Daniel Gilbert: over tegenslag en geluk
31/07/11 12:40 Denk aan: Wetenschap
Stel, je wordt voor het altaar verlaten. Dat moet wel een van de meest dramatische gebeurtenissen van je leven zijn. Het ergste wat je kan overkomen, iets wat niemand mee wil maken. Maar stel: je vraagt een aantal mannen en vrouwen die het hebben meegemaakt, die daadwerkelijk voor het altaar zijn verlaten, hoe ze die gebeurtenis zouden beschrijven. Als het ergste wat ze ooit is overkomen? Of als het beste? Tien tegen één dat een flink deel zal zeggen: verlaten worden voor het altaar is het beste wat me ooit is overkomen.
Psycholoog Daniel Gilbert, van wie dit voorbeeld afkomstig is, doet onderzoek naar hoe mensen hun toekomstig (geluks)gevoel weten in te schatten. Niet zo goed, zo blijkt. En dat vooral omdat de impact van gebeurtenissen veel groter wordt geacht dan ze in werkelijkheid is. Neem het verlatingsverhaal: uiteindelijk maak je er inderdaad een verhaal van, waarin alle elementen betekenis krijgen. 'Ik mag m'n ex wel dankbaar zijn dat ie is weggelopen, want een paar jaar later ontpopte hij zich tot crimineel.' Of (deze kun je bij elke tegenslag gebruiken): 'Deze dramatische gebeurtenis heeft me alleen maar sterker gemaakt dan ik daarvoor was.' (Hoogmoedigen willen hierbij graag Nietzsche op z'n Amerikaans aanhalen: if it doesn't kill me, it makes me stronger.) Je kunt zelfs een cirkelredenering gebruiken: door weg te lopen bij het altaar, bewees hij dat hij het niet waard was om mee te trouwen.

Lees verder
Psycholoog Daniel Gilbert, van wie dit voorbeeld afkomstig is, doet onderzoek naar hoe mensen hun toekomstig (geluks)gevoel weten in te schatten. Niet zo goed, zo blijkt. En dat vooral omdat de impact van gebeurtenissen veel groter wordt geacht dan ze in werkelijkheid is. Neem het verlatingsverhaal: uiteindelijk maak je er inderdaad een verhaal van, waarin alle elementen betekenis krijgen. 'Ik mag m'n ex wel dankbaar zijn dat ie is weggelopen, want een paar jaar later ontpopte hij zich tot crimineel.' Of (deze kun je bij elke tegenslag gebruiken): 'Deze dramatische gebeurtenis heeft me alleen maar sterker gemaakt dan ik daarvoor was.' (Hoogmoedigen willen hierbij graag Nietzsche op z'n Amerikaans aanhalen: if it doesn't kill me, it makes me stronger.) Je kunt zelfs een cirkelredenering gebruiken: door weg te lopen bij het altaar, bewees hij dat hij het niet waard was om mee te trouwen.
Lees verder
Comments
Filmpje: Tijd - een wetenschapsfilosofische verkenning
17/05/11 08:06 Denk aan: Wetenschap
Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’
31/03/11 18:59 Denk aan: Wetenschap

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over 'Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.
Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.
Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.
Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.
Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.
En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).
Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.
De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.
Druk druk druk
24/03/11 21:51 Denk aan: Wetenschap

Objectieve tijdsdruk
Sociologen willen altijd alles meten. Maar hoe meet je een begrip als tijdsdruk? Dat kan op twee manieren. De objectieve tijdsdruk laat zien hoeveel tijd mensen besteden aan bepaalde zaken. Dat kan iedereen nadoen: hou een week lang een dagboekje bij waarin je elk kwartier noteert wat je doet. Al die bezigheden kun je onderverdelen in categorieën en in een grafiek verwerken die heel duidelijk toont hoe je tijdbesteding in elkaar zit. Natuurlijk is dit allemaal niet zo simpel als het lijkt. Denk je eens in hoe veel tijd er gaat zitten in het schrijven van het dagboekje, is dat ook een aparte categorie? En in welke categorie valt een handeling als ‘spelen met de poes’ of doelloos op internet surfen?
Uit de objectieve tijdbesteding kun je een mate van tijdsdruk aflezen: als je acht uur per dag werkt, reistijd hebt en overuren maakt, zorgt voor kleine kinderen en ook nog vrijwilligerswerk doet, telt dat op tot misschien wel 8+2+2+3+1=16 uur per dag aan ‘verplichtingen’. In de acht uur die overblijft moet je dan nog koken, eten, douchen en niet te vergeten slapen. Niet gek als je dan enigszins gestrest bent.
Subjectieve tijdsdruk
Daarmee komt de subjectieve tijdsdruk in het vizier. Die draait om de emotionele houding tegenover de objectief gemeten tijdbesteding. Kun je die meten en in een statistiek vatten? De sociologie poogt dat te doen door te vragen naar de ‘kwaliteit van leven’. Zijn mensen tevreden met hun leven? Zouden ze graag iets veranderen? Kunnen ze de dingen doen die ze belangrijk vinden? Dezelfde soort statistieken zijn bekend van het Sociaal en Cultureel Planbureau, over de Nederlander die over het algemeen best gelukkig is over zichzelf en zijn leven dus een hoog rapportcijfer geeft, zeker in vergelijking met andere landen.
Hetzelfde blijkt uit de onderzoeken naar tijdsdruk. Hoewel de meeste mensen zeker tijdsdruk ervaren, waarderen zij de kwaliteit van leven hoog. Sterker nog: juist de mensen met een hoge tijdsdruk (lees: hoger opgeleiden) ervaren ook een hoge kwaliteit van leven. Zou dat de reden zijn dat we op de vraag hoe het gaat niet gewoon antwoorden met ‘goed’ maar met ‘druk’? Druk zijn is tegenwoordig een teken van welstand. Wie niet druk druk druk is, telt niet meer mee.
Aanstelleritis?
Tanja van der Lippe besluit haar lezing met een opvallend onderzoeksresultaat: Nederlanders hebben het eigenlijk helemaal niet druk. We behoren tot de minst drukbezette volken van Europa. Wat maakt dat van ‘Druk druk druk’? Aanstelleritis? Snobisme? Of een van de gedaantes van het befaamde korte lontje?
Kijk de lezing terug: Tijdnood?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
18/03/11 20:53 Denk aan: Film
L'année dernière à Marienbad is zo'n Franse film uit begin jaren zestig met bloedmooie acteurs en een onduidelijke verhaallijn. Experiment in de kunst heeft veel te maken met tijd, misschien omdat tijd raakt aan alle aspecten van kunst. Een verhaal ontvouwt zich in de tijd, maar niet altijd - of misschien wel nooit - rechtlijnig. Om tijd te ervaren heb je je geheugen nodig, maar het geheugen is onbetrouwbaar. Ieder mens heeft zijn eigen geheugen. Tijd heeft ook te maken met perspectief, je kunt een verhaal steeds opnieuw vertellen in een ander perspectief en het zal steeds anders zijn. Tijd kromt, in de natuurkunde en in het leven. Dat op de voorgrond plaatsen is wat gebeurt in experimentele kunst.

