Techniek in de literatuur II

De tijd van het modernisme, grofweg van het eind van de negentiende eeuw tot het begin van de Tweede Wereldoorlog, is een tijd waarin techniek en vooruitgang veel weerklank vinden in de kunst. Het is de tijd van veel uitvindingen die ingrijpend waren voor het dagelijks leven (zoals de telefoon), en kunstenaars waren niet bang om ook in hun werk daarop in te gaan. De vernieuwingsdrift in de kunst uitte zich in nieuwe, moderne technieken zoals montage en het spelen met typografie. Maar ook op inhoudelijk niveau komt de techniek terug.

Techniek in de literatuur heb ik tot nu toe dan ook vooral gevonden in boeken uit dit tijdperk. Een roman waarin heel veel nieuwe apparaten (gadgets had je toen nog niet) een rol spelen, is De Toverberg van Thomas Mann. Die staat toch vooral bekend als een klassieke roman, een hoogtepunt van high culture. Daarom is het aardig om eens te wijzen op die moderne, technische thematiek die ook door het hele boek heen loopt.

De patiënten die in het sanatorium herstellen van tbc, doen dat vooral door een beproefde, ouderwetse behandeling te volgen: warm ingepakt op een ligstoel de berglucht inademen. Maar een nieuwe onderzoeksmethode doet zijn intrede: het röntgenapparaat.

Twee seconden lang speelden verschrikkelijke krachten, waarvan de aanwending nodig was om de materie te kunnen doordringen, hun spel, stromen van duizenden volt, van honderdduizend, meende Hans Castorp zich te herinneren. […] Hans Castorp wachtte knipperend met zijn ogen af, zijn longen vol lucht. Achter hem barstte een onweer los, knisperde, knetterde, knalde en kwam tot rust. Het objectief had in zijn binnenste gekeken.

Ik heb al vele malen in mijn leven onder, tussen en op röntgenapparaten gestaan. Gelukkig heb ik nooit het gevoel gehad midden in een onweer te zijn beland, overgeleverd aan honderdduizend volt. Stel je de zieke voor in 1910: hij moet zich met kracht tegen een apparaat aan drukken, dat uit zichzelf een soort bliksemstraal oproept. Een mad professor stuurt de stralen door je lichaam heen, zodat hij in je binnenste kan kijken, je helemaal doorziet. Wie zou daar niet van in doodsangst raken? Is bliksem en elektriciteit niet iets wat huizen doet afbranden en bomen laat splijten? En wat is daarbinnen allemaal te zien? ‘Grote God, het was het hart, Joachims eerlievend hart, wat Hans Castorp zag!’

Hevig bewogen door wat hij zag, of eigenlijk door het feit dat hij het zag, voelde hij diep van binnen tersluikse scheuten van twijfel, of het wel pluis was, wat zich hier afspeelde, twijfel of zijn gegluur in de bevende, knisperende duisternis wel door de beugel kon; en de meeslepende lustgevoelens der indiscretie vermengden zich in zijn borst met gevoelens van ontroering en stichting.

Zouden de vriendelijke radiografen die in het ziekenhuis míjn binnenste zien, ook last hebben van lustgevoelens en ontroering, zouden zij ook twijfelen of het niet te intiem is om iemands skelet te zien?

Castorp moet denken aan een helderziende tante, die weet wanneer mensen stervende zijn, omdat zij dan hun skelet ziet. Daarom is het ongehoord om een röntgenfoto te bekijken, zeker die van jezelf: ‘hij keek in zijn eigen graf’. Hij voelt hoe zijn vlees eigenlijk maar om hem zweeft, uiteindelijk zal het verdwijnen, wegsmelten in de aarde. ‘En voor de eerste keer in zijn leven begreep hij dat hij sterven zou.’

De techniek die dient om zijn leven te verlengen, drukt Castorp met de neus op de eindigheid van dat leven. In de confrontatie met een instrument dat volkomen modern is, wordt hij teruggeworpen in oeroude reflexen: ontzag voor het onweer, de angst voor elektrische ontlading, respect voor het menselijk hart, anekdotisch bijgeloof. Een prachtig voorbeeld van hoe een nieuwe, technische uitvinding tot een existentiële crisis kan leiden.

