Marcel Proust: een impressie in metaforen

Marcel_Proust_1900
Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. (Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. Deel VII: De tijd hervonden)

Wat voor kennis kan literatuur de lezer geven? Marcel Proust zet hoog in: literatuur brengt zicht op de waarheid. Een waarheid die gegrond is in de particuliere ervaring, maar die wel degelijk verwijst naar algemeen-menselijke ‘wetten’. Door het gemeenschappelijke van verschillende ervaringen te beschrijven is het mogelijk zulke wetten te ontdekken. Zelfkennis is de eerste stap in dit lezen ‘naar de waarheid’ en zelfdeceptie de grootste belemmering. Kunst werkt daarbij als een katalysator door de ‘impressie’, waarvan de geur van de in thee gedoopte madeleine wel de meest beroemde is.

Een aantal metaforen die Proust gebruikt in A la recherche du temps perdu kan dit verder verhelderen: het zelf als innerlijk boek, literatuur als optisch instrument, en de emotionele impressie als een chemische reactie.

Het zelf als innerlijk boek
Proust beschrijft het zelf dat verkend moet worden als een ‘innerlijk boek’, en het lezen ervan als ‘een scheppingsdaad’. Er bestaan, zegt Proust, twee ‘zelven’: een oppervlakkig, veranderlijk zelf dat correspondeert met de verschijningswereld van de fenomenen, en het ‘ware zelf’ dat de verschijning transcendeert en een gedeeld menselijke kern heeft. Zelfkennis is kennis van dit laatste zelf, dat zich openbaart in patronen die door de oppervlakte heen breken.

Kennis van de (menselijke) werkelijkheid ontstaat op het moment dat de oppervlakkige, logische aanschijn van de fenomenen wordt weggetrokken. De buitenwereld moet door het innerlijk heen gaan om betekenis te krijgen, een betekenis die vooral bestaat uit verbanden. Met het ontcijferen van je innerlijk boek creëer je werkelijkheid. Wat tot dan toe een platte, zinloze omgeving was, krijgt betekenis. Het innerlijk en de buitenwereld onderhouden een dynamische relatie met elkaar.

Een voorbeeld zijn de opeenvolgende liefdes van de verteller in A la recherche. De vrouwen zijn als poppen die hem onverschillig blijven tot ze min of meer toevallig diepte krijgen. Of dat gebeurt heeft weinig te maken met de vrouwen zelf – zij krijgen hun betekenis van geliefde door iets wat aanwezig is in de verteller, niet door hun eigen persoonlijkheid. Of het nu gaat om Gilberte, de Duchesse de Guermantes of Albertine, hun voorkomen als geliefde is een schepping van Marcel. Naarmate het verhaal verstrijkt begint hij de onderliggende patronen te zien in de oppervlakkige verschijningen: hij aanbidt niet Gilberte, Albertine enzovoort – hij aanbidt onbereikbare vrouwen.

De roman als optisch instrument
‘Echte’ boeken van papier en inkt dragen op hun beurt bij tot het begrijpen van het innerlijk boek. De roman is een ‘optisch instrument’:

In werkelijkheid is iedere lezer wanneer hij leest de lezer van zichzelf. Het werk van de schrijver is niets anders dan een soort optisch instrument dat hij de lezer aanbiedt teneinde hem in staat te stellen te onderkennen wat hij zonder het boek misschien niet bij zichzelf zou hebben waargenomen.

Literatuur werkt als een bril die de blik scherpt. De verkregen zelfkennis wijst in het beste geval voorbij de particulariteit op algemene (psychologische en morele) wetten. Door het lezen over Prousts opeenvolgende geliefdes krijg je grip op je eigen blinde vlekken én kun je die herkennen bij anderen.