De mensen hebben schaduwen, maar de ruimte niet
Wat mij vooral interesseert in de beeldende kunst, ook in L'année dernière à Marienbad, is niet het moment dat de tijd kromt of vervormt, niet de meerdere perspectieven of het onbetrouwbare geheugen, maar de tijd die stilstaat. Dat is nu precies wat in literatuur niet kan. (Haast niet kan.) Abandoned images. Ik weet niet waar ik die term vandaan heb, maar die woorden zijn precies wat ik bedoel. Ook deze film wordt daarmee gespeeld. Hoe vaak wens je niet dat je tijd stil kon zetten, niet per se omdat het moment zo mooi is, maar om je ervan te vergewissen dat je geheugen je niet in de steek laat. Of op zijn minst de tijd langzamer te laten lopen, om je meer tijd te gunnen om de gebeurtenissen in je op te nemen. Soms gaat de tijd opeens vanzelf heel langzaam, maar dat is meestal een teken van verveling.

Abandoned images. Misschien komt het door de samenvoeging van 'verlaten', wat een menselijke aanwezigheid suggereert die er niet meer is, met 'beeld', een ding dat is losgezongen van de mens, los van de mens bestaat. Het is de uitdrukking van de afwezigheid en daardoor des te meer van de aanwezigheid. Dat wat er ooit was en nu voorgoed voorbij is, zonder boe of ba opgegaan in een verleden dat niet bestaat. Het duidelijkst is dat in de foto van het verlaten feest.

Alles is stil en in de stilte hoor je wat er is geweest. Je hoort terwijl je kijkt dat wat er niet meer is. Dat kan alleen in de beeldende kunst. Nee, niet alleen in de beeldende kunst.
'Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.' Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)

Overlook Hotel
Of zie je dat wat er gaat komen? Is dit niet een verlaten feest maar de voorafschaduwing van iets veel ergers? Dat wat weggaat kan terugkomen. Ook al bestaat het verleden niet, de toekomst komt eraan. De toekomst bestaat ook niet, volgens dezelfde regels. Maar het heden verandert, daarin verdwijnen niet alleen dingen, maar komen dingen ook tot stand.

Abandoned images zijn een samenballing van de angst dat alles is verdwenen en de angst voor wat er nog gaat komen. Of de hoop dat alles is verdwenen en de hoop op wat er komen gaat. Nee, dat laatste is niet waar. Er is altijd dreiging, de dreiging van wat schuilgaat in de toekomst. Sommige mensen putten hoop uit die dreiging. De meeste mensen zijn er bang voor. Wat zie je in de bosrand?
'De bosrand is een topos van het sprookje, daar eindigt het werkelijke en begint het wonderlijke. [En op die overgang staat alles, ook de tijd, stil.] Het levende bos van In de ban van de ring. Het bewegende bos van Macbeth (dat een nepbos is, maar als je in Schotland naar de bossen op de heuvels kijkt, begrijp je dat dat niet uitmaakt). De rand van het bos is als een huid: zowel deel van het lichaam als de grens van het lichaam, waarbinnen onzichtbare, onbegrijpelijke en intense dingen gebeuren. … Als we de huid opensnijden en er binnen gaan komt iets heel anders tevoorschijn dan wat achter de ongeschonden rand leefde. Een dood, bloedend systeem. … In het bos van dit gedachtekunstwerk vind je een open plek ('open plek in het bos' drie letters - tra) die als een uitgestrekte bedstee is, met wuivend gras, veldbloemen en konijnen. Je ziet die plek niet, maar uit alles spreekt dat hij er is, onvindbaar maar aanwezig.' (Gedachtekunst: De bosrand)

Overlook Hotel
Het bloed dat schuilgaat en zich een weg naar buiten perst. The Shining speelt in een verlaten hotel, waar de tijd stil lijkt te staan. Wat verlaten is kan altijd terugkomen en met wat voor kracht... Die kracht toont zich in de film juist in het stille, vertraagd afgedraaide beeld en eigenlijk nog meer in de filmstill. Ik krijg hier rillingen van (hoewel dat misschien ook komt door de herinnering aan het verloop van de film). Dit plaatje is zowel het vervolg op een abandoned image als zelf een abandoned image. Eerst zien we een ruimte, die de adem inhoudt (de adem van de mensen die er ooit nog rondliepen). Dan is er het bloed dat met geweld de ruimte inneemt. Hier is die beweging - hop - stilgezet. Nu is de beweging verlaten.

'Perhaps their arrogance became too pronounced, and their persistent denial of the spiritual. For it is as if the cold and damp have returned. Tiny signs of fatigue are appearing in the solid, modern edifice. No living person knows it yet, but the gateway to the Kingdom is opening once again.' (Riget)

Compositie met twee lijnen
Ook dit is een abandoned image. Maar verlaten waardoor? 'Mondriaan, zei Kounellis, heeft de schaduw uit de schilderkunst verwijderd.' (Rudi Fuchs in De Groene Amsterdammer) Opeens valt het op dat de beelden allemaal plat, bijna zonder schaduw zijn, zoals die eerste uit L'année dernière à Marienbad. Komt hier nog wel iets áán, op ons toe, vanuit de niet-bestaande toekomst? Rudi Fuchs schrijft: 'Zoals de lijnen nu verschoven zijn, suggereren ze een soort openvouwen van ruimte (of wit licht), als bij het openen van een boek.'
'Het witte vlak dringt zich naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt. Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen. (Over Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw)

Berger en Visconti
Mensen hebben schaduwen, maar zijn evengoed verlaten.
[Het format met foto’s en associaties heb ik gejat van This Recording, een weergaloos blog uit de VS)


De mensen hebben schaduwen, maar de ruimte niet
Wat mij vooral interesseert in de beeldende kunst, ook in L'année dernière à Marienbad, is niet het moment dat de tijd kromt of vervormt, niet de meerdere perspectieven of het onbetrouwbare geheugen, maar de tijd die stilstaat. Dat is nu precies wat in literatuur niet kan. (Haast niet kan.) Abandoned images. Ik weet niet waar ik die term vandaan heb, maar die woorden zijn precies wat ik bedoel. Ook deze film wordt daarmee gespeeld. Hoe vaak wens je niet dat je tijd stil kon zetten, niet per se omdat het moment zo mooi is, maar om je ervan te vergewissen dat je geheugen je niet in de steek laat. Of op zijn minst de tijd langzamer te laten lopen, om je meer tijd te gunnen om de gebeurtenissen in je op te nemen. Soms gaat de tijd opeens vanzelf heel langzaam, maar dat is meestal een teken van verveling.

