Techniek in de literatuur I

Vandaag deel 1 in een serie (een beetje ambitie kan nooit kwaad) over ‘techniek, nieuwe uitvindingen en hun weergave in de literatuur’. Prachtig vind ik dat: je leest een honderd jaar oud boek en opeens staat er een opmerking over zo’n merkwaardig ding als de telefoon, die het leven op zijn kop zet. Het gaat me niet om boeken waarin techniek een hoofdrol speelt, of waarin technici rondlopen. Ook interesseert de sciencefiction me niet, waarin wordt onderzocht hoe de techniek zich zou kunnen ontwikkelen. Het zijn de kleine passages (soms slechts zinnen) waarin normale mensen voor het eerst in aanraking komen met een nieuwe uitvinding, die ik wil uitlichten. Zaken die in de eenentwintigste eeuw volkomen vanzelfsprekend zijn, maar ooit een revolutie betekenden. Hoe ervaarden de mensen die noviteiten? Welke betekenis gaven ze eraan?

Die telefoon noemde ik niet voor niets. In De stille kracht van Louis Couperus staat precies zo’n passage die ik bedoel. Deze roman uit 1900 staat niet direct bekend als boek over moderne uitvindingen, de stille kracht uit de titel die de personages beheerst, is een eeuwenoud, mysterieus, bovennatuurlijk noodlot dat mens en natuur verbindt. Maar misschien is de botsing tussen die oeroude (Indische) kracht en de moderne (Westerse) mens wel het kernthema van Couperus’ meesterwerk. En kan de telefoon daar iets meer over laten horen.

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer te kleeden en het rijtuig – de wagen – te laten inspannen, want men cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de achtergalerij – luid op – de helft van een gesprek – het antwoord onhoorbaar voor wie er verder zaten – klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer.

Wanneer hebben we dit nog meer gehoord? Bij de opmars van de mobiel en het internet natuurlijk, die hoogstpersoonlijk elke persoonlijke communicatie de nek om zouden hebben gedraaid. Blijkbaar zijn zulke bezwaren al meer dan een eeuw oud.

Het opvallendste aan dit citaat is dat gezelligheid en intimiteit voor Eva samenhangen met jezelf mooi maken voor de ander. Telefoneren in je kamerjas is ordinair, een failliet van de beschaving. Bovendien hoeft men geen moeite meer te doen om elkaar te zien, men hoeft zich zelfs niet te bewegen.

Wat ook opvalt is een tegenstrijdigheid in deze aanklacht tegen de telefoon. Alle spontaniteit in de menselijke omgang is verdwenen, juist omdat je de deur niet meer uit hoeft voor een sociaal leven. Aan de andere kant bellen mensen elkaar op zonder daar een aanleiding voor te hebben, ‘alleen om het plezier te bellen’. Is dit niet veel spontaner dan je te moeten opdoffen, een rijtuig te moeten bestellen en een gespreksonderwerp te hebben, voordat je eens langsgaat bij je vrienden en kennissen?

Eva hoopt in Batavia de ‘ideale stad van beschaving’ te vinden, maar wat ze aantreft is een gemeenschap die gecorrumpeerd is door een teveel aan beschaving. De techniek, die een hoogtepunt is van de Westerse civilisatie, zorgt ervoor dat de mensen hun eigen, innerlijke beschaving kwijtraken (die voor haar uitgedrukt wordt in uiterlijk vertoon, dat wel). De stille kracht is vergeten.

Uiteindelijk heeft Eva ongelijk gekregen en is de telefoon juist een middel geworden om meer spontaan contact tussen mensen te bewerkstelligen. Zeker de mobiele telefoon. ‘Zeg, ik ben in de buurt, zal ik even langskomen,’ enzovoorts. En met de komst van de mobiel hoeven we ons ook geen zorgen te maken over de kamerjas: thuiszijn is geen voorwaarde meer voor bellen. Sterker nog, de telefoon is een accessoire om op straat mee te pronken. Maar of dat nou beschaafd is? Ik vraag me af hoe Eva het had uitgehouden tussen het aanhoudende getjingel en de halve gesprekken die je tegenwoordig overal en op elk moment hoort. Ik heb zo’n vermoeden dat ze zich versuft thuis zou opsluiten, voor eeuwig.

Lees De stille kracht van Louis Couperus helemaal online, bij de DBNL!

De Wandelaar

Je hebt dus honden- en kattenmensen, zegt men. Ik, met drie katten, hoor bij de laatste categorie. Ik geloof niet dat ze elkaar uitsluiten, die categorieën, er bestaan immers ook biseksuelen. Over konijnenmensen of koeienmensen hoor je nooit iemand. Wel over paardenmeisjes.

