Studium Generale
Zijn wij ons brein? E-book en afscheid
16/05/12 07:29 Denk aan: Wetenschap

Gedrag ontstaat dankzij materie, maar kan daar niet uit worden afgeleid.
Dit citaat uit de bijdrage van neuroloog Jan van Gijn schreef ik alweer lang geleden over in mijn notitieboekje. Nog steeds blader ik er regelmatig naar terug (mijn geheugen laat me op dit soort momenten altijd in de steek). In zo'n eenvoudige zin zet Van Gijn de hele discussie neer en geeft meteen de problemen van te ver doorgevoerd reductionisme aan. Het hele boek staat vol met dit soort overwegingen - eenvoudig, niet nodeloos ingewikkeld, maar ook diepgaand en niet nodeloos versimpelend.
Mijn favoriete essay is dat van dr. Martijn van den Heuvel. (Ook weer een neuroloog, opvallend.) Van den Heuvel benadert het brein en al die vurende neuronen die wij zogenaamd zouden zijn vanuit de chaostheorie. In het onderstaande filmpje legt hij uit waarom wij niet ons brein zijn; we zijn de verbindingen in ons brein, het 'connectome'. Een overtuigende theorie als je het mij vraagt.
Juist omdat deze beschrijving van het brein - en daarmee samenhangend de vrije wil en het lichaam-geest-probleem - geworteld is in de materie maar tóch ruimte weet te laten aan chaos, verandering en de beheersing daarvan, spreekt ze zo aan.
Mijn 'ik' is dan misschien niet meer dan functionele interacties tussen anderhalve kilo structurele connecties, maar het zijn wel míjn connecties die leiden tot een uniek, zelfgeorganiseerd evenwicht. Geïnitieerd door mijn genen en gevormd door mijn ervaringen en omgeving. Een prachtige creatie, volledig uniek, onvoorspelbaar en voor elk mens anders.
Nogmaals de link om het e-boek te downloaden met naast de essays van Martijn van den Heuvel en Jan van Gijn ook stukken van filosofen, taalkundigen, juristen et cetera, gratis en voor niks (en ik kan je vertellen dat er heel veel uren in zitten, ook van mij): Zijn wij ons brein?
Veel plezier ermee!
Vandaag is mijn laatste werkdag bij Studium Generale. Per 1 juni ga ik aan de slag bij de Hogeschool van Amsterdam bij het Instituut voor Netwerkcultuur en als docent.
Comments
Alasdair MacIntyre: via je eigen verhaal verbonden met de traditie
03/05/12 21:56 Denk aan: Filosofie

MacIntyre stelt dat het vertellen van verhalen aan elkaar en over jezelf weer voor eenheid kan zorgen. Verhalen zijn doelgericht maar ook onvoorspelbaar – net zoals het leven. Deugden kunnen daarbinnen weer zorgen voor een vorm van continuïteit. Het project om het gemeenschapsdenken weer een plaats te geven in de ethiek verdient waardering, zegt prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing over MacIntyre in de serie Levenskunst. Dat de uitwerking daarvan niet op ieders steun kan rekenen, bewijst de vurige discussie die prof. dr. Maarten van Buuren na afloop met hem aanging. Hoeveel individuele vrijheid ben je bereid in te leveren voor een stevige sociale orde?
Post-morele ethiek
De Schotse filosoof zorgde met zijn in 1981 verschenen boek After virtue voor een revival van de deugdethiek en het gemeenschapsdenken. Wat bijzonder is, is dat hij de moderne opvatting van de mens als individu niet ontkent, maar juist binnen het gemeenschapsdenken een plaats wil geven. Niettemin levert MacIntyre fikse kritiek op dat individualisme waar we onze liberale samenleving en moraal op hebben gebouwd. Niet een erg stevig fundament, vindt MacIntyre. Sterker nog: er heeft zich een ramp voltrokken in de morele cultuur en wat op het spel staat is het redden van de moraal.
De moderne moraal is te formuleren naar John Rawls: recht gaat boven goed. Dat wil zeggen, de verhoudingen tussen burgers moeten wettelijk geregeld zijn, maar de moraal (het ‘goed’) is neutraal, niet van hogerhand opgelegd. Wat goed is, is ieders vrije keuze. MacIntyre noemt dit een ‘post-morele ethiek’. Je hebt daar niets aan, want elke positie is te verdedigen zonder ooit tot overeenstemming te komen. De één is voor oorlog, want de democratie moet bevochten worden; de ander tegen oorlog, want elk mensenleven is doel op zich. Vóór abortus, want de vrouw heeft recht op zelfbeschikking; tégen abortus, want de mens mag niet ingrijpen in kwesties van leven en dood. ‘Dat vind ik nu eenmaal zo,’ is de dooddoener voor elke hedendaagse morele discussie.
Vrijheid en verbondenheid
Hoe nu deze betekenisloze moraliteit weer te reactiveren – zonder echter de gegevenheden van het liberalisme te negeren? Anders gezegd: op welke manier zijn vrijheid en verbondenheid aan elkaar te koppelen?
MacIntyre doet dat door zich te richten op de concrete praktijken van een samenleving. Daarvoor gaat hij terug naar de doelgerichte ethiek van Aristoteles. Ook wij leven ons leven met een doel voor ogen, dat we in de praktijk van ons leven proberen te optimaliseren. Bovendien is dat doel ingebed in een sociale orde en in een traditie. Bijvoorbeeld de praktijk van je beroep – huisarts, schrijver, onderwijzer. Daaraan geef je in je eigen, particulieren leven een persoonlijke betekenis, die echter niet los te zien is van de traditie.
Absolute vrijheid bestaat niet
En de deugden? De deugden van Homerus verschillen van die van Aristoteles, die weer mijlenver verwijderd zijn van die van het christendom. De rode draad is dat ze altijd in dienst staan van het doel en altijd ingebed zijn in de sociale orde. Ook deugden zijn daarom een manier om continuïteit en samenhang te creëren. Maar pas door het vertellen van verhalen komt die echt tot uitdrukking. Letterlijk, namelijk door de conversatie tussen mensen; maar ook door ons eigen leven te zien als een narratieve structuur. Het levensverhaal heeft een begin, midden en eind, personages daarin hebben intenties en zijn ingebed in een setting. En dat verhaal is weer verbonden met een geschiedenis, die voorbij het individu strekt. Je staat in een geschiedenis waarbinnen je speelruimte hebt om je eigen verhaal te maken.
De vraag is zo bezien niet hoeveel vrijheid je bereid bent in te leveren. De absolute vrijheid die we allemaal omarmen en die een erfenis van Sartre kan worden genoemd, bestaat volgens MacIntyre niet – en Joep Dohmen lijkt hem daarin te volgen. Maarten van Buuren verklaart zich daarentegen zeer fel Sartriaan. Welke kant kies jij? Of valt er niets te kiezen?
Kijk de lezing en discussie hier terug: Alasdair MacIntyre – Na de deugd. De laatste lezing van Levenskunst is op dinsdag 5 juni en gaat anders dan in eerste instantie aangekondigd over Richard Rorty en het pragmatisme.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Onderzoek naar muziek; muziek als onderzoeksmethode
11/04/12 15:39 Denk aan: Wetenschap

Taal-bias
Onderzoekers van muzikaliteit hebben nogal eens last van een ‘taal-bias’. Franse en Duitse baby’s huilen verschillend, en dat wordt dan al gauw verklaard als een eerste teken voor taalgevoel. Maar waarom niet als gevoel voor muzikale kenmerken? Die lijken zich nog veel eerder te uiten, al bij baby’s van slechts een paar dagen oud. Bovendien blijkt uit onderzoek dat bij het luisteren naar muziek het hele brein betrokken is, anders dan bij taal. Al heel gauw leren we veel van onze aangeboren muzikaliteit weer af, door bijvoorbeeld gewenning aan westerse muziek. Honing is vooral geïnteresseerd in de fase die hieraan voorafgaat. Dat we muzikaal zijn, is vastgesteld, maar waarom zijn we dat? Wat maakt ons tot het muzikale dier bij uitstek?
Culturele voorkeuren
Honing definieert muzikaliteit met twee eenvoudige punten: relatief gehoor en maatgevoel. Voor beide geldt: het is eigenlijk pas bijzonder als je het niet hebt. We hebben altijd veel bewondering voor muzikanten met een absoluut gehoor, maar dat is een eigenschap die we bijna allemaal hebben en bovendien delen met heel veel dieren. (We kunnen alleen niet allemaal even goed benoemen wat we horen, bijvoorbeeld ‘dit is een cis’.) Relatief gehoor heeft te maken met melodie. Luistertestjes tonen aan dat inderdaad vrijwel iedereen een melodie herkent en ook hoort wanneer er een maat mist. Een foto van de Bee Gees, vergezelt van de woorden ‘Stayin’ Alive’ is genoeg om het betreffende liedje op de juiste toonhoogte en (bijna) het juiste tempo te zingen, zo laat André Klukhuhn horen, die als proefkonijn optreedt.
We hebben dus een goed geheugen voor toonhoogte en ritme. Al snel wordt dit ingevuld met culturele ‘voorkeuren’ en gewenning. ‘Cultuur neemt het over in je gevoeligheden voor ritme,’ aldus Honing. Zo herken je makkelijk een fout ritme als dat past bij de westerse harmonieleer (bijvoorbeeld in een tweekwartsmaat), maar wordt dat al moeilijker als het om een afwijkend ritme gaat (bijvoorbeeld 7/8).
Dansende kaketoe
Baby’s van een paar dagen oud hebben zoals gezegd al maatgevoel en als ze een paar maanden oud zijn wiebelen graag mee op muziek. Waarom is dat? En doen andere dieren dan de mens vergelijkbare dingen? Om dat te begrijpen wendt Honing zich tot de biologie. Dit onderzoek loopt nog en er zijn dus nog geen definitieve resultaten te geven. Maar enkele opmerkelijke zaken zijn wel naar voren gekomen. Apen kunnen goed drummen, toch? Nee, zij vertonen ‘ritmisch gedrag’, maar kunnen geen maat houden. Maar kijk hieronder eens naar Snowball de dansende kaketoe. Als het tempo van de muziek wordt opgeschroefd, doet Snowball dat ook. De mens heeft hierin iets gemeen met de kaketoe, wat de aap moet missen. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met ‘vocal learning’, het imiteren van geluiden, zoals deze vogels en mensen beide doen (zie daarover ook de lezing van prof. Johan Bolhuis in de serie Na Darwin).
Heeft muzikaliteit dan vooral te maken met het leren van taal? Henkjan Honing ziet het graag nog breder: muziek maken en luisteren is een manier om te spelen. In dat spel is ruimte om te leren, in een volkomen veilige omgeving. Niet alleen taal of communicatie, maar ook omgaan met het onverwachte (een missende slag), met verrassende wendingen en last but not least, met emoties. Muziek als allervroegste onderzoeksmethode, als laboratorium, als proefopstelling, als experiment. Een mooie gedachte om na de Kunst- en wetenschapslezing nog lang te laten rondzingen.
De lezing van Henkjan Honing is helaas niet opgenomen. Kijk voor een impressie bijvoorbeeld naar zijn TED-talk van TEDxAmsterdam uit 2011.
Kaketoe Snowball:
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dingen denken, dingen doen, dingen veranderen: do-it-yourself
28/03/12 10:57 Denk aan: Wetenschap

Beste vrienden met je ouders
Misschien kwamen die grote maatschappelijke problemen – jeugdwerkloosheid, leegstand – pas een paar jaar later echt aan de oppervlakte. In het begin van de jaren tachtig verandert ook de punk- en kraakscène; die wordt steeds extremer en de reacties van de autoriteiten verharden mee. Is dat wat ons nu ook te wachten staat? Een steeds terugkerende vraag is waarom jongeren nu, 35 jaar later, zo weinig hun stem laten horen, niet massaal de straat op gaan of zich zelfs maar afzetten tegen de generaties boven hen. Je zou kunnen zeggen dat het ondanks de crisis nog steeds ‘té goed’ is hier in Nederland. Is het weer tijd om de mensen wakker te schudden?
Een stevig (generatie)conflict, waardoor je weer ‘dingen gaat denken, dingen gaat doen’ is misschien precies wat de crisis nodig heeft, lijkt Thomas van Aalten te vinden. Het is de vraag of generatieconflicten nog wel van deze tijd zijn. Tegenwoordig zet je je niet meer af tegen je ouders, maar ben je vrienden van elkaar. Beste vrienden zelfs. Leonor Jonker herkent dat wel. Van Aalten en Jonker schelen minder dan tien jaar, maar tussen hen tekent zich een groot verschil af: ergens in die tien jaar is de verhouding tussen jeugd en ouders totaal veranderd, van conflict naar vriendschap. Dat verandert ook de houding tegenover verzet en protest.
Punk in alle huiskamers
Je kunt je afvragen of de geest van verzet wel echt zo wijd verspreid was in de jaren zeventig en tachtig. Punkers en krakers maakten maar een heel klein deel van de bevolking uit, vormden een echte underground-cultuur, geconcentreerd in de grote stad. Hebben we daar niet een vertekend beeld van? En is het wel eerlijk als we de hele jeugd van nu vergelijken met zo’n kleine groep van toen? Martijn Haas ging op zoek ging naar de mooie, spannende verhalen voor zijn geschiedenis van de Amsterdamse jaren tachtig, verteld aan de hand van losgeslagen en uitzonderlijke types.
Zoals Mike von Bibikov, hoofdpersoon van zijn laatste boek Bibikov for President, die de bestaande politiek wilde ontkennen en een nieuwe staatsvorm bedenken. Met zijn partij De Reagering nam hij deel aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen om zo de politiek van binnenuit te veranderen (met weinig succes). Met de piratenzender Rabotnik TV werd ingebroken op de kabel zodat Bibikov in alle huiskamers te zien was. Toch wel iets anders dan YouTube, waar ook elke zonderling zich kan laten zien, maar niemand ernaar hoeft te kijken.
Do-it-yourself
Het gaat er ook niet zozeer om of de punkmentaliteit representatief was voor de jaren tachtig (natuurlijk was zij dat niet, we kennen ook allemaal de gepolijste muziek uit die tijd, het ‘greed is good’ van Gordon Gekko en de suffige bloemkoolwijken in provinciestadjes). Belangrijker is te luisteren naar wat het meisje in de punkwinkel No Fun zegt: we moeten dingen doen en denken en dan kunnen we misschien wel iets veranderen. Het is die eenvoudige overtuiging – ‘do-it-yourself’, ga niet zitten wachten tot iemand het voor jou doet – die de moeite waard is om weer leven in te blazen. Daar heb je geen idealen of generatieconflict voor nodig. En wat het idee erachter is? Dat bedenken we over een jaar of dertig wel.
Kijk voor meer beeld, verhalen en discussie: Van underground tot commercie in muziek, kunst en tv met Thomas van Aalten, Martijn Haas en Leonor Jonker. Hans Achterhuis ging eerder in op de achtergronden van de ideologie van de jaren zeventig en tachtig: De utopische ideologie van anarchisten en kapitalisten en Caroline Nevejan sprak in een persoonlijk verhaal over kraken en hacken tot ontwerp en bestuur.
Lees ook:
Strijden voor een utopisch ideaal of kapitaal: anarchisten, marxisten en neoliberalen
Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur: praktisch idealisme
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Epicurus: natuurlijke verlangens als leidraad voor levenskunst
07/12/11 14:34 Denk aan: Filosofie

Atomisme
Epicurus' natuurkunde en kenleer vormen de basis voor zijn ethiek. Hij is een atomist; de werkelijkheid bestaat volgens hem uit atomen en leegte. We kennen die werkelijkheid alleen via de waarneming, via de zintuigen dus. Ook de waarneming is atomair. De beelden die bij ons binnenkomen zijn 'dunne vliesjes' die van de atomen onze zintuigen binnendringen. Dat geldt zelfs voor onze voorstelling van goden en mythes en voor onze dromen. Waarneming is bovendien altijd waar, omdat ze rechtstreeks uit de werkelijkheid afkomstig is. Het zijn onze meningen over en interpretaties van wat we zien die eventueel een onwaarheid zijn.
Ook de geest en ziel zijn atomen. Atomen die als je dood gaat vervliegen. Een onsterfelijke ziel bestaat volgens Epicurus niet en er is geen leven na de dood. Goden zijn er wel, maar ook zij zijn gemaakt van stof. Ze huizen ergens ver weg tussen de planeten en bemoeien zich niet met de mensen. Epicurus is met andere woorden een empiricus in hart en nieren. Er is geen enkele reden om bang te zijn voor de goden dan wel voor de dood.
Genot of welzijn?
Uit deze empirische leer volgt haast vanzelf dat ook Epicurus' ethiek natuurlijk is. Het doel van ons leven is door de natuur bij de geboorte meegegeven en het is aan ons om dat doel te verwerkelijken. Wat is dat dan? Epicurus staat bekend als de filosoof van het genot, de aartsvader van het hedonisme, maar eigenlijk is dat een verkeerde voorstelling van zaken. Zoals veel filosofen noemt ook Epicurus 'geluk' als het doel. Bij hem bestaat geluk uit iets als 'welzijn', zegt Maarten van Buuren.
Hedonisme associëren we met ongebreideld genot, met veel eten, veel drinken en veel seks. Maar het epicurisme is juist een levenskunst van matigheid. Welzijn bestaat uit het volgen van de natuurlijke verlangens en het uit de weg gaan van de onnatuurlijke verlangens. Eten hebben we nodig om te overleven, dat zit in de natuur. Copieus dineren hebben we echter niet nodig. De beperking van de verlangens gaat best ver. Epicurus beweert zelfs dat seks geen natuurlijk verlangen is, omdat we ook zonder wel in leven blijven. Het zegt iets over de individualistische inslag van Epicurus' ethiek. En het is een duidelijk pre-darwinistisch standpunt, zou je daaraan toe kunnen voegen.
Vriendeschap om het nut
Aan de andere kant doet de utilitaristische houding van Epicurus juist weer denken aan een evolutionair gegronde moraal. Als het gaat om deugden, komt de focus op het nut sterk naar voren. Deugden zijn voor Epicurus middelen om het doel - geluk - te bereiken. Dit in tegenstelling tot de deugdethiek van Plato en Aristoteles, die de deugden juist definieerden als eigenschappen die (ook) doel op zichzelf zijn. Zelfs een deugd als vriendschap is volgens Epicurus in de kern gebaseerd op nut. Dat levert nogal wat discussie op. Joep Dohmen haalt Montaigne aan, die over zijn boezemvriend zei: 'Omdat hij het was, omdat ik het was.' Dat is vriendschap ontdaan van elke nutsgedachte. Maarten van Buuren gelooft echter wel in Epicurus' opvatting dat elke vriendschap, hoe diep en waardevol die uiteindelijk ook wordt, altijd haar oorsprong vindt in het nut. Vriendschap als een natuurlijk verlangen, gebaseerd op de noodzaak tot overleven: dat klinkt toch haast als evolutionaire psychologie avant la lettre.
Gaat een natuurlijke moraal dan altijd gepaard met zo'n utilitaristische opvatting van deugden? De winst van Epicurus is dat hij laat zien dat geluk binnen ieders bereik ligt en dat angst onnodig is. Noch de dood, noch de goden hoeven we te vrezen. Het is ook mooi dat Epicurus er niet van uitgaat dat de afwezigheid van de goden leidt tot decadentie en degeneratie. Het afschaffen van angst hoeft niet per se mateloosheid met zich mee te brengen, omdat we juist worden teruggebracht naar wat de natuurlijke verlangens zijn. Maar als de relativering van waarden als vriendschap en rechtvaardigheid de prijs is die we daarvoor moeten betalen, hebben we dat er dan voor over?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Eindejaarslijstje: favoriete Studium Generale-lezingen in 2011
14/12/11 10:36 Denk aan: Wetenschap
Het klinkt als een open deur of 'wij van wc-eens adviseren wc-eend', maar het was lastig een top 3 samen te stellen uit de vele lezingen die ik dit jaar bij Studium Generale heb begeleid. Maar vooruit.
1. Was there a 'Time' before the Big Bang? - Prof. dr. Renate Loll
Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
2. Levenskunst: Wu Wei. Doen door niet te doen door prof. Maarten van Buuren
Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat 'wu wei' verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde
3. Sigmund Freud door Paul Schnabel in de reeks Kennis voor de toekomst
Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend
Voor mij persoonlijk was het interview 'live on stage' met prof. Frans de Waal op festival deBeschaving het meest bijzondere om te doen dit jaar. Hij vertelde voor een volle festivaltent over apen en mensen, over macht en seks, over gedrag en moraal. Daar is helaas geen opname van. (Behalve als degene die op de eerste rij zat met een videocamera zich alsnog meldt!)


