Grafherrie in de herfstzon

grafherrie

Bleef mijn beschrijving van de herfstzon bij een mislukte poging een paar zinnen op te diepen uit mijn geheugen, Martin Bril wist zijn lezers wel te trakteren op een citaat. Ook hij zocht al tijden naar een adequate beschrijving van dat bijzondere herfstlicht, en moest zijn meerdere erkennen toen hij de beschrijving niet zelf op papier zette, maar vond in een boek. Jammer genoeg heeft hij het niet over Noem me bij jouw naam (was dat even makkelijk geweest), maar over Robert Penn Warrens All the King’s Men. Zijn herfstlicht is dan ook niet het mijne: Bril zoekt het blauw van een high noon, terwijl het mij gaat om het roodoranje van de namiddag.

Op de een of andere manier lukt het André Aciman om in Noem me bij jouw naam woorden te vinden voor de spectrale gemoedsgesteldheid van de hoofdpersoon, een gesteldheid die we ook wel kennen als verliefdheid. Ook Bril ervaart een aan afgunst grenzende bewondering voor mensen die de woorden vinden waar jij vruchteloos naar zoekt. Een heel andere bewondering dan die voor muzikanten, die op haar beurt weer grenst aan verliefdheid. Bril noemt nog meer dingen op die ontsnappen aan de taal: het geluid van een tennisbal, de geur van vrouwenzweet en spek.

Hij vergeet het belangrijkste. Muziek. Hoe beschrijf je in vredesnaam muziek. De eerste keer dat ik me dit afvroeg was bij een concert van de Red Hot Chili Peppers, augustus 2001 in de Jaarbeurs (ja echt, de Jaarbeurs). Ik wilde de Peppers al zien sinds mijn vijftiende verjaardag, toen ze in de Rai zouden komen en ik van mijn zus een kaartje zou krijgen. Helaas, afgelast. Het optreden in de Jaarbeurs was te gek, ondanks die locatie (is sindsdien ook nooit meer een concert geweest volgens mij). Ik herinner me nog haarscherp hoe ik daar compleet uit mijn dak ging en opeens dacht ‘Hier moet ik over schrijven!’ En meteen daarop: ‘Hoe moet ik hier in hemelsnaam over schrijven?!’

Sindsdien lees ik graag over muziek, om het vak af te kijken. Het valt me op dat het bijna altijd ergens anders over gaat. Schrijven over de aan verliefdheid grenzende bewondering voor getalenteerde en knappe frontmannen is zo moeilijk nog niet. In interviews met bands gaat het over de weg naar de roem, de samenwerking met de producer, het hutje op de hei waar de plaat is opgenomen of de betekenis van een tekst – als het al niet alleen maar gaat over het sterrendom en de roddels die daarbij horen. In concertbesprekingen wordt de setlist doorgenomen, het stembereik besproken en het publiek beoordeeld.

In recensies gaat het soms over het muzikale, om het maar even zo aan te duiden. Bijvoorbeeld over het specifieke geluid dat een bepaalde producer aan een album toevoegt. Best saai. Het leert je waar je op moet letten, hoe je een plaat beter kan beoordelen. Maar het is best saai om te lezen.

Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Natuurlijk gaat het altijd over iets anders! Wat wilde ik over de Peppers schrijven? Iets over de maatvoering en akkoordenschema’s? Welnee, ik ging uit mijn dak en dat gevoel wilde ik overbrengen. In mijn meesterwerk dat nog moet meesteren probeer ik het.

En dan, verdomd, gebeurt waar ook Martin Bril voor vreest: ‘En al die tijd bestaat het risico dat je iemand leest die er wel al in is geslaagd.’ Remco Daalder heet de man en hij schreef het boek Grafherrie. Alleen al om die titel (ondertitel: punkroman) lees je zo’n boek. Het verhaal is dun, de personages nog dunner, maar dat vergeef je hem direct als je bij de concertbeschrijvingen aanbelandt.

‘Niet elk punkconcert is ook geslaagd. Het is pas geslaagd als de muziek in je hoofd zit, in je onderbuik, in je darmen, als de gitarist je zenuwstelsel aanstuurt, de drummer je armen en benen alle kanten op zwiept, de bassist je ingewanden uitbeent, als je hoofd leeg is, alle problemen en complicaties vergeten zijn, je ledematen als die van een trekpop alle kanten uitgaan met je lichaam erachteraan. Er is geen band meer en geen publiek, er is alleen nog een massa individuen die geen individu meer zijn, maar die één grote door dezelfde krachten aangestuurde klont vormen.’