Het lezen van literatuur als oefening voor het lezen van het zelf duidt Martha Nussbaum in Love’s Knowledge met het Aristotelische begrip ‘perceptie’ – een begrip dat echoot in de ‘visuele’ metafoor van het optische instrument. Perceptie is ‘some sort of complex responsiveness to the salient features of one’s concrete situation.’ Belangrijk is dat perceptie niet alleen in de rede zetelt (waar we het inzicht in algemene wetten zouden plaatsen), maar ook – vooral – in de emoties en de verbeelding.

Ook voor Proust is perceptie of zelfkennis vooral afhankelijk van emoties en zintuiglijke indrukken: het zien van een schilderij, een steek van jaloezie, de droom. Een enkele indruk is daarbij niet voldoende; een veelheid aan impressies is nodig om tot inzicht te komen. De schrijver heeft, ‘om tot omvang en consistentie, tot algemeenheid, tot literaire werkelijkheid te komen, net zoals [de schilder] veel kerken moet hebben gezien om er één te schilderen, ook vele mensen nodig voor één gevoel’.

Telescoop en microscoop
Perceptie bestaat voor Proust eruit de verbanden te zien tussen particuliere situaties en personen, zonder het particuliere daarbij op te heffen. Elders noemt Proust de telescoop en de microscoop als twee polen van het schrijven. Je tuurt door de telescoop naar de overkoepelende verbanden, en door de microscoop naar de allerkleinste particulariteiten.

De successie van de geliefden van de verteller kan dit verduidelijken. Het patroon van liefde is in eerste instantie particulier: afhankelijkheid van en ziekelijke jaloezie tegenover individuele vrouwen. Tegelijk overstijgen de patronen het eigen ik en krijgen algemene geldigheid. Het feit dat geliefden elkaar opvolgen en stuk voor stuk het predicaat ‘ware liefde’ kunnen krijgen, is een voorbeeld van zo’n algemene wet. Een andere is de al genoemde neiging tot zelfdeceptie: men zegt tot zichzelf dat de eerste geliefde helemaal niet zo bijzonder was, dat men nooit zoveel om haar gaf als om de tweede. ‘Ze was heel lief’, zeg je, terwijl daarachter schemert ‘Ik vond het plezierig om haar te kussen’.

Emotionelle impressie als chemische reactie
Een andere manier waarop literatuur zelfkennis verschaft, is de beroemde Proustiaanse ‘impressie’, die een kortstondige blik biedt op de waarheid, die in het dagelijks leven verborgen blijft of genegeerd wordt. De impressie kan heel mooi zijn, bijvoorbeeld als een kunstwerk haar veroorzaakt, maar is toch meestal pijnlijk. We worden geconfronteerd met onze leugenachtigheid, met een kant van onszelf waar we rekenschap van moeten geven.

De impressie is voor de schrijver wat het experiment voor de geleerde is, met dit verschil dat bij de geleerde het werk van het verstand van tevoren geschiedt en bij de schrijver achteraf.

De schrijver moet te werk gaan als een wetenschapper, waarbij de wereld het laboratorium is, zijn leven het experiment, de chemische reactie het resultaat.

Maar wat is nu de betekenis van die chemische reactie? De impressie geeft niet alleen een flits van inzicht in iets bestaands, maar verandert dat ook. Met betekenis komt verandering – een impressie kan een ander licht op het verleden werpen en op die wijze het hier en nu beïnvloeden.

Wanneer Marcel bijvoorbeeld hoort van Abertines vertrek, begrijpt hij dat hij niet alleen maar heeft gewacht op het juiste moment om haar weg te sturen, maar dat hij al die jaren daadwerkelijk van haar hield. Hij heeft zichzelf voor de gek gehouden, durfde zijn liefde niet aan zichzelf toe te geven uit angst voor liefdesverdriet. Vanuit dit zelfinzicht onderzoekt hij de mens in het algemeen en concludeert dat elke liefde uiteindelijk vervangbaar is. Wat gebeurt er? In volgende relaties zal hij steeds denken aan de vervangbaarheid van zijn geliefde. De impressie heeft niet alleen iets blootgelegd, maar ook gecreëerd.