Wat is tijd? Een van de meest raadselachtige vragen, die alle disciplines bezighoudt vanaf het begin van filosofisch en natuurkundig onderzoek. Renate Loll weet op een heldere en meeslepende manier uit te leggen wat de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen in de kwantummechanica betekenen als het gaat om tijd.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

Eigenlijk kon ik niet goed kiezen tussen deze lezing en die van Joep Dohmen over Aristoteles. Omdat 'wu wei' verder van mij af staat dan de ethiek van Aristoteles heb ik uiteindelijk voor deze lezing gekozen. Maar kijk ze vooral allebei.
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

Prof. Paul Schnabel houdt een historisch en persoonlijk verhaal over Sigmund Freud. Een voorbeeld van hoe de wetenschap om kan gaan met haar verleden, juist in de vorm van een toch wel controversieel figuur. Hoe verhoud je je als mens tot die geschiedenis, en als wetenschapper tegenover jezelf als persoon?
- Terugzien doe je hier.
- En/of lees: Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

Levenskunst: deugdethiek van Aristoteles verbinden met authenticiteit
10/11/11 18:33 Denk aan: Filosofie

Vader van de deugdethiek
De ‘vader van de deugdethiek’, zo mag je Aristoteles wel noemen, en de Ethica Nicomachea is zijn standaardwerk. Daarin definieert hij wat een deugd is, namelijk het juiste midden tussen twee extremen. Hoe dat precies werkt, laat hij zien in zijn beschrijving van allerlei deugden. Het bekendste voorbeeld: dapperheid is het midden tussen lafheid en overmoed. Het midden kun je niet cijfermatig berekenen, maar is afhankelijk van de persoon, de situatie en welke deugd in het spel is.
De deugdenleer is een praktische ethiek die een hoger doel dient. Aristoteles is teleoloog, wat betekent dat alles gericht is op een ultiem doel. En dat is: geluk. Maar wat is geluk? Dat kun je het beste begrijpen in de zin van ‘gelukt zijn’. Je bent gelukt als mens wanneer de menselijke natuur, het potentieel dat in je zit, zoveel mogelijk tot bloei is gekomen. De deugden zijn de manier om dat te bereiken. Dat gaat niet vanzelf, want een deugd vraagt oefening, herhaling en dus tijd, veel tijd. Uiteindelijk moet de deugd als een ingekraste lijn in het karakter zijn, een eigenschap die zo vaak uitgeoefend is dat ze een stabiele, betrouwbare gewoonte is geworden. Een houding.
Een beetje integer
Dit kun je een perfectionistische ethiek noemen, aldus Joep Dohmen, maar dat wil niet zeggen dat de mens die de deugd nog niet volledig onder de knie heeft, in het geheel ‘niet deugt’. De deugdethiek biedt juist een kader voor ontwikkeling. Dohmen haalt Paul van Tongeren aan, de specialist op het gebied van deugdethiek. ‘Je kunt best een beetje integer zijn’, hoe gek dat ook klinkt. De weg naar het beheersen van de deugd integerheid is lang en vraagt om veel ervaring. Maar iemand die zich al jaren bezighoudt met integriteit is uiteraard verder op die weg gevorderd dan een groentje dat net komt kijken – ook al hebben ze beiden de deugd niet tot in perfectie onder de knie.
Integriteit is meteen een goed voorbeeld van een moderne deugd, misschien wel het 21e-eeuwse equivalent van dapperheid. Dat deze tijd veel kan hebben aan een moderne ethiek van deugden is voor Joep Dohmen – na enige aarzeling, zo geeft hij toe – wel duidelijk. Er is nog wel veel denkwerk te verrichten. Aristoteles ging uit van het bestaan van een menselijke natuur die tot bloei moest komen. Kunnen wij nog wel uit de voeten met zo’n teleologische opvatting van mens en natuur? Is het na het postmodernisme nog wel mogelijk om te spreken over centrale waarden? En waar ligt de intrinsieke motivatie om deugden te ontwikkelen? Kort gezegd: ‘waarom zou je?’
Koppeling met levenskunst
In de koppeling met een waardenfilosofie, zoals de levenskunst, kunnen zulke vragen wellicht beantwoord worden. De levenskunst is zoals gezegd gericht op het individualistische begrip authenticiteit – een centrale waarde die open blijft en niet terugvalt op het bestaan van een welbepaalde menselijke natuur die op doelgerichte wijze tot bloei moet komen. Bij het leven van een authentiek leven zijn keuzes allesbepalend. Ook deugden draaien om keuzes; het juiste midden is niet iets wat je aangereikt krijgt, maar iets waarvoor je kiest. Daarnaast stemt de aandacht voor context in zowel de deugdethiek als de levenskunst overeen. Ligt hier het begin van een nieuwe richting in de filosofie? Joep Dohmen ziet genoeg werk klaarliggen. Het zal een lange weg zijn, maar gelukkig weten we nu dat elk stukje dat je aflegt op die weg ook telt; je kunt immers best een beetje wijzer worden.
Kijk de lezing van Joep Dohmen terug: Aristoteles – de deugd ligt in het midden. Bekijk voor meer informatie over deugdethiek ook de lezing van Paul van Tongeren, Klassieke deugden. Of lees Rolmodellen van Thomas More tot 50 Cent.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dickens IV: lees en leef niet naar de letter maar naar de geest
15/10/11 10:02 Denk aan: Literatuur

Charles Dickens was een ‘modernist’ zoals dat in de negentiende eeuw genoemd werd. Met zijn werk ageerde hij tegen onderdrukking en uitbuiting, en niet zonder succes. Hij was er niet alleen op uit om misstanden aan de kaak te stellen. Dickens geloofde ferm in het belang van verbeelding, verbeelding die gestimuleerd moet worden om uit te kunnen groeien tot moreel besef. In kinderen is die verbeelding nog levend. Het hele maatschappelijke systeem lijkt er echter op uit om de verbeelding uit te roeien, met uitwassen in het recht en onderwijs tot gevolg.
In de laatste van vier lezingen over Charles Dickens vertelde prof. Jan Lokin over de laatste jaren van de grote auteur, die haast in het harnas zou sterven en een veranderende, ietsje menselijker, maatschappij achterliet. Het is één ding om op de barricaden te klimmen en misstanden aan te klagen; Dickens ging het om iets fundamentelers, zo blijkt uit zijn liefde voor de verbeelding. Ook al werd hij dan een modernist genoemd, kenmerkend van Dickens was juist dat hij zich bij geen beweging of partij wilde aansluiten. Een partij is misschien bij uitstek een instrument dat de verbeelding om zeep helpt en een beweging loopt altijd het gevaar te verkeren in haar tegendeel.
Dat zie je bijvoorbeeld in A Tale of Two Cities, dat over de Franse Revolutie gaat. Eerst laat Dickens de enorme uitbuiting van de armen door de adel zien. Als het medelijden met die sloebers het hoogste punt bereikt, slaat de vlam in de pan en draaien de rollen om. Wat blijkt? De armen die de macht grijpen, voeren een schrikbewind dat niet onder doet voor dat van de adel. Dickens veroordeelt beide, of beter gezegd: veroordeelt onderdrukking op zich, wie ook onderdrukker of onderdrukte is. Het gaat niet om een politieke stellingname, maar om mensen.
Aan het eind van zijn leven kampte Dickens met vreselijke gezondheidsproblemen. Hij stierf op het toppunt van zijn roem; enkele maanden voor zijn dood was hij op audiëntie bij koningin Victoria en de prins en prinses van Wales waren als twee van duizenden bezoekers aanwezig bij zijn laatste voorlezing. Maar Dickens liet zich niet meeslepen en gaf zijn kinderen als laatste levensles de volgende woorden mee:
I commit my soul to the mercy of God through our Lord and Saviour Jesus Christ, and I exhort my dear children humbly to try to guide themselves by the teaching of the New Testament in its broad spirit AND TO PUT NO FAITH IN ANY MAN’S NARROW CONSTRUCTION OF ITS LETTER HERE NOR THERE.
Dat wil zeggen: lees niet naar de letter, maar naar de geest. Net als rechters zouden moeten doen, en dominees, politici natuurlijk, maar ook biografen van Dickens – eigenlijk alle volwassenen. Een actuele boodschap die niet vaak genoeg herhaald kan worden.
Kijk alle lezingen terug en lees de voorgaande nieuwsblogs via de programmapagina van Dickens. Literatuur als bron van kennis. De lezingen zijn opgenomen door Home Academy en verschijnen eind 2011 op cd.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dickens III: Dickens als sociale hervormer
14/10/11 09:59 Denk aan: Literatuur

‘He was so bald and had such big whiskers that he seemed to have stopped his hair, by the sudden application of some powerful remedy, in the very act of falling off his head and to have fastened it irrevocably on his face.’
De grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges vertelde eens over zijn moeder dat zij een groot Dickens-fan was. Ze had de romans zo vaak gelezen dat ze een willekeurig exemplaar uit de kast kon pakken, die op een willekeurige bladzijde kon openslaan om dan te beginnen met lezen. De personages die ze tegenkwam waren als oude vrienden, wier levensverhalen ze kende en waar ze zonder problemen, in welke episode ook, opnieuw in kon stappen. Dat moet ook te danken zijn aan die typische Dickensiaanse manier van karakteriseren – waardoor ook iemand die je ontmoet in het echt leven direct kan doen denken aan bijvoorbeeld Mrs. Merdle:
‘Mrs Merdle was not young and fresh from the hand of nature but was young and fresh from the hand of her maid. She had large unfeeling handsome eyes and dark unfeeling handsome hair and a broad unfeeling handsome bosom. Mrs Merdle’s first husband had been a colonel under whose auspices the bosom had entered into competition with the snows of North America and had come off a little disadvantage in point of whiteness and at none in point of coldness.’
Het bijzondere aan het werk van Dickens is dat hij deze gave om mensen haast vriendschappelijk te laten worden met zijn creaties, inzette om sociale hervormingen teweeg te brengen. Met Oliver Twist bijvoorbeeld, pakte hij de armenzorg aan. Een doelbewuste aanval op het zeer strenge regime van de workhouses, maar zonder iets in te leveren aan literaire kwaliteit. De scène waarin Oliver om een tweede bord pap vraagt, had meer invloed op de publieke opinie dan alle rapporten en notities van instanties bij elkaar. Zo heeft Dickens via de literatuur bijgedragen aan het ontstaan van sociale bewegingen. Hij behield zijn onafhankelijkheid door zich zelf niet aan te sluiten bij een van die bewegingen of zich politiek uit te spreken. Hij liet zijn romans en verhalen voor hem spreken – met ongekend resultaat.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dickens II: Dickens en het recht
13/10/11 09:55 Denk aan: Literatuur

De Engelse rechtspraak van de negentiende eeuw ging terug tot de vroege middeleeuwen. Vonnissen werden weliswaar op rechtvaardige wijze uitgesproken, maar de procedures die de rechtbank moest volgen waren zo traag, inefficiënt en ronduit absurd dat het vele tragische gevallen opleverde. Dat gold in het bijzonder voor de Chancery Court, die jaren of zelfs generaties kon doen over het afhandelen van een testament. In de tussentijd vervielen families in schuld en armoede, hoe groot de erfenis waar ze recht op hadden ook mocht zijn.
Al in zijn eerste boek The Pickwick Papers wil Dickens deze uitwassen van het recht aan de kaak stellen. Hij doet dat door zijn bijzonder scherpe observatievermogen te combineren met bijzonder scherpe humor. Neem zijn beschrijving van de Court of Chancery:
‘Mist overal. Evenveel modder in de straten, als hadden de wateren zich pas teruggetrokken van de oppervlakte der aarde en het zou niet vreemd zijn een Megalosaurus te ontmoeten van een veertig voet lang, die als een reusachtige hagedis tegen Holborn Hill opwaggelde; maar er kan nooit een mist komen zo dicht, modder en slijk zo dik, dat zij het kunnen halen bij deze in het duister tastende en voortsukkelende Court of Chancery, deze pestbrengende in zonden vergrijsde instelling in het zich van hemel en aarde.’
Met zijn aanklacht in de vorm van fictie wist Dickens een groot publiek te bereiken, groter dan met zijn journalistieke stukken waarin hij ook over de misstanden in het recht schreef. Hij raakte het publiek met zijn verhalen – die gebaseerd konden zijn op waar gebeurde zaken – in het hart. De publieke opinie keerde zich mede hierdoor tegen de verouderde rechtspraak en uiteindelijk zou de Chancery Court afgeschaft worden.
Dat gebeurde pas jaren later, vlak voor Dickens’ dood. Met zijn eerste boek had hij wel meteen zijn reputatie gevestigd als bestsellerauteur. Door zijn populariteit kon hij een groot publiek bereiken en verschillende sociale hervormingen op de agenda zetten.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dickens I: van schoensmeerfabriek tot schrijvend hervormer
12/10/11 14:56 Denk aan: Literatuur

In 2012 is het tweehonderd jaar geleden dat de Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren. Bij Studium Generale houdt professor Jan Lokin vier lezingen over het werk van Dickens en de betekenis daarvan in deze tijd. Hoewel de fabrieksarbeiders, weeskinderen en schuldenaars zoals Dickens ze beschreef niet meer van deze tijd lijken te zijn, zijn de romans waarin ze optreden nog steeds van grote waarde en schoonheid.
In de eerste lezing vertelt Lokin over de jeugd van Dickens, die gekenmerkt werd door financiële problemen in de familie, werk in een schoensmeerfabriek en – inderdaad – een bovenmeester met losse handjes. Maar ook door een fabelachtig geheugen gecombineerd met een enorme honger naar boeken. Bovendien was Dickens een acteertalent. Deze eigenschappen en omstandigheden bij elkaar opgeteld leggen de basis voor zijn schrijverschap.
Uit die toch wel extreme kinderjaren zijn drie gevolgen aan te wijzen die de rest van Dickens’ loopbaan hebben beïnvloed. Ten eerste is er de enorme productie van journalistiek en literair werk. Nooit meer zou Dickens slechte omstandigheden de baas laten worden over zijn leven. Financiële onafhankelijkheid werd voor hem een heilig doel, dat hij wist te realiseren door keihard te werken. Van loopjongen werkte hij zich op tot verslaggever in het parlement; hij reisde voor reportages door het hele land en schreef ondertussen zijn veelgelezen fictieve verhalen die als feuilleton in de krant verschenen.
Ten tweede legde Dickens zich toe op het bestrijden van de misstanden waar hij zelf zo onder gebukt was gegaan, van de gevangenis voor wanbetalers tot de schoensmeerfabriek en de letterlijk harde leerschool. Hij zou erin slagen de wereld met zijn boeken ook een klein beetje beter te maken. Maar hij hield ten slotte ook een jarenlange schaamte over aan de vernederingen die hij in zijn jeugd had meegemaakt. Niemand wist dat hij schreef uit persoonlijke ervaring en niet slechts uit professionele waarneming. Na zijn dood verscheen de eerste biografie gebaseerd op gesprekken met zijn goede vriend John Forster, waarin het zwijgen werd doorbroken. Nu konden de autobiografische elementen van zijn romans pas geduid worden.
Dickens blijkt zo een verbindingspunt te zijn van de grote geschiedenis van de Engelse maatschappij, de verpersoonlijking daarvan in een individueel leven én het begin van belangrijke hervormingen. Verleden, heden en toekomst komen in hem samen. En dan moet het verhaal over zijn schrijversloopbaan nog beginnen.
Kom volgende week luisteren naar deel twee van de serie over Dickens. Kijk hier de lezing over het leven van Dickens terug.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
De kroon op de evolutie
28/09/11 15:17 Denk aan: Wetenschap

Homo sapiens is een van de vierduizend levende zoogdiersoorten, samen met de apen behorend tot de primaten. De mens, zijn voorgangers en de mensapen stammen allemaal af van de vroege ‘hominide’. Die evolueert verder in een tak waaraan de chimpansees en bonobo’s ontspruiten, en een andere tak die via de eerste ‘mensachtigen’ zal leiden tot de mens. Dat afsplitsen van mens en aap gebeurde al miljoenen jaren geleden, terwijl de soort ‘homo sapiens’ pas 200.000 jaar geleden ontstaat.
Lees verder
De aarde als experimentele proeftuin: evolutie van het zoogdier
21/09/11 12:20 Denk aan: Wetenschap

Wat maakt een zoogdier tot een zoogdier? Dat is de vraag waarmee prof. Jelle Reumer het derde deel van Evolutie van de gewervelden opent. Er zijn veel kenmerken te noemen die in het oog springen: haargroei bijvoorbeeld, of de melkklieren. Toch is het onderscheidende kenmerk van het zoogdier niet aan de buitenkant te vinden. Drie piepkleine botjes in het middenoor definiëren het zoogdier als zoogdier. De ontwikkeling van het gehoororgaan is een boeiend hoofdstuk in het verhaal van de evolutie. Het voert namelijk terug op de allereerste primitieve vissen, de gordaten die kaakloos door het leven gingen. Uit hun kieuwboog, een soort kraakbenen onderkaakje, ontstaat via de kaak van het reptiel uiteindelijk het oor. ‘U luistert dus naar mij,’ zegt Jelle Reumer, ‘met behulp van het kaakgewricht van een hagedis.’
Lees verder
Niks reptielerigs is ons vreemd
18/09/11 20:49 Denk aan: Wetenschap

De ontwikkeling van het ei, van kikkerdril gelegd in het water tot de foetus die in het lichaam wordt gedragen, is een beeldende illustratie van de evolutie van de gewervelden. Het moment dat de vis tiktaalik uit het water het land op kroop, was een belangrijke stap in die evolutie. Voor de echte verovering van het land was echter een ‘droogtebestendig ei’ nodig, een ei met een schil eromheen. Met het ontstaan van dat ei, ontstaan ook de reptielen, die zich op land kunnen voortplanten. ‘De remmen zijn los,’ aldus Reumer. Uit een ei komt een compleet wezen gekropen, niet een klein visje dat zich in het water nog verder moet ontwikkelen. Dat betekent dat een enorme groei mogelijk is, denk maar aan struisvogeleieren.
Lees verder
Empathie is nog geen moraal: Joep Dohmen over Frans de Waal
09/09/11 09:02 Denk aan: Filosofie