Zo doe je dat dus. Ook weer opgelost.

Ik heb eb

plint

Bloed. Prikken. Bloedprikken. Talloze mensen krijgen rillingen bij deze woorden. Ik niet. Ik kijk de andere kant op en onderga de aderlating… tja, gelaten.

In de bloedprikruimte van het ziekenhuis hangen postergedichten. Goed idee: je hebt iets om naar te kijken en concentreert je op het lezen. Voor je het weet zijn de tubes weer gevuld en krijg je een watje om te stelpen. Gelukkig zijn de gedichten op de posters vaak makkelijk, meer versjes dan poëzie, anders is de verpleegster klaar voor je bij de laatste regel bent. Ze worden ook regelmatig vervangen.

Bloedprikken krijgt daarmee iets stemmigs. Dat komt ook door de sfeer in de wachtruimte. Ik bedoel niet de sfeer die iedereen benauwt zodra hij witte jassen ziet en die specifieke ziekenhuisgeur ruikt. Nee, in de wachtruimte voor de bloedpoli (lekker woord) wordt nog ouderwets gewacht.

Vroeger was dat heel normaal, tegenwoordig wachten mensen eigenlijk nooit meer. Ze bellen, mailen, lezen een gratis krant of roken bij de rookpaal (een heel andere actie dan gewoon een peuk opsteken). Allemaal dingen die in het ziekenhuis niet mogen. Toegegeven: de Metro ligt hier ook in de gangen, maar niemand leest hem.

Zo zit je dan heel rustig met tien, vijftien mensen te wachten. Geen mobiel, geen sigaret, geen krant. Sommige mensen maken een praatje. Op mompeltoon. Af en toe klinkt de zoemer en verdwijnt iemand in een bloedprikcabine. Als ze eruit komen hoor je ze zachtjes fluisteren: ‘ik heb eb, doet dat zeer? nee zegt de zee, een zee heeft geen zeer.’

(gedicht Frank Eerhart, beeld Milja Praagman)

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam

Laatst werd ik geconfronteerd met de noodzaak van het gedigitaliseerde aantekenboekje. Buiten scheen de zon op zo’n herfstachtige, rode, laaghangende manier waardoor je vanzelf volstroomt met melancholie en verlangens. Niet lang daarvoor las ik in Noem me bij jouw naam van André Aciman een passage waarin exact dit herfstige gevoel ‘van de schoonheid en de troost’ beschreven staat.

Dus ik ging op zoek. Het stond ergens achterin, dacht ik, want het verhaal beslaat een zomer die onherroepelijk afloopt. Achterin geen herfst. Ah, het was in een flash forward van de oudere verteller, aan het begin van het tweede deel. Ook in het midden geen herfst. Was het dan toch…? Eerste hoofdstuk alleen maar zon, zomer, ontblote bovenlijven (zie foto). Ik scande het hele boek van achteren naar voren, er nog steeds van overtuigd dat het in het laatste deel moest staan. Toen van voren naar achteren. Helaas, de passage bleef onvindbaar, ik moet het doen met de slechte parafrase van mijn geheugen. Het was zoiets van dat de herfstzon aan een nieuw schooljaar doet denken maar ook tegelijk aan de voorbije zomer en dat je dan dus zo’n dúbbel gevoel krijgt, weet je wel, van verwachting gemengd met weemoed en dat dan in herfstkleur.

Dit voorval leerde me ook dat ik zulke citaten natuurlijk wel in mijn opschrijfboekje moet opschrijven, anders heb je er in gedigitaliseerde vorm ook niks aan.

Misschien ligt het ook aan de roman zelf: Noem me bij jouw naam is zo’n boek waaruit het moeilijk citeren is, omdat je uiteindelijk alles wil citeren. Een los citaat kan dit boek geen recht doen, omdat het dan lijkt op het dagboek van een bakvis: ‘ Vuur als angst, als paniek, als nog één minuut en ik ga dood als hij niet op mijn deur klopt, al zou ik liever hebben dat hij nooit klopt dan dat hij nu klopt.’ Dit is duidelijk geen zinnen-boek, maar een verhaal-boek. Het vertelt van alle vormen die de eerste verliefdheid van een vijftienjarige kan aannemen, van begeerte tot liefde-tot-in-de-dood.

Aciman beschrijft die vormen zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.

In zijn nauwkeurige en uitputtende beschrijvingen van de liefde lijkt Aciman op Proust. Ik kocht het boek ook vanwege een recensie waarin dat stond. Ik dacht zelfs dat Aciman een Fransman was, kocht de vertaling en las het boek op vakantie in Frankrijk. Later kwam ik er achter dat hij Amerikaan is (ik lees Engelstalige boeken altijd in het Engels).

