Druk druk druk
24/03/11 21:51 Denk aan: Wetenschap

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?
Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.
Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.
Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.
Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?
Kijk de lezing terug: Tijdnood?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Comments
Georg Simmel - Metropolis. Leven in de grootstad
19/01/11 10:14 Denk aan: Filosofie

Ik had nog nooit van de beste man gehoord. Reden temeer om hier een kort stukje over hem te schrijven. Simmel was een Duitse filosoof uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Nietzsche- en Kantkenner en een van de grondleggers van de sociologie. Metropolis geldt dan ook als verplichte kost voor sociologiestudenten. Simmel is een observator, een fenomenoloog avant la lettre. Zoals in Metropolis, waarin hij het leven in de grote stad beschrijft zonder daarbij van tevoren een waardering uit te spreken of een richting te kiezen. Daardoor is het stuk soms wat verwarrend: positieve en negatieve kwalificaties wisselen elkaar af, zonder dat Simmel daarin positie kiest. We moeten ook niet oordelen, maar begrijpen, zo eindigt Simmel het stuk.
Hoe leven mensen dan in de grootstad? En hoe leven ze met elkaar? Beschrijvingen van de individuele beleving en van de grote, maatschappelijke structuren wisselen elkaar af. Ze illustreren en verhelderen elkaar, als in een hermeneutische cirkel waarin het deel iets zegt over het geheel en het geheel over het deel. Zoals het een negentiende-eeuwse socioloog betaamt dus. Maar ook inhoudelijk blijkt de verhouding tussen deel en geheel, tussen individu en maatschappij de kern van het betoog te vormen. In de grote stad ben je één van velen. Op het platteland één van weinigen. Op het platteland kent iedereen je, zonder dat je daar moeite voor hoeft te doen. Sterker nog: je mag je niet onderscheiden, want daarmee val je buiten de groep. In de stad heb je juist een plicht om op te vallen.
Wat ik aardig vond aan Simmels stuk is de passage over specialisatie. We kennen allemaal het schrikbeeld van de marxistische vervreemding. Alle arbeiders verrichten nog maar zo'n klein, gespecialiseerd deeltje van het totale werkproces, dat ze totaal vervreemd raken van het geheel, van het eindproduct. Maar bij Simmel leidt specialisatie leidt niet per se of niet alleen tot vervreemding, maar ook tot individualiteit. Je moet je door specialisatie onderscheiden van alle anderen die hetzelfde kunnen als jij. Iets vinden wat alleen jij kunt aanbieden. Oftwel, op z'n eenentwintigste-eeuws: een unique selling point.
Simmel beschrijft een opeenvolging van stadia, die ook toepasbaar zijn op de ontwikkeling van de mensheid als geheel (opnieuw deel en geheel dus). Allereerst zijn er de kleine gemeenschappen waarin iedereen een vaste rol heeft, die op een hiërarchische manier geordend zijn. Hoe hoger in de hiërarchie je staat, hoe meer vrijheid je hebt. De minst vrije mens, bijvoorbeeld een kind, leeft in de kleinste, beperkte wereld (het gezin). Mannen (natuurlijk mannen) die in de geschiedenis iets groots hebben verricht, stonden allemaal juist in een veel groter, omspannend netwerk, bijvoorbeeld op staatsniveau.
Die kleine gemeenschappen bewegen in de richting van meer gelijkheid en nivellering van de hiërarchie. Het was het ideaal van de Franse Revolutie. De ideale mens was de algemene mens, weliswaar vrij, maar niet onderscheidend. Dat komt pas met de Romantiek. Dan wordt individualiteit het hoogste goed. Op zoek naar je unieke ik, de allerindividueelste emotie en gedachte.
De metropolis, zegt Simmel, is de plek waar deze verschillende tendensen tegen elkaar strijden. Met die aantekening dat de individualisering dus de sterkste tendens lijkt te zijn in de grootstad. Een beetje abstract wordt het dan. Maar de beweging richting vrijheid en individualisering die hij beschrijft, waarbij je een steeds groter verband moet opzoeken (oftewel uit de kleinere verbanden moet breken), vind ik een mooie.
Volgende keer gaan we Aantekeningen uit het ondergrondse van Dostojevski lezen. Uiteraard mijn keuze en uiteraard komt er dan ook hier iets over te lezen.
Objectieve gevolgen van subjectieve interpretaties
21/07/10 10:06 Denk aan: Filosofie