Empathie is daarmee bij uitstek een ‘moderne deugd’ te noemen, geworteld in de natuurwetenschap en voorzien van kwantitatief bewijs. Een mooie leidraad voor het onderzoek naar een ‘moraal van de eenentwintigste eeuw’ zoals Joep Dohmen en Maarten van Buuren dat in de serie Levenskunst: deugden en ondeugden voor ogen hebben.
Maar mogen we wel voetstoots aannemen dat moraal daadwerkelijk zo’n natuurlijke oorsprong heeft? Dohmen zet daar zijn vraagtekens bij, onder andere door de filosoof Kant aan te halen. Het vermogen om je in te leven in een ander en om de behoeften van een soortgenoot te herkennen delen we misschien met de dieren. De vraag is of dat wel iets met moraliteit te maken heeft. De mens kan juist ook afstand nemen van zijn empathie. Is deze vrijheid niet essentieel als we spreken over ethiek? Als dat zo is, dan moet de conclusie toch zijn dat moraal misschien een evolutionaire basis heeft, als een mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontstaan ervan, maar dat cultuur toch doorslaggevend is.
Het is ook de cultuur die zorgt dat empathie als deugd kan worden gezien. Inlevingsvermogen kan gebruikt worden om de ander de meest vreselijke dingen aan te doen, zoals de meest verfijnde marteltechnieken, zo klinkt een kritische noot. Empathie is dan toch niet een inherent positieve eigenschap die gelinkt is aan de moraal? Zo bezien verschrompelt empathie tot niets meer dan een vermogen dat vooral cognitief is. Je neemt het perspectief van de ander aan en begrijpt: als ik dit doe, voelt hij dat, dus laat ik zus en zo handelen. Deze ‘koele perspectiefname’ is iets anders dan de ‘warme’ empathie, die is afgestemd op de emoties van een ander. Haast lijfelijk kun je ondergaan hoe de ander zich in een situatie voelt, denk maar aan de adem die stokt bij het zien van een iemand die valt.
Natuurlijk kun je dit vermogen, ook de warme variant, op een kwade manier gebruiken. Maar geldt niet voor alle deugden dat zij het juiste midden zijn tussen twee extremen? Zoals dapperheid het midden is tussen lafheid en overmoed, is empathie misschien ook op deze klassieke, Aristotelische wijze te ontleden. Daar kwamen Dohmen en Van Buuren niet aan toe. Ik denk dat het ‘koele’ en het ‘warme’ de beide uitersten van het spectrum beslaan: berekendheid aan de ene kant, hypersensitiviteit aan de andere. Empathie zal zowel cognitief als emotioneel moeten zijn om als deugd de weg te wijzen naar het goede leven. Daarbij ontsnap je niet aan vorming en oefening – aan cultuur dus. Maar het is goed om te weten dat de eerste, fundamentele stappen al voor ons gezet zijn door die tredmolen die evolutie heet.
De lezing over empathie is in zijn geheel hier terug te kijken. Kijk ook de lezing terug die Frans de Waal hield op festival deBeschaving. Eerdere stukken over levenskunst: 10 schrijvers en denkers over Levenskunst
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Als een vis in de oersoep: begin van evolutie
09/09/11 08:58 Denk aan: Wetenschap

Relativeren is ook nodig, want het antropocentrisch denken zit diep ingebakken: we zijn geneigd om onszelf (oftewel de mens) als middelpunt van de wereld zien en als voorlopig eindpunt van de evolutie. Zelfs een hoogleraar in de paleontologie zoals Jelle Reumer ontkomt daar niet aan, bekent hij. Het is nu eenmaal moeilijk om buiten je eigen gezichtspunt te stappen en de hele natuurlijke leefwereld in ogenschouw te nemen, uitgestrekt over die enorm lange geschiedenis. Niettemin: als je het een kip zou vragen, zou die evengoed beweren het middel- en eindpunt van de evolutie te zijn.
Lees verder
Filmpje: Tijd - een wetenschapsfilosofische verkenning
17/05/11 08:06 Denk aan: Wetenschap
Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
Freud - Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend
28/04/11 18:37 Denk aan: Wetenschap

Bewaarder in een gesticht
Interesse in het verhaal van de mens: in Freuds tijd – hij leefde van 1856 tot 1939 – was het zeer ongebruikelijk om te luisteren naar een patiënt. Dat komt ook omdat de psychiatrie zich bezig hield met psychotische patiënten, voor wie geen andere ‘behandeling’ mogelijk was dan vastbinden en opsluiten. Freud ontdekte een nieuwe categorie patiënten, die daarvoor niet bestond. Freud, die werd opgeleid tot arts-onderzoeker, vond de zware gevallen niet boeiend. Psychoses waren niet te behandelen of te genezen – medicijnen waren er nog niet – dus de arts functioneerde als een bewaarder in een gesticht, net als in een gevangenis.
In analyse
De patiënten – vooral vrouwen – die Freud begon te behandelen, leden niet aan psychoses maar aan neuroses. Zij ‘leden aan het leven’. In feite is Freud daarmee de schepper van de moderne psychologische praktijk zoals die nog steeds floreert. Dat geldt niet voor de psychoanalyse, de therapeutische methode die niet lang geleden met veel bombarie uit het zorgverzekeringspakket werd gegooid. Niet genoeg bewezen effect en bovendien te duur. Schnabel geeft een interessant inkijkje in zijn eigen ervaring ‘in analyse’ en laat zien hoe Freuds ideeën aan de basis staan van de psychotherapeutische praktijk zoals we die nog steeds kennen. Maar ook de manier waarop we over onszelf denken en praten is verregaand bepaald door begrippen die Freud ooit heeft gemunt in het Wenen van het fin de siècle.
Taboe op seksualiteit
Het luisteren naar de patiënt, soms zelfs door een uur lang simpelweg te zwijgen, was baandoorbrekend. Freud doorbrak nog wel meer taboes, waarvan het spreken over seksualiteit het allergrootste was. Juist door een methode te ontwikkelen van ‘maximale nabijheid met behoud van minimale distantie’ kon hij de grenzen van het fatsoenlijke gesprek openbreken. Op de divan moest alles gezegd worden, alle associaties moesten vrij kunnen stromen. Schnabel geeft een pakkend voorbeeld hoe dat mis kan gaan, als de therapeut de noodzakelijke distantie niet meer in acht houdt, namelijk het geval van Keith Bakker.
Taboe
Wat kan de wetenschapper van nu leren van Freud? Behoud een open, haast amorele blik. Schep distantie, maar wel met gevoel en empathie. Geef de tijd aan de ander en zijn verhaal, ook al is tijd tegenwoordig een schaars goed. En wees niet bang voor een taboe meer of minder. Hoewel, het is altijd beter om te mikken op een taboe minder.
De lezing van Paul Schnabel over Freud is hier terug te zien.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld
21/04/11 17:25 Denk aan: Wetenschap

Statistiek en hygiëne
Beeldvorming is belangrijk, zeker als het gaat om beroepen als de verpleging, waar leegloop dreigt terwijl de vraag almaar gaat stijgen. Kan een icoon als Florence Nightingale daarbij helpen? Nightingale, zo vertelt Marieke Schuurmans, had zelf ook behoorlijk te lijden onder verkeerde beeldvorming. Nog steeds staat ze bekend als ‘the lady with the lamp’: een zachtmoedige verpleegster die met veel toewijding zorgde voor de Britse soldaten in de Krimoorlog. Een beeld dat het resultaat is van een negentiende-eeuwse mediahype.
Lees verder
De prijs van de vrijheid na de dood van God
12/04/11 17:59 Denk aan: Filosofie

Moderne vrijheid
Waar komt dat moderne vrijheidsbegrip vandaan? Prof. Maarten van Buuren opende met een inleiding op de geschiedenis van de moderne vrijheid. Nietzsche verklaarde God dood en maakte daarmee een einde aan de richtinggevende instantie in het leven. De mens verwierf daarmee een enorme vrijheid om zijn eigen richting te kunnen volgen – maar hij verloor orde en duidelijkheid. Vrijgemaakt van onderdrukking, wordt de mens geconfronteerd met de vraag waartoe hij vrij is. ‘De prijs van de vrijheid is de prijs die we hebben moeten betalen voor de moord op God,’ aldus Van Buuren.
Vervolgens stelde Dostojevski de volgende vraag: als God dood is, is dan alles toegestaan? Hoeveel vrijheid kan een mens eigenlijk aan? Zal niet iedereen elkaar uitroeien – de mens is de mens een wolf, toch? Sartre ging nog een stap verder. Als God dood is, is alles contingent. De wereld, de mens, ons leven: alles is toevallig en zonder noodzaak. Daar kun je op twee manieren op reageren: jezelf wijsmaken dat er tóch een richtinggevende instantie is. Of de absolute vrijheid op je nemen en je leven als een project zelf ontwerpen. In de levenskunst zal de een echter beter slagen dan de ander. En zo komt Van Buuren uit bij Michel Houellebecq, die laat zien dat grotere vrijheid gelijk opgaat met grotere ongelijkheid.
Postseculiere orde
Het grote streven van de westerse mens, gaat prof. Joep Dohmen verder, is niettemin het leiden van een eigen leven. De vraag hoe dat moet is actueler dan ooit, nu de modernisering die ten tijde van Nietzsche en Dostojevski werd ingezet, volledig is gerealiseerd. We leven in een postseculiere orde, die radicaal verschilt van een halve eeuw geleden, toen Dohmen en Van Buuren opgroeiden. We moeten nu onze eigen levensstijl ontwikkelen, we ontkomen er niet aan. Joep Dohmen wijst op het belang van de context als het gaat om levenskunst. Aan de hand van Michel Foucault, Peter Bieri en Charles Taylor legt hij uit dat vrijheid altijd gesitueerd is.
Foucault wijst er bijvoorbeeld op dat identiteit beïnvloed wordt door veel verschillende factoren. Toch is hij geen determinist, we zijn niet helemaal overgeleverd aan onze genen, ons brein of onze omgeving. De vraag is dan waar de marge ligt van de vrijheid. Niet alleen werken externe factoren in op wie we zijn, ook zijn we zelf altijd ingebed in een gemeenschap. Leven doe je met anderen. Zoals Taylor zegt gaat het om een driehoek van jezelf, de ander en de omgeving. Daarbinnen ontvouwt zich je leven, en de waarde van je keuzes hangt samen met de wereld waar je in staat. Het kan niet zo zijn dat elk individu maar kiest wat hij wil, zonder dat je nog van waarde kunt spreken. Precies in die gerichtheid op de samenleving ziet Dohmen antwoorden voor de actuele vraag hoe we met vrijheid om moeten gaan.
De rol van de wetenschap
Hoe moet dat dan? Kan de wetenschap daar ook nog een rol in spelen? Dohmen en Van Buuren, beiden hoogleraar, blijken nogal sceptisch over de wetenschap. Volgens Dohmen moeten we oppassen voor een al te wetenschappelijke samenleving, de ‘expertsamenleving’. De wetenschap kan niet vertellen hoe je moet handelen, hoe je leven te leiden. Daarmee gaan zij in tegen de heersende tendens om wetenschap juist als basis te zien van de staatsinrichting, economie, moraal, tot individueel handelen en oordelen aan toe. Denk maar aan de liefde die wordt gereduceerd tot hormonale oprispingen of de rechtspraak die steeds meer laat afhangen van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek – psychisch, forensisch of juridisch.
Joep Dohmen stelt dat we op zoek moeten naar een gedeeld hypergood om de samenleving (weer) op orde te krijgen en met de uitdagingen van de toekomst – wetenschap, technologie, duurzaamheid – om te kunnen gaan. Hij is optimistisch: het zal hard werken zijn, maar dat hypergood moet te vinden zijn. Niet door wetenschap, maar door filosofie. Maarten van Buuren ziet de ontdekking van zo'n hypergood nog niet gebeuren. Maar ook hij ziet geen heil in wetenschap. Wat zegt die over mij? Niets, de wetenschap kan mij niet vertellen wat ik moet kiezen of doen. Zij heeft pas belang nadat die fundamentele levensvragen beantwoord, of ten minste onderzocht zijn.
Zo lijken Van Buuren en Dohmen toch terug te zijn bij hun oorspronkelijke tegenstelling van zwartkijker en optimist. In elk geval geloven ze beiden in de kracht van de literatuur en filosofie. En er wordt vanavond harder gelachen dan ooit tevoren in het Academiegebouw.
Verder kijken en lezen
De lezing van gisteren is hier terug te zien. De serie Levenskunst liep in 2009-2010 en is ook online terug te zien. In september 2011 start het vervolg op deze serie bij Studium Generale. Lees op dit blog ook 10 schrijvers en denkers over levenskunst.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs
08/04/11 17:58 Denk aan: Wetenschap

In de reeks Kennis voor de toekomst passeren vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap de revue. Na Isaac Newton volgen Florence Nightingale, Darwin, Freud. Steeds met de vraag wat deze genieën in de 21e eeuw voor betekenis hebben en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen. Soms leert de bestudering van het verleden je meer over de toekomst dan de nieuwste en meest geavanceerde technologie dat kan.
Lees verder
Driedubbel leven met Kader Abdolah, Floris Cohen en Isaac Newton
01/04/11 19:06 Denk aan: Leven



Met een kopje koffie op het terras van café Hoffmann: dat is nog eens lekker werken. ‘Zit je daar wel goed,’ vraagt Floris Cohen, ‘je zit almaar tegen de zon in te knijpen.’ Geen probleem, op deze eerste lentedag. Cohen, verbonden aan het Descartes Centrum aan het Janskerkhof, vertelt over Newton, genie met een onuitstaanbaar karakter. Het stralende weer nodigt uit tot een ontspannen gesprek over de lezing die Cohen voor Studium Generale zal houden in de lustrumreeks Kennis voor de toekomst. Dat was in mijn droom vannacht wel anders.
Lees verder
Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
31/03/11 18:59 Denk aan: Wetenschap

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.
Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.
Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.
Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.
Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.
En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).
Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.
De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.
Druk druk druk
24/03/11 21:51 Denk aan: Wetenschap

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?
Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.
Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.
Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.
Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?
Kijk de lezing terug: Tijdnood?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
04/03/11 16:06 Denk aan: Wetenschap

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?
Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.
De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’
Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.
Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.
Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?
Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.
Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap
25/02/11 16:55 Denk aan: Wetenschap

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.
Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.
2. Gefaseerde tijd: Chronologie De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)
Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.
3. Durende tijd: Historische sensatie De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).
In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…
Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Wat is de mens - revisited
19/02/11 11:37 Denk aan: Wetenschap

Vaak is dat criterium van zekerheid ergens in het zelf verankerd. Als ík vind dat de rol van intellectueel voor mij authentieker is dan de rol van feestbeest, als ik overtuigd ben van deze wetenschappelijke theorie en niet van die andere, als ik kan zeggen waarom een schilderij van Mondriaan beter is dan het gefriemel van mijn neefje, dan moet daar iets in zitten. Zelf behoor ik tot de laatste groep, ik houd niet van relativisme. Hoewel ik de bezwaren van de pragmatische zekerheid ken en levensgroot acht. Want wie ben ik om als criterium voor de waarheid te gelden? Nou ja, ik ben een mens, zoveel is zeker. De vraag is dus: 'Wat is de mens'?
Marcus Düwell, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, haalde in zijn lunchlezing Kant aan: in de vraag 'wat is de mens' laten alle vragen van de filosofie zich samenvatten. 'Wat is de mens': aan die vraag valt ten eerste op dat hij de mens objectiveert, als een ding dat je kunt onderzoeken. Een het. Dat is natuurlijk wetenschappelijk verantwoord. Eerder schreef ik over de definitie van het object mens door Frans de Waal en Dick Swaab, die de mens inderdaad 'apart zetten' om hem aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen (ook al is dat dan in een vergelijking met apen zoals De Waal doet of door te focussen op één onderdeel, namelijk de hersenen bij Swaab). De derde definitie, door Gerard Visser, behelsde een herformulering van de vraag. Wát een mens is? Antwoord: een wie. De juiste vraag is dan 'Wie is de mens?' Je voelt al meteen dat je in die herformulering overgaat van een algemene uitspraak op een individuele. Kun je in algemene termen over de mens spreken, of moet je hem altijd benaderen als uniek persoon? Of is dit gewoon een kwestie van ofwel wetenschap ofwel filosofie (of kunst) bedrijven?
Düwell liet zien dat er ook in de wetenschap verschillende perspectieven op de mens zijn, die op gespannen voet met elkaar kunnen komen te staan. Er is het natuurwetenschappelijke perspectief dat de mens ziet als een dier (waartoe De Waal en Swaab behoren). Dan is er het culturele perspectief, dat zich richt op de artistieke scheppingen van de mens en ten slotte is er het morele perspectief, dat uitgaat van de ethische overwegingen, de mens als vrij wezen. Het zijn in feite drie manieren om de mens te beschrijven, niet zozeer drie verschillende definities. Zoals de olifant uit het bekende voorbeeld. Een blinde voelt aan de olifant en beschrijft hem. Maar hij voelt een poot, terwijl zijn vriend de slurf vasthoudt. Uiteindelijk heeft niemand de ware olifant gezien, want de olifant is al zijn eigenschappen bij elkaar.
De perspectieven stemmen enigszins overeen met de drie voorbeelden waar ik mee begon: de waarheid die al dan niet bestaat, de kunstzinnige smaak waar al dan niet over te twisten valt en het zelf dat al dan niet authentiek of vrij is. Je kunt niet één van die perspectieven boven alle andere plaatsen of tot verklaring van alles bombarderen. Vooral de natuurwetenschappers doen dat wel, aldus Düwell. Zij monopoliseren het antwoord op de vraag wat de mens is. Met de grootste vanzelfsprekendheid wordt het biologische als bewijs voor van alles aangehaald (zelfs voor de meest tegenstrijdige zaken, zoals egoïsme bij Richard Dawkins en empathie bij Frans de Waal). Terwijl het niet logisch is. Móet ik moreel doen omdat ik niet anders kan, ben ik moreel omdat de apen het ook zijn? Zo gesteld lijkt dat inderdaad een absurde aanname.
Eigenlijk hebben we in het dagelijks leven niet zoveel last van dit soort vragen. Zoals veel filosofen ook zeggen: of de vrije wil nu bestaat of niet, het belangrijkste is dat de mens het idee heeft dat hij bestaat. Dat is al reden genoeg om erover na te denken. Dat getuigt mijns inziens ook van een frisse, open instelling die zweeft tussen het relativerende ontkennen en jezelf beschouwen als criterium voor de waarheid. Ik hou wel van zulk pragmatisme, ook in de filosofie.
Kijk de lezing terug op de nieuwe website van Studium Generale (!).
En lees ook Brein, aap, ziel: wat is de mens? Drie boeken
De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
17/02/11 18:48 Denk aan: Wetenschap

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.
Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.
De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.
Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.
De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.
Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.
[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]
Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
10/02/11 18:37 Denk aan: Filosofie

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.
Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.
Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.
Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.
Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.
Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.
De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.
[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]
Experiment: laat iemand aan jou een gedicht voorlezen
15/01/11 10:18 Denk aan: Literatuur

Daar kwam ik achter toen ik bij zes hoogleraren langsging om gedichten op te nemen om te gebruiken op het Huis van de Poëzie. Dat leverde een paar bijzondere, ik zou bijna zeggen, intieme momenten op. Hoe werkt dat en werkt het bij iedereen? Ik denk dat het werkt op een vergelijkbare manier als het schrijven van Ik herinner me... dat daadwerkelijk herinneringen tot leven brengt of het formuleren van een goed voornemen, dat voorwaarde is voor het uitvoeren van dat voornemen.
Heel sec: als je een gedicht voorleest, praat je hardop tegen iemand en bezig je een bijzondere taal, met metaforen, rijmwoorden, enjambementen en wat dies meer zij. Je spreekt bedachtzaam, met nadruk op bepaalde woorden of juist niet, met een aarzeling aan het eind van de regel, met verschillende toonhoogtes. Kort gezegd: met aandacht voor wat je zegt en met aandacht voor degene die luistert.
Diegene die luistert is de andere helft van de vergelijking, zoals de Engelsen mooi zeggen. (De Engelsen zeggen wel heel lelijk 'read aloud'. Dat maakt het vóórlezen nog veel rijker aan betekenis.) De luisteraar stelt zich open, luistert naar de ander, probeert chocola te maken van wat hij hoort. Je droomt een beetje weg, fixeert je blik op de boekenkast of de hoek van het plafond. Je hoort opeens echt de stem van de voorlezer. En je hoort hoe hij bedachtzaam spreekt, waar de nadruk komt te liggen, hoe hij misschien aarzelt zonder dat dat de bedoeling was, zich bijna verspreekt en ondertussen het gedicht recht probeert te doen.
Dan is het gedicht voorbij. Een minuut later valt er een stilte. Misschien is die een moment ongemakkelijk - je zit daar met z'n tweeën na een handeling die niet geheel alledaags is (dit is dus ook heel anders dan een literaire avond waar dichters hun teksten via de microfoon een slecht verlichte zaal in sturen). En dan, dan komen de mooie gesprekken opeens, zonder verdere aanloop of loos gekwebbel. Door de speciale aandacht die het gedicht al heeft losgemaakt voor praten, luisteren, de taal en de betekenis. Dat is iets wat alleen het gedicht doet. Ik heb nog gedacht dat het misschien ook met muziek zou werken of met een prozatekst, maar dat denk ik niet. (Dat zal vast ook iets doen, maar weer iets anders dan anders.)
Blijft de vraag over: werkt het bij iedereen? Dat weet ik niet. De hoogleraren vormen niet echt een representatieve groep en het aantal is te laag om er iets algemeens over te zeggen. Een empirisch onderzoekje naar deze werking lijkt me wel interessant. Dus ik zou zeggen: neem de proef op de som en vraag iemand een gedicht voor te lezen. Dit bijvoorbeeld.
Hoe goed goede voornemens werken
08/01/11 10:22 Denk aan: Schrijven

Zoals het schrijven gedachten voortbrengt die zonder het schrijven nooit waren geboren, zo is soms ook het formuleren van een goed voornemen nodig om het uit te kunnen laten komen. De eerste voorwaarde voor het ontstaan van iets nieuws - een gedachte of een verandering in gedrag - is de explicitering, zo lijkt het. Precies zoals oud papier zichzelf niet wegbrengt, maar vraagt om iemand die opstaat en het gewoon doet. Of zoals je mailbox immer leeg blijft als je zelf nooit een mailtje stuurt en niemand je zal volgen op Twitter als je nooit twittert.
Natuurlijk ken ik ook genoeg mensen die het allemaal maar onzin vinden. Waarom zou je alleen op 1 januari beginnen met goede voornemens? Dat zijn dezelfde mensen die vinden dat Valentijnsdag stom is omdat je het hele jaar je geliefde moet verwennen en Kerst omdat je dan verplicht gezellig moet doen met je familie. Gek genoeg zijn dit ook meestal de mensen die hun geliefde eigenlijk nooit verwennen en meestal best ongezellig zijn en nooit op familiebezoek gaan. Want de reden dat je op 1 januari (of 8 januari) begint met goede voornemens is juist dat je het de rest van het jaar níet doet. 1 januari is in feite ook een soort explicitering, een voorwaarde die nodig is om überhaupt iets te laten gebeuren.
Nu zal ik iets verklappen aan hen die tot zover hebben gelezen: ik had eigenlijk een heel ander goed voornemen vorig jaar, dat ik willens en wetens heb verzwegen. Waarom? Omdat het gênant zou zijn als het niets werd en toch voorgoed op Google bleef rondzwerven. Maar aangezien het voornemen een beetje gelukt is wil ik het nu, een jaar later, wel vertellen. Mijn voornemen was om het schrijven op de een of andere manier professioneler te maken. Het werd de andere manier, want in plaats van mezelf af te beulen zonder te weten waarvoor, heb ik (al eind januari 2010) voor Studium Generale een nieuwsblog opgezet, zodat ik binnen mijn bestaande baan meer en professioneel kon gaan schrijven. Best slim van mezelf, al zeg ik het zelf. En het is een succes gebleken: niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor Studium Generale als organisatie.
Uiteindelijk heb ik mezelf ook afgebeuld buiten werktijd. Dit blog onderging een subtiele gedachtewisseling (zie Jarig weblog: op naar de volgende twee jaar), wat ook zijn vruchten heeft afgeworpen. De unieke bezoekers verdubbelden (dank!) en ik krijg veel leuke en diepgaande reacties. De Groene Amsterdammer publiceerde een recensie van mijn hand en betaalde daarvoor (ook wel eens leuk). Dit jaar ga ik aan het International People's College in Helsingør een workshop geven voor de summerschool. Het voert te ver om te zeggen dat dit allemaal voortkomt uit een goed voornemen op 1 januari, maar zonder de expliciete beslissing om iets voor elkaar te krijgen, was er helemaal niets gebeurd. (Overigens heb ik ruimschoots tijd en zin om mezelf af te beulen, dus laat het horen als je me ergens voor nodig hebt.)
Was is dan mijn goede voornemen voor 2011? Het herlezen laat ik zitten. Nu wil ik weer meer klassiekers lezen - iets wat ik voorheen erg veel deed, maar de laatste tijd heb laten verslappen. Terwijl een klassieker bijna altijd zijn reputatie waarmaakt. Gelukkig zette ik het afgelopen jaar een essayreeks op voor 8WEEKLY over klassiekers, waar ik nog steeds zelf een bijdrage voor moet schrijven. Dat is er dan alvast één (1).
U raadt het al: mijn echte voornemens blijven nog even geheim. Vooruit dan, nog één laatste: Tante Lien worden. Check hieronder why.
Filmpje: De biografie
15/12/10 10:22 Denk aan: Literatuur
Pecha kucha in de aanbieding! Vier dubbellezingen; acht sprekers; twee dichters; een prins; een verzetsheld; één bijrol voor Harry Mulisch - in zes minuten en veertig seconden.
De reeks De biografie: een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.
Liever lezen? Klik op Lees verder voor de uitgeschreven tekst.
Check ook de korte stukken die ik over de lezingen schreef:

Toen Harry Mulisch op 30 oktober 2010 overleed, werd meteen druk gespeculeerd over wie zijn biografie zou gaan schrijven en liepen letterkundigen vooruit op de problemen waar die biograaf tegenaan zou lopen. Mulisch was een zelfgebouwde mythe, onsterfelijk tot zijn dood. Het ontrafelen van verhaal en werkelijkheid zal een hele kluif zijn. Of is het verhaal de werkelijkheid? Een vraag die aan de orde kwam in de reeks De Biografie, een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.
Jan Wolkers: nog zo’n kanon uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Op zíjn sterfdag – 19 oktober – opende de reeks met een lezing van Wolkers-biograaf Onno Blom. Blom raakte bevriend met Wolkers en groeide uit tot ‘aangenomen oudste zoon’. Hoe beïnvloedt zo’n vriendschap je werk als biograaf? Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, haalde William Somerset Maugham aan, die stelde: ‘Er zijn slechts drie regels voor het schrijven van een goede biografie en gelukkig weet niemand wat die regels zijn.’
Toch zijn er wel drie handreikingen te noemen voor wie een goede biografie wil schrijven: Een biografie zegt iets over de actualiteit, ook als hij gaat over een historisch persoon. Dat betekent dat een biografie niet voor de eeuwigheid is geschreven. Neem Oorlog en vrede van Tolstoj – die roman uit 1869 wordt nog steeds gelezen. Een biografie van Tolstoj uit de negentiende eeuw is daarentegen verouderd.
Een biograaf moet stelling nemen tegenover zijn onderwerp. Objectiviteit bestaat niet, dus daar kun je maar beter eerlijk over zijn. Blom schreef een boek over het laatste levensjaar van zijn hoofdpersoon, genoemd naar de laatste woorden Zo is het genoeg – wat sloeg op de laatste hap van een boterham met jam. Een foto van de betreffende boterham is daar ook in opgenomen. Is dat relevant? En is het niet te intiem?
Het derde punt: een goede biografie kan niet zonder goed onderzoek en een goede stijl. Het boek moet degelijk zijn als een wetenschappelijk onderzoek en lezen als een roman. De biografie die Jolande Withuis schreef van Pim Boelaard of Bernhard van Annejet van der Zijl, zijn daar goede voorbeelden van. De verhalen over hun onderzoek zijn om van te smullen. Withuis ontdekte een schat aan materiaal, van dagboeken tot foto’s en brieven, achter een velours gordijntje bij verzetheld Boelaard thuis. Van der Zijl reisde naar Duitsland om het leven van de jonge Bernhard te reconstrueren. Bij de Berlijnse universiteit kreeg ze inzicht in documenten die het bestaande beeld van de aankomende prins totaal op z’n kop zetten.
De roerige levens van Boelaard en Bernhard – die elkaar kenden – lenen zich natuurlijk uitermate goed voor een biografie ‘die moet lezen als een roman’. Dat laatste punt is niet zo eenvoudig als het klinkt. Een biografie is altijd een verhaal. Maar wie vertelt het verhaal? Een objectieve, semi-alwetende verteller, die de puzzelstukjes van een leven bij elkaar zoekt. Of jij als persoon, bijna een ik-verteller? Een verhaal is altijd een weergave van de werkelijkheid, waarin gebeurtenissen in een samenhang worden getoond. Het geeft betekenis aan iets wat misschien wel gewoon toevallig is.
Hans Goedkoop haalt filmregisseur Pasolini aan: ‘De camera is uit, de draaitijd is voorbij, nu begint de montage.’ Voor Goedkoop is de kwestie feit/fictie weinig interessant: een biografie is het verhaal van een schrijver over een persoon die echt geleefd heeft. Natuurlijk is dat verhaal niet objectief en dat moet het ook niet willen zijn. Zolang je maar in je verhaal duidelijk maakt wáár je aan het interpreteren bent en welke kaders je daarbij gebruikt, is dat ook niet problematisch.
In een biografie draait het om de grote vragen van het leven. Welke keuzes maak je op moeilijke momenten? Hoe ga je om met tegenslag, met de liefde, met de dood? Goedkoop geeft een mooi voorbeeld van Renate Rubinstein, aan wier biografie hij werkt. Haar relaties liepen steeds weer stuk, naar eigen zeggen omdat ze altijd weer ‘achter elke man haar vader zocht’. Op een gegeven moment wordt die gedachte een selffulfilling prophecy. En juist daar – als mensen gaan leven naar een zelfbedachte waarheid – daar moet de biograaf doorheen prikken.
Vaak gaan biografieën over uitzonderlijke figuren – ze zijn niet voor niets onderwerp van een levensbeschrijving. Dat is ook wat lezers aantrekt. Je kunt je spiegelen aan een ander mens. Joachim Duyndam noemt zulke personen voorbeeldfiguren. En ook voor een lezer op zoek naar een voorbeeld doet het er niet zoveel toe of het verhaal echt gebeurd is of niet.
Een biografie biedt op die manier inspiratie voor het leven. Maar ook voor kunst. Zoals de grote dichters Fernando Pessoa en Federico Garcia Lorca, die hele generaties kunstenaars na hen hebben geïnspireerd. Federico Garcia Lorca werd gefusilleerd in de jaren dertig en geldt nu als nationaal symbool. Michaël Stoker maakt een mooie verwijzing naar Mulisch en zijn ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’. Lorca zou kunnen zeggen: ‘Ik ben de Spaanse burgeroorlog.’
Soms kan dat uit de hand lopen, als het verhaal een eigen leven gaat leiden en echt uitgroeit tot een mythe. Zoals bij het graf van Lorca dat nooit is ontdekt en waar zelfs rechtszaken over worden gevoerd. Het tegenovergestelde is aan de hand bij Pessoa: over zijn leven is zo weinig spectaculairs te melden, dat elk onbenullig feitje wordt opgeblazen tot enorme proporties. De biografie probeert het gat in een leven – of het gat van de mysterieuze dood – te vullen en, zo concludeert Stoker, ‘uit het gat groeit de mythe’.
Het biografisch onderzoek gaat niet over iets abstracts als een bacterie of iets ongrijpbaars als de economie, maar over een persoon waar je je toe moet verhouden als persoon. Hetzelfde geldt voor de lezer: een biografie is een ontmoeting met een ander mens, en daardoor met jezelf. Want misschien zijn we niet allemaal zo mythisch als Lorca of Harry Mulisch, we zijn allemaal opgebouwd uit verhalen. En dat is de waarheid.
De reeks De biografie: een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.
Liever lezen? Klik op Lees verder voor de uitgeschreven tekst.
Check ook de korte stukken die ik over de lezingen schreef:
- De ideale biografie bestaat niet: prof. Hans Renders en Onno Blom Deel I
- Prins Bernhard, Pim Boellaard: hun verhaal en hun tijd Deel II
- Een leven interpreteren: Hans Goedkoop en Joachim Duyndam Deel III
- Uit het gat groeit de mythe: Pessoa en Lorca Deel IV
Toen Harry Mulisch op 30 oktober 2010 overleed, werd meteen druk gespeculeerd over wie zijn biografie zou gaan schrijven en liepen letterkundigen vooruit op de problemen waar die biograaf tegenaan zou lopen. Mulisch was een zelfgebouwde mythe, onsterfelijk tot zijn dood. Het ontrafelen van verhaal en werkelijkheid zal een hele kluif zijn. Of is het verhaal de werkelijkheid? Een vraag die aan de orde kwam in de reeks De Biografie, een samenwerking tussen Studium Generale en Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, in het najaar van 2010. Schrijvers en wetenschappers spraken over de aantrekkingskracht van de biografie, een genre tussen wetenschap en literatuur in, een spiegel voor lezer en schrijver en een bron van inspiratie.
Jan Wolkers: nog zo’n kanon uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Op zíjn sterfdag – 19 oktober – opende de reeks met een lezing van Wolkers-biograaf Onno Blom. Blom raakte bevriend met Wolkers en groeide uit tot ‘aangenomen oudste zoon’. Hoe beïnvloedt zo’n vriendschap je werk als biograaf? Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, haalde William Somerset Maugham aan, die stelde: ‘Er zijn slechts drie regels voor het schrijven van een goede biografie en gelukkig weet niemand wat die regels zijn.’
Toch zijn er wel drie handreikingen te noemen voor wie een goede biografie wil schrijven: Een biografie zegt iets over de actualiteit, ook als hij gaat over een historisch persoon. Dat betekent dat een biografie niet voor de eeuwigheid is geschreven. Neem Oorlog en vrede van Tolstoj – die roman uit 1869 wordt nog steeds gelezen. Een biografie van Tolstoj uit de negentiende eeuw is daarentegen verouderd.
Een biograaf moet stelling nemen tegenover zijn onderwerp. Objectiviteit bestaat niet, dus daar kun je maar beter eerlijk over zijn. Blom schreef een boek over het laatste levensjaar van zijn hoofdpersoon, genoemd naar de laatste woorden Zo is het genoeg – wat sloeg op de laatste hap van een boterham met jam. Een foto van de betreffende boterham is daar ook in opgenomen. Is dat relevant? En is het niet te intiem?
Het derde punt: een goede biografie kan niet zonder goed onderzoek en een goede stijl. Het boek moet degelijk zijn als een wetenschappelijk onderzoek en lezen als een roman. De biografie die Jolande Withuis schreef van Pim Boelaard of Bernhard van Annejet van der Zijl, zijn daar goede voorbeelden van. De verhalen over hun onderzoek zijn om van te smullen. Withuis ontdekte een schat aan materiaal, van dagboeken tot foto’s en brieven, achter een velours gordijntje bij verzetheld Boelaard thuis. Van der Zijl reisde naar Duitsland om het leven van de jonge Bernhard te reconstrueren. Bij de Berlijnse universiteit kreeg ze inzicht in documenten die het bestaande beeld van de aankomende prins totaal op z’n kop zetten.
De roerige levens van Boelaard en Bernhard – die elkaar kenden – lenen zich natuurlijk uitermate goed voor een biografie ‘die moet lezen als een roman’. Dat laatste punt is niet zo eenvoudig als het klinkt. Een biografie is altijd een verhaal. Maar wie vertelt het verhaal? Een objectieve, semi-alwetende verteller, die de puzzelstukjes van een leven bij elkaar zoekt. Of jij als persoon, bijna een ik-verteller? Een verhaal is altijd een weergave van de werkelijkheid, waarin gebeurtenissen in een samenhang worden getoond. Het geeft betekenis aan iets wat misschien wel gewoon toevallig is.
Hans Goedkoop haalt filmregisseur Pasolini aan: ‘De camera is uit, de draaitijd is voorbij, nu begint de montage.’ Voor Goedkoop is de kwestie feit/fictie weinig interessant: een biografie is het verhaal van een schrijver over een persoon die echt geleefd heeft. Natuurlijk is dat verhaal niet objectief en dat moet het ook niet willen zijn. Zolang je maar in je verhaal duidelijk maakt wáár je aan het interpreteren bent en welke kaders je daarbij gebruikt, is dat ook niet problematisch.
In een biografie draait het om de grote vragen van het leven. Welke keuzes maak je op moeilijke momenten? Hoe ga je om met tegenslag, met de liefde, met de dood? Goedkoop geeft een mooi voorbeeld van Renate Rubinstein, aan wier biografie hij werkt. Haar relaties liepen steeds weer stuk, naar eigen zeggen omdat ze altijd weer ‘achter elke man haar vader zocht’. Op een gegeven moment wordt die gedachte een selffulfilling prophecy. En juist daar – als mensen gaan leven naar een zelfbedachte waarheid – daar moet de biograaf doorheen prikken.
Vaak gaan biografieën over uitzonderlijke figuren – ze zijn niet voor niets onderwerp van een levensbeschrijving. Dat is ook wat lezers aantrekt. Je kunt je spiegelen aan een ander mens. Joachim Duyndam noemt zulke personen voorbeeldfiguren. En ook voor een lezer op zoek naar een voorbeeld doet het er niet zoveel toe of het verhaal echt gebeurd is of niet.
Een biografie biedt op die manier inspiratie voor het leven. Maar ook voor kunst. Zoals de grote dichters Fernando Pessoa en Federico Garcia Lorca, die hele generaties kunstenaars na hen hebben geïnspireerd. Federico Garcia Lorca werd gefusilleerd in de jaren dertig en geldt nu als nationaal symbool. Michaël Stoker maakt een mooie verwijzing naar Mulisch en zijn ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’. Lorca zou kunnen zeggen: ‘Ik ben de Spaanse burgeroorlog.’
Soms kan dat uit de hand lopen, als het verhaal een eigen leven gaat leiden en echt uitgroeit tot een mythe. Zoals bij het graf van Lorca dat nooit is ontdekt en waar zelfs rechtszaken over worden gevoerd. Het tegenovergestelde is aan de hand bij Pessoa: over zijn leven is zo weinig spectaculairs te melden, dat elk onbenullig feitje wordt opgeblazen tot enorme proporties. De biografie probeert het gat in een leven – of het gat van de mysterieuze dood – te vullen en, zo concludeert Stoker, ‘uit het gat groeit de mythe’.
Het biografisch onderzoek gaat niet over iets abstracts als een bacterie of iets ongrijpbaars als de economie, maar over een persoon waar je je toe moet verhouden als persoon. Hetzelfde geldt voor de lezer: een biografie is een ontmoeting met een ander mens, en daardoor met jezelf. Want misschien zijn we niet allemaal zo mythisch als Lorca of Harry Mulisch, we zijn allemaal opgebouwd uit verhalen. En dat is de waarheid.
Kunnen we leren van het verleden? Maarten van Rossem antwoordt
25/11/10 19:08 Denk aan: Wetenschap
Uit het gat groeit de mythe: Pessoa en Lorca
10/11/10 12:54 Denk aan: Literatuur

