Namendiefstal

Radboudstichting wordt Stichting Thomas More

Je bent een goedwillend mens, een brave burger. Je paspoort is bijna verlopen, dus je vraagt ruim op tijd een nieuwe aan. Maar het pakketje met nieuwe paspoorten, waarin ook dat van jou zit, bereikt nooit het gemeentehuis. Onderweg is het gestolen door mensenhandelaars en andere onderwereldfiguren. Dan word je midden in de nacht ruw uit bed gehaald door agenten met kogelvrije vesten en getrokken pistolen. ‘Meekomen!’ ‘Maar ik heb niets gedaan, ik ben een goedwillend mens, een brave burger,’ probeer je. Helaas, je naam is niet meer van jou. Identiteitsfraude, heet dat met een juridische term. Het betekent meer dan een regel in het strafboek. Je bent niet alleen je paspoort kwijt. Je bent jezelf kwijt.

In zo’n geval zit er soms maar één ding op: je naam veranderen.

De vergelijking met mensenhandelaren en onderwereldfiguren lijkt misschien wat overdreven. Toch helpt het om je voor te stellen hoe het is als iemand opeens jouw naam gaat gebruiken, zoals de Radboudstichting overkwam. Iemand pikt niet alleen je naam, maar slaat de spiegel waarin je jezelf altijd hebt herkend in gruzelementen. Het ergste zijn de mensen die niet begrijpen hoe ernstig dat is, die zeggen, ach het is maar een naam, een paspoort. We helderen het op en gaan over tot de orde van de dag. Die orde bestaat namelijk niet meer.

U merkt wel, namen liggen nogal gevoelig bij mij. Ondergetekende (kijk nog maar eens goed) is nooit slachtoffer geweest van paspoortroof of identiteitsfraude, maar kampt met een ander probleem, dat hiermee te maken heeft. Ik moet mijn naam altijd spellen. Ik heet geen Miriam Rasch, maar Miriam-met-een-i Rasch-met-es-cee-ha. En dan vragen ze nog niet eens naar mijn tweede naam (Dueholm). Ook al spel ik mijn naam, de meeste mensen noemen me Mirjam, Myriam of zelfs Meriam. Tas, Los, Ros, Hasj. Vrienden die ik al jaren ken, denken nog steeds dat ik Mirjam heet. Ze schrijven het zelfs op de uitnodiging voor hun bruiloft. ‘Ik kom niet hoor!’ roep ik dan. (Ik ga natuurlijk wel en zet met grote, zwierige letters mijn naam in het gastenboek.)

Ik kan me erg opwinden over verkeerd gebruikte of gespelde namen. Niet omdat ik een frikkig type ben dat met een rietje de misspeller op de vingers wil tikken. Mensen die niet weten hoe je heet, weten ook niet wie je bent. Ze beroven je van je identiteit. Een Mirjam is anders dan een Miriam. En mevrouw Los een ander dan (mejuffrouw) Rasch.

Daarom kan ik me heel goed voorstellen wat de Radboudstichting heeft bewogen om haar naam te veranderen. De grote vraag is alleen: wat zou Thomas More ervan denken?

Miriam Rasch

[verschenen als column in More 85, april 2010. Kijk ook op www.thomasmore.nl] Lees verder
Comments

Geheim

Denk eens terug aan de eerste keer dat je een geheim had. Uit de trommel een snoepje gepikt en niemand die het weet. Een wereld gaat open: de binnenwereld. Bij het begin van een nieuw decennium wil ik pleiten voor een herwaardering van het geheim.

Ik pleit niet voor leugens. Wat begint met liegen over een gepikt snoepje, waaiert uit tot gedachten en dromen die je met niemand deelt, omdat er geen woorden voor zijn. Of gewoon omdat je houdt van stilte. Tegenwoordig staan geheimen gelijk aan leugens. Je wilt iets niet prijsgeven? Dan zal je wel iets in je schild voeren. Een geheim is per definitie verdacht. Lees verder
Comments

Stilte

Het is vaak een rommeltje in mijn hoofd, een rommeltje van geluid. In het achterhoofd klinkt een liedje, de frontaalkwab huist futiele gedachtes die gaan over koffiezetten en oversteken, en rond de stam draait een langzame, donkere kolk van levensvragen, zonder veel woorden, maar met een aanhoudende ruis.

