Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode

muzikaal
Iedereen is muzikaal: het is de titel van de jaarlijkse Kunst- en wetenschapslezing, dit keer verzorgd door prof. dr. Henkjan Honing, het is ook de titel van zijn boek over muzikaliteit, én de kortste samenvatting van zijn wetenschappelijke stelling. Muzikaliteit is een heel gewone eigenschap die alle mensen delen; a-muzikaliteit is juist bijzonder. Ongeveer vier procent van de mensen lijdt aan ‘amusie’ – wat betekent dat je moeite hebt om verschillende melodieën te onderscheiden of platter gezegd, ‘toondoof bent.

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?

Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.

We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).

Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).

Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.

De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.

Kaketoe Snowball:


[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]



Bookmark and Share
Comments

Revolutie in het hoofd I

Hoe kom je erachter wat belangrijk voor je is? Misschien wel door opmerkzaam te zijn op herhaling. Steeds weer kom je op dezelfde conclusie uit, ook al gaat het om verschillende onderwerpen. In de loop van dit blog blijkt het vaak over stilstand versus verandering te gaan. En over focus versus ontwikkeling.

Eerst maar eens die verandering en ontwikkeling. Beeldende kunst moet gevolgen hebben in de wereld, aldus de kunstcriticus (Art: de kunst van het richten). Of beter gezegd: de kunstenaar moet ernaar streven de wereld te veranderen, kunst maken die gevolgen zou kunnen hebben in de wereld. Al is het maar bij één toeschouwer. Daar ben ik het helemaal mee eens.

Karl Marx riep ook de filosofie op tot verandering: ’Filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen.’ Marx lijkt te ageren tegen de stoffige studeerkamerfilosofen die alleen maar praten en schrijven over de wereld, zonder haar ooit te betreden en dus zonder haar echt te kennen.

Ook in de literatuur gaat wat mij betreft dit criterium op. Om het met Hans Goedkoop te zeggen: een verhaal moet het leven veranderen. Al is het maar van één lezer. Dat is misschien niet de wereldse revolutie die Marx verlangde, maar wel een revolutie in het hoofd. Een verhaal dat het leven verandert, biedt voornamelijk een interpretatie van de wereld. Een interpretatie die bij de lezer een verandering in gang zet, waar andere interpretaties dat niet doen.

Hetzelfde geldt ook voor muziek. Muziek biedt misschien geen rationele interpretatie van de wereld, maar kan en móet het leven evenzeer veranderen als een verhaal. Wie heeft niet via bepaalde muziek een deel van zijn identiteit ontdekt (en geschapen)? De lente dat ik The Doors leerde kennen - de lente die volgde op de winter van Nirvana's Nevermind - bepaalt nog steeds wie ik ben. De Grote Onrust, de drang naar verandering die nooit ophoudt, is daar ontkiemd. Muziek draagt de belofte van de Grote Mogelijkheden, laat je deelnemen aan een groots en meeslepend leven - ook al is het dinsdagochtend half negen en ben je op weg naar weer een dag op kantoor.

Ik denk weer aan Nietzsche: 'Wat valt hier nu eigenlijk zo algemeen in de smaak? Vooral een negatieve eigenschap: het ontbreken van alles wat aanstoot zou kunnen geven - aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve.' Kunst die gevolgen heeft is aanstotelijke kunst. Niet in de zin van walgelijk of alleen gemaakt om te schoppen, maar in de zin van de revolutie in het hoofd.

Verandering is het streven van kunst, literatuur, muziek, filosofie. En van mij als toeschouwer, lezer, luisteraar. Ik verlang van het kunstwerk, boek, liedje dat het mij verandert. Als ontwikkeling het doel is dat ik stel voor mijn eigen, innerlijke leven, wat betekent dat dan voor mijn eigen streven in de buitenwereld, het externe leven? Moet ook ik iets maken, produceren, om de wereld te veranderen? Misschien is dat wel mijn bedoeling met dit blog. Vooralsnog vind ik het vooral leuk om verslag te doen van de revoluties in mijn hoofd, in de stille hoop dat die een kleine opstand bij anderen teweegbrengen.

Morgen meer over de andere kant van de zaak: focus en stilstand.



Bookmark and Share
Comments

Fenomenologie van de mannenketting

Mannen met kettingen zijn andere mannen - zonder kettingen - misschien een gruwel. Ik hou wel van de kunst van de mannenketting. En nu de lente definitief in aantocht is, komen de leren veters, de haaientanden en de messing hangers steeds meer in het zicht.

