd of in gesprekken met vrienden en proberen dat zoveel mogelijk samenhang te geven.

'How did I get from A to B?' Nou, laat me je eens een verhaal vertellen…

Er zit een hoofdstuk in A Visit from the Goon Squad dat bestaat uit een powerpointpresentatie, iets wat iedere recensent wel even opmerkt. Maar waar gaat die presentatie over? Dat is natuurlijk veel interessanter. Het gaat over stiltes in muziek. Liedjes waarin secondelange stiltes zitten, als deel van het nummer. Stiltes die de muzikanten, managers en groupies van Egan in hun leven node missen. Het is de stilte waarin je jezelf de vraag kunt stellen hoe je hier, op dit punt bent aanbeland. De stilte waarin de knokploeg van de tijd je op je bek komt slaan. En ook de stilte waarin de tijd wordt opgeheven, je heel even onsterfelijk bent, terug in een Amsterdams appartement in het begin van de jaren negentig. De stilte van een brakke zaterdagmiddag, die overgaat in een avond en een nacht, waarin het boek jou opvreet, in plaats van andersom.



Bookmark and Share
Comments

Jacques Derrida over de filosofie van liefde

derrida_liefde
(klik op het plaatje om naar het filmpje te gaan, 4:50 minuten)

L'amour? Ou la mort?

Dat begint goed, als de interviewster aan Jacques Derrida vraagt of hij iets over de liefde wil zeggen. L'amour dus. Daar iets over. Terecht geeft de grote Franse filosoof haar een standje: 'iets zeggen over de liefde'? Wat is dat voor een verzoek, stel gewoon een vraag.

Dus nee, hij kan niets zeggen over liefde in het algemeen. Het is onmogelijk. Hoewel.

Daar gaat ie dan toch. Liefde draait (net als zoveel, zo niet alles in de filosofie) om het verschil tussen het wie en het wat. Hou ik van iemand om wie hij is of om wat hij is? Word ik verliefd op de unieke singulariteit van de persoon? Of op zijn eigenschappen? In het begin, zegt Derrida, word je verleid door de kwaliteiten van iemand. De liefde sterft af als blijkt dat de persoon niet die kwaliteiten bezit, of er niet mee samenvalt. Dan gaat het dus niet om wie iemand is, maar om wat iemand wel of niet is. 'Liefde is gevangen zijn tussen het wie en het wat.'

Ik zou zeggen (met Proust), dat de eigenschappen die we aan iemand toedichten in feite uit onszelf afkomstig zijn. Wie iemand is, als singulariteit - daar kom je nooit helemaal achter, ook niet bij jezelf. En wat iemand is weet je ook nooit, omdat eigenschappen ten eerste meervoudig zijn, ten tweede kunnen veranderen en ten derde categorieën zijn of hokjes. Hokjes zijn vierkant en mensen zijn rond.

Zou liefde dan gericht moeten zijn op singulariteit? Gaat het om het doorgronden van de unieke persoon? Is 'echte liefde' de liefde voor het wie? Zoals in de zin van Kierkegaards sprong in het onbekende? Ik denk van niet. Je kunt nu eenmaal het wie alleen leren kennen via het wat en het wat via het wie. Of is het zoals de dood, ook al zo'n singulariteit die je alleen kunt benaderen via eigenschappen die nooit precies genoeg zijn. Pas als je doodgaat leer je de dood echt kennen. Leer je in de dood van de liefde de liefde pas kennen? L'amour, la mort, tragique.



Bookmark and Share
Comments

Over de liefde - deel 2: Marcel Proust

Lees ook deel 1.

Proust
Marcel Proust is een van de belangrijkste auteurs die mijn gedachten over de liefde hebben gevormd. Deze Franse schrijver leefde van 1871 tot 1922 en is beroemd vanwege zijn meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Een verhaal dat zeven boekdelen beslaat en berucht is door de zinnen die een halve pagina beslaan. Zoals literatuurwetenschappers graag grappen: het boek dat iedereen kent maar niemand helemaal heeft gelezen.

Kan wezen, maar ik las het van a tot z en liet het mijn leven veranderen. De roman gaat kort gezegd over alles, maar de liefde is toch wel een van de grote thema’s: het liefdesverhaal van het hoofdpersonage Marcel en het meisje Albertine.

balbec
Ook Marcel en Albertine ontmoeten elkaar – net als ik en mijn kortstondige buitenlandse geliefde – op locatie. Ze zijn namelijk op een strandvakantie in het (fictieve) plaatsje Balbec. Jong, knap en verlegen als ze zijn, gaat het niet direct om een volwaardig, volwassen liefdesverhaal. Maar ze vallen voor elkaar en dat is het begin van een groots verhaal over liefde – een verhaal met een unhappy end.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Over de liefde - deel 1

Ik mocht op de summercourse van IPC een praatje houden over literatuur en filosofie in het dagelijks leven. Welk onderwerp spreekt dan meer tot de verbeelding dan de liefde? Vandaag deel 1, deel 2 over Marcel Proust en deel 3 over Søren Kierkegaard volgen.

What we talk about when we talk about love

Carver
Ging ik echt een praatje houden over de liefde? Ja. Maar – ben je dan een deskundige? Het spijt me zeer, maar nee, dat ben ik niet. Laat dat meteen duidelijk zijn. Liefde is simpelweg een onderwerp dat iedereen op de een of andere manier interesseert; en het is een populair onderwerp van alle schrijvers en lezers.

Ik zal een beetje filosofie combineren met een snufje literatuur om zo hardop na te denken over het gewone, alledaagse leven. Het zal niet te abstract worden, want het gaat er juist om het abstracte zo concreet mogelijk te maken.

Dus – ‘What we talk about when we talk about love’ – ik moet bekennen dat ik deze titel heb gestolen. Raymond Carver gaf hem aan een van zijn verhalen en ik heb dat verhaal niet eens gelezen. Hij schrijft: ‘It ought to make us feel ashamed when we talk like we know what we’re talking about when we talk about love.’ Met andere woorden: we weten niets over de liefde en als we doen alsof, houden we onszelf voor de gek.



Bookmark and Share
Lees verder
Comments

Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart

finkielkraut
'Het kunstwerk, zei Alain in concreto, behoort niet tot de categorie van het nuttige. Als we de waarde ervan willen beoordelen, moeten we ons dus niet afvragen waartoe het voor ons van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.'

