Nero, de bloedige dichter

Nero, de bloedige dichter

Primeurtje: mijn recensie van Nero, de bloedige dichter door Dezsö Kosztolányi. Morgen op 8WEEKLY, nu al hier te lezen.

Heerser van moord en waanzin

Het succes van Sándor Márai heeft geleid tot een herontdekking van de Hongaarse literatuur uit het begin van de twintigste eeuw. Een van de schrijvers wiens werk de laatste jaren in vertaling verschijnt is Dezsö Kosztolányi (1885–1936). Zijn historische roman Nero, de bloedige dichter uit 1922 is na Anna en De bekentenissen van Kornél Esti een nieuw hoogtepunt. Een boek om uit te blijven citeren.

Nero kennen we vooral als de gek die hij aan het einde van zijn leven was, een krankzinnige keizer die het Romeinse rijk aan de rand van de afgrond bracht en zelfmoord pleegde. De schrijver doet niet aan ontmythologisering; Nero blijft een meedogenloos, ongrijpbaar onmens. Kosztolányi introduceert de keizer echter als onzekere jongeman, rouwend om zijn vader (die is vergiftigd door zijn moeder, de eerste van vele moorden in het boek). De jongen die zijn eerste stoppels offert aan de god van de jeugd – wat hem de bijnaam Vuurbaard oplevert – zinkt steeds dieper weg in een poel van eenzaamheid en waanzin.

Lauwerkrans
Nero, de bloedige dichter is geen biografie, maar het portret van een mislukte kunstenaar en een bloedstollend mooie beschrijving van het leven in het Romeinse rijk, zowel aan het hof als in de achterbuurten.

‘Het was nog altijd zeer heet. Poppaea haalde uit haar kleine tas een slang tevoorschijn en wikkelde die om haar hals, om door het koude bloed verfrist te worden.’

Aan politiek maakt Kosztolányi nauwelijks woorden vuil. Het gaat hem om de ziel. En Nero heeft de ziel van een dichter, niet van een politicus. Hij zoekt goddelijke macht, geen wereldse. Eerzucht is wat hem drijft. Uit verlangen naar applaus en bewondering laat hij zich lauwerkransen omhangen in het theater. Hij krijgt alle aandacht die hij wil – hij is de keizer, wie zal hem tegenspreken?

Verveling en moord
Uiteraard volgt op het succes de verveling. En de verwoestende twijfel. Hoe kan Nero ooit weten of hij een goede dichter is, als niemand hem de waarheid durft te zeggen? Wat heb je aan honderden lauwerkransen als je in de kroeg door het volk belachelijk wordt gemaakt? Nero is mislukt, als kunstenaar en politicus. Zou iemand hem al de waarheid durven zeggen, dan wil hij haar niet horen. De gesprekken die hij voert met zijn broer Britannicus (wel een geniaal dichter) en zijn leermeester Seneca (gluiperige retoricus), waarin hij worstelt met de waarheid, behoren tot de beste stukken van de roman. Nero mag mislukt zijn, Kosztolányi schittert als een briljant:

‘”En mijn twijfels, Britannicus. Als de rottende wonden van een leeuw onder de Afrikaanse zon. Abcessen, overdekt met gele etter en een levende krans van wormen.”‘

Moord is het instrument dat Nero aangrijpt om zijn mislukking onzichtbaar te maken. De Vuurbaard is waarlijk een bloedige dichter. Broedertwist of moedermoord, nergens schrikt hij voor terug. Doden wordt een verslaving, een eerste levensbehoefte. Door te doden, bevestigt Nero de goddelijke macht die hij zo lang zocht, bevestigt hij zijn leven.

‘”Ik ben onschuldig,” zei hij terwijl hij stierf.
“Dat weet ik” antwoordde de keizer. “Dat maakt het nog interessanter,” en hij keek aandachtig toe hoe de onbekende man zijn laatste adem uitblies.’

Hemelse waanzinnige
Zelfs in de dood mislukt Nero. Roemloos komt hij aan zijn eind op een stoffige zandweg, waar hij met een bot zwaard uit de rekwisietencollectie van het theater zichzelf wil doorboren – ‘maar het zwaard wilde niet in zijn keel dringen’. Zijn secretaris moet hem op de punt naar beneden duwen. De Vuurbaard trekt een laatste spoor langs de sterren voor hij in stof uiteenvalt:

‘Aan de wolkenloze hemel straalden de gele punten van de sterren, en onder aan de horizon raasde de komeet voorbij die het einde van de keizer had voorspeld. Met verward, rood haar stormde die hijgend verder, met een bloedig bericht, als een hemelse waanzinnige.’

Dezsö Kosztolányi laat de lezer verbluft achter. Kosztolányi is niet bang voor grote woorden, maar vliegt nergens uit de bocht. Als een wagenmenner met tien volbloed raspaarden aan de teugels. Dit is literatuur op het allerhoogste niveau.


Geplaatst

in

door