Un Chien Andalou is een beroemde film van Buñuel, een ijkpunt in het surrealisme. Peter Valkenet gaf in zijn inleiding aanknopingspunten om de film te begrijpen, als een verbeelding van de verhouding tussen Buñuel, Dalí en Lorca. Het is eigenlijk geen verhaal te noemen, eerder een opeenstapeling van raadselachtige associaties. Juist het raadsel kan het startpunt zijn van biografisch onderzoek, zo bleek ook uit de lezing van Michaël Stoker, die onderzoek doet naar de Portugese dichter Fernando Pessoa. Het gevaar bij het zoeken naar de ontknoping van een raadsel is dat de biograaf het verhaal gaat invullen. De biografische honger naar feitjes is bij zulke beroemde kunstenaars heel groot. Elk beeld wordt geduid, elk miniem feitje opblazen. Zo ontstaat een mythe, een mythe die in de plaats kan komen te staan van de werkelijkheid.
Pessoa (1888-1935) is een mythische figuur bij uitstek, hij geeft betekenis aan het heden en is een nationaal symbool geworden. Dat zou je van Lorca (1898-1936) ook kunnen beweren. Stoker maakt een mooie vergelijking met de bekende uitspraak van Harry Mulisch die de afgelopen dagen talloze malen is herhaald – ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Lorca had kunnen zeggen: ‘Ik bén de Spaanse Burgeroorlog.’
Het leven van de twee grote dichters van het interbellum lijkt niet veel op elkaar. Lorca was een gevierd kunstenaar toen hij voor het vuurpeloton moest verschijnen, telg uit een goede familie met een lange geschiedenis, altijd bezig met zijn imago, en bevriend met kunstenaars Dalí en Buñuel. Pessoa daarentegen werkte op een handelskantoor en eigenlijk gebeurde er 27 jaar lang niets bijzonders in zijn leven.
Juist dat gat in het leven van de dichter heeft de mythevorming enorm gevoed. Elk feitje – of het nu klopt of niet – is uitgesponnen en vol betekenis geladen in de vuistdikke biografieën die over Pessoa verschenen. Bij Lorca is het gat dat gevuld moet worden juist zijn mysterieuze dood. De grote Lorca-kenner en biograaf Ian Gibson wees de plek aan waar de executie van Lorca en vier anderen zou hebben plaatsgevonden. 51 dagen werd er gegraven naar de stoffelijke resten. Maar het massagraf werd niet gevonden en het lijk van Lorca blijft vermist. Mythevorming rond een gat in het leven of een gat in de dood: dat is wat de twee dichters verbindt.
Dit soort verhalen, hoe gruwelijk ze ook zijn, nodigen uit tot speculeren en fabuleren. Maar zonder een weergaloos en veelzijdig oeuvre was dat niet gebeurd. Het is het werk, dat steeds weer lezers blijft aanspreken en uitdagen, dat aanleiding geeft tot nieuwsgierigheid naar de schepper. De mythevorming heeft ook te maken met de aard van hun kunst. Pessoa creëerde 81 heteroniemen of alter ego’s, in wiens naam hij schreef, tot in zijn dagboeken aan toe. Een mystificatie die een enorme kluif betekent voor een biograaf. Wie was Pessoa? Kan hij wel los worden gehaald van zijn alter ego’s? Moet je dat willen? Stoker zal om deze reden in elk geval geen biografie van Pessoa schrijven, zo stelde hij.
Lorca schreef poëzie, toneel en essays en liet zich beïnvloeden door folklore, de zigeunercultuur, maar ook door het futuristische New York en de surrealisten. Een film als Un Chien Andalou laat zien hoe raadselachtig de avant-gardistische kunst blijft, ook al ken je de context en het verhaal erachter. Het is een raadsel dat erom vraagt ontrafeld te worden maar tegelijkertijd de ultieme ontrafeling steeds op afstand houdt. Net als het leven van de kunstenaar of historische figuur de biograaf uitdaagt, maar zich nooit volledig laat begrijpen.
---
Alle dubbellezingen van deze serie, met onder anderen Onno Blom, Annejet van der Zijl en Hans Goedkoop, zijn hier terug te zien. Meer weten over Federico García Lorca? Kijk dan op de website van het festival Literaire meesters.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Prins Bernhard, Pim Boellaard: hun verhaal en hun tijd
27/10/10 13:03 Denk aan: Literatuur

Waarom schrijft een vrouw uit de feministische hoek een biografie van zo’n welvarende macho in de oorlog, een ‘held’, zo kreeg Jolande Withuis vaak te horen. De levensloop van Boellaard en vooral de keuzes die hij maakte, fascineren. ‘Wat maakt dat iemand om kan gaan met zoveel tegenslag, en moedig en eervol gruwelijkheden kan doorstaan?’ Dat is op zich al een interessante vraag. Bij Boellaard gaat die nog verder. Hij groeide op in een beschermd, negentiende-eeuws milieu, als in een roman van Louis Couperus. Hoe kan het dat zo iemand in de oorlog zo’n heldhaftige rol gaat spelen en na de bevrijding een briefje krijgt van een communistische medegevangene die hem bedankt voor alle goede zorgen?
In oorlogstijd is het misschien wel gebruikelijk dat vriendschappen over klassen en geloven heen gesloten worden, iedereen is nu eenmaal op elkaar aangewezen. Maar het is niet vanzelfsprekend om een held te zijn en het goede te doen, zoals Boellaard deed. Hoe zit dat? Dat is een drijfveer om biografisch onderzoek te doen en een boek over iemand te schrijven.
Ook Annejet van der Zijl heeft vaak de vraag gekregen ‘Waarom Bernhard?’ Nieuwsgierigheid is ook waar zij op uitkomt. Eigenlijk is ze enigszins erin gerold, net als Withuis met Boellaard. Een vooropgezet plan om biografieën over hen te schrijven, was er in beide gevallen niet. Via het werk aan andere boeken kwamen de schrijfsters op het spoor van een interessante geschiedenis, of zoals de ondertitel van Bernhard luidt: Een verborgen geschiedenis. Er is een raadsel dat erom vraagt opgelost te worden, dat de nieuwsgierigheid prikkelt en uitdaagt tot onderzoek.
Van der Zijl vertelt hoe zij geïnteresseerd raakte in het Duitse verleden van Bernhard, toen ze schreef aan Sonny Boy. Over de vooroorlogse jaren van Bernhard als Duitse jongeman was nog maar weinig bekend. Terwijl die Duitse geschiedenis veel duidelijk zou kunnen maken over de latere opvattingen en vreemde gedragingen van de prins, zo vermoedde Van der Zijl. Bernhard wordt altijd afgeschilderd als een held of als een schurk – dat extreme beeld kan niet kloppen. Het begrijpen van een persoon is belangrijk; het schrijven van een biografie is een manier om grip te krijgen op een mens en via die mens op de geschiedenis.
Van der Zijl zat op een vruchtbaar spoor, zo bleek al snel, onder andere op de Berlijnse universiteit waar Bernhard studeerde. In Duitsland is Bernhard niet zo bijzonder als hier in Nederland en de archieven met zijn studiegegevens kon Van der Zijl zonder problemen gebruiken. Bernhard wás ook niet zo bijzonder als wij misschien denken: de Duitse geschiedenis van de latere prins-gemaal laat zien dat hij een typisch kind van zijn tijd was. Een jongeman uit een gegoede, maar verarmde familie, geboren met een gouden lepel in de mond die hem daarna werd afgenomen, zonder kansen in de toekomst en met een hang naar vertier.
Via de Duitse geschiedenis kon Annejet van der Zijl laten zien hoe prins Bernhard gevormd werd door zijn tijd. Als we begrijpen waar iemand vandaan komt, begrijpen we ook beter zijn latere reacties en handelingen, zeker als het gaat om zijn eigen verhouding tot dat verleden. Jolande Withuis’ held Boellaard lijkt zich juist aan zijn tijd en verleden te ontworstelen en zijn eigen pad uit te stippelen. Verschillen als deze zeggen iets over de mens: hoe je je laat vormen door de tijd en omgeving waarin je toevallig leeft en hoe je je daartegen verzet. In de verhalen over uitzonderlijke levensgeschiedenissen zoals van Boellaard en Bernhard kan de lezer zich spiegelen, aan de hand van dit soort patronen.
Over dit onderwerp – hoe de patronen van een leven je helpen je eigen leven te begrijpen en vormgeven – zullen volgende week in de derde lezing Hans Goedkoop en prof. Joachim Duyndam verder spreken. Graag tot dan! De lezing van gisteren is hier terug te zien.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Sterrenkunde: wetenschap tussen science en fiction
19/08/10 20:15 Denk aan: Wetenschap
Het is alweer meer dan een jaar geleden dat ik de lezingenreeks over sterrenkunde voor Studium Generale presenteerde. Nu is er een filmpje van: vier lezingen in minder dan tien minuten. Ik ben er trots op!
Liever lezen? Hieronder de uitgeschreven tekst.
Het beeld dat bestaat van de sterrenkunde, vindt vaak zijn oorsprong in sciencefiction of bijgeloof: de horoscoop in de krant, ontmoetingen met buitenaardse wezens, reizen door de tijd. Drie vooraanstaande onderzoekers en een wetenschapsjournalist scheiden de 'science' van de 'fiction'. Sterrenkundigen verwachten de komende jaren met hun experimenten en onderzoek antwoorden te vinden op een aantal fundamentele vragen. De publieke belangstelling voor experimenten zoals met de deeltjesversneller in Genève is groot, maar niet onverdeeld positief. Regelmatig steken wilde geruchten de kop op over de gevaarlijke krachten die natuurkundigen ontketenen. Dat de wereld in een zwart gat zou verdwijnen is wetenschappelijke onzin. Maar de wetenschap houdt zich wel bezig met onderwerpen die klinken als een sensationele stuiverroman. In dit filmpje nemen vier vooraanstaande onderzoekers je mee, van de aarde via zon en maan tot aan exoplaneten buiten ons eigen Melkwegstelsel, op weg naar een Theorie van Alles.
Maar laten we beginnen bij het begin. De astronomie was een van de eerste wetenschappen die de mens beoefende, voor navigatie en tijdrekening, maar ook om voorspellingen te doen. Waar komt die oeroude fascinatie vandaan? Welke antwoorden vindt de mens in het onmetelijke heelal? De sterrenkunde raakt ons persoonlijk, zo zegt Govert Schilling, wetenschapsjournalist en autodidact in de astronomie.
Hij stelde een kosmische top drie samen van de meest fascinerende onderwerpen uit de sterrenkunde. Op de derde plaats staan zwarte gaten. Het Zwarte Gat beantwoordt aan wat mensen verwachten van sterrenkunde: het is mysterieus, een beetje eng en totaal onbegrijpelijk. Op de tweede plaats vinden we de oerknal. Daarbij gaat het om vragen die voorheen voorbehouden waren aan religie. De oerknal is de seculiere schepping, de herkomst van alles wat bestaat. Op nummer 1 staat het buitenaardse leven. Buitenaardse wezens zijn een spiegel voor de mens. De fascinatie heeft dus veel te maken met zingeving van het aardse bestaan en met een verlangen naar het sublieme: de huivering die het onmetelijk grote, maar ook het onbegrijpelijk schone oproept, zoals de foto’s die de Hubble-telescoop naar aarde stuurt.
Inmiddels weten we door die telescoop dat ons sterrenstelsel er een is van vele miljarden, en dat onze zon maar een onbeduidend sterretje is. In de ruimte en in de tijd zijn we nietig: vergeleken met een leeftijd van 13,7 miljard jaar van het heelal, is de mens slechts een paar seconden oud.
De belangrijkste hemellichamen voor de aarde en de mens zijn natuurlijk de zon en de maan. Professor Frank Verbunt van de Universiteit Utrecht deed veel onderzoek naar de invloed van zon en maan op de aarde.
De interessantste wetenschappelijke feiten zijn zo opmerkelijk en simpel dat je ze nooit vergeet en vaak wilt herhalen. De geëigende vorm daarvoor is ‘Wist je dat...’. Wist je dat elke seconde zestig miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter op aarde razen? Dus ook door je eigen lichaam heen?
De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die in modellen en formules te vatten is. Maar de formule vertoont een afwijking: bij de kernfusie lijkt er minder massa uit te komen dan erin gaat. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ook door jou en mij.
Verbunt vertelt hoe zijn onderzoek samenhangt met allerlei andere vakgebieden, bijvoorbeeld zijn studie naar de maan. Metingen tonen aan dat de maan van de aarde af beweegt. De afstand van de maan is nauwkeurig vast te stellen door middel van spiegels en daarin reflecterende lichtdeeltjes. Sterrenkunde, oceanografie, meteorologie en geologie werken hierbij samen.
De zon en de maan staan relatief dicht bij de aarde; de maan is zelfs op reisafstand voor de mens. Dat is anders bij de planeten van ons zonnestelsel. Laat staan planeten in andere sterrenstelsels, voorbij de Melkweg. Toch wordt daar wetenschappelijk onderzoek naar verricht, zoals naar de kans op buitenaards leven. Wordt fiction nu science? Dr. Daphne Stam van SRON verwacht binnen enkele jaren een doorbraak in het onderzoek naar exoplaneten. Hoe moeten we communiceren met buitenaardse wezens: die vraag wordt inmiddels al gesteld in de wandelgangen van de wetenschap.
Stam vertelt hoe moeilijk het onderzoek naar planeten in outer space is: de planeten kun je niet zien, zelfs niet met de grootste telescoop. Hun bestaan moet je afleiden uit bijvoorbeeld de schommelingen van de ster waaromheen hij draait of doordat het licht van de ster tijdelijk vermindert als de planeet ervoor langs gaat. Overigens zou geen van deze methoden onze aarde zichtbaar maken, mochten aliens bezig zijn met onderzoek naar onze uithoek van het heelal. Stam concludeert: ‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’
Kunnen we nog verder in de sterrenkunde dan buitenaards leven op exoplaneten? Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige aan de Universiteit Utrecht bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen?
Klassieke theorieën van beweging, zoals die van Einstein over zwaartekracht, kunnen niet uitleggen wat op de allerkleinste natuurkundige schaal allemaal gebeurt. Daarvoor is de kwantumtheorie nodig. Door analogieën en met wiskundige methodes probeert de wetenschap een theorie van kwantumzwaartekracht te formuleren – een Theorie van Alles.
Wormgaten stonden niet in de kosmische top drie van Govert Schilling, maar nemen ongetwijfeld de vierde plaats in, mét de vraag of tijdreizen door wormgaten mogelijk is. Wormgaten zijn ook in de zoektocht naar een Theorie van Alles heel belangrijk.
Hoe werkt dat tijdreizen door wormgaten? Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg. Kunnen we binnenkort dan ‘back to the future’? Nee, wormgaten bestaan namelijk niet. Niet alleen druisen ze in tegen het heilige principe van natuurkunde, causaliteit, (‘En dan kun je alleen nog maar wanhopen’) juist de kwantumzwaartekracht levert het bewijs dat wormgaten fysische onmogelijkheden zijn.
Uit het experiment met wormgaten komt ook de bizarre aard van het kwantumschuim naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ aldus Loll, die even verheugd als verbaasd klinkt.
De theorie die dit alles met elkaar verbindt en geldig is op kleine zowel als grote schaal is nog niet gevonden. Tot die tijd moeten de theoretische natuurkundigen streven naar een zo robuust mogelijke theorie, een algemene theorie met algemene resultaten. De hoop ligt in de toekomst – de hoop op een mooie, unieke, enkelvoudige theorie die alles kan beschrijven. De moderne sterrenkunde begon 400 jaar geleden met de uitvinding van de telescoop. Hoe zien de aarde, de zon en maan, de Melkweg en het heelal, de kwantumtheorie en de gekromde ruimtetijd en over nog eens 400 jaar uit? Waarschijnlijk zullen mensen dan verzuchten over de wetenschappers van nu: ‘Ze hadden het nooit geloofd…’
Meer weten? De vier lezingen in de serie ‘Iets nieuws onder de zon’ zijn terug te zien op www.sg.uu.nl