Abandoned images. Misschien komt het door de samenvoeging van 'verlaten', wat een menselijke aanwezigheid suggereert die er niet meer is, met 'beeld', een ding dat is losgezongen van de mens, los van de mens bestaat. Het is de uitdrukking van de afwezigheid en daardoor des te meer van de aanwezigheid. Dat wat er ooit was en nu voorgoed voorbij is, zonder boe of ba opgegaan in een verleden dat niet bestaat. Het duidelijkst is dat in de foto van het verlaten feest.

Alles is stil en in de stilte hoor je wat er is geweest. Je hoort terwijl je kijkt dat wat er niet meer is. Dat kan alleen in de beeldende kunst. Nee, niet alleen in de beeldende kunst.
'Ik legde mijn koffer op een van de tafeltjes. Ze waren allemaal leeg. Ik klapte in mijn handen. Geen antwoord. Ik keek in de aangrenzende zaal, die groter en lichter was. Deze was naar buiten toe open, een groot venster of een loggia bood uitzicht op het mij reeds bekende landschap dat met al zijn diepe droefenis en berusting in de omranding van het kozijn een treurmemento werd. Op de tafelkleden zag ik de restjes van een pas genoten maaltijd, ontkurkte fessen en half leeggedronken glaasjes. Hier en daar lagen zelfs nog fooitjes die het personeel niet had opgepakt. Ik liep terug naar het buffet en bekeek de taartjes en pasteitjes. Ze zagen er uitermate appetijtelijk uit. Ik vroeg me af of het betaamde jezelf te bedienen. Ik voelde een enorme gulzigheid opkomen. Vooral een bepaald soort zandgebakje met appelmarmelade deed me watertanden. Ik wilde al een van die gebakjes met het zilveren schepje oplichten, toen ik iemands aanwezigheid achter me voelde. Het kamermeisje was op stille pantoffels binnengekomen en beroerde met haar vingers mijn schouders. 'De dokter kan u ontvangen,' zei ze terwijl ze haar nagels bekeek.' Uit: Bruno Schulz, 'Sanatorium Clepsydra' (Verzameld werk)

Overlook Hotel
Of zie je dat wat er gaat komen? Is dit niet een verlaten feest maar de voorafschaduwing van iets veel ergers? Dat wat weggaat kan terugkomen. Ook al bestaat het verleden niet, de toekomst komt eraan. De toekomst bestaat ook niet, volgens dezelfde regels. Maar het heden verandert, daarin verdwijnen niet alleen dingen, maar komen dingen ook tot stand.

Abandoned images zijn een samenballing van de angst dat alles is verdwenen en de angst voor wat er nog gaat komen. Of de hoop dat alles is verdwenen en de hoop op wat er komen gaat. Nee, dat laatste is niet waar. Er is altijd dreiging, de dreiging van wat schuilgaat in de toekomst. Sommige mensen putten hoop uit die dreiging. De meeste mensen zijn er bang voor. Wat zie je in de bosrand?
'De bosrand is een topos van het sprookje, daar eindigt het werkelijke en begint het wonderlijke. [En op die overgang staat alles, ook de tijd, stil.] Het levende bos van In de ban van de ring. Het bewegende bos van Macbeth (dat een nepbos is, maar als je in Schotland naar de bossen op de heuvels kijkt, begrijp je dat dat niet uitmaakt). De rand van het bos is als een huid: zowel deel van het lichaam als de grens van het lichaam, waarbinnen onzichtbare, onbegrijpelijke en intense dingen gebeuren. … Als we de huid opensnijden en er binnen gaan komt iets heel anders tevoorschijn dan wat achter de ongeschonden rand leefde. Een dood, bloedend systeem. … In het bos van dit gedachtekunstwerk vind je een open plek ('open plek in het bos' drie letters - tra) die als een uitgestrekte bedstee is, met wuivend gras, veldbloemen en konijnen. Je ziet die plek niet, maar uit alles spreekt dat hij er is, onvindbaar maar aanwezig.' (Gedachtekunst: De bosrand)

Overlook Hotel
Het bloed dat schuilgaat en zich een weg naar buiten perst. The Shining speelt in een verlaten hotel, waar de tijd stil lijkt te staan. Wat verlaten is kan altijd terugkomen en met wat voor kracht... Die kracht toont zich in de film juist in het stille, vertraagd afgedraaide beeld en eigenlijk nog meer in de filmstill. Ik krijg hier rillingen van (hoewel dat misschien ook komt door de herinnering aan het verloop van de film). Dit plaatje is zowel het vervolg op een abandoned image als zelf een abandoned image. Eerst zien we een ruimte, die de adem inhoudt (de adem van de mensen die er ooit nog rondliepen). Dan is er het bloed dat met geweld de ruimte inneemt. Hier is die beweging - hop - stilgezet. Nu is de beweging verlaten.

'Perhaps their arrogance became too pronounced, and their persistent denial of the spiritual. For it is as if the cold and damp have returned. Tiny signs of fatigue are appearing in the solid, modern edifice. No living person knows it yet, but the gateway to the Kingdom is opening once again.' (Riget)

Compositie met twee lijnen
Ook dit is een abandoned image. Maar verlaten waardoor? 'Mondriaan, zei Kounellis, heeft de schaduw uit de schilderkunst verwijderd.' (Rudi Fuchs in De Groene Amsterdammer) Opeens valt het op dat de beelden allemaal plat, bijna zonder schaduw zijn, zoals die eerste uit L'année dernière à Marienbad. Komt hier nog wel iets áán, op ons toe, vanuit de niet-bestaande toekomst? Rudi Fuchs schrijft: 'Zoals de lijnen nu verschoven zijn, suggereren ze een soort openvouwen van ruimte (of wit licht), als bij het openen van een boek.'
'Het witte vlak dringt zich naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt. Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen. (Over Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw)

Berger en Visconti
Mensen hebben schaduwen, maar zijn evengoed verlaten.
[Het format met foto’s en associaties heb ik gejat van This Recording, een weergaloos blog uit de VS)
Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
12/03/11 10:49 Denk aan: Wetenschap

