Spin zonder web

Alsof een overijverige rat een kabel heeft doorgeknaagd: van het ene op het andere moment hebben we geen internet meer. Online heet onze provider, moderne ironie van het type hihaho. Zij probeerde ons nog in de categorie storing te stoppen, maar dit is geen storing, dit is een geheel geslaagde verdwijntruc.

Ik ben totaal ontheemd, ja, zeg maar gerust dat ik me offline voel. Om grip op de zaak te krijgen, en omdat ik opeens heel veel tijd over heb, probeerde ik te doorgronden waaruit die ontheemdheid eigenlijk bestaat. Natuurlijk, er zijn praktische bezwaren: mijn mail kan ik wel op mijn werk lezen, en ’s avonds op de iPhone, maar uitgebreid antwoorden wordt al lastig. De vacaturejacht is gestaakt. Mocht ik toch een vacature vinden, moet ik dan mijn sollicitatiebrief per post gaan versturen? Het idee alleen al! KinkFM luisteren? Helaas! Nieuwe muziek ontdekken? In de platenzaak kom ik al jaren niet meer. Rekeningen worden niet meer betaald. De lunchpauze wordt opgeofferd aan recensies uploaden voor 8WEEKLY. En al mijn weblogstukjes blijven in mijn hoofd zitten, overgeleverd aan het risico van vergetelheid. Ik hou me staande met de gedachte dat als iemand dit leest, dat betekent dat het leed geleden is en het leven weer zijn normale loop hervonden heeft.

Toch vind ik het ook een beetje onzin dat offline zijn me meteen een offlinene wezensgesteldheid geeft. Waar slaat dat op? Tien jaar geleden, dacht ik, was alles anders. Ja, en voor de uitvinding van de tv speelden de mensen elke avond Mens-erger-je-niet.

Tien jaar geleden had ik exact hetzelfde gevoel, alleen met een compleet andere aanleiding. Het gevoel deed zich voor op donderdag-, vrijdag- of zaterdagavond, als ik thuis voor de tv zat, zonder iemand om Mens-erger-je-niet mee te spelen. Het is het gevoel dat je er niet bij bent en dus van alles mist. Iedereen heeft de nacht van zijn leven en jij bent daarvan uitgesloten. Elk feest was in potentie de nacht van je leven. Als je thuisbleef, liep je misschien ook de liefde van je leven mis, met wie je die nacht van je leven ging beleven. Die ene keer dat jij thuisblijft, is net de keer waarop er iets gebeurt waarover nog jaren wordt nagepraat. Zal je altijd zien.

Zo is je offline voelen ook: er gebeurt van alles zonder jou. En blijkbaar gebeurt er inderdaad van alles zonder dat jij daarvoor nodig bent. Voor je het weet denk je: zonder dat jij daarbij wenselijk bent. Je hebt niets meer in de hand. Moderne tragiek van het type control-alt-delete.

Er bestaan twee uitgesleten formuleringen die me een vacature direct terzijde doen leggen. De eerste zegt dat je ‘geen 9-tot-5-mentaliteit’ mag hebben. Kop dicht en overwerken, betekent dat. De tweede is ‘spin in het web’ (vaak gevolgd door ‘creatieve duizendpoot’). Dat betekent dat je de hele dag aan het bellen bent en mensen moet vertellen dat ze hun deadline niet halen. Doe mij maar een ‘stoffige studeerkamermot’ maar dat wordt nooit gevraagd.

Nu weet ik dat ik wel een spin in me heb. Hij moest zijn web kwijtraken om dat in te zien. Op feesten vertakt het web en als je daar niet aan bijdraagt, eindig je misschien ergens bungelend aan een versleten ragje. En op internet zit iedereen altijd in het stralende middelpunt, als in een almaar uitdijend heelal zonder begin of einde. Behalve als je offline bent, dan zit je helemaal nergens. Je eindigt niet aan een ragje, je bestaat gewoon niet. Wat moet een spin zonder web? Hij zal niet meer kunnen eten.

De drang om er altijd bij te zijn en elk feest tot na sluitingstijd mee te maken, ben ik al een tijdje kwijt. Tien jaar later en ouder vertakt het web niet meer hoofdzakelijk op feesten, maar overal. Gelukkig. Het scheelt enorm in tijd die katerig in bed wordt doorgebracht. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit de drang kwijtraak om online te zijn. Dan kan ik net zo goed alsnog katerig onder de dekens kruipen. Wie dit leest, weet hoe het is afgelopen.

Werk aan de winkel III

Lunetten

Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar – bij wijze van spreken – zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een ‘ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak ‘m beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.

Werk aan de winkel II

Te veel keuzemogelijkheden en toch niet kunnen kiezen – het is een makke van onze tijd. Hoe kies je tussen een Bed & Breakfast beginnen, met dolfijnen zwemmen en zielige zwerfkatten redden? Voor je het weet twijfel je zo lang dat je helemaal niets meer doet.

Verdrinken in keuzes is een overblijfsel van de jaren negentig, toen alles kon en alles mocht. Dave Eggers schreef dé roman over hoe het was om toen op te groeien, in een tijd zonder oorlog, zonder grenzen aan de vrijheid en met veel geld voor iedereen: A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Gelukkig voor hem is het ook echt een geniaal boek, hartverscheurend ook (huilen bij de laatste bladzij) en tegelijk volstrekt buitensporig, overvloedig, sentimenteel en getuigend van grote verwaandheid.

Onze ouders hadden de Koude Oorlog nog, schrijft hij, wij hebben alleen vrede. Saai! We hebben niets om tegen te zijn, zelfs je vader en moeder zijn je beste vrienden. Zij hebben al alles gedaan wat god verboden heeft, wat zet je daar tegenover? Alles kan en alles mag. Niets moet dus niets gebeurt. Als allebei je ouders vlak na elkaar overlijden, zoals de hoofdpersoon overkomt, is de wereld zelfs haar allerlaatste grenzen kwijtgeraakt. Dave geeft zich uit pure ellende maar op voor The Real World van MTV, begint een tijdschrift, reist van hot naar her.

In een volgend, beduidend minder geniaal boek, You Shall Know Our Velocity, promoveert Eggers dat laatste tot hoofdthema. Een jongen verdient met iets onbeduidends zeer veel geld: zijn silhouet staat op elke gloeilamp die in Amerika over de toonbank gaat. Wat te doen met al dat geld? En met alle tijd? Hij gaat op reis om zijn geld uit te delen aan mensen die het harder nodig hebben dan hij. Overal waar hij komt denkt hij: dit had ook mijn leven kunnen zijn, sterker nog, het kan mijn leven worden. Ik kan in Afrika een surfschool beginnen, ik kan in Letland Rus worden, met dolfijnen zwemmen, een Bed & Breakfast, zwerfkatten… And in the end nothing happens.

Tijden veranderen, en zoals de jaren negentig is het allang niet meer. Rookverbod, identificatieplicht. Oorlogen genoeg, met bijbehorende slechteriken van Bin Laden tot Bush om fel tegen te zijn, en soms lekkere werkloosheidscijfers (zoals in 2002 toen ik afstudeerde) of een kredietcrisis. Crisis is een woord dat elk journaal wel valt. Dat noopt tot keuzes. En toch… in de literatuur blijven er genoeg twijfelaars rondlopen. Indecision was de titel van het debuut van Benjamin Kunkel uit 2005. Goed besproken, maar naar mijn mening even vervelend als de titel doet vermoeden. Reizen, drugs gebruiken, rondhangen, af en toe een date en zeuren over het systeem, inmiddels weten we het wel.

Ik hoor in mijn hoofd weer die mantra die overal op van toepassing lijkt: aanstotelijk echter is al het waarlijk productieve… Niet verdrinken, maar in het diepe springen, je in de afgrond storten, in plaats van erin te vallen. Misschien ga ik toch zielige zwerfkatjes redden. Het meest aanstootgevende dat ik deze week gezien heb, was namelijk kleine Jip.

Steun de Dierenbescherming voor Jip en andere zielige dieren.

Werk aan de winkel I

24 % van de ambtenaren schijnt na de vakantie op zoek te gaan naar een nieuwe baan. En de rest heeft aan het zwembad wel een keer een dagdroom: ah, een Bed & Breakfast beginnen, zwemmen met dolfijnen of zielige zwerfkatten opvangen. Of op z’n minst: zou ik niet voor mezelf moeten beginnen – vrijheid ah, de vrijheid!