Sinds kort ben ik ook een beetje een hondenmens. Dat is te danken aan Adriaan van Dis en zijn boek De Wandelaar. Hierin leren we Mulder kennen, die min of meer toevallig hondeneigenaar wordt. Die hond maakt het boek tot een meesterwerk. Hoewel het verhaal vooral gaat over het uitschot van de hedendaagse maatschappij – zwervers, illegalen, kansloze jongeren in de Parijse banlieus – is die hond wat mij betreft de hoofdpersoon.

Nooit gedacht dat ik nog eens een boek van Van Dis een meesterwerk zou noemen. Nathan Sid vond ik zo ontzettend drie keer niks dat ik er boos van werd. Dubbelliefde is na honderd bladzijden uit zicht verdwenen. De Wandelaar is anders. Een zeer relevant boek. Waarom?

Meneer Mulder, een rijke nietsnut die zijn dagen slijt in Parijs, is op een avond getuige van een brand in zijn buurt. In het pand wonen tientallen illegalen, die sterven of vreselijke brandwonden oplopen. Een hond overleeft de brand, springt uit het raam en Mulders leven binnen. Hij zal de nietsnut confronteren met zichzelf en vooral met De Ander. (Toevallig las ik laatst ook het boekje De Ander van Ryszard Kapuscinski, maar dat laat ik buiten beschouwing.) Samen wandelen ze door de stad, langs al die anderen waar Mulder nooit oog voor had, mensen die leven in portieken, buiten de ring of in een bouwwerk van karton.

Het mooie is die hond. Vanaf het eerste moment horen ze bij elkaar, Mulder en de hond. Een hond is natuurlijk zoals elk dier een echte ander. Maar met deze Ander bouwt Mulder direct een diepgaande, veelbetekenende relatie op. Van Dis beschrijft de hond zoals ik mijn kat zou willen beschrijven: met heel veel liefde en met volledig begrip voor het feit dat die hond een Ander is. Mulder is niet de baas, want hond en man staan in een gelijkwaardige relatie tot elkaar. Die hond begrijpt namelijk ook dat de mens een Ander is (hij zegt het nog net niet hardop).

Waar Mulder in de loop van het boek moeite doet om de andere mensen te leren kennen en te zien, is de hond moeiteloos een deel van zijn bestaan geworden. De weerzin voor de stinkende en geamputeerde zwervers overwint hij nooit helemaal, maar de brandwonden van zijn hond verzorgt hij (ondanks zijn smetvrees) met liefde. Dat komt omdat hij het andere in dat beest accepteert. Het geheim van het dier.

Voor een betekenisvolle relatie met een ander is het noodzakelijk om het geheim van de ander, het wezenlijk onkenbare te accepteren. Dat is moeilijk, want we spiegelen iedereen aan onszelf. Pas als je doorhebt dat je zelf ook een geheim meedraagt dat onkenbaar is voor degene tegenover je, is de spiegeling reëel en kan er sprake zijn van een gelijkwaardige relatie. (Dit is een heel korte samenvatting van mijn scriptie over Kierkegaard.) Het geheim is zowel abstract als zeer concreet – ook de hond in De Wandelaar heeft een concreet geheim, dat ik niet zal verklappen. Het spreekt voor Van Dis dat hij deze ontknoping zeer terloops in de tekst opneemt, want anders werd het boek een simpele whodunnit.

Dieren zijn zo anders dat het veel makkelijker is om dat onkenbare te accepteren. Het tragische misverstand, dat opdoemt als je het andere in een mens niet ziet, krijgt geen kans (er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals de vrouw die een noodlottig misverstand met Bokito had). Kattenmensen roemen de poes altijd om haar mysterieuze houding, honden zijn vervelend omdat ze zich te veel identificeren met de baas. Honden kennen hun eigen geheim niet. Maar dan heb je de hond van Mulder nog niet ontmoet! Le chien en Mulder komen tegenover elkaar rond uit voor hun anderszijn, ze bewaren hun eigen geheim en elkaars geheim, waardoor ruimte ontstaat voor die prachtige relatie. Bijna werd ik toch nog boos op Van Dis, omdat hij die relatie laat aflopen.

Er is veel geschreven over De Wandelaar als actuele roman, waarin (eindelijk) stelling wordt genomen tegenover de problemen van deze tijd. Ik heb nog niets gelezen over de hond, die naamloos blijft maar die je zelf een naam zou willen geven omdat hij je zo dierbaar wordt. Ik heb nog nooit een boek gelezen waarin een dier zo ontroerend beschreven is, als personage van vlees en bloed, bijna menselijk te noemen, ware het niet dat juist het niet-menselijke, het volkomen andere dat personage zo mooi maakt. Juist via die hond ontdek je van alles over De Ander, en dus ook over de ander als mens.