Zo opent Alain Finkielkraut het eerste essay van Een intelligent hart, een stuk over Milan Kundera. Het is een statement dat ook op alle andere essays van toepassing is, ze vat in het kort de programmatische leeswijze samen die Finkielkraut vervolgens in zijn interpretaties van literaire meesterwerken uitleeft: literatuur moet ons van denkautomatismen bevrijden. Wie die Alain is wiens woorden hier herhaald worden, is mij niet helemaal duidelijk. Finkielkraut zelf? Misschien heb ik iets over het hoofd gezien? En waar dat 'in concreto' op slaat is me ook een raadsel, er is immers niets abstracts aan vooraf gegaan. Het lijkt wel alsof Finkielkraut zijn essay in medias res begint, in het midden van het verhaal. Dat komt ook door die verleden tijd van 'zei', doorgaans voorbehouden aan fictie.

Waarom op deze manier het openingsessay beginnen? Slordigheid is het niet, dat is onbestaanbaar bij een filosoof die zo scherpzinnig over literatuur schrijft. Nee, ik denk dat het een subtiel (want kom, je leest er toch meteen overheen) spel is met wat hij later betoogt over de functie van literatuur en literatuurkritiek (deze laatste in de academische zin van het woord, geen recensie maar interpretatie). Zijn opvatting over wat literatuur is of moet zijn is best ingewikkeld. Er zijn boeken die een vluchtweg bieden uit de chaos van de werkelijkheid; romantische sprookjes, die de terreur van de willekeur ontkennen door er een betekenisvol geheel van te breien. In die sprookjes hangt alles samen, alles heeft betekenis, leidt ergens toe. Leugens zijn het.

Gek genoeg krijgt die leugenachtige betekenisvolheid gestalte in realistische verhalen. Het zijn gemakzuchtige verhalen die niet verder kijken dan de oppervlakte en daar betekenis aan opleggen. Ongeveer zoals wanneer je causale verbanden legt tussen zaken die niets met elkaar te maken hebben. Ik laat een glas vallen en precies op dat moment wordt er aangebeld, dat moet wel iets betekenen. Maar in plaats van dat zo'n betekenis een diepere laag aanboort, is ze juist een zinloze betekenis. Achter de oppervlakte blijkt dat er geen betekenis, geen samenhang is. De verhalen die dat laten zien, maken volgens Finkielkraut de echte literatuur uit. Tegenover de verhalen die toevallige gebeurtenissen aan de oppervlakte aan elkaar breien tot een leugenachtig weefsel, staan de verhalen die het weefsel uit elkaar scheuren. (Maar ook dat zijn verhalen.)

In De Grap van Milan Kundera gaat dat zo: 'De schrijver in ons en de hoofdpersoon zijn een illusie armer. Die auteur en die hoofdpersoon geloofden heilig in de eeuwige herinnering (aan mensen, dingen, daden en volkeren) en in het herstel (van daden, vergissingen, zonden en onrecht). Maar nu ontdekken zij de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. "Alles stroomt, alles wijkt en niets houdt stand," zei Heraclitus al. En Kundera, vijfentwintig eeuwen later: "Alles zal vergeten en niets hersteld worden. In plaats van herstel (wraak of vergiffenis) komt vergetelheid. Niemand zal aangedaan onrecht herstellen, maar alle onrecht wordt vergeten. "' (cursivering van Finkielkraut)

Het zien van causale verbanden waar die niet zijn - ook herinnering en herstel vallen daaronder - is een denkautomatisme bij uitstek. Een biologisch mechanisme met evolutionair voordeel bovendien. Daar komen ook de mooiste dingen uit voort, toch is het een automatisme dat doorbroken moet worden. Kunst en literatuur gaan niet alleen over het creëren van schoonheid, maar ook om het ontmaskeren ervan. Als je die eerste zin leest, denk je automatisch: wie is Alain, van welke abstractie is dit het 'in concreto'? Wel, misschien is hij niemand en ging er niets aan deze woorden vooraf.

Ik vond het jammer dat Finkielkraut niet ook een essay over Marcel Proust schreef. Proust is bij uitstek een schrijver die van dit programma - het verscheuren van het leugenachtige weefsel van denkautomatismen - zijn levenswerk heeft gemaakt. Waar Finkielkraut het heeft over de lezer, maakt Proust het tot een gebod voor de schrijver. Schrijven draait om het doorbreken van taalautomatismen, zegt hij (niet in die woorden natuurlijk). Denk: clichés vermijden. De achterliggende reden is dezelfde, want het cliché is de uitdrukkingsvorm van het automatisme in het denken (en, ook belangrijk: in het kijken). Proust kan werkelijk woest uithalen naar hen die niet voorbij het clichématige beeld komen. Een clichématig beeld is namelijk ook gemakzuchtig en oppervlakkig en dus leugenachtig, net als de sprookjes die betekenis breien.

Dat uit zich al in gewone gesprekken. 'Hoe gaat het?' 'Druk druk druk.' - misschien het makkelijkste voorbeeld. Waarom zeggen we 'druk druk druk' alsof het één woord is. Zijn we wel druk? Willen we niet gewoon indruk maken? Is het niet een vluchtweg, een sociaal wenselijk antwoord, hoe dan ook een totale nietszeggende zinsnede? Het is een ingesleten uitdrukking (= een cliché) die staat voor het eerste gezicht. Het is de taak van de kunstenaar om daar voorbij te kijken. Dat is een heel praktisch advies: het eerste wat in je opkomt is nooit precies genoeg, zegt nooit wat er echt aan de hand is, wat je echt ziet, wat je echt voelt. Dat wat je als eerste invalt is altijd een cliché, een beeld ooit bedacht door een ander. Je moet op het tweede gezicht kijken, het derde, het vierde, net zolang tot je bij iets waarachtigs in de buurt komt (uiteraard is dat nooit helemaal te bereiken in taal). Voor mij was het lezen van Proust een ervaring alsof een weefsel voor mijn ogen werd opengescheurd, precies wat Finkielkraut van literatuur verlangt.