Ik denk zulke dingen ook op vakantie (vooral van die zielige zwerfkatjes). Ik heb alleen net iets meer reden voor zulke gedachten, want ik zit op een tijdelijk contractje. Bij mij dus geen dagdromen maar bittere noodzaak. Met de kerst moet ik een nieuwe baan, anders wacht de onvrijheid van de – getsie – werkzoekende.

Een goedbedoeld advies dat mensen mij vaak en graag geven: nu kan je wel fîjn erachter komen wat je écht wil. Los van het feit dat zij ervan uitgaan dat ik dat niet weet, vind ik dit een zeer nutteloos advies als het gaat om het vinden van werk. Het doet me denken aan een gesprek dat ik een keer had met een studiegenoot. We stonden met zo’n honderd man in de bus van de campus in Nijmegen naar het station. ‘Keuzevrijheid is de grootste leugen van de westerse maatschappij!’ riep ik, met rollende r’en en grommende g’s. ‘Weet je eindelijk wat je wil, zit er nog niemand op je te wachten!’ Ha, het werkte, mensen voelden zich aangesproken.

Toen schrok ik. Mijn studiegenoot had in Afrika gewoond en iets met ontwikkelingssamenwerking gedaan. Hij ging me vast wijzen op de penibele situatie van vele Afrikanen die niet eens hun avondeten kunnen kiezen. Ik begon me al te schamen toen hij lachend zei: ‘Ja in Afrika is er hoe dan ook geen werk, dus als je besluit dat je onder een boom wil zitten en het fruit verkopen dat eruit valt, dan doe je dat gewoon. Geen regeltjes of belastingformulieren.’ Een verfrissend inzicht.

Als mensen me aankijken alsof ze zelf een hartverzakking krijgen van het idee dat ik misschien met de kerst geen werk heb zeg ik gewoon: ‘Je gaat er niet dood aan.’ Soms herhaal ik met nadruk: ‘Ik ga er niet dood aan.’ In Afrika ga je er dood aan, in Nederland niet. Daar schrikken mensen van. Toegegeven, mijn motto is niet fijnzinnig of genuanceerd. Maar ik bedoel precies dát: je gaat er niet dood aan als je even geen werk hebt, of als iemand je verlaat of als of als. Je kunt wel zo in de put komen dat je denkt dat je beter dood kon zijn, maar dat is iets anders.

Toch gaat ‘je gaat er niet dood aan’ niet altijd op. Als mensen doodgaan, bijvoorbeeld. Dan zul je een genuanceerder motto moeten hanteren, dat niet uitgaat van het negatieve, maar van het positieve. Voor mij is dat: je hebt altijd een keus. Maar dan ook altijd. Natuurlijk kun je er niet voor kiezen dat iemand niet doodgaat, net zo min als dat je contract toch niet afloopt. Je hebt misschien wel niets te kiezen, behalve dat je toch elke dag om half acht opstaat. Nou, dat is dan een keus. Zodra je iets kiest, heb je weer controle over een deel van je leven, hoe klein het ook is. Zodra je kiest, word je wie je bent. Bij mij werkt dat.

Motto 2 heb ik geleend van Sartre, en vervolgens naar eigen inzicht aangepast. Hij is bespuugd (in elk geval figuurlijk) vanwege zijn uitspraak dat zelfs mensen in concentratiekampen een keus hadden. Hoe ga je eraan? Met opgeheven hoofd of niet? Hoe eng zo’n uitspraak ook is, er zit een waarheid in. Hij is eng omdat het eerste motto niet meer van toepassing is, en de meeste mensen vinden dat al luguber genoeg.

Laat de morbiditeit je niet misleiden. Ik ben een optimist. Als ik zeg dat ik er niet dood aan ga, dan is dat vrolijk bedoeld. En mijn keuze is altijd eerst en voor al: het leven.

Nu heb ik nog niets gezegd van wat ik wilde zeggen. Wordt vervolgd…

Kwintet of sextet… septet

Cicero, de boekenbijlage van de Volkskrant, is na de zomerstop begonnen met een nieuwe reeks, getiteld ‘Het Kwintet’. Bekende schrijvers maken een lijstje van vijf boeken, plus toelichting. Het criterium: ‘Welke vijf boeken maakten een onuitwisbare indruk, bewerkstelligden revoluties in het hoofd of verdienen het domweg om te worden aanbevolen?’ Beetje flauw, dat laatste, want het doet af aan die mooie revolutie in het hoofd. Een revolutie in het hoofd: daar had Bieri het ook over voor hij zo onwrikbaar bleek als een absolute monarch.

