Richard Rorty en het nieuwe pragmatisme

levenskunst
'Nu komt het aan op je idealisme, Miriam.' 'Ik ben wel idealistisch, omdat ik geloof dat je de wereld een beetje beter kunt maken. Maar niet voorgoed en niet op recept. Daarvoor blijf ik te veel een pragmaticus.' Ik droom niet altijd in filosofische dialoogjes, zeer zelden zelfs, maar blijkbaar had de Levenskunstlezing over Richard Rorty en het pragmatisme een snaar geraakt. Ik noem mezelf dan ook vaak pragmatisch, met als enige principe de Sartriaanse absolute vrijheid die absolute verantwoordelijkheid met zich meebrengt (dat principe laat ook weinig ruimte over voor de rest).

De pragmatische moraal verwijst simpel gezegd naar dat wat werkt in een bepaalde situatie. Ze is dus altijd afhankelijk van de context (en ik zou willen toevoegen: van de personen waar het om gaat). Deze 'anti-fundamentalistische' instelling vindt haar grond in het perspectivisme, de filosofische richting die het bestaan van één waarheid ontkent. Een waarheid is altijd ván iemand of voortkomend uit een wereldbeeld, een tijdgeest. De waarheid die toevallig wordt gezien als dé waarheid is gewoonweg de versie van degene met de meeste macht. Zie Nietzsche en Wittgenstein, maar ook Thomas Kuhn en zijn beschrijving van de geschiedenis van de wetenschap. Hoe we de wereld zien en hoe de wetenschap de wereld beschrijft, is veel meer afhankelijk van het paradigma waar we in leven dan dat het een waarheidsgetrouwe afbeelding van de werkelijkheid is.

Pragmatisme wordt nogal eens een eufemisme voor opportunisme genoemd. Onterecht, zegt Maarten van Buuren in zijn lezing, want opportunisme is handelen uit eigenbelang, terwijl het filosofisch pragmatisme begrepen moet worden als een ethiek gericht op het algemeen belang. Het blijft nogal vaag waaruit dat algemeen belang dan bestaat en vooral: wie dat bepaalt. Wat het werk van Rorty node mist, concludeert Van Buuren, is een reflectie op macht. Continentale denkers als Michel Foucault hebben laten zien dat machtsverhoudingen juist omdat ze vaak onzichtbaar blijven, steeds in het vizier van de filosofie moeten staan. 

Het algemeen belang - laten we zeggen, dat met het grootste nut voor de samenleving - is natuurlijk niet waar ik op duid als ik mezelf pragmaticus noem. Dan gaat het om mijn eigen beslissingen en keuzes. Misschien staat de val van het opportunisme dan alsnog wagenwijd open? Ik denk het niet. Want eigenlijk grijp ik vooral naar het pragmatisme in gesprekken met anderen, als een vriend me een probleem voorlegt of als ik samen met collega's voor een dilemma sta. Dan dwingt een pragmatische houding je te luisteren naar het hele verhaal, waarin precies de context van het probleem of dilemma zich ontvouwt. Zonder vooroordelen en al helemaal zonder zo'n gebruiksaanwijzing achter de hand die verdeeld is in twee kolommen: wat is uw probleem, onderneem dan de volgende acties.

Het pragmatisme, zo kwam ook naar voren, is bij uitstek een literaire filosofie. Niet zo gek, als het juist draait om context, situatie, personen en hun verhoudingen ten opzichte van elkaar - of, zo je wilt, hun machtsrelaties. Als een bruikbare ethiek op het niveau van de samenleving schiet het misschien op punten tekort, toch denk ik dat het waardevol blijft voor de individuele levenskunst. En misschien wel de enige manier om praktisch invulling te geven aan die verdammte vrijheid en verantwoordelijkheid.

Kijk de lezing hier terug.



Bookmark and Share
Comments

Wat is de mens - revisited

olifant
Dat er niet één verhaal te vertellen is over de mens, de geschiedenis, over wat dan ook, daar is iedereen zo langzamerhand wel van doordrongen. De consequenties daarvan pakken soms nog verschillend uit. De één wordt relativist: de waarheid bestaat niet en vooruitgang ook niet, de mens speelt altijd theater en is als een ui zonder kern, alle kunst is evenveel waard want over smaak valt niet te twisten. De ander blijft vasthouden aan een vorm van zekerheid; we kunnen heus wel onderscheid maken tussen iets wat meer waar is dan iets anders, of mooier of echter.

Vaak is dat criterium van zekerheid ergens in het zelf verankerd. Als ík vind dat de rol van intellectueel voor mij authentieker is dan de rol van feestbeest, als ik overtuigd ben van deze wetenschappelijke theorie en niet van die andere, als ik kan zeggen waarom een schilderij van Mondriaan beter is dan het gefriemel van mijn neefje, dan moet daar iets in zitten. Zelf behoor ik tot de laatste groep, ik houd niet van relativisme. Hoewel ik de bezwaren van de pragmatische zekerheid ken en levensgroot acht. Want wie ben ik om als criterium voor de waarheid te gelden? Nou ja, ik ben een mens, zoveel is zeker. De vraag is dus: 'Wat is de mens'?