Zelfdeceptie
Voor Proust is de rede de oorzaak van de zo wijdverbreide zelfdeceptie. De mens weet best hoe (slecht) de wereld in elkaar zit, maar zet voortdurend zijn verstand in om deze kennis te onderdrukken. Het verstand zegt dat je minnares, anders dan alle andere vrouwen die je hebt gekend, de ware liefde is, terwijl je eigenlijk weet dat je dat bij die anderen ook dacht. Noemen we dit mechanisme het verstand, dan is het ’t intellect dat door het zelfbedrog heen kan breken door een stem te geven aan de impressie. Eerst is er de indruk die verstandelijke redeneringen ‘ontzet’, vervolgens moeten we die indruk intellectueel doorvorsen, bijvoorbeeld door te schrijven.

De impressie is altijd een concrete gebeurtenis die wordt veroorzaakt door iets particuliers, bijvoorbeeld een bepaalde vrouw of een muziekstuk. In de interpretatie van een reeks impressies moet het particuliere daaruit losgeweekt worden om het algemene patroon zichtbaar te maken.

Veel lezen kan de beperking van de ervaring aanvullen. Literatuur is een bron van impressies, die de werkelijkheid laten zien zoals ze is, bevrijd van alle bedrieglijke lagen. Impressies kunnen bovendien verandering initiëren. Daarom is lezen niet alleen een bron van (zelf)kennis, maar ook een ervaring waar je aan begint zonder te weten hoe je er na de laatste bladzijde weer uit komt.

[Verschenen in De Filosoof, faculteitsblad Wijsbegeerte Universiteit Utrecht, april 2013]



Bookmark and Share
Comments

Het zwarte gat is niet zwart

Wat gebeurt er als je een zwart gat in de mond neemt? Een intrigerende vraag die dichter Mustafa Stitou via een gedicht stelt aan het publiek bij de Studium Generale-avond over Zwarte gaten in natuurkunde en poëzie. Ook professor Herman Verlinde, als theoretisch fysicus sinds 1989 verbonden aan Princeton University en speciaal voor deze bijeenkomst naar Utrecht gekomen, wijst op het intrigerende dat uitgaat van ‘zwarte gaten’. Beiden schreven een bijdrage voor het themanummer van literair tijdschrift De Gids dat op deze avond werd gepresenteerd.

Het is misschien an unlikely couple, natuurkunde en poëzie. Een wetenschapper werkt weliswaar vanuit zijn fascinaties, het persoonlijke mag voor hem begin- noch eindpunt zijn. Voor de dichter is het zintuiglijke het uitgangspunt, zo stelde Jeroen van Dongen in zijn inleiding op het thema. Twee verschillende werelden, maar geen wereld van verschil. De poëzie zal zich ook moeten loszingen uit het zuiver persoonlijke en de waarneming, ook zintuiglijk, staat aan de basis van wetenschappelijke kennis. Beelden en metaforen zijn voor zowel natuurkundigen als dichters onmisbaar, zo bleek.

Zelfs een begrip als een ‘quark’ is eigenlijk een metafoor. Niemand heeft ooit een quark gezien of aangeraakt. Het is deel van een wiskundig model dat op dit moment de beste, meest accurate beschrijving vormt van de wereld op de allerkleinste schaal. Verlinde is een specialist op het gebied van de snaartheorie. Hij begon zijn lezing met de geschiedenis van het zwarte gat. Einsteins relativiteitstheorie veronderstelt het bestaan van zwarte gaten, maar pas veertig jaar geleden muntte John Wheeler de term. Het begrip van zwarte gaten is sindsdien goed op gang gekomen. Daarvoor is de relativiteitstheorie niet toereikend – op het niveau van de allerkleinste deeltjes gaat de voorspellende theorie van Einstein niet meer op. Om te beschrijven wat er op de ‘planckschaal’ gebeurt, is de kwantummechanica nodig. En, aldus Verlinde, daarvoor is de snaartheorie onmisbaar.