Het kunstwerk behoort niet tot de categorie van het nuttige, is de stelling. Het doorbreken van automatismen, zeker op de manier waarop Finkielkraut dat doet in Een intelligent hart en Proust in zijn Op zoek naar de verloren tijd is echter wel iets. Nuttig? Ja, hoe vies het ook klinkt, dat is ook nuttig.



Bookmark and Share
Comments

Grensssituaties

in_limbo
'Grenssituatie' was een tijdje een gevleugeld woord toen ik literatuurwetenschap studeerde. De liefde, kamernood en natuurlijk het weekend: alles was één grote grenssituatie. Grenssituaties, daar ben ik altijd dol op geweest. Niet in het echte leven maar in de literatuur. In het echte leven zijn grenssituaties vervelend (ik zit nu, terwijl ik schrijf, ook in limbo). In het echte leven achtervolgen grenssituaties me, zijn ze als een schaduw die je niet af kunt schudden en die op slechts één uur van de dag verdwenen lijkt. In de literatuur zoek ik ze op, hongerig naar schaduwen, begerig naar ellende.

Het begrip is een uitvinding van de existentialistische filosoof Karl Jaspers. Het duidt op situaties die 'tot op de bodem raken', waardoor je 'uit de baan van de gewone gang' wordt geslingerd en waarin je 'radicaal op jezelf teruggeworpen' bent. De oorlog is een archetypische grenssituatie, net als de dood. Ook de wat lichtere versie kun je je makkelijk voorstellen: het einde van een relatie, ontslag en werkloosheid. Je zit in een grenssituatie tussen twee werelden in, het vóór en het ná, een breuk die uiteindelijk je leven zal structureren (vóór en ná Pietje). De grenssituatie kun je je ook ruimtelijk voorstellen, niet alleen als een individuele overgang in het leven, maar ook als tussenwereld. Daar waar de doden wonen, de frontlinies van een oorlog, of zoals in De pest van Camus, waar de pestepidemie op zichzelf een grenssituatie is, maar de stad in quarantaine ook.

De grenssituatie is zo populair onder existentialistische schrijvers en filosofen omdat je daarin de heilige drie-eenheid van de existentialisten aan het werk ziet: vrijheid, verantwoordelijkheid en keuzes. Uit de grenssituatie kun je alleen ontsnappen door een keuze te maken in vrijheid, zonder je te iets aan te trekken van conventies. De grenssituatie werpt je helemaal terug op jezelf en niemand kan er iets aan doen, behalve jezelf.

Daarom is de grenssituatie natuurlijk ook zo populair in de literatuur, of in elk geval in een vertakking ervan. Als ik kijk naar de geschiedenis van mijn persoonlijke favorieten exploreren ze allemaal het grensgebied:
- van de monsters van Stephen King (een monster is een wezen dat onbegrensd is, het overtreedt gangbare categorieën zoals levend/dood of mens/dier),
- via de fantastische wereld van Edgar Allan Poe (het fantastische is dat waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of het echt gebeurt of niet, voor geen van beide is bewijs te leveren),
- naar de koortswanen van Dostojevski (wat speelt zich af in het hoofd en wat in de buitenwereld - dat is totaal onduidelijk),
- en zelfs mijn allervroegste favoriet: De dolle tweeling-reeks, die zich afspeelt in de wereld van de kostschool, een grensgebied bij uitstek, want het is tegelijk thuis en niet-thuis, school en niet-school, de kinderen zijn vrij van hun ouders maar horig aan de juffen en matrones.

Misschien ben ik nu de literatuur naar het model toe aan het interpreteren. Alles wat krom is valt recht te praten. Want hoe zit het dan met Proust? Ja, die is voortdurend ziek, wat een grenssituatie op zichzelf is. Hij neemt deel aan het leven en toch niet. Vriendin Albertine wordt aan het lijntje gehouden, het is aan en toch uit - de grenssituatie die we allemaal misschien wel het beste kennen (dat, en de dood). En Grunberg, en Houellebecq? Wat is hun grenssituatie dan?

Een andere manier om literatuur te schematiseren (wat altijd verhelderend werkt tot een bepaald punt waarop het belachelijk wordt, zoals hierboven) is het conflict. Er is een hoofdpersoon, die een doel wil bereiken. Er is een ander personage dat dat verhindert: de tegenstrever. Ik vind dit persoonlijk een oersaai schema. Interessant wordt het als je het combineert met de grenssituatie. In plaats van een duidelijke protagonist en antagonist, zoals dat dan heet, zijn beiden verenigd in één en hetzelfde personage. Dáár begint de Echte Literatuur, waar iemand zowel streeft naar een doel als zichzelf van dat doel afhoudt. Zonder precies te weten waarom. Het tragische geïnternaliseerd. Zie Grunberg en Houellebecq.

De weg uit een grenssituatie is de keuze. Net als bij het intern-tragische. Door te kiezen stel je grenzen vast, definieer je categorieën, maak je een eind aan de twijfel. Dat helpt natuurlijk niet als je vecht tegen monsters als Dracula of geesten uit de schemerwereld. Dan moet je handelen. Misschien is kiezen wel hetzelfde als handelen. De keuze als een daad. Niet per se een vrije daad, niet per se een goede of een rationele daad, en misschien wel een tragische daad. Dat laat de literatuur wel zien. The instant of decision is madness, wist Kierkegaard al.

(de afbeelding is het schilderij 'In limbo’ van Odd Nerdrum)



Bookmark and Share
Comments

Over herinneringen

1. In Kopenhagen ging ik naar het allereerste adres waar ik ooit woonde: Finsensvej 10C. Ik ben er niet geboren, dat gebeurde in het ziekenhuis om de hoek, en heb er maar twee jaar gewoond. Ik herinnerde me dan ook helemaal niets van de straat of de omgeving. Jaren geleden ging ik met mijn moeder naar het tweede adres, daar vlakbij. Ook daar woonden we maar twee jaar. Daar wist ik nog heel veel van. Ik liep rond op het appartementencomplex en wees: hier om de hoek is een speeltuin met een dichte glijbaan, daar verderop de kleuterschool. Dat kan ik nu niet meer. Ik herinner me niet meer wat ik als vierjarige meemaakte, maar ik herinner mijn herinnering van toen ik er later terugkwam.

