Zie je jezelf van buitenaf of van binnenuit?
13/06/12 11:08 Denk aan: Schrijven
Stel je de volgende situatie voor: vanavond speelt het Nederlands elftal. Je hebt afgesproken om bij vrienden te gaan kijken en je weet dat er ook iemand bij zal zijn op wie je stiekem een beetje verliefd bent. De hele dag zit je vol zenuwen en voortdurend maak je je voorstellingen van hoe je binnenkomt en hem ziet - moet je drie zoenen geven of een hand? je naam nog eens zeggen? een oranje shirt aan of juist niet? heel hard juichen of ironisch commentaar leveren? wat nou als je jezelf niet in kunt houden? Kortom: het maalt in je hoofd over jezelf in een toekomstige situatie. Nu is de vraag: zie je jezelf van binnenuit of van buitenaf?
Ik zal zelf als eerste antwoorden: ik zie mezelf altijd van buitenaf. Als ik dagdroom of denk aan wat er vanavond of morgen staat te gebeuren, zie ik mezelf in gedachten van een afstandje bezig met zus of zo. Gek, want het spreekt voor zich dat ik mezelf nooit van een afstandje heb gezien. Nu zijn er vast mensen die dit psychologisch weten te duiden (en dan komen de 'van buitenaf-types' er vast slechter van af dan de 'ik val met mijzelf samen-figuren') of neurologisch in verband brengen met de lichaam-geest-problematiek (zoals bijvoorbeeld in het boek van Thomas Metzinger). Een citaat van George Orwell zette me echter op een ander, literair, spoor:
[F]or fifteen years or more, I was carrying out a literary exercise of a quite different kind: this was the making up of a continuous ‘story’ about myself, a sort of diary existing only in the mind. … For minutes at a time this kind of thing would be running through my head: ‘He pushed the door open and entered the room. A yellow beam of sunlight, filtering through the muslin curtains, slanted on to the table, where a match-box, half-open, lay beside the inkpot. With his right hand in his pocket he moved across to the window. Down in the street a tortoiseshell cat was chasing a dead leaf’, etc. etc.
[voor het uitgebreide citaat klik op het plaatje]
Dit is iets anders dan de vraag hoe je perspectief geregeld is in je dagdromen, toch moest ik meteen daaraan denken. Als je een doorlopend verhaal over jezelf vertelt, durf ik er vergif op in te nemen dat je in je gedachten over jezelf het perspectief van een buitenstaander aanneemt.
Andere vragen die altijd leuk zijn om te stellen als je niks meer weet te zeggen:
* Hoe zie je jezelf in je droom? (ook van buitenaf)
* Denk je voornamelijk in woorden of in beelden? (eh, beide)
* En dus: vertel je een doorlopend verhaal over jezelf aan niemand in het bijzonder (vroeger meer dan nu)
Orwells innerlijke dagboek herkende ik meteen. Zeker toen ik jonger was leek het alsof ik mezelf niet anders dan als personage kon zien - niet in een verheven literaire vertelling, maar eerder in een vrij slechte soap. Het verhaal nam dan ook vaak een filmische vorm aan, alsof er voortdurend camera's op me gericht waren. Alleen in meer poëtische buien hoorde ik in mijn hoofd de talige beschrijvingen zingen waar Orwell ook op wijst. Voorbeeld. Als ik als kind in de trein zat keek ik uit het raampje en zag ik mezelf langs het spoor rennen, of op een paard alle hindernissen nemen, letterlijk vliegensvlug rennend door de weilanden en springend over hekken, zigzaggend langs bomen, zwevend over water. Nu heb ik vele, vele uren en dagen, bij elkaar opgeteld weken, in de trein doorgebracht tussen Culemborg en Odense (Denemarken). Is het vertellen van een verhaal - ook al is het plotloos en saai, eigenlijk even plotloos en saai als een treinreis van tien uur - niet gewoon een manier om je tijd door te komen?
Ik denk het wel. Iemand met een geest 'voorbestemd om schrijver te worden' - dan heb ik het vooral over George Orwell - is altijd in desperate need of material. Of toch in elk geval als kind en jongeling, als het leven saai is en de verveling je nog dagenlang kan teisteren. Ik weet zeker dat veel lezers (ofwel veellezers) dit herkennen: letterlijk álles lezen wat in je handen valt, van reclamefolder tot shampoofles. (Dan word je ouder en heb je daar geen tijd meer voor, omdat er altijd nog tien boeken en twintig tijdschriften op je wachten, nog los van de vergaarbak die Instapaper heet.) Een continu verhaal vertellen aan niemand in het bijzonder drukt ook de behoefte uit aan actie en sensatie. Weg met de saaiheid en de verveling!
Maar ook toont zich hier de geboorte van de schrijver. Iedereen heeft wel eens gedacht dat hij ten onder zal gaan aan ennui, en daarom in zijn hoofd een sensationeel verhaal bedacht waarin alles anders zal zijn. De schrijver heeft nog een andere behoefte daar bovenop: de behoefte aan het werken met taal. Ook daarin is hij in desperate need of materiaal. In zijn verhaal, verteld in stilte aan niemand in het bijzonder, traint hij zijn literaire taalgevoel. Het gaat hem niet alleen om drama en sensatie, maar ook om beschrijvingen. De nauwkeurigheid van een vergelijking, de melodie van een zin, woordenschat en opmerkingsvermogen. Alleen degene die compulsief is zal ver komen.
Of zijn dit allemaal smoesjes omdat ik bang ben dat jezelf standaard van buitenaf beschouwen eigenlijk duidt op een persoonlijkheidsstoornis (in het slechtste geval) of ijdele hoogmoed (ook in het slechtste geval)?