Voorlopig zal de Volkskrant het mij niet vragen, dus dan zet ik mijn kwintet hier maar neer. Al moet erbij vermeld worden dat lijstjes niet vaker dan zeer zelden op een weblog moeten verschijnen. Een ieder is natuurlijk uitgenodigd om niet op een journalist van de Volkskrant te blijven wachten, maar hieronder ook schaamteloos zijn bijdrage te leveren.

Oké, daar gaan we, in chronologische volgorde:

0. De dolle tweeling-reeks van Enid Blyton.
Kijk, hier beginnen de problemen. Zou ik De dolle tweeling aan iemand anders aanraden dan mijn overbuurmeisje? Nee. Maar die boeken bewerkstelligden een revolutie in mijn hoofd. Nachtelijke feestjes, poetsen bakken bij mam’selle, uitzieken op de zaal bij matrone, lacrosse spelen en elk jaar een langere rok dragen: ik kan die boekjes nog woordelijk uitspellen. Ik wás Pat en Ann, en ondeugende Janet, lieve Hillary en norse Prudence. Een veilig bad vanwaaruit het avontuur op je lag te wachten.

Oké, ik begin opnieuw:

1. De verhalen van Edgar Allan Poe.
Op een zeker moment blijkt dat veilige bad zo lek als een mandje. Eigenlijk is het onbegrijpelijke, halfdode, op het punt van instorten verkerende veel mooier! Denk maar aan ruïnes.

2. Essays van Montaigne.
Nog steeds een torenhoog voorbeeld van hoe je al schrijvende je eigen leventje kunt inzetten in een filosofische onderzoeking. En wie verwacht nou dat een Franse burgemeester uit de zestiende eeuw zo grappig kan zijn, zonder iets aan eruditie en zeggingskracht in te leveren?

3. Iets van Derrida.
Ik geef meteen toe: ik heb nog nooit een heel boek van Derrida gelezen. Die paar korte stukken waren echter voldoende om een jaar lang in louter tekst te leven, in een platte werkelijkheid waar alles naar alles verwijst, zonder beperking, zonder dogma. Nog een voorgoed gestanst streven: hoe hij een tekst fileert tot op de milimeter en die tegelijk in een associatieve context zet die mijlen breed is, dat wil ik ook.

4. Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust.
Dit boek heeft letterlijk mijn leven veranderd. Ik las het, de dingen vielen op zijn plek en ik ben nooit meer dezelfde geweest. Zou dat ook een tweede keer kunnen gebeuren? Proust heeft een blauwdruk geschreven, zoniet van de menselijke emoties, dan toch van de mijne. Daarbij verwoordt hij waarom de mens leest en schrijft, en de absolute noodzaak daarvan. Hoe hij de schaamte overwint om een schrijvende staat van oprechtheid te bereiken: zo moet dat dus. Verbloem ik de zaken omdat ik me schaam voor mezelf? Gebruik ik ingesleten woorden om te verhullen wat ik eigenlijk wil zeggen? Het antwoord is altijd ‘ja’, Proust dwingt je zo ver te gaan dat het in de buurt van een ‘nee’ komt.

5. De Asielzoeker van Arnon Grunberg.
Deze roman las ik drie maanden na de dood van mijn vader en vier maanden na het verbreken van een lange relatie en heeft me als een soort Baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras getrokken. Dat is pijnlijk. Maar het kan dus. Vreemd dat anderen bij dit boek alleen maar smakelijk hebben moeten lachen terwijl ik heb gehuild als een wolf bij volle maan.

Sorry… 6. Het zijn en het niet van Jean-Paul Sartre moet er ook echt bij… Je hebt altijd een keus, ik kies ervoor om van mijn kwintet een sextet te maken… of is het al een septet…

Overigens voerde Boeken van NRC Handelsblad ooit de reeks ‘Het beslissende boek van…’ Als ik er uit mijn sextet / septet één moet kiezen als beslissendste boek, dan is het Proust. P.F. Thomèse, de eerste die zijn kwintet mag toelichten in de Volkskrant van vorige week, noemt ook Proust – Contre Sainte-Beuve. Binnenkort meen ik in vertaling beschikbaar.