Iedereen, honden-, katten- dan wel mensenmens, moet dit boek lezen. Kierkegaard mag ook.

Flirt met het concrete

Vandaag herlas ik de inleiding die ik schreef bij Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch. Elders op deze site is die geheel terug te lezen.

Daarom als illustratie hier een gedicht uit Memento, van Miron Bialoszewski.

Flirt met het concrete

plots
liefde
voor wie? wie?

de benen gebogen
omgekeerd knielend
beken ik het
de eerste
stoel
en er is ontroering
en samen buigen
en nu jij
o stoel
ik hou van je
stoel
ik hou van je
en dit is een tragische liefde
want daar is meteen
het loeren van het bedrogene al buiten de stoel
het zal uitkijken
mij ziengoed eruit zien
zich wreken

heb ik bedrogen? …?
ja:
buiten de stoel
wreekt zich – heeft uitgekeken
de bedrogen
rest van de wereld
die er mooi uitziet
er niet uitziet voor mij

Boy in Venice

Gisteren was ik een avondje alleen thuis. Een beetje moe en vastbesloten het rustig aan te doen, maakte ik van de gelegenheid gebruik een film te kijken waarvan ik vermoedde dat mijn vriend hem niet erg boeiend zou vinden: Death in Venice, de klassieker uit 1971 van Luchino Visconti, naar het boek van Thomas Mann uit 1912.

Het boek heb ik jaren geleden gelezen, en vermengt zich in mijn herinnering met De Toverberg. Iets met een ziekelijke man (Von Aschenbach) die urenlang met een deken over zijn benen op het strand zit te denken en naar die ene mooie jongen kijkt. Net als Hans Castorp in het sanatorium uit De Toverberg, die op zijn balkon in een soort slaapzak mijmert over de andere gasten, en dan vooral over de lijdelijk-mooie Claudia Chauchat.

En dan is er natuurlijk die ene mooie jongen – eigenlijk nog een jongetje – Tadzio, van wie ik een keer een foto zag op de cover van het boek The Beautiful Boy van Germaine Greer. Calvin Klein-model meets Jim Morrison, maar dan te jong om echt sexy te zijn, heel erg jaren zeventig en het onderwerp van de obsessie van een oude man. Björn Andresen, heet hij, en ik begrijp dat Visconti hem ‘the most beautiful boy in the world’ vond. Germaine Greer blijkbaar ook. Zoiets moet ik dan toch zien.

Zo saai en traag als het verhaaltje klinkt (hoewel De Toverberg niet in de laatste plaats een avonturenroman is met enkele onvergetelijk spannende cliffhangers), zo saai en traag vond ik het begin van de film. Steeds zien we een overzichtsshot, waarbinnen dan wordt ingezoomd. Het lijkt alsof in- en uitzoomen in 1971 maar op één snelheid kon. Ook is steeds de afstand die de camera overbrugt dezelfde. Op een zeker moment denk je ‘daar gáán we weer’ en kun je drie seconden lang een andere kant opkijken.

Maar opeens kreeg de film me in mijn greep. De blikken die Von Aschenbach en Tadzio uitwisselen, dat nauwelijks waarneembare glimlachje rond de jongensmond die het koude zweet doet uitbreken bij de cholerische oudere man, ze krijgen juist door die merkwaardige close-ups betrekking op jou en voor je het weet ben je als kijker zowel object als subject van de hunkering. Dat gaat zo subtiel dat ik niet eens merkte dat mijn ergernis omsloeg in fascinatie. Tadzio’s mondhoek die een millimeter krult, de manier waarop Von Aschenbach gelukzalig zijn wenkbrauwen optrekt, hoe hij zweeft tussen hoop en wanhoop, tussen gekte en zelfbeheersing, passie en rede: het zit allemaal in één complexe gezichtsuitdrukking besloten.

Veel gesproken wordt er in deze film niet, het gaat om het kijken, naar elkaar en naar de hemel, naar de opsmuk van de toeristen en de natte haren van jongens die uit de zee komen gestormd. Alles begint en eindigt met de ogen. En verdomd als het niet waar is: twee uur na het ergerlijke begin, wordt bij het overbekende einde mijn blik waterig en wazig. Net als die van Von Aschenbach, vlak voor hij in het aangezicht van zoveel schoonheid voor het laatst zijn ogen sluit. Van Björn Andresen is weinig meer vernomen. Hij blijft voor altijd the beautiful boy in de branding op het Lido.