Ik zal zelf als eerste antwoorden: ik zie mezelf altijd van buitenaf. Als ik dagdroom of denk aan wat er vanavond of morgen staat te gebeuren, zie ik mezelf in gedachten van een afstandje bezig met zus of zo. Gek, want het spreekt voor zich dat ik mezelf nooit van een afstandje heb gezien. Nu zijn er vast mensen die dit psychologisch weten te duiden (en dan komen de 'van buitenaf-types' er vast slechter van af dan de 'ik val met mijzelf samen-figuren') of neurologisch in verband brengen met de lichaam-geest-problematiek (zoals bijvoorbeeld in het boek van Thomas Metzinger). Een citaat van George Orwell zette me echter op een ander, literair, spoor:
[F]or fifteen years or more, I was carrying out a literary exercise of a quite different kind: this was the making up of a continuous ‘story’ about myself, a sort of diary existing only in the mind. … For minutes at a time this kind of thing would be running through my head: ‘He pushed the door open and entered the room. A yellow beam of sunlight, filtering through the muslin curtains, slanted on to the table, where a match-box, half-open, lay beside the inkpot. With his right hand in his pocket he moved across to the window. Down in the street a tortoiseshell cat was chasing a dead leaf’, etc. etc.
[voor het uitgebreide citaat klik op het plaatje]
Dit is iets anders dan de vraag hoe je perspectief geregeld is in je dagdromen, toch moest ik meteen daaraan denken. Als je een doorlopend verhaal over jezelf vertelt, durf ik er vergif op in te nemen dat je in je gedachten over jezelf het perspectief van een buitenstaander aanneemt.
Andere vragen die altijd leuk zijn om te stellen als je niks meer weet te zeggen:
* Hoe zie je jezelf in je droom? (ook van buitenaf)
* Denk je voornamelijk in woorden of in beelden? (eh, beide)
* En dus: vertel je een doorlopend verhaal over jezelf aan niemand in het bijzonder (vroeger meer dan nu)
Orwells innerlijke dagboek herkende ik meteen. Zeker toen ik jonger was leek het alsof ik mezelf niet anders dan als personage kon zien - niet in een verheven literaire vertelling, maar eerder in een vrij slechte soap. Het verhaal nam dan ook vaak een filmische vorm aan, alsof er voortdurend camera's op me gericht waren. Alleen in meer poëtische buien hoorde ik in mijn hoofd de talige beschrijvingen zingen waar Orwell ook op wijst. Voorbeeld. Als ik als kind in de trein zat keek ik uit het raampje en zag ik mezelf langs het spoor rennen, of op een paard alle hindernissen nemen, letterlijk vliegensvlug rennend door de weilanden en springend over hekken, zigzaggend langs bomen, zwevend over water. Nu heb ik vele, vele uren en dagen, bij elkaar opgeteld weken, in de trein doorgebracht tussen Culemborg en Odense (Denemarken). Is het vertellen van een verhaal - ook al is het plotloos en saai, eigenlijk even plotloos en saai als een treinreis van tien uur - niet gewoon een manier om je tijd door te komen?
Ik denk het wel. Iemand met een geest 'voorbestemd om schrijver te worden' - dan heb ik het vooral over George Orwell - is altijd in desperate need of material. Of toch in elk geval als kind en jongeling, als het leven saai is en de verveling je nog dagenlang kan teisteren. Ik weet zeker dat veel lezers (ofwel veellezers) dit herkennen: letterlijk álles lezen wat in je handen valt, van reclamefolder tot shampoofles. (Dan word je ouder en heb je daar geen tijd meer voor, omdat er altijd nog tien boeken en twintig tijdschriften op je wachten, nog los van de vergaarbak die Instapaper heet.) Een continu verhaal vertellen aan niemand in het bijzonder drukt ook de behoefte uit aan actie en sensatie. Weg met de saaiheid en de verveling!
Maar ook toont zich hier de geboorte van de schrijver. Iedereen heeft wel eens gedacht dat hij ten onder zal gaan aan ennui, en daarom in zijn hoofd een sensationeel verhaal bedacht waarin alles anders zal zijn. De schrijver heeft nog een andere behoefte daar bovenop: de behoefte aan het werken met taal. Ook daarin is hij in desperate need of materiaal. In zijn verhaal, verteld in stilte aan niemand in het bijzonder, traint hij zijn literaire taalgevoel. Het gaat hem niet alleen om drama en sensatie, maar ook om beschrijvingen. De nauwkeurigheid van een vergelijking, de melodie van een zin, woordenschat en opmerkingsvermogen. Alleen degene die compulsief is zal ver komen.
Of zijn dit allemaal smoesjes omdat ik bang ben dat jezelf standaard van buitenaf beschouwen eigenlijk duidt op een persoonlijkheidsstoornis (in het slechtste geval) of ijdele hoogmoed (ook in het slechtste geval)?
Comments
Paul Auster – Winterlogboek: The story about what it means to be alive (without wanting to sound pompous)
01/05/12 17:23 Denk aan: Literatuur