Juist daarom houd ik van een heel speciale uitvinding: stilte. De stilte die ontstaat als je je mond houdt. Dat is best moeilijk. Luister naar de mensen om je heen en je merkt meteen dat bijna niemand het vak beheerst van stil te zijn.

Als je stil bent, is het alsof woorden en beelden rustig neerdalen, als afgevallen bladeren die door elkaar wervelen tot de wind gaat liggen. Pas als ze stil liggen, kun je ze echt bekijken en tot je door laten dringen. Stil zijn is tijd geven.

Nu is af en toe je mond houden iets anders dan uren achtereen de stilte toe te laten, dat geef ik toe. Toch hangen ze samen; het ene kan niet zonder het andere bestaan, het ene is een voorbode van het andere.

Zelf ben ik ook geen volleerd stiltekunstenaar. Mijn eerste lessen leerde ik tijdens sollicitatiegesprekken. Dat klinkt prozaïsch en misschien ook merkwaardig, maar juist op een sollicitatiegesprek is het essentieel om jezelf tijd gunnen stil te zijn. Hoe makkelijk is het niet om direct nadat een vraag is gesteld te beginnen met praten, zodat je geen antwoord geeft op de vraag, maar alleen de stilte opvult met geluid.

Als je het eenmaal een beetje onder de knie hebt, dwingt het ook respect af, heb ik gemerkt. Stil zijn getuigt van lef. Er is een kleine zelfoverwinning voor nodig om je mond te houden, al is het maar vijf seconden. Misschien zijn de meeste mensen bang om tijd verspillen. Of om niet gehoord te worden. Toch word je een stuk beter gehoord na vijf seconden stilte. Het kost niet veel, tijd is een gecondenseerd product en respect in die zin goedkoop. Stil zijn is tijd geven, aan jezelf.

Eén keer voerde ik het te ver door, toen was ik zo lang stil dat men dacht dat ik een black-out kreeg. Het is een kunst, die je lang moet oefenen voor je hem beheerst. Zes seconden kan al te veel zijn en een ongemakkelijke situatie veroorzaken. De stiltekunstenaar is noodgedwongen een autodidact.

Laatst kwam ik erachter dat stil zijn niet het hoogste is dat je kunt bereiken. Voorbij de stilte ligt een nog veel moeilijker kunst om te leren: spreken. Spreken? Ja, spreken, zonder stopwoordjes en zinloos gebabbel, het spreken dat volgt op de stilte. De grootste stiltekunstenaars zijn redenaars. Zij hebben hun gedachten zo op orde dat ze zonder stil te vallen en zonder prietpraat spreken. Hun rommeltje is opgeruimd.

Zover ben ik nog niet. Voorlopig geniet ik van de stilte, van het kijken naar de neergedwarrelde bladeren in mijn hoofd.

[verschenen als column in Radboud info 82, december 2009] Lees verder
Comments

Oordeel

Er zijn mensen die niet van muziek houden. Ja echt. ‘Daar heb ik niks mee,’ zeggen ze, alsof het over oude auto’s gaat. Je mag niet oordelen over de voorkeuren van een ander, dus ik zeg er verder niets over.

Nog vreemder zijn mensen die niet van dieren houden. Vooral omdat er voor iedereen wel een geschikt dier te vinden is. Ik heb zelf drie katten, die ruiken zo lekker in hun nek en zijn lui en ongenaakbaar. Anderen kiezen misschien voor een paard (edel) of een papegaai (spraakzaam) of diepzeevissen (koel en mysterieus).