De volgende keer dat ik weer in een halfverduisterde ziekenhuiskamer gestrekt tegen een plaat sta, en de zachte knal hoor waarmee een foto van mijn binnenste wordt genomen, zal ik ongetwijfeld moeten denken aan bliksemstralen en de tante van Hans Castorp. En aan mijn eigen sterfelijkheid.

De röntgenscène staat beschreven in het hoofdstuk “Mijn God, ik ziet het!”.

Waar is de Myspace voor schrijvers?

Gartner hype cycle

Iedereen kent de verhalen van bandjes die via internet groot zijn geworden. De Arctic Monkeys, Vampire Weekend en, vooruit, ook zangeresjes als Esmee Denters. Het leek me altijd geweldig als dat met literatuur ook zou gebeuren. En dat ik dan geniale jonge schrijvers ontdek en aan een contract help. Want hoewel gewoon bekend worden met je cd sooo twintigste-eeuws is, komt het er toch nog steeds op aan om je kunstwerk uiteindelijk via de reguliere kanalen aan het klootjesvolk te verkopen.

Probleem is dat ik niet snap hoe dat werkt. Als het gaat om muziek zijn er twee voorwaarden: mp3’tjes op Myspace en bloggers die daarover schrijven. Maar hoe ontdekken die bloggers de leuke mp3’tjes die de moeite waard zijn om over te schrijven? Ze kunnen moeilijk al die miljoenen nummers gaan beluisteren. Komt het dan toch op connecties aan, en hebben die bandjes die ‘uit het niets’ doorbreken via internet stiekem toch gewoon al de juiste vriendjes? Want ook bij Myspace gaat het om vriendjes immers.

Het zal wel een wisselwerking zijn, waarbij de muzikanten zelf hun muziek de hele wereld over mailen en bloggers ook zelf op zoek gaan naar interessante nummers. Hoe dan ook een tijdrovende bezigheid lijkt me, hoewel je natuurlijk binnen een minuut wel hoort of je de volgende hype te pakken hebt, of gewoon de zoveelste wannabe-Alex Turner.

Goed, een paar bloggers zijn erachter dat de demo van een bandje wel héél lekker klinkt, ze pleuren de bestandjes of een link ernaar in hun weblog, stellen anderen op de hoogte en het balletje gaat rollen. Paradiso uitverkocht nog voor er een album in de schappen ligt, Justin Timberlake die aan de lijn hangt om te vragen of je alsjeblieft zijn voorprogramma wil doen.

In de literaire wereld moet dit toch ook kunnen? Niet dat iedereen zijn romans-die-in-de-la-liggen-te-verstoffen meteen in z’n geheel op het web moet zetten, want ook bij de letteren heb je aan een minuutje lezen vaak wel genoeg. (Komrij beweert dat hij aan de achterkant van het vel papier kan zien of er aan de voorkant een goed gedicht op staat, ik ben benieuwd hoe hij dat op internet zou aanpakken). Korte verhalen zijn wel uitermate geschikt voor internet, of een hoofdstuk uit een roman. Gretige lezers downloaden het hoofdstuk, willen meer, bestellen het boek bij een Printing on Demand-service, tot de grachtengordel het oppikt en het alsnog op de reguliere markt brengt. De buzz is gecreëerd, iedereen wil dat boek hebben, terwijl de bloggers alweer verder snuffelen naar een andere hype.

Vol goede moed ben ik begonnen aan mijn virtuele zoektocht naar literair talent dat klaar is om door mij ontdekt te worden. Maar ik heb de moed alweer opgegeven. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. En als ik al een site vind die een soort Myspace van het woord is, moet ik ervoor betalen, terwijl de vormgeving zo schandalig achterhaald is dat ik bij voorbaat alles wat erop staat slecht vind. Op Schrijven Online is een rubriek waar mensen stukjes kunnen laten lezen aan de andere forumleden. Dat is zo fragmentarisch dat je er ook weinig mee kan. Bovendien staan er vooral gedichten en (kleine stukjes uit) jeugdboeken op. Trouw Schrijf! komt nog het dichtste in de buurt van een Myspace voor schrijvers. Niet heel hip, maar beter dan niets.