Winterlogboek bevat Austers memoires geschreven vanuit het lichaam, ‘een catalogus van zintuiglijke gegevens’. Mens zijn, dat is in de eerste plaats: een lichaam zijn, want een lichaam zijn is levend zijn. ‘The story about what it means to be alive.’ Leven, dat begint in het lichaam en eindigt in het lichaam, en pijn en genot – die lichamelijke waarheden – zijn daar de uitdrukking van. De metafoor voor het levende lichaam is: wandelen. Misschien klinkt het raar dat iemand die steevast verdwaalt zoveel houdt van wandelen als Paul Auster. Wie zijn boeken kent, kent ze ook als ode aan de wandeling en aan het verdwalen. Door te verdwalen kom je de essentie op het spoor. Dwalen in een stad is dwalen in jezelf, zoals hij zaterdag zei. Door te verdwalen krijgt het toeval een kans, het toeval dat je iets vindt. 'Zo zie je jezelf telkens wanneer je weer eens nadenkt over wie je bent: een man die loopt, een man die al zijn hele leven door de straten van steden loopt.' Na de lezing hield ik de deur van de Aula voor hem open: ‘I have to smoke,’ zei hij dwingend. ‘I’ll walk with you,’ antwoordde ik, want zelfs in het Academiegebouw kun je hopeloos verdwalen.
Auster is een verstokte roker. Roken is je overgeven aan je lichaam en in die overgave je lichaam naar de knoppen helpen. Het lichaam is uit op zijn eigen ondergang. Rokers kunnen heel intellectueel doen over hun verslaving, maar uiteindelijk is het intellect net zo goed de slaaf van de sigaret als het lichaam zelf. Het intellect is natuurlijk ook maar een deel van het lichaam. Over roken en drinken schrijft hij: het zijn 'krukken om je kreupele ik overeind te houden'. En: 'Je bent zonder enige twijfel een beschadigd en gewond mens, iemand die vanaf het allereerste begin een wond in zich draagt (waarom ben je anders al je hele volwassen leven bezig woorden op papier te bloeden?)'. De concrete beschadiging (een dikke laag teer op de longen) wordt zonder omhaal een symbolische beschadiging (een wond in je dragen), die weer concreet wordt (bloed).
Het bewonderenswaardige en absoluut fantastische hieraan is dat Auster die allereerste wond niet uitmelkt, niet overanalyseert, zelfs niet duidelijk benoemt. Het is een wond uit het verleden, van voor het bestaan van zijn lichaam. Daarom is de keuze voor de geschiedenis van het lichaam zo goed – dat is er pas op het moment dat jij er bent en heeft zogezegd geen voorgeschiedenis. Het maakt zijn eigen geschiedenis. Het verhaal over de moord in de familie (dat in elk geval een deel van de wond zal uitmaken) is vanuit zo'n optiek niet meer relevant, of in elk geval niet allesbepalend. Hier moet ook de keuze voor het jij-perspectief mee te maken hebben. Die creëert afstand in wat een al te intieme setting kan worden (het eigen lichaam, hoewel Auster dat beschrijft als een soort Elckerlyc).
In een interview op Cutting edge zegt Auster over de keuze voor dat perspectief juist het tegenovergestelde. Het creëert intimiteit: ‘Door de tweede persoon enkelvoud te gebruiken, creëerde ik een zeker intimiteit. Ik ben tegen mezelf aan het spreken alsof ik een vreemdeling voor mezelf ben. Het leest alsof ik aan het fluisteren ben. Tegelijkertijd voelt de lezer die steeds ‘jij’ leest zich ook aangesproken en begrijpt hij dat wat hij leest ook over hem gaat. Ik sta dus heel erg achter die misschien ongebruikelijke keuze omdat ze in mijn ogen noodzakelijk was.’
‘Everybody here is so young,’ zei hij terwijl we naar de uitgang liepen voor een sigaartje. Ik vertelde hem mijn leeftijd. ‘That’s what I mean.’ (Dank u, meneer Auster.) Toen Auster even oud was als ik nu zat hij behoorlijk diep in de put. Hij was nog niet de gevierde schrijver die hij nu is (schreef een handvol poëzie voor een handvol poëzielezers), was gescheiden van zijn eerste vrouw, had een dode vader in z’n kop, zat aan de grond en opgescheept met zichzelf. Het is hierom dat je ook als je de winter van je leven nog niet hebt bereikt, herkenning put uit die oudemannenmemoires. Ik ken Paul Auster niet anders dan de beroemde schrijver uit Brooklyn, maar dat is maar de helft van zijn leven.