2. Iedereen zal zich wel eens hebben afgevraagd: herinner ik me wat er gebeurd is of de foto's die ervan bestaan? (Een heel andere vraag is: herinner ik me een echte gebeurtenis, of was het een droom?) Was ik wel eens over de brug tussen Funen en Seeland gereden? vroeg iemand me. Ik wist het niet meer. Ik zag de brug voor me, maar dat kon net zo goed een tv-beeld zijn. Google leert dat de brug in 1998 voltooid is, dus ik moet er zeker overheen zijn gereden, voor het laatst in 2001. Misschien herinner ik het me, misschien ook niet. Voor sommige reizigers is het reden genoeg om geen foto's meer te maken. Ik deed in Kopenhagen het omgekeerde: mijn foto's zijn snapshots van gedachten die ik me wil herinneren. Zoals het bejaarde stel dat in de trein van 12.39 naar Humlebaek flessen Tuborg dronk. Dat is in Denemarken niet een uitzonderlijk plaatje, maar een alledaags moment.

3. In haar dagboek (Reborn) noteert Susan Sontag een paginalange lijst van details uit haar herinnering. Details uit haar kindertijd, uitspraken van familieleden, gelezen boeken, namen van klasgenoten, etenswaren, 'Deciding about God'. Er is geen samenhang, geen chronologie, geen uitleg. De naakte feiten.

4. Siri Hustvedt vertelt in The Shaking Woman over een methode die ze gebruikt om het geheugen op gang te brengen bij geestelijk gestoorden die ze schrijfles geeft. Begin gewoon met een vel papier en schrijf op: I remember… De rest volgt vanzelf, in een 'ketting van associaties'. Door het opschrijven (met de hand), gebeurt het ook: 'Ik herinner me…' zet de herinnering in gang. Het is een memory machine. Hustvedt beschrijft een patiënt met geheugenverlies, die door te schrijven zijn herinneringen terugkreeg. 'The talking Neil had amnesia. Neil's writing hand did not.'

5. Hoe weet je of wat je opschrijft, ook niet een tweedehands herinnering is? Doet die vraag er wel toe? Is niet alle herinnering een constructie, een verhaal? Susan Sontag doet alsof ze een boekhoudkundig rapport van haar jeugd geeft, geheel objectief en waarheidsgetrouw. Eigenlijk had ze overal 'I remember' voor moeten zetten. Die contextuering maakt wat volgt tot een verhaal. David Shields schrijft in Reality Hunger dat zich herinneren eigenlijk hetzelfde is als fictie schrijven. Of beter gezegd: de grens tussen feit en fictie is blurry tot non-existent. Feiten zijn altijd een constructie of interpretatie, en fictie is altijd gebaseerd op de werkelijkheid. 'Did this happen? Yes. Did this happen in this way? The answer to that, if you're a grown-up, is "Not necessarily."'

6. Als je je iets herinnert van vroeger, toen je klein was, zie je jezelf dan van buiten of van binnen? Ik zie mezelf altijd van buiten, van een paar meter afstand (hoewel ik mezelf natuurlijk in werkelijkheid natuurlijk nog nooit van buiten heb gezien). Herinnering is nooit een directe herbeleving van het herinnerde moment. Je gaat als het ware op reis terug in de tijd, en je tegenwoordige oudere zelf is aanwezig bij het kind dat je was. De herinnering deelt je in tweeën. (Behalve de mémoire involontaire van Marcel Proust. Maar ook die onvrijwillige herinnering moet door het bewustzijn en de reflectie gaan, wil ze betekenis krijgen.)

7. In Kopenhagen las ik wat in Stadia op de levensweg, van een van de beroemdste Kopenhagenaars aller tijden: Søren Kierkegaard. Het boek begint met een mijmering over het verschil tussen geheugen en herinnering. Reflectie, waarbij je je opdeelt in tweeën om van een afstand naar jezelf te kijken, is het kenmerk van herinnering (en een van de hoogste waarden waar Kierkegaard altijd op uit komt). Feitenlijstjes representeren het geheugen, ze worden neergepend zonder reflectie. Door jezelf tot subject te maken - 'I remember' - stap je van het geheugen over op de herinnering.

finsensvej
8. Een ander kenmerk van herinnering volgens Kierkegaard, is dat ze het beste gedijt bij contrastwerking. (Wie heeft niet een keer een gelukkig ogenblik verstoord zien worden door de herinnering aan ongeluk.) 'Wanneer het geheugen steeds weer wordt opgefrist, verrijkt het de ziel met een massa details, die de herinnering verstrooien.' (Het gaat dus eerder om een verarming dan een verrijking.) Stom idee dus om naar mijn geboortestad af te reizen? Ach, van de Finsensvej herinnerde ik me toch al niets meer. En nu kan ik af en toe terugdenken aan het saluut dat die twee bejaarden in de trein leken te geven aan het leven, of aan hun beroemde stadsgenoot.



Bookmark and Share
Comments

Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent


'A man for all seasons' werd Thomas More door zijn vrienden genoemd. En die vrienden waren zelf al niet de minste: Erasmus was More's beste vriend. In een brief schreef More aan hem 'my darling', en Erasmus hield het bij mellitissime Thoma ('zoetste Thomas'). 'A man for all seasons' klinkt in hedendaagse oren misschien niet direct als een aanbeveling. Het riekt naar draaikonterij en opportunisme of naar de manier waarop verschillende mensen en partijen voorgangers claimen. Nietzsche is in die zin ook een man voor alle seizoenen (van de massaliteit van de nazi's tot de artistieke Einzelgänger), net als alle filosofen van de Verlichting. Lees verder
Comments

Pecha Kucha: Fenomenologie van de ervaring

Onderstaande lezing te lang? Kijk hier naar de Pecha Kucha-presentatie!


Bookmark and Share
Comments

Fenomenologie van de ervaring

Voor een publiek van eindexamenkandidaten Filosofie, enkele ouders en docenten, hield ik gisteren mijn eerste lezing. De rollen waren omgekeerd en dat beviel prima. Hieronder de tekst die ik daar met misschien iets te veel uitweidingen heb uitgesproken.