‘Is het mogelijk dat we zelf misschien zwarte gaten in ons lichaam meedragen?’ was een van de vragen uit het publiek. Dat lijkt vergezocht, maar in zijn lezing ging Verlinde nog veel verder. Daarmee liet hij zien dat de theoretische natuurkunde evengoed als de poëzie niet zonder verbeelding kan. ‘Stel je voor dat deze ruimte, de Aula, een zwart gat is. Wij zijn er allemaal in opgesloten en zullen er nooit meer uit kunnen. Op de horizon van het zwarte gat staat informatie geschreven over wat zich in het gat bevindt. Dus de muren van de Aula dragen piepkleinste deeltjes met informatie over ons bij zich.’ Het was een verontrustende gedachte om tot in de eeuwigheid in de Aula te zitten opgesloten, maar het gedachte-experiment zette zeker de verbeelding aan het werk. Verlinde ging nog een stap verder, want stel dat de informatie die op de muur is gecodeerd de werkelijkheid is en wij slechts nullen en enen? Leven we misschien in The Matrix?

Zet ook je verbeelding aan het werk en lees het artikel van Herman Verlinde en gedichten van Mustafa Stitou, Maria Barnas, Anne Vegter en anderen in het themanummer van De Gids, Het zwarte gat. Of kijk hier de hele avond terug. Meer over sterrenkunde vind je bij het programma Iets nieuws onder de zon.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Hoe onzichtbare factoren je leven sturen: zenuwen, kleding, taal

Hoe het fictieve reëel wordt (je kunt ook zeggen, hoe het immateriële en materiële in elkaar doorwerken), doordat de meest uiteenlopende factoren invloed uitoefenen op het leven - dat is toch wel een van mijn grote fascinaties. Hoe kan het dat romans, producten van de fantasie die alleen bestaan uit inkt op papier, de lezer laten huilen? Hoe kan een dode filosoof via zijn boeken levens veranderen? Hoe kan het aantrekken van een leren jas een andere persoonlijkheid onthullen? Hoe kan een droom die je vergeten was je overdag een bepaalde richting opsturen? Lang geleden schreef ik al dat dit niet een thema of fascinatie is, maar een blik op de wereld. 'Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt.' Chemische reacties - dat blijft vooralsnog de beste metafoor voor dit weefwerk van fictie en realiteit. De laatste weken achtervolgen de chemische reacties me weer in allerlei gestalten.

Zo ben ik bezig in een boeiende studie naar melancholie, door de Zweedse Karin Johannisson: De kamers van de melancholie. Hoe verandert melancholie - een soort vergaarbak voor allerlei stemmingen - door de tijd heen, vraagt zij. En vooral: waarom? Wat zijn de historische en culturele redenen dat melancholie op een bepaald moment in de tijd op een specifieke manier wordt ingevuld? Neem nu nervositeit. Door het uitvinden van het 'concept' van het zenuwstelsel gingen mensen last krijgen van hun zenuwen en zich ernaar gedragen. Ze werden nerveus, soms tot in het ziekelijke.

Veranderingen in beschrijving van het lichaam veranderen dus ook de ervaring van dat lichaam. Dat hoor je ook wel over ziektes als anorexia en ADHD. Johannisonn argumenteert nog verder. Het gaat haar niet alleen om medische beschrijvingen, maar ook om sociale beeldvorming - die een soort impliciete beschrijving is. Neem opnieuw het zenuwstelsel. Eind achttiende eeuw was het bon ton om last te hebben van je zenuwen. Een verfijnd zenuwstelsel was een kenmerk van de elite en stond in direct verband met een verfijnde smaak. Dat gold zowel voor mannen als vrouwen. Die kwamen samen in de salons om elkaar voor te lezen uit Julie van Rousseau (of onze Nederlandse evenknie Julia van Rhijnvis Feith) en daarbij tranen te plengen. Mocht ook midden op straat, als je een langgemiste vriend tegenkwam, zelfs had dat 'lang' maar een uur geduurd.