Liever lezen? Hieronder de uitgeschreven tekst.
Het beeld dat bestaat van de sterrenkunde, vindt vaak zijn oorsprong in sciencefiction of bijgeloof: de horoscoop in de krant, ontmoetingen met buitenaardse wezens, reizen door de tijd. Drie vooraanstaande onderzoekers en een wetenschapsjournalist scheiden de 'science' van de 'fiction'. Sterrenkundigen verwachten de komende jaren met hun experimenten en onderzoek antwoorden te vinden op een aantal fundamentele vragen. De publieke belangstelling voor experimenten zoals met de deeltjesversneller in Genève is groot, maar niet onverdeeld positief. Regelmatig steken wilde geruchten de kop op over de gevaarlijke krachten die natuurkundigen ontketenen. Dat de wereld in een zwart gat zou verdwijnen is wetenschappelijke onzin. Maar de wetenschap houdt zich wel bezig met onderwerpen die klinken als een sensationele stuiverroman. In dit filmpje nemen vier vooraanstaande onderzoekers je mee, van de aarde via zon en maan tot aan exoplaneten buiten ons eigen Melkwegstelsel, op weg naar een Theorie van Alles.
Maar laten we beginnen bij het begin. De astronomie was een van de eerste wetenschappen die de mens beoefende, voor navigatie en tijdrekening, maar ook om voorspellingen te doen. Waar komt die oeroude fascinatie vandaan? Welke antwoorden vindt de mens in het onmetelijke heelal? De sterrenkunde raakt ons persoonlijk, zo zegt Govert Schilling, wetenschapsjournalist en autodidact in de astronomie.
Hij stelde een kosmische top drie samen van de meest fascinerende onderwerpen uit de sterrenkunde. Op de derde plaats staan zwarte gaten. Het Zwarte Gat beantwoordt aan wat mensen verwachten van sterrenkunde: het is mysterieus, een beetje eng en totaal onbegrijpelijk. Op de tweede plaats vinden we de oerknal. Daarbij gaat het om vragen die voorheen voorbehouden waren aan religie. De oerknal is de seculiere schepping, de herkomst van alles wat bestaat. Op nummer 1 staat het buitenaardse leven. Buitenaardse wezens zijn een spiegel voor de mens. De fascinatie heeft dus veel te maken met zingeving van het aardse bestaan en met een verlangen naar het sublieme: de huivering die het onmetelijk grote, maar ook het onbegrijpelijk schone oproept, zoals de foto’s die de Hubble-telescoop naar aarde stuurt.
Inmiddels weten we door die telescoop dat ons sterrenstelsel er een is van vele miljarden, en dat onze zon maar een onbeduidend sterretje is. In de ruimte en in de tijd zijn we nietig: vergeleken met een leeftijd van 13,7 miljard jaar van het heelal, is de mens slechts een paar seconden oud.
De belangrijkste hemellichamen voor de aarde en de mens zijn natuurlijk de zon en de maan. Professor Frank Verbunt van de Universiteit Utrecht deed veel onderzoek naar de invloed van zon en maan op de aarde.
De interessantste wetenschappelijke feiten zijn zo opmerkelijk en simpel dat je ze nooit vergeet en vaak wilt herhalen. De geëigende vorm daarvoor is ‘Wist je dat...’. Wist je dat elke seconde zestig miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter op aarde razen? Dus ook door je eigen lichaam heen?
De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die in modellen en formules te vatten is. Maar de formule vertoont een afwijking: bij de kernfusie lijkt er minder massa uit te komen dan erin gaat. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ook door jou en mij.
Verbunt vertelt hoe zijn onderzoek samenhangt met allerlei andere vakgebieden, bijvoorbeeld zijn studie naar de maan. Metingen tonen aan dat de maan van de aarde af beweegt. De afstand van de maan is nauwkeurig vast te stellen door middel van spiegels en daarin reflecterende lichtdeeltjes. Sterrenkunde, oceanografie, meteorologie en geologie werken hierbij samen.
De zon en de maan staan relatief dicht bij de aarde; de maan is zelfs op reisafstand voor de mens. Dat is anders bij de planeten van ons zonnestelsel. Laat staan planeten in andere sterrenstelsels, voorbij de Melkweg. Toch wordt daar wetenschappelijk onderzoek naar verricht, zoals naar de kans op buitenaards leven. Wordt fiction nu science? Dr. Daphne Stam van SRON verwacht binnen enkele jaren een doorbraak in het onderzoek naar exoplaneten. Hoe moeten we communiceren met buitenaardse wezens: die vraag wordt inmiddels al gesteld in de wandelgangen van de wetenschap.
Stam vertelt hoe moeilijk het onderzoek naar planeten in outer space is: de planeten kun je niet zien, zelfs niet met de grootste telescoop. Hun bestaan moet je afleiden uit bijvoorbeeld de schommelingen van de ster waaromheen hij draait of doordat het licht van de ster tijdelijk vermindert als de planeet ervoor langs gaat. Overigens zou geen van deze methoden onze aarde zichtbaar maken, mochten aliens bezig zijn met onderzoek naar onze uithoek van het heelal. Stam concludeert: ‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’
Kunnen we nog verder in de sterrenkunde dan buitenaards leven op exoplaneten? Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige aan de Universiteit Utrecht bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen?
Klassieke theorieën van beweging, zoals die van Einstein over zwaartekracht, kunnen niet uitleggen wat op de allerkleinste natuurkundige schaal allemaal gebeurt. Daarvoor is de kwantumtheorie nodig. Door analogieën en met wiskundige methodes probeert de wetenschap een theorie van kwantumzwaartekracht te formuleren – een Theorie van Alles.
Wormgaten stonden niet in de kosmische top drie van Govert Schilling, maar nemen ongetwijfeld de vierde plaats in, mét de vraag of tijdreizen door wormgaten mogelijk is. Wormgaten zijn ook in de zoektocht naar een Theorie van Alles heel belangrijk.
Hoe werkt dat tijdreizen door wormgaten? Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg. Kunnen we binnenkort dan ‘back to the future’? Nee, wormgaten bestaan namelijk niet. Niet alleen druisen ze in tegen het heilige principe van natuurkunde, causaliteit, (‘En dan kun je alleen nog maar wanhopen’) juist de kwantumzwaartekracht levert het bewijs dat wormgaten fysische onmogelijkheden zijn.
Uit het experiment met wormgaten komt ook de bizarre aard van het kwantumschuim naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ aldus Loll, die even verheugd als verbaasd klinkt.
De theorie die dit alles met elkaar verbindt en geldig is op kleine zowel als grote schaal is nog niet gevonden. Tot die tijd moeten de theoretische natuurkundigen streven naar een zo robuust mogelijke theorie, een algemene theorie met algemene resultaten. De hoop ligt in de toekomst – de hoop op een mooie, unieke, enkelvoudige theorie die alles kan beschrijven. De moderne sterrenkunde begon 400 jaar geleden met de uitvinding van de telescoop. Hoe zien de aarde, de zon en maan, de Melkweg en het heelal, de kwantumtheorie en de gekromde ruimtetijd en over nog eens 400 jaar uit? Waarschijnlijk zullen mensen dan verzuchten over de wetenschappers van nu: ‘Ze hadden het nooit geloofd…’
Meer weten? De vier lezingen in de serie ‘Iets nieuws onder de zon’ zijn terug te zien op www.sg.uu.nl
Zomergasten: Jan Marijnissen en de explicateur
27/07/10 07:52 Denk aan: Televisie
Jan Marijnissen was de eerste Zomergast van dit seizoen, dat gepresenteerd wordt door Jelle Brandt Corstius. Er zal ongetwijfeld door anderen voldoende geschreven worden over de vermogens en onvermogens van zowel gast als presentator, daar ben ik niet voor nodig. (Volstaat te zeggen dat dit een van de weinige afleveringen is die ik helemaal af heb gekeken.) Ik ga liever wat verder in op een interessante rode draad die door de uitzending heen liep.
Meteen vanaf het begin sprak Marijnissen over zijn voorkeur voor explicateurs - iemand die de tijd neemt om dingen uit te leggen, zijn passie weet over te brengen en zo een brug bouwt tussen de kenner en het publiek. (Lees verder onder de video.)
Ik vind het een mooi streven om meer explicateurs aan het woord te laten. Dat sluit ook aan bij de doelstelling van Studium Generale: wetenschappers brengen hun kennis naar buiten voor een groot publiek en laten tegelijk (hopelijk) wat zien van hun persoonlijke drijfveren. Waarom doe je het werk dat je doet? Hoe kom je aan een passie voor het vak?
Iemand die ook zeker een explicateur genoemd kan worden, is Arjen Grolleman, de KinkFM-dj die begin dit jaar overleed. Bij het in memoriam stond een citaat van hem: 'Er is niets mooier dan mensen overtuigen van jouw muzieksmaak. Het is een roeping.' In een interview dat op 3VOOR12 is terug te luisteren vertelt hij hier ook over: de explicateur maakt zelf geen muziek of kunst, maar probeert zoveel mogelijk mensen voor die muziek en kunst te interesseren. Hoe veel voldoening en energie dat kan geven hoor je meteen, net als dat je het zag bij Marijnissen.
Een ander woord dat in dit verband een paar keer terugkwam in de Zomergastenuitzending was bemoediging. Wie bemoedigt je in je keuzes? Wie laat je zien welke kant je in je leven op wil? Een explicateur is als het goed is ook een bemoediger, hoewel niet elke bemoedigende persoon in je omgeving een explicateur is. Bemoediging kan zowel van iemand heel dichtbij komen (hopelijk je ouders) als van een bewonderd persoon die je niet zelf kent (zoals een publieke figuur die maatschappelijke verandering belichaamt).
Eerder schreef ik over rolmodellen (een favoriet Studium Generale-woord). Een explicateur is echter iets heel anders dan een rolmodel, hoewel ze beiden personen zijn die je jezelf als voorbeeld stelt. (Want gelukkig is het niet meer zo dat anderen dat voor ons doen.) Een rolmodel is een voorbeeld door zijn manier van leven. Mijn rolmodel kan jij slaapverwekkend en afschrikwekkend vinden. Een explicateur is dat echter voor iedereen: ze leert je meer over de wereld, over wat er in de breedte allemaal te ontdekken valt en over de (smallere) richting die je eigen interesses nemen. Maar ze kunnen zich natuurlijk ook in één mens verenigen. Ik zou wel een explicateur willen zijn, daarom zijn mijn rolmodellen dat ook.
Natuurlijk liep het uit op de vraag of Marijnissen zelf een explicateur is en natuurlijk volgde daarop het bevestigende antwoord. Ik vond het vooral mooi hoe Jelle Brandt Corstius meteen vroeg: 'Wat is een explicateur?' Daarmee bewees hij zijn presentatietalent. Want hij weet natuurlijk best wat een explicateur is - enigszins - maar begrijpt dat zijn publiek een explicatie nodig heeft. Het bewijst dat ook een explicateur een goede vragensteller nodig heeft.

_________________________________________________________________________________
Gerelateerde artikelen:
Meteen vanaf het begin sprak Marijnissen over zijn voorkeur voor explicateurs - iemand die de tijd neemt om dingen uit te leggen, zijn passie weet over te brengen en zo een brug bouwt tussen de kenner en het publiek. (Lees verder onder de video.)
Ik vind het een mooi streven om meer explicateurs aan het woord te laten. Dat sluit ook aan bij de doelstelling van Studium Generale: wetenschappers brengen hun kennis naar buiten voor een groot publiek en laten tegelijk (hopelijk) wat zien van hun persoonlijke drijfveren. Waarom doe je het werk dat je doet? Hoe kom je aan een passie voor het vak?
Iemand die ook zeker een explicateur genoemd kan worden, is Arjen Grolleman, de KinkFM-dj die begin dit jaar overleed. Bij het in memoriam stond een citaat van hem: 'Er is niets mooier dan mensen overtuigen van jouw muzieksmaak. Het is een roeping.' In een interview dat op 3VOOR12 is terug te luisteren vertelt hij hier ook over: de explicateur maakt zelf geen muziek of kunst, maar probeert zoveel mogelijk mensen voor die muziek en kunst te interesseren. Hoe veel voldoening en energie dat kan geven hoor je meteen, net als dat je het zag bij Marijnissen.
Een ander woord dat in dit verband een paar keer terugkwam in de Zomergastenuitzending was bemoediging. Wie bemoedigt je in je keuzes? Wie laat je zien welke kant je in je leven op wil? Een explicateur is als het goed is ook een bemoediger, hoewel niet elke bemoedigende persoon in je omgeving een explicateur is. Bemoediging kan zowel van iemand heel dichtbij komen (hopelijk je ouders) als van een bewonderd persoon die je niet zelf kent (zoals een publieke figuur die maatschappelijke verandering belichaamt).
Eerder schreef ik over rolmodellen (een favoriet Studium Generale-woord). Een explicateur is echter iets heel anders dan een rolmodel, hoewel ze beiden personen zijn die je jezelf als voorbeeld stelt. (Want gelukkig is het niet meer zo dat anderen dat voor ons doen.) Een rolmodel is een voorbeeld door zijn manier van leven. Mijn rolmodel kan jij slaapverwekkend en afschrikwekkend vinden. Een explicateur is dat echter voor iedereen: ze leert je meer over de wereld, over wat er in de breedte allemaal te ontdekken valt en over de (smallere) richting die je eigen interesses nemen. Maar ze kunnen zich natuurlijk ook in één mens verenigen. Ik zou wel een explicateur willen zijn, daarom zijn mijn rolmodellen dat ook.
Natuurlijk liep het uit op de vraag of Marijnissen zelf een explicateur is en natuurlijk volgde daarop het bevestigende antwoord. Ik vond het vooral mooi hoe Jelle Brandt Corstius meteen vroeg: 'Wat is een explicateur?' Daarmee bewees hij zijn presentatietalent. Want hij weet natuurlijk best wat een explicateur is - enigszins - maar begrijpt dat zijn publiek een explicatie nodig heeft. Het bewijst dat ook een explicateur een goede vragensteller nodig heeft.
_________________________________________________________________________________
Gerelateerde artikelen:
10 schrijvers en denkers over Levenskunst
16/06/10 12:02 Denk aan: Filosofie
1. Schrijven is een vorm van zelfonderzoek. Door je gedachten te ordenen en onder woorden te brengen, vergaar je zelfkennis. Zelfkennis is een voorwaarde voor een goed leven: je leert omgaan met de veranderlijke aard van het leven. Schrijven biedt daarbij een houvast, maar ook de mogelijkheid om op onderzoek uit te gaan en ideeën uit te proberen. Had Montaigne nu geleefd, dan had hij vast een weblog gehad.
Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid
2. Lezen is een vorm van zelfonderzoek. Filosofische of literaire teksten, zoals de maximes van La Rochefoucauld, confronteren de lezer met zijn waarden, door een andere (interpretatie van de) werkelijkheid voor te spiegelen. Soms is die confrontatie zo heftig dat je liever niet verder leest. Maar juist dan is het zaak om zo eerlijk mogelijk jezelf in de ogen te zien. La Rochefoucauld: Authenticiteit en eigenbelang – het lastige evenwicht van de honnête homme
3. Schep je eigen waarden, los van de groep. Mensen zoeken aansluiting bij groepen en ideologieën, omdat ze onzeker zijn en beschermd willen worden. Maar dat werkt je eigenlijk alleen maar tegen. Er is geen set van gegeven waarden die absoluut is en waar je je aan moet conformeren. Levenskunst gaat om het zoeken en scheppen van je eigen waarden. Friedrich Nietzsche: ‘De dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst
4. Er zijn geen antwoorden, alleen standpunten. Als God dood is, is dan alles geoorloofd? Misschien, misschien ook niet. De literatuur kan beide antwoorden in hetzelfde werk geven, zoals in de grote romans van Dostojevski. Hij toont meerdere theorieën en gezichtspunten zonder een oordeel te vellen. Het is aan de lezer om de polyfone perspectieven te onderzoeken en tegen elkaar af te wegen en zijn eigen standpunt in te nemen. Fjodor Dostojevski: Mensen zijn dom en slecht
5. Levenskunst is zorg voor jezelf. Het doel van levenskunst is vrijheid. Datgene wat de vrijheid om je leven vorm te geven zoals je wilt in de weg zit, verdient de meeste zorg. Je leeft en zorgt altijd in een context en de vrijheid daarin is altijd beperkt. Zorg voor jezelf brengt daardoor automatisch zorg voor de ander met zich mee. Michel Foucault: Het leven een kunstwerk
6. Ook loslaten is deel van levenskunst. In de mystieke ervaring of roes verlies je je kenmerkende eigenschappen en val je buiten de heersende moraal. Het is belangrijk om de mystieke ervaring niet meteen op te vullen met allerlei gegevenheden, maar te onderzoeken. Hoe stevig sta je in je schoenen, als de grond onder je voeten verdwijnt? Robert Musil: Mystiek zonder God
7. Authenticiteit kan niet zonder het gemeenschappelijke. De bron van een authentieke levenshouding ligt in het individu, maar krijgt pas echt gestalte in relatie tot de ander. Dialoog en het onderzoeken van gedeelde waarden zijn essentieel in het vormgeven van je eigen leven. Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’
8. De mens is absoluut vrij en absoluut alleen. Er zijn een paar gegevenheden in het leven, zoals je geslacht en je afkomst, maar er is geen doel of opdracht. Door keuzes te maken en je bewust te zijn van je verhouding tot de buitenwereld, schep je het project van je eigen leven. Pas in de praktijk van het existeren, ontstaat er zoiets als een essentie of basis. Jean-Paul Sartre en het existentialisme
9. Cognitieve afwegingen leiden tot goede keuzes. Er zijn altijd meerdere opties als je voor een beslissing gesteld staat. Die verschillende opties kun je onderzoeken, rationeel en emotioneel en met gebruik van je voorstellingsvermogen. Dan zal je wil de juiste keuze maken en daarvoor gaan. De toekomst staat niet vast; je hebt de macht haar met je vrije wil te veranderen. Peter Bieri / Pascal Mercier: Levenskunst als denkproces
10. Middenin de pijn staan en hard stampen. Via onderzoek naar je meest pijnlijke en duistere ervaringen, kom je tot de kern van wat het betekent om mens te zijn en jezelf te zijn. Hoe doe je dat? Door veel te lezen en door te schrijven. Want, zo leerde Montaigne al: schrijven is een vorm van zelfonderzoek. Michel Houellebecq: alleen in boeken jezelf kunnen zijn
Kijk de volledige lezingen over deze schrijvers en denkers terug via de website van Studium Generale.

_________________________________________________________________________________
Gerelateerde artikelen:
2. Lezen is een vorm van zelfonderzoek. Filosofische of literaire teksten, zoals de maximes van La Rochefoucauld, confronteren de lezer met zijn waarden, door een andere (interpretatie van de) werkelijkheid voor te spiegelen. Soms is die confrontatie zo heftig dat je liever niet verder leest. Maar juist dan is het zaak om zo eerlijk mogelijk jezelf in de ogen te zien. La Rochefoucauld: Authenticiteit en eigenbelang – het lastige evenwicht van de honnête homme
3. Schep je eigen waarden, los van de groep. Mensen zoeken aansluiting bij groepen en ideologieën, omdat ze onzeker zijn en beschermd willen worden. Maar dat werkt je eigenlijk alleen maar tegen. Er is geen set van gegeven waarden die absoluut is en waar je je aan moet conformeren. Levenskunst gaat om het zoeken en scheppen van je eigen waarden. Friedrich Nietzsche: ‘De dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst
4. Er zijn geen antwoorden, alleen standpunten. Als God dood is, is dan alles geoorloofd? Misschien, misschien ook niet. De literatuur kan beide antwoorden in hetzelfde werk geven, zoals in de grote romans van Dostojevski. Hij toont meerdere theorieën en gezichtspunten zonder een oordeel te vellen. Het is aan de lezer om de polyfone perspectieven te onderzoeken en tegen elkaar af te wegen en zijn eigen standpunt in te nemen. Fjodor Dostojevski: Mensen zijn dom en slecht
5. Levenskunst is zorg voor jezelf. Het doel van levenskunst is vrijheid. Datgene wat de vrijheid om je leven vorm te geven zoals je wilt in de weg zit, verdient de meeste zorg. Je leeft en zorgt altijd in een context en de vrijheid daarin is altijd beperkt. Zorg voor jezelf brengt daardoor automatisch zorg voor de ander met zich mee. Michel Foucault: Het leven een kunstwerk
6. Ook loslaten is deel van levenskunst. In de mystieke ervaring of roes verlies je je kenmerkende eigenschappen en val je buiten de heersende moraal. Het is belangrijk om de mystieke ervaring niet meteen op te vullen met allerlei gegevenheden, maar te onderzoeken. Hoe stevig sta je in je schoenen, als de grond onder je voeten verdwijnt? Robert Musil: Mystiek zonder God
7. Authenticiteit kan niet zonder het gemeenschappelijke. De bron van een authentieke levenshouding ligt in het individu, maar krijgt pas echt gestalte in relatie tot de ander. Dialoog en het onderzoeken van gedeelde waarden zijn essentieel in het vormgeven van je eigen leven. Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’
8. De mens is absoluut vrij en absoluut alleen. Er zijn een paar gegevenheden in het leven, zoals je geslacht en je afkomst, maar er is geen doel of opdracht. Door keuzes te maken en je bewust te zijn van je verhouding tot de buitenwereld, schep je het project van je eigen leven. Pas in de praktijk van het existeren, ontstaat er zoiets als een essentie of basis. Jean-Paul Sartre en het existentialisme
9. Cognitieve afwegingen leiden tot goede keuzes. Er zijn altijd meerdere opties als je voor een beslissing gesteld staat. Die verschillende opties kun je onderzoeken, rationeel en emotioneel en met gebruik van je voorstellingsvermogen. Dan zal je wil de juiste keuze maken en daarvoor gaan. De toekomst staat niet vast; je hebt de macht haar met je vrije wil te veranderen. Peter Bieri / Pascal Mercier: Levenskunst als denkproces
10. Middenin de pijn staan en hard stampen. Via onderzoek naar je meest pijnlijke en duistere ervaringen, kom je tot de kern van wat het betekent om mens te zijn en jezelf te zijn. Hoe doe je dat? Door veel te lezen en door te schrijven. Want, zo leerde Montaigne al: schrijven is een vorm van zelfonderzoek. Michel Houellebecq: alleen in boeken jezelf kunnen zijn
Kijk de volledige lezingen over deze schrijvers en denkers terug via de website van Studium Generale.
_________________________________________________________________________________
Gerelateerde artikelen:
Michel Houellebecq: alleen in boeken kunnen leven
10/06/10 18:05 Denk aan: Literatuur

Michel Houellebecq is van jongs af aan weinig sociaal en erg teruggetrokken. Via de literatuur - eerst poëzie, later proza - ontpopte hij zich tot iemand anders. Sinds de jaren negentig is hij een van de meest controversiële schrijvers van Europa, zeer uitgesproken en niets en niemand ontziend. Zijn romans bevatten veel autobiografische elementen. Zoals Elementaire deeltjes, waar de twee halfbroers twee persoonlijkheidshelften van Michel Houellebecq zelf zijn. Dominante eigenschappen, die eerder verborgen moesten blijven omdat ze niet de mooiste zijn, komen in de literatuur aan de oppervlakte. In het geval van Houellebecq: haat.
De drie bekendste romans van Houellebecq - De wereld als markt en strijd, Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland - vormen een drieluik. Houellebecq geeft daarin felle kritiek op de moderne maatschappij. Als hoofdschuldige wijst hij naar het doorgeschoten liberalisme en individualisme.
Is er alleen haat? Of ook een oplossing? Ja, die is er: de nieuwe mens. Die is zowel technologisch nieuw, want zal voortkomen uit klonen. Maar ook gaat het om een nieuw ethisch besef, waarin de zwakkeren op bescherming mogen rekenen. Dat klinkt zowel futuristisch als conservatief. Er is in het werk van Houellebecq steeds spanning tussen kritiek op het moderne en fascinatie voor dat moderne. Houellebecqs personages (die dicht bij hemzelf staan) zijn representanten van de moderne tijd, ze gaan daarin mee maar gaan er ook aan ten onder.
Volgens Maarten van Buuren zien we in Mogelijkheid van een eilandhoe Houellebecq tijdens het proces van schrijven van opvatting verandert. Het utopische ideaal van gekloonde, onsterfelijke mensen, vertoont te veel gebreken. Uiteindelijk verandert de roman in een dystopie: de toekomst is koud en duister, de onsterfelijke kloon kiest uit eigen beweging voor de dood. Schrijven is een manier van (zelf)onderzoek: Houellebecq heeft tijdens en dóór het schrijven de onmogelijkheid van zijn eigen utopie ingezien.
Zulk zelfonderzoek kan alleen iets opleveren als het gepaard gaat met een genadeloze eerlijkheid tegenover jezelf. Houellebecq gebruikt zijn meest pijnlijke en inktzwarte ervaringen om door te dringen tot de kern van het mens-zijn. Midden in de pijn staan en dan hard stampen: dat is waarom hij volstrekt authentiek is, zegt Van Buuren. Of is Houellebecq juist een aansteller en een acteur, zoals Joep Dohmen stelt, in zijn reactie op de lezing?
Beide kunnen kloppen. Er ligt een verschil tussen de Houellebecq uit het ‘echte leven’ en die uit de boeken – het personage Houellebecq waarin hij is ontpopt. En anders dan voor de hand ligt, is de Houellebecq uit het ‘echte leven’ niet de meest echte. Alleen in boeken kan hij volledig zichzelf en dus authentiek zijn. Dat is meteen het beste argument waarom literatuur en filosofie onmisbaar bij zijn bij het beoefenen van levenskunst.
In september verschijnt de nieuwe roman van Houellebecq in een eerste oplage van 100.000 stuks in Frankrijk. Hij zal ongetwijfeld weer genoeg stof doen opwaaien. Hopelijk ook in de hoofden van zijn lezers.
De lezing Tegen de vooruitgang is terug te zien via Studium Generale. Kijk onder Levenskunst op het Studium Generale nieuwsblog voor de andere artikelen over deze serie.
Angst: een wetenschapsfilosofische encyclopedie
21/05/10 20:56 Denk aan: Wetenschap

