Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert
03/12/11 12:25 Denk aan: Filosofie

2. Dat veranderde voorgoed mijn blik op de wereld. Nog steeds maak ik vaak genoeg van de nood een deugd, maar het blijft steeds een verhaaltje dat ik mezelf vertel. De nood blijft nood, al zijn glorieuze naaktheid slechts ten dele verborgen onder de afgedragen kleren van de deugd. Dat klinkt niet heel prettig misschien, maar ik hou wel van een beetje ellende. Bovendien kan ik meer genieten van het 'omliegen' zoals Nietzsche het noemt, als het duidelijk is dat het een trucje is. Dan wordt omliegen kunst. En de ellende de waarheid.
3. Als je erop let hoor je voortdurend mensen deze truc toepassen en hoe vaker je het hoort, hoe ergerlijker het wordt. Wat je ook overkomt - ontslag, liefdesverdriet, een lekke band - je kunt het omliegen tot iets moois dat je niet had willen missen. (Het leven heeft geen clou, begrijp dat dan)
4. Dat doet denken aan wat Alain Finkielkraut schrijft over literatuur met een hoofdletter L. De echt grote schrijvers zijn degene die de afgedragen kleren wegrissen en laten zien wat voor vodden het eigenlijk zijn waar de waarheid zich in kleedt. (Op het tweede gezicht: Alain Finkielkraut - Een intelligent hart)
[De woede van Voltaire over de gigantische aardbeving in Lissabon in 1755 waarbij tienduizenden mensen om het leven kwamen. Dat was ook een revelatie voor me: waarom zou je in zo'n geval niet woedend mogen zijn op de natuur? Maar dan echt woedend.]
5. Maar. Moet je niet blij zijn met deze vaardigheid? Is het niet een bruikbaar overlevingsmechanisme dat we niet kunnen en willen missen, aangezien de mensheid anders meteen in een collectieve depressie ten onder zou gaan? Psycholoog Daniel Gilbert noemt het mechanisme 'cooking the facts'. Dat klinkt alvast heel anders dan slavenmoraal of 'van de nood een deugd maken'. Lekker aan de slag om van de feitjes een smakelijk geheel te maken. En we kunnen ook niet anders, want het koken vindt plaats in de keuken van het onbewuste. Volgens Gilbert maar goed ook, want zodra je doorhebt wat je aan het doen bent werkt het niet meer. Misschien omdat je dan ziet dat je aan het omliegen bent? Dat de nood nooit echt kan transformeren in een deugd? (Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk)
6. Ik geniet juist meer van de goed uitgevoerde truc als ik weet dat het een truc is. Inderdaad, hij werkt niet meer. Whatever. In dat geval ligt geluk in schoonheid en kennis, niet in gemoedsrust.
Comments
Krachtige taal: over retorica, emoties en framing
05/10/11 16:38 Denk aan: Filosofie

Hitler en Roosevelt
Prof. Maarten van Rossem leidt de dag in met een lezing over retorica in de politiek. Dat is meteen een knap staaltje redenaarskunst, dat impliciet duidelijk maakt dat persoonlijkheid, eigenheid en humor belangrijke aspecten zijn bij het spreken voor publiek. Van Rossem benadrukt de context bij retorica: wie spreekt, waar en voor wie en met welk medium? Retorica is eigenlijk niet te generaliseren. Hitler sprak urenlang voor duizenden toehoorders. Als je dat in fragmenten terugkijkt op een klein YouTube-schermpje, is niet te begrijpen wat de impact was. Retorische gaven lijken een belangrijk talent voor een politicus, maar Hitler is een extreem voorbeeld van het gevaar dat zulk talent ook kan opleveren. ‘Als Hitler niet zo’n groot redenaar was geweest, had alles anders gelopen,’ daar is Maarten van Rossem van overtuigd.
De moderne retorica ontstond bij de radiopraatjes van Roosevelt. Daarmee zie je dat het medium een groot deel van de context uitmaakt. Tegenwoordig wordt niet vaak meer gesproken voor duizenden toeschouwers. Zelfs de grote toespraken van de Amerikaanse president moeten het vooral ook goed doen op tv. Uitzinnige emoties en denderende woorden kunnen dan niet. Juist een rustige, bedaagde spreektrant is belangrijk. Maar het belangrijkste is tegenwoordig nog wel ironie en zelfspot. Iets wat Van Rossem zelf tot in de puntjes beheerst. Hoewel misschien in een bijzondere vorm: de geïroniseerde (zelf)vergroting. ‘Nooit zal ik voor iemand een tekst schrijven. Ten eerste schrijf ik geen teksten, ten tweede kan niemand ze zo goed uitspreken als ik.’ De Senaatszaal hangt aan zijn lippen.