Was dat allemaal toneel? Natuurlijk niet en natuurlijk wel. Die dames en heren kenden de conventies door en door, wisten op welke manier je een zakdoek naar je betraande oog moest brengen, hoe hard je mocht snikken zonder over te gaan op snotteren. Maar dat zegt niets over het gevoel erachter, dat evengoed 'echt' was en soms ook een last. Met de overgang naar de negentiende eeuw raakte de sleet in het sentimentalisme en in de loop van de tijd werd een grote gevoeligheid juist een teken van zwakte - behorend tot de lagere klassen of gewoon tot de vrouw. Iets om je voor te schamen in elk geval. Johannisonn beschrijft hoe beheersing in de mode begon te raken, wat weer zijn eigen kwaaltjes met zich meebrengt. Lichamelijke ervaringen, culturele codes, geneeskunde, literatuur en geestelijk welbevinden hangen allemaal samen.

Ook kleding, toch een materieel siersel, heeft invloed op je lichamelijke ervaringen en hoe je daar weer psychisch tegenover staat. Niet zo lang geleden schreef ik daar nog over, en onlangs stond een interessant artikel in De Groene Amsterdammer dat dit idee op een extreme manier bevestigde. Twee Deense filmmakers vertellen over hun documentaire Armadillo, die ze draaiden bij de Deense troepenmacht in Afghanistan.

'Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervoer dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.'

Het is dat zij niet net als de 'echte' soldaten ook een geweer in hun handen hadden, anders waren ze wel mee gaan schieten, zo moet je concluderen na lezing van het artikel. Het is een extreem voorbeeld van wat in het dagelijks leven ook voortdurend gebeurt als je 's ochtends je kleren aantrekt.

Taal is dan nog niet genoemd. De manier waarop taal de werkelijkheid niet alleen beschrijft maar ook vormt is een bekend gegeven, ook in meer extreme voorbeelden. Zie bijvoorbeeld het artikel over de taal van Geert Wilders, Taal is niet stom, met de veelzeggende ondertitel 'De grenzen van de grote mond. Woorden kunnen daden zijn.' Maar ook hier geldt dat het mechanisme in het dagelijks leven, zonder grote mond, al van toepassing is. Hoort dus ook in het rijtje thuis. In NRC Handelsblad las ik over het gebruik van metaforen, die een basis hebben in de lichamelijke ervaring. Wat denk je hiervan?

'In het Fins en in sommige Inuïttalen, schrijft IJzerman in zijn proefschrift, ontbreekt bijvoorbeeld de metafoor van warmte voor liefde en vriendschap. Dat komt, denkt hij, doordat temperatuur in extreem koude gebieden zo met overleving samenhangt, dat ze het woord daarvoor exclusief willen houden. "Warmte" is te belangrijk om uit te lenen aan andere domeinen.' (Denken met je lichaam)

Ik denk dat opmerkzaamheid op dit soort invloeden heel belangrijk is als je iets van het leven wilt begrijpen. Zeker omdat dit alles in relatie staat tot de autonomie. Weinig mensen zullen beweren dat ze geheel autonoom in het leven staan, vrij van elke invloed en los van alles en iedereen. Toch denk je bij beperkingen van je autonomie eerder aan grote zaken als religie of de maatschappelijke status van je ouders, die je toevallig bij je geboorte meekrijgt. Maar die speelt ook 's ochtends voor de kledingkast, in de metaforen die je gebruikt, de manier waarop je je geliefde aanspreekt, hoe je huilt, hoe je melancholie ervaart. Zolang je je daar niet van bewust bent, zullen al die invloeden inderdaad je autonomie beperken. Er is echter een wereld te winnen door die invloeden bewust te gebruiken en daarmee je autonomie juist te vergroten.