Het eerste deel van Gijsbers lezing gaat over de asymmetrie van tijd. Waarom loopt tijd vooruit en niet achteruit? Waarom wordt iedereen altijd ouder en nooit jonger? Dat lijken triviale vragen, maar stelt niet iedereen zich die wel eens? Het zou mooi zijn als de wetenschap een verklaring hiervoor kon geven – wie weet zou dat ook de deur openen naar verandering. Helaas is de natuurkunde hier nog niet over uit. Want wat blijkt: geen enkele natuurwet zegt dat iedereen altijd ouder móet worden in plaats van jonger. Natuurwetten zijn juist allemaal tijdsymmetrisch. Hoe zit het dan? Het heeft te maken met entropie. In een helder betoog legt Gijsbers uit hoe entropie werkt en waarom het als antwoord op deze vraag juist níet werkt. (In plaats van het hier na te vertellen, verwijs ik graag naar de opname.)
Een andere manier om vanuit de natuurkunde na te denken over tijd, heeft te maken met de status van heden, verleden en toekomst. In ons dagelijks leven zijn dit drie heel verschillende begrippen, elk met een andere emotionele lading. Het verleden kan bijvoorbeeld nostalgie oproepen, maar de toekomst niet. Gespannen verwachtingen hebben we daarentegen alleen over de toekomst en als je in een flow zit, bevind je je ontegenzeggelijk in het heden. De natuurkunde heeft daar geen boodschap aan. De emotionele verhouding tot een punt in de tijd is persoonlijk, en die persoon moet in de wetenschappelijke theorie uitgeschakeld worden.
De natuurkundige die zijn persoon uitschakelt en zich als een soort god buiten de wereld opstelt om zijn onderzoeksobject te bestuderen, ziet een ‘vierdimensionaal blok’ van ruimtetijd. Momenten in de tijd hebben geen status van heden, verleden of toekomst, het zijn gewoon punten op een lijn. In een experiment onderzoekt de wetenschapper hoe een toestand verandert op één punt ten opzichte van een ander punt. Wat kan het hem schelen of dat in het verleden ligt of in de toekomst? Het resultaat blijft hetzelfde – of zijn theorie deugt niet.
Zijn heden, verleden en toekomst dan verzinsels van de mens, zonder fysische grond? Zijn het metaforen die we gebruiken om uitdrukking te geven aan onze emoties? Emoties die betrekking hebben op punten op een tijdlijn, onderworpen aan natuurwetten? Als dat zo is, moeten we misschien wel ons dagelijks leven veranderen. Einstein verzuchtte na de dood van een vriend: ‘Now he has departed from this strange world a little ahead of me. That means nothing. People like us, who believe in physics, know that the distinction between past, present and future is only a stubbornly persistent illusion.’
Als verleden en toekomst niets betekenen, een illusie zijn, hoeven we niet te treuren over de ouderdom en de dood. De asymmetrie van tijd hoeft dan ook niets te betekenen. Maar verliezen we dan niet ook de schoonheid van de herinnering, de opwinding van voorpret en misschien wel onze hele persoonlijkheid? En waar blijft de vrije wil in een vierdimensionaal blok ruimtetijd, waarin natuurwetten alle processen sturen zonder omzien naar de mens? Een hoop vragen waarmee Victor Gijsbers ons achterlaat. Hij heeft zijn doel behaald!
Kijk de lezing hier terug: De filosofie van tijd
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
04/03/11 16:06 Denk aan: Wetenschap

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?
Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.
De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’
Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.
Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.
Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?
Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.
Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
25/02/11 17:00 Denk aan: Leven

1. Golvende tijd: Rise and Fall
'Jaaa, the Rise and Fall of Miriam Rasch!' riep ik na afloop van de lezing in de kroeg. Soms zit je in de lift, soms gaat alles in het leven bergafwaarts. Sommige mensen hebben het over cycli van zeven jaar (The Seven Year Itch, maar ook is dit idee gebaseerd op de biologische celvernieuwing die elke zeven jaar voltooid zou zijn). Ik geloof daar niet zo in, maar dat je leven in een golvende beweging gaat, herken ik wel. Tijd wordt in dit geval dus gedefinieerd in positief, opgaand en negatief, neergaand. Wat heeft dat eigenlijk met tijd te maken? Ik denk dat het vooral een andere manier is om tijd in je persoonlijke leven te meten. Zoals je kunt zeggen: dat was vóór Pietje en ná het ontslag.
In deze vorm van tijd zit ook herhaling, een soort eeuwige wederkeer. Het is een cyclische structuur. Kijk bijvoorbeeld naar je schooltijd: je begint op de basisschool helemaal onderaan en na zes jaar zit je in de hoogste klas. King of the school. Vervolgens mag je helemaal opnieuw beginnen in de brugklas. Ben je eindelijk een stoere eindexamenkandidaat, begint de ellende weer van voren af aan als eerstejaars op de universiteit. Je eerste baan, je tweede baan, enzovoort, enzovoort. De liefde? I rest my case.
2. Gefaseerde tijd: Generaties
De gefaseerde tijd is niet een cyclus, maar een opeenstapeling van levensfeiten. Je komt als kindje ter wereld met misschien een paar aangeboren eigenschappen, maar met een zee van tijd voor je. Meteen begint het: je bent een zuigeling, dan een dreumes, peuter, kleuter et cetera et cetera, ik ken alle officiële benamingen voor de verschillende levensstadia niet. Je bewandelt de trap omhoog en misschien doe je aan het eind van je leven weer een paar stappen naar beneden. Wijsheid komt met de jaren is de lijfspreuk.
Sommige mensen hebben een haast ergerniswekkend talent voor het leven deze tijdvorm. Ze vinden hun (al dan niet) grote liefde bij wie ze de rest van hun leven blijven. Ze kiezen de juiste studie, rollen in een interessante baan, dan volgen huwelijk, huis en kind, en nog een kind, en een groter huis. Pas als ze zelf tegen de middelbare leeftijd lopen begint het leven met een beetje drama te strooien, de hoogbejaarde ouders sterven een zachte dood, ze krijgen een beetje last van ouderdomskwaaltjes, wat fijn is, want anders is er niets om over te klagen, de kinderen zijn het huis uit, er komen kleinkinderen, het testament wordt opgemaakt, de hond gaat dood en het bejaardenhuis wacht. Bah.
3. Durende tijd: Herinneringen
Ooit, toen ik nog toneelspeelster wilde worden, las ik een interview met een beroemd acteur, die vertelde hoe hij tranen acteerde. Hij had een theelepeltje dat zo geladen was met herinneringen en emoties uit zijn kindertijd, dat hij het maar tevoorschijn hoefde te halen om de tranen in zijn ogen te doen opwellen. Hij bracht het verleden tastbaar terug in het heden, op een zintuiglijke manier - een historische sensatie, zij het individueel. Dat wilde ik ook!
Later, toen ik allang geen toneelspeelster meer wilde worden, bleef mijn fascinatie voor zulke persoonlijke historische sensaties bestaan. Niet voor niets ben ik nu Proustiaan. Proust, die de tijd als duur meer nog dan Bergson aan de mensen heeft gegeven, in al haar zintuiglijkheid. De tijd als duur ervaar je vooral in de 'onvrijwillige herinnering'. Een geur, een bepaalde lichtinval, een object - bijvoorbeeld een theelepeltje - brengt je een herinnering te binnen. Nee, heftiger: transporteert je, lichaam, geest en al, terug de tijd in, terwijl je toch in het heden blijft. Met andere woorden: heden en verleden bestaan tegelijkertijd. Conclusie: op zulke momenten ben je onsterfelijk. (Dat denken de acteurs misschien ook op zo'n moment.)
Deze tijd is niet cyclisch en ook niet opbouwend, maar gefragmenteerd. Alle drie de vormen van tijd zijn interessante instrumenten om over je leven na te denken, om andere accenten te leggen en verbanden duidelijk te maken. Maar de tijd als duur, die gefragmenteerd is en je kan overvallen op momenten dat je er het minst op bedacht bent (of waar je je zoals de acteur in kunt trainen), bevalt mij het best. Ze past bij de onbetrouwbare verteller die het toeval willens en wetens ont-toevalt.
Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap
25/02/11 16:55 Denk aan: Wetenschap