Fenomenologie van de ervaring
aan de hand van Marcel Proust
7 april 2010


Dames en heren, jongens en meisjes, leuk dat jullie hier zijn en bedankt dat ik hier iets mag komen vertellen. Ik zal hopelijk weer een andere kant van de filosofie belichten dan de anderen. Van de filosofie en de literatuur, want ik heb zowel literatuurwetenschap als filosofie gestudeerd en vanavond zal die combinatie ook naar voren komen.

Waar ga ik het over hebben? Ik wil iets zeggen over het belang van ervaringen opdoen, van emoties en het instinct. De filosofische notie die centraal staat is zelfkennis. En wel zelfkennis die gestoeld is op de ervaring, eerder dan op het verstand. Ik ga het hebben over impressies, die emotioneel zijn en je op weg zetten naar zelfkennis voordat het intellect eraan te pas komt. Het gaat ook om het vertrouwen op ervaring, het onderzoeken van die ervaring, die omzetten in kennis en daar dan iets mee doen.

Fenomenologie van de ervaring is mijn titel. Wat is fenomenologie? Kort gezegd gaat het om een filosofische stroming die uitgaat van de ervaring en de waarneming bij het bestuderen van de werkelijkheid. De wereld verschijnt aan ons (in "fenomenen") en daar moeten we ons op baseren bij het beschrijven van de wereld. Marcel Proust gaat ook uit van de ervaring in zijn werk en beschrijft de ervaring áls ervaring. Dat verklaart de ietwat tautologische titel ‘Fenomenologie van de ervaring’.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Viermaal Marcel Proust

'De nieuwe vertaling van Marcel Prousts "De kant van Swann" biedt een mooie (hernieuwde) kennismaking met deze klassieker. Twee boeken over Proust vergezellen de uitgave. Samen met de eerder verschenen vertaling van "Tegen Sainte-Beuve", maakt dat van 2009 een echt Proustjaar.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het 'To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.'

Mijn poging nieuwe zieltjes te winnen voor de grootmeester: Viermaal Marcel Proust op 8WEEKLY.

Bookmark and Share
_________________________________________________________________________________

Gerelateerde artikelen:
Comments

Marcel Proust en zijn iPhone

theatrofoon
En eindelijk hoor ik er ook bij: de iPhone-club. Ik heb er al ruim een jaar aan mogen ruiken via Jeroen, maar nu heb ik mijn eigen. Toentertijd vroeg ik me wanhopig wanneer mijn abonnement zou aflopen, maar ik heb besloten dat niet af te wachten en er gewoon een aan te schaffen. Tweedehands, dus met een bijgeleverde startpagina waarop bepaalde dames met weinig tot geen kleding in bepaalde weinig tot niets verhullende standjes te zien zijn en met een paar foto's van iemand met een gasmasker op. Lees verder
Comments

Lummelen of tijdverspilling I

'Efficiënt op de bank liggen,' wordt het in een artikel in Vrij Nederland genoemd. Oftewel: dagdromen, reflecteren, mijmeren, rust nemen, tijd geven. Je kunt ook zeggen: lummelen. Dinsdag hield Joke J. Hermsen bij Studium Generale een pleidooi voor een langzame toekomst, naar aanleiding van haar boek Stil de tijd. We moeten weer meer in verbinding komen met onze innerlijke tijd en losbreken uit de ketenen van de kloktijd. Juist omdat er in het regime van de klok geen tijd is (gek genoeg is er van kloktijd altijd te weinig) om na te denken, te herinneren, zelfkennis op te doen.

Nu ben ik helemaal vóór nadenken, herinneren en zelfreflectie. Maar ik ben allergisch voor lummelen. Wekelijks heb ik discussies over het 'op de bank liggen' wat in mijn ogen nooit efficiënt is. Zelf probeer ik wel eens overdag op de bank niets te doen, maar het lukt me nooit. Hoe kan dat?

Volgens mij is lummelen ook niet hetzelfde als 'efficiënt op de bank liggen'. Want dat laatste behelst nog steeds een zekere activiteit: lezen (of tenminste bladeren in een boek), muziek luisteren of herinneringen ophalen. Ook dat laatste is een heel actieve gebeurtenis - lees Proust er maar op na. Het vereist misschien ontspanning om een herinnering tot je te laten komen - de sluisdeuren open te zetten zogezegd - aan de andere kant is er weer een grote inspanning voor nodig om de herinnering vast te houden. Dan mag het lijken op lummelen, er wordt hard gewerkt.

En toch: ik heb soms de wonderlijkste tijdervaringen, alsof ik buiten de tijd kom te staan of een sprong maak naar het verleden. Maar dan lig ik niet op de bank, dan zit ik op de fiets of ik sta voor het podium naar een band te kijken. Ook Proust, die weliswaar heel vaak in bed ligt (of op de bank hangt, maar dat klinkt zo ordinair), wordt toch juist door zijn spontane herinneringen overvallen op de ongemakkelijkste momenten: aan het ontbijt, aan de wandel, wachtend tot hij in de salon mag binnengaan.

Zou het niet juist nodig zijn om wel actief te zijn, maar zonder dat je erbij na hoeft te denken? Want dat is wat al deze gevallen gemeen lijken te hebben: fietsen over de weg die je elke dag fietst. Wachten. Naar een bandje kijken. Bladeren. Dan wordt de geest niet afgeleid door de vraag wat het lichaam moet gaan doen en kan het zich richten op zichzelf.

Blijft de vraag waarom ik zo allergisch ben voor 'op de bank hangen'. Dat heeft te maken met een heel diepe eigenschap die ik onlangs bij mezelf heb ontdekt: mijn afkeer van verspilling. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben.



Bookmark and Share
Comments

Het leven lezen: het innerlijk boek

In de aanloop naar de Studium Generale-reeks Levenskunst die ik vanaf september ga presenteren, wilde ik een stukje schrijven over de manier waarop literatuur je zelfkennis kan geven. Er zijn zat mensen die niet begrijpen waarom je zoveel boeken zou lezen; wat mij betreft word je een beter mens door te lezen, omdat lezen zelfkennis brengt. Opeens bedacht ik me dat ik hier allang over heb geschreven. Het is een vraagstuk dat me nu misschien al tien jaar bezighoudt. Ik ging zoeken in mijn digitale bureaula en ja, daar was mijn eindessay voor het Radboudjaar, 'Het leven lezen', over Marcel Proust (ja, daar is-ie weer). Omdat ik het toch niet beter kan formuleren dan toen (wat heb ik dan geleerd in de afgelopen vijf jaar?), neem hier een klein stuk eruit over. Met gevaar voor lezersverlies, dat wel.