Aciman heeft meer met Proust gemeen: hij is zijn schaamte voorbij. Dat klinkt meteen zo liederlijk (er zitten ook wel liederlijke, expliciete passages in het boek) – wat ik bedoel is dat hij zich niet meer schaamt voor zijn schaamte. Hij schrijft zoals Proust ons voorhoudt en voordoet: tot voorbij het punt waar het pijn doet, waar je je terug wil trekken achter het veilige masker van conventionaliteit. Je voelt hem zoeken naar dat punt, en als hij het heeft gevonden, prikt hij nog eens extra met zijn woorden in de wonde. Daar ontstaan de prachtigste passages, omdat ze tegelijk aarzelend zijn (in het leven van de verliefde vijftienjarige is niets zeker) en die aarzeling zonder omkijken blootleggen.

De aarzeling blootleggen, zonder aarzelen; dat wat zo diep verborgen ligt, bijna buiten bereik, trefzeker verwoorden: Noem me bij jouw naam van André Aciman is het beste voorbeeld van hoe je over het meest uitgesleten onderwerp in de wereld kunt schrijven op een volstrekt eigen manier, die verrassend maar ook volkomen herkenbaar is. Iedereen die ooit verliefd is geweest, moet dit lezen. En dan aan mij dat citaat van die herfstzon doorgeven.

Maand van de spiritualiteit

maand_spiritualiteit

Elke dag, week of maand is tegenwoordig wel aan iets gewijd. Hebben we op dit moment Geschiedenis en Borstkanker, november is de Maand van de Spiritualiteit. Als aanloop tot de feestmaand, die in plaats van spiritueel vooral consumenteel is geworden. Het thema van de Maand is ‘Mijn betere ik’, oftewel Word wie je bent!

Maanden Van worden over het algemeen feestelijk geopend en afgesloten, daartussenin merk je er weinig van. Een van de happenings op de openingsmanifestatie van de Maand van de Spiritualiteit is de workshop De zin van het leven van godsdienstfilosoof Annewieke Vroom. Lef heeft ze in elk geval, met zo’n titel.

In de krant Trouw, een van de initiatiefnemers van de Maand, vertelt ze alvast waar we zo ongeveer die zin van het leven moeten zoeken. De kop zegt alles: ‘Aanvaarden van het ik is belangrijker dan het ik verbeteren.’ Alsof het wetenschappelijke bewijs onomstotelijk vastligt, zo staat het daar: aanvaarden is belangrijker, omdat het het diepste verlangen van de mens is. Voel je het ook al in je onderbuik?

Ik voel me dan natuurlijk aangesproken, met mijn Word wie je bent en Nietzsche, Proust en Sartre. (Op de site staat dat Sartre in de workshop aan bod zal komen, in de krant verklapt Annewieke hoe: als een ‘kunstmatig streven’.) Is aanvaarden belangrijker dan verbeteren? Aanvaarding is hoe dan ook een voorwaarde voor verbetering, zegt de godsdienstfilosofe. Maar wat moet je dan aanvaarden?

Ook Sartre heeft het over het aanvaarden van de dingen die gegeven zijn. In zijn kenmerkende prachtige bewoordingen (ahum): de geworpenheid. De mens wordt pats boem het leven in geworpen, temidden van allerlei zaken waar hij niets aan kan doen. Hij krijgt bepaalde ouders, die wel of niet een geloof aanhangen, hij moet het doen met een fysieke gesteldheid, is lelijk, mooi of onopvallend, woont in een zeker land, in een zekere tijd, onder een dictator of onder Balkenende. In feite begint het menselijk leven zoals zoveel verhalen in medias res – je valt er middenin en loopt altijd achter de feiten aan.

Die geworpenheid, daar hebben we allemaal last van, de een wat meer dan de ander. Als je de dingen die nu eenmaal gegeven zijn niet kan aanvaarden, kom je nooit verder. Dan blijf je steken in een apathisch wachten op het noodlot, in plaats van je leven eigen te maken. Eigen maken in dubbele zin: je leven van jezelf maken door het actief te leiden en verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes, maar ook je het leven eigenmaken, verinnerlijken – dat wat gegeven is door en door kennen en verpersoonlijken.