Gisteren trad Alberta Cross op in Tivoli de Helling. Een bijna ouderwetse rockband met een geweldige zanger die een kenmerkend hoog stemgeluid perfect de zaal in blies, ondanks zijn stonede kop. Stonede kop, met heel netjes gekamde lange haren die langs zijn wangen hingen, op hun plek gehouden door een zwarte hoed. Twee, drie kettingen. Gitarist: pasgewassen haren in hippe coupe, één ketting. De rest van de band: twee houthakkerstypes uit de jaren negentig, geen ketting; één gabbertype uit de jaren negentig, geen ketting. Lees verder
Comments

Sensatie van tijdloosheid

dionysos_masker
Het is waar dat vooral de handen en voeten van de drie Dodos mij tijdens het concert in beslag namen, zoals ik schreef. Je zou er gedachtekunst door gaan bedrijven. Dat neemt niet weg dat mijn aandacht zich soms verruimde tot aan de band als een driekoppig wezen, het podium en de zaal, de lichten en gordijnen die podium en zaal van elkaar scheiden en tegelijk verbinden. In de gedachtefilm zoomde ik uit en prompt overviel me een sensatie die je eigenlijk net zo goed gedachtekunst kan noemen - of gedachtecatharsis.

Wat voor sensatie dan? De sensatie dat je ergens anders bent: een andere plaats, een andere zaal in een ander land. Meestal voelt het als Amerika - misschien omdat de bands daar dan vandaan komen. Of omdat het ook iets te maken heeft met film, alsof je in een film bent beland waarin een concertscène zit. Je bent niet de hoofdrolspeler, maar een figurant. Nee, dat klopt niet, want de sensatie is echt en niet die van een acteur. Eerder houdt de sensatie verband met het theater: je ziet de band op het podium alsof je in het theater zit. Daarom is ook dat uitzoomen belangrijk; het gaat juist ook om de podiumrand, de zwarte velours gordijnen, de lampen aan het plafond. Je bent zozeer toeschouwer dat je bijna het gevoel krijgt dat je er zelf niet meer bent.

Alleen heel goede muzikanten kunnen dit bereiken, kunnen hun publiek zichzelf laten vergeten. Nou vooruit, laat ik maar toegeven dat drank er misschien ook iets mee te maken heeft. Helemaal nuchter is de sensatie van elders-zijn gecombineerd met zelfvergetelheid me nog nooit ten deel gevallen. Zou drank zelfs belangrijker zijn dan de muziek? Het overkomt me namelijk ook wel eens gewoon op straat, zonder muziek, zonder aanleiding zelfs. Ik zit op de fiets naar huis, na een leuke avond met biertjes en vrienden, en als ik een hoek om zweef of even mijn hoofd in de nek leg, kan daar ook opeens die sensatie opkomen, als een mist die van het ene moment op het andere in de lucht hangt. De huizen zien er anders uit, alsof je ze herkent met een ander geheugen - anders kan ik het niet beschrijven. Ze zijn losgezongen van je eigen leven en je eigen herinneringen en onderdeel geworden van een andere wereld. De echte wereld misschien wel, de echte wereld zoals je hem in de film ziet.

Zelfs binnen gebeurt het. Ik zat een keer in een lage stoel in de kamer van een huisgenoot en ook daar trok de mist naar binnen. Inmiddels heb ik er zo vaak en goed op gelet hoe de sensatie voelt, wanneer hij komt en ook weer verdwijnt, dat ik hem zelfs kan oproepen. Mits de omstandigheden juist zijn natuurlijk. Eigenlijk kan ik maar één ding met zekerheid zeggen: kunstlicht is essentieel voor de sensatie. Maar kunstlicht, wat kun je daar nou verder over zeggen, wat heeft dat te betekenen? Dat het theater met zijn spotlights en zwarte velours gordijnen nog geen gekke vergelijking is. All the world's a stage, nietwaar.

Als het me lukt om de sensatie op te roepen probeer ik hem ze hard mogelijk vast te houden, zo lang mogelijk te prolongeren. Het is namelijk een verrukkelijke sensatie. Verrukkelijk, zoet en melancholisch tegelijk. Terugdenkend aan het theater: het is een soort catharsis. Aristoteles omschreef catharsis als het doel van de tragedie: het purgeren van je emoties bij het zien van een aangrijpend toneelstuk (aangrijpend is dan nog een understatement als je denkt aan de vader- en moedermoordenaars, incestueuze broers en zussen, krankzinnige goden en pesterige demonen die de tragedies bevolken). Je moet dat allemaal niet nadoen, maar doormaken en er vervolgens gezuiverd weer uitkomen.

Zonder zelfvergetelheid geen catharsis, pas als je na afloop weer terug op aarde komt - die wereld van je eigen geheugen en je eigen zelf, niet de echte wereld zogezegd - is de catharsis voltooid, maar daarvóór moet je eerst jezelf vergeten zijn. Bij kunstlicht.

Ik schrijf er nu al een paar alinea's omheen: de tijd. De tijd is allesbepalend. Niet dat je opeens in het oude Griekenland zit, maar wel dat de tijd wegebt, uit de scène vervloeit. Toen ik bij de huisgenoot op bezoek was dacht ik alleen maar: 'De jaren tachtig, ik ben in de jaren tachtig beland.' Sindsdien weet ik dat het niet de jaren tachtig waren, maar een tijdloosheid die de dingen het aanschijn van een theater geeft. Dat is wat de zelfvergetelheid vooral betekent: je eigen tijd loslaten - want zijn geheugen en herinneringen eigenlijk ook geen tijd, zij het gestolde tijd?