Grieken, Romeinen en Martha Nussbaum
’s Avonds gaan dr. Mariëtte Willemsen en dr. Lucien van Liere dieper in op het thema krachtige taal. De klassieke retorica gaat (zoals alles) terug tot Plato. Mariëtte Willemsen geeft een overzicht van het denken over welsprekendheid in de Griekse en Romeinse wijsbegeerte. Hoewel er verschillende soorten speeches bestaan en die ook verschillende doelen kunnen hebben, komt altijd de drie-eenheid ethos, pathos en logos terug. De spreker die wil overtuigen moet karakter tonen, goed informeren en uitleggen, en de emoties aanspreken. Vooral dat laatste heeft de aandacht van Willemsen, want emoties spelen een veel grotere rol in taal dan vaak gedacht.
Aan de hand van het werk van Martha Nussbaum, laat Willemsen zien hoe emoties altijd ook een cognitieve dimensie hebben; ze zijn als het ware geladen met overtuigingen, waarden en oordelen. ‘Het denken is bij emoties in geding,’ heet het. Dat betekent dat zelfs als in een tekst of toespraak niet overduidelijk op het gevoel wordt gespeeld, emoties zich op de achtergrond welzeker doen gelden. Hier zouden we ons steeds bewust van moeten zijn, die achtergrond vraagt steeds om onderzoek.
Framing
Een moderne vorm van retorica is framing. De laatste tijd wordt veel gesproken over dit begrip dat werd gemunt in de jaren zeventig. Lucien van Liere legt uit wat het precies inhoudt. Een frame is een ‘collectie stereotyperingen’ die bijvoorbeeld op een bevolkingsgroep wordt gelegd. Een enkel woord of beeld kan voldoende zijn. Door een Amerikaanse soldaat niet bij zijn naam te noemen, maar te bestempelen als ‘een Amerikaan’, wordt de (fundamentalistische) moord op hem een moord op Amerika. Frames zijn meestal een uitdrukking van vijandschap. Ze verbergen op een simplistische manier de kwetsbaarheid van de mens die erachter zit. De Amerikaanse soldaat, maar ook bijvoorbeeld een moslima die wordt aangeduid als ‘hoofddoekje’, wordt beroofd van zijn individualiteit. De context verdwijnt en daarmee elke vorm van meerduidigheid. Interpretatie is niet meer nodig: de persoon valt samen met het enkele woord en kan niets meer of anders zijn dan dat. Dat werkt lekker makkelijk en snel, reden waarom frames zo geliefd zijn. Én gevaarlijk.
Opnieuw blijkt de context essentieel. Van Liere pleit voor een versterking van het ‘biografische perspectief’; communicatie van mens tot mens, van individu tot individu. In de persoonlijke ontmoeting kan het abstracte frame doorbroken worden. Met die kanttekening dat we nooit helemaal buiten de frames kunnen stappen, die hebben we ook nodig in het omgaan met de complexe wereld. Zoals Mariëtte Willemsen wees op het bevragen van de emotionele achtergrond, ook als die niet meteen zichtbaar is, zo ziet Van Liere graag dat we de frames waarin we denken bevragen. Emoties kunnen ons op het spoor zetten van zo’n frame.
Ethos, logos en pathos in evenwicht brengen: dat is niet alleen waar de spreker op uit moet zijn, maar ook de toehoorder. Dan is misschien de gevaarlijke kant van retorica, waar Maarten van Rossem in zijn openingslezing op wees, te beteugelen.
Kijk de avondlezingen van Mariëtte Willemsen en Lucien van Liere hier terug. De lezing van Maarten van Rossem komt later online.
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
31/03/11 18:59 Denk aan: Wetenschap

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.
Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.
Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.
Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.
Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.
En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).
Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.
De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.