De mens zal dus ondanks zijn geworpenheid iets van het leven moeten maken. Of, zo zie ik het liever, dankzij. Wat zou je kunnen maken zonder bouwstenen? Hoe meer bouwstenen, hoe inspannender het levenswerk – maar ook: hoe meer mogelijkheden er iets bijzonders van te maken. Ze zeggen niet voor niets ‘an unhappy childhood is a writer’s goldmine’. Met aanvaarding alleen kom je nergens, laat de vooruitgang dan maar zitten. Moesten vrouwen vroeger dan ook maar aanvaarden dan ze minder waren dan de man? Of de zwarte dan de blanke?

Waar je Sartre niet (of minder) over hoort, is het feit dat de geworpenheid niet exclusief bij de geboorte hoort, maar het hele leven doorgaat. Steeds weer gebeuren er dingen die van grote invloed zijn op jou, maar waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Vooral natuurlijk zolang je nog afhankelijk bent van anderen, zoals je ouders. Ze kunnen gaan scheiden, besluiten te emigreren, doodgaan. Je bent nooit klaar (gelukkig). Hoe ouder je wordt, hoe meer je zelf ook de geworpenheid van anderen bepaalt. In dit idee ligt de basis voor een moraal besloten, die je bij een simpel aanvaarden nooit zult vinden.

Aanvaarden is geen doel, maar een voorwaarde. Belangrijk, maar van ondergeschikt belang. En het diepste verlangen van de mens? Als de diepte van een verlangen de maatstaf wordt van wat de zin van het leven is, zijn we denk ik ver van huis. De mens is de mens een wolf. Spiritualiteit is geen gegeven, daar moet je iets voor doen. Kiezen voor je betere ik, daar ga je heus niet dood aan.

Digitaliseren is eindeloos

bookpedia

Al je digitale foto’s uitzoeken en de mooiste in een album laten afdrukken, de 38 toneelstukken van Shakespeare lezen, de stoel van Gerrit Rietveld nabouwen, je leven grandioos laten mislukken: iedereen bedenkt wel eens zo’n project dat op voorhand al gedoemd is te stranden. Ik ben daar ook heel goed in.

Als het project enigszins begrensd is, en het einde al vanaf het begin in zicht, maakt het nog enige kans van slagen. Zo heb ik al mijn cd’s op de computer gezet en goed getagged (toch ook een hels karwei). Alle muziek die er nu bij komt is al digitaal, dat is fijn. Opslaan en sluiten, cd’s in de schuur en klaar.

Dat is bij de twee projecten waar ik nu middenin zit – al maandenlang – wel anders. Het ene: mijn notitieboekjes digitaliseren. Het andere: mijn bibliotheek digitaliseren. Zowel van de notities als van de boeken komen er elke week nieuwe bij en dat maakt deze projecten tot projecten zonder eind.

Om het mezelf makkelijker en leuker te maken, en om een stok achter de deur te hebben, besloot ik het professioneel aan te pakken. Ik schafte twee programmaatjes aan die gemaakt zijn voor mensen zoals ik: Bookpedia en Notebook.

Af en toe voer ik een plank boeken in Bookpedia in. Maar dan staat er naast de bank alweer een stapel nieuwe. Omdat ik ondanks een neiging tot luiheid ook een tikkeltje perfectionistisch ben, wil ik per boek alle categorieën vullen. Voor ik het weet ben ik een half uur aan het nadenken wanneer ik De vermoorde dichter van Guillaume Apollinaire ook alweer heb gelezen (ik ben inmiddels trouwens bij de D). Heb ik het überhaupt gelezen? Ik heb er nu 128 ingevoerd, ik schat dat er dan nog zo’n 800 te gaan zijn…

Andere keren, vooral als ik weer eens als een vergeetachtige professor in mijn aantekenboekje zit te bladeren, op zoek naar dat ene citaat van zus of zo, andere keren voer ik een paar weken notities in Notebook in. En omdat ik wel praktisch en rationeel ben, maar ook heel goed ben in dagdromen, verlies ik mezelf in herinneringen aan de tijd dat ik die notities maakte. Het merendeel van de aantekeningen is een briljant citaat, daar word ik dan heel blij van. Dan droom ik weg in ellenlange gedachtespinsels, die allemaal uit dat citaat zijn af te leiden. Zowel de rationaliteit als het dagdromen vallen wat mij betreft onder het kopje nadenken. Inmiddels ben ik aanbeland in 2005.