Echte verhalen zetten mensen vaak op hun eigen website. Maar hoe vind je die? Ik klik in het wilde weg naar sites van zolderkamerschrijvers en lunchpauzekunstenaars en kom op de gekste plekken terecht. Nooit lees ik iets waar ik echt van onder de indruk ben. Al snel haak ik weer af. Hm, misschien snap ik wél hoe het werkt. Ben ik gewoon te lui.

Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw (1927)

De eerste keer dat ik Mondriaan zag, was in het Kröller-Müller museum. Natuurlijk kende ik Mondriaan van de mokken en muismatten, de poster van mijn moeder en het eeuwige ‘dat kan mijn zoontje van drie ook’. Maar de eerste keer dat ik een schilderij van Mondriaan echt zág, begreep en doorvoelde, was bij ‟Compositie met rood, geel en blauw‟ uit 1927.

Het kleine doek hangt in een hoekje van de zaal en ik slenterde erlangs, zoals je langs zoveel schilderijen in een museum slentert. Mijn blik bleef echter hangen en ik moest terug. Het schilderij zoog me op, benam me de adem en liet me niet passeren. Minuten later verliet ik het zaaltje in verwarring, nog steeds happend naar adem. Ik begreep niet goed wat er gebeurd was, maar het voelde alsof ik kennis had genomen van iets heel fundamenteels. Iets wat te maken heeft met zinloosheid, de onbeduidendheid van de mens en mijn leven in het bijzonder, een afgrond. De afgrond van de existentie, zoiets. Duizeling. Dat was vijf jaar geleden.

Vijf jaar later blijkt het schilderij nog precies dezelfde duizeling bij me op te roepen. NIet meer zo heftig als de eerste keer. Ik kan haar op afstand houden en observeren. Inmiddels weet ik iets meer over die existentiële afgrond, waar Sartre over zegt: ‘Duizeligheid is angst, niet in die zin dat ik ervoor beducht ben in de afgrond te vallen, maar me erin te storten.’ In plaats van me op de inhoud van de duizeling te richten, probeer ik daarom erachter te komen waardoor die veroorzaakt wordt. Het merendeel van de mensen ziet gewoon witte vlakken, zwarte strepen en wat kleurtjes, en het valt niet mee om uit te leggen waar de grootheid van Mondriaan in ligt.

Allereerst is er een groot verschil tussen de mokken en muismatten, al die cleane reproducties van Mondriaan, en de echte schilderijen. Niks wit, ik zie grijstonen. In het grote vlak in het midden zit een verloop, onderaan lijkt een schaduw zich te verstoppen achter de blauwe rand. Dat zie je niet op een poster. Het witte (vooruit) vlak dringt zich daardoor naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt.

Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen.

Dat Mondriaan dit bereikt door een geometrische compositie, en niet door een natuurgetrouwe voorstelling van een afgrond in de bergen (om maar wat te noemen), vind ik ronduit geniaal. De geometrie, de vorm, vlakken en primaire kleuren kunnen een zeer gevoelig, romantisch en existentieel effect teweegbrengen, een epifanie bijna. Dat is ook wat Mondriaan en zijn bentgenoten van De Stijl voor ogen stond.

De afgrond lonkt… ik stort me erin.

Techniek in de literatuur I

Vandaag deel 1 in een serie (een beetje ambitie kan nooit kwaad) over ‘techniek, nieuwe uitvindingen en hun weergave in de literatuur’. Prachtig vind ik dat: je leest een honderd jaar oud boek en opeens staat er een opmerking over zo’n merkwaardig ding als de telefoon, die het leven op zijn kop zet. Het gaat me niet om boeken waarin techniek een hoofdrol speelt, of waarin technici rondlopen. Ook interesseert de sciencefiction me niet, waarin wordt onderzocht hoe de techniek zich zou kunnen ontwikkelen. Het zijn de kleine passages (soms slechts zinnen) waarin normale mensen voor het eerst in aanraking komen met een nieuwe uitvinding, die ik wil uitlichten. Zaken die in de eenentwintigste eeuw volkomen vanzelfsprekend zijn, maar ooit een revolutie betekenden. Hoe ervaarden de mensen die noviteiten? Welke betekenis gaven ze eraan?