Hoe onzichtbare factoren je leven sturen: zenuwen, kleding, taal
27/11/10 12:21 Denk aan: Filosofie

Zo ben ik bezig in een boeiende studie naar melancholie, door de Zweedse Karin Johannisson: De kamers van de melancholie. Hoe verandert melancholie - een soort vergaarbak voor allerlei stemmingen - door de tijd heen, vraagt zij. En vooral: waarom? Wat zijn de historische en culturele redenen dat melancholie op een bepaald moment in de tijd op een specifieke manier wordt ingevuld? Neem nu nervositeit. Door het uitvinden van het 'concept' van het zenuwstelsel gingen mensen last krijgen van hun zenuwen en zich ernaar gedragen. Ze werden nerveus, soms tot in het ziekelijke.
Veranderingen in beschrijving van het lichaam veranderen dus ook de ervaring van dat lichaam. Dat hoor je ook wel over ziektes als anorexia en ADHD. Johannisonn argumenteert nog verder. Het gaat haar niet alleen om medische beschrijvingen, maar ook om sociale beeldvorming - die een soort impliciete beschrijving is. Neem opnieuw het zenuwstelsel. Eind achttiende eeuw was het bon ton om last te hebben van je zenuwen. Een verfijnd zenuwstelsel was een kenmerk van de elite en stond in direct verband met een verfijnde smaak. Dat gold zowel voor mannen als vrouwen. Die kwamen samen in de salons om elkaar voor te lezen uit Julie van Rousseau (of onze Nederlandse evenknie Julia van Rhijnvis Feith) en daarbij tranen te plengen. Mocht ook midden op straat, als je een langgemiste vriend tegenkwam, zelfs had dat 'lang' maar een uur geduurd.
Was dat allemaal toneel? Natuurlijk niet en natuurlijk wel. Die dames en heren kenden de conventies door en door, wisten op welke manier je een zakdoek naar je betraande oog moest brengen, hoe hard je mocht snikken zonder over te gaan op snotteren. Maar dat zegt niets over het gevoel erachter, dat evengoed 'echt' was en soms ook een last. Met de overgang naar de negentiende eeuw raakte de sleet in het sentimentalisme en in de loop van de tijd werd een grote gevoeligheid juist een teken van zwakte - behorend tot de lagere klassen of gewoon tot de vrouw. Iets om je voor te schamen in elk geval. Johannisonn beschrijft hoe beheersing in de mode begon te raken, wat weer zijn eigen kwaaltjes met zich meebrengt. Lichamelijke ervaringen, culturele codes, geneeskunde, literatuur en geestelijk welbevinden hangen allemaal samen.
Ook kleding, toch een materieel siersel, heeft invloed op je lichamelijke ervaringen en hoe je daar weer psychisch tegenover staat. Niet zo lang geleden schreef ik daar nog over, en onlangs stond een interessant artikel in De Groene Amsterdammer dat dit idee op een extreme manier bevestigde. Twee Deense filmmakers vertellen over hun documentaire Armadillo, die ze draaiden bij de Deense troepenmacht in Afghanistan.
'Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervoer dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.'
Het is dat zij niet net als de 'echte' soldaten ook een geweer in hun handen hadden, anders waren ze wel mee gaan schieten, zo moet je concluderen na lezing van het artikel. Het is een extreem voorbeeld van wat in het dagelijks leven ook voortdurend gebeurt als je 's ochtends je kleren aantrekt.
Taal is dan nog niet genoemd. De manier waarop taal de werkelijkheid niet alleen beschrijft maar ook vormt is een bekend gegeven, ook in meer extreme voorbeelden. Zie bijvoorbeeld het artikel over de taal van Geert Wilders, Taal is niet stom, met de veelzeggende ondertitel 'De grenzen van de grote mond. Woorden kunnen daden zijn.' Maar ook hier geldt dat het mechanisme in het dagelijks leven, zonder grote mond, al van toepassing is. Hoort dus ook in het rijtje thuis. In NRC Handelsblad las ik over het gebruik van metaforen, die een basis hebben in de lichamelijke ervaring. Wat denk je hiervan?