Nu ga ik te ver. Dieren mag je geen menselijke eigenschappen toedichten, heb ik geleerd. Een papegaai kan nog zo spraakzaam lijken omdat hij geluiden uitstoot, dat betekent niet dat hij praat, laat staan dat hij iets te zeggen heeft. Mijn kat lijkt misschien wel tot over haar oren verliefd op de rode kater van de buren, liefde is een concept dat ik daarop plak. Eigenlijk is dat het meest respectloze wat je kan doen, omdat het voorbij gaat aan de aard van het dier, die dierlijk is en niet menselijk. Het dier is ook een ander, over wie je niet mag oordelen.

Aan de andere kant: is het niet juist het mooiste wat je kan doen? Is dat niet waarom mensen van dieren houden? Ze nodigen je uit tot een verstandhouding. Maar omdat je niet weet wat er in het beestje omgaat, zal het altijd een zoekende verstandhouding zijn. Uiteindelijk moet je accepteren dat je elkaar nooit echt zult kennen.

Dag in dag uit leef je samen, zie je de poes nuffig en zogenaamd ongeïnteresseerd bij het kattenluikje zitten tot de buurkat opduikt, en elke dag moet je constateren dat je met een wildvreemde je huis deelt. En dat je juist daarom met haar je huis deelt.

Het verschil met muziek is misschien niet zo groot. Keer op keer luister ik naar een liedje en moet ik erkennen dat ik het niet begrijp. Ik loop over straat met mijn oordopjes in en voel hoe mijn tred lichter wordt. Maar ik kan niet uitleggen waarom.

Dier en muziekstuk – beide leren ze je dat je niet op het eerste gezicht of eerste gehoor kunt oordelen. Ze bestaan en jij mag daarbij aanwezig zijn. Al zou je een oordeel uitspreken, dat horen ze toch niet, het verandert niets aan wie of wat ze zijn. Een positie die noopt tot bescheidenheid.

Wat zegt dat dan over die anderen, die niets met muziek hebben of niet van dieren houden? Daar oordeel ik niet over.

[verschenen als column in Radboud info 81, september 2009] Lees verder
Comments

Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo'n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. 'Maar ik heb niet de pretentie te weten dat...' is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. 'Je moet je toch ergens op baseren,' was dan de terechte repliek, 'je hebt toch wel enige principes.' 'Ja,' zei ik. 'Mezelf.' Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit - in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht - is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

'Die kinderen,' zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo'n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.



Bookmark and Share
Comments

Leesvoer

Omdat de klus der klussen - het buitenschilderwerk - alle energie opvreet, een makkelijk blogje met verwijzingen naar leesvoer elders van mijn hand.

Twee exclusieve voorpublicaties:
Mijn column voor de Radboud info, nieuwsbrief van de Radboudstichting
De ziel gevangen, Recensie Edith Brugmans (red.) De ziel in de literatuur, ook voor Radboud info

Op 8WEEKLY staat alweer even Alles is interpretatie, Recensie van Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant Lees verder
Comments

Rasch is tevreden

Het is zover: mijn eerste column in de Radboud info is verschenen! Mét foto. Merkwaardig om jezelf aan te kijken op de achterkant van een nieuwsbrief. Ik las mijn naam vijf keer: goed gespeld? goed gespeld! Pas na een paar uur durfde ik de column zelf te lezen, bang dat er een gigantische fout in zat of een onbegrijpelijke wending. Niets van dien aard, sterker nog, ik vind hem voorlopig geniaal. Binnenin een klein biografietje van ondergetekende, dat nog het meest vervreemdend is. Daar staat mijn leven dan samengevat in een kadertje: van geboorte via studie naar dit weblog. In de derde persoon natuurlijk. Maar ook hier is Rasch tevreden mee. Lees verder
Comments

Reflecties over een foto I

miriam_ogen
Zou er een moeilijker beroep zijn dan portretfotograaf? De meeste mensen houden er niet van om op de foto te gaan, ze voelen zich letterlijk bekeken en daardoor ongemakkelijk. Zou er een dankbaarder beroep zijn dan portretfotograaf? Als je goed bent, geef je mensen iets unieks waar ze de rest van hun leven plezier aan kunnen beleven: een mooi portret. Lees verder
Comments