Lees hier over ‘Het beslissende boek van…’ mijn vader Gerard Rasch.

En lees hier een mooi interview met Atte Jongstra, die naast Augustinus de Privé heeft liggen. Over Bildung gesproken.

Wie volgt?

Bericht van het intellectuelenfront

Wat is er zo leuk aan lezen? Een vraag die me vaak gesteld is en waar ik dan altijd een beetje stuntelend op antwoord. Stuntelend, omdat ik niet zo goed durf uit te spreken wat ik eigenlijk denk (namelijk dat lezers betere – ja u leest het goed – mensen zijn). Heb ik het toch gezegd, al is het dan tussen haakjes.

Ik raakte dan ook helemaal opgetogen van een artikel van Peter Bieri, waarin hij net iets eloquenter uitlegt waar het om draait. Sowieso is het fijn om jezelf te herkennen in de beschrijving van een ideaalbeeld. Al essayerend (zoekend) probeert hij een definitie van Bildung te vinden. Lezen blijkt voor deze vorm van zelfontwikkeling onontbeerlijk, maar wel een speciaal soort lezen. Nog zo’n vervelende vraag: waarom lees je van die hoogdravende boeken, zijn thrillers soms niet goed genoeg? (Eh, nee?!)

Peter Bieri is in Nederland trouwens bekender onder zijn schrijverspseudoniem Pascal Mercier. Zijn roman Nachttrein naar Lissabon is een terechte bestseller, hoewel het in veel opzichten een hopeloos ouderwets boek is, over een hopeloos ouderwetse leraar klassieke talen. Tot in de kleinste details ademt de roman dat ouderwetse gevoel uit. Als de hoofdpersoon een taalcursus Portugees koopt, blijkt hij thuis te komen met platen – van die grote zwarte lp’s bedoel ik. Even dacht ik alles verkeerd te hebben begrepen, maar het verhaal speelt toch echt rond de eeuwwisseling. Twintigste naar eenentwintigste dan. Aan dit omgekeerde anachronisme wordt geen woord vuil gemaakt, het is gewoon een fout, een vergissing van de schrijver. Maar een heel tekenende, die Peter Bieri ongewild in zijn artikel zal verduidelijken.

De ontwikkelde mens – nee: de zich ontwikkelende mens, want Bildung houdt nooit op – is iemand die zich door boeken laat veranderen, betoogt Bieri. Dát is het antwoord! Dáárom zijn lezers beter! Dáárom zijn thrillers slechter! (De bescherming van de haakjes heb ik niet meer nodig.) Hij leest niet voor het vermaak of alleen om kennis te vergaren, maar ook om zichzelf te toetsen. In het volle bewustzijn van de kans dat het boek dat zelf overhoop zal halen.

Ik hoor het al: dat kunnen Hollywoodfilms toch ook, of cafédiscussies, of drugs. Misschien. Maar je moet als ‘ontvanger’ stevig in je schoenen staan om er iets wezenlijks uit te halen waar je jaren later nog aan terugdenkt als een vormend moment. Bildung krijg je door alles in dienst te stellen van de mogelijkheid tot geestelijke transformatie. Drugs en B-films kunnen die geven, een paar keer, maar raken dan uitgeput. Boeken raken nooit uitgeput. Elk boek geeft weer een volledig nieuwe en unieke opening. In die zin zijn ze een makkelijk handvat om je te ontwikkelen.

Dit is een van mijn overtuigingen. Een andere overtuiging is dat de mens niet ontwikkeld is als hij geen kennis neemt van wat de wereld hem nog meer te bieden heeft. Hoe kun je je een beeld vormen van ‘de mens’ en ‘de maatschappij’ als je nooit wegzwijmelt bij RTL Boulevard of (als vrouw) de FHM inkijkt? Hoe kun je op een rationele manier over genot en het lichaam praten als je nooit uit je dak bent gegaan op scheurende beukmuziek, al dan niet met een pil in je mik? Feit blijft dat al die ervaringen elk voor zich niet iets wezenlijks veranderen, maar zich eerder opstapelen en hoogstens met z’n allen iets betekenen. Terwijl boeken… nou ja, vul zelf maar in. Lijkt mij dat Bieri, die voor de definitie van Bildung ook schrijft over tolerantie, openheid, nieuwsgierigheid, inlevingsvermogen, het hiermee eens is.