In een indringende scène beschrijft Auster hoe hij redding vond uit deze impasse. Het zien van een repetitie van een moderne dansvoorstelling – zonder muziek! – betekent het scharnierpunt op weg naar de Auster zoals ik en iedereen hem kent. De dansers brengen hem terug bij zichzelf en daarmee ook bij zijn schrijverschap. De waarheid die hem geopenbaard wordt is opnieuw lichamelijk, het is een woordeloze waarheid. Via die dansers verbindt hij het schrijven weer aan het lichaam:
'op een bepaald moment begon zich iets in je te openen, voelde je jezelf door de spleet tussen woord en wereld vallen, de kloof die het menselijk leven scheidt van ons vermogen om de waarheid van het menselijk leven te bevatten of uit te drukken, en om redenen die je nog steeds verbazen, vervulde die plotselinge val door de ledige, onbegrensde lucht je met een gevoel van vrijheid en geluk, en toen de voorstelling was afgelopen, zat je niet meer vast, was je verlost van de twijfels waaronder je het voorbije jaar gebukt was gegaan.'
Verderop schrijft hij: 'Schrijven begint in het lichaam, het is de muziek van het lichaam' ... 'Schrijven als een mindere vorm van dans.' Dat mag zo zijn, maar schrijven is wel een meer blijvende vorm dan dans. Alle schrijvers schrijven om bewaard te blijven, zo zei Auster ook in het vraaggesprek van zaterdag. Je mag in de winter van je leven zijn gekomen, en steeds dichter het einde naderen, die personages blijven bestaan ook nadat jij er niet meer bent.
Eigenlijk had ik aan Auster willen vragen of hij zich wel eens bezig heeft gehouden met boeddhisme and the likes. Maar dat durfde ik niet, of het kwam er niet van. Maar die leegte en stilte fascineren me, ook omdat mijn eerste reactie na het uitlezen was: ik ben er stil van. Misschien komt het omdat ik nu ook bezig ben in het kleine boek met de grote titel Wat is wijsheid van Jan Bor, waarin hij vertelt over zijn persoonlijke onderzoek naar deze vraag – die hem leidt langs zen en het boeddhisme en uiteindelijk aan de rand van de afgrond, een immense leegte doet belanden. Een woordeloze waarheid, zoals Auster hierboven schrijft. Deze passage beschrijft haast hetzelfde als Bor doet, maar dan vreugdevol in plaats van beangstigend. Dat laat zien dat ‘waarheid’ niets met vreugde of pijn te maken heeft, niet positief of negatief is, niet het goede is of het kwade. Het is. En in dat zijn zitten pijn en genot aan elkaar verknoopt als twee koppen aan hetzelfde lichaam, zoals Socrates op de ochtend van zijn sterfdag zegt (ik lees ook nog eens Faidon erbij).
Ik vroeg Auster daarentegen of hij wel eens van moeder droomt. Het hele boek door gaat het over de dood van zijn moeder en dan, op het eind, vertelt hij over de gesprekken die hij in zijn dromen voert met zijn vader (gesprekken die hij zich niet herinnert – ook weer een stille waarheid). Nee, hij droomde vrijwel nooit van zijn moeder. Maar de dood van zijn vader was ook veel langer geleden, zei hij, alsof het al dan niet van iemand dromen daarmee samenhangt.
Toen uiteindelijk alle tweehonderd mensen hun drie boeken hadden laten signeren, schoof ik mijn exemplaar van The invention of solitude naar voren over de tafel. Het boek, dat deels gaat over de dood van zijn vader, heeft veel voor me betekend. Het exemplaar is een flodderige Penguin-paperback, maar toch wilde ik juist hierin een handtekening hebben. Vooruit, ook in Winterlogboek. Ik vroeg hem of Winterlogboek voor hem verbonden is met The invention of solitude – het ene gaat over zijn vader, het andere, de laatste, over zijn moeder. ‘They are!’ riep hij. Auster pakte de twee boeken en hield ze op schouderhoogte, de armen ver uit elkaar. ‘But they are thirty years apart!’ Wat als je er goed over nadenkt inderdaad bizar is.
Kijk de lezing hier terug.
Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes
30/06/11 16:52 Denk aan: Literatuur