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.
Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.
2. Gefaseerde tijd: Chronologie De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)
Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.
3. Durende tijd: Historische sensatie De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).
In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…
Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd
[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]
De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
17/02/11 18:48 Denk aan: Wetenschap

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.
Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.
De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.
Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.
De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.
Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.
[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]
Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
10/02/11 18:37 Denk aan: Filosofie

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.
Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.
Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.
Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.
Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.
Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.
De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.
[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]
Tijd
29/11/10 07:44 Denk aan: Filosofie
Ik pas op het huis van iemand die zichzelf wil vinden ergens in diep donker Afrika. Best een mooie flat, maar wel enigszins studentikoos. Al na één dag miste ik allerlei zaken waar je niet bij stil staat dat je ze nodig hebt. Olijfolie. Citroensap uit een flesje. Maar ook: een keukendoek, een puntenslijper, een verlengsnoer. Een diep bord. In het keukenkastje vond ik een bonte stapel borden, geen twee dezelfde, maar allemaal net een maatje te klein.
Ik zat op de leren tweezitsbank die schuilging onder een Mexicaanse geweven doek en voelde me vijf jaar terug de tijd in gekatapulteerd. Het zette me aan het denken over alle spullen die ik om me heen heb verzameld. Als een vogel die een nest bouwt en altijd wel nóg een mooie tak kwijt kan of dat hemelsblauwe stukje plastic niet kan laten liggen. En zoveel spullen heb ik niet eens, mijn achthonderd boeken daargelaten. Olijfolie en een puntenslijper – het is ook maar wat je spullen noemt.
Ik probeerde me voor geest te halen hoe het vroeger was, vóór het nest vol spullen. Wat deed ik ook alweer? Oh ja, ik behaalde mijn masterdiploma in de Wijsbegeerte, bijna op de dag af vijf jaar geleden. Misschien kwam het doordat ik in een vreemd huis op een vreemde bank zat, dat het leek alsof ik terugdacht aan het leven van een vreemde. En vier jaar geleden? vroeg ik die vreemde. Drie? Twee? Een?
Op de allerkleinste natuurkundige schaal kan een deeltje op twee plaatsen tegelijk zijn. Tijd, zoals we die gewoon zijn te meten en te gebruiken, geldt daar niet. Teruggaan naar het verleden of reizen naar de toekomst is vooralsnog niet mogelijk, verzekeren de geleerden. Dat een deeltje tegelijkertijd op twee plaatsen kan zijn is ook al wonderlijk genoeg. Als je erover nadenkt, voel je je hersenen protesteren.
Hoewel, in de kunst is het nooit een punt geweest. Beschreef Proust niet precies de ervaring van op twee plaatsen tegelijkertijd zijn? In het heden van Parijs en in de onsterfelijke herinnering aan Venetië, dat in lichaam en geest tot leven komt? Tijdreizen is in Hollywood al jaren mogelijk. Sciencefiction vormt een genre op zich.
Ik denk aan die vreemde die ik ben over één jaar, twee, drie, vier. Welke spullen heb ik dan? Ben ik dan misschien op zoek naar mezelf in donker Afrika? Kon ik de vijf jaar van het korte verleden nog betrekkelijk makkelijk reconstrueren, met de vijf jaren die voor me liggen is dat een stuk lastiger. Ik troost me met de gedachte dat zelfs Proust de toekomst niet kon evoceren, net zomin als de kwantumtheorie haar kan voorspellen. Komt vanzelf goed, over een jaar of vijf.
[Dit is mijn laatste column voor More (86, november 2010). Kijk ook op www.thomasmore.nl]
Lees hier de andere columns die ik schreef voor More

Ik zat op de leren tweezitsbank die schuilging onder een Mexicaanse geweven doek en voelde me vijf jaar terug de tijd in gekatapulteerd. Het zette me aan het denken over alle spullen die ik om me heen heb verzameld. Als een vogel die een nest bouwt en altijd wel nóg een mooie tak kwijt kan of dat hemelsblauwe stukje plastic niet kan laten liggen. En zoveel spullen heb ik niet eens, mijn achthonderd boeken daargelaten. Olijfolie en een puntenslijper – het is ook maar wat je spullen noemt.
Ik probeerde me voor geest te halen hoe het vroeger was, vóór het nest vol spullen. Wat deed ik ook alweer? Oh ja, ik behaalde mijn masterdiploma in de Wijsbegeerte, bijna op de dag af vijf jaar geleden. Misschien kwam het doordat ik in een vreemd huis op een vreemde bank zat, dat het leek alsof ik terugdacht aan het leven van een vreemde. En vier jaar geleden? vroeg ik die vreemde. Drie? Twee? Een?
Op de allerkleinste natuurkundige schaal kan een deeltje op twee plaatsen tegelijk zijn. Tijd, zoals we die gewoon zijn te meten en te gebruiken, geldt daar niet. Teruggaan naar het verleden of reizen naar de toekomst is vooralsnog niet mogelijk, verzekeren de geleerden. Dat een deeltje tegelijkertijd op twee plaatsen kan zijn is ook al wonderlijk genoeg. Als je erover nadenkt, voel je je hersenen protesteren.
Hoewel, in de kunst is het nooit een punt geweest. Beschreef Proust niet precies de ervaring van op twee plaatsen tegelijkertijd zijn? In het heden van Parijs en in de onsterfelijke herinnering aan Venetië, dat in lichaam en geest tot leven komt? Tijdreizen is in Hollywood al jaren mogelijk. Sciencefiction vormt een genre op zich.
Ik denk aan die vreemde die ik ben over één jaar, twee, drie, vier. Welke spullen heb ik dan? Ben ik dan misschien op zoek naar mezelf in donker Afrika? Kon ik de vijf jaar van het korte verleden nog betrekkelijk makkelijk reconstrueren, met de vijf jaren die voor me liggen is dat een stuk lastiger. Ik troost me met de gedachte dat zelfs Proust de toekomst niet kon evoceren, net zomin als de kwantumtheorie haar kan voorspellen. Komt vanzelf goed, over een jaar of vijf.
[Dit is mijn laatste column voor More (86, november 2010). Kijk ook op www.thomasmore.nl]
Lees hier de andere columns die ik schreef voor More
Wat is tijd? Renate Loll antwoordt in 12 minuten
14/10/10 08:04 Denk aan: Wetenschap
Was er tijd voor de oerknal? Hoe verloopt de tijd op het allerkleinste niveau? Kun je terug in de tijd gaan? Vragen die iedereen wel eens stelt - ook een hoogleraar in de theoretische fysica. Het ingewikkelde, maar helder uitgelegde antwoord geeft Renate Loll in een fantastische, TED-achtige lezing bij Studium Generale.