Behalve dat je heel makkelijk boeken en citaten kunt terugvinden (mits je alles hebt ingevoerd natuurlijk), hebben de programma’s ook geinige extra’s. Notebook somt bijvoorbeeld in een alomvattende index alle gebruikte woorden op, zoals hier het begin van de K: En Bookpedia houdt je gemiddelde voorkeuren bij:

Mooi vind ik dat, kachel kader kakkerlakken… En zolang mijn vaakst gegeven beoordeling 4* is, ben ik op de goede weg.

Misschien is het ook wel fijn om te weten dat dit twee projecten zonder eind zijn. Dat betekent namelijk ook dat ze nooit definitief kunnen stranden.

Boetekleed is verdwijnmantel

atonement

Filmpersonages zijn vaak goed of slecht, en als ze slecht zijn en toch de hoofdrol spelen, beschikken ze wel over een verleden of een goed gevoel voor humor, waardoor ze alsnog sympathiek overkomen. Ik heb nu kennisgemaakt met een personage dat zo naar is dat ze eigenlijk niet de hoofdrol in een film zou mogen krijgen.

Ik heb het over Briony Tallis uit het Oscarwinnende Atonement. Eerder las ik al het boek van Ian McEwan, waar ik ook zo mijn bedenkingen bij heb. Atonement (in vertaling Boetekleed) is een van die verhalen waarover het moeilijk spreken is, omdat er een verrassing in zit die je niet wil verklappen. Die verrassing is echter de grootste reden van mijn bedenkingen. Ik waarschuw dus alvast: ik ga de verrassing verklappen. Je kunt nu nog iets anders gaan doen.

Het verhaal van Atonement is gruwelijk. En dan heb ik het niet over de verwondingen van soldaten die tot in detail beschreven worden, maar over de makkelijk uitgesproken leugen die de plot in gang zet en de levens van alle betrokkenen ingrijpend verandert, in negatieve zin. De dertienjarige Briony Tallis beschuldigt de verse minnaar van haar zus, tevens huisvriend en beschermeling van haar vader, valselijk van verkrachting. Ze weet dat ze liegt en houdt voet bij stuk. ‘I saw him.’

Haar vastberadenheid maakt Briony onuitstaanbaar, ja, zeg maar gerust een kutkind. Het filmpersonage weet geen moment sympathie te wekken, ik ergerde mij groen en geel aan haar. Enig begrip voor haar daad zou een interessant dilemma in de kijker opwekken, maar die daad is door en door egoïstisch en buitenproportioneel. In het boek is de innerlijke wereld van het kind nog zo mooi en genuanceerd beschreven dat je je als lezer op een ongemakkelijke manier medeplichtig voelt. Je wordt volledig meegevoerd in Briony’s prepuberale wereld, vol niet herkende emoties en fantasieën, zodat je als vanzelf in de leugen belandt. In de film is het gewoon een kutkind.

Nou ja, zulke sterke gevoelens van afkeer bij een fictief personage bieden op zich al genoeg stof tot nadenken. Bovendien wordt Briony ouder en ze realiseert zich dat door haar leugen een onschuldig man in de gevangenis zit en haar zus haar grote liefde kwijt is. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en ze probeert iets goed te maken door gewonde soldaten te verplegen, net als haar zus met wie ze geen contact meer heeft. De minnaar en ex-beschermeling vecht aan het front. Wat blijkt? Alles komt goed: ondanks de oorlog beleven zus en minnaar een gelukkig samenzijn. Briony vraagt vergiffenis, die ze niet krijgt. Weten dat zij ze niet voor eeuwig uiteen heeft gedreven, is echter al een hele troost.

Dan komt de verrassing. Ik kende hem al uit het boek: Briony heeft ook het einde verzonnen. Niks gelukkig samenzijn, de twee geliefden gaan beiden dood aan het begin van de oorlog. Briony, inmiddels gevierd schrijfster, geeft ze in een boek het geluk terug dat ze hen eerst ontnomen had. Het is haar manier om boete te doen. Boete doen door de lezer bij de neus te nemen: die had ik nog niet eerder gehoord.

In de film duurt deze ontknoping zo’n vijf minuten, in het boek tientallen bladzijden. Zeer ergerniswekkend, vergelijkbaar met ‘en toen werd hij wakker en bleek het allemaal een droom’. Die Briony speelt voor God door in te grijpen in deze levens en wil vergiffenis krijgen door precies hetzelfde te doen. Begrijpt ze niet dat ze die gedoemde minnaars met rust moet laten? Dat ze wel genoeg ellende heeft aangericht?