Die telefoon noemde ik niet voor niets. In De stille kracht van Louis Couperus staat precies zo’n passage die ik bedoel. Deze roman uit 1900 staat niet direct bekend als boek over moderne uitvindingen, de stille kracht uit de titel die de personages beheerst, is een eeuwenoud, mysterieus, bovennatuurlijk noodlot dat mens en natuur verbindt. Maar misschien is de botsing tussen die oeroude (Indische) kracht en de moderne (Westerse) mens wel het kernthema van Couperus’ meesterwerk. En kan de telefoon daar iets meer over laten horen.

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer te kleeden en het rijtuig – de wagen – te laten inspannen, want men cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de achtergalerij – luid op – de helft van een gesprek – het antwoord onhoorbaar voor wie er verder zaten – klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer.

Wanneer hebben we dit nog meer gehoord? Bij de opmars van de mobiel en het internet natuurlijk, die hoogstpersoonlijk elke persoonlijke communicatie de nek om zouden hebben gedraaid. Blijkbaar zijn zulke bezwaren al meer dan een eeuw oud.

Het opvallendste aan dit citaat is dat gezelligheid en intimiteit voor Eva samenhangen met jezelf mooi maken voor de ander. Telefoneren in je kamerjas is ordinair, een failliet van de beschaving. Bovendien hoeft men geen moeite meer te doen om elkaar te zien, men hoeft zich zelfs niet te bewegen.

Wat ook opvalt is een tegenstrijdigheid in deze aanklacht tegen de telefoon. Alle spontaniteit in de menselijke omgang is verdwenen, juist omdat je de deur niet meer uit hoeft voor een sociaal leven. Aan de andere kant bellen mensen elkaar op zonder daar een aanleiding voor te hebben, ‘alleen om het plezier te bellen’. Is dit niet veel spontaner dan je te moeten opdoffen, een rijtuig te moeten bestellen en een gespreksonderwerp te hebben, voordat je eens langsgaat bij je vrienden en kennissen?

Eva hoopt in Batavia de ‘ideale stad van beschaving’ te vinden, maar wat ze aantreft is een gemeenschap die gecorrumpeerd is door een teveel aan beschaving. De techniek, die een hoogtepunt is van de Westerse civilisatie, zorgt ervoor dat de mensen hun eigen, innerlijke beschaving kwijtraken (die voor haar uitgedrukt wordt in uiterlijk vertoon, dat wel). De stille kracht is vergeten.

Uiteindelijk heeft Eva ongelijk gekregen en is de telefoon juist een middel geworden om meer spontaan contact tussen mensen te bewerkstelligen. Zeker de mobiele telefoon. ‘Zeg, ik ben in de buurt, zal ik even langskomen,’ enzovoorts. En met de komst van de mobiel hoeven we ons ook geen zorgen te maken over de kamerjas: thuiszijn is geen voorwaarde meer voor bellen. Sterker nog, de telefoon is een accessoire om op straat mee te pronken. Maar of dat nou beschaafd is? Ik vraag me af hoe Eva het had uitgehouden tussen het aanhoudende getjingel en de halve gesprekken die je tegenwoordig overal en op elk moment hoort. Ik heb zo’n vermoeden dat ze zich versuft thuis zou opsluiten, voor eeuwig.

Lees De stille kracht van Louis Couperus helemaal online, bij de DBNL!

De Wandelaar

Je hebt dus honden- en kattenmensen, zegt men. Ik, met drie katten, hoor bij de laatste categorie. Ik geloof niet dat ze elkaar uitsluiten, die categorieën, er bestaan immers ook biseksuelen. Over konijnenmensen of koeienmensen hoor je nooit iemand. Wel over paardenmeisjes.

Sinds kort ben ik ook een beetje een hondenmens. Dat is te danken aan Adriaan van Dis en zijn boek De Wandelaar. Hierin leren we Mulder kennen, die min of meer toevallig hondeneigenaar wordt. Die hond maakt het boek tot een meesterwerk. Hoewel het verhaal vooral gaat over het uitschot van de hedendaagse maatschappij – zwervers, illegalen, kansloze jongeren in de Parijse banlieus – is die hond wat mij betreft de hoofdpersoon.

Nooit gedacht dat ik nog eens een boek van Van Dis een meesterwerk zou noemen. Nathan Sid vond ik zo ontzettend drie keer niks dat ik er boos van werd. Dubbelliefde is na honderd bladzijden uit zicht verdwenen. De Wandelaar is anders. Een zeer relevant boek. Waarom?