Helaas. Bieri trapt in de intellectuelenval. Hij is een typisch voorbeeld van een ivorentorenbewoner die naar beneden kijkt en meent dat alles daar vuig en voos is, terwijl hij gewoon een nieuwe bril nodig heeft (mensen die Nachttrein naar Lissabon hebben gelezen, begrijpen wat ik bedoel). Dit is de eenentwintigste eeuw! Opeens staan die lp’s van de taalcursus in een heel ander licht. Zou zelfs de cd tot de verderfelijke buitenwereld behoren, omdat de Grote Denkers die niet hebben kunnen aanschouwen? En wat dan met, genade genade, de empeedrie?

Bieri eindigt zijn stuk met de meest conservatieve, zielige, onontwikkelde alinea die ik dit jaar heb gelezen. ‘Überhaupt is de ontwikkelde mens iemand die zich ergert aan bepaalde dingen: aan de leugenachtigheid van de reclame en de verkiezingstaal; aan platitudes, clichés en alle vormen van onoprechtheid; aan de eufemismen en cynische informatiepolitiek van het leger; aan alle vormen van dikdoenerij en meeloperij, zoals je ze ook tegenkomt in de kranten van de burgerij die zichzelf beschouwen als plaatsen van beschaving. De gebildete mens ziet elke kleinigheid als voorbeeld van een groot kwaad.’

Gatsiedakkie. Bieri transformeert binnen het bestek van zijn artikel van ontwikkeld tot onontwikkeld. Ik proef kleinzieligheid die doet denken aan de LPF. Mijn grootste ergernis zijn wel mensen die zich aan alles ergeren wat niet in hun straatje past. Mensen die van een mug een olifant maken, die bij elke platvoerse uiting van de massa meteen het kwaad, oeps ‘Een Groot Kwaad’ erbij moeten halen. Die denken dat je ergeren een teken van intelligentie is. ‘Er bestaat, hoe paradoxaal het ook klinkt, een onontwikkelde geleerde,’ schrijft Bieri. Een ieder die zijn artikel uit heeft, zal hem op zijn woord geloven. Ik ben blij dat RTL Boulevard weer begonnen is. Lekker herkenbaar. Laat Bieri maar in zijn ivoren toren met lp’s spelen.

PS: Nachttrein naar Lissabon blijft een geweldig boek.

De ruïne in de stad

De sloop van Muziekcentrum Vredenburg is nu echt begonnen. Elke keer als ik naar de stad ga is een ander fietspad afgesloten en dat blijft de komende vijf jaar nog wel zo. Vandaag fietste ik aan de overkant langs de lange wand die de sloopwerkzaamheden aan het oog moet onttrekken. Toch zie je het half afgebroken gebouw erboven uitsteken. Op de voorgrond staat iets wat lijkt op een oude stadsmuur.

Jammer genoeg is er geen plek waar je de aftakeling goed kunt bekijken. Ik vind dat namelijk prachtig. Jaren geleden was het de beurt aan het stadhuis van Utrecht. Op de Ganzenmarkt kon je van dichtbij elke fase meemaken. Daar stonden dan ook vaak een stuk of vijf oude mannetjes met de handen in de zakken, of gewoon gemakkelijk zittend op het plankje van hun rollator de hele dag te kijken. Soms stond ik daartussen. Maar vooral na het uitgaan, als de ochtend begon te schemeren en er niemand op straat was en het werk stillag, ging ik daar graag even de ruïne in me opnemen.

Niet iedereen vind dat mooi. Maar ik sta zeker niet alleen. Eeuwen geleden zetten mensen nieuw gemaakte ruïnes in hun tuin en nog steeds zijn overwoekerde, afbrokkelende gebouwen toeristische trekpleisters. Moderne sloop hoort in dat rijtje thuis.

Wat is de aantrekkingskracht van de bouwput? Of liever, de sloopput? Er zijn meerdere dingen in het spel. Ten eerste is er de reden waarom gepensioneerde mannetjes urenlang ernaar kunnen kijken: dat is een soort technische bewondering. Opeens zie je hoe zo’n gebouw in elkaar zit, hoe dik de muren zijn, dat gevlochten staalkabels het beton bij elkaar houden, waar de leidingen lopen en hoe fundamenten eigenlijk werken. Er is ook zoveel om naar te kijken, het is onaf en je ogen dwalen heen en weer. En dan verandert het ook nog met elke werkdag. Een af gebouw is gesloten, geeft zijn geheimen niet prijs. Daar ben je snel klaar mee. Een gebouw dat gesloopt wordt, is letterlijk opengebroken en laat zijn binnenste zien, nog binnender dan binnenskamers. Daar ben je nooit klaar mee.