De eerste metafoor heeft niet in eerste instantie te maken met de werking of het belang van literatuur in het leven, maar beschrijft Prousts zicht op het innerlijk van de mens. Hij geeft daarmee een antwoord op de vraag hoe het zelf eruit ziet dat verkend moet worden. In de benaming van dat zelf als boek wordt ook meteen een aanwijzing gegeven hoe de verkenning eruit moet zien: een boek moet men immers lezen. Het is belangrijk eerst te begrijpen welke gestalte dit innerlijke boek heeft, voordat de werking erop van ‘echte’ boeken verder bestudeerd kan worden.

Wat het innerlijk boek met onbekende tekens betreft (tekens in reliëf, leek het, waar mijn aandacht, mijn onbewuste verkennend, naar ging speuren, op stuitte, omheen cirkelde als een duiker die diepte peilt), waarvoor om mij te helpen lezen niemand mij een richtsnoer kon geven, bestond dat lezen uit een scheppingsdaad waar geen mens ons bij vervangen of zelfs maar met ons aan meewerken kan. Hoevelen zien er dan ook van af! Hoeveel taken neemt men niet op zich om die ene uit de weg te gaan! Ieder evenement, of het nu de Dreyfus-affaire was, of het de oorlog was, had de schrijvers weer andere excuses verschaft om dat boek niet te ontcijferen, zij wilden zorgen voor de overwinning van het recht, de morele eenheid van de natie herstellen, hadden geen tijd om aan de letteren te denken. Maar het waren maar excuses, omdat ze er niet of niet meer het genie toe hadden, dat wil zeggen het instinct. Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. Dat boek, het moeilijkst te ontcijferen van allemaal, is ook het enige dat de werkelijkheid ons heeft gedicteerd, het enige waarvan de ‘indruk’ in ons door de werkelijkheid zelf is gemaakt. Om welk door het leven in ons nagelaten idee het ook gaat, de materiële figuur ervan, het merk van de indruk die het op ons gemaakt heeft, is weer de waarborg voor zijn absolute waarheid. De door de zuivere rede gevormde ideeën zijn maar logische waarheid, denkbare waarheid, ze zijn arbitrair verkozen. Het boek met de figuratieve, niet door ons gemaakte lettertekens is ons enige boek.

Wat komt hieruit naar voren? Om te beginnen is het innerlijk boek iets onbekends en duisters, dat weggeborgen is in de diepten van het menselijk onbewuste. Iedereen bezit zo’n boek, maar slechts weinigen lezen het – het is mogelijk je hele leven uit te zitten zonder ooit een letter van de tekst te hebben gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Degenen die zo hun dood bereiken hebben een leven geleid in ledigheid, verstoken van inzicht in de werkelijkheid. Dat is een makkelijk bestaan, gekenmerkt door luiheid, waartoe de mens snel vervalt. Wil je echter tot een zekere waarheid komen, dan moet je hard werk verrichten, waarbij je bovendien geen enkele hulp mag verwachten. Je zult over je aversie heen moeten stappen om af te dalen in de krochten van de eigen ziel en in afzondering en volharding je weg vervolgen. De implicatie hiervan is dat er twee ‘zelven’ bestaan: een oppervlakkig, veranderlijk zelf dat correspondeert met de verschijningswereld van de buitenwereld, en het ‘ware zelf’ dat de verschijning overstijgt en een onveranderlijke kern heeft. Zelfkennis is kennis van dit laatste zelf, dat zich openbaart in patronen die onder de oppervlakte liggen.

De leidraad bij het lezen van je innerlijk noemt Proust hier het instinct. Later blijkt dat daaronder ook valt: de emotie en de impressie. Het verstand is een valse vriend die misleidt door logische redeneringen te presenteren als waarheid. De logica die zetelt in de rede blijft aan de oppervlakte van de buitenwereld en raakt niet aan de essentie van de dingen. Logica is zogezegd het equivalent van de fenomenale wereld, die veranderlijk is en geen toegang biedt tot een transcendente waarheid – over de dingen én over het zelf. Het instinct kan daarentegen doordringen tot die werkelijke essentie. Het ware zelf is daarom gelokaliseerd in het instinct of de emotie en niet in de rede, hoewel deze laatste onontbeerlijk is bij het leren kennen van de eerste.

Wat houdt voor Proust de werkelijkheid of de waarheid in? Hij erkent het bestaan van een wereld die losstaat van de mens. De mens neemt die wereld in zich op, waarbij de twee versmelten. De versmelting is niet op voorhand gegeven – ze kan zich ook níet voordoen. De buitenwereld draagt het vermogen in zich tekens te griffen in ons innerlijk. Deze buitenwereld is echter niet hetzelfde als de werkelijkheid. De wereld verdient die naam pas op het moment dat de tekens ontcijferd worden en de platte, redelijke aanschijn van de fenomenen wordt weggetrokken. De buitenwereld moet eerst door ons innerlijk heen gaan om betekenis te krijgen – niet op een algemeen geldend woordniveau, maar op een activerende manier die persoonlijke associaties aan het object verbindt. ‘Realiteit’ is dan een product zowel van de ons omringende wereld als van ons onbewuste, ze komt tot stand doordat de wereld wordt ondergedompeld in het innerlijk. In het innerlijk ligt een verzameling indrukken opgeslagen van de verschijningswereld, aan de hand waarvan de persoonlijke betekenis van die wereld ‘geactiveerd’ kan worden.