Ik ben de enige die er zo over denkt. Ik heb geen één negatieve recensie van het boek kunnen vinden. Wel van de film, maar de kritiek heeft dan geen betrekking op het verhaal van McEwan, maar op de presentatie in de film. Dat zet me aan het denken: hou ik er niet van als een auteur me om de tuin leidt? In de recensies heet het een briljante wending, een postmoderne ontknoping of een reflectie op metatekstueel niveau. Pft! Ik vind het een trucje. Een trucje dat niet werkt, omdat ik Briony nog steeds onuitstaanbaar vind.

Hieruit volgt een meer verontrustende vraag: ben ik te star om te vergeven? Kan iedereen het kreng uit het begin loslaten en de boete van de oudere Briony op waarde schatten? Iedereen, behalve ik? Of ziet niemand in dat de boetedoening van de bejaarde Briony gestoeld is op dezelfde bemoeizucht als die van de dertienjarige? Ben ik de enige die dit doorziet? Wie is hier blind?

Mag je iemand die openlijk het boetekleed aantrekt afwijzen? Zijn er vormen van boetedoening die niet voldoen? De film roept deze vragen niet op, denk ik, daarvoor moet je bij het boek zijn. Dat maakt de film middelmatig en het boek – toch – goed. Dat komt vooral door de ongeëvenaarde stijl van Ian McEwan, die een caleidoscopisch beeld van een feilbaar karakter weergeeft.

Maar lees liever Saturday, waarin je ook van die stijl kunt genieten en je emotionele betrokkenheid niet aan een kutkind hoeft te geven. Waarin écht verrassende plotwendingen de plaats innemen van trucjes, en mijmeringen over een ver verleden vervangen zijn door zeer diepgravende en intelligente overpeinzingen over de actualiteit.

Mensen met een verhaal

‘Mensen met een verhaal’: deze kop komt niet uit de Viva, is geen rubriek van 1Vandaag, en ook geen benaming voor Icesave-slachtoffers. Het is een onderdeel van de AllerHande, het blad waar half Nederland – ikzelf incluis – uit kookt.

Wat hebben mensen met een verhaal te zoeken in de AllerHande? Nou, ze delen hun familierecept of een kar met boodschappen. Daar zit natuurlijk een verhaal achter. Iedereen zal wel een anekdote uit zijn leven kunnen vertellen waarin voedsel een belangrijke, misschien zelfs smeuïge rol speelt. Er bestaat in de literatuur een heel genre van eetromans en -verhalen. Door zulke verhalen te delen (met foto’s van de betrokkenen) krijgt de Albert Heijn een menselijk gezicht. Je neemt de AllerHande niet meer alleen mee voor de recepten, maar ook om even lekker te lezen. Klantenbinding heet dat.

Er is meer aan de hand. Mensen met een verhaal: daar draait alle media tegenwoordig op. Een glossy als AllerHande kan niet achterblijven. De honger naar verhalen van gewone mensen, in wie we ons herkennen, is onstilbaar. En de gretigheid waarmee iedereen zijn eigen verhaal voor het voetlicht brengt, is recht evenredig. Omgekeerd blijken sterren, de ongewone mensen zogezegd, ook maar mensen met een verhaal. Eindresultaat: iedereen is een ster, iedereen ongewoon, iedereen een beetje gek.

Het is sinds de uitvinding van commerciële televisie en internet natuurlijk ook heel makkelijk om je verhaal te vertellen. Kijk maar naar al die weblogs. Toch denk ik dat de overvloed aan levensverhalen (vaak vooral verhaaltjes) in de publieke sfeer niet alleen op de rekening mag worden geschreven van de populaire media. Filosofen zijn ook schuldig.

Ik schreef al eens dat ik ooit een presentatie hield over de narratieve weergave van het leven in Idols. Dat zag je vooral als iemand weggestemd werd. Een filmpje toonde hoe een onopvallend typje opbloeide tot een sexy showtijger met diepe dalen en staande ovaties, tranen en relaties. ‘Het Idols-avontuur van Pietje Puk is nu ten einde,’ luidde de afkondiging. ‘Maar jullie zullen nog van me horen, hoor!’ gilde de onfortuinlijke bijna-Idol dan steevast.

Dat bedacht ik niet zomaar. Er is een breed gedragen opvatting in de filosofie dat mensen hun leven als een verhaal opvatten om het als zinvol te ervaren en er betekenis aan te geven. Ook is het een manier om je herinneringen te structureren. Door gebeurtenissen en ervaringen te duiden door narratieve elementen als oorzaak en gevolg, krijgt de chaos van leven een overzichtelijke aanschijn. Net als het benoemen van terugkerende thema’s of het karakteriseren van mensen in je omgeving alsof het personages zijn: de held die alle tegenslag overwint, de liefhebbende moeder, de avonturier.