Stel dat je 200 jaar oud zou worden
06/08/10 18:24 Denk aan: Wetenschap

De vraag kwam op in de serie Time, waarin wetenschappers vertelden over hun onderzoek naar sterfelijkheid - uiteraard met als doel onderzoek te doen naar ónsterfelijkheid. Een enkeling beweerde glashard dat de kinderen van nu al onsterfelijk zullen zijn - hoewel je beter kunt zeggen dat ze te maken hebben met 'uitgestelde sterfelijkheid'. Dood zal de mens altijd wel gaan, door ongelukken of moord, zo vertelde de wetenschapper. Alleen niet meer aan veroudering.
De meeste mensen zullen zich geen voorstelling kunnen maken van een leven zonder einde (eindeloosheid gaat hoe dan ook het voorstellingsvermogen te boven), ook niet van een leven waarin het einde volkomen arbitrair zal zijn. Als je alleen nog maar doodgaat aan auto-ongelukken en psychopaten, en voor eeuwig zult leven als je die toevallig niet tegenkomt, brrrr, wat een ellendig leven heb je dan! Wie zal er nog de straat over durven steken, wie gaat nog alleen op reis of in het donker over straat?
Tweehonderd jaar, daarentegen, daar kunnen we wat mee. Ik wel in elk geval. Tweehonderd! Perfect! De presentator van het programma sloeg de spijker op z'n kop. Ik stel nu wel rationeel de vraag 'Stel dat...' maar toen die vriendelijke natuurkundige het op tv hardop uitsprak, was het geen rationele overweging of een idee dat ik in mijn hoofd moest verwerken - ik voelde de gedachte in mijn borstkas nog voor ik de consequenties verstandelijk begreep. En ik zeg je: het was een gevoel van opluchting.
Opluchting die even lang duurde als een ademteug. Want ik ben niet het kind van nu met haar uitgestelde sterfelijkheid, ik ben waarschijnlijk net een kwart eeuw te laat geboren.
Hoewel, is dat zo erg? De meeste onderzoeken naar dit onderwerp worden uitgevoerd op wormen en muizen. Door bepaalde genen te vervangen of aan te passen, kan de levensduur van de dieren verlengd worden. Als een organisme 18.000 genen heeft zoals de muis, en er is een gen verantwoordelijk voor het verouderingsproces, dan is het een kwestie van tijd voordat dat gen getraceerd is. Van de muis naar de mens is vervolgens niet zo'n grote stap. Een jaar of twintig, dertig.
Ik denk dat die kinderen van nu de proefkonijnen van morgen zullen zijn. Hoe erg is het dan om te vroeg geboren te zijn, te oud voor een verjongingskuur? Stel dat ze een foutje maken en je niet tweehonderd jaar zult leven, maar oneindig?
Aan het einde van zijn zoektocht langs wetenschappelijk verantwoorde onsterfelijkheid hield de presentator verschillende mensen een flesje levenselixer voor. Zou je het drinken? De belofte van de eeuwige jeugd waarmaken? Het is de keerzijde van de vraag die Friedrich Nietzsche stelt in De vrolijke wetenschap. Stel je voor, dat op een keer een duiveltje je op de schouder tikt en zegt dat je dit leven nog eens moet leven en dan nog ontelbaar veel keren. Er zal niets nieuws aan zijn, iedere pijn en ieder genot, elke gedachte - ook deze - komt terug. De zandloper wordt steeds weer omgedraaid. Zou je je dan knarsetandend ter aarde werpen en de duivel vervloeken? Of zou je zeggen: nooit hoorde ik iets goddelijkers?
Voorlopig is onze sterfelijkheid nog niet uitgesteld, laat staan dat we de zoete dan wel bittere onsterfelijkheid kunnen proeven. Doet er niet toe. De belangrijkste vraag - wat zou het voor ons betekenen - kunnen we nu al stellen.
Snotblogje over tijdverspilling
25/01/10 11:00 Denk aan: Leven

Het blijkt wel dat ik niet zo goed ben in het scheiden van mijn fysieke en psychische welbevinden. Het was ooit veel erger. Liever dan me ziek te melden, ging ik gewoon naar mijn werk in de hoop dat de baas me naar huis zou sturen. Inmiddels weet wel (iets) beter - door schade en schande wijs geworden heet dat. Toch heb ik de afgelopen snipverkouden dagen veel nagedacht waar mijn diepgevoelde afkeer van ziek zijn vandaan komt. Er zijn immers ook mensen die best kunnen genieten van een paar dagen hulpeloos niets doen, zich laten verzorgen en geen verplichtingen voelen. Lees verder
Lummelen of tijdverspilling II
08/11/09 12:53 Denk aan: Filosofie

Verstrooidheid, schrijft Kuijer, is niet afwezig zijn maar juist 'inwezig'. Iemand die er schijnbaar met zijn gedachten niet bij is, verstrooid is, is juist heel erg gericht op iets. Iets uit het (nabije) verleden dat in zijn gedachten blijft hangen en dat hij niet van zich kan afzetten. Verstrooidheid is daarom goed: het is een teken van concentratie. Alleen het woord is niet goed, omdat verstrooiing niet alleen lijkt te verwijzen naar een versnipperde aandacht, maar ook naar hersenloos amusement (in de zin van 'verstrooiing bieden').
Kuijer zegt het zelf niet met zoveel woorden, maar hij toont zich in zijn boek een duidelijk voorstander van de deliberate practice. Mensen, kinderen vooral, moeten een interesse ontwikkelen, een gerichtheid op één punt en alles in het werk stellen om zich op dat punt te verdiepen. In het geval van kinderen is het de taak van de school en van onderwijzers om de omstandigheden te creëren waarin het kind zijn interesse kan ontdekken en verder kan ontwikkelen, liefst tot het een passie is. Zo'n kind zal als alles goed gaat een verstrooide volwassene worden.
Hoe valt dat te rijmen met de lofzang van Hermsen op de verveling en het zalig niets doen? De overeenkomst zit 'm in het resultaat, niet in de weg ernaartoe. Want ook bij Hermsen lijkt het toelaten van verveling niet geheel belangeloos: je laten overspoelen door de tijd is een voorwaarde voor creativiteit en inspiratie. Uit de verveling komen ideeën voort. Zomaar lamlendig op de bank hangen is dus niet de bedoeling. Ook daar is een gerichtheid gewenst, een concentratie die zich precies concentreert op de verveling zelf. Zonder concentratie vloeien de inzichten en goede ideeën ook maar langs je heen - dan kun je je net zo goed laten verstrooien door een amusementsprogramma op tv.
Beiden zijn het er dus over eens dat je je niet moet laten meeslepen door de waan van de dag, maar je eigen weg moet volgen. Bij Hermsen is dat vooral 'je eigen tijd volgen', bij Kuijer gaat het om je eigen interesse. Dat is het antwoord op de vraag hoe je gelukkig wordt. Je eigen tijd volgen betekent je overgeven aan het niets, aan reflectie en intuïtie, waaruit ideeën, kunst en herinneringen ontstaan. Kuijer benadrukt juist de werklust, die gericht is op íets. Maar ook die is gefundeerd in reflectie, kunst en herinneringen. Overgave en concentratie is waar het beiden om te doen is: aan iets of aan niets, aan werk of aan ledigheid - dat maakt gek genoeg niet zo heel veel uit.
Lees ook Lummelen of tijdverspilling I
Lummelen of tijdverspilling I
29/10/09 20:02 Denk aan: Filosofie