Een bekende sociologische uitspraak zegt: 'If men define situations as real, they are real in their consequences.' De situatie of context is op zichzelf niet een 'werkelijkheid'. En de manier waarop je de situatie ziet en interpreteert ook niet. Elk mens doet dat op zijn eigen, individuele manier. Maar je handelt wel naar die interpretatie en dat handelen is wél reëel. De niet-reële interpretatie heeft dus reële gevolgen. Om terug te komen op de herinneringen: ook al zijn ze niet echt, ze kunnen heel reële gevolgen hebben.
Ik kwam de uitspraak tegen in De ogen van de ander van Christien Brinkgreve. (Ondertitel: De sociale bronnen van zelfkennis.) Het is een sociaal-wetenschappelijk werk en geen filosofische exercitie, waardoor het me een beetje tegenviel. Maar het citaat hierboven had ik niet willen missen. De uitspraak staat bekend als het Thomas-theorema van W.I. Thomas (Brinkgreve schrijft W.F. Thomas), en stamt uit 1928. Het is een kernachtige formulering van de ondeelbaarheid van het echte en onechte.
De bekendste voorbeelden van het theorema hebben met economie te maken. Op Wikipedia is een grappig voorbeeld te vinden. 'The 1973 oil crisis resulted in the so-called "toilet paper panic." The rumour of an expected shortage of toilet paper - resulting from a decline in the importation of oil - caused people to stockpile supplies of toilet paper and this caused a shortage. This shortage, seeming to validate the rumour, is also an example of a self-fulfilling prophecy.'
De stelling is ook toe te passen op dagelijks leven, op wie je bent. Zoals bij herinneringen: de herinnering mag dan gebrekkig zijn of gebaseerd op een fictie, ze stuurt de keuzes die je maakt. Dat is niet erg, maar wel iets om je bewust van te zijn. Jouw interpretatie van de werkelijkheid is op zichzelf niet objectief, maar heeft wel 'objectieve' gevolgen. Dat is de eerste stap naar zelfrelativering en reflectie. En open communicatie met anderen. Brinkgreve: 'Als mensen van zichzelf en elkaar zien hoe hun cognities [dus hun definitie van een bepaalde situatie] over en weer zijn en hoe deze kunnen verschillen, kan dat schelen in misverstand en miscommunicatie, in vele arena's van het bestaan.'
Alles is perceptie, heet het ook wel eens. Ik ben echter geen aanhanger van het solipsisme, dat alleen wil uitgaan van wat bestaat in de waarneming en het bewustzijn van een individu. Juist de reële gevolgen van die waarneming en dat bewustzijn maken het leven interessant. In Chemische reacties schreef ik, naar aanleiding van het cliché dat een boek je leven kan veranderen: 'Een niet-bestaande wereld komt binnen in de mens, gaat een chemische reactie aan met alles wat in dat mens leeft aan opvattingen, herinneringen, wensen, dromen, en komt vervolgens weer naar buiten in handelingen, uitspraken, beslissingen - kortom een materieel veranderde wereld.'
Brinkgreve stipt ook kort aan dat dit een thema is in zowel wetenschap als literatuur. Op de literatuur gaat ze verder niet in. Terwijl dit nu juist is wat literatuur vermag: verhalen laten zien hoe een individuele interpretatie van een situatie die situatie verandert (liefst uit de hand laat lopen, anders is het niet boeiend). Is dat niet wat in tragedies gebeurt? Of in de romans van Thomas Rosenboom en Dostojevski? Dat zijn natuurlijk - fictieve - extremen. Maar let er eens op in je eigen leven: welke definitie plak jij op een situatie, en welke reële gevolgen heeft die definitie dan? En welke definitie geven anderen van hetzelfde?