Je leven interpreteren als een narratief verhaal strekt zich niet alleen uit naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Dan gaat het om het actief vormgeven van je persoonlijke verhaal. Als je dat goed doet, word je misschien wel wie je bent. Ik draag deze narrative turn – excusez le mot – dan ook een warm hart toe. Mits het verhaal niet uitdraait op een buiging voor het noodlot. Zodra men denkt dat een oorzaak maar één gevolg kan hebben en het leven ingenieus als een tragedie van Shakespeare naar zijn einde toewerkt, verdwijnt juist die chaotische kwaliteit van het bestaan uit het zicht. Banken vallen om, om niets.

Het leven ís geen verhaal, mensen hébben een verhaal. Ik hoor alle Icesave-spaarders over dertig jaar al aan het nageslacht vertellen: ‘En toen…’ En toen ging ik het familierecept van de Van Iersels maar eens klaarmaken.

Spin zonder web

Alsof een overijverige rat een kabel heeft doorgeknaagd: van het ene op het andere moment hebben we geen internet meer. Online heet onze provider, moderne ironie van het type hihaho. Zij probeerde ons nog in de categorie storing te stoppen, maar dit is geen storing, dit is een geheel geslaagde verdwijntruc.

Ik ben totaal ontheemd, ja, zeg maar gerust dat ik me offline voel. Om grip op de zaak te krijgen, en omdat ik opeens heel veel tijd over heb, probeerde ik te doorgronden waaruit die ontheemdheid eigenlijk bestaat. Natuurlijk, er zijn praktische bezwaren: mijn mail kan ik wel op mijn werk lezen, en ’s avonds op de iPhone, maar uitgebreid antwoorden wordt al lastig. De vacaturejacht is gestaakt. Mocht ik toch een vacature vinden, moet ik dan mijn sollicitatiebrief per post gaan versturen? Het idee alleen al! KinkFM luisteren? Helaas! Nieuwe muziek ontdekken? In de platenzaak kom ik al jaren niet meer. Rekeningen worden niet meer betaald. De lunchpauze wordt opgeofferd aan recensies uploaden voor 8WEEKLY. En al mijn weblogstukjes blijven in mijn hoofd zitten, overgeleverd aan het risico van vergetelheid. Ik hou me staande met de gedachte dat als iemand dit leest, dat betekent dat het leed geleden is en het leven weer zijn normale loop hervonden heeft.

Toch vind ik het ook een beetje onzin dat offline zijn me meteen een offlinene wezensgesteldheid geeft. Waar slaat dat op? Tien jaar geleden, dacht ik, was alles anders. Ja, en voor de uitvinding van de tv speelden de mensen elke avond Mens-erger-je-niet.

Tien jaar geleden had ik exact hetzelfde gevoel, alleen met een compleet andere aanleiding. Het gevoel deed zich voor op donderdag-, vrijdag- of zaterdagavond, als ik thuis voor de tv zat, zonder iemand om Mens-erger-je-niet mee te spelen. Het is het gevoel dat je er niet bij bent en dus van alles mist. Iedereen heeft de nacht van zijn leven en jij bent daarvan uitgesloten. Elk feest was in potentie de nacht van je leven. Als je thuisbleef, liep je misschien ook de liefde van je leven mis, met wie je die nacht van je leven ging beleven. Die ene keer dat jij thuisblijft, is net de keer waarop er iets gebeurt waarover nog jaren wordt nagepraat. Zal je altijd zien.

Zo is je offline voelen ook: er gebeurt van alles zonder jou. En blijkbaar gebeurt er inderdaad van alles zonder dat jij daarvoor nodig bent. Voor je het weet denk je: zonder dat jij daarbij wenselijk bent. Je hebt niets meer in de hand. Moderne tragiek van het type control-alt-delete.

Er bestaan twee uitgesleten formuleringen die me een vacature direct terzijde doen leggen. De eerste zegt dat je ‘geen 9-tot-5-mentaliteit’ mag hebben. Kop dicht en overwerken, betekent dat. De tweede is ‘spin in het web’ (vaak gevolgd door ‘creatieve duizendpoot’). Dat betekent dat je de hele dag aan het bellen bent en mensen moet vertellen dat ze hun deadline niet halen. Doe mij maar een ‘stoffige studeerkamermot’ maar dat wordt nooit gevraagd.