Dat brengt de sloopliefhebber weer een stapje verder. Zo’n gebouw waar de voorkant vanaf getrokken is, geeft je de kans om te gluren. Daar houden we immers allemaal van. Kleedkamers van sterren zijn toegankelijk, de kamer van de burgemeester heeft geen deur meer. Soms hangt er hier en daar nog iets aan de muur, of er staat een plantje te verpieteren. Je kijkt niet alleen maar naar een gebouw, maar in een geleefde ruimte.

Inmiddels heeft het gebouw al bijna een persoonlijkheid gekregen. Dan is het einde zoek, het gevoel gaat meedoen. Opeens zie je een gebouw dat niet afgetakeld wordt, maar dat aftakelt. Het heeft de strijd opgegeven. Het gaat eraan. Je kijkt, met je handen diep in je zakken, tussen de oude knarren, de vergankelijkheid in het gezicht. Grote gebouwen als het stadhuis en het Muziekcentrum verliezen hun onaantastbaarheid. Het zijn gebouwen die jou hadden kunnen overleven. Het is ze niet vergund.

Net als bij de romantische namaakruïnes uit de achttiende eeuw komt het genoegen van de sloop neer op een heerlijk melancholisch gevoel. Een veilig memento mori, waar je op een afstandje naar kan kijken. Het begint echter met de bewondering voor vorm en techniek, dat hebben die opa’s goed gezien.

Het stadhuis is uiteindelijk een prachtig gebouw geworden waar ik nog steeds met veel genoegen naar kijk, niet melancholisch maar opgetogen. Laten we hopen dat dat ook voor het nieuwe Muziekpaleis gaat gelden.

Techniek in de literatuur IV

De telefoon

In deze onbegrijpelijke, griezelige wereld
staat gij, middernachtelijke vriend van begrafenissen,
in de hoge, strenge werkkamer
van de zelfmoordenaar, o telefoon!

De zwarte asfaltmeren zijn doorwoeld door de razerbij der hoeven,
en spoedig komt de zon: spoedig kraait de ontzinde haan.

Maar ginds is het eikenhouten Walhalla
en een oude droom van feestgelagen.
Het lot gebood, de nacht overwoog,
toen de telefoon ontwaakte.

De zwarte portières hebben alle lucht opgedronken,
op het theaterplein is het donker.
Belgerinkel – en de sferen zijn gaan draaien:
de zelfmoord is beslist.

Waarheen kun je vluchten voor het rumoerige leven,
waar is een uitweg uit dit leven van steen?
Zwijg, vervloekte doos!
Op de zeebodem bloeit: vaarwel!

Osip Mandelstam (1891-1938)

Uit Wie een hoefijzer vindt en andere gedichten, vertaald uit het Russisch door Kees Verheul, Van Oorschot Amsterdam, 1974.

Idols voor schrijvers

contact_contract

Op het hoogtepunt van de eerste editie van Idols, vijf jaar geleden, dacht ik na over wat Idols zou zijn als er geen aspirant-zangers maar -schrijvers op de stip zouden staan.

Toen van de week op 1Vandaag een item werd uitgezonden over ‘De Idols voor schrijvers’ riep ik dan ook ‘ja wel verdomme dat was mijn idee’ en ‘dieven’! Het bleek te gaan over de wedstrijd waarin je een contract bij uitgeverij Contact kunt winnen. Waar ik ook iets voor in heb gestuurd. Zeer nieuwsgierig was ik, naar hen die mij verslagen hebben. ‘De Idols voor schrijvers’ is een benaming van 1Vandaag, en dat wekte bij mij nog hogere verwachtingen. Of je Jamai nu een Idol vindt of niet, de opzet van het programma heb ik altijd boeiend gevonden. Ik heb zelfs wel eens een presentatie gehouden over de narratieve weergave van het leven zoals dat in Idols naar voren komt.