Meneer Mulder, een rijke nietsnut die zijn dagen slijt in Parijs, is op een avond getuige van een brand in zijn buurt. In het pand wonen tientallen illegalen, die sterven of vreselijke brandwonden oplopen. Een hond overleeft de brand, springt uit het raam en Mulders leven binnen. Hij zal de nietsnut confronteren met zichzelf en vooral met De Ander. (Toevallig las ik laatst ook het boekje De Ander van Ryszard Kapuscinski, maar dat laat ik buiten beschouwing.) Samen wandelen ze door de stad, langs al die anderen waar Mulder nooit oog voor had, mensen die leven in portieken, buiten de ring of in een bouwwerk van karton.

Het mooie is die hond. Vanaf het eerste moment horen ze bij elkaar, Mulder en de hond. Een hond is natuurlijk zoals elk dier een echte ander. Maar met deze Ander bouwt Mulder direct een diepgaande, veelbetekenende relatie op. Van Dis beschrijft de hond zoals ik mijn kat zou willen beschrijven: met heel veel liefde en met volledig begrip voor het feit dat die hond een Ander is. Mulder is niet de baas, want hond en man staan in een gelijkwaardige relatie tot elkaar. Die hond begrijpt namelijk ook dat de mens een Ander is (hij zegt het nog net niet hardop).

Waar Mulder in de loop van het boek moeite doet om de andere mensen te leren kennen en te zien, is de hond moeiteloos een deel van zijn bestaan geworden. De weerzin voor de stinkende en geamputeerde zwervers overwint hij nooit helemaal, maar de brandwonden van zijn hond verzorgt hij (ondanks zijn smetvrees) met liefde. Dat komt omdat hij het andere in dat beest accepteert. Het geheim van het dier.

Voor een betekenisvolle relatie met een ander is het noodzakelijk om het geheim van de ander, het wezenlijk onkenbare te accepteren. Dat is moeilijk, want we spiegelen iedereen aan onszelf. Pas als je doorhebt dat je zelf ook een geheim meedraagt dat onkenbaar is voor degene tegenover je, is de spiegeling reëel en kan er sprake zijn van een gelijkwaardige relatie. (Dit is een heel korte samenvatting van mijn scriptie over Kierkegaard.) Het geheim is zowel abstract als zeer concreet – ook de hond in De Wandelaar heeft een concreet geheim, dat ik niet zal verklappen. Het spreekt voor Van Dis dat hij deze ontknoping zeer terloops in de tekst opneemt, want anders werd het boek een simpele whodunnit.

Dieren zijn zo anders dat het veel makkelijker is om dat onkenbare te accepteren. Het tragische misverstand, dat opdoemt als je het andere in een mens niet ziet, krijgt geen kans (er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals de vrouw die een noodlottig misverstand met Bokito had). Kattenmensen roemen de poes altijd om haar mysterieuze houding, honden zijn vervelend omdat ze zich te veel identificeren met de baas. Honden kennen hun eigen geheim niet. Maar dan heb je de hond van Mulder nog niet ontmoet! Le chien en Mulder komen tegenover elkaar rond uit voor hun anderszijn, ze bewaren hun eigen geheim en elkaars geheim, waardoor ruimte ontstaat voor die prachtige relatie. Bijna werd ik toch nog boos op Van Dis, omdat hij die relatie laat aflopen.

Er is veel geschreven over De Wandelaar als actuele roman, waarin (eindelijk) stelling wordt genomen tegenover de problemen van deze tijd. Ik heb nog niets gelezen over de hond, die naamloos blijft maar die je zelf een naam zou willen geven omdat hij je zo dierbaar wordt. Ik heb nog nooit een boek gelezen waarin een dier zo ontroerend beschreven is, als personage van vlees en bloed, bijna menselijk te noemen, ware het niet dat juist het niet-menselijke, het volkomen andere dat personage zo mooi maakt. Juist via die hond ontdek je van alles over De Ander, en dus ook over de ander als mens.

Iedereen, honden-, katten- dan wel mensenmens, moet dit boek lezen. Kierkegaard mag ook.