Levenskunst als bewust denkproces: Peter Bieri / Pascal Mercier
12/05/10 12:52 Denk aan: Filosofie

Het Handwerk van de vrijheid is het filosofische hoofdwerk van Bieri, die onder het grote publiek vooral bekendheid geniet als Pascal Mercier, schrijver van Nachttrein naar Lissabon. Het filosofische en literaire werk zijn nauw met elkaar verbonden. Juist de verbeelding en expressie krijgt in Bieri's filosofie een grote rol toebedeeld, en in zijn romans kan hij laten zien hoe dat in zijn werk gaat.
De titel Handwerk van de vrijheid laat zien dat voor Bieri levenskunst een proces is ('handwerk') waar je aan kunt werken en dat tot op zekere hoogte te controleren is. 'Over de ontdekking van de vrije wil' luidt de ondertitel en een analytische benadering van de wil vormt de basis van Bieri's filosofie. In de lezing voor de serie Levenskunst over Bieri, zette professor Joep Dohmen deze analyse van de wil uiteen. Kort gezegd gaat aan de wil een veelheid van wensen vooraf. De wil is de wens die uiteindelijk gekozen wordt, na afweging van mogelijkheden en middelen. Hij is een oordeel over de verschillende wensen die je hebt en uit zich in een bereidheid dat oordeel te volgen. Bieri gaat dus uit van een vrije wil, die uit een denkproces ontstaat.
Door de nadruk op de wil te leggen, komt een heel nieuw thema aan de oppervlakte in het denken over levenskunst, zoals we dat in de voorgaande lezingen hebben gehoord. Niettemin komen ook bij Bieri vragen terug die bij de andere denkers en schrijvers spelen: over de vrijheid en over de taal bijvoorbeeld. Voor Bieri hangt vrijheid samen met een open toekomst, waarin de wil speelruimte heeft. Het denkspelletje is ernst: maak je in een toekomst die open ligt een keuze, dan zal dat ook echt invloed hebben op het verloop van die toekomst. En een andere keuze maken is mogelijk, door de speelruimte van de wil.
Hoe kom je er dan achter wat te kiezen? Hierbij spelen taal en verbeelding een rol. Staande op een cruciaal punt in je leven (studeren of niet studeren? kinderen of geen kinderen?), moet je met je voorstellingsvermogen aan de slag. Door de consequenties van de verschillende keuzes te verbeelden, kun je de keuzes tegen elkaar afwegen. Hoe ziet mijn leven eruit als ik niet ga studeren? Wat betekent dat écht? En als ik wel ga studeren? Het is een heel geconcentreerde vorm van kiezen, werkelijk bewust leven, zoals Joep Dohmen benadrukte.
De expressie in taal is een ander thema dat in de loop van de reeks steeds is teruggekomen, en ook bij Bieri prominent aanwezig is. Dat heeft twee kanten. Het gaat om het verwoorden van wat je wilt en wie je bent, want pas door dat heel precies uit te drukken (te articuleren, zegt Bieri) kom je erachter wat dat is. Zomaar wat roepen is hetzelfde als zomaar wat kiezen: het kan nooit eigen zijn, van jezelf. Aan de bewuste keuze gaat een bewuste bewoording in de taal vooraf.
Maar dat kan geen mens zomaar. Niemand wordt geboren met een duidelijke articulatie, letterlijk en figuurlijk. Die moet je leren van anderen. Bijvoorbeeld door het zien van films, het spreken met vrienden en het lezen van boeken. Dat houdt de verbeelding aan het werk, zet je aan tot reflectie en scherpt je vermogen om jezelf uit te drukken. Eigenlijk precies wat Studium Generale ook met de reeks Levenskunst beoogt (may I add: wat ik ook met dit blog beoog). Op 8 juni is alweer de laatste lezing, zorg dat je erbij bent om met een veranderde blik op de wereld de zaal weer te verlaten!
Bekijk de lezing Hoe eigen ik mezelf toe?
De onbekende uit mijn droom was niet bij de lezing over Peter Bieri, maar des te meer bekenden, wat natuurlijk veel leuker is. Hierboven het stuk dat ik voor het Studium Generale nieuwsblog over de lezing schreef.
Het onbehaaglijke van Angst
23/03/10 18:29 Denk aan: Film

De documentaire was onderdeel van de serie Encyclopedie van de angst, die ik deze maanden presenteer bij Studium Generale. 't Hoogt in Utrecht was de locatie voor drie vertoningen, waarvan ik er eentje bijwoonde. In eerste instantie wilden we (of eigenlijk ik) drie films draaien, waarbij de studenten er één moest kiezen en de organisatie een soort marathon ervan kon maken. Naast de documentaire had ik gekozen voor The Blair Witch Project (angst voelen in de bioscoopzaal) en Das Leben der Anderen (leven in angst). Uiteindelijk bleef alleen Angst over, wat ik jammer vond. Een van de onderdelen van een reeks over angst had toch ook de ervaring van angst moeten zijn. Een soort empirisch experiment tussen alle wetenschappelijk-abstracte lezingen door. En een documentaire, dat is eigenlijk een soort lezing, dacht ik.
Gelukkig had ik het bij het verkeerde eind. Het kijken naar Angst levert ervaring genoeg en voldoende basale reacties om lekker te reflecteren.
Michiel van Erp volgt zes mensen die allemaal een angststoornis hebben: een man is bang om te vallen, een meisje is obsessief met douchen bezig uit angst dat anderen haar vies vinden, een ander heeft slaapangst. Laat ik het ronduit zeggen: ze haalden het bloed onder mijn nagels vandaan. Wat een zielenpietjes. 'Pull yourself together man!' wilde ik roepen tegen de gezichten op het scherm, die jankten, zenuwachtig knipperden of wezenloos voor zich uit staarden. Mijn geduld raakte al na een minuut of vijf op. En toen moest ik nog anderhalf uur.
Maar in dat anderhalve uur sloeg mijn stemming om. Hoe meer je van de hoofdpersonen te weten komt, hoe onbehaaglijker het wordt. Ik had te snel geoordeeld. Deze mensen hadden echt een probleem, dat hen allang boven het hoofd was gegroeid. Hun angst kroop onder mijn huid, kil, naar, eng.
Cijfertjes waren het breekpunt. Ik zie een kleurenwaaier als ik aan mijn pincode denk. Het meisje met een doucheobsessie zag in al haar handelingen cijfers en in alle cijfers een onheilspellende dan wel gelukbrengende symboliek. Vaker het eerste dan het laatste. Van een meisje dat last heeft van onzekerheid en misschien gewoon snakt naar aandacht, veranderde zij binnen één shot in iemand met een serieuze stoornis waar je je als kijker niets bij voor kunt stellen (vanaf 32.33 minuten) Het meisje gaat steeds sneller spreken: 'Ik heb shampoo, dat doe ik in mijn hand. Ik tel de een, ik weet niet waarom en dan knijp ik twee keer, want het is met één hand knijpen, vijf vingers aan één hand is tien en tien is een goed getal en één is niks, terwijl twee bevestigt wat ik doe...'
Volg je het nog? Tegen zo iemand zeg je niet 'Pull yourself together man!'
Met zeer gemengde gevoelens verliet ik de zaal. De documentaire had me met de neus op de feiten gedrukt: ik kan niet tegen zielenpietjes, vertrouw erop dat iedereen zichzelf kan redden, vertrouw erop dat zielenpietjes zich altijd aanstellen. Onaardige tiepje, ik.
Later moest ik terugdenken aan wat Damiaan Denys over de film had gezegd. Deze Vlaamse psychiater uit Amsterdam sprak eerder in de reeks over de allernieuwste behandeltechniek voor zwaar angstige patiënten. Heel dunne elektrodes worden operatief in de hersenen geplaatst en door schokjes te geven, kan de angst letterlijk worden uitgeschakeld. Mocht de batterij van de elektrode op gaan, dan komt binnen een paar seconden de angst weer terug. Denys had de film natuurlijk ook gezien (lang voordat ik hem zelf zou zien). Hij had er zijn bedenkingen bij, vertelde hij. Bedenkingen die voortkwamen uit een onbehaaglijk gevoel. Die mensen spelen allemaal theater. Ze kicken op de camera. Dat kan ook niet anders, waarom zou je als gestoorde in een documentaire willen optreden? Dit zijn mensen die in hun dagelijks leven liefst elke confrontatie uit de weg gaan. Waarom laten ze de camera dan toe in hun intieme leven, hun diepste gedachten en grootste angst? Dat theatrale aspect stoorde hem.
En inderdaad, tijdens het kijken was ook dat een onbehaaglijke onderstroom van de ervaring. Dat komt ook door de raamvertelling die de documentaire omlijst, verteld door Arthur Japin (groots op de affiche) - wiens angstige ervaringen geen geheim zijn. En het verhalende is maar één van de esthetische middelen die Van Erp gebruikt. Nu weet ik heus wel dat elke documentaire, ook die van 1Vandaag of Hart in Actie dit soort middelen gebruikt. Maar in combinatie met de uiterst pijnlijke, rock-bottom angstgevoelens van de hoofdpersoon, zet het poëtische gemijmer van Japin je aan het denken. Wie zijn die mensen? Kijk nog eens naar de poster: dat meisje achter de luxaflex is er het ergst aan toe van allemaal, ze heeft geen leven meer, kan niet slapen, niet alleen zijn, niet voor zichzelf zorgen. Daar staat ze dan op de affiche. Een prachtige, esthetische, nieuwsgierig makende affiche. Bekruipt me toch weer een onbehaaglijk gevoel.
Stukkies elders: authenticiteit, medicatie en poëzie
15/03/10 18:32 Denk aan: Wetenschap

Een verzekering tegen een ongeluk door een terroristische aanslag verkoopt beter dan gewoon een verzekering. Terwijl de kans op zo’n aanslag veel kleiner is. Iedereen weet dat en toch zijn mensen bereid meer te betalen. Hoe kan dat? De economische wetenschap is jarenlang uitgegaan van de mens als rationeel wezen. Onterecht, aldus prof. dr. Henriëtte Prast, gedragseconoom en columnist, verbonden aan de WRR. Rationele modellen beschrijven een ideale gang van zaken die verre van realistisch is. De gedragseconomie kijkt naar wat mensen echt doen als ze economische beslissingen maken en probeert de systematiek daarin te ontdekken. Lees verder
Charles Taylor: ‘sociale authenticiteit’
Authenticiteit is een kernbegrip in de literatuur en filosofie, zo blijkt uit de serie Levenskunst. Joep Dohmen en Maarten van Buuren komen in hun lezingen en discussies steeds hierop terug. Wat het inhoudt, hoe je authentiek wordt en in welke verhouding het authentieke individu tot de gemeenschap staat: daarop is geen eenduidig antwoord te geven. De lezing van Joep Dohmen over de hedendaagse filosoof Charles Taylor – schrijver van onder meer The Ethics of Authenticity – cirkelde rond deze vragen. Lees verder
Nietzsches ‘dood van God’ maakt de weg vrij voor een authentieke levenskunst
Friedrich Nietzsche staat wel bekend als ‘de filosoof met de hamer’. Zijn uitspraak ‘God is dood’ is zelfs op T-shirts terug te vinden. Nietzsche is ook te lezen als filosoof van de levenskunst, waarbij het gaat om zelfstilering en bevestiging van het leven. Hoe zijn deze twee interpretaties met elkaar te rijmen? Joep Dohmen gaf in zijn lezing voor de serie Levenskunst vorig najaar een grondige inleiding op Nietzsches moraal en op de oproep tot zelfverwerkelijking die daar nog steeds van uitgaat. Lees verder
Innovatie van medicijnen loont niet, bangmakende reclame wel
‘Voelt u zich wel eens gespannen, maakt u zich zorgen en kunt u niet meer genieten van activiteiten die u eerder leuk vond, zoals winkelen? Dan is Havidol voor u!’ Wacht eens even, Havidol? Dat klinkt verdacht veel als have it all. Inderdaad, het gaat hier om een persiflage op de manier waarop geneesmiddelen tegenwoordig ‘in de markt’ worden gezet door grote farmaceutische bedrijven. Een persiflage die helaas stoelt op een onaangename werkelijkheid, aldus professor Huub Schellekens (UU) in zijn lezing Over regulering van angst. Bij het uitvinden en produceren van geneesmiddelen gaat het allang niet meer om de mens, maar om de centen. Reclame is de grootste kostenpost, beurskoersen het belangrijkste doel. Lees verder
De literaire expressie van angst: angst als productieve kracht
Waar vrees gericht is op een object in het hier en nu (spinnen, hoogtes), is angst een ongericht gevoel. Het onderscheid tussen angst en vrees kwam eerder al naar voren bij Damiaan Denys en ook dr. Hans van Stralen haalt het aan in zijn deel van de lezing ‘De literaire expressie van angst’. Uit de bijdrage van dichter Ingmar Heytze blijkt dat angst nog veel meer vormen aanneemt. Stilstand, beweging en productie zijn begrippen die steeds terugkeren. Lees verder
Authenticiteit en eigenbelang: het lastige evenwicht van de honnête homme
François de La Rochefoucauld is bekend van zijn maximes: puntige uitspraken over de mens. Ze verschenen in een vertaling van Maarten van Buuren bij de Historische Uitgeverij. In de serie Levenkunst hield Van Buuren dit najaar een lezing over La Rochefoucauld. Hij vertelde hoe hij in de maximes een heel nieuwe laag ontdekte, toen hij er ter voorbereiding van de lezing met een ethische bril naar keek. De maximes achtervolgen de lezer met vragen die hem in zijn waarden confronteren. Houdt de auteur mij een spiegel op of herken ik me totaal niet? Lees verder
Stukkies elders: angst, levenskunst en liefde
22/02/10 19:07 Denk aan: Wetenschap

Angststoornissen: over hersenprikkeling en schoonheid
De psychiatrie streeft naar de opheffing van de eigen beroepsgroep. Als niemand meer een psychiater nodig heeft, is de missie geslaagd. Zover zal het vast niet komen. En misschien is dat ook niet erg, want een bestaan zonder lijden, zonder angst, zonder tekort is ook een bestaan zonder schoonheid en kunst. Professor Damiaan Denys is zowel psychiater als filosoof en liet beiden spreken in zijn lezing ‘Angst als psychische stoornis’ voor de reeks Encyclopedie van de angst. Lees verder...
(Valse) verleiders op Festival Mooie Woorden
Romantiek is een doodsvijand, van de liefde en van het geluk. Romantiek is ook letterlijk een doodsvijand: een vijand van de dood. Ze tovert allerlei onrealistische beelden voor ogen, zoals dat van een eeuwig leven en eeuwige jeugd. Harde woorden van filosoof Jan Drost, die echter het goede met de mens voorheeft. Als je je niet zo laat verblinden door valse verwachtingen, is de kans op geluk veel groter. Volgens Marinka Copier valt het wel mee met die valse verwachtingen. Het ligt eraan met welke bril je ernaar kijkt. Lees verder...
Wetenschap als ontmanteling van angst
Welke rol speelt angst in de wetenschap? Dat is de hoofdvraag van de wetenschapsfilosofische reeks Encyclopedie van de angst, die gisteren opende met een lezing door Sander Bais, hoogleraar in de Theoretische Fysica. Twee dingen maakte zijn lezing goed duidelijk. Angst is een belangrijke factor op veel niveaus en kan zowel voor als tegen de wetenschap werken. Maar, voegde Bais toe, wetenschap is belangrijker dan angsten – individueel of collectief – en zijn betoog was dan ook een betoog In praise of science, zoals de titel van zijn laatste boek luidt. Lees verder...
Robert Musil: Mystiek zonder God
Wat ben jij? Een dilettant, een essayist of een mysticus? Deze drie levenshoudingen spreken uit het werk De man zonder eigenschappen van Robert Musil (1880-1942). Ze zijn een spiegel voor onze eigen levensstijl en stellen de vraag wie we zelf zijn. Maarten van Buuren weet het wel: hij kan zich goed vinden in het dilettantisme, zo zei hij in zijn lezing in de serie Levenskunst. Lees verder...
Michel de Montaigne: De melancholie van de wijsheid
Had Michel de Montaigne in deze tijden geleefd in plaats van in de zestiende eeuw, dan had hij misschien wel een weblog bijgehouden. Want het zelfonderzoek van Montaigne, samengebracht in zijn Essays, had goed gepast bij de open en onderzoekende vorm van een weblog (het was dan het weblog op zijn best geweest). Ook daarin hangt alles met elkaar samen. De schrijver verwijst naar hoge en lage, de hedendaagse en voorbije cultuur – in Montaignes tijd vaak Latijnse citaten, in deze tijd filmpjes van Youtube. En het weblog is nooit af, net als de Essays. Steeds keerde Montaigne terug naar zijn tekst, verwerkte reacties van anderen, schrapte en herschreef. Lees verder...
Michel Foucault: Het leven een kunstwerk
Het lijkt een onwaarschijnlijke stap: van een analyse van het gevangenis- en strafsysteem naar de levenskunst. Zoniet voor de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Beide hebben te maken met vrijheid en de machtsverhoudingen die op die vrijheid inwerken, zo vertelde prof. dr. Joep Dohmen in zijn lezing ‘Het leven een kunstwerk’ in de serie Levenskunst. Lees verder...
Huis van de Poëzie
Is poëzie vertaalbaar? In een gedicht hangen taal, klank en betekenis zo nauw samen – is dat wel in een andere taal over te brengen? Regelmatig verschijnen er poëzievertalingen, van sommige dichters, zoals Shakespeare, zelfs meerdere. De een is vrijer dan de andere. Toch lijkt het bij de waardering van een poëzievertaling niet alleen te gaan om de vrijheid die de vertaler zich veroorlooft. Het gaat ook om iets als ‘de ziel’ van een gedicht. Lees verder...
Drie gesprekken
19/02/10 12:18 Denk aan: Leven
Ik had een gesprek met een hoogleraar. Het ging ongeveer zo:
Prof: 'Ben jij ook docent bij een vakgroep?'
Ik: 'Nee, ik ben gewoon programmamaker bij Studium Generale.'
'Ah, dat is dus je beroep?'
'Nou, beroep, beroep, ik heb niet een programmamakersopleiding gedaan of zo.'
Stilte.
'Ik heb filosofie gestudeerd, dus ik zit inhoudelijk wel in de goede richting.' (De prof, hoewel geen hoogleraar in de Wijsbegeerte, had zelf ook filosofie gestudeerd.)
'Zo, nou dat is toch nogal wat,' zei de prof.
'Valt wel mee.'
'Dat doet niet iedereen je na.'
'Ach jawel.'
'Nee hoor, veel mensen weten niet eens wat het woord betekent.'
'Ach jawel. Academisch geschoolde mensen zeker.'
'Dat is waar.'
Later op de avond dacht ik terug aan dit gesprek. Een typisch gesprek, waarvan ik er al vele heb gevoerd. Waarom, vroeg ik me af, ging het gesprek niet zo?
Lees verder
Prof: 'Ben jij ook docent bij een vakgroep?'
Ik: 'Nee, ik ben gewoon programmamaker bij Studium Generale.'
'Ah, dat is dus je beroep?'
'Nou, beroep, beroep, ik heb niet een programmamakersopleiding gedaan of zo.'
Stilte.
'Ik heb filosofie gestudeerd, dus ik zit inhoudelijk wel in de goede richting.' (De prof, hoewel geen hoogleraar in de Wijsbegeerte, had zelf ook filosofie gestudeerd.)
'Zo, nou dat is toch nogal wat,' zei de prof.
'Valt wel mee.'
'Dat doet niet iedereen je na.'
'Ach jawel.'
'Nee hoor, veel mensen weten niet eens wat het woord betekent.'
'Ach jawel. Academisch geschoolde mensen zeker.'
'Dat is waar.'
Later op de avond dacht ik terug aan dit gesprek. Een typisch gesprek, waarvan ik er al vele heb gevoerd. Waarom, vroeg ik me af, ging het gesprek niet zo?
Lees verder
Robert Musil: Mystiek zonder God
10/02/10 14:46 Denk aan: Literatuur