Bookmark and Share
Comments

Posthume herinneringen van Bras Cubas en Flaubert's Parrot

ezels
Soms lees je achter elkaar twee briljante boeken en lijken die boeken via jou met elkaar te spreken. Ook al stamt het ene uit het Brazilië van 1881 en is het andere Engels, gepubliceerd in het literaire jaar 1984. De enige reden om Posthume herinneringen van Bras Cubas (Machado de Assis) en Flaubert's Parrot (Julian Barnes) na elkaar te lezen was toeval en mijn tegenwoordige voorkeur voor romans die geen romans willen zijn. 'Dat is zeker wel een leuk boek dat je daar aan het lezen bent?' kreeg ik toegeworpen terwijl ik gniffelend door de laatste heen stoomde. Jazeker - Flaubert's Parrot is een geestig boek, maar op een totaal verliteratuurde, erudiete manier. 'Het is absoluut een leuk boek, maar misschien wel alleen als je literatuurwetenschap hebt gestudeerd,' zei ik. Ai. Soms maakt lezen elitair, ontkennen is zinloos.

Beter beginnen met de eerste. Posthume herinneringen van Bras Cubas is óók een geestig boek, op een heerlijk zwartgallige manier. Van over het graf vertelt de hoofdpersoon over zijn leven en liefde. Het bestaat uit 160 hoofdstukjes in 227 pagina's. Dat is al een aanwijzing dat van een gestructureerd verhaal geen sprake is. Dit is echt een boek waar het niet draait om wát er verteld wordt, maar hóe het verteld wordt. Het maakt de literatuurwetenschapper in me wakker.

Een voorbeeld. In hoofdstuk 15 vertelt Bras Cubas: 'Ik had dertig dagen nodig om van het Rocio Grande naar Marcela's hart te komen, reeds niet meer gezeten op het ros der blinde begeerte, maar op de ezel van het geduld, tezelfdertijd listig en koppig.' Een metafoor die ouderwets klinkt en dat in 1881 ook al deed. Een ironische metafoor met andere woorden: het klinkt in de oren van het plebs vast heel verheven, maar is bedoeld om dat verheven taalgebruik belachelijk te maken. Niet voor niets zit Bras Cubas op een ezel.

Dan gaat het verder: 'Maar ik kan u verzekeren dat de ezel aan het ros gewaagd was - een ezel van Sancho Panza, een ware filosoof, die mij aan het eind van de genoemde periode bij haar (Marcela's) huis bracht; ik stapte af, gaf hem een klap op zijn achterste en stuurde hem uit grazen.' De metafoor, die al is bedekt met een ironisch sausje, krijgt hier een intertekstuele verwijzing naar Don Quichote mee en stopt een metafoor te zijn: de ezel bestaat echt en moeten wij letterlijk nemen. Wij ja, want die u dat zijn jij en ik - nog zo'n stijlfiguur waar boeken over vol geschreven zijn. Literatuurwetenschappers aller landen verkneukel u.

Gelukkig brengt Machado de Assis de literatuurwetenschappers tot wanhoop in het vervolg; niets zo saai als een tekst die met de academische handboeken erbij uitgepuzzeld moet worden. Hoofdstuk 21, we zijn de ezel alweer vergeten, is getiteld: De ezeldrijver. 'En zie, toen bleef daar opeens de ezel die mij droeg stilstaan; ik sloeg hem met mijn zweep, hij bokte twee keer, toen nog eens drie keer, ten slotte nog een keer… maar een ezeldrijver, die toevallig in de buurt was, kwam nog net op tijd om hem bij de teugels te grijpen en tot staan te brengen, niet zonder moeite en gevaar.' Van een metafoor is geen sprake meer, het symbool is werkelijkheid geworden en trapt ons het verhaal in. Of uit? De letterlijk geworden metafoor transformeert in een parabel over een ezeldrijver. Wat geef je iemand die je het leven redt vanonder de trappelende hoeven van een ezel? Drie goudstukken? Twee? Een? Niets? Is het niet de plicht van een ezeldrijver om mensen te redden van ezels?

Waar gaat dit over? Ik ben me er al te zeer van bewust dat wat ik hier schrijf voor het gros van de lezers niet als een aanbeveling zal gelden. Wie heeft er nu nog zin in Machado de Assis?