Nu ben ik helemaal vóór nadenken, herinneren en zelfreflectie. Maar ik ben allergisch voor lummelen. Wekelijks heb ik discussies over het 'op de bank liggen' wat in mijn ogen nooit efficiënt is. Zelf probeer ik wel eens overdag op de bank niets te doen, maar het lukt me nooit. Hoe kan dat?
Volgens mij is lummelen ook niet hetzelfde als 'efficiënt op de bank liggen'. Want dat laatste behelst nog steeds een zekere activiteit: lezen (of tenminste bladeren in een boek), muziek luisteren of herinneringen ophalen. Ook dat laatste is een heel actieve gebeurtenis - lees Proust er maar op na. Het vereist misschien ontspanning om een herinnering tot je te laten komen - de sluisdeuren open te zetten zogezegd - aan de andere kant is er weer een grote inspanning voor nodig om de herinnering vast te houden. Dan mag het lijken op lummelen, er wordt hard gewerkt.
En toch: ik heb soms de wonderlijkste tijdervaringen, alsof ik buiten de tijd kom te staan of een sprong maak naar het verleden. Maar dan lig ik niet op de bank, dan zit ik op de fiets of ik sta voor het podium naar een band te kijken. Ook Proust, die weliswaar heel vaak in bed ligt (of op de bank hangt, maar dat klinkt zo ordinair), wordt toch juist door zijn spontane herinneringen overvallen op de ongemakkelijkste momenten: aan het ontbijt, aan de wandel, wachtend tot hij in de salon mag binnengaan.
Zou het niet juist nodig zijn om wel actief te zijn, maar zonder dat je erbij na hoeft te denken? Want dat is wat al deze gevallen gemeen lijken te hebben: fietsen over de weg die je elke dag fietst. Wachten. Naar een bandje kijken. Bladeren. Dan wordt de geest niet afgeleid door de vraag wat het lichaam moet gaan doen en kan het zich richten op zichzelf.
Blijft de vraag waarom ik zo allergisch ben voor 'op de bank hangen'. Dat heeft te maken met een heel diepe eigenschap die ik onlangs bij mezelf heb ontdekt: mijn afkeer van verspilling. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben.
Sensatie van tijdloosheid
17/09/09 20:46 Denk aan: Filosofie

