Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan: Nu alleen zijn is verboden

heytze

Dit stuk maakt deel uit van de blogtournee over de onlangs verschenen dichtbundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (Uitgeverij Podium). Check Not just any book voor meer informatie. Eerder schreef ik over Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid.

Eerst ben je samen en gelukkig; dan ben je alleen tussen de mensen; daarna alleen nog alleen; en uiteindelijk is er niets behalve het niets. Als dat besef eenmaal is doorgedrongen kun je beter terug gaan denken: van het levenloze niets terug naar jezelf, al is dat eenzaam, naar de anderen hoe gevoelloos ze ook zijn, om te eindigen bij het begin, bij jou.

Bij het lezen van de nieuwe bundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan, slinger je steeds heen en weer tussen de verre uithoeken van het steenkoude en levenloze heelal dat zich uitstrekt ver voorbij de maan, naar het piepkleine leven dat je leidt, in een huis, met mensen die, ja, ademhalen maar evengoed levens leiden zonder zin.

Julian Barnes beschrijft in Nothing to be frightened of, zijn fenomenale essay over zijn angst voor de dood, ‘le réveil mortel – the wake-up call to mortality’. Het moment waarop je ineens weet: ik ga dood. En dood betekent: niks meer. Waardoor leven misschien ook wel niks betekent. Je kunt je wel een god wanen en soms de touwtjes van de wereld in je handen voelen, in elk geval de touwtjes van je eigen leven. Als de man achter de schermen, die alle schermen tegelijk ziet, zoals Heytze schrijft. Maar het blijft een waan. Als je ver genoeg kijkt moet je zien dat er geen god is en dat jij hem niet bent.

Het absurde, heet dat in goed filosofisch jargon.

Ach, zo’n betekenisloos heelal, het heeft ook wel iets prettigs. Je hebt met niemand iets te schaften, behalve met jezelf. En van jezelf kun je in elk geval op aan. Toch? Mwah. ‘Wie zou je ermee hebben behalve jezelf, en zelfs dat valt te bezien.’ (Binnen en buiten) De ander dan? ‘Maar ik zou niemand weten, alleen jij, en zelfs bij ons heb ik zo mijn vraagtekens.’ (Achter ons)

Heytze weet heel goed de tragiek te vangen van dat ietwat sneue hoopje mens dat tegen beter weten in er nog iets van probeert te maken. Sneu hoopje, omdat je in het licht van dat enorme, mechanische heelal maar ‘één tussen miljarden’ bent. Het is moderne tragiek: doorgaan omdat het niet anders kan, niet tegengewerkt door een god of het noodlot, maar voortgedreven door de tijd. De tijd, die is nog veel meedogenlozer dan welke god ook. God, die liet nog plaats voor hoop. Zelfs die is er niet meer voor ons, wij die ‘op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren’. (Schaduwen)

Zo voortgedreven door de tijd, ligt de hoop (toch eigenlijk een projectie op de toekomst) vooral in de herinnering. Terug dus, naar het samenzijn, ‘niet langer alleen’. De wens en de hoop zijn niet gericht op een hiernamaals of een betekenisvol leven, maar op het terugdraaien van de tijd. Ik hoef niemand te vertellen dat dat onmogelijk is. Dat maakt het verlangen tragisch. En ook mooi. Er is in dit lege universum veel schoonheid te vinden. Niet zozeer in het licht, maar juist in de duisternis. ‘The tunnel at the end of the light’, zoals Bukowski in het motto dicht, verandert van een duistere, enge plek in een veilige haven.

Er staan veel regels (soms zinnen) in de bundel die je wilt onthouden. Trefzekere tragiek. (Dat is in elk geval een zekerheid die de dichter nog geboden is.) Het mooiste gedicht vind ik ‘Het uur van het schaap’. Het is duister en eng en zeker niet veilig. Maar het biedt je één absolute zekerheid.

‘Nu alleen zijn is verboden.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *