Geluk als productiviteit
27/12/11 13:28 Denk aan: Leven

Timothy Wilson geeft - jazeker - de drie ingrediënten van geluk (dit is geluk in sociaal-psychologische zin, dus zoals dat uit statistisch onderzoek is gerold). Zin, doel en hoop. Dat zegt nog niet zoveel. Zin: een gelukkig mens heeft een stelsel van overtuigingen die een coherent antwoord bieden op grote vragen in het leven. Een geloofsovertuiging, het humanisme, of misschien wel 'uiteindelijk is alles zinloos'. Doel: een gelukkig mens is doelgericht, werkt ergens naartoe. Hoop: een gelukkig mens richt zich op wat hij kan veranderen in plaats van op het noodlot. Een gelukkig mens is een 'effectief en autonoom persoon'.
Ik noem dit alles bij elkaar de deugd van de productiviteit.
(Erg mooi klinkt het allemaal niet. Effectief, autonoom, productief. Hebben we het nog wel over geluk?)
Wil productiviteit een deugd zijn, dan moet ze wortelen in een overtuiging, doelgericht zijn en gericht op verandering. Wil een overtuiging zich uiten, op een doelgerichte manier die verandering teweegbrengt, dan heb je productiviteit.
Dat is allemaal nogal abstract. Rousseau beschrijft in zijn overigens hysterisch conservatieve 'Brief over het theater' hoe een productieve omgang met tijd leidt tot geluk. Uren gespendeerd in 'ledigheid' maken dat de tijd zelf niet veel waarde meer voor je heeft. Nog een uur gespendeerd met niets doen maakt niet uit, wanneer je al te veel tijd hebt verloren is tijd niet meer iets wat je kunt verliezen. Wie herkent dit niet? Hoe meer tijd je verlummelt, hoe moeilijker het is om weer iets te gaan doen. Alsof het kleinste klusje al onevenredig veel beslag legt op je tijd. Maar als je veel werk verzet in korte tijd, kan er altijd nog wel wat meer bij. Door de tijd te vullen groeit hij, door nietsdoen loopt hij leeg als een ballon. Zo voel je je dan ook: als een leeggelopen ballon, een herinnering aan een nooit gehouden feest.
Een andere vorm van productiviteit is samen te vatten in de (mijn) maxime: Actie is altijd beter dan geen actie. Dat heeft vooral betrekking op de omgang met andere mensen. Handelen is altijd beter dan niet handelen. Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. Daar ben ik van overtuigd, hoewel het heel veel jaren heeft geduurd voor ik hierachter ben gekomen. Actie is altijd beter dan geen actie omdat daarin de hoop tot uiting komt, zou je met Wilson in het achterhoofd kunnen zeggen. Een maxime die uitgaat van de mogelijkheid van verandering, optimistisch, maar zonder te oordelen. Ze zegt immers niet wat je moet doen, alleen dat je moet doen.
Om weer met Nietzsche aan te komen, die als een rode draad door deze zoektocht loopt: 'aanstotelijk is al het waarlijk productieve'. Ik denk dat aanstotelijk begrepen moet worden als iets uitzonderlijks, dat niet vaak voorkomt, niet vaak voor kán komen. Iets wat veel inspanning kost, maar met weinig middelen. Iets wat in de breedte niet veel voorstelt, maar grondvesten doet schudden. De meeste mensen lijken het tegenwoordig te streven naar 'zo weinig doen met zo veel middelen als mogelijk'. Mij gaat het om zo veel mogelijk doen met zo weinig mogelijk middelen (zie ook Revolutie in het hoofd II). Dat vraagt om doelgerichtheid.
Het gaat me heus niet alleen om het ontmaskeren van trucjes die de wereld mooier doen lijken dat ze is. Ik hou van verhalen en ook van het nadenken over het narratief in je leven. Optimisme betekent voor mij niet dat de wereld schoon en goed is, maar dat je de wereld kunt veranderen, hoe ellendig die soms ook mag zijn. Het beest in de bek kijken en niet terugdeinzen, maar een tandenstoker tevoorschijn halen. In de kantlijn van De verhalen van ons leven schreef ik: actie+realisme=geluk. Dat is wel hoe je deze stukjes kunt samenvatten. Mooie eindejaarsgedachte, niet?
Comments
De verhalen van ons leven - Het beest in de bek kijken
27/12/11 13:19 Denk aan: Leven