Marcus Düwell, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, haalde in zijn lunchlezing Kant aan: in de vraag 'wat is de mens' laten alle vragen van de filosofie zich samenvatten. 'Wat is de mens': aan die vraag valt ten eerste op dat hij de mens objectiveert, als een ding dat je kunt onderzoeken. Een het. Dat is natuurlijk wetenschappelijk verantwoord. Eerder schreef ik over de definitie van het object mens door Frans de Waal en Dick Swaab, die de mens inderdaad 'apart zetten' om hem aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen (ook al is dat dan in een vergelijking met apen zoals De Waal doet of door te focussen op één onderdeel, namelijk de hersenen bij Swaab). De derde definitie, door Gerard Visser, behelsde een herformulering van de vraag. Wát een mens is? Antwoord: een wie. De juiste vraag is dan 'Wie is de mens?' Je voelt al meteen dat je in die herformulering overgaat van een algemene uitspraak op een individuele. Kun je in algemene termen over de mens spreken, of moet je hem altijd benaderen als uniek persoon? Of is dit gewoon een kwestie van ofwel wetenschap ofwel filosofie (of kunst) bedrijven?

Düwell liet zien dat er ook in de wetenschap verschillende perspectieven op de mens zijn, die op gespannen voet met elkaar kunnen komen te staan. Er is het natuurwetenschappelijke perspectief dat de mens ziet als een dier (waartoe De Waal en Swaab behoren). Dan is er het culturele perspectief, dat zich richt op de artistieke scheppingen van de mens en ten slotte is er het morele perspectief, dat uitgaat van de ethische overwegingen, de mens als vrij wezen. Het zijn in feite drie manieren om de mens te beschrijven, niet zozeer drie verschillende definities. Zoals de olifant uit het bekende voorbeeld. Een blinde voelt aan de olifant en beschrijft hem. Maar hij voelt een poot, terwijl zijn vriend de slurf vasthoudt. Uiteindelijk heeft niemand de ware olifant gezien, want de olifant is al zijn eigenschappen bij elkaar.

De perspectieven stemmen enigszins overeen met de drie voorbeelden waar ik mee begon: de waarheid die al dan niet bestaat, de kunstzinnige smaak waar al dan niet over te twisten valt en het zelf dat al dan niet authentiek of vrij is. Je kunt niet één van die perspectieven boven alle andere plaatsen of tot verklaring van alles bombarderen. Vooral de natuurwetenschappers doen dat wel, aldus Düwell. Zij monopoliseren het antwoord op de vraag wat de mens is. Met de grootste vanzelfsprekendheid wordt het biologische als bewijs voor van alles aangehaald (zelfs voor de meest tegenstrijdige zaken, zoals egoïsme bij Richard Dawkins en empathie bij Frans de Waal). Terwijl het niet logisch is. Móet ik moreel doen omdat ik niet anders kan, ben ik moreel omdat de apen het ook zijn? Zo gesteld lijkt dat inderdaad een absurde aanname.

Eigenlijk hebben we in het dagelijks leven niet zoveel last van dit soort vragen. Zoals veel filosofen ook zeggen: of de vrije wil nu bestaat of niet, het belangrijkste is dat de mens het idee heeft dat hij bestaat. Dat is al reden genoeg om erover na te denken. Dat getuigt mijns inziens ook van een frisse, open instelling die zweeft tussen het relativerende ontkennen en jezelf beschouwen als criterium voor de waarheid. Ik hou wel van zulk pragmatisme, ook in de filosofie.

Kijk de lezing terug op de nieuwe website van Studium Generale (!).
En lees ook Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken



Bookmark and Share
Comments

Perfectionisme? Doe mij maar ijdelheid

ijdelheid
Ik ben best ijdel. Hoe ouder ik word, hoe slechter het te ontkennen valt. Gelukkig ben ik ook lui en pragmatisch. Daardoor valt het niet zo op, die ijdelheid van mij. Aan make-up heb ik een hekel - opmaken kost te veel tijd en het bijhouden is onhandig en vergeet ik. Niettemin: zelfs als ik op zondagochtend de tuin in stap om een lege wijnfles bij het glas te zetten, heb ik mascara op. Als ik een patatje haal op de hoek, check ik eerst mijn haar in de spiegel. En sinds ik mijn eerste rimpel heb ontdekt, is er iets... kapot. Lees verder
Comments

Pessimisten zijn niet intelligent, maar ongelukkig

Om pessimisme hangt vaak een aura van intelligentie en ervarenheid - reden genoeg om jarenlang mijzelf een pessimist te noemen. Tot ik erachter kwam dat het gewoonweg niet waar was en ik tot mijn schaamte moest bekennen een optimist te zijn. Nu ben ik er trots op. Was ik niet zo optimistisch dan zou ik bijna een hekel krijgen aan al die zwartkijkers die nog steeds denken intelligenter en ervarener te zijn. Het enige wat ze zijn is ongelukkiger. Lees verder
Comments

Goed genoeg gemoed

geraamte_huis
Zat ik eergisteren nog existentieel te walgen achter mijn bureau, twee dagen later zijn de klusjes geklaard. Zoals dat wel vaker gaat, is een diep dal nodig om hoge pieken te bereiken (excuus voor deze tegelwijsheid). Vandaag heb ik de subsidieaanvraag mét zelf in elkaar gedraaide begroting en plenning persoonlijk overhandigd op het bureau van het Universiteitsfonds. Toch ruim een dag voor verstrijken van de deadline. Sindsdien loop ik met knikkende knieën rond, dus ik hoop dat ze snel uitsluitsel geven. Als ik mijn retorische, begrotende en plennende krachten goed genoeg heb ingezet, als ik met andere woorden het geld binnensleep, mag ik een groots en meeslepend project gaan leiden. Oioioi. Lees verder
Comments

Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo'n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. 'Maar ik heb niet de pretentie te weten dat...' is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. 'Je moet je toch ergens op baseren,' was dan de terechte repliek, 'je hebt toch wel enige principes.' 'Ja,' zei ik. 'Mezelf.' Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit - in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht - is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

'Die kinderen,' zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo'n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.



Bookmark and Share
Comments