De lezer van het innerlijk boek leest in zichzelf de waarheid. In zijn werk van decodering trekt de sluier op, wordt het duister verhelderd, krijgen de letters een zin. Maar het lezen gaat verder dan slechts het ont-dekken van een bestaande waarheid die achter de oppervlakte verscholen ligt. Proust schrijft, bijna tussen neus en lippen door, dat het ontcijferen een scheppingsdaad is. Elders noemt hij de waarheid die aldus naar boven wordt gebracht een ‘nieuwe waarheid’. De mens creëert de werkelijkheid door het ontcijferen van zijn innerlijk boek (waarin de verschijningen tekens hebben gegrift). In het ontcijferen – dat vooral, zoals later zal blijken, bestaat uit het leggen van verbanden – ontstaat een betekenis van wat tot dan toe een platte, zinloze omgeving is. De betekenis is weliswaar persoonlijk, maar dat maakt hem juist veelzeggend, associatief en dynamisch, omdat hij de logische, algemeen geldende buitenkant penetreert. Hij creëert reliëf. Tegelijk is het innerlijke boek gegraveerd door de omgeving en kan de inhoud ervan veranderen in het proces van interpretatie. Het innerlijk en de buitenwereld onderhouden zo een dynamische relatie met elkaar.



Bookmark and Share
Comments

Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve

tegen_sainte-beuve
Inhoud gaat boven stijl, schreef ik. Ik ben meer vent dan vorm. Toch voelt dat niet lekker, want voor je het weet begrijpen mensen je verkeerd en gaan ze je literaire thrillers voor je verjaardag geven. Terwijl één blik op mijn boekenkast genoeg is om te weten dat het mij in de literatuur allemaal niet elitair en hoogstaand genoeg kan zijn. Hoewel het slap is, niet erg 'vent', moet ik dus toch benadrukken dat zowel vorm als inhoud onontbeerlijk zijn voor een goed boek. In welke verhouding ze tot elkaar staan - dat is waar de discussie over moet gaan. Is het verhaal slechts een vehikel om een kunstwerk in taal te scheppen? Of staat de taal in dienst van wat de schrijver wil zeggen? Ik denk het laatste. Maar dat betekent dat de gebruikte taal een des te belangrijkere functie krijgt.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Caesarion loopt een beetje mank

ceasarion_wieringa
Werkelijk iedereen liep een paar jaar geleden weg met Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Ik las het ook met plezier uit, maar vond het toch vooral een jongensboek. En er was iets met zijn stijl, die dan weer helemaal niet goed paste bij het jongensboekgevoel. Na lezing van zijn nieuwste roman Caesarion weet ik wat het is, want ook al is dit geen jongensboek (ook geen meisjesboek, misschien een homoboek, hoewel er geen homo in voorkomt), die stijl is gebleven en nog duidelijker aan de oppervlakte gekomen. Je kunt ervan houden, ik krijg er rillingen van. Ik noem het: gewild literaire, maar niet doordachte, en daardoor manklopende mooischrijverij. Lees verder
Comments

Chemische reacties

chemische_reacties
De doodstraf kan je achtervolgen, of lieve pasgeboren poesjes, maar ook heel wat abstractere zaken. Hoe je persoonlijke, dagelijkse leven verregaand beïnvloed wordt door fictieve, onbestaande dingen. Dit is geen thema, maar een blik op de wereld. Vaak is zo’n achtervolging te herleiden tot iets wat je gelezen hebt, een filosofie die opeens je wereld op zijn kop zet. Hoe taal alles beïnvloedt wat je ziet of wat de consequentie is van absolute vrijheid, bijvoorbeeld. Als dat eenmaal tegen je gezegd is, kom je er niet meer vanaf, je kunt de wereld niet meer zien zoals ervóór. Maar soms is zo'n 'turn' niet terug te voeren tot een enkel boek of een bepaald college filosofie, maar is die een optelsom van meer of minder toevallige ontmoetingen, artikelen, programma's et cetera. Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt. Naar believen uit te breiden naar het virtuele, het immateriële, dat soort shit weetjewel.

Bookmark and Share


Lees verder
Comments

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam
Daags na mijn besef dat de NoteBook en Bookpedia-projecten eindeloos zijn, is er weer een nieuw project begonnen: het bij elkaar verzamelen van alle nummers uit de Kink 1300. Dat is een soort Top 2000 van alternatieve muziek, die KinkFM onlangs uitzond. Al die nummertjes waarvan je niet weet van wie ze ook alweer zijn, of hoe ze ook alweer heten, staan erin. Dus dat moesten wij hebben. Lees verder
Comments

Kwintet of sextet... septet

Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, is na de zomerstop begonnen met een nieuwe reeks, getiteld 'Het Kwintet'. Bekende schrijvers maken een lijstje van vijf boeken, plus toelichting. Het criterium: 'Welke vijf boeken maakten een onuitwisbare indruk, bewerkstelligden revoluties in het hoofd of verdienen het domweg om te worden aanbevolen?' Beetje flauw, dat laatste, want het doet af aan die mooie revolutie in het hoofd. Een revolutie in het hoofd: daar had Bieri het ook over voor hij zo onwrikbaar bleek als een absolute monarch.

Voorlopig zal de Volkskrant het mij niet vragen, dus dan zet ik mijn kwintet hier maar neer. Al moet erbij vermeld worden dat lijstjes niet vaker dan zeer zelden op een weblog moeten verschijnen. Een ieder is natuurlijk uitgenodigd om niet op een journalist van de Volkskrant te blijven wachten, maar hieronder ook schaamteloos zijn bijdrage te leveren.

Oké, daar gaan we, in chronologische volgorde:

0. De dolle tweeling-reeks van Enid Blyton.
Kijk, hier beginnen de problemen. Zou ik De dolle tweeling aan iemand anders aanraden dan mijn overbuurmeisje? Nee. Maar die boeken bewerkstelligden een revolutie in mijn hoofd. Nachtelijke feestjes, poetsen bakken bij mam'selle, uitzieken op de zaal bij matrone, lacrosse spelen en elk jaar een langere rok dragen: ik kan die boekjes nog woordelijk uitspellen. Ik wás Pat en Ann, en ondeugende Janet, lieve Hillary en norse Prudence. Een veilig bad vanwaaruit het avontuur op je lag te wachten.

Oké, ik begin opnieuw:

1. De verhalen van Edgar Allan Poe.
Op een zeker moment blijkt dat veilige bad zo lek als een mandje. Eigenlijk is het onbegrijpelijke, halfdode, op het punt van instorten verkerende veel mooier! Denk maar aan ruïnes.

2. Essays van Montaigne.
Nog steeds een torenhoog voorbeeld van hoe je al schrijvende je eigen leventje kunt inzetten in een filosofische onderzoeking. En wie verwacht nou dat een Franse burgemeester uit de zestiende eeuw zo grappig kan zijn, zonder iets aan eruditie en zeggingskracht in te leveren?