Dat onbevredigende gevoel bleef me ook bij na het lezen van de roman Op zee van Toine Heijmans. Het is goed geschreven, beklemmend en bovendien geïllustreerd met prachtige tekeningen. De ik-figuur gaat maandenlang alleen zeilen. Op het laatste stukje, van het noorden van Denemarken terug naar Harlingen, krijgt hij gezelschap van zijn zevenjarige dochter. Al vanaf de eerste bladzijden weet je dat het mis zal gaan en de tekeningen van een zwarte, dreigende zee maken dat je angstig verder leest.
Zonder te verklappen wat er misgaat en hoe dat vervolgens afloopt, wil ik toch iets zeggen over het einde. Het zette me aan het denken over wat ik verlang van eindes - en dus van een leeservaring. Met zo'n vijftig bladzijden te gaan, bemerkte ik dat mijn angst veranderde; ik was niet meer bang voor de zee en voor die vader met zijn veel te jonge dochter. Ik was bang dat het toch nog goed ging aflopen. Dat is raar. Ben ik een sadist die alleen geniet van het allerergste lijden? Wil ik mezelf zo graag pijnigen met de scherpste pijn die een personage kan ondergaan? Iedereen gaat dood en niets komt ooit goed!
Het deed me denken aan Ronald Giphart. Ik had een kleine twitterdiscussie met hem over een van zijn roman Ik omhels je met duizend armen. Het verhaal van de dood van zijn moeder, een vreselijke episode. En toch had ik daar aan het eind ook zo'n onbevredigend gevoel, omdat het gek genoeg leek alsof alles toch nog goed kwam, ondanks de dood. Een prachtig afscheid, een familie samengebracht in verdriet, een les geleerd. Haast feelgood. Het maakte me boos. (Laat ik het erop houden dat ik het las vanuit een zeer persoonlijke zoektocht naar iets van 'zingeving'.)
Vervolgens las ik zijn andere roman IJsland en verdomd, daar gebeurde hetzelfde. Ondanks de trieste gebeurtenissen, toch een 'goed einde’ of misschien moet ik zeggen een zinvol einde. En dus een onbevredigend gevoel. Wat is dat toch? Misschien moet ik toch concluderen dat ik simpelweg niet tegen goede eindes kan. Maar waarom? Noem ik mezelf niet tegelijkertijd een optimist in hart en nieren? Dan zou ik goede eindes moeten omarmen met duizend armen.
Nee, ik voel me voor de gek gehouden. Mijn eerste ingeving is: het is niet realistisch. Een onzinargument, want het allerergste is over het algemeen niet realistisch. In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: 'ik ga er niet dood aan'. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. Realistisch is het dus juist wel, zelfs 'hij werd wakker en het bleek allemaal een droom'.
Het is dan ook erger: ik voel me écht voor de gek gehouden, zoals je dat voelt bij de droom die als een konijn uit de hoge schrijvershoed komt. Aan het eind van Op zee verandert het perspectief. Dan weet je wel hoe laat het is (meer verklap ik niet) - je bent voor de gek gehouden. Hetzelfde gebeurde in IJsland: wij lezers wisten niet alles, maar waren samen met de hoofdpersoon voor de gek gehouden.
Eigenlijk stoppen deze verhalen waar ze hadden moeten beginnen: met een zwierig gebaar wordt het konijn uit de hoge hoed getrokken en dan valt het doek. Maar wat ik wil weten is wat er achter dat doek gebeurt. Ik wil niet de buiging van de goochelaar zien, ik wil hem zijn make-up zien afpoetsen. Je moet tot op de bodem graven en zelfs als de bodem een rotsbodem blijkt te zijn, wil ik weten wat dáár nog eens onder zit. Dat is bikkelen, bikkelen met een verroeste pikhouweel.
Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
31/03/11 18:59 Denk aan: Wetenschap