Al eerder schreef ik dat ik optimistisch van aard ben en productiviteit als deugd beschouw. Daarin zit dan ook de positieve wending aan wat ik tot nu toe steeds - ik geef het toe - enigszins negatief heb beoordeeld. Timothy Wilson zette me op het spoor, door zijn boek De verhalen van ons leven, met de nogal omineuze ondertitel 'Verander je zelfbeeld en verbeter je bestaan'. Die titel belooft meer dan het boek waarmaakt, want in feite presenteert Wilson enkele resultaten uit zijn sociaal-psychologische onderzoek naar groepsvorming, identiteit en processen van uitsluiting. Het meer theoretische gedeelte over de zogenaamde 'verhaalbewerkingsmethode' levert echter interessant materiaal om verder over te peinzen.
De methode van verhaalbewerking is op zich niet heel nieuw: bij psychische nood gaat het erom je perceptie van een gebeurtenis te veranderen, eerder dan de gebeurtenis zelf. Wilson beschrijft de specifieke methode die te maken heeft met het verhaal dat iemand zichzelf vertelt. Door schrijfoefeningen is dat verhaal heel letterlijk te 'bewerken' (hierbij denk ik meteen aan Susan Sontag en Siri Hustvedt, zie Over herinneringen). Via het beschrijven van een gebeurtenis in een narratief, kun je je gevoelens over die gebeurtenis loskoppelen van de gebeurtenis zelf. Je neemt er afstand van en die afstand geeft je een zekere macht. Hoe je de gebeurtenis interpreteert, welke gevoelens en oordelen daarbij horen, is geen vaststaand gegeven meer, maar iets wat je zelf ten dele bepaalt.
Maar leidt dat niet tot - bijvoorbeeld - van de nood een deugd maken? Nee, want de gebeurtenis zelf blijft juist onaangeroerd, die verandert niet. In Vrij Nederland staat een prachtig interview met filosoof René Gude, die een been verloor aan kanker en nog steeds niet is genezen. Hij lijkt in de (ronduit miserabele) praktijk te brengen wat ik hier beschrijf: '"Shit is shit," onderkent Gude volgens de bevriende socioloog Herman Vuijsje, en toch blijft hij bij zijn intellectuele credo: geen negativisme a.u.b.' Zijn methode is 'tafelen', dat wil zeggen, het benoemen van de feiten en mogelijkheden, zonder daarover te oordelen. Als je oordelen toelaat, komen ook de emoties en dan slaat de verwarring toe. Een heel rationele manier om met ellende om te gaan. En een keiharde. 'Shit is shit' immers. Gude zegt zelf: 'Ik heb het compliment gekregen dat ik heel positief ben, maar als je keek naar wat wij aan het doen waren, dan waren wij het beest voortdurend in de bek aan het kijken.'
Dat is mooi uitgedrukt: het beest in de bek kijken. En het beest heeft een verrotte, stinkende, walmende muil, daar mag je van uitgaan. Waar zit het positieve dan in? In het niet oordelen. 'Negatief' is op zichzelf al een beoordeling. Misschien is het daarom ook eerder een houding van neutraliteit (ik kan natuurlijk niet over de situatie van Gude spreken, dus dit bedoel ik meer in het algemeen), van openheid. En dan kom ik weer uit bij dat waar ik eerder ook mee eindigde: vrijheid. Hoe beperkt ook, hoe verrot en stinkend die muil ook is die op het punt staat dicht te klappen en je op te vreten; door erin te kijken, je hoofd er helemaal in te steken, uit nieuwsgierigheid of beter weetgierigheid, ben je vrij. Ik geloof daar heilig in. Wie durft mij dan nog pessimist te noemen?
Dan is er nog de deugd van de productiviteit. Lees verder...
Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes
30/06/11 16:52 Denk aan: Literatuur