Nu weet ik dat ik wel een spin in me heb. Hij moest zijn web kwijtraken om dat in te zien. Op feesten vertakt het web en als je daar niet aan bijdraagt, eindig je misschien ergens bungelend aan een versleten ragje. En op internet zit iedereen altijd in het stralende middelpunt, als in een almaar uitdijend heelal zonder begin of einde. Behalve als je offline bent, dan zit je helemaal nergens. Je eindigt niet aan een ragje, je bestaat gewoon niet. Wat moet een spin zonder web? Hij zal niet meer kunnen eten.

De drang om er altijd bij te zijn en elk feest tot na sluitingstijd mee te maken, ben ik al een tijdje kwijt. Tien jaar later en ouder vertakt het web niet meer hoofdzakelijk op feesten, maar overal. Gelukkig. Het scheelt enorm in tijd die katerig in bed wordt doorgebracht. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit de drang kwijtraak om online te zijn. Dan kan ik net zo goed alsnog katerig onder de dekens kruipen. Wie dit leest, weet hoe het is afgelopen.

Werk aan de winkel III

Lunetten

Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar – bij wijze van spreken – zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een ‘ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak ‘m beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.

Werk aan de winkel II

Te veel keuzemogelijkheden en toch niet kunnen kiezen – het is een makke van onze tijd. Hoe kies je tussen een Bed & Breakfast beginnen, met dolfijnen zwemmen en zielige zwerfkatten redden? Voor je het weet twijfel je zo lang dat je helemaal niets meer doet.

Verdrinken in keuzes is een overblijfsel van de jaren negentig, toen alles kon en alles mocht. Dave Eggers schreef dé roman over hoe het was om toen op te groeien, in een tijd zonder oorlog, zonder grenzen aan de vrijheid en met veel geld voor iedereen: A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Gelukkig voor hem is het ook echt een geniaal boek, hartverscheurend ook (huilen bij de laatste bladzij) en tegelijk volstrekt buitensporig, overvloedig, sentimenteel en getuigend van grote verwaandheid.

Onze ouders hadden de Koude Oorlog nog, schrijft hij, wij hebben alleen vrede. Saai! We hebben niets om tegen te zijn, zelfs je vader en moeder zijn je beste vrienden. Zij hebben al alles gedaan wat god verboden heeft, wat zet je daar tegenover? Alles kan en alles mag. Niets moet dus niets gebeurt. Als allebei je ouders vlak na elkaar overlijden, zoals de hoofdpersoon overkomt, is de wereld zelfs haar allerlaatste grenzen kwijtgeraakt. Dave geeft zich uit pure ellende maar op voor The Real World van MTV, begint een tijdschrift, reist van hot naar her.

In een volgend, beduidend minder geniaal boek, You Shall Know Our Velocity, promoveert Eggers dat laatste tot hoofdthema. Een jongen verdient met iets onbeduidends zeer veel geld: zijn silhouet staat op elke gloeilamp die in Amerika over de toonbank gaat. Wat te doen met al dat geld? En met alle tijd? Hij gaat op reis om zijn geld uit te delen aan mensen die het harder nodig hebben dan hij. Overal waar hij komt denkt hij: dit had ook mijn leven kunnen zijn, sterker nog, het kan mijn leven worden. Ik kan in Afrika een surfschool beginnen, ik kan in Letland Rus worden, met dolfijnen zwemmen, een Bed & Breakfast, zwerfkatten… And in the end nothing happens.

Tijden veranderen, en zoals de jaren negentig is het allang niet meer. Rookverbod, identificatieplicht. Oorlogen genoeg, met bijbehorende slechteriken van Bin Laden tot Bush om fel tegen te zijn, en soms lekkere werkloosheidscijfers (zoals in 2002 toen ik afstudeerde) of een kredietcrisis. Crisis is een woord dat elk journaal wel valt. Dat noopt tot keuzes. En toch… in de literatuur blijven er genoeg twijfelaars rondlopen. Indecision was de titel van het debuut van Benjamin Kunkel uit 2005. Goed besproken, maar naar mijn mening even vervelend als de titel doet vermoeden. Reizen, drugs gebruiken, rondhangen, af en toe een date en zeuren over het systeem, inmiddels weten we het wel.

Ik hoor in mijn hoofd weer die mantra die overal op van toepassing lijkt: aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve… Niet verdrinken, maar in het diepe springen, je in de afgrond storten, in plaats van erin te vallen. Misschien ga ik toch zielige zwerfkatjes redden. Het meest aanstootgevende dat ik deze week gezien heb, was namelijk kleine Jip.

Steun de Dierenbescherming voor Jip en andere zielige dieren.