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.
Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.
Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.
Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.
Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.
En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).
Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.
De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.
Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
18/03/11 20:53 Denk aan: Film
L'année dernière à Marienbad is zo'n Franse film uit begin jaren zestig met bloedmooie acteurs en een onduidelijke verhaallijn. Experiment in de kunst heeft veel te maken met tijd, misschien omdat tijd raakt aan alle aspecten van kunst. Een verhaal ontvouwt zich in de tijd, maar niet altijd - of misschien wel nooit - rechtlijnig. Om tijd te ervaren heb je je geheugen nodig, maar het geheugen is onbetrouwbaar. Ieder mens heeft zijn eigen geheugen. Tijd heeft ook te maken met perspectief, je kunt een verhaal steeds opnieuw vertellen in een ander perspectief en het zal steeds anders zijn. Tijd kromt, in de natuurkunde en in het leven. Dat op de voorgrond plaatsen is wat gebeurt in experimentele kunst.

De mensen hebben schaduwen, maar de ruimte niet
Wat mij vooral interesseert in de beeldende kunst, ook in L'année dernière à Marienbad, is niet het moment dat de tijd kromt of vervormt, niet de meerdere perspectieven of het onbetrouwbare geheugen, maar de tijd die stilstaat. Dat is nu precies wat in literatuur niet kan. (Haast niet kan.) Abandoned images. Ik weet niet waar ik die term vandaan heb, maar die woorden zijn precies wat ik bedoel. Ook deze film wordt daarmee gespeeld. Hoe vaak wens je niet dat je tijd stil kon zetten, niet per se omdat het moment zo mooi is, maar om je ervan te vergewissen dat je geheugen je niet in de steek laat. Of op zijn minst de tijd langzamer te laten lopen, om je meer tijd te gunnen om de gebeurtenissen in je op te nemen. Soms gaat de tijd opeens vanzelf heel langzaam, maar dat is meestal een teken van verveling.

Abandoned images. Misschien komt het door de samenvoeging van 'verlaten', wat een menselijke aanwezigheid suggereert die er niet meer is, met 'beeld', een ding dat is losgezongen van de mens, los van de mens bestaat. Het is de uitdrukking van de afwezigheid en daardoor des te meer van de aanwezigheid. Dat wat er ooit was en nu voorgoed voorbij is, zonder boe of ba opgegaan in een verleden dat niet bestaat. Het duidelijkst is dat in de foto van het verlaten feest.

Alles is stil en in de stilte hoor je wat er is geweest. Je hoort terwijl je kijkt dat wat er niet meer is. Dat kan alleen in de beeldende kunst. Nee, niet alleen in de beeldende kunst.
'Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.' Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)

Overlook Hotel
Of zie je dat wat er gaat komen? Is dit niet een verlaten feest maar de voorafschaduwing van iets veel ergers? Dat wat weggaat kan terugkomen. Ook al bestaat het verleden niet, de toekomst komt eraan. De toekomst bestaat ook niet, volgens dezelfde regels. Maar het heden verandert, daarin verdwijnen niet alleen dingen, maar komen dingen ook tot stand.