'In het Fins en in sommige Inuïttalen, schrijft IJzerman in zijn proefschrift, ontbreekt bijvoorbeeld de metafoor van warmte voor liefde en vriendschap. Dat komt, denkt hij, doordat temperatuur in extreem koude gebieden zo met overleving samenhangt, dat ze het woord daarvoor exclusief willen houden. "Warmte" is te belangrijk om uit te lenen aan andere domeinen.' (Denken met je lichaam)
Ik denk dat opmerkzaamheid op dit soort invloeden heel belangrijk is als je iets van het leven wilt begrijpen. Zeker omdat dit alles in relatie staat tot de autonomie. Weinig mensen zullen beweren dat ze geheel autonoom in het leven staan, vrij van elke invloed en los van alles en iedereen. Toch denk je bij beperkingen van je autonomie eerder aan grote zaken als religie of de maatschappelijke status van je ouders, die je toevallig bij je geboorte meekrijgt. Maar die speelt ook 's ochtends voor de kledingkast, in de metaforen die je gebruikt, de manier waarop je je geliefde aanspreekt, hoe je huilt, hoe je melancholie ervaart. Zolang je je daar niet van bewust bent, zullen al die invloeden inderdaad je autonomie beperken. Er is echter een wereld te winnen door die invloeden bewust te gebruiken en daarmee je autonomie juist te vergroten.
Waarheidsvinding als morele daad en deugd. De Nacht van Descartes III
26/09/10 12:17 Denk aan: Filosofie

Naar aanleiding van de Nacht van Descartes, over de rechterlijke macht (derde en laatste deel). Lees ook deel I, Naar wat voor orde leef je? Sociale, culturele en fysieke invloeden en deel II, Schakelbewijs: stof in de hoeken van de kamer
Er zijn wel meer van dat soort uitspraken te bedenken (ben even de officiële term kwijt). De gemeenteambtenaar die man en vrouw, of liever mens en mens, tot echtgenoten verklaart. Maar ook degene die roept 'ik maak het uit!' of juist liefjes antwoord geeft op de vraag 'wil je verkering met me?' Grensgevallen zijn er ook. De arts die de dood vaststelt, hoe zit het daarmee? Of, lastiger, de arts die een diagnose stelt van een ziekte die zich niet in uiterlijke verschijnselen openbaart en daarmee een circus van behandelingen in gang zet?
(Of op een welhaast metafysisch niveau: een dichter die de werkelijkheid beschrijft in metaforen. Of niet eens de werkelijkheid, maar een mogelijke werkelijkheid… De verhalen van Borges die parallelle universa tot leven roepen.)
Terug naar de rechter. Als de rechter zijn oordeel uitspreekt, is het gebaseerd op een zoektocht naar de ware gang van zaken. Oftewel, gewoon de waarheid. Dat, zo bleek op de Nacht van Descartes, maakt van de waarheidsvinding van de rechter een morele daad. En bij die morele daad horen ook morele deugden. De morele deugden van waarheidsvinding, volgens filosoof Bernard Williams, zijn 'accuracy and sincerety', oftewel accuratesse en oprechtheid.
Bij de waarheidsvinding moet 'het wettelijk bewijs aan de overtuiging voorafgaan'. Het is niet moeilijk in te zien waarom accuratesse en oprechtheid hierbij van belang zijn. Accuratesse moet ervoor zorgen dat alle informatie verzameld wordt - nauwkeurig maar ook compleet. Gemakzuchtig alleen die feiten gebruiken die bij je overtuiging passen is er niet bij. Oprechtheid zorgt ervoor dat je je niet door anderen laat verleiden, door chantage of simpelweg door een mooi verhaal. Maar oprechtheid past niet alleen tegenover de feiten (of neutraler gesteld, de informatie), maar ook tegenover jezelf. Om te oordelen over een ander, is zelfkennis onmisbaar, zo weet de filosofie al sinds duizenden jaren.
Die vriend die de hoekjes niet stofzuigt (vooruit, misschien een gebrek aan accuratesse), heeft meer ook aan het laatste dan aan het eerste. De feiten liggen in de hoeken van de kamer voor het opzuigen. Oprechtheid tegenover jezelf en via jezelf tegenover de ander aanwenden, vraagt net iets meer moeite.
Hidde Maas, das duik
14/06/09 13:44 Denk aan: Literatuur

Leuk aan het boekje is dat het je ook aan het denken zet over je eigen taalgebruik en welke idiosyncratische neigingen je bij jezelf hoort. Daarom hier een kleine greep uit de taalschat van het Miriams.
Lees verder