Uit het leven van Musils hoofdpersoon, Ulrich, komen de drie fases naar voren. Als dilettant leeft hij het leven als een spel. De dilettant speelt een rol, of zelfs meerdere rollen: die van zijn beroep, van ouder, geliefde enzovoorts. Met geen van die rollen valt hij samen, hij is er niet op vast te pinnen. Het dilettantisme is een ironische levenshouding, die niets echt serieus neemt. Zeker het maatschappelijke leven niet.
Op het dilettantisme volgt de essayistische houding. Die is te beschrijven als een beschouwelijke manier van leven. De essayist trekt zich terug uit het maatschappelijke leven. Die sociale omgang werkt alleen maar vervreemdend ten opzichte van jezelf en versluiert het zicht op wie je werkelijk bent. Nog steeds wil Ulrich zich niet laten vastpinnen. Als je je door je maatschappelijke kenmerken laat vastpinnen, verstar je en raak je steeds verder weg van jezelf. Een man zonder eigenschappen zijn, betekent zo min mogelijk stollen in dat soort vastgeroeste, onpersoonlijke kenmerken.
De derde fase wordt vertegenwoordigd door het ideaal van de mystieke ervaring. Bij Ulrich uit zich dit in de hereniging met zijn zus Agathe. De mystieke ervaring verwijst naar de absolute leegte, waarin elke vorm is opgelost. Het is een ‘mystiek zonder God’, zoals de titel van Van Buurens lezing luidt. Alle rollen en eigenschappen zijn dan volledig afgelegd.
Zijn het dilettantisme en het essayisme nog levensstijlen waar je bewust voor kunt kiezen, dat lijkt voor het mystieke niet op te gaan. Toch stelt het mystieke ideaal een belangrijke vraag aan iedereen die bezig is met levenskunst. Welke plaats geven we de mystieke ervaring in ons leven? Dan gaat het om de momenten waarop we onze kenmerkende eigenschappen verliezen en buiten de heersende moraal stappen. Daarmee stelt Musil ook onze verhouding tot de maatschappij ter discussie. Hoe stevig laat je je vastpinnen door de maatschappelijke conventies? En hoe behoud je daarbij je eigenheid? Vragen die door de hele serie heen steeds terugkomen.
In de discussie die volgde op de lezing, stelde Joep Dohmen dat bij veel van de andere denkers juist het vinden van een vorm voorop stond. Levenskunst kan er ook uit bestaan die vorm vast te houden en te ontwikkelen, zodat die helemaal eigen wordt.
Misschien ligt de waarheid in het midden. Zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn om het leven als een dilettant serieus te nemen? Je bewust zijn van de verschillende rollen die je speelt, zonder die als een spel af te doen? Zijn de essayistische en mystieke levensstijl niet ook een vorm op zichzelf? Belangwekkende vragen die laten zien hoe een roman kan werken als spiegel van de ziel.
Kijk de lezing Mystiek zonder God van Maarten van Buuren terug
Lees ook over Michel Foucault en Michel de Montaigne
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Dostojevski en data
08/12/09 08:15 Denk aan: Leven
8 december. Vorig jaar schreef ik over de verjaardag van mijn vader, die sinds zes jaar steeds verwijst naar de laatste verjaardag Data I. Vanavond presenteer ik de allerlaatste lezing van het najaarsseizoen bij SG, over Fjodor Dostojevski. Toen mijn vader ziek was, in de maanden tussen 8 december en 10 maart (Data II) las ik De gebroeders Karamazov. Dostojevski is daarom op de een of andere manier verbonden met die tijd. Hoe Dostojevski appeleert aan het morel gevoel - het thema van vanavond - heb ik meerdere malen proberen te beschrijven (Epifanie en epilepsie, Laatste ogenblikken van een terdoodveroordeelde, De biecht van Ippolit). Deze dag is een combinatie van al deze stukken. Lees verder
Uitgesloten van deelname
12/10/09 19:23 Denk aan: Literatuur

Voor mannen zijn alle vrouwen onder de dertig hetzelfde: vrijgezel, studente of caissière. Boven de dertig krijgen vrouwen voor mannen wel een eigen gezicht, zij het een lelijk gezicht.
Oh god, hoor ik mompelen, een feministenmaxime! Ach wat, dat vind ik leuk. Ook Jeroen deed mee - maar was eveneens uitgesloten van deelname want romantisch geëngageerd met een lid van de organiserende organisatie - of dan, hij bedacht de inhoud en ik de formulering.
Hoe komt het dat mensen die je op het eerste gezicht niet mag - omdat ze over anderen roddelen, omdat ze te veel over zichzelf praten en te hard lachen om hun eigen grappen - uiteindelijk de mensen worden met wie je het liefst omgaat - omdat ze altijd nieuwtjes hebben over anderen, eerlijk zijn over hun eigen onhebbelijkheden en graag lachen om mijn grappen? Misschien omdat ze meer op mezelf lijken dan ik op het eerste gezicht wil toegeven.
We hebben de winnaars uitgezocht en daaruit heb ik begrepen dat onze beider maximen waarschijnlijk toch niet tot de winnaars zou behoren, zelfs al waren we niet van deelname uitgesloten. Een maxime hoort namelijk veel korter te zijn dan de halve novelles hierboven. Neem bijvoorbeeld (geen winnaar maar de meester zelf): 'Je moet heel slim zijn om je slimheid te kunnen verbergen.' Een zinnetje waar een roman uit zou kunnen groeien. In de beperking enzovoorts dus.
Nu moet ik broeden op een korte maxime, een die mij de eer zou doen winnen, ware ik niet bij voorbaat van deelname uitgesloten. Ik weet er een: Van deelname uitgesloten rest zelfs de eer niet meer.
Schrijf je eigen maxime
09/09/09 20:21 Denk aan: Literatuur

Over een maand volgt de tweede lezing in deze reeks, over François de La Rochefoucauld, door Maarten van Buuren die ook de Maximen van deze Fransman vertaalde. Van Buuren kwam zelf met het toffe idee om een wedstrijd uit te schrijven onder de noemer "Schrijf je eigen maxime". Lees hier de oproep en doe mee!
Schrijf je eigen maxime
Tussen 1664 en 1678 verschenen een aantal opeenvolgende edities van de Maximen van François de La Rochefoucauld (1613-1680). Hij voegde steeds nieuwe maximen toe en verbeterde de oude. Een maxime is een zeer bondig geformuleerde algemene waarheid over menselijk gedrag die (in het geval van La Rochefoucauld althans) een kritische inslag heeft. La Rochefoucauld ontmaskert algemeen geaccepteerde meningen over vriendschap, liefde, deugd, trouw als vormen van huichelarij waarachter ijdelheid en eigenbelang schuil gaan.
Hier volgt een recept voor het schrijven van je eigen maxime: 1. Kies een universeel probleem, bij voorkeur uit de sfeer van het menselijk handelen: liefde, dood, vriendschap, goede manieren. 2. Noteer je persoonlijke observatie. 3. Schrap tachtig procent van wat je hebt opgeschreven. 4. Monteer de overblijvende drie zinnen zodanig dat: 5. Ze de lezer treffen door hun juistheid, 6. En hem confronteren met een raadsel.
Laat je maxime voor 9 oktober achter op het forum van SG of mail de maxime naar info@sg.uu.nl o.v.v. ‘Levenskunst - Maxime’. Een jury bestaande uit Maarten van Buuren, Joep Dohmen en Miriam Rasch (ja ja) kiest de vijf meest geslaagde maximen uit de inzendingen. De vijf winnaars ontvangen op 13 oktober a.s. een exemplaar van de vertaling (door Maarten van Buuren) van de Maximen van La Rochefoucauld (indien gewenst met handtekening van Joep Dohmen en Maarten van Buuren) en een cassette met audio-cd’s van Home Academy.
Lees op het forum ook een paar voorbeelden van La Rochefoucaulds maximen.
Succes!
Op weg naar een Theorie van Alles
03/04/09 16:48 Denk aan: Wetenschap

Van de aarde via zon en maan naar andere planeten tot aan een Theorie van Alles: de reeks bracht het publiek steeds verder van huis in steeds uitzinniger sferen. Bij de laatste lezing zat ik met mijn oren te klapperen, totaal meegesleept langs de grenzen van het denken. De afsluiting is wat mij betreft geen einde, maar eerder een begin van verdere studie in de wondere wereld van het uitdijende heelal.
Wist je dat de neutrino’s je nooit meer met rust zullen laten?
De reis door de kosmologie begon gewoon hier op aarde. Professor Frank Verbunt laat zien dat de invloed van zon en maan op het wel en wee van de aarde groot is, en veelvormiger dan gedacht.

Waar komen die neutrino’s vandaan? De energie van de zon vindt haar oorsprong in kernfusie, die je in modellen en formules kan vatten. Maar de formule vertoont een afwijking, er verdwijnt namelijk massa. Die wordt omgezet in energie, ofwel licht. Kort gezegd: er lijkt bij kernfusie meer aan massa in te gaan dan eruit komt. Líjkt, want in werkelijkheid komen twee bijna onmeetbare deeltjes mee, de neutrino’s. Die alle kanten op vliegen – ongehinderd door jou en mij. Wist je dat...?
Nog zo een. Wist je dat de dag steeds langer wordt en de maand ook? Al in de zeventiende hield Edmond Halley (naamgever van de bekende komeet) zich hiermee bezig. Halley deed onderzoek naar zonsverduisteringen. Het is exact te berekenen hoeveel tijd er tussen twee verduisteringen moet zitten. Halley rekende uit dat eerder een verduistering in Alexandrië moest zijn geweest. Bronnen wezen iets anders uit: niet Alexandrië, maar Bagdad was getuige geweest. Daar zit een uur verschil tussen! Er was maar één conclusie mogelijk: de dagen en de maanden worden langer. De gemiddelde verandering is langzamer dan 2,3 milliseconde per eeuw. Toch is dat al gauw een paar seconden sinds het begin van de jaartelling.
De Russische (fictieve) schrijver Kuzma Prutkow vroeg zijn lezer: ‘Wie is er nuttiger, de zon of de maan?’ Zonder de zon geen energie en leven, zonder de maan geen klimaat dat de energie in bedwang houdt en het leven pas echt tot leven wekt. Prutkow zelf wist nog beter het antwoord: ‘De maan is de nuttigste, want hij geeft 's nachts licht, dus als het donker is; de zon schijnt echter alleen overdag, als er toch al licht is.’
‘We zijn niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar’
In de volgende lezing gaat dr. Daphne Stam voorbij de maan en de zon, de Melkweg uit. Ze doet onderzoek naar exoplaneten en leven in andere sterrenstelsels. Het is met enige schroom dat je een wetenschapper vraagt naar buitenaards leven en de kans op technologisch vergevorderde samenlevingen in outer space. De wetenschap onderzoekt deze vragen echter zeer serieus en diepgravend en hoopt net als het grote publiek op een wereldschokkende ontdekking.
Hoewel onbekend is hoe het leven ooit is begonnen, is inmiddels wel duidelijk wat essentieel is om te overleven. Hoe strikt deze voorwaarden zijn is maar de vraag. Tegenwoordig zijn ook organismen bekend die onder zeer extreme omstandigheden leven en die daarom toepasselijk extremofielen heten. Op de meest onherbergzame plekken, zoals in zwavelbronnen en op Antarctica, is blijkbaar wel leven mogelijk. Dus misschien ook wel op onherbergzame planeten.
Christiaan Huygens was een van de eersten die nadacht over leven op planeten bij een andere zon of ster. Als de zon een ster is, zo redeneerde hij, en de hemel is bezaaid met sterren, waarom zouden die dan geen planeten hebben? Inmiddels is de techniek zo geavanceerd dat er daadwerkelijk planeten bij andere sterren aan te wijzen zijn. Zo leren we ook meer over ons eigen Melkwegstelsel, dat een heel normaal, gemiddeld stelsel blijkt te zijn, onopvallend en eigenlijk totaal niet interessant – mocht je een alien zijn. De Melkweg mag dan onopvallend en gemiddeld zijn, de getallen liegen er niet om. Een sterrenstelsel als het onze kent zo’n 200 miljard sterren, waarvan er 40 miljard als onze zon zijn. Er moeten dus heel veel planeten zijn. Waarom is de Melkweg dan onopvallend? Omdat hij slechts een van de honderd miljard sterrenstelsels is...
‘Wat zullen we uiteindelijk aan leven vinden?’ Stam haalt Drake aan, die in 1961 een formule opstelde om de kans op ander leven in de kosmos te beschrijven. Daarin zijn allerlei variabelen opgenomen, zoals de gemiddelde snelheid waarmee sterren geboren worden, het percentage van die sterren met planeten, het deel van die planeten waar intelligent leven zich ontwikkelt en de levensduur van technologische beschavingen. Afhankelijk van de input is de uitkomst van de vergelijking dat er toch minstens zeshonderd technologische, communicerende beschavingen moeten zijn. ‘We zijn dus niet alleen, maar wel eenzaam en onvindbaar.’
Op zoek naar die ene, robuuste, unieke theorie
Professor Renate Loll is als theoretisch natuurkundige bezig met de zoektocht naar een Theorie van Alles, waarin Einsteins algemene relativiteit verzoend wordt met ideeën uit de kwantumzwaartekracht. Hoe ziet zo’n theorie eruit en wat heeft zij te zeggen over wormgaten en tijdreizen? Waar ligt de grens tussen science en fiction?
Allereerst geeft Loll een idee van de schaal waarop kwantumonderzoek zich afspeelt. We zien een foto van een vijver met waterlelies. Elke volgende foto zoomt in op een deel van het plaatje, steeds met dezelfde verkleining van factor tien. De eerste foto’s zijn duidelijk: de vijver, een lelie met een bij erop, het hoofd van de bij, zijn oog. Het zoomen gaat verder: een stukje pollen, een bacterie, daarop een virus. Nog verder: strengen DNA, DNA-structuur. Dat is 1 nanometer, 10 tot de min negende. Dan het koolstofatoom, elektronen, de nucleus, tot je bij het ‘bijna niets’ komt: protonen, quarks en gluons, elementaire deeltjes. Dan het kleinste niveau, waarop de Geneefse deeltjesversneller opereert: 10-18. Let wel: de verhouding tussen de lelie met een bij en het hoofd van de bij is dezelfde als tussen de nucleus van een elektron en elementaire deeltjes. Uiteindelijk kan de natuurkunde nog zestien ordes van grootte teruggaan tot de Planckschaal (10-35), de allerkleinste schaal die bekend is, nog voorbij de elementaire deeltjes. Hier spelen vragen over de lege ruimtetijd tússen die elementaire deeltjes.
De lege ruimtetijd tussen elementaire deeltjes: een leuk denkspelletje, maar verder niet echt boeiend, toch? Waarom zou je je bezighouden met – niets? Voor de twintigste eeuw was het volkomen gerechtvaardigd om ruimte en tijd te beschouwen als achtergrond voor interessante processen en niet als interessant op zich. Dat is het wereldbeeld van Newton: het universum bestaat uit ruimte plus tijd plus zwaartekracht. Daarbij zijn ruimte en tijd onveranderlijk en eeuwig, als een schouwtoneel waarop de zwaartekracht zijn dynamiek uitoefent.
Einstein zou het wereldbeeld totaal veranderen. Ruimte en tijd zijn innig verstrengeld, er is geen scherpe grens tussen te trekken, zo toonde hij in 1905 aan. Ruimte en tijd koppelde hij tot ruimtetijd; maar die bleef statisch en niet erg boeiend. Met de tweede revolutie van Einstein in 1915 veranderde ook dat. In dat jaar ontvouwde Einstein zijn theorie van de gekromde ruimtetijd, waarmee ook het verschil tussen ruimtetijd en zwaartekracht is opgeheven. Zwaartekracht, zo laat dit model zien, is integraal onderdeel van de structuur van de ruimtetijd zelf. Die wordt daarmee dynamisch op zich, gekromd. Geen enkele vorm van massa of energie kan ontsnappen aan die dynamiek. Zelfs lege ruimte oefent dus krachten uit op dingen die in haar worden geplaatst. De ruimte is gezegend met eigenschappen die het bestuderen meer dan waard zijn.
Einsteins theorie markeert niet het einde van de natuurkunde. Wat blijkt namelijk: op zeer kleine schaal is de klassieke theorie niet toepasbaar. Tot op millimeters gaat het goed, maar op moleculair, atomair en nucleair niveau is de zwaartekracht zo zwak dat hij niet belangrijk meer is, hij wordt helemaal tenietgedaan door andere interacties tussen deze deeltjes. De microstructuur van ruimtetijd zal er anders uit zien dan de ruimtetijd op grote schaal. Op welke manier? De ruimtetijd is op grote schaal weliswaar gekromd, maar toch vlak en glad te noemen. Op kleine schaal is hij juist verre van glad, eerder gekreukeld. Vandaar de vergelijking met schuim.
Na deze theoretische verkenning van kwantumonderzoek naar ruimtetijd komt de grote vraag: wat zegt die theorie over wormgaten? Het belangrijkste is natuurlijk dat wormgaten de mogelijkheid tot tijdreizen inhouden. Stel je een tweedimensionale ruimte voor. Door de ruimte te vouwen als een vel papier, ontstaat een shortcut. In plaats van tientallen lichtjaren, is de andere kant van het heelal nog maar een paar jaar weg.

Professor Loll vertelt over een experiment dat ze heeft opgezet om het bestaan van wormgaten te testen. Met behulp van de computer heeft ze een model gebouwd op de Planckschaal. Als voorwaarden koos ze bepaalde ingrediënten en stelde ze vast hoe die mogen bewegen. Vervolgens liet ze de ingrediënten uitdijen tot een ruimtetijd op grote schaal. Het experiment is twee keer uitgevoerd. De ene keer mogen de atomen wormgaten vormen, de andere keer niet. En wat blijkt? Als wormgaten zijn toegestaan, komen ze ook in groten getale voor. Maar alle energie gaat zitten in het maken van wormgaten, de rest van de ruimte groeit gewoon niet. Dat is niet consistent met wat we om ons heen zien. In het andere experiment, waarin wormgaten niet voorkomen, is het resultaat een universum op grote schaal dat bovendien overeenstemt met de Einstein-theorie.
Uit dit experiment komt ook de totaal bizarre, wilde aard van het kwantumschuim op de Planckschaal naar voren. De ruimtetijd is op dit niveau zozeer gekromd, dat die lijkt op gekreukeld papier, dat bovendien niet vierdimensionaal is, maar tweedimensionaal. ‘Einstein would never have believed it!’ De verzuchting van Loll klinkt even verheugd als verbaasd.
Ik moet nog even bijkomen van een maan die van de aarde af beweegt, van de nietigheid van ons sterrenstelsel en de schuimachtige vorm van materie... Gelukkig hoef ik me over één ding geen zorgen te maken: de snaartheorie met haar twaalf dimensies is alweer achterhaald.
Darwin als teaser
03/03/09 20:49 Denk aan: Wetenschap

Neutrino's in een twaaldimensionale kosmos
19/02/09 19:16 Denk aan: Wetenschap

Het voorkomen van een gespiegeld ik
10/02/09 19:15 Denk aan: Filosofie