Abandoned images zijn een samenballing van de angst dat alles is verdwenen en de angst voor wat er nog gaat komen. Of de hoop dat alles is verdwenen en de hoop op wat er komen gaat. Nee, dat laatste is niet waar. Er is altijd dreiging, de dreiging van wat schuilgaat in de toekomst. Sommige mensen putten hoop uit die dreiging. De meeste mensen zijn er bang voor. Wat zie je in de bosrand?
'De bosrand is een topos van het sprookje, daar eindigt het werkelijke en begint het wonderlijke. [En op die overgang staat alles, ook de tijd, stil.] Het levende bos van In de ban van de ring. Het bewegende bos van Macbeth (dat een nepbos is, maar als je in Schotland naar de bossen op de heuvels kijkt, begrijp je dat dat niet uitmaakt). De rand van het bos is als een huid: zowel deel van het lichaam als de grens van het lichaam, waarbinnen onzichtbare, onbegrijpelijke en intense dingen gebeuren. … Als we de huid opensnijden en er binnen gaan komt iets heel anders tevoorschijn dan wat achter de ongeschonden rand leefde. Een dood, bloedend systeem. … In het bos van dit gedachtekunstwerk vind je een open plek ('open plek in het bos' drie letters - tra) die als een uitgestrekte bedstee is, met wuivend gras, veldbloemen en konijnen. Je ziet die plek niet, maar uit alles spreekt dat hij er is, onvindbaar maar aanwezig.' (Gedachtekunst: De bosrand)

Overlook Hotel
Het bloed dat schuilgaat en zich een weg naar buiten perst. The Shining speelt in een verlaten hotel, waar de tijd stil lijkt te staan. Wat verlaten is kan altijd terugkomen en met wat voor kracht... Die kracht toont zich in de film juist in het stille, vertraagd afgedraaide beeld en eigenlijk nog meer in de filmstill. Ik krijg hier rillingen van (hoewel dat misschien ook komt door de herinnering aan het verloop van de film). Dit plaatje is zowel het vervolg op een abandoned image als zelf een abandoned image. Eerst zien we een ruimte, die de adem inhoudt (de adem van de mensen die er ooit nog rondliepen). Dan is er het bloed dat met geweld de ruimte inneemt. Hier is die beweging - hop - stilgezet. Nu is de beweging verlaten.

'Perhaps their arrogance became too pronounced, and their persistent denial of the spiritual. For it is as if the cold and damp have returned. Tiny signs of fatigue are appearing in the solid, modern edifice. No living person knows it yet, but the gateway to the Kingdom is opening once again.' (Riget)

Compositie met twee lijnen
Ook dit is een abandoned image. Maar verlaten waardoor? 'Mondriaan, zei Kounellis, heeft de schaduw uit de schilderkunst verwijderd.' (Rudi Fuchs in De Groene Amsterdammer) Opeens valt het op dat de beelden allemaal plat, bijna zonder schaduw zijn, zoals die eerste uit L'année dernière à Marienbad. Komt hier nog wel iets áán, op ons toe, vanuit de niet-bestaande toekomst? Rudi Fuchs schrijft: 'Zoals de lijnen nu verschoven zijn, suggereren ze een soort openvouwen van ruimte (of wit licht), als bij het openen van een boek.'
'Het witte vlak dringt zich naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt. Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen. (Over Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw)

Berger en Visconti
Mensen hebben schaduwen, maar zijn evengoed verlaten.
[Het format met foto’s en associaties heb ik gejat van This Recording, een weergaloos blog uit de VS)


De mensen hebben schaduwen, maar de ruimte niet
Wat mij vooral interesseert in de beeldende kunst, ook in L'année dernière à Marienbad, is niet het moment dat de tijd kromt of vervormt, niet de meerdere perspectieven of het onbetrouwbare geheugen, maar de tijd die stilstaat. Dat is nu precies wat in literatuur niet kan. (Haast niet kan.) Abandoned images. Ik weet niet waar ik die term vandaan heb, maar die woorden zijn precies wat ik bedoel. Ook deze film wordt daarmee gespeeld. Hoe vaak wens je niet dat je tijd stil kon zetten, niet per se omdat het moment zo mooi is, maar om je ervan te vergewissen dat je geheugen je niet in de steek laat. Of op zijn minst de tijd langzamer te laten lopen, om je meer tijd te gunnen om de gebeurtenissen in je op te nemen. Soms gaat de tijd opeens vanzelf heel langzaam, maar dat is meestal een teken van verveling.