Dat onbevredigende gevoel bleef me ook bij na het lezen van de roman Op zee van Toine Heijmans. Het is goed geschreven, beklemmend en bovendien geïllustreerd met prachtige tekeningen. De ik-figuur gaat maandenlang alleen zeilen. Op het laatste stukje, van het noorden van Denemarken terug naar Harlingen, krijgt hij gezelschap van zijn zevenjarige dochter. Al vanaf de eerste bladzijden weet je dat het mis zal gaan en de tekeningen van een zwarte, dreigende zee maken dat je angstig verder leest.
Zonder te verklappen wat er misgaat en hoe dat vervolgens afloopt, wil ik toch iets zeggen over het einde. Het zette me aan het denken over wat ik verlang van eindes - en dus van een leeservaring. Met zo'n vijftig bladzijden te gaan, bemerkte ik dat mijn angst veranderde; ik was niet meer bang voor de zee en voor die vader met zijn veel te jonge dochter. Ik was bang dat het toch nog goed ging aflopen. Dat is raar. Ben ik een sadist die alleen geniet van het allerergste lijden? Wil ik mezelf zo graag pijnigen met de scherpste pijn die een personage kan ondergaan? Iedereen gaat dood en niets komt ooit goed!
Het deed me denken aan Ronald Giphart. Ik had een kleine twitterdiscussie met hem over een van zijn roman Ik omhels je met duizend armen. Het verhaal van de dood van zijn moeder, een vreselijke episode. En toch had ik daar aan het eind ook zo'n onbevredigend gevoel, omdat het gek genoeg leek alsof alles toch nog goed kwam, ondanks de dood. Een prachtig afscheid, een familie samengebracht in verdriet, een les geleerd. Haast feelgood. Het maakte me boos. (Laat ik het erop houden dat ik het las vanuit een zeer persoonlijke zoektocht naar iets van 'zingeving'.)
Vervolgens las ik zijn andere roman IJsland en verdomd, daar gebeurde hetzelfde. Ondanks de trieste gebeurtenissen, toch een 'goed einde’ of misschien moet ik zeggen een zinvol einde. En dus een onbevredigend gevoel. Wat is dat toch? Misschien moet ik toch concluderen dat ik simpelweg niet tegen goede eindes kan. Maar waarom? Noem ik mezelf niet tegelijkertijd een optimist in hart en nieren? Dan zou ik goede eindes moeten omarmen met duizend armen.
Nee, ik voel me voor de gek gehouden. Mijn eerste ingeving is: het is niet realistisch. Een onzinargument, want het allerergste is over het algemeen niet realistisch. In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. Realistisch is het dus juist wel, zelfs 'hij werd wakker en het bleek allemaal een droom'.
Het is dan ook erger: ik voel me écht voor de gek gehouden, zoals je dat voelt bij de droom die als een konijn uit de hoge schrijvershoed komt. Aan het eind van Op zee verandert het perspectief. Dan weet je wel hoe laat het is (meer verklap ik niet) - je bent voor de gek gehouden. Hetzelfde gebeurde in IJsland: wij lezers wisten niet alles, maar waren samen met de hoofdpersoon voor de gek gehouden.
Eigenlijk stoppen deze verhalen waar ze hadden moeten beginnen: met een zwierig gebaar wordt het konijn uit de hoge hoed getrokken en dan valt het doek. Maar wat ik wil weten is wat er achter dat doek gebeurt. Ik wil niet de buiging van de goochelaar zien, ik wil hem zijn make-up zien afpoetsen. Je moet tot op de bodem graven en zelfs als de bodem een rotsbodem blijkt te zijn, wil ik weten wat dáár nog eens onder zit. Dat is bikkelen, bikkelen met een verroeste pikhouweel.
Armando wint VSB-prijs: 'radicale somberte'
27/01/11 15:00 Denk aan: Literatuur
'Op Armando!'
'Op de wanhoop!'
Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.
Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando 'radicale somberte'. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht 'Een galg', dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:
Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.
Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.
Het ijkpunt van Armando - zegt men steevast - blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek.
Dat deed me terugdenken aan een aantal schilderijen die ik van hem zag op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, samengesteld door Koningin Beatrix. Grote doeken, geen kleur, alleen wit en zwart. Ik houd van grote zwarte vlakken (zoals bij de Van Doesburgh die ik jarenlang als muurschildering had). Je kunt erin verdrinken, ze benemen je de adem. Je eigen lijden is dan opeens nietig, onbetekenend. Dat is de reden dat kunst in het teken van het lijden zo mooi en noodzakelijk kan zijn: het heft je eigen lijden op in het zicht van de absolute somberte. Ik vond de schilderijen haast letterlijk verpletterend, die intense zwartheid - zowel van vorm als inhoud. Misschien niet de meest subtiele kunst, maar wel effectief. Ik hou van effect, dat moet gezegd worden.(Heuglijk nieuws dus dat het Armando Museum dat zo noodlottig getroffen werd door brand, misschien naar Utrecht komt!)
Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.
Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over 'radicale somberheid' om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom - vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het 'dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,' zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.
'Ik kan niks,' verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da's dus niet waar en niet raar. Armando besloot: 'Nogmaals: neem me niet kwalijk.' Doen we niet.

'Op de wanhoop!'
Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.
Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando 'radicale somberte'. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht 'Een galg', dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:
Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.
Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.
Het ijkpunt van Armando - zegt men steevast - blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek.

Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.
Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over 'radicale somberheid' om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom - vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het 'dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,' zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.
'Ik kan niks,' verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da's dus niet waar en niet raar. Armando besloot: 'Nogmaals: neem me niet kwalijk.' Doen we niet.
Pessimisten zijn niet intelligent, maar ongelukkig
22/12/09 17:32 Denk aan: Filosofie