Zelf had ik toentertijd een lijstje gemaakt met eigenschappen van een schrijf-Idol. In niet geheel willekeurige volgorde moet hij of zij:
– Goed kunnen schrijven! Roman, gedicht of kort verhaal, dat maakt niet uit.
– Een uitgesproken mening hebben over wat de Idol zelf schrijft, over wat anderen schrijven en over cultuur in het algemeen.
– Deze mening niet onder stoelen of banken steken, maar wel op zo’n manier dat iedereen verbluft is door de belezenheid en retorische vermogens van de Idol.
– In het algemeen blijk geven van hoge intelligentie en goed zijn in discussiëren. Gebruik van oneigenlijke argumenten is, hoe vervelend ook, toegestaan.
– Tegenstanders onder de tafel kunnen drinken en tegelijkertijd bovenstaande eigenschappen nog steeds tentoonspreiden. Over het algemeen is een aanleg tot verslaving niet weg.
– Er goed uit zien. Leeftijd onbelangrijk.

Over deze laatste voorwaarde valt te onderhandelen, in tegenstelling tot de Idols die we al van tv kennen. Beter gezegd: als de schrijver-Idol niet gewoon een lekker ding is, moet hij of zij een fascinerend, eigenzinnig uiterlijk hebben. Ouwe kleren, muffe luchtjes, ongewassen haren: mag allemaal. Zolang dat excentrieke er maar een beetje in zit.

Terug naar 1Vandaag. Niks Idols voor schrijvers. Deze mensen werden (schande!) alleen maar beoordeeld op hun ingestuurde tekst. Ze hoefden hun mond niet open te doen. Zelfs een foto hoefde er niet bij. Twee genomineerden waren uitverkoren voor een interview. Een meisje dat wel heel slim was (gepromoveerd in de neurologie), maar die ik nog niet opgewassen zag zijn tegen Matthijs van Nieuwkerk. En een jongen die aan meerdere voorwaarden voldeed (inclusief kettingroken en kroegtijgeren). Maar hij haalde de volgende ronde niet.

Ik besloot niet op te geven. Ik zie het als mijn plicht om mee te stemmen in een wedstrijd die ik niet alleen zelf óók heb bedacht, maar waaraan ik ook mee heb gedaan. Zoals dat heet: ‘Nu is het de beurt aan het publiek om zijn stem te laten horen!’ En het is inmiddels bekend dat ik nieuwe talenten wil ontdekken. Ik heb dus de drie verhalen gelezen.

De ene gaat over geesten, de andere heeft in elke zin zo’n leuk gek Vlaams woord, de derde deed iets met incest. Best aardig hoor, maar ik denk niet dat de roman van de winnaar al bij voorbaat op nummer 1 in de hitlijsten zal binnenkomen, zoals bij Idols het geval is. Daar gaat het om: van wie wil je een heel boek lezen, wie gun je dat contract? Ik besluit ook het verhaal van de kettingrokende kroegtijger te lezen, voor het geval dat. Er staan meerdere d/t-fouten in. Het is best saai.

Ik denk dat ik stem op de geesten van de hersenonderzoeker. Of mag ik ook blanco stemmen?

PS: Dit moet me, als ik even mag zeuren, wel van het hart. De wedstrijd is opgezet als publiciteitsgeil (niet echt iets van gemerkt overigens). Een van de voorwaarden was dat alle halve finalisten een weblog moesten bijhouden. Dan kun je als jury niet publiekelijk verhalen afkeuren met de woorden ‘dit lijkt me een uitwas van de weblog-cultuur’.

Techniek in de literatuur III

Tsjechovs Witte Villa is geopend van wo t/m zo tussen 10 en 17 uur.

In dit huis heeft Anton gewerkt aan zijn mooiste stukken, aan De Kersentuin, aan Drie Zusters. In Tsjechovs slaapkamer ligt op het bed een laken waarop in rode sierletters de initialen A.T. zijn geborduurd. Pronkstuk van de villa is de oude Ericsson-telefoon, waarmee Tsjechov meer dan een eeuw geleden gesprekken voerde met zijn collega’s in Moskou, en volgens de rondleidster ook met Tolstoj.

(uit de Volkskrant, 15 juli 2008)

Tsjechov en Tolstoj, met elkaar babbelend in hun Ericsson, door duizenden kilometers van elkaar gescheiden…