Wat voor sensatie dan? De sensatie dat je ergens anders bent: een andere plaats, een andere zaal in een ander land. Meestal voelt het als Amerika - misschien omdat de bands daar dan vandaan komen. Of omdat het ook iets te maken heeft met film, alsof je in een film bent beland waarin een concertscène zit. Je bent niet de hoofdrolspeler, maar een figurant. Nee, dat klopt niet, want de sensatie is echt en niet die van een acteur. Eerder houdt de sensatie verband met het theater: je ziet de band op het podium alsof je in het theater zit. Daarom is ook dat uitzoomen belangrijk; het gaat juist ook om de podiumrand, de zwarte velours gordijnen, de lampen aan het plafond. Je bent zozeer toeschouwer dat je bijna het gevoel krijgt dat je er zelf niet meer bent.
Alleen heel goede muzikanten kunnen dit bereiken, kunnen hun publiek zichzelf laten vergeten. Nou vooruit, laat ik maar toegeven dat drank er misschien ook iets mee te maken heeft. Helemaal nuchter is de sensatie van elders-zijn gecombineerd met zelfvergetelheid me nog nooit ten deel gevallen. Zou drank zelfs belangrijker zijn dan de muziek? Het overkomt me namelijk ook wel eens gewoon op straat, zonder muziek, zonder aanleiding zelfs. Ik zit op de fiets naar huis, na een leuke avond met biertjes en vrienden, en als ik een hoek om zweef of even mijn hoofd in de nek leg, kan daar ook opeens die sensatie opkomen, als een mist die van het ene moment op het andere in de lucht hangt. De huizen zien er anders uit, alsof je ze herkent met een ander geheugen - anders kan ik het niet beschrijven. Ze zijn losgezongen van je eigen leven en je eigen herinneringen en onderdeel geworden van een andere wereld. De echte wereld misschien wel, de echte wereld zoals je hem in de film ziet.
Zelfs binnen gebeurt het. Ik zat een keer in een lage stoel in de kamer van een huisgenoot en ook daar trok de mist naar binnen. Inmiddels heb ik er zo vaak en goed op gelet hoe de sensatie voelt, wanneer hij komt en ook weer verdwijnt, dat ik hem zelfs kan oproepen. Mits de omstandigheden juist zijn natuurlijk. Eigenlijk kan ik maar één ding met zekerheid zeggen: kunstlicht is essentieel voor de sensatie. Maar kunstlicht, wat kun je daar nou verder over zeggen, wat heeft dat te betekenen? Dat het theater met zijn spotlights en zwarte velours gordijnen nog geen gekke vergelijking is. All the world's a stage, nietwaar.
Als het me lukt om de sensatie op te roepen probeer ik hem ze hard mogelijk vast te houden, zo lang mogelijk te prolongeren. Het is namelijk een verrukkelijke sensatie. Verrukkelijk, zoet en melancholisch tegelijk. Terugdenkend aan het theater: het is een soort catharsis. Aristoteles omschreef catharsis als het doel van de tragedie: het purgeren van je emoties bij het zien van een aangrijpend toneelstuk (aangrijpend is dan nog een understatement als je denkt aan de vader- en moedermoordenaars, incestueuze broers en zussen, krankzinnige goden en pesterige demonen die de tragedies bevolken). Je moet dat allemaal niet nadoen, maar doormaken en er vervolgens gezuiverd weer uitkomen.
Zonder zelfvergetelheid geen catharsis, pas als je na afloop weer terug op aarde komt - die wereld van je eigen geheugen en je eigen zelf, niet de echte wereld zogezegd - is de catharsis voltooid, maar daarvóór moet je eerst jezelf vergeten zijn. Bij kunstlicht.
Ik schrijf er nu al een paar alinea's omheen: de tijd. De tijd is allesbepalend. Niet dat je opeens in het oude Griekenland zit, maar wel dat de tijd wegebt, uit de scène vervloeit. Toen ik bij de huisgenoot op bezoek was dacht ik alleen maar: 'De jaren tachtig, ik ben in de jaren tachtig beland.' Sindsdien weet ik dat het niet de jaren tachtig waren, maar een tijdloosheid die de dingen het aanschijn van een theater geeft. Dat is wat de zelfvergetelheid vooral betekent: je eigen tijd loslaten - want zijn geheugen en herinneringen eigenlijk ook geen tijd, zij het gestolde tijd?
Deze week weet ik weer een beetje beter hoe ik de sensatie moet begrijpen. Henk Barendregt - hoogleraar Grondslagen van de wiskunde en Informatica én beëdigd leraar vipassana meditatie - gaf een lezing over meditatie als manier om met de chaos van de existentiële leegte om te gaan. Klinkt zweverig en dat was het ook wel een beetje, maar tegelijk wist hij enkele inzichten zeer helder over te brengen en bovendien te inspireren tot een bewuster leven, dus een beetje zweef is dan niet erg.
Die leegte waar Barendregt het over had en die de mens zeer grote angsten inboezemt, uit zich in dissociatie. Dat heeft twee kanten: dissociatie kan je overvallen waardoor je als in een psychose opeens de leegte ingetrokken wordt: het zwarte niets, van alle betekenis ontdaan, waar alles schokkerig en koud is. Maar je kunt de dissociatie ook inzetten om de leegte te leren accepteren. Dat doe je door alle indrukken en gevoelens die je hebt te 'ontvlechten'. Als je bijvoorbeeld pijn hebt, kan die nog het meest als last ervaren worden omdat je boos bent dat je pijn hebt. Na het ontvlechten van pijn en woede, zal de pijn onder controle komen. Uiteindelijk is verrukking je deel.
Wat heeft dit alles te maken met de 'all the world's a stage'-sensatie? Het zit 'm in de dissociatie. Tijdens zo'n sensatie wordt de situatie losgevlochten van de tijd en misschien ook van de plaats. Of de plaats - de straat waarop ik fiets, de kamer waarin ik zit - zingt zich los van de tijd. Het resultaat is inderdaad een soort verrukking. Jammer genoeg vertelde Barendregt dat je als je écht verder wilt komen, ook de verrukking moet ontvlechten en naast je neerleggen.
Na de lezing bedacht ik me dat ik nog veel te leren heb, zoals ik mijn inleidinkje en aankondiging bijna buiten adem had gegeven, en bij het rondlopen met de microfoon voor de discussie steeds rusteloos van de ene voet op de andere wiebelde. Nu denk ik: misschien heb ik een begin te pakken met mijn sensatie, mijn zelfvergetelheid en tijdloosheid. Door de tijd te ontvlechten ben ik misschien wel heel af en toe voor even onsterfelijk. Zoals Dionyssos, dan wel, want de drank moet blijven vloeien.
Tijd om te oefenen in levenskunst
01/07/09 20:57 Denk aan: Filosofie

Een voorgesprek met een filosoof over levenskunst is wel wat anders dan een kroeggesprek over het leven. Ik mag dan zelf filosofie hebben gestudeerd, als je tegenover iemand zit die al decennia nadenkt met een grote N, kom je niet weg met gemeenplaatsen of bijdehante ironie. Filosofie, zo is me wel weer duidelijk geworden, is hardop nadenken. Prachtig om dat aan te mogen horen, redelijk confronterend als je vervolgens zelf weer aan het woord bent.
Twee dingen heb ik uit de voorgesprekken al begrepen. Levenskunst is hard werken. Probleem is natuurlijk dat het nooit ophoudt tot het echt ophoudt. Je kunt nooit eens op je lauweren rusten, altijd is er weer een nieuwe situatie, nieuwe personen, nieuwe inzichten om mee te dealen, al was het maar omdat je zelf steeds ouder wordt en verandert. Mocht je eens dezelfde situatie twee keer meemaken, wat op zich al onmogelijk is, dan ben je nog niet dezelfde die het meemaakt. Je hebt dat immers al eens meegemaakt.
Toch is het mogelijk om je te oefenen. Hoe, daar zullen de lezingen meer duidelijkheid over geven. Een ander thema dat steeds terugkomt is tijd. Niet gek, want zodra je het hebt over het leven, heb je het over tijd. Zoals bij het oefenen: oefenen is tijdgebonden. De levenskunst is een kunst die zich ontvouwt in de tijd. Maar ook inhoudelijk komt de filosofie steeds terug op tijd: een van de dingen die een ware levenskunstenaar kenmerken is zijn verhouding tot de tijd. Meest bekend is de verhouding tot de dood. Het hele leven is een Sein zum Tode, zei Heidegger al en dat bedoelde hij niet eens zo morbide als het klinkt. Pas als je je verhoudt tot de dood (en de meeste mensen doen dat niet eens), ben je werkelijk vrij en vrijheid is toch wel een van de hoofdvoorwaarden voor een levenskunstig leven.
Maar ook de verhouding tot het nu is essentieel. Zodra je het daarover gaat hebben, verzeil je gauw in de terminologie van de zelfhulplectuur. Leef in het nu! Wees bewust van het heden! Pluk de dag! Hoe die clichés te vermijden? Misschien door te beseffen dat die clichés uiteindelijk weinig met het nu te maken hebben. Altijd gaat het bij zulke goeroes om de toekomst: als je leert leven in het nu, zal je in de toekomst gelukkig zijn en je doelen bereiken.
Toch denk ik dat een leven in het heden ook niet alles is. Ik heb het zo druk gehad de afgelopen tijd, dat ik nauwelijks aan iets anders kon denken dan 'nu, nu. nu!' Voor je het weet raak je gestrest omdat je te weinig tijd hebt.
Nú heb ik vakantie. Ik ben blij dat ik een paar uur de tijd heb om me te verheugen op de komende weken. 'Wachten is oude tijd die te lang heeft gestaan’ schreef Tonnus Oosterhof. Maar soms is wachten jonge tijd, waarin de dag die je gaat plukken tot bloei komt.
Verloren tijd
08/10/08 17:40 Denk aan: Woorden en citaten