Flirt met het concrete

Vandaag herlas ik de inleiding die ik schreef bij Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch. Elders op deze site is die geheel terug te lezen.

Daarom als illustratie hier een gedicht uit Memento, van Miron Bialoszewski.

Flirt met het concrete

plots
liefde
voor wie? wie?

de benen gebogen
omgekeerd knielend
beken ik het
de eerste
stoel
en er is ontroering
en samen buigen
en nu jij
o stoel
ik hou van je
stoel
ik hou van je
en dit is een tragische liefde
want daar is meteen
het loeren van het bedrogene al buiten de stoel
het zal uitkijken
mij ziengoed eruit zien
zich wreken

heb ik bedrogen? …?
ja:
buiten de stoel
wreekt zich – heeft uitgekeken
de bedrogen
rest van de wereld
die er mooi uitziet
er niet uitziet voor mij

Boy in Venice

Gisteren was ik een avondje alleen thuis. Een beetje moe en vastbesloten het rustig aan te doen, maakte ik van de gelegenheid gebruik een film te kijken waarvan ik vermoedde dat mijn vriend hem niet erg boeiend zou vinden: Death in Venice, de klassieker uit 1971 van Luchino Visconti, naar het boek van Thomas Mann uit 1912.

Het boek heb ik jaren geleden gelezen, en vermengt zich in mijn herinnering met De Toverberg. Iets met een ziekelijke man (Von Aschenbach) die urenlang met een deken over zijn benen op het strand zit te denken en naar die ene mooie jongen kijkt. Net als Hans Castorp in het sanatorium uit De Toverberg, die op zijn balkon in een soort slaapzak mijmert over de andere gasten, en dan vooral over de lijdelijk-mooie Claudia Chauchat.

En dan is er natuurlijk die ene mooie jongen – eigenlijk nog een jongetje – Tadzio, van wie ik een keer een foto zag op de cover van het boek The Beautiful Boy van Germaine Greer. Calvin Klein-model meets Jim Morrison, maar dan te jong om echt sexy te zijn, heel erg jaren zeventig en het onderwerp van de obsessie van een oude man. Björn Andresen, heet hij, en ik begrijp dat Visconti hem ‘the most beautiful boy in the world’ vond. Germaine Greer blijkbaar ook. Zoiets moet ik dan toch zien.

Zo saai en traag als het verhaaltje klinkt (hoewel De Toverberg niet in de laatste plaats een avonturenroman is met enkele onvergetelijk spannende cliffhangers), zo saai en traag vond ik het begin van de film. Steeds zien we een overzichtsshot, waarbinnen dan wordt ingezoomd. Het lijkt alsof in- en uitzoomen in 1971 maar op één snelheid kon. Ook is steeds de afstand die de camera overbrugt dezelfde. Op een zeker moment denk je ‘daar gáán we weer’ en kun je drie seconden lang een andere kant opkijken.

Maar opeens kreeg de film me in mijn greep. De blikken die Von Aschenbach en Tadzio uitwisselen, dat nauwelijks waarneembare glimlachje rond de jongensmond die het koude zweet doet uitbreken bij de cholerische oudere man, ze krijgen juist door die merkwaardige close-ups betrekking op jou en voor je het weet ben je als kijker zowel object als subject van de hunkering. Dat gaat zo subtiel dat ik niet eens merkte dat mijn ergernis omsloeg in fascinatie. Tadzio’s mondhoek die een millimeter krult, de manier waarop Von Aschenbach gelukzalig zijn wenkbrauwen optrekt, hoe hij zweeft tussen hoop en wanhoop, tussen gekte en zelfbeheersing, passie en rede: het zit allemaal in één complexe gezichtsuitdrukking besloten.

Veel gesproken wordt er in deze film niet, het gaat om het kijken, naar elkaar en naar de hemel, naar de opsmuk van de toeristen en de natte haren van jongens die uit de zee komen gestormd. Alles begint en eindigt met de ogen. En verdomd als het niet waar is: twee uur na het ergerlijke begin, wordt bij het overbekende einde mijn blik waterig en wazig. Net als die van Von Aschenbach, vlak voor hij in het aangezicht van zoveel schoonheid voor het laatst zijn ogen sluit. Van Björn Andresen is weinig meer vernomen. Hij blijft voor altijd the beautiful boy in de branding op het Lido.