Abandoned images. Misschien komt het door de samenvoeging van 'verlaten', wat een menselijke aanwezigheid suggereert die er niet meer is, met 'beeld', een ding dat is losgezongen van de mens, los van de mens bestaat. Het is de uitdrukking van de afwezigheid en daardoor des te meer van de aanwezigheid. Dat wat er ooit was en nu voorgoed voorbij is, zonder boe of ba opgegaan in een verleden dat niet bestaat. Het duidelijkst is dat in de foto van het verlaten feest.

Alles is stil en in de stilte hoor je wat er is geweest. Je hoort terwijl je kijkt dat wat er niet meer is. Dat kan alleen in de beeldende kunst. Nee, niet alleen in de beeldende kunst.
'Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.' Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)

Overlook Hotel
Of zie je dat wat er gaat komen? Is dit niet een verlaten feest maar de voorafschaduwing van iets veel ergers? Dat wat weggaat kan terugkomen. Ook al bestaat het verleden niet, de toekomst komt eraan. De toekomst bestaat ook niet, volgens dezelfde regels. Maar het heden verandert, daarin verdwijnen niet alleen dingen, maar komen dingen ook tot stand.

Abandoned images zijn een samenballing van de angst dat alles is verdwenen en de angst voor wat er nog gaat komen. Of de hoop dat alles is verdwenen en de hoop op wat er komen gaat. Nee, dat laatste is niet waar. Er is altijd dreiging, de dreiging van wat schuilgaat in de toekomst. Sommige mensen putten hoop uit die dreiging. De meeste mensen zijn er bang voor. Wat zie je in de bosrand?
'De bosrand is een topos van het sprookje, daar eindigt het werkelijke en begint het wonderlijke. [En op die overgang staat alles, ook de tijd, stil.] Het levende bos van In de ban van de ring. Het bewegende bos van Macbeth (dat een nepbos is, maar als je in Schotland naar de bossen op de heuvels kijkt, begrijp je dat dat niet uitmaakt). De rand van het bos is als een huid: zowel deel van het lichaam als de grens van het lichaam, waarbinnen onzichtbare, onbegrijpelijke en intense dingen gebeuren. … Als we de huid opensnijden en er binnen gaan komt iets heel anders tevoorschijn dan wat achter de ongeschonden rand leefde. Een dood, bloedend systeem. … In het bos van dit gedachtekunstwerk vind je een open plek ('open plek in het bos' drie letters - tra) die als een uitgestrekte bedstee is, met wuivend gras, veldbloemen en konijnen. Je ziet die plek niet, maar uit alles spreekt dat hij er is, onvindbaar maar aanwezig.' (Gedachtekunst: De bosrand)

Overlook Hotel
Het bloed dat schuilgaat en zich een weg naar buiten perst. The Shining speelt in een verlaten hotel, waar de tijd stil lijkt te staan. Wat verlaten is kan altijd terugkomen en met wat voor kracht... Die kracht toont zich in de film juist in het stille, vertraagd afgedraaide beeld en eigenlijk nog meer in de filmstill. Ik krijg hier rillingen van (hoewel dat misschien ook komt door de herinnering aan het verloop van de film). Dit plaatje is zowel het vervolg op een abandoned image als zelf een abandoned image. Eerst zien we een ruimte, die de adem inhoudt (de adem van de mensen die er ooit nog rondliepen). Dan is er het bloed dat met geweld de ruimte inneemt. Hier is die beweging - hop - stilgezet. Nu is de beweging verlaten.

'Perhaps their arrogance became too pronounced, and their persistent denial of the spiritual. For it is as if the cold and damp have returned. Tiny signs of fatigue are appearing in the solid, modern edifice. No living person knows it yet, but the gateway to the Kingdom is opening once again.' (Riget)

Compositie met twee lijnen
Ook dit is een abandoned image. Maar verlaten waardoor? 'Mondriaan, zei Kounellis, heeft de schaduw uit de schilderkunst verwijderd.' (Rudi Fuchs in De Groene Amsterdammer) Opeens valt het op dat de beelden allemaal plat, bijna zonder schaduw zijn, zoals die eerste uit L'année dernière à Marienbad. Komt hier nog wel iets áán, op ons toe, vanuit de niet-bestaande toekomst? Rudi Fuchs schrijft: 'Zoals de lijnen nu verschoven zijn, suggereren ze een soort openvouwen van ruimte (of wit licht), als bij het openen van een boek.'
'Het witte vlak dringt zich naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt. Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen. (Over Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw)

Berger en Visconti
Mensen hebben schaduwen, maar zijn evengoed verlaten.
[Het format met foto’s en associaties heb ik gejat van This Recording, een weergaloos blog uit de VS)