3. Iets van Derrida.
Ik geef meteen toe: ik heb nog nooit een heel boek van Derrida gelezen. Die paar korte stukken waren echter voldoende om een jaar lang in louter tekst te leven, in een platte werkelijkheid waar alles naar alles verwijst, zonder beperking, zonder dogma. Nog een voorgoed gestanst streven: hoe hij een tekst fileert tot op de milimeter en die tegelijk in een associatieve context zet die mijlen breed is, dat wil ik ook.

4. Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust.
Dit boek heeft letterlijk mijn leven veranderd. Ik las het, de dingen vielen op zijn plek en ik ben nooit meer dezelfde geweest. Zou dat ook een tweede keer kunnen gebeuren? Proust heeft een blauwdruk geschreven, zoniet van de menselijke emoties, dan toch van de mijne. Daarbij verwoordt hij waarom de mens leest en schrijft, en de absolute noodzaak daarvan. Hoe hij de schaamte overwint om een schrijvende staat van oprechtheid te bereiken: zo moet dat dus. Verbloem ik de zaken omdat ik me schaam voor mezelf? Gebruik ik ingesleten woorden om te verhullen wat ik eigenlijk wil zeggen? Het antwoord is altijd 'ja', Proust dwingt je zo ver te gaan dat het in de buurt van een 'nee' komt.

5. De Asielzoeker van Arnon Grunberg.
Deze roman las ik drie maanden na de dood van mijn vader en vier maanden na het verbreken van een lange relatie en heeft me als een soort Baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras getrokken. Dat is pijnlijk. Maar het kan dus. Vreemd dat anderen bij dit boek alleen maar smakelijk hebben moeten lachen terwijl ik heb gehuild als een wolf bij volle maan.

Sorry... 6. Het zijn en het niet van Jean-Paul Sartre moet er ook echt bij... Je hebt altijd een keus, ik kies ervoor om van mijn kwintet een sextet te maken... of is het al een septet...

Overigens voerde Boeken van NRC Handelsblad ooit de reeks 'Het beslissende boek van...' Als ik er uit mijn sextet / septet één moet kiezen als beslissendste boek, dan is het Proust. P.F. Thomèse, de eerste die zijn kwintet mag toelichten in de Volkskrant van vorige week, noemt ook Proust - Contre Sainte-Beuve. Binnenkort meen ik in vertaling beschikbaar.

Lees hier over 'Het beslissende boek van...' mijn vader Gerard Rasch.

En lees hier een mooi interview met Atte Jongstra, die naast Augustinus de Privé heeft liggen. Over Bildung gesproken.

Wie volgt?



Bookmark and Share
Comments

Word wie je bent!

psychologie_magazine
‘Word wie je bent’ is de oproep van Psychologie Magazine. Opvallend, want eigenlijk is het meer een slogan voor hun zusje Filosofie M. Ik moest in elk geval meteen aan Nietzsche denken, die meer dan een eeuw geleden al opriep om, inderdaad, te worden wie je bent.

Toevallig kocht ik onlangs Oneigentijdse beschouwingen (1873-1876) van Nietzsche, waarin het stuk ‘Schopenhauer als opvoeder’ staat. Schopenhauer als opvoeder, ik hoor het sissen al beginnen: die vrouwonvriendelijke, zwartgallige en machtsbeluste negentiende-eeuwer als opvoeder? Dacht het niet! Gelukkig gaat het niet over Schopenhauer als opvoeder voor iedereen, maar voor Nietzsche zelf.

Of moet ik zeggen Nietzsches zelf? Het gaat hem erom dat de mens moet toewerken naar zijn betere zelf, dat ergens al bestaat (in het hoofd, in de lucht, in de toekomst, het onderbewuste bestond toen nog niet echt). Maar hoe kom je erachter wat dat is, dat betere zelf? In de Bijbel zal je het Nietzsche niet zien vinden (hij verklaarde God immers dood), bij het proletariaat of de christen-democraten evenmin. Hij vond het bij Schopenhauer.

Het mooie van het stuk is dat het een vlijmscherp zelfhulpboek avant-la-lettre is. Zonder al die open deuren, stijlfouten en tenenkrommende bekentenissen van de populair-psychologische esoterie die vandaag de dag de wereld overstelpt. Maar mét opdrachten, tips en aforismen die je gedachten doen rillen van zelfbewustzijn.

Nietzsche vond in Schopenhauer zijn opvoeder, wie de onze is ligt geheel aan onszelf. Om je betere ik te realiseren (uiteraard een proces dat je nooit kunt voltooien), moet je weten wat dat betere ik is, en om daar achter te komen, heb je een opvoeder nodig.

Ik zal meteen met de deur in huis vallen: de mijne is Marcel Proust. Nog zo iemand die niet vies is van bruikbare handvatten voor het leven en uitspraken over dood, liefde, seks, alcohol, feest, herinnering, tijd, vliegtuigen, koetsen, kerken, stenen, strand, meisjes en jongens waar je weken zoet mee bent, en dat alles verpakt in de mooiste zinnen die bestaan.

Je opvoeder vertelt je wie je eigenlijk bent, en wie je dus moet worden. (In mijn geval: geniaal schrijver met ongelofelijk veel mensenkennis, en die ook van een borrel houdt). Gekkenwerk om daar in je eentje achter te moeten komen. Iemand die dat betere zelf al heeft gerealiseerd moet het je laten zien, al is het decennia later via de omweg van een boek. (Overigens niet vergeten dat het voorbeeld weliswaar kan doen lijken dat hij zijn betere zelf heeft gerealiseerd, maar dat natuurlijk net zo min voor elkaar heeft gekregen als dat jij dat ooit zou kunnen.)

Bizar idee dat je beter zou kunnen worden van leipe artikelen in een maandblad. Ik wil niet voorgeschreven krijgen wat ik moet doen, in een simpel vierstappenplan. Ik wil aan het denken gezet worden en mezelf op volledig doordachte gronden iets voorschrijven. Daar heb je de filosofie voor nodig, of de literatuur. Maar het liefst allebei.



Bookmark and Share
Comments