Over naar Julian Barnes dan maar. In Flaubert's Parrot, een eeuw na Bras Cubas geschreven, is het omgekeerde aan de hand: hier is niets letterlijk, de werkelijkheid is een metafoor. 'I sat on my hotel bed; from a neighbouring room a telephone imitated the cry of other telephones.' Niet alleen heeft die telefoon geen enkele functie in het verhaal, het is bovendien een telefoon in een andere kamer, die op zijn beurt andere telefoons nadoet. Waar gaat dit over? Het gaat erom het afgeleide, metaforische karakter van de werkelijkheid te tonen. Wat doet ertoe als je niet weet wat echt is? Wat heeft waarde en betekenis? Een telefoon die rinkelt herinnert aan andere verhalen waarin telefoons rinkelen, met een onheilspellende boodschap. Hier rinkelt het om het rinkelen, zonder betekenis, alleen interessant als verwijzing naar dat wat er niet is. Literatuurwetenschappers aller landen: gniffel nu!

Bovenstaande zal Julian Barnes vast ook niet veel nieuwe lezers opleveren. Maar ik verzeker u: Barnes en Assis doen niet voor elkaar onder, zij schreven beiden romans die geen romans willen zijn, en daarmee Literatuur met een grote L bedreven. Dat komt niet door die eigenaardigheden die ze uithalen, want dat is slaapverwekkend als het niet gepaard gaat met Inzicht en Ontroering. Met Waarheid, zou ik willen zeggen, al luidt die waarheid dat je de waarheid niet kunt kennen omdat ze niet bestaat.

Uiteindelijk durven beiden heus wel te zeggen waar het op staat. Bras Cubas is aan gene zijde en weet één ding zeker: 'Alles bij elkaar geteld, zal ieder weldenkend mens menen dat er geen tekort was en geen overschot, en dat ik bij mijn dood dus quitte was met het leven. En dat zal hij dan verkeerd menen; want toen ik aankwam aan deze andere zijde van het mysterie, ontdekte ik een klein positief saldo, dat de laatste negatieve zin is van dit hoofdstuk van negatieve zinnen: Ik heb geen kinderen gehad, op geen enkel schepsel heb ik de erfenis overgedragen van onze ellende.' Wie gniffelt nog?

Barnes' hoofdpersoon Geoffrey Braithwaite (weduwnaar, twee kinderen) eindigt even kraakhelder en glashard: 'I loved her; we were happy; I miss her. She didn't love me; we were unhappy; I miss her.' Beide statements zijn waar en kunnen tegelijk bestaan. Metaforen worden werkelijkheid en de werkelijkheid is een afgeleide van de metafoor. Dat is wat literatuur kan uitdrukken. Wie het tot het einde van deze blog heeft gered zal vast kunnen gniffelen om de literatureluur van deze twee boeken. Als je maar weet dat je keihard van die geinige ezel wordt geschopt, precies op het moment dat je denkt het puzzeltje te hebben opgelost. Maar in de pijn van het vertrappeld worden, herkent elke lezer een heimelijk genot.



Bookmark and Share
Comments

Caesarion loopt een beetje mank

ceasarion_wieringa
Werkelijk iedereen liep een paar jaar geleden weg met Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Ik las het ook met plezier uit, maar vond het toch vooral een jongensboek. En er was iets met zijn stijl, die dan weer helemaal niet goed paste bij het jongensboekgevoel. Na lezing van zijn nieuwste roman Caesarion weet ik wat het is, want ook al is dit geen jongensboek (ook geen meisjesboek, misschien een homoboek, hoewel er geen homo in voorkomt), die stijl is gebleven en nog duidelijker aan de oppervlakte gekomen. Je kunt ervan houden, ik krijg er rillingen van. Ik noem het: gewild literaire, maar niet doordachte, en daardoor manklopende mooischrijverij. Lees verder
Comments

Goochelen in categorieën


De vijf categorieën van het goochelen: Lees verder
Comments