Deze week weet ik weer een beetje beter hoe ik de sensatie moet begrijpen. Henk Barendregt - hoogleraar Grondslagen van de wiskunde en Informatica én beëdigd leraar vipassana meditatie - gaf een lezing over meditatie als manier om met de chaos van de existentiële leegte om te gaan. Klinkt zweverig en dat was het ook wel een beetje, maar tegelijk wist hij enkele inzichten zeer helder over te brengen en bovendien te inspireren tot een bewuster leven, dus een beetje zweef is dan niet erg.

Die leegte waar Barendregt het over had en die de mens zeer grote angsten inboezemt, uit zich in dissociatie. Dat heeft twee kanten: dissociatie kan je overvallen waardoor je als in een psychose opeens de leegte ingetrokken wordt: het zwarte niets, van alle betekenis ontdaan, waar alles schokkerig en koud is. Maar je kunt de dissociatie ook inzetten om de leegte te leren accepteren. Dat doe je door alle indrukken en gevoelens die je hebt te 'ontvlechten'. Als je bijvoorbeeld pijn hebt, kan die nog het meest als last ervaren worden omdat je boos bent dat je pijn hebt. Na het ontvlechten van pijn en woede, zal de pijn onder controle komen. Uiteindelijk is verrukking je deel.

Wat heeft dit alles te maken met de 'all the world's a stage'-sensatie? Het zit 'm in de dissociatie. Tijdens zo'n sensatie wordt de situatie losgevlochten van de tijd en misschien ook van de plaats. Of de plaats - de straat waarop ik fiets, de kamer waarin ik zit - zingt zich los van de tijd. Het resultaat is inderdaad een soort verrukking. Jammer genoeg vertelde Barendregt dat je als je écht verder wilt komen, ook de verrukking moet ontvlechten en naast je neerleggen.

Na de lezing bedacht ik me dat ik nog veel te leren heb, zoals ik mijn inleidinkje en aankondiging bijna buiten adem had gegeven, en bij het rondlopen met de microfoon voor de discussie steeds rusteloos van de ene voet op de andere wiebelde. Nu denk ik: misschien heb ik een begin te pakken met mijn sensatie, mijn zelfvergetelheid en tijdloosheid. Door de tijd te ontvlechten ben ik misschien wel heel af en toe voor even onsterfelijk. Zoals Dionyssos, dan wel, want de drank moet blijven vloeien.



Bookmark and Share
Comments

Oordeel

Er zijn mensen die niet van muziek houden. Ja echt. ‘Daar heb ik niks mee,’ zeggen ze, alsof het over oude auto’s gaat. Je mag niet oordelen over de voorkeuren van een ander, dus ik zeg er verder niets over.

Nog vreemder zijn mensen die niet van dieren houden. Vooral omdat er voor iedereen wel een geschikt dier te vinden is. Ik heb zelf drie katten, die ruiken zo lekker in hun nek en zijn lui en ongenaakbaar. Anderen kiezen misschien voor een paard (edel) of een papegaai (spraakzaam) of diepzeevissen (koel en mysterieus).

Nu ga ik te ver. Dieren mag je geen menselijke eigenschappen toedichten, heb ik geleerd. Een papegaai kan nog zo spraakzaam lijken omdat hij geluiden uitstoot, dat betekent niet dat hij praat, laat staan dat hij iets te zeggen heeft. Mijn kat lijkt misschien wel tot over haar oren verliefd op de rode kater van de buren, liefde is een concept dat ik daarop plak. Eigenlijk is dat het meest respectloze wat je kan doen, omdat het voorbij gaat aan de aard van het dier, die dierlijk is en niet menselijk. Het dier is ook een ander, over wie je niet mag oordelen.

Aan de andere kant: is het niet juist het mooiste wat je kan doen? Is dat niet waarom mensen van dieren houden? Ze nodigen je uit tot een verstandhouding. Maar omdat je niet weet wat er in het beestje omgaat, zal het altijd een zoekende verstandhouding zijn. Uiteindelijk moet je accepteren dat je elkaar nooit echt zult kennen.

Dag in dag uit leef je samen, zie je de poes nuffig en zogenaamd ongeïnteresseerd bij het kattenluikje zitten tot de buurkat opduikt, en elke dag moet je constateren dat je met een wildvreemde je huis deelt. En dat je juist daarom met haar je huis deelt.

Het verschil met muziek is misschien niet zo groot. Keer op keer luister ik naar een liedje en moet ik erkennen dat ik het niet begrijp. Ik loop over straat met mijn oordopjes in en voel hoe mijn tred lichter wordt. Maar ik kan niet uitleggen waarom.

Dier en muziekstuk – beide leren ze je dat je niet op het eerste gezicht of eerste gehoor kunt oordelen. Ze bestaan en jij mag daarbij aanwezig zijn. Al zou je een oordeel uitspreken, dat horen ze toch niet, het verandert niets aan wie of wat ze zijn. Een positie die noopt tot bescheidenheid.

Wat zegt dat dan over die anderen, die niets met muziek hebben of niet van dieren houden? Daar oordeel ik niet over.

[verschenen als column in Radboud info 81, september 2